Hoofdstuk V.Algemeene rechtskundige gezichtspunten.Bij de wording onzer hedendaagsche strafwetten was de aandacht nog niet in die mate op den ernstigen aard en den omvang van den handel in blanke slavinnen gevestigd, dat men meende reeds strafbepalingen tegen deze handelingen in het leven te moeten roepen. Ik mag nog verder gaan en zeggen, dat vele wetgevers zich van haar bestaan nog onbewust waren.De groote agitatie ontstond in Engeland. De door het Hoogerhuis in 1881 benoemde Enquête-Commissie en daarna in 1885 de krachtige stooten door den Heer Stead gegeven met zijn artikelen, gepubliceerd in de “Pall Mall Gazette” onder den titel: “The Maiden Tribute of Modern Babylon”, hadden de EngelscheCriminal Law Amendment Actvan 1885 ten gevolge. Dit is de eerste wet, die speciale strafbepalingen bevat tot bestrijding van den meisjeshandel. Na dien heeft men hetzij in ontwerpen voor afzonderlijke wetten hetzij in ontwerpen voor strafwetboeken pogingen aangewend door straffen het kwaad te beteugelen. Intusschen trachtte men toch in de leemte te voorzien en andere strafbepalingenpasklaar te maken en te verruimen en te verwringen om de daden van hen, die door misleiding jonge meisjes aan de prostitutie overleveren, te kunnen achterhalen. Dat dit een afkeuringswaardige en niet geoorloofde wijze van wetsinterpretatie is, behoeft geen betoog. Men betreedt op deze wijze toch den weg der analogische wetsuitlegging, al zou men haar gaarne een extensieve interpretatie willen noemen. Zoolang men, door een ruim gestelde strafwettelijke bepaling gesteund, de handelingen derplaceursals een specialen vorm kan aanduiden van een feit, dat in die bepaling aangeduid is, zoolang kan ook nog gebruik gemaakt worden van eene extensieve interpretatie. Maar wanneer men slechts uit kan gaan van de idee, dat de bewuste handelingen in strijd zijn met een principe, met een hoogere gedachte, die aan de bijzondere strafbepaling ten grondslag ligt en van welke men aanneemt dat de wetgever haar in haar vollen omvang geaccepteerd heeft, dan komt men in flagranten strijd met de in de hedendaagsche strafwetgevingen gehuldigde leer van Feuerbach: «nullum delictum, nulla poena sine lege praevia poenali,” welke leer in het Nederl. strafwetboek gehuldigd is in art. 1. Men zoude daarmee de analogische wetsuitlegging toepassen, die juist verboden is, waar het betreft vermeerdering van delicten. Onbewust komt men op dit terrein: de meisjeshandel draagt zulk een eigenaardig karakter, dat het wel een toeval is, wanneer hij in een ruim gesteld artikel kan vallen, bij welks wording de wetgever in het minst niet dacht het te doen strekken tot bestrijding van handelingen, die onder den blankeslavinnen handel kunnen gerangschikt worden. Zooals deze zich voordoen, treedt op den voorgrond bij alle feiten het overleveren aan een ontuchtig leven, verder bij verreweg de meeste een bedriegelijk element, waarvan het een vereischte is, dat ’t berekend is om het ware oogmerk voor het slachtoffer verborgen te houden en dan de opsluiting in een bordeel.In de eerste en voornaamste plaats brengen de bedrijvers van de feiten in gevaar de eerbaarheid der vrouw. Met ’t oog op dit rechtsbelang kan men den meisjeshandel plaatsen onder de misdrijven tegen de zeden. Men wil hem dan beschouwen òf alsmedeplichtigheidaan koppelarij òf als het plegen van koppelarij zelve. Dit hangt af van de meer of minder ruim gestelde redactie van dit misdrijf in de verschillende wetboeken. De overweging, dat de blanke slavinnenhandel zonder twijfel een misdrijf tegen de zeden moet worden bijeventueeleafzonderlijke strafbaarstelling, verder dat vele gevallen van dien handel wel onder het misdrijf der koppelarij zouden kunnen vallen, brengt er mij toe een nauwkeurig onderzoek in te stellen in de verschillende strafwetten, die nog geen speciale strafbepalingen inhouden tegen den blanke slavinnenhandel, in hoeverre hetzij met of zonder behulp eener extensieve interpretatie de meisjeshandelaar ter zake