[Inhoud]HOOFDSTUK XV.HOOFDSTUK XV.Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden[153]eenige der blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van een ander deel.Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley, na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den 11denApril tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die de meeste volgelingen hadden.Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche[154]commando een Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug.Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden, en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon vertrouwen, want zij wisten[155]dat zij van Dingaan geen genade konden verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd. Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond. Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan 7000 man sterk. Toen op den 17denApril 1837 werd hier een slag gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem gevochten.Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan, verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand terugtrokken.Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het verliet de kraal en trok[156]tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten, stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en sloegen toen den weg naar Port Natal in.Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te verdedigen.De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans[157]om hunne dapperheid te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten „Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval. Doch hetNatal-commandostond zoo vast als een rotssteen, en deed meer dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten nu niet meer en hunInduna enkoluzag, dat het ernst was en zond een regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te verbreken.De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder[158]te vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden nedermaaide.Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval deden geschiedde zulks op eene andere wijze.De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander, en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw.Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen enkele man van dat dappere commando over.De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak.Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of[159]zwart, gij behoort in de onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de geschiedenis vergete u niet.Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten. Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven redde.De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken zij af.Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando.[160]
[Inhoud]HOOFDSTUK XV.HOOFDSTUK XV.Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden[153]eenige der blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van een ander deel.Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley, na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den 11denApril tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die de meeste volgelingen hadden.Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche[154]commando een Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug.Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden, en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon vertrouwen, want zij wisten[155]dat zij van Dingaan geen genade konden verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd. Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond. Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan 7000 man sterk. Toen op den 17denApril 1837 werd hier een slag gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem gevochten.Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan, verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand terugtrokken.Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het verliet de kraal en trok[156]tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten, stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en sloegen toen den weg naar Port Natal in.Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te verdedigen.De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans[157]om hunne dapperheid te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten „Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval. Doch hetNatal-commandostond zoo vast als een rotssteen, en deed meer dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten nu niet meer en hunInduna enkoluzag, dat het ernst was en zond een regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te verbreken.De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder[158]te vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden nedermaaide.Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval deden geschiedde zulks op eene andere wijze.De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander, en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw.Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen enkele man van dat dappere commando over.De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak.Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of[159]zwart, gij behoort in de onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de geschiedenis vergete u niet.Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten. Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven redde.De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken zij af.Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando.[160]
HOOFDSTUK XV.HOOFDSTUK XV.
HOOFDSTUK XV.
Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden[153]eenige der blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van een ander deel.Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley, na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den 11denApril tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die de meeste volgelingen hadden.Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche[154]commando een Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug.Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden, en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon vertrouwen, want zij wisten[155]dat zij van Dingaan geen genade konden verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd. Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond. Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan 7000 man sterk. Toen op den 17denApril 1837 werd hier een slag gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem gevochten.Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan, verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand terugtrokken.Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het verliet de kraal en trok[156]tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten, stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en sloegen toen den weg naar Port Natal in.Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te verdedigen.De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans[157]om hunne dapperheid te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten „Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval. Doch hetNatal-commandostond zoo vast als een rotssteen, en deed meer dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten nu niet meer en hunInduna enkoluzag, dat het ernst was en zond een regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te verbreken.De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder[158]te vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden nedermaaide.Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval deden geschiedde zulks op eene andere wijze.De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander, en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw.Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen enkele man van dat dappere commando over.De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak.Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of[159]zwart, gij behoort in de onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de geschiedenis vergete u niet.Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten. Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven redde.De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken zij af.Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando.[160]
Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden[153]eenige der blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van een ander deel.
Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley, na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den 11denApril tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die de meeste volgelingen hadden.
Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche[154]commando een Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug.
Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden, en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon vertrouwen, want zij wisten[155]dat zij van Dingaan geen genade konden verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd. Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond. Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan 7000 man sterk. Toen op den 17denApril 1837 werd hier een slag gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem gevochten.
Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan, verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand terugtrokken.
Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het verliet de kraal en trok[156]tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten, stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en sloegen toen den weg naar Port Natal in.
Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te verdedigen.
De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans[157]om hunne dapperheid te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten „Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval. Doch hetNatal-commandostond zoo vast als een rotssteen, en deed meer dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten nu niet meer en hunInduna enkoluzag, dat het ernst was en zond een regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te verbreken.
De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder[158]te vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden nedermaaide.
Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval deden geschiedde zulks op eene andere wijze.
De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander, en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw.
Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen enkele man van dat dappere commando over.
De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak.
Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of[159]zwart, gij behoort in de onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de geschiedenis vergete u niet.
Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten. Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven redde.
De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken zij af.
Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando.[160]