Hoofdstuk VI.

Hoofdstuk VI.Wetgeving in Nederland.§ 1. Wetboek van Strafrecht.Den 1stenSeptember 1886 trad onze nationale strafwetgeving in werking. Vóórdien gold nog steeds de Fransche Code Pénal, zooals deze in den loop der jaren gewijzigd en aangevuld was. De 2detitel van dit wetboek, “Misdaden en wanbedrijven tegen bijzondere personen”, bevatte in zijn 4deafdeeling “Aantasting der zeden” art. 334, dat een strafbepaling inhield tegen de koppelarij. Art. 335 stelde eenige bijkomende straffen vast.Art. 334aluidde:Quiconque aura attenté aux mœurs en excitant, favorisant et facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse de l’un ou de l’autre sexe au dessous de l’age de vingt-un ans, sera puni etc.Alwie zich feitelijk tegen de zeden vergrepen zal hebben met zijn werk te maken om de ongebondenheid of onzedelijkheid (débauche) of de verleiding van jonge lieden beneden den ouderdom van 21 jaren van de een of andere kunne op te wekken, te bevorderen of behulpzaam te zijn, zal gestraft worden etc.Bij de behandeling van het Fransche recht hierachter zullen wij gewaarworden, dat dit Code-artikel niet aan de behoeften voldeed. Het straft het eenvoudige lenocinium en kan dus niet dienstbaar gemaakt worden om den placeur te treffen, die uit den aard der zaak in de meeste gevallen slechts zijne medewerking verleent; of hij als medeplichtige zou kunnen getroffen worden, is in ieder geval afzonderlijk te beslissen.Het nu vigeerend artikel, dat de koppelarij strafbaar stelt, art. 250 Sw., luidt:Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:1º met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren, de vader, moeder, voogd of toeziende voogd, die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;2º met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren, ieder ander, die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde een gewoonte maakt.De Memorie van Toelichting begint met de woorden: “Het lenocinium is strafbaar, indien blijkt dat iemand òf uit winstbejag òf als gewoonte personen jonger dan 21 jaren tot ontucht met anderen aanzet.” Hieruit volgt, dat de daad van den handelaar in blanke slavinnen, die toch slechts medeplichtigheid aan het lenocinium kan wezen, niet het feit is, dat art. 250 bedoelt te straffen.Dit blijkt ook daaruit dat, terwijl de daad van denplaceur reeds afgesloten is, vóordat het plegen van de ontucht heeft plaats gehad, art. 2502ºevenals de koppelarij artikelen in andere wetgevingen voor het voltooide misdrijf vordert, dat de ontucht teweeggebracht of bevorderd moet zijn. Een bijkomende voorwaarde van straf waardigheid, als deze omstandigheid zou daarstellen, mogen we niet vorderen voor de bestraffing van eene daad van handel in vrouwen en meisjes. Bovendien is de minderjarige, bij wien de ontucht opgewekt of bevorderd wordt, op de hoogte van de dingen, die gebeuren zullen. Dit althans veronderstelt het begrip koppelarij, al staat het niet met zooveel woorden in het artikel.Art. 250 2º., dat de eigenlijke koppelarij daarstelt, is ruimer gesteld dan het overeenkomstige art. 334avan den Code, in zooverre als de gewoonte niet een noodzakelijk bestanddeel vormt, mits dan het winstbejag bewezen is. Wat den leeftijd van 23 jaar aangaat, zoo is het een vereischte, dat de dader bij het plegen daarvan kennis droeg. Dit volgt uit de plaatsing van het woord opzettelijk en dit is dan ook meer dan eens in dezen zin door den Hoogen Raad beslist. Juist dit punt maakt de mogelijkheid eener bestraffing van den placeur als medeplichtige van den koppelaar nog geringer, daar toch uit de beginselen der medeplichtigheid volgt, dat het opzet van de medeplichtige op de door de wet gestelde bestanddeelen van het misdrijf van den dader gericht mocht zijn; hij moet dus òf zijn opzet richten daarop, dat de dader uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarigemet een derde teweegbrengt of bevordert, òf dat de dader van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt. De wetenschap van de minderjarigheid zal bij den placeur hoogst moeilijk bewezen kunnen worden; het zal gemakkelijker gaan, indien het bewijs geleverd is, dat hij opzettelijk valsche legitimatiepapieren aan den bordeelhouder verschaft heeft. Wanneer de vrouw klaarblijkelijk zeer jeugdig er uit ziet, kan de leer van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn toepassing vinden. De placeur etc. kan slechts dan onder het bereik van art. 250 2º vallen, indien hij onder valsche voorspiegelingen een meisje, van wie hij de minderjarigheid kent, aan een derde verkoopt van wien hij weet, dat deze uit winstbejag de ontucht van haar met een ander zal teweegbrengen of bevorderen.Nu moet verder de vraag gesteld worden in hoeverre de placeur etc. medeplichtig kan zijn aan het feit, dat iemand van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt.Wat beteekent art. 250 2º in fine?Is de dader strafbaar, indien hij van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van de ontucht door eenenkeleminderjarige met een derde een gewoonte maakt? Of is hij het pas, àls hij er een gewoonte van maakt opzettelijk de ontucht vanminderjarigenmet derden teweeg te brengen of te bevorderen, zoodat in dit geval het aantal keeren, dat bij een dier minderjarigen de ontucht teweeggebracht of bevorderd is, niet op eengewoonte behoeven te wijzen. Moet dus het aantal der minderjarigen kunnen wijzen op eene gewoonte in tegenstelling met het eerste geval, waarbij ’t het aantal malen is, dat ten opzichte van een minderjarige het teweeg brengen of bevorderen der ontucht plaats heeft? Dit is niet erg duidelijk en hoe ’t wezen moet blijkt ook niet uit hetgeen bij de tot standkoming der wet heeft plaats gehad. Het is toch van belang deze kwestie op te lossen. Het O. R. O. luidde: “... of die van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht doorzoodanige personenmet derden eene gewoonte maakt”. “Zoodanige personen” sloeg op het voorafgaande “persoon beneden den leeftijd van 21 jaar”, doch toen dit daarna in “minderjarige” veranderd werd had deze verandering ook plaats bij het daarop volgende; evenwel werd zonder reden het meervoud door het enkelvoud vervangen.Ik meen op grond van het feit, dat tijdens de totstandkoming van het artikel op dit punt de aandacht niet gevestigd is, de heerschende practijk onder vigeur van art. 334 C. P., die niet alleenpluralité de victimes, maar ookpluralité de faitsten opzichte van éen persoon, zoodat de herhaling eene gewoonte opleverde, toestond, bij de behandeling van het artikel geen tegenspraak ondervond, tot ’t besluit te mogen komen, dat ook nu zoowel de herhaling met betrekking tot meerdere personen als de herhaling met betrekking tot handelingen ten opzichte van éen persoon, welke een gewoonte oplevert, binnen de strafbepaling vallen.Met betrekking tot de medeplichtigheid valt dit opte merken, hetgeen uit de medeplichtigheidsleer volgt: in het laatste geval,pluralité de faitsbij een persoon kan de meisjeshandelaar niet als medeplichtige van den koppelaar vervolgd worden. In het eerste geval, bijpluralité de victimes, kan hij slechts dan vervolgd worden, indien hij een minimum aantal medeplichtigheidshandelingen begaat ten opzichte van de handelingen van den hoofddader, welke beiden eene gewoonte moeten opleveren.De makelaar in meisjes, die geregeld aan eenzelfden bordeelhouder verkoopt, is dus strafbaar, maar hij, die aan alle mogelijke bordeelhouders slechts nu en dan meisjes afstaat, valt buiten het bereik onzer strafwet. Verder natuurlijk degene, die slechts éen of enkele daden van blanke slavinnenhandel verricht.Afzonderlijke bespreking vereischt nog het geval dat de makelaar in meisjes zonder opdracht handelt van een bordeelhouder, doch als ’t ware ze op eigen risico aanwerft. Hier hangt de beantwoording der vraag, of hij naar bovengemelde regels als medeplichtige gestraft kan worden, allereerst af van de uiterst moeilijke kwestie, of men medeplichtig kan zijn aan een misdrijf, wanneer het opzet tot het plegen van dat misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik dat deze verleend wordt, niet aanwezig is. Er is in deze gevallen natuurlijk slechts sprake van hulpverleeningvóorhet plegen van een misdrijf, zooals die in art. 48 2º Sw. beperkt is aangegeven.Allereerst is het van belang te weten of in het geval, dat een makelaar met een of meer meisjes zich tot een bordeelhouder wendt, met wien hij geen afspraak heeften van wien hij geen last ontving, zou mogen aangenomen worden, dat bij den bordeelhouder bestaat een volkomen geïndetermineerd opzet om te koppelen. Een dergelijk in geen enkel opzicht bepaald opzet wordt zoo goed als algemeen verworpen, zoodat in het bovengenoemd geval de bordeelhouder geen opzet had een misdrijf te plegen, op het oogenblik dat de makelaar hem de gelegenheid of de middelen verschafte om zich schuldig te maken aan art. 2502ºSw. De zooeven gestelde moeilijke kwestie is door den Hoogen Raad in zijn arrest van 13 Juni 1898 W. 7145 in dien zin beslist, dat tot het bestaan van medeplichtigheid aan misdrijf in het algemeen en voor die omschreven in art. 48 sub 2º in het bijzonder wordt vereischt, dat het opzet tot het plegen van het misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik, dat deze wordt verleend, aanwezig wordt gevonden. Dit gevoelen van ons hoogste rechtscollege deel ik.Dus in het geval, dat de makelaar op eigen risico meisjes misleidt met het oogmerk ze aan een ontuchtig leven over te leveren, kan hij niet wegens medeplichtigheid veroordeeld worden.Na het voorgaande betoog alles resumeerende kom ik tot de volgende conclusie: de handelaars die meerderjarige vrouwen door misleiding aan een ontuchtig leven overleveren, komen nimmer te dier zake voor den strafrechter. Doch waar het minderjarige meisjes geldt, blijven vele hunner daden volgens onze wet ongestraft.Gewapend met ons art. 2502ºvalt dus nagenoegniet op te treden tegen den handel in blanke slavinnen. En zelfs dan, wanneer de toedracht der zaken van dien aard is, dat volgens onze strafwet de daden van den meisjeshandelaar in het algemeen zouden kunnen vervolgd worden, dan nog ontsnapt hij de gerechtigheid, wanneer in het speciale geval de koppelaar zelfs niet wegens strafbare poging kan terechtstaan, ondanks het feit, dat de placeur al het zijne er toe bijgebracht heeft om aan zijn daad een gunstig resultaat te verzekeren.Doch onze strafwet bezit een ander artikel, dat de vermelding waard is. Het is door de Regeering in het wetsontwerp opgenomen naar aanleiding van de beraadslagingen in de Tweede Kamer over artikel 250. ’t Is artikel 452, dat afgaande op de redevoering van het Kamerlid van Houten juist moest strekken om bescherming te verleenen aan die meisjes, die in bordeelen opgenomen worden en het karakter van het