van koppelarij zou kunnen vervolgd worden.Dit wensch ik in de volgende hoofdstukken voor verschillende landen te bespreken. Ik mag evenwel niet nalaten reeds hier op de mogelijkheid te wijzen, dat het onderzoek in de meeste gevallen geen bevredigenderesultaten zal opleveren. En dit wel om een tweetal redenen. De koppelarij-artikelen hebben meestal het oog op de bestraffing van het eenvoudige lenocinium, dat in zich sluit, dat de vrouw, alhoewel ten gevolge der gebezigde middelen, op de hoogte is van hetgeen er gaat geschieden. Anders bij den handel in blanke slavinnen. Verder is de redactie van meerdere strafbepalingen van dien aard, dat er slechts sprake is van het plegen van ontucht met een bepaalden derde. Dit opzet bestaat bij den placeur nooit. Ten slotte moet ik er nog op wijzen, dat de meeste koppelarij-artikelen voor ’t voltooide misdrijf vorderen, dat de ontucht moet opgewekt of bevorderd zijn. Dit nu is een vereischte, dat bij de strafbaarstelling van eene daad van handel in vrouwen en meisjes volstrekt niet gesteld mag worden.De wensch om de placeurs en consorten toch te treffen, leidt tot ’t onderzoek of hunne handelingen onder bedrog zouden kunnen vallen. Ongelukkigerwijze raakt men hier op een dwaalspoor door een overeenkomst van woorden. Mogelijk zou het zijn, indien de juridische uitdrukking “bedrog” aangaf alle misdrijven, die door bedriegelijke handelingen of verzuimen volvoerd worden. Dit ruime begrip huldigde de Oostenrijksche en Pruisische wetgeving der 18e eeuw. Doch historisch ontstaan uit de Romeinsrechtelijke stellionatus, die krenking van vermogen en »calliditas” vorderde (v. Liszt Lehrbuch pag. 489) heeft het moderne »bedrog” als een speciaal misdrijf een veel enger begrip. Dat is slechts beperkt tot het door bedriegelijke middelen met een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeelingaantasten van eens anders vermogen. Het is dus een bij uitstek tegen het vermogen gericht misdrijf en is ook in bijna alle wetgevingen onder de vermogensmisdrijven te vinden. Om deze reden kan de placeur dus niet ter zake van bedrog vervolgd worden.Het feit, dat ook hij door bedriegelijke middelen zijn vermogen vermeerdert, doet daartoe niets af, daar de persoon, van wien hij geld ontvangt een andere is dan die, tegen welke hij de bedriegelijke middelen aanwendt; verder is in de verhouding tusschen hem, wiens vermogen vermeerderd wordt en dengene, van wie die vermeerdering afkomstig is, niets incorrects te zien, d. w. z. het is geen wederrechtelijke vermogensvermeerdering. Het bedrog tegen de vrouw gepleegd is niet de beweegreden, die den ander noopt eenige vermogensvermeerdering toe te kennen aan den bedrieger.De vrouw wordt in een bordeel opgesloten, zij wordt van hare persoonlijke vrijheid beroofd. Zij wordt in een hulpeloozen toestand verplaatst. Kunnen we den dader op grond van de bepaling, die menschenroof strafbaar stelt, vervolgen?Menschenroof is een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid; het oogmerk van den dader is daarop gericht, dat het slachtoffer van de vrijheid beroofd of in hulpeloozen toestand geplaatst wordt.In de meeste gevallen zal hier het motief, de drijfveer tot de handeling hetzelfde zijn als het bijkomend oogmerk. Bij den meisjeshandel moeten wij er op letten, dat de vrijheidsrooving of de verplaatsing in een hulpeloozen toestand geen noodzakelijk gevolg van het deliktbehoeft te zijn, verder dat bij dit feit de vrijheidsrooving etc. slechts middel is om het doel te bereiken, dat de vrouw aan het verlangen, dat zij zich aan de ontucht overgeeft, voldoet.Het oogmerk is hier daarop gericht om de vrouw aan een ontuchtig leven over te leveren, terwijl het motief, de drijfveer tot de handeling meestal vermogensvermeerdering zal zijn.Menschenroof en blanke slavinnenhandel verschillen dus innerlijk zeer van elkaar en het is derhalve een onjuiste wetstoepassing de feiten, die men als blanke slavinnenhandel qualificeert, als menschenroof te willen berechten.
