[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.HOOFDSTUK XVI.Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden, en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan, alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere mondprovisie; de[161]eerste hadden naar geweren te zien, paardenuit te zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken. Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat gedurende het afwezig zijn van het commando, eenZulu-impieen aanval op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan[162]beoorlogen. De Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had, leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling, de behulpzame hand op dit punt gaven.David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad. Daar hij dit[163]dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en ammunitie.Op den avond van den 5denApril 1838 was alles gereed voor het commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg den volgenden morgen zou men op weg gaan.Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent, om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste orders af te geven.David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter kende, dan zijne eigen[164]ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys uit elkander scheiden.In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven, gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid[165]en ontroering te verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den afscheidskus gaf.„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk naar je vader en blijf bij hem.”Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen naarUmkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te beschrijven, want de eerste[166]vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den 11denApril, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele Zululeger daar ontmoet.”David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel[167]was, dat het voor het oogenblik niet berijdbaar was.„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen. Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden krijgen.”Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had, besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter zijde van Uys.De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling was zoowat een vijftienhonderd treden achter.„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het bovenste van een randje uitkwam.Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.[168]„Hoera!” riep Uys,„hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie gauw schrik maak.”De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent vijftienhonderd treden[169]achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg. In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn eigen vader en broeder.[170]Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen.[171]De Kommandant kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn dood nabij was.„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem uit.Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven. Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en David was dood.De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen te zoeken.Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor een oogenblik, en kregen[172]zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan, David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s gevallen.Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan. Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan komen, hoe veiliger voor ons.”Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een weinig te laten rusten, en toen[173]ging men weder voort. Zoo hield men aan tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben, ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden. Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.[174]
[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.HOOFDSTUK XVI.Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden, en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan, alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere mondprovisie; de[161]eerste hadden naar geweren te zien, paardenuit te zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken. Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat gedurende het afwezig zijn van het commando, eenZulu-impieen aanval op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan[162]beoorlogen. De Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had, leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling, de behulpzame hand op dit punt gaven.David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad. Daar hij dit[163]dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en ammunitie.Op den avond van den 5denApril 1838 was alles gereed voor het commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg den volgenden morgen zou men op weg gaan.Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent, om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste orders af te geven.David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter kende, dan zijne eigen[164]ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys uit elkander scheiden.In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven, gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid[165]en ontroering te verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den afscheidskus gaf.„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk naar je vader en blijf bij hem.”Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen naarUmkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te beschrijven, want de eerste[166]vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den 11denApril, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele Zululeger daar ontmoet.”David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel[167]was, dat het voor het oogenblik niet berijdbaar was.„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen. Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden krijgen.”Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had, besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter zijde van Uys.De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling was zoowat een vijftienhonderd treden achter.„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het bovenste van een randje uitkwam.Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.[168]„Hoera!” riep Uys,„hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie gauw schrik maak.”De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent vijftienhonderd treden[169]achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg. In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn eigen vader en broeder.[170]Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen.[171]De Kommandant kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn dood nabij was.„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem uit.Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven. Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en David was dood.De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen te zoeken.Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor een oogenblik, en kregen[172]zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan, David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s gevallen.Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan. Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan komen, hoe veiliger voor ons.”Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een weinig te laten rusten, en toen[173]ging men weder voort. Zoo hield men aan tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben, ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden. Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.[174]
HOOFDSTUK XVI.HOOFDSTUK XVI.
HOOFDSTUK XVI.
Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden, en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan, alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere mondprovisie; de[161]eerste hadden naar geweren te zien, paardenuit te zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken. Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat gedurende het afwezig zijn van het commando, eenZulu-impieen aanval op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan[162]beoorlogen. De Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had, leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling, de behulpzame hand op dit punt gaven.David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad. Daar hij dit[163]dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en ammunitie.Op den avond van den 5denApril 1838 was alles gereed voor het commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg den volgenden morgen zou men op weg gaan.Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent, om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste orders af te geven.David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter kende, dan zijne eigen[164]ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys uit elkander scheiden.In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven, gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid[165]en ontroering te verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den afscheidskus gaf.„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk naar je vader en blijf bij hem.”Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen naarUmkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te beschrijven, want de eerste[166]vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den 11denApril, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele Zululeger daar ontmoet.”David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel[167]was, dat het voor het oogenblik niet berijdbaar was.„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen. Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden krijgen.”Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had, besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter zijde van Uys.De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling was zoowat een vijftienhonderd treden achter.„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het bovenste van een randje uitkwam.Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.[168]„Hoera!” riep Uys,„hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie gauw schrik maak.”De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent vijftienhonderd treden[169]achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg. In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn eigen vader en broeder.[170]Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen.[171]De Kommandant kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn dood nabij was.„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem uit.Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven. Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en David was dood.De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen te zoeken.Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor een oogenblik, en kregen[172]zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan, David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s gevallen.Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan. Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan komen, hoe veiliger voor ons.”Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een weinig te laten rusten, en toen[173]ging men weder voort. Zoo hield men aan tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben, ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden. Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.[174]
Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden, en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan, alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.
Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere mondprovisie; de[161]eerste hadden naar geweren te zien, paardenuit te zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken. Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat gedurende het afwezig zijn van het commando, eenZulu-impieen aanval op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.
Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan[162]beoorlogen. De Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.
Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had, leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling, de behulpzame hand op dit punt gaven.
David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad. Daar hij dit[163]dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en ammunitie.
Op den avond van den 5denApril 1838 was alles gereed voor het commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg den volgenden morgen zou men op weg gaan.
Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent, om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste orders af te geven.
David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter kende, dan zijne eigen[164]ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.
Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys uit elkander scheiden.
In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven, gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.
Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid[165]en ontroering te verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den afscheidskus gaf.
„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk naar je vader en blijf bij hem.”
Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.
Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.
„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen naarUmkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.
Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te beschrijven, want de eerste[166]vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.
„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den 11denApril, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele Zululeger daar ontmoet.”
David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel[167]was, dat het voor het oogenblik niet berijdbaar was.
„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen. Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden krijgen.”
Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had, besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter zijde van Uys.
De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.
De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling was zoowat een vijftienhonderd treden achter.
„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het bovenste van een randje uitkwam.
Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.[168]
„Hoera!” riep Uys,„hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie gauw schrik maak.”
De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.
Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.
Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent vijftienhonderd treden[169]achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg. In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.
Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.
David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn eigen vader en broeder.[170]Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen.[171]De Kommandant kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn dood nabij was.
„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem uit.
Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven. Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en David was dood.
De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen te zoeken.
Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor een oogenblik, en kregen[172]zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan, David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.
Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s gevallen.
Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan. Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.
„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan komen, hoe veiliger voor ons.”
Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een weinig te laten rusten, en toen[173]ging men weder voort. Zoo hield men aan tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben, ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden. Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.[174]