huis niet kennen.De woorden van den Heer van Houten bij de beraadslagingen over art. 250 Strafwetboek luiden aldus: “Er is nog eene bepaling, die ik zeer gaarne aan het Wetboek zag toegevoegd. Men hoort dikwerf, dat houders van bordeelen meisjes van buitenaf als dienstboden in huis nemen, zonder dat deze met het karakter van het huis, waarin zij komen, bekend zijn. Daartegen wordt hier op geenerlei wijze voorzien. Toch komt het mij zeer wenschelijk voor, eene strafbepaling te maken tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in eenbordeel lokken. Iedereen zal erkennen, dat het binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt.” Hierop antwoordde de Heer Modderman, Minister van Justitie: “Eindelijk merk ik den Heer van Houten op, dat ik, geenszins afkeerig van verscherping, in overleg met de Commissie van Rapporteurs gaarne zal overwegen of het mogelijk zij in het derde boek eene bepaling op te nemen als door dien geachten afgevaardigde wordt bedoeld, ter voorkoming van het opnemen van meisjes in een publiek huis,quasials dienstmeisjes of in een andere betrekking, zonder dat men haar met het karakter van het huis bekend maakt.”Deze besprekingen hadden ten slotte tengevolge de opneming van art. 449ain het G. O., dat na verschillende wijzigingen bij de behandeling ons tegenwoordig art. 452 geworden is. Het luidt:“De bordeelhouder, die in het huis, waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bekend gemaakt met het bedrijf, dat in dat huis wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden”. De bedoeling van den Heer van Houten was goed; hij wilde eene strafbepaling in het leven roepen tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de bestemmingvan het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Doch heeft hij hiermede op ’t oog den handel in blanke slavinnen? ’t Is niet twijfelachtig, dat zonder ’t antwoord van den minister men onzeker zou zijn omtrent de werkelijke strekking van het verlangen van den Heer van Houten. Zijn woorden laten ruimte voor tweeërlei opvattingen of desnoods drie: 1º hij heeft ’t oog op die vrouwen, die gedwongen worden zich in het bordeel aan de prostitutie over te geven. 2º hij bedoelt de bescherming tegen verleiding van degenen, die in het bordeel in een dienstbetrekking gaan zonder van den aard van het huis kennis te dragen. Dit zou ik vooral ook op kunnen maken uit de woorden: “Iedereen zal erkennen, dat ’t binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt”. Verder ook uit de begin-woorden. 3º. Hij sprak met ’t oog op deze beide categoriën. Doch de woorden van den Minister laten geen twijfel, datvooralde meisjes, die als prostituées daar haar verblijf moeten houden, beschermd worden; hij zegt toch:quasi als dienstmeisjes of in een andere betrekking.Kan mij nu art 452 bevrediging schenken? ’t Zij verre van daar. Ik stel mij niet op ’t standpunt van sommige moralisten, die het artikel aanvallen met weinig steekhoudende argumenten.1Doch het artikel voldoet volstrekt niet aan het verlangen,door den Heer van Houten in zijn woorden uitgedrukt. Onbegrijpelijk dat hij zich met ’t voorgestelde artikel heeft kunnen vereenigen. Ware aan den wensch in zijn woorden uitgedrukt volkomen gevolg gegeven, dan hadden wij een zoo goed als zeker afdoende bepaling tegen den handel in blanke slavinnen. De kennis van het bestaan van dezen handel blijkt uit de woorden van den Heer v. H., en bovendien was op ’t oogenblik der beraadslagingen in de 2deK. over art. 449a, den 9denNov. 1880, reeds in voldoende mate van allerlei zijden op het euvel gewezen. En wij, Nederlanders, zouden er op kunnen bogen de eersten geweest te zijn, die een strafbepaling tegen dezen handel vastgesteld hadden. Doch dit heeft niet zoo mogen zijn.De indruk, die het artikel geeft, is veeleer die van eene administratieve bepaling, die alle andere doeleinden beoogt, dan de bestrijding van den meisjeshandel, dan die van een bepaling, welke hen treft “die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken”.Het geeft den indruk, alsof het ’t doel is b.v. na te gaan, hoeveel vrouwen in een bordeel zijn, of n’importe welk ander administratief doel, terwijl ’t toevallig ook misleide meisjes kan redden.Geenszins, dat door het artikel in bescherming zouden worden genomen rechtsbelangen van hooge waarde, waarop bij ernstige krenking zware straffen zouden moeten gesteld worden. Doch het schijnt, dat dit toch het doel geweest is. In hoeverre beantwoordt nu het artikel aan dit doel?Slechts voor een zeer klein gedeelte en wel dan wanneer degenen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken,toevalligerwijze juist zelf de bordeelhouders zijn, wat in het gros der gevallen niet zoo is. Had de Heer van Houten als zijn wensch te kennen gegeven, dat iedere bordeelhouder gestraft moest worden, wanneer hij meisjes tegen haar wil in het bordeel gevangen houdt, dan zou ik art. 452 kunnen beschouwen als een door straf gesanctioneerde maatregel om de vrijheidsrooving aan ’t licht te brengen. Het zou dan tevens, zonder dat de wensch daartoe te kennen gegeven ware, den bordeelhouder treffen, die meisjes door misleiding in zijn huis lokt.Ik kan dus niet verhelen, dat mijns inziens art. 452 een der treurigste artikelen is uit ons Wetboek van Strafrecht zoowel om zijn redactie, die niet doet vermoeden, dat de wensch, die zijn ontstaan tengevolge had, luidt, zooals de Heer Van Houten haar uitgesproken heeft, als ook omdat het slechts voor een zeer klein gedeelte en met halve maatregelen aan dien wensch voldoet.En nu, hoe werkt dit artikel 452 in de practijk? Vele belangrijke gevallen van vervolgingen ter zake van overtreding van art. 452 hebben zeker niet plaats. Ik althans heb nergens een enkel geval aangetroffen.De bordeelhouders geven slechts dan gevolg aan het voorschrift in den norm van art. 452 S. W. vervat, wanneer zij er geen nadeel door kunnen ondervinden; ’t staat toch slechts aan hen om naar den burgemeesterte gaan of naar dengene, die door dezen aangewezen is. En voldoende contrôle of de bepaling nageleefd wordt is onuitvoerbaar. Wat is toch de kwestie? De clandestiene huizen van prostitutie, verder de zoogenaamde verdachte huizen in die gemeenten, waar bij politieverordening het houden van een bordeel verboden is, vallen geheel buiten deze bepaling. En ’t is toch een bekend feit, dat deze huizen de bordeelen in aantal verre overtreffen. Wat de bordeelen betreft, zoo is het te dwaas om aan te nemen, dat de bordeelhouders zelf door gevolg te geven aan art. 452 aangifte zullen doen van een of ander strafbaar feit, waaraan zij zich schuldig gemaakt hebben. Van den anderen kant is de algemeene klacht, dat ’t artikel geenerlei uitwerking heeft, omdat de bordeelhouders hun slachtoffers zoo weten te suggereeren, dat deze slechts napraten, hetgeen deze haar geboden hebben te zeggen; zij zijn zich toch ook niet bewust, welke de strekking van het artikel is. Hoe licht valt ’t niet eene vreemde vrouw in dergelijken toestand iets op den mouw te spelden! Ten opzichte van bordeelhouders, die de plicht hun door art. 452 opgelegd nakomen zooals het behoort, is het voorschrift voorzeker van nutteloozen dwang.§ 2. Wet op de uitzetting van vreemdelingen.Bij eene conscentieuse en nauwkeurige opvatting harer taak als hulp der justitie bij de opsporing en constateering van strafbare feiten en eveneens bij een dergelijke opvatting harer taak om een door geen wet geboden, doch in haar wezen liggend preventief toezicht uit teoefenen, opdat de rechtsorde niet verstoord worde niet alleen, doch ook opdat door ruimer verzorgend optreden kwade praktijken, die door geen wetsbepaling getroffen worden, tegengegaan worden, kan de politie zeer veel uitrichten om den handel in blanke slavinnen te bestrijden, repressief en preventief. Dit geldt zoowel voor den binnen- als voor den buitenlandschen handel.Ten opzichte van den buitenlandschen handel bezit de politie een machtmiddel, waarvan hier en daar ook werkelijk gebruik gemaakt wordt. Waarom wordt dat middel dan niet algemeen toegepast? Dit is wel toe te schrijven aan de werkelijk meer of mindere gegrondheid, waarmede de rechtmatigheid van het gebruik van de bewuste maatregel betwist wordt. Dit dien ik dus te bespreken. Ik heb het oog op de wet van 13 Aug. 1849 (S. 39) tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen. Het zijn de artt. 1, 10 en 11 van deze wet, die op indirecte wijze den handel in meisjes in zijn kracht kunnen fnuiken.Art. 1. “Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven.”’t Hangt hier af van eene uitlegging van “voldoende middelen van bestaan”; men zou door het bestaan van deze te ontkennen bij de publieke vrouw vreemde prostituées uit den lande kunnen weren. Een zeer deugdelijke maatregel voorwaar om de prostitutie van vreemde vrouwen tegen te gaan, doch daarvoor is vereischte, dat bij de toelating blijke, dat zulk een vrouwprostituée is. In het gros der gevallen is dit ondoenlijk en kan men het ook niet vermoeden. Vooral bij den import van vrouwen is dit iets hopeloos, want de aard van den meisjeshandel brengt toch mee, dat juist de vrouw in het land komt, omdat zij haar middelen van bestaan door eigen werkzaamheid kan verkrijgen in de een of andere dienstbetrekking, al is deze ook gefingeerd, hetgeen alleen de placeur weet. Hiervan kan desnoods door brieven of contracten blijken. Doch in deze gevallen zouden bij toelating der vreemdelinge toegepast kunnen worden de artt. 10 en 11 die aldus luiden:Art. 10. “Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebracht dan op bevel van den kantonrechter der plaats, waar zij zich ophouden of op onzen last.”Art. 11. “De kantonrechter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven en na den vreemdeling te hebben gehoord of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen, etc. etc.”We zien, dat ’t hier weer aan komt op de oplossing van de vraag, wat men met een “middel van bestaan” bedoelt.Ik meen te kunnen volstaan met de meening van de Redactie van de Gemeentestem te citeeren, overtuigd als ik ben, dat zij door deze uiting de meening openbaart van allen, die het zijn van prostituée niet als voldoende middel van bestaan beschouwen. In Gemeentestem 2000 antwoordt de Redactie op de vraag:“Kan het bedrijf van publieke vrouw als zijnde in strijd met de goede zeden ooit opleveren een middel van bestaan in den zin der vreemdelingenwet?” aldus:“Het komt ons voor, dat art. 1 der wet op de toelating en uitzetting van vreemdelingen met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld hebben een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen. Wij antwoorden dus ontkennend.”Ik meen deze argumentatie van de Gemeentestem eenigszins onjuist te moeten noemen. De wet laat in ’t midden, welk een middel van bestaan