Hoofdstuk V.Algemeene rechtskundige gezichtspunten.Bij de wording onzer hedendaagsche strafwetten was de aandacht nog niet in die mate op den ernstigen aard en den omvang van den handel in blanke slavinnen gevestigd, dat men meende reeds strafbepalingen tegen deze handelingen in het leven te moeten roepen. Ik mag nog verder gaan en zeggen, dat vele wetgevers zich van haar bestaan nog onbewust waren.De groote agitatie ontstond in Engeland. De door het Hoogerhuis in 1881 benoemde Enquête-Commissie en daarna in 1885 de krachtige stooten door den Heer Stead gegeven met zijn artikelen, gepubliceerd in de “Pall Mall Gazette” onder den titel: “The Maiden Tribute of Modern Babylon”, hadden de EngelscheCriminal Law Amendment Actvan 1885 ten gevolge. Dit is de eerste wet, die speciale strafbepalingen bevat tot bestrijding van den meisjeshandel. Na dien heeft men hetzij in ontwerpen voor afzonderlijke wetten hetzij in ontwerpen voor strafwetboeken pogingen aangewend door straffen het kwaad te beteugelen. Intusschen trachtte men toch in de leemte te voorzien en andere strafbepalingenpasklaar te maken en te verruimen en te verwringen om de daden van hen, die door misleiding jonge meisjes aan de prostitutie overleveren, te kunnen achterhalen. Dat dit een afkeuringswaardige en niet geoorloofde wijze van wetsinterpretatie is, behoeft geen betoog. Men betreedt op deze wijze toch den weg der analogische wetsuitlegging, al zou men haar gaarne een extensieve interpretatie willen noemen. Zoolang men, door een ruim gestelde strafwettelijke bepaling gesteund, de handelingen derplaceursals een specialen vorm kan aanduiden van een feit, dat in die bepaling aangeduid is, zoolang kan ook nog gebruik gemaakt worden van eene extensieve interpretatie. Maar wanneer men slechts uit kan gaan van de idee, dat de bewuste handelingen in strijd zijn met een principe, met een hoogere gedachte, die aan de bijzondere strafbepaling ten grondslag ligt en van welke men aanneemt dat de wetgever haar in haar vollen omvang geaccepteerd heeft, dan komt men in flagranten strijd met de in de hedendaagsche strafwetgevingen gehuldigde leer van Feuerbach: «nullum delictum, nulla poena sine lege praevia poenali,” welke leer in het Nederl. strafwetboek gehuldigd is in art. 1. Men zoude daarmee de analogische wetsuitlegging toepassen, die juist verboden is, waar het betreft vermeerdering van delicten. Onbewust komt men op dit terrein: de meisjeshandel draagt zulk een eigenaardig karakter, dat het wel een toeval is, wanneer hij in een ruim gesteld artikel kan vallen, bij welks wording de wetgever in het minst niet dacht het te doen strekken tot bestrijding van handelingen, die onder den blankeslavinnen handel kunnen gerangschikt worden. Zooals deze zich voordoen, treedt op den voorgrond bij alle feiten het overleveren aan een ontuchtig leven, verder bij verreweg de meeste een bedriegelijk element, waarvan het een vereischte is, dat ’t berekend is om het ware oogmerk voor het slachtoffer verborgen te houden en dan de opsluiting in een bordeel.In de eerste en voornaamste plaats brengen de bedrijvers van de feiten in gevaar de eerbaarheid der vrouw. Met ’t oog op dit rechtsbelang kan men den meisjeshandel plaatsen onder de misdrijven tegen de zeden. Men wil hem dan beschouwen òf alsmedeplichtigheidaan koppelarij òf als het plegen van koppelarij zelve. Dit hangt af van de meer of minder ruim gestelde redactie van dit misdrijf in de verschillende wetboeken. De overweging, dat de blanke slavinnenhandel zonder twijfel een misdrijf tegen de zeden moet worden bijeventueeleafzonderlijke strafbaarstelling, verder dat vele gevallen van dien handel wel onder het misdrijf der koppelarij zouden kunnen vallen, brengt er mij toe een nauwkeurig onderzoek in te stellen in de verschillende strafwetten, die nog geen speciale strafbepalingen inhouden tegen den blanke slavinnenhandel, in hoeverre hetzij met of zonder behulp eener extensieve interpretatie de meisjeshandelaar ter zake van koppelarij zou kunnen vervolgd worden.Dit wensch ik in de volgende hoofdstukken voor verschillende landen te bespreken. Ik mag evenwel niet nalaten reeds hier op de mogelijkheid te wijzen, dat het onderzoek in de meeste gevallen geen bevredigenderesultaten zal opleveren. En dit wel om een tweetal redenen. De koppelarij-artikelen hebben meestal het oog op de bestraffing van het eenvoudige lenocinium, dat in zich sluit, dat de vrouw, alhoewel ten gevolge der gebezigde middelen, op de hoogte is van hetgeen er gaat geschieden. Anders bij den handel in blanke slavinnen. Verder is de redactie van meerdere strafbepalingen van dien aard, dat er slechts sprake is van het plegen van ontucht met een bepaalden derde. Dit opzet bestaat bij den placeur nooit. Ten slotte moet ik er nog op wijzen, dat de meeste koppelarij-artikelen voor ’t voltooide misdrijf vorderen, dat de ontucht moet opgewekt of bevorderd zijn. Dit nu is een vereischte, dat bij de strafbaarstelling van eene daad van handel in vrouwen en meisjes volstrekt niet gesteld mag worden.De wensch om de placeurs en consorten toch te treffen, leidt tot ’t onderzoek of hunne handelingen onder bedrog zouden kunnen vallen. Ongelukkigerwijze raakt men hier op een dwaalspoor door een overeenkomst van woorden. Mogelijk zou het zijn, indien de juridische uitdrukking “bedrog” aangaf alle misdrijven, die door bedriegelijke handelingen of verzuimen volvoerd worden. Dit ruime begrip huldigde de Oostenrijksche en Pruisische wetgeving der 18e eeuw. Doch historisch ontstaan uit de Romeinsrechtelijke stellionatus, die krenking van vermogen en »calliditas” vorderde (v. Liszt Lehrbuch pag. 489) heeft het moderne »bedrog” als een speciaal misdrijf een veel enger begrip. Dat is slechts beperkt tot het door bedriegelijke middelen met een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeelingaantasten van eens anders vermogen. Het is dus een bij uitstek tegen het vermogen gericht misdrijf en is ook in bijna alle wetgevingen onder de vermogensmisdrijven te vinden. Om deze reden kan de placeur dus niet ter zake van bedrog vervolgd worden.Het feit, dat ook hij door bedriegelijke middelen zijn vermogen vermeerdert, doet daartoe niets af, daar de persoon, van wien hij geld ontvangt een andere is dan die, tegen welke hij de bedriegelijke middelen aanwendt; verder is in de verhouding tusschen hem, wiens vermogen vermeerderd wordt en dengene, van wie die vermeerdering afkomstig is, niets incorrects te zien, d. w. z. het is geen wederrechtelijke vermogensvermeerdering. Het bedrog tegen de vrouw gepleegd is niet de beweegreden, die den ander noopt eenige vermogensvermeerdering toe te kennen aan den bedrieger.De vrouw wordt in een bordeel opgesloten, zij wordt van hare persoonlijke vrijheid beroofd. Zij wordt in een hulpeloozen toestand verplaatst. Kunnen we den dader op grond van de bepaling, die menschenroof strafbaar stelt, vervolgen?Menschenroof is een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid; het oogmerk van den dader is daarop gericht, dat het slachtoffer van de vrijheid beroofd of in hulpeloozen toestand geplaatst wordt.In de meeste gevallen zal hier het motief, de drijfveer tot de handeling hetzelfde zijn als het bijkomend oogmerk. Bij den meisjeshandel moeten wij er op letten, dat de vrijheidsrooving of de verplaatsing in een hulpeloozen toestand geen noodzakelijk gevolg van het deliktbehoeft te zijn, verder dat bij dit feit de vrijheidsrooving etc. slechts middel is om het doel te bereiken, dat de vrouw aan het verlangen, dat zij zich aan de ontucht overgeeft, voldoet.Het oogmerk is hier daarop gericht om de vrouw aan een ontuchtig leven over te leveren, terwijl het motief, de drijfveer tot de handeling meestal vermogensvermeerdering zal zijn.Menschenroof en blanke slavinnenhandel verschillen dus innerlijk zeer van elkaar en het is derhalve een onjuiste wetstoepassing de feiten, die men als blanke slavinnenhandel qualificeert, als menschenroof te willen berechten.