vereischt is; het moet slechts voldoende zijn. Het komt hier slechts aan op het gevolg, of men in staat is zich zelf te onderhouden, zonder dat eenige onderscheiding gemaakt is van de wijze, waarop dit geschiedt.In eene aanschrijving van den Minister van Justitie dd. 28 Augustus 1849 no. 80 bevattende: “Wenken en onderrigtingen aangaande het doel en de strekking der wet” heet het, dat deze wet “hoofdzakelijk ten doel heeft om der regeering de middelen te geven, ten einde die vreemdelingen,.... die ons tot last zouden kunnen worden, doordien zij geen voldoende middelen van bestaan hebben, noch door werkzaamheid kunnen verkrijgen te weren of te noodzaken het land te ruimen.” Men mag beweren, dat eene vreemde prostituée ook tot last kan worden van ons land; maar dan kan men ieder gaan weren of het land uitzetten van wien blijkt, dat hij een gevaarlijk beroep uitoefent, dat hem spoedig b.v. armlastig kan maken. Neen, het is noodig, dat “het tot last worden” eengevolg zij van de onvoldoendheid van het middel van bestaan. En dit is toch geenszins het geval met de prostituée, die integendeel eerder in weelderigen dan in armoedigen toestand verkeert, wanneer zij zich aan dat leven begint over te geven.’t Is dus mijns inziens een verkeerd principe eene vrouw het land uit te zetten op grond, dat zij prostituée is. De wet toch onderscheidt niet; eene natuurlijke onderscheiding ligt evenwel daar, waar sprake zou zijn, dat het middel van bestaan zou gevonden moeten worden door handelingen of werkzaamheden, die de wet verbiedt, doordat zij die in strijd met de openbare orde, rust, veiligheid, goede zeden enz. acht. Een befaamd inbreker zal zich dus op grond dat hij door groote ervarenheid in het inbreken en stelen een meer dan voldoende middel van bestaan heeft, niet voor uitzetting kunnen vrijwaren. Waar men dus stilzwijgend een onderscheiding zou willen maken van de wijze, waarop door werkzaamheid een middel van bestaan kan gevonden worden, kan slechts uitgesloten zijn eene werkzaamheid, die in strijd is met de wet. Want het heeft geen zin, dat de Redactie der Gemeentestem verkondigt: dat met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld zijn een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen.” Zonder twijfel is dit laatste waar, doch daarmede is nog niet gezegd, dat de wet hare roeping ook vervult. Eene positieve uiting van de wetis noodig op eenigerlei wijze, doch in casu is nergens in onze wetgeving eene bepaling te vinden, die het zijn van prostituée voor onzedelijk of in strijd met de openbare orde verklaart.Tot nu toe heb ik mij gehouden aan de veelal gevolgde opvatting van de uitdrukking “middel van bestaan” in deze wet. Ik kan mij evenwel niet vereenigen met de aan deze woorden in de dagelijksche spreektaal gegeven beteekenis. Men stelt “middel van bestaan” synoniem met “betrekking, bedrijf, ambacht, werkzaamheid etc.” Niets is evenwel meer onjuist. In geen enkel woordenboek van de Nederlandsche taal zal men van een dusdanig gebruik gewag gemaakt zien. (Zie b.v. van Dale).Ook de Gemeentestem houdt zich aan dit foutieve gebruik van “middel van bestaan.” Wij zouden hiervoor in de plaats kunnen schrijven b.v. “geld”. Dus: “alle vreemdelingen, dievoldoende geldhebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. Wat voor zin heeft het nu te zeggen:geld, dat strijdig is met de openbare orde of goede zeden.Ik wil nog even het dwaze aantoonen, wanneer men ook in art. 1 der Vreemdelingenwet “middel van bestaan” gaat gebruiken als “betrekking”, “bedrijf” etc. Wij zouden dan lezen: “Alle vreemdelingen, die een voldoendebetrekkingetc. hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. “Door werkzaamheid” zou alsdan geheel overbodig zijn. Het is toch duidelijk, dat men geen bedrijf etc. kan hebben of verkrijgen, zonder dat men werkzaam is. Het heeft dus geen zin te blijvenhechten aan het foutieve dagelijksche gebruik van “middel van bestaan”.Mijne conclusie strekt dus daartoe, dat theoretisch eene vreemde prostituée op grond, dat zij prostituée is, niet uit het land gezet kan worden.Doch nu de practijk. In de Memorie van beantwoording heet het:“Te omschrijven, welke middelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken ligt buiten den kring der wet. Naar omstandigheden behooren hieromtrent voorschriften te worden gegeven, hetgeen eene taak van uitvoering mag heeten.”’t Is mij niet erg duidelijk of de minister zich aan dezelfde onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt als de Gemeentestem. Mijns inziens is ook de goede interpretatie in deze uiting van den minister te lezen. In ieder geval ware het tot recht verstand der zaak beter geweest, indien hij geschreven had in plaats van “welke” “in hoeverre”; dus: “Te omschrijven,in hoeverremiddelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken” etc.Algemeene voorschriften zijn omtrent de meerdere of mindere voldoendheid niet gegeven; zij zouden moeten aangeven met welk minimum van middelen men, zonder dat de vreemdelinge ten laste komt van het land, zich tevreden kan stellen; verder welke waarborgen moeten bestaan omtrent eene zekere continuïteit van die middelen etc.Nu heeft de overheid, met de uitvoering van de wet belast, de vrijheid in ieder gegeven geval naar eigen oordeel te beslissen, of de vreemdelinge aan de vereischten,die de wet stelt, voldoet. In zooverre is practisch mogelijk eene vreemde prostituée het land uit te zetten.Over ’t algemeen wake de ernst en de bezadigdheid der Nederlandsche overheid er voor, dat, nu haar zulke groote bevoegdheid overgelaten is, zoo veel mogelijk willekeur in de toepassing der wet gemeden worde.Moeielijkheid bestaat nog bij den handel in blanke slavinnen. De vreemde vrouw gaat meestal zoogenaamd in dienst als werkmeisje, linnenmeisje etc, en dit geschiedt zelfs in optima forma daar, waar de bordeelen verboden zijn. Brieven of onderhandsche contracten getuigen daarvan. Mag de overheid met de uitvoering belast op bloot vermoeden een vrouw als prostituée signaleeren? En kan zij haar, op dien grond aannemende, dat zij geen voldoende middel van bestaan heeft, over de grenzen zetten, alhoewel zij (in werkelijkheid of niet) de een of andere werkzaamheid heeft, waardoor zij wellicht in voldoende mate in haar onderhoud kan voorzien? ’t Is duidelijk, dat volgens mij de duidelijke bewoordingen der wet dit niet toelaten. Doch in de practijk zal dit wel weer kunnen geschieden: bij de toelating toch is de vreemdelinge overgeleverd aan hetlibre arbitrevan het politiehoofd. Bij de uitzetting is de kantonrechter vrij in zijn oordeel, behoudens in achtneming van art. 11 der wet van 1849; hij spreekt toch geen vonnis uit onderworpen aan de gewone regelen bij de rechtspraak geldig. Slechts een beroep op het uitvoerend gezag, dat natuurlijk vrij kan beslissen. De geweigerde toelating of de uitzetting zal echter steeds inwaarheid gemotiveerd moeten zijn door aanneming van het feit, dat er geen voldoende middelen van bestaan zijn of verkregen kunnen worden(volgens de interpretatie, die ik van deze uitdrukkingen gaf.)§ 3. Internationale verklaringen.Aan Nederland komt de eer toe, dat het wat het internationaal recht betreft vooraan staat om de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel ter hulpe te snellen. Om dit initiatief verdient het alle lof en hulde; doch ook slechts om dit initiatief, want, daar alle begin moeielijk is, zoo valt ook ongelukkigerwijze te constateeren, dat de eerste poging zeer weinig bijdraagt om aan het zoo lovenswaardig doel te beantwoorden. Verbetering valt gelukkig te bespeuren bij de volgende pogingen.Ik heb ’t oog op de drie verklaringen door Nederland respectievelijk met België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland uitgewisseld.Een Koninklijk Besluit van 8 Jan. 1887 bepaalde de plaatsing in het Staatsblad van de op 18 Dec. 1886 te Brussel uitgewisselde verklaring betreffende door Nederland en België te nemen maatregelen tegen den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes, S. 2.De 2 eenige artikelen van deze verklaring luiden vertaald aldus:Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Belgische Regeering verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegenharen wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zij zich bevinden worden teruggezonden in de richting van het land, waartoe zij behooren.Art. 2. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, een kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.Ongeveer 2½ jaar later volgde een besluit van den 27stenDec. 1888, dat de plaatsing in het Staatsblad bepaalde van de tusschen Nederland enOostenrijk-Hongarijeuitgewisselde verklaringen, strekkende tot het wederzijds nemen van maatregelen om den zoogenaamden handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan. S. 228. Deze verklaringen tellen een vijftal artikelen van den volgenden inhoud.Art. 1. De Regeering der Nederlanden en van de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie verbinden zich, binnen de grenzen der wet, zooveel mogelijk te bevorderen, dat, tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zijzich bevinden, worden teruggezonden naar het land, waartoe zij behooren.Art. 2. Gezegde regeeringen verbinden zich eveneens binnen de grenzen der wet zooveel mogelijk te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land minderjarig zijn en zich vrijwillig in het andere land aan ontucht overgeven, op verzoek hunner ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.Art. 3. De terugzending zal plaats hebben zonder rekening te houden met de aanspraken, welke derden op dezen vrouwen en meisjes zouden kunnen doen gelden, ten gevolge van de betrekkingen, die uit den staat van ontucht voortvloeien, uitgezonderd het geval, waarin de terugzending in strijd zoude zijn met de uitvoering van een rechterlijk bevel.Art. 4. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.Art. 5. Ingeval de vrouw of het meisje, dat teruggezonden moet worden, niet in staat mocht zijn zelve de kosten van hare overbrenging terug te betalen en zij noch echtgenoot, noch ouders, noch voogden mocht hebben, die voor haar betalen, zullen de op de terugzending gevallen kosten door ieder der wederzijdsche landengedragen worden, voor zooveel betreft de overbrenging op zijn grondgebied.De kosten van vervoer over het grondgebied van een derden staat zullen alsdan ten laste komen van het land, tot hetwelk de vrouw of het meisje, dat teruggezonden is, behoort.Niet lang na de uitwisseling van deze laatste verklaringen, werd den 15 Nov. 1889, een derde verklaring uitgewisseld, en wel met het Duitsche Rijk nopens de van weerszijden te nemen maatregelen tegen den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes. Wegens de geldelijke verplichtingen, die ten gevolge van deze verklaring het Rijk op zich nam, moest deze de goedkeuring der Staten-Generaal verwerven volgens voorschrift van art. 592ºG. W. Den 15denApril 1891 volgde pas het bevel tot plaatsing in het Staatsblad (S. 85) van de wet, waarvan het eenig artikel de goedkeuring behelsde van de bovengenoemde verklaring met Duitschland.De 7 artt. van deze verklaring luiden als volgt:Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Regeering des Duitschen Rijks verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat de tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, die zich in het andere land aan ontucht overgeven, onderworpen worden aan een verhoor, ten einde te doen blijken, van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten.De te dier zake op te maken processen-verbaal zullenworden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.Art. 2. De contracteerende partijen verbinden zich insgelijks zooveel mogelijk binnen de wettelijke grenzen te bevorderen, dat diegene van die vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, worden teruggezonden uit het land, waar zij zich bevinden en overgebracht worden naar de grens van haar geboorteland.Art. 3. De contracteerende partijen verbinden zich buitendien zooveel mogelijk, binnen de wettelijke grenzen, te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land nog minderjarig zijn en die zich in het andere land vrijwillig aan ontucht overgeven, op verzoek harer ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.Art. 4. Alvorens de terugzending van eene der bij de artt. 2 en 3 vermelde personen te doen plaats hebben, zal de daarmede belaste overheid door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de bedoelde persoon behoort, aan de personen, die gezag over haar uitoefenen,eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal worden overgebracht.Art. 5. De briefwisseling tusschen de overheden der beide landen, betrekkelijk die terugzending zal, zooveel mogelijk, rechtstreeks worden gevoerd.Art. 6. In geval de kosten veroorzaakt door het onderhoud en de terugzending van die vrouwen en meisjes tot aan de grens, niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelven, noch door haar echtgenoote, ouders of voogden, zullen die kosten gedragen worden door den Staat, die de terugzending heeft bewerkstelligd.Art. 7. De tegenwoordige verklaring zal worden bekrachtigd en de akten tot bekrachtiging daarvan zullen zoo spoedig mogelijk te ’s Hage worden uitgewisseld etc. etc.Van dezen inhoud zijn de 3 verklaringen, die onze Regeering successievelijk met België, Oostenrijk, Hongarije en Duitschland uitgewisseld heeft. Het zijn verklaringen, geen tractaten; internationale schikkingen van de laatsten in vorm, inhoud en belang verschillend, zooals de minister van buitenl. zaken in de Eerste Kamer zeide. Wat de uiting aangaande het minderwaardige belang aangaat, dit moge in het algemeen waar zijn, in het onderhavige geval zullen wij dit niet cum grano salis opvatten. Welke andere belangen toch evenaren het belang, dat bij deze kwestie op ’t spel staat?De inhoud laat wel is waar iets te wenschen over en vooral bij de eerste schikkingen hebben wij te doen met zuivere verklaringen van administratief karakter en er is geen sprake van het bedingen van wederzijdsche rechten en concessiën, zooals meestal het onderwerp zijn van tractaten.Ook de vorm verschilt, in zooverre als de onderteekeningenniet plaats hebben door speciale gevolmachtigden, maar namens de regeeringen door de gezanten of ministers met latere ratificatie. Het geheel toont aan, dat op het stellen van scherpe juridische begrippen blijkbaar minder is gelet. Vreemd is, dat, waarop ook de aandacht gevestigd werd bij de behandeling in de Kamers (van het wetsontwerp tot goedkeuring van de Verklaring met Duitschland), de considerans verschilt van het intitulé. De eerste spreekt van “de in gemeen overleg te nemen maatregelen tot bescherming van ontuchtige vrouwen in zekere gevallen verkeerende” (of: “van zekere categorieën van ontuchtige vrouwen”) terwijl volgens het intitulé maatregelen worden getroffen tegen den zoogenaamde handel in jeugdige vrouwen en en meisjes. Volgens de Regeering drukt dit laatste de strekking van de verklaring het best uit.In aanmerking moet genomen worden, dat slechts bij de laatste verklaring een en ander uitlekt van hetgeen de Regeering met sommige bewoordingen bedoelt, hetgeen zoowel plaats heeft in de Memorie van Toelichting, als in de Memorie van Antwoord en bij de beraadslagingen in de Kamers. Daar in sommige opzichten de 3 verklaringen, die toch hetzelfde doel beoogen, in de redactie der artikelen overeenstemmen, zoo zal men het niet gewaagd kunnen noemen, als ik bij de interpretatie der 2 eerste verklaringen een voorzichtig gebruik maak van hetgeen bij de 3deverklaring gezegd en voorgevallen is.Artikel 1 van de eerste verklaring stemt overeen met art. 1 van de tweede en art. 2 van de derde. Een geringverschil in redactie in art. 1 van de verklaring met Oostenrijk-Hongarije is van geen belang. Dit artikel stelt daar eene bevoegdheid der politie: eene nieuwe of een oude bevoegdheid? Dit hangt af van de oplossing der vraag of er, en zoo ja, in hoeverre er dan een onbeschreven politierecht zoude bestaan, die der politie een preventieve bevoegdheid toekent om op te treden, waar ’t geldt de openbare orde en veiligheid te handhaven, personen etc. te beschermen en verder om steeds op alle wijzen, die de wet niet verbiedt, met tact werkzaam te wezen ter bevordering van dit doel.Daar mijns inziens deze vraag in bevestigenden zin moet beantwoord worden, ben ik van meening, dat bij eene opvatting van hare roeping door de politie in dezen zin deze ook zonder art. 1 (resp. art. 1 van 1888 en art. 2 van 1889) zou kunnen handelen als in dit artikel bedoeld wordt. Mogelijk zit dus de kracht van deze artikelen in het woord “bevorderen”, waardoor de Regeering belooft het hare er toe bij te brengen de magistraten voortdurend op hun plicht te wijzen door missives en circulaires.Doch ik loop mijn betoog vooruit door van de taak der politie in dezen te spreken, voordat ik heb nagegaan wat bedoeld kan wezen met de woorden “binnen de wettelijke grenzen”.De Minister van Justitie hechtte in 1891 aan de genoemde woorden dezen zin: “voorzoover de wetten hier te lande ’t toelaten met in achtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” En daarbij wees hij vooral op de wet van 13 Augustus 1849 (Stsbl. 39)tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen.Deze wet regelt de uitzetting van vreemdelingen. Dit geschiedt, zooals wij reeds zagen, òf door den kantonregter òf op ’s konings last. In het eerste geval wegens gemis der vereischten in art. 1 opgegeven, altijd mits de vreemdeling toegelaten en hem een reis- en verblijfpas uitgereikt is. Maar, wanneer er een reden is tot uitzetting, dan moet de overheid ook haar plicht vervullen en mag er niet gewacht worden, totdat de vrouw het zelf verzoekt, of totdat het verzoek komt van de personen, die gezag over haar uitoefenen. En waarom dan de beperking tot de vrouwen, die tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven? Dat is mij niet duidelijk, althans van het standpunt van degenen, die het op grond van art. 1 der vreemdelingenwet toelaatbaar achten, dat eene vreemde prostituée op grond van haar ontuchtig leven niet toegelaten of uitgezet wordt. De Minister van Justitie oordeelde ook aldus in zijne Memorie van Antwoord op de bemerkingen van het voorloopig verslag in zake de verklaring met Duitschland.Bij nauwkeurige bestudeering van deze 3 tractaten kan men niet anders dan tot deze conclusie komen, dat de Regeering gedwaald heeft in deze zaak.Van welk standpunt moeten wij uitgaan?Er moet onderscheid gemaakt worden tusschen:1e.uitleveringd. i. “de overlevering van ter zake van misdrijf vervolgde of veroordeelde personen, door de regeering van den staat, op wiens grondgebied zij zichbevinden aan die van een anderen staat ter berechting en bestraffing” (Van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht, pag. 148). Hierbij heeft overlevering van de eene politie aan de andere plaats. Deze uitlevering is geregeld bij de wet van 6 April 1875 (Stsbl. 66) Hiermee hebben wij bij deze kwestie niets te maken.2º.Uitzetting, d. i. eene wijze van handelen, die plaats heeft op grond van de vreemdelingenwet van 1849. De vreemdeling wordt tot ’s lands grens vervoerd en daar aan zijn lot overgelaten. Dit gaat geheel buiten de politie van het andere land om.3º. Wat ik zou willen noemen “uitleiding”. Onder het gezag van anderen staande vreemdelingen worden op verzoek van hen, die dat gezag uitoefenen, weer teruggevoerd naar hun land en aan de hoede der laatsten toevertrouwd. Degenen, die het gezag uitoefenen, nemen de uitgeleide vreemdelingen zelf over, of als hun lasthebster belast de vreemde politie zich met deze taak. En onze politie: welke rol vervult zij bij de uitleiding? Zij steunt op haar algemeene onbeschreven bevoegdheid om preventief te handelen, met tact en voorzoover zij de wetten en instructies niet overtreedt. Overigens handelt ook zij als lasthebster der ouders, voogden etc.; waarom toch zou zij dit niet doen waar het vreemdelingen geldt, terwijl zij meent wel bevoegd te zijn, waar het verzoek geschiedt door ingezetenen?Hebben wij bij deze verklaringen te doen metuitzettingof metuitleiding? Het is mogelijk, dat in depraktijk wel eens sprake kan zijn van uitzetting, doch dat in generali van eene uitleiding sprake is, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. De terugzending naar het land, van waar de meisjes afkomstig zijn, geschiedt toch op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen. (Doch ook op haar eigen verzoek; dit is dan eene zuivere politiezorg). De uitleiding van minderjarigen, of in generali de terugbezorging van minderjarigen aan hun ouders en voogden, is niet door eene wet geregeld. Zij volgt uit de algemeene beginselen van burgerlijke wetgeving en omtrent de bevoegdheid der politie. Onjuist is dus de uitlegging van de woorden “binnen de wettelijke grenzen” als zouden deze beteekenen “voor zooveel de wetten hier te lande het toelaten met inachtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” Ik acht juister eene negatieve interpretatie: “voor zoover de wetten en instructies het niet verbieden.”Met eene uitzetting volgens de wet van 1849 hebben wij hier dus niet te doen. Omdat de Regeering—ten onrechte—dit wel meende, heeft zij ook slechts de derde verklaring aan de goedkeuring onderworpen van de Staten-Generaal. Zij beschouwde de bestrijding der kosten van de uitleiding in de 2 eerste tractaten uit ’s lands middelen reeds gedekt door wettelijke goedkeuring, daar ’t toch kosten waren, die op de uitzetting van vreemdelingen vielen. Dat bij de verklaring met Duitschland niet volstaan werd met een mededeeling aan de Staten-Generaal vond—aldus sprak de Regeering—zijn reden in het feit, dat ’t land hier wel eensmeerdere kosten zou moeten dragen. In hoeverre dit waar kan zijn, laat ik daar, maar terecht werd in het voorloopig verslag van de 2deKamer opgemerkt, dat dit slechts een kwestie was van meer of minder.Daar hier—zooals ik boven betoogde—de uitleiding met eene uitzetting niets te maken heeft, zoo is het onbetwistbaar, dat zoo er kosten vallen op uitleidingen volgens de 1steen 2deverklaring, deze niet door ’t land zullen gedragen kunnen worden. Met andere woorden: ook deze 2 verklaringen hadden de goedkeuring der Staten-Generaal moeten verwerven op grond van art. 59 tweede lid G. W.Er wordt in de 3 verklaringen resp. in de artt. 1, 1 en 2 gesproken van “vrouwen en meisjes, welke tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven.” De woorden “tegen haar wil” “contre leur volonté” bezorgen velen moeilijkheid. Ook het verslag der Commissie uit de 2deKamer, die den 6enMei rapport uitbracht over de verklaring met België uitgewisseld, gaf eenige op- en aanmerkingen over deze 3 woorden. Zij vroeg uit welke omstandigheden en op welk tijdstip van dit gedwongen worden tegen eigen wil zal moeten blijken. Wie moet omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie beslissen?HetBulletin Continentalvan 15 Jan. 1887 brengt, na alle lof aan de idee toegezwaaid te hebben, ook moeielijkheden aangaande dit punt te berde. “On ne sait pas au juste, ce qu’il faut entendre par ces “filles qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer àla prostitution.” Repatriera-t-on toutes les filles, qui se trouvent dans le besoin et en danger de tomber dans la prostitution où seulement celles, qui ont été attirées hors de leur pays par des moyensfrauduleux, comme le font supposer les mots “contre leur volonté”?In de Memorie van Antwoord zegt de minister bij artikel 2 van de Verklaring met Duitschland. “Wat onder de woorden “contre leur volonté” moet worden verstaan, kan niet volkomen gedefiniëerd worden. In ieder bijzonder geval zal ’t moeten worden beoordeeld.”Bieden deze woorden inwerkelijkheidzoo’n moeilijkheid aan, als deze bezwaren zouden doen vermoeden? Met den Minister ben ik het eens, dat in ieder speciaal geval over het gebrek aan toestemming moet beslist worden. Het intitulé der verklaringen wijst er op, dat hier sprake moet zijn van de vrouwen en meisjes, die de dupe zijn geworden van de handelaars in blanke slavinnen. In dien zin moeten dus ook de woorden “tegen haar wil” verstaan worden. De bezwaren van hetBulletin Continentalzijn dus gemakkelijk op te lossen. Redeneerende volgens den gedachtengang van dit maandblad zoude bijna iedere prostituée zonder uitzondering onder het artikel vallen. Iedere prostituée levert zich in zooverre “tegen haar wil” aan de ontucht over, als zij toch wel zou prefereeren een ander gemakkelijk bestaan, dat haar ook een zekere weelde zou kunnenverschaffen. Neen het komt hier alleen aan op de“moyens frauduleux”. Daar de uitdrukking “tegen haar wil” voor dezen of genen onduidelijk is, ware het beter geweest eene meer duidelijke uitdrukking vande gedachte te kiezen b.v. “tegen haar wil door toedoen van anderen”.Daar de meisjeshandel zich onder zooveel verscheidene omstandigheden voordoet, valt natuurlijk niet a priori aan te geven, uit welke omstandigheden het gedwongen worden zich tegen eigen wil aan de ontucht over te geven kan blijken. En op welk tijdstip moet hiervan blijken, vraagt de commissie van 1887. Mijns inziens moeten de woorden: “vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven” geïnterpreteerd worden op de wijze van het Perfectum van een Grieksch werkwoord. Dus: zij die nu in den toestand verkeeren, dat zij zich tegen haar wil aan de ontucht overgeven, nadat zij in dien toestand door anderen gebracht zijn. Het zich overgeven aan de ontucht tegen haar wil moet dus ook bestaan op het oogenblik van het verzoek hetzij van de vrouw zelf hetzij van de personen, die gezag over haar uitoefenen.In eene circulaire van den Minister van Justitie van den 7denJuli 1892 “houdende voorschriften ter uitvoering van de verklaringen met België, Duitschland en Oostenrijk betreffende den handel in vrouwen en meisjes” wordt blijkbaar dezelfde meening gehuldigd. Het heet daar toch: “Vandaar dan ook dat men allereerst daarop bedacht is geweest om aan die vrouwen en meisjes, welke tegen wil en bedoeling naar elders zijn gebracht enmet het ontuchtig leven willen breken, den terugkeer naar haar land en familie gemakkelijk en mogelijk te maken.”Wie nu moet beslissen omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie, is niet moeilijk aan te geven. Dit is natuurlijk het hoofd der politie; de politie is hier toch alleen werkzaam, binnen haar bevoegdheid speelt zich het geheele bedrijf af. Acht men soms eene beslissing over dit punt door de politie ongewenscht? Ik zou mij niet kunnen voorstellen, welke moeilijkheid er uit zou kunnen voortspruiten. Ja, er is toch iets en daarop heeft het Kamerlid de Beaufort gewezen bij de behandeling van de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland. Het meisje kan doen voorkomen, alsof zij tegen haar wil door toedoen van anderen een ontuchtig leven leidt om zoodoende kosteloos naar haar vaderland teruggebracht te worden. Dit is voorzeker een te vreezen misbruik, waartegen evenwel door een nauwkeurig onderzoek zooveel mogelijk gewaakt kan worden.De terugzending kan geschieden op verzoek der personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Uit de andere bepalingen blijkt dat men hier ook ’t oog heeft op de getrouwde vrouw, als staande onder het gezag van den man. Met een der sprekers in de 2deKamer betwijfelende of een dergelijk geval zich wel dikwijls zal voordoen, meen ik overigens, dat de man niet een dergelijk gezag over zijn vrouw heeft als de ouders over hun kinderen, zoodat het onmogelijk is dat de politie zou kunnen optreden als lasthebster van den man om zijne vrouw terug te bezorgen, daar de man zelf de bevoegdheid mist de vrouw met dwang tot zich te brengen.De vrouw of het meisje zal in de richting van het land, waartoe zij behoort teruggezonden worden.De bewoordingen in de 3 verklaringen variëeren; de bedoeling komt evenwel hierop neer, dat zij tot de grens van het land gebracht wordt.Ons de maatregel der terugzending zoo effectief mogelijk te maken dienen de bepalingen 2, 4, 4 uit de 3 internationale schikkingen. Zij schrijven voor, dat, voor dat tot de uitleiding overgegaan wordt, een kennisgeving gericht moet worden aan de personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Deze kennisgeving moet vermelden den dag waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats waarheen de opzending zal plaats hebben. Art. 4 van de verklaring met Duitschland schrijft voor dat dit geschieden moet door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de vrouw behoort. Mij is niet duidelijk, waartoe deze administratieve omslachtigheid noodig is, althans waarom zij dringend voorgeschreven is. Men had dit aan ’t oordeel van de met de terugzending belaste overheid kunnen overlaten.De man kan dus de terugzending zijner vrouw niet verlangen, wanneer zij er zich tegen verzet2; eene kennisgeving is hier niet noodig. Wel, natuurlijk, wanneer de getrouwde vrouw zelf hare uitleiding verzoekt.In de reeds geciteerde circulaire van 1892 gaat deMinister in verhaaltrant deze 2 artikelen, welke de 3 verklaringen gemeen hebben, door; de Minister vermeldt daar dus geen nieuws. Verder geeft hij eenige voorschriften aangaande de bestrijding der kosten van vervoer. Wel dien ik nog naar aanleiding van art. 1 der verklaring met Oostenrijk op te merken, dat het volgens ’s Ministers oordeel wenschelijk is met ’t oog op deverrekeningvan kosten zooveel mogelijk de afhaling van Oostenrijksche en Hongaarsche vrouwen hier te lande, althans aan de Nederlandsch-Duitsche grens, te verzekeren, daar de terugzending van die vrouwen en meisjes over Duitsch grondgebied moet geschieden en dit transit niet is geregeld. Nederlandsche vrouwen en meisjes moeten aan de Oostenrijksch-Duitsche of Oostenrijksch-Zwitsersche grens door Nederlandsche beambten overgenomen worden, indien zij niet hierheen gebracht worden.De bespreking van de verklaring met België uitgewisseld is hiermede afgesloten. We komen nu tot art. 2 der Oostenrijksche verklaring, dat overeenkomt met art. 3 van die met Duitschland uitgewisseld. Deze artikelen hooren niet thuis in deze verklaringen, waarvan het intitulé en de considerans ten duidelijkste aanwijzen, dat zij slechts het nemen van maatregelen beoogen om den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan.Ook volgens haar statutum personale minderjarige vreemdelingen, die zich vrijwillig aan de ontucht overgeven, worden op verzoek hunner ouders of voogden teruggezonden. Ad art. 3 zegt de Memorie van Antwoordvan de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland: “Het is zeer zeker de taak der politie om wanneer haar daartoe door ouders of voogden het verzoek wordt gedaan de behulpzame hand te bieden tot het weder in hunne macht brengen van die minderjarigen. Waar zulks in het belang der minderjarigen wordt geacht, wordt hier te lande steeds in dien geest gehandeld en bestaat er geen reden waarom dezelfde gedragslijn niet tegenover vreemdelingen zoude worden gevolgd.”De voorschriften omtrent vervoer en bestrijding van kosten met ’t oog op de meisjes, die slachtoffers zijn van dezen handel, zijn ook toepasselijk bij de meisjes, die zich vrijwillig prostitueeren. Dit wordt uitdrukkelijk in de circulaire te kennen gegeven.In deze kennisgeving zegt de Minister verder: “Bij de overweging van de vraag of aan een verzoek om terugzending zal worden gevolg gegeven—hetwelk steeds zal behooren te geschieden indien de betrokken persoon verkeert in een geval, als in de toepasselijke verklaring bedoeld, en geen wettelijk voorschrift of rechterlijk bevel zich daartegen verzet—mag in geen geval rekening gehouden worden met aanspraken van derden op de vrouw of het meisje ten gevolge van betrekkingen uit ontucht voortvloeiende. De verklaring met Oostenrijk-Hongarije zegt dit ten overvloede uitdrukkelijk.” Dit heeft plaats in art. 3.Zooals de Minister terecht verklaart, zegt de verklaring met Oostenrijk-Hongarije dit “ten overvloede.” Art. 1371 jo. 1373 Burgerlijk Wetboek verbiedt toch iedereovereenkomst, waarvan de oorzaak bij de wet verboden is, of strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.Een meisje kan dus niet teruggehouden worden, omdat de bordeelhouder een paar dagen te voren een paar honderd gulden voor haar aan een placeur gegeven heeft en hij deze op de debetzijde van het meisje geplaatst heeft. Voor dergelijke schulden kan niet een quasi-hypotheek (zooals Yves Guyot het uitdrukt) op het meisje gevestigd blijven. Wat andere schulden betreft, als de voorgeschoten waarde van kleedingstukken en toiletartikelen, zoo zal de bordeelhouder zich tot den rechter kunnen wenden, indien hij voldoening daarvan wenscht. Het rechterlijk vonnis zal dan beslissen in hoeverre uitleiding niet geoorloofd zal zijn.3De artt. 5, 6 en 7 uit de verklaring met Duitschland zijn bepalingen, die niet voorkomen in de andere 2 internationale schikkingen.De briefwisseling betrekkelijk de terugzending, het gevolg zijnde van de kennisgeving in art. 4 bedoeld, wordt volgens art. 5 tusschen de overheden der beide landen rechtstreeks gevoerd.Art. 6 geeft regelen aangaande de kosten van onderhoud en vervoer tot aan de grens. Zoo deze niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelve, noch door haar echtgenooten, ouders of voogden, wordenze door den Staat gedragen, die de terugzending heeft bewerkstelligd. Hetzelfde zal toepasselijk zijn bij de terugzending van Belgische en Oostenrijksche of Hongaarsche meisjes. In het Voorloopig Verslag werd de vrees uitgesproken, dat zware kosten op Nederland zouden drukken, naar evenredigheid veel meer dan op Duitschland. In zijn Memorie antwoordde de minister, dat de kosten toch betrekkelijk gering zouden zijn. Tijdens de onderhandelingen, die met den meesten spoed plaats moeten hebben, zullen de vrouwen in een passantenhuis of in een huis van bewaring worden opgenomen. Zij vallen toch onder de in art. 33ovan de Gestichtenwet van 3 Jan. 1884 (S. 3) genoemde »andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen”. Het vervoer op de spoorwegen, voor zoover het onder geleide plaats heeft, geschiedt kosteloos en wat de hoogere kosten aangaat die Nederland moet dragen in vergelijking met Duitschland, zoo wordt daarentegen ons land,—aldus zegt de minister—gezuiverd van personen, die er slechts ellende en verderf verspreiden.Art. 7 handelt over de bekrachtiging en de spoedige uitwisseling der akten van bekrachtiging te ’s Hage.We zijn nu zoover gekomen, dat we weten, hoe de verschillende Regeeringen, boven genoemd, verklaren te zullen handelen om de misleide vrouwen te redden.Maar daarmede zijn we werkelijk niet ver, want hoe komt men te weten, dat er meisjes en vrouwen zijn, die aldus door drang zich aan de prostitutie overgeven? Ware dit duidelijk aangegeven, we zouden werkelijk een schrede verder zijn op het goede pad. Doch dit isen blijft altijd de groote moeilijkheid. Meer dan eens heb ik er op gewezen, op welke geheimzinnige wijzen de handelaars in blanke slavinnen te werk gaan.Er bestaat eene missive van den Minister van Justitie Godefroi dd. 7 Juni 1860 no. 162 houdende bepalingen ter voorkoming en voorziening, dat vrouwen in de huizen van ontucht, alwaar zij zich bevinden, tegen haar verlangen worden teruggehouden. Deze missive vaardigde de Minister uit naar aanleiding van een geval, dat een meisje in een bordeel als ’t ware gevangen gehouden werd. De Minister wijst op de bevoegdheid van den burgemeester, die dezen door art. 188 Gemeentewet verleent wordt. Aangaande te nemen maatregelen raadt hij overleg aan met de procureur-generaals en de officieren van justitie. Hoewel de Minister zelf geen middelen wil aangeven, acht hij toch ’t onverwacht bezoeken van bordeelen door vertrouwde politiebeambten zeer doeltreffend. Een andere maatregel zou hierin kunnen bestaan, dat de vrouwen in de bedoelde huizen inwonende onderricht werden van de bevoegdheid, die zij hebben, die huizen desverlangende te verlaten.Deze maatregelen worden dan ook wel genomen in gemeenten, waar bordeelen bestaan, hetzij al dan niet gereglementeerd. De Amsterdamsche politie had de gewoonte bussen te plaatsen in die huizen, waarin de prostituées brieven konden werpen; de politie ledigde die bussen zelf.Verder biedt art. 452 Wetboek van Strafrecht, dat ik hierboven besprak, gelegenheid werkzaam te zijnom op de hoogte te komen van de gevallen van gedwongen prostitutie.Juist de wenschelijkheid om allereerst op ’t spoor te geraken van deze gevallen was de opname van art. 1 in de verklaring met Duitschland op speciaal verlangen der Duitsche regeering. Zooveel mogelijk moet bevorderd worden binnen de wettelijke grenzen, dat de bedoelde meisjes aan een verhoor worden onderworpen ten einde te doen blijken van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten. Hieromtrent zegt de Memorie van Antwoord, dat dit artikel natuurlijk geen verplichting oplegt om bedoelde vrouwen en meisjes tot een verhoor te dwingen buiten de wet om. Eigenlijk beteekent dus dit eerste lid van art. 1 niet veel. In sommige gevallen biedt onze wetgeving gelegenheid om een dergelijk verhoor af te nemen (ik gaf ze zoo even aan) doch van een verplichting aan de meisjes opgelegd is in onze wetgeving niets te bespeuren. “Binnen de wettelijke grenzen” wil m.i. zeggen: voorzoover de wet zoodanig verhoor toelaat, dat is niet verbiedt; volstrekt niet; voorzoover de wet zoodanig verhoor “voorschrijft”. (Memorie van Antwoord).De minister zegt ook: “Intusschen behoeft men zich geenszins te beperken tot vrouwen in bordeelen.” Dit is werkelijk gemakkelijk gezegd. De praktijk en de wet leeren evenwel anders. De moeilijkheid om aan te toonen, dat eene vrouw zich buiten een bordeel aan prostitutie overgeeft is zeer groot en bovendien zijn de weinige middelen, die gelegenheid geven zich prostituëerendevrouwen een verhoor te doen ondergaan beperkt tot de prostituées in bordeelen.En daar waar de bordeelen bij politieverordeningen in ons land verboden zijn, is de toepassing van het geheele artikel onmogelijk. Zoo b. v. in Amsterdam sedert de strafbaarstelling van het houden van bordeelen bij politieverordening van 1897.Hoe groot de practische bezwaren en moeielijkheden zijn om ten opzichte van prostituées in bordeelen achter de waarheid te komen, zal de politie zelf het beste kunnen getuigen.Het 2de lid van art. 1 van de verklaring met Duitschland bepaalt, dat de processen-verbaal der genomen verhooren moeten worden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.Naar aanleiding van klachten, door de Duitsche regeering geuit, over de niet zeer nauwkeurige invulling van deze processen-verbaal, bestaat een circulaire van den Minister van Justitie dd. 19 Aug. 1896 no. 314, “betreffend nauwkeurige invulling van de geboorteplaats in processen-verbaal van verhoor van Duitsche prostituées”.Hier en daar bij de bespreking der 3 verklaringen heb ik reeds eenige indrukken weergegeven, waartoe de verschillende artikelen mij aanleiding gaven. Wat is nu de indruk van het geheel? Met niet genoeg ernst zijn de belangen behartigd van de vrouwen en meisjes, die dupe zijn der bedriegelijke handelingen van placeurs en bordeelhouders. Men heeft meer gedacht aan eene beschermingvan minderjarigen, dan het opschrift der verklaringen het recht zou geven te vermoeden. Daarvan getuigen reeds de artt. 2 en 3 respectievelijk uit de verklaringen met Oostenrijk-Hongarije en Duitschland.En als men ook aan meerderjarigen (de getrouwde vrouwen buiten bespreking gelaten) heeft gedacht, dan is ’t bepaald eene ironie te vernemen, dat zij zelf hare terugzending moeten verlangen aan de overheid. Ja, wanneer zij eenmaal daartoe in staat zijn dan is het ergste reeds geleden; in de 99 van de 100 gevallen zal der overheid een dergelijk verzoek niet ter oore komen.Er moet aan den anderen kant wel bedacht worden, dat we ons op een terrein bevinden, dat zich pas in een begin van exploitatie bevindt. Hoe meer men er mee vertrouwd geraakt, des te beter zullen de maatregelen zijn, die getroffen worden. Buitendien hebben we te doen met verklaringen; deze kunnen uit den aard der zaak nieuwe onderwerpen slechts gebrekkig regelen.Deze verklaringen strekken dus ook om beschermende maatregelen te nemen ten opzichte van de Nederlandsche meisjes en vrouwen, die naar België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland geëxporteerd zijn. Zijn nu de vrouwen, die naar andere landen vervoerd zijn, geheel van bescherming verstoken? Dit behoeft niet zoo te wezen. Tot de vertegenwoordigers der Nederlandsche Regeering kunnen zij of derden zich wenden met een verzoek om hulp en steun. Ik heb hier vooral het oog op de consulaire ambtenaren. De plichten van deze zijn toch niet alleen tot handelsaangelegenheden beperkt. Zij hebbenhun “goeden raad en bijstand te verleenen aan alle Nederlanders en onderdanen van Nederlandsch-Indië, die deze inroepen.” (Algemeene voorschriften voor de Nederlandsche consulaire ambtenaren door den Minister van Buitenlandsche Zaken L. Gericke.) Mochten Nederlandsche of Nederl.-Indische onderdanen in hunne personen of goederen bedreigd worden, dan hebben de consulaire ambtenaren deze in hun goed recht en de voorrechten hun bij de verdragen verzekerd te handhaven, zij moeten vooral onderstand verleenen aan hen, die door omstandigheden geheel buiten hun toedoen in nood geraakt zijn. (id.) Het consulair reglement van 27 Juni 1874 bepaalt, dat de behoeftigen op de minst kostbare wijze naar het land teruggezonden moeten worden. (art. 24).We zien dus dat de consulaire ambtenaren op velerlei wijze in de goede richting werkzaam kunnen zijn ter bestrijding van dit maatschappelijk euvel, ter bescherming van de slachtoffers daarvan, doch ook ter voorkoming, dat de plannen der handelaars verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Zij kunnen toch bekend maken, dat er zich handelaars van elders naar ons land begeven om op roof uit te gaan. Deze bekendmaking moet uitgaan van het Departement van Buitenlandsche Zaken waaraan deze mededeelingen gericht kunnen worden.Vele consuls hebben het goede voor, en zij, die er niet op bedacht zijn, kunnen de noodige aanschrijvingen in dezen geest van de Regeering ontvangen. Bij slotsom hangt alles af van den goeden wil van het Departement van Buitenlandsche Zaken. Dat deze goede wil in dit opzicht nimmer moge ontbreken is mijn welgemeendewensch! ’t Is duidelijk, wanneer de drang niet van boven uitgaat, geeft de werkzaamheid der consulaire ambtenaren ten slotte niets; en hunne pogingen op den duur zonder goeden uitslag bekroond ziende, zullen er allicht zijn, die ten slotte hunne moeite om op allerlei wijzen den blanke slavinnenhandel tegen te gaan zullen opgeven.Een zware last drukt verder op de niet-gesalariëerde consuls, wanneer zij hulp moeten bieden met geldelijke steun aan de behoeftige en verlaten meisjes, die zij uit de handen der placeurs en bordeelhouders hebben kunnen redden.Van de diplomatieke vertegenwoordigers, gezanten en anderen kan ook zeer veel heil verwacht worden; als mogelijke tusschenpersonen tusschen de consulaire ambtenaren en het ministerie van buitenlandsche zaken behooren zij het goede voor te staan en met allen aandrang te wijzen op den deerniswaardigen toestand, waarin Hollandsche meisjes zich in den vreemde bevinden. Van de détails, waarmee zij uit den aard der zaak niet zoo licht bekend raken, moeten de consuls en anderen hen op de hoogte brengen.’t Zij nogmaals herhaald: ook in deze kwestie kan en moet “Buitenlandsche Zaken” met kracht en ijver werkzaam zijn, opdat door zijne medewerking de handel in blanke slavinnen niet spoedig tot het verleden zal behooren—want dit zal steeds tot de pia vota blijven behooren—maar opdat hij althans wat den omvang zijner gevolgen betreft zooveel mogelijk beperkt worde.§ 4. Wetgeving betreffende de ouderlijke macht.Het ligt in den aard der zaak, dat het bedrijf van den placeur zich zooveel mogelijk bepaalt tot het aanwerven van jeugdige vrouwen, die door haar frischheid en maagdelijkheid het uitzicht openen op ruime verdiensten. Vele van dezen bevinden zich dan ook nog onder het gezag van anderen, ouders of voogden. De twee uiterste mogelijkheden vragen hier onze aandacht niet. Ten eerste, dat het meisje tegen den wil harer ouders of voogden onttrokken wordt aan de macht van dezen; een feit, waartegen vele strafwetten reeds voorzien. Ten tweede, dat het juist de werkzaamheid der ouders is, die het jonge meisje aan den placeur overlevert. Ook in dit geval voorzien de meeste strafwetten. Het meest voorkomende euvel ligt hiertusschen: ouders of voogden zijn onverschillig, het lot van het meisje boezemt hun geen belang in; zij dragen schuld of mogelijkerwijze is de treurige opvoeding en zorg—hierop komt ’t toch aan—in ’t geheel niet aan eenige schuld hunnerzijds te wijten. In ’t kort: zij verrichten of verzuimen niets, waardoor zij onder ’t bereik der strafwet zouden kunnen vallen.Bij de bespreking van de oorzaken van dezen handel wees ik er reeds op, dat veel wat aan de zijde der vrouw als oorzaak, direct of indirect, van den meisjeshandel kan aangemerkt worden, zijn reden vindt in gebrekkige opvoeding of verwaarloozing. Wanneer wij deze oorzaken kunnen voorkomen en opheffen doorontzetting uit de ouderlijke macht of voogdij4dan hebben we te doen met eenpreventief middelter bestrijding van den meisjeshandel. Hierop wil ik toch drukken, opdat er toch geen verschil van opinie ontsta omtrent de grenzen van hetgeen ik mij hier voorstel in ’t kort te behandelen. ’t Is de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht als preventieve zorg. Ik laat buiten bespreking de ontzetting als bijkomende straf na ’t begaan van een strafbaar feit, zooals in vele wetgevingen geschiedt.Hierheeft de ontzetting een ander karakter, en wel die van repressie als straf voor de ouders,daaris de ontzetting een louter beschermende maatregel voor de kinderen. Als straf kan zij ook wel preventief werken en wel b. v. na ’t ondergaan van den straftijd, doch het is meestal voor een beperkten duur, zich slechts tot enkele gevallen uitstrekkende.Ik heb hier dus ’t oog op de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht.Het Nederlandsche Burgerlijke Wetboek kent de ontzetting uit de ouderlijke macht niet. De ontzetting uit de vaderlijke macht bestaat slechts als bijkomende straf (art. 9b1º joart. 285ºWetboek van Strafrecht) in de bij de wet bepaalde gevallen door den strafrechter uit te spreken en gedurende een duur, waarvan de wet het maximum vaststelt (art. 30, 31 Strafrecht). Volgens art. 30 kanontzetting worden uitgesproken bij veroordeeling der ouders, die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf deelnemen en die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige eenig misdrijf plegen omschreven in de Titels XIII XIV XV, XVIII XIX en XX van het 2eBoek. Verder kan het nog plaats hebben in de gevallen, die in het 2eBoek speciaal voorkomen.Het is duidelijk, dat voorzoover men van een regeling van de ontzetting uit de vaderlijke macht kan spreken deze zeer gebrekkig en onvolledig is.De behoefte aan voorziening in de mogelijkheid, dat ouders ook van hun gezag zouden kunnen worden ontzet, zonder dat dit juist behoefde verbonden te zijn aan eene strafrechtelijke veroordeeling heeft zich reeds lang doen gevoelen en een ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht en de voogdij, aangeboden door Minister Cort van der Linden bij de Tweede Kamer bij Koninklijke Boodschap van 13 Mei 18985, heeft zich dan ook dit onderwerp aangetrokken.Hoe de burgerrechtelijke ontzetting in het ontwerp geregeld is, zal ik hier bespreken.Over de ontzetting, de procedure, het herstel, en de taak van den voogdijraad wordt gehandeld in de Tweede afdeeling A “van de ontheffing en ontzettingvan het ouderlijk gezag” uitmakende de artt. 374atot en met art. 374l. Verder verdient de aandacht art. 413 derde lid.Het geheele ontwerp berust meer op het grondbeginsel, dat het ouderlijk gezag is een uitvloeisel van de plicht der ouders voor zoover het in hun macht staat hun kinderen te onderhouden en op te voeden, terwijl daaraan natuurlijk onafscheidelijke rechten verbonden zijn ter behoorlijke vervulling van die plicht, dan van het principe als zou het ouderlijk gezag nog op hetzelfde beginsel steunen, waarvan de Romeinsch-rechtelijke patria potestas een gevolg is. Neen, de bescherming der minderjarige staat op den voorgrond. Er moet gewaakt worden tegen verkeerde leiding en verwaarloozing van hun opvoeding. Dit is bij herhaling in de Memorie van Toelichting te lezen. Daarom moeten beschermd worden die kinderen, die door schuld hunner natuurlijke verzorgers, dreigen onder te gaan, doch ook zij, tot wier opvoeding de ouders buiten hun schuld onbekwaam en ongeschikt zijn en zij die verlaten rondzwerven, zonder dat van het bestaan of van het verblijf van den vader en de moeder of van eenige voogdij blijkt. Duidelijk is dat in al deze gevallen het verwaarloosde of verlaten meisje gemakkelijk in handen kan vallen van individuen, die haar ten eigen voordeele ten val willen brengen. Daarom zal dit ontwerp, wanneer het eenmaal wet zal geworden zijn, er veel toe bijdragen, om jonge meisjes te redden uit de handen van placeurs en koppelaars. In art. 374aworden de beide rechtsmiddelen aangegeven, die een einde makenaan de rechten en verplichtingen van de ouderlijke macht.Artikel 274aeerste lid bepaalt, dat ontheffing van de ouderlijke macht over een, meer of alle kinderen kan verleend worden op eigen verzoek, op grond, dat de verzoeker ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Maar het belang der kinderen mag zich niet uit anderen hoofde tegen die ontheffing verzetten.De ontzetting regelt het 2delid. De ontzetting van ieder der ouders kan op verzoek der in dit lid genoemde personen plaats hebben op grond van:1º. misbruik van het ouderlijk gezag of verwaarloozing van de verplichting tot onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen.2º. slecht levensgedrag.3º. onherroepelijke veroordeeling wegens het opzettelijk deelnemen aan eenig misdrijf met een aan zijn gezag onderworpen minderjarige.4º. onherroepelijke veroordeeling wegens het plegen van eenig misdrijf omschreven in de titels 1, 2, 3 en 4, de artikelen 140 eerste lid, en 172, in de titels 13, 14, 15, 18, 19 en 20 en in de artt. 381–385 van het 2deBoek van het Wetboek van Strafrecht.5º. tweede of verdere onherroepelijke veroordeeling wegens eenig misdrijf.Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.De Memorie van Toelichting zegt aangaande de ontheffing en de ontzetting: “De ontzetting berust ophet moedwillig plicht verzuim of onwaardigheid, de ontheffing op het voor den rechter juist gebleken eigen oordeel der ouders, dat het belang van hun kind medebrengt, dat een ander zich met de taak der opvoeding belast.” Doch in het laatste geval worde wel ingezien, dat het belang van het kind moet vóórstaan; is dit niet zoo, dan zal de rechter de ontheffing niet verleenen. Bij ontzetting is de reden om aan de rechten en verplichtingen van het ouderlijk gezag een einde te maken gelegen òf in een feit, dat strafrechtelijk den dader toerekenbaar is òf in een feit, dat dit niet is, maar dat toch aan schuld te wijten is. Bij ontheffing treedt de beschermingsmaatregel voor het kind nog in een duidelijker licht, daar alsdan zelfs geen sprake is van schuld aan de zijde der ouders. In de Memorie van Toelichting heet het: “Het instituut der ontheffing, dat de Staatscommissie niet kent, zal, naar de ondergeteekende vertrouwt er toe bijdragen, dat vele ongelukkigen in hun jeugd niet van die zorgen verstoken blijven, die zij zoo noode missen en waardoor zij voor moreelen ondergang behoed nuttige leden kunnen worden der maatschappij.”Als preventieve maatregel tegen den handel in blanke slavinnen treedt vooral op den voorgrond de ontzetting op grond van verwaarloozing en slecht levensgedrag, waardoor het kind moreel ten onder gaat, waardoor wellicht het verlangen gewekt wordt zoo spoedig mogelijk het ouderlijk huis te ontvluchten en elders in zijn onderhoud te gaan voorzien; verder op grond van een der veroordeelingen in de drie laatste no’s,waarvan het gevolg is geheel gebrek aan opvoeding of geheele of gedeeltelijke verwaarloozing.Doch hoe doen zich omstandigheden dikwijls voor?De val van het meisje—ik wees er in het begin van dit proefschrift reeds meermalen op en gaf daarvan ook voorbeelden—is dikwijls ook eenigszins aan eigen schuld toe te schrijven, groote onverschilligheid zoowel van de zijde van het meisje als van die harer ouders. Van de zijde van het meisje als gevolg van hare onervarenheid valt ze wellicht nog door de vingers te zien, maar van de zijde der ouders is dit geenszins het geval.Door eenige meerdere oplettendheid en zorg van hun kant zou de val van het meisje wellicht nog voorkomen kunnen zijn. Doch de ouders zijn blijde, als het groote gezin weer met een lid verminderd wordt; de eerste de beste gelegenheid wordt aangegrepen om dit te bewerkstelligen. ’t Is eene afkeurenswaardige onverschilligheid, die zich ook wel in andere opzichten zal openbaren of geopenbaard hebben.Voorziet het ontwerp ook in deze gevallen?Kan een dergelijke meermalen geopenbaarde onverschilligheid, die zulke verderfelijke gevolgen na zich kan sleepen, onderverwaarloozing van de verplichting, tot onderhoud en opvoedinggerangschikt worden? ’t Is in ieder geval te loven, dat de Minister in stede vanverregaande verwaarloozing, zooals de staatscommissie dat voorstelde, eenvoudigverwaarloozingheeft opgenomen en wel om den rechter bij de appreciatie der feiten zoo weinig mogelijk te binden. Mijn inziens belet de etymologische beteekenis van het woord enhet begripverwaarloozenniet, dat daaronder ook een dergelijke grove onverschilligheid omtrent de toekomst van de minderjarige valt. Aldus kan de rechter, wanneer zich een dergelijk geval voordoet, al is de maatregel dan voor het meisje, te wier opzichte ze plaats gehad heeft, te laat genomen, toch nog ontzetting uitspreken, hetgeen van belang is voor de toekomst der andere meisjes.Voor eene andere categorie van kinderen, en wel de verlatenen, die geen tehuis hebben, baant het ontwerp ook een weg om in staat te zijn van hen nog goede staatsburgers te vormen. Ik wil nu niet beweren, dat deze rubriek van verwaarloosden een groot contingent oplevert om de rij der blanke slavinnen te vullen, maar toch zijn ook deze meisjes bij uitstek geschikt om zich in de netten der placeurs te laten vangen, voorzoover ze nog niet vrijwilligprostituéesgeworden zijn.In deze gevallen voorziet art. 413 derde lid van het ontwerp. Indien het bestaan of het verblijf van den vader of de moeder onbekend is, wordt door den Kantonrechter een voogd benoemd. Gedurende deze voogdij is de uitoefening van de ouderlijke macht geschorst.1Velen onder hen vallen het artikel scherp aan o.a. op dezen evenzeer merkwaardigen als onjuisten grond als zouden de bordeelen door dit artikel een soort wettelijke sanctie verkregen hebben.2Hier moet onderscheiden worden: dit verzet zal b.v. plaats hebben omdat de vrouw niet meer naar haren man terug wil; niet omdat zij in haar leven van ontucht wil blijven, want dan ontbreekt het vereischte voor de uitleiding dat zij tegen haar wil een ontuchtig leven leidt.3Zie art. 17 van het door de wet van den 31 December 1897 (Stbl. no. 275) goedgekeurd op 14 Nov. 1896 te ’s Hage gesloten verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende.4Gemakshalve en ter bekorting zal ik in de volgende bladzijden in hoofdzaak spreken van de ouderlijke macht.5Te vergelijken met het wetsontwerp over hetzelfde onderwerp, ingediend door Minister van der Kaay, doch bij verwisseling van Ministerie met Koninklijke machtiging ingetrokken, voordat het in de afdeelingen der Tweede Kamer was onderzocht.

Hoofdstuk VI.Wetgeving in Nederland.§ 1. Wetboek van Strafrecht.Den 1stenSeptember 1886 trad onze nationale strafwetgeving in werking. Vóórdien gold nog steeds de Fransche Code Pénal, zooals deze in den loop der jaren gewijzigd en aangevuld was. De 2detitel van dit wetboek, “Misdaden en wanbedrijven tegen bijzondere personen”, bevatte in zijn 4deafdeeling “Aantasting der zeden” art. 334, dat een strafbepaling inhield tegen de koppelarij. Art. 335 stelde eenige bijkomende straffen vast.Art. 334aluidde:Quiconque aura attenté aux mœurs en excitant, favorisant et facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse de l’un ou de l’autre sexe au dessous de l’age de vingt-un ans, sera puni etc.Alwie zich feitelijk tegen de zeden vergrepen zal hebben met zijn werk te maken om de ongebondenheid of onzedelijkheid (débauche) of de verleiding van jonge lieden beneden den ouderdom van 21 jaren van de een of andere kunne op te wekken, te bevorderen of behulpzaam te zijn, zal gestraft worden etc.Bij de behandeling van het Fransche recht hierachter zullen wij gewaarworden, dat dit Code-artikel niet aan de behoeften voldeed. Het straft het eenvoudige lenocinium en kan dus niet dienstbaar gemaakt worden om den placeur te treffen, die uit den aard der zaak in de meeste gevallen slechts zijne medewerking verleent; of hij als medeplichtige zou kunnen getroffen worden, is in ieder geval afzonderlijk te beslissen.Het nu vigeerend artikel, dat de koppelarij strafbaar stelt, art. 250 Sw., luidt:Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:1º met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren, de vader, moeder, voogd of toeziende voogd, die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;2º met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren, ieder ander, die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde een gewoonte maakt.De Memorie van Toelichting begint met de woorden: “Het lenocinium is strafbaar, indien blijkt dat iemand òf uit winstbejag òf als gewoonte personen jonger dan 21 jaren tot ontucht met anderen aanzet.” Hieruit volgt, dat de daad van den handelaar in blanke slavinnen, die toch slechts medeplichtigheid aan het lenocinium kan wezen, niet het feit is, dat art. 250 bedoelt te straffen.Dit blijkt ook daaruit dat, terwijl de daad van denplaceur reeds afgesloten is, vóordat het plegen van de ontucht heeft plaats gehad, art. 2502ºevenals de koppelarij artikelen in andere wetgevingen voor het voltooide misdrijf vordert, dat de ontucht teweeggebracht of bevorderd moet zijn. Een bijkomende voorwaarde van straf waardigheid, als deze omstandigheid zou daarstellen, mogen we niet vorderen voor de bestraffing van eene daad van handel in vrouwen en meisjes. Bovendien is de minderjarige, bij wien de ontucht opgewekt of bevorderd wordt, op de hoogte van de dingen, die gebeuren zullen. Dit althans veronderstelt het begrip koppelarij, al staat het niet met zooveel woorden in het artikel.Art. 250 2º., dat de eigenlijke koppelarij daarstelt, is ruimer gesteld dan het overeenkomstige art. 334avan den Code, in zooverre als de gewoonte niet een noodzakelijk bestanddeel vormt, mits dan het winstbejag bewezen is. Wat den leeftijd van 23 jaar aangaat, zoo is het een vereischte, dat de dader bij het plegen daarvan kennis droeg. Dit volgt uit de plaatsing van het woord opzettelijk en dit is dan ook meer dan eens in dezen zin door den Hoogen Raad beslist. Juist dit punt maakt de mogelijkheid eener bestraffing van den placeur als medeplichtige van den koppelaar nog geringer, daar toch uit de beginselen der medeplichtigheid volgt, dat het opzet van de medeplichtige op de door de wet gestelde bestanddeelen van het misdrijf van den dader gericht mocht zijn; hij moet dus òf zijn opzet richten daarop, dat de dader uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarigemet een derde teweegbrengt of bevordert, òf dat de dader van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt. De wetenschap van de minderjarigheid zal bij den placeur hoogst moeilijk bewezen kunnen worden; het zal gemakkelijker gaan, indien het bewijs geleverd is, dat hij opzettelijk valsche legitimatiepapieren aan den bordeelhouder verschaft heeft. Wanneer de vrouw klaarblijkelijk zeer jeugdig er uit ziet, kan de leer van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn toepassing vinden. De placeur etc. kan slechts dan onder het bereik van art. 250 2º vallen, indien hij onder valsche voorspiegelingen een meisje, van wie hij de minderjarigheid kent, aan een derde verkoopt van wien hij weet, dat deze uit winstbejag de ontucht van haar met een ander zal teweegbrengen of bevorderen.Nu moet verder de vraag gesteld worden in hoeverre de placeur etc. medeplichtig kan zijn aan het feit, dat iemand van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt.Wat beteekent art. 250 2º in fine?Is de dader strafbaar, indien hij van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van de ontucht door eenenkeleminderjarige met een derde een gewoonte maakt? Of is hij het pas, àls hij er een gewoonte van maakt opzettelijk de ontucht vanminderjarigenmet derden teweeg te brengen of te bevorderen, zoodat in dit geval het aantal keeren, dat bij een dier minderjarigen de ontucht teweeggebracht of bevorderd is, niet op eengewoonte behoeven te wijzen. Moet dus het aantal der minderjarigen kunnen wijzen op eene gewoonte in tegenstelling met het eerste geval, waarbij ’t het aantal malen is, dat ten opzichte van een minderjarige het teweeg brengen of bevorderen der ontucht plaats heeft? Dit is niet erg duidelijk en hoe ’t wezen moet blijkt ook niet uit hetgeen bij de tot standkoming der wet heeft plaats gehad. Het is toch van belang deze kwestie op te lossen. Het O. R. O. luidde: “... of die van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht doorzoodanige personenmet derden eene gewoonte maakt”. “Zoodanige personen” sloeg op het voorafgaande “persoon beneden den leeftijd van 21 jaar”, doch toen dit daarna in “minderjarige” veranderd werd had deze verandering ook plaats bij het daarop volgende; evenwel werd zonder reden het meervoud door het enkelvoud vervangen.Ik meen op grond van het feit, dat tijdens de totstandkoming van het artikel op dit punt de aandacht niet gevestigd is, de heerschende practijk onder vigeur van art. 334 C. P., die niet alleenpluralité de victimes, maar ookpluralité de faitsten opzichte van éen persoon, zoodat de herhaling eene gewoonte opleverde, toestond, bij de behandeling van het artikel geen tegenspraak ondervond, tot ’t besluit te mogen komen, dat ook nu zoowel de herhaling met betrekking tot meerdere personen als de herhaling met betrekking tot handelingen ten opzichte van éen persoon, welke een gewoonte oplevert, binnen de strafbepaling vallen.Met betrekking tot de medeplichtigheid valt dit opte merken, hetgeen uit de medeplichtigheidsleer volgt: in het laatste geval,pluralité de faitsbij een persoon kan de meisjeshandelaar niet als medeplichtige van den koppelaar vervolgd worden. In het eerste geval, bijpluralité de victimes, kan hij slechts dan vervolgd worden, indien hij een minimum aantal medeplichtigheidshandelingen begaat ten opzichte van de handelingen van den hoofddader, welke beiden eene gewoonte moeten opleveren.De makelaar in meisjes, die geregeld aan eenzelfden bordeelhouder verkoopt, is dus strafbaar, maar hij, die aan alle mogelijke bordeelhouders slechts nu en dan meisjes afstaat, valt buiten het bereik onzer strafwet. Verder natuurlijk degene, die slechts éen of enkele daden van blanke slavinnenhandel verricht.Afzonderlijke bespreking vereischt nog het geval dat de makelaar in meisjes zonder opdracht handelt van een bordeelhouder, doch als ’t ware ze op eigen risico aanwerft. Hier hangt de beantwoording der vraag, of hij naar bovengemelde regels als medeplichtige gestraft kan worden, allereerst af van de uiterst moeilijke kwestie, of men medeplichtig kan zijn aan een misdrijf, wanneer het opzet tot het plegen van dat misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik dat deze verleend wordt, niet aanwezig is. Er is in deze gevallen natuurlijk slechts sprake van hulpverleeningvóorhet plegen van een misdrijf, zooals die in art. 48 2º Sw. beperkt is aangegeven.Allereerst is het van belang te weten of in het geval, dat een makelaar met een of meer meisjes zich tot een bordeelhouder wendt, met wien hij geen afspraak heeften van wien hij geen last ontving, zou mogen aangenomen worden, dat bij den bordeelhouder bestaat een volkomen geïndetermineerd opzet om te koppelen. Een dergelijk in geen enkel opzicht bepaald opzet wordt zoo goed als algemeen verworpen, zoodat in het bovengenoemd geval de bordeelhouder geen opzet had een misdrijf te plegen, op het oogenblik dat de makelaar hem de gelegenheid of de middelen verschafte om zich schuldig te maken