Bij de wording onzer hedendaagsche strafwetten was de aandacht nog niet in die mate op den ernstigen aard en den omvang van den handel in blanke slavinnen gevestigd, dat men meende reeds strafbepalingen tegen deze handelingen in het leven te moeten roepen. Ik mag nog verder gaan en zeggen, dat vele wetgevers zich van haar bestaan nog onbewust waren.
De groote agitatie ontstond in Engeland. De door het Hoogerhuis in 1881 benoemde Enquête-Commissie en daarna in 1885 de krachtige stooten door den Heer Stead gegeven met zijn artikelen, gepubliceerd in de “Pall Mall Gazette” onder den titel: “The Maiden Tribute of Modern Babylon”, hadden de EngelscheCriminal Law Amendment Actvan 1885 ten gevolge. Dit is de eerste wet, die speciale strafbepalingen bevat tot bestrijding van den meisjeshandel. Na dien heeft men hetzij in ontwerpen voor afzonderlijke wetten hetzij in ontwerpen voor strafwetboeken pogingen aangewend door straffen het kwaad te beteugelen. Intusschen trachtte men toch in de leemte te voorzien en andere strafbepalingenpasklaar te maken en te verruimen en te verwringen om de daden van hen, die door misleiding jonge meisjes aan de prostitutie overleveren, te kunnen achterhalen. Dat dit een afkeuringswaardige en niet geoorloofde wijze van wetsinterpretatie is, behoeft geen betoog. Men betreedt op deze wijze toch den weg der analogische wetsuitlegging, al zou men haar gaarne een extensieve interpretatie willen noemen. Zoolang men, door een ruim gestelde strafwettelijke bepaling gesteund, de handelingen derplaceursals een specialen vorm kan aanduiden van een feit, dat in die bepaling aangeduid is, zoolang kan ook nog gebruik gemaakt worden van eene extensieve interpretatie. Maar wanneer men slechts uit kan gaan van de idee, dat de bewuste handelingen in strijd zijn met een principe, met een hoogere gedachte, die aan de bijzondere strafbepaling ten grondslag ligt en van welke men aanneemt dat de wetgever haar in haar vollen omvang geaccepteerd heeft, dan komt men in flagranten strijd met de in de hedendaagsche strafwetgevingen gehuldigde leer van Feuerbach: «nullum delictum, nulla poena sine lege praevia poenali,” welke leer in het Nederl. strafwetboek gehuldigd is in art. 1. Men zoude daarmee de analogische wetsuitlegging toepassen, die juist verboden is, waar het betreft vermeerdering van delicten. Onbewust komt men op dit terrein: de meisjeshandel draagt zulk een eigenaardig karakter, dat het wel een toeval is, wanneer hij in een ruim gesteld artikel kan vallen, bij welks wording de wetgever in het minst niet dacht het te doen strekken tot bestrijding van handelingen, die onder den blankeslavinnen handel kunnen gerangschikt worden. Zooals deze zich voordoen, treedt op den voorgrond bij alle feiten het overleveren aan een ontuchtig leven, verder bij verreweg de meeste een bedriegelijk element, waarvan het een vereischte is, dat ’t berekend is om het ware oogmerk voor het slachtoffer verborgen te houden en dan de opsluiting in een bordeel.
In de eerste en voornaamste plaats brengen de bedrijvers van de feiten in gevaar de eerbaarheid der vrouw. Met ’t oog op dit rechtsbelang kan men den meisjeshandel plaatsen onder de misdrijven tegen de zeden. Men wil hem dan beschouwen òf alsmedeplichtigheidaan koppelarij òf als het plegen van koppelarij zelve. Dit hangt af van de meer of minder ruim gestelde redactie van dit misdrijf in de verschillende wetboeken. De overweging, dat de blanke slavinnenhandel zonder twijfel een misdrijf tegen de zeden moet worden bijeventueeleafzonderlijke strafbaarstelling, verder dat vele gevallen van dien handel wel onder het misdrijf der koppelarij zouden kunnen vallen, brengt er mij toe een nauwkeurig onderzoek in te stellen in de verschillende strafwetten, die nog geen speciale strafbepalingen inhouden tegen den blanke slavinnenhandel, in hoeverre hetzij met of zonder behulp eener extensieve interpretatie de meisjeshandelaar ter zake van koppelarij zou kunnen vervolgd worden.
Dit wensch ik in de volgende hoofdstukken voor verschillende landen te bespreken. Ik mag evenwel niet nalaten reeds hier op de mogelijkheid te wijzen, dat het onderzoek in de meeste gevallen geen bevredigenderesultaten zal opleveren. En dit wel om een tweetal redenen. De koppelarij-artikelen hebben meestal het oog op de bestraffing van het eenvoudige lenocinium, dat in zich sluit, dat de vrouw, alhoewel ten gevolge der gebezigde middelen, op de hoogte is van hetgeen er gaat geschieden. Anders bij den handel in blanke slavinnen. Verder is de redactie van meerdere strafbepalingen van dien aard, dat er slechts sprake is van het plegen van ontucht met een bepaalden derde. Dit opzet bestaat bij den placeur nooit. Ten slotte moet ik er nog op wijzen, dat de meeste koppelarij-artikelen voor ’t voltooide misdrijf vorderen, dat de ontucht moet opgewekt of bevorderd zijn. Dit nu is een vereischte, dat bij de strafbaarstelling van eene daad van handel in vrouwen en meisjes volstrekt niet gesteld mag worden.
De wensch om de placeurs en consorten toch te treffen, leidt tot ’t onderzoek of hunne handelingen onder bedrog zouden kunnen vallen. Ongelukkigerwijze raakt men hier op een dwaalspoor door een overeenkomst van woorden. Mogelijk zou het zijn, indien de juridische uitdrukking “bedrog” aangaf alle misdrijven, die door bedriegelijke handelingen of verzuimen volvoerd worden. Dit ruime begrip huldigde de Oostenrijksche en Pruisische wetgeving der 18e eeuw. Doch historisch ontstaan uit de Romeinsrechtelijke stellionatus, die krenking van vermogen en »calliditas” vorderde (v. Liszt Lehrbuch pag. 489) heeft het moderne »bedrog” als een speciaal misdrijf een veel enger begrip. Dat is slechts beperkt tot het door bedriegelijke middelen met een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeelingaantasten van eens anders vermogen. Het is dus een bij uitstek tegen het vermogen gericht misdrijf en is ook in bijna alle wetgevingen onder de vermogensmisdrijven te vinden. Om deze reden kan de placeur dus niet ter zake van bedrog vervolgd worden.
Het feit, dat ook hij door bedriegelijke middelen zijn vermogen vermeerdert, doet daartoe niets af, daar de persoon, van wien hij geld ontvangt een andere is dan die, tegen welke hij de bedriegelijke middelen aanwendt; verder is in de verhouding tusschen hem, wiens vermogen vermeerderd wordt en dengene, van wie die vermeerdering afkomstig is, niets incorrects te zien, d. w. z. het is geen wederrechtelijke vermogensvermeerdering. Het bedrog tegen de vrouw gepleegd is niet de beweegreden, die den ander noopt eenige vermogensvermeerdering toe te kennen aan den bedrieger.
De vrouw wordt in een bordeel opgesloten, zij wordt van hare persoonlijke vrijheid beroofd. Zij wordt in een hulpeloozen toestand verplaatst. Kunnen we den dader op grond van de bepaling, die menschenroof strafbaar stelt, vervolgen?
Menschenroof is een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid; het oogmerk van den dader is daarop gericht, dat het slachtoffer van de vrijheid beroofd of in hulpeloozen toestand geplaatst wordt.
In de meeste gevallen zal hier het motief, de drijfveer tot de handeling hetzelfde zijn als het bijkomend oogmerk. Bij den meisjeshandel moeten wij er op letten, dat de vrijheidsrooving of de verplaatsing in een hulpeloozen toestand geen noodzakelijk gevolg van het deliktbehoeft te zijn, verder dat bij dit feit de vrijheidsrooving etc. slechts middel is om het doel te bereiken, dat de vrouw aan het verlangen, dat zij zich aan de ontucht overgeeft, voldoet.
Het oogmerk is hier daarop gericht om de vrouw aan een ontuchtig leven over te leveren, terwijl het motief, de drijfveer tot de handeling meestal vermogensvermeerdering zal zijn.
Menschenroof en blanke slavinnenhandel verschillen dus innerlijk zeer van elkaar en het is derhalve een onjuiste wetstoepassing de feiten, die men als blanke slavinnenhandel qualificeert, als menschenroof te willen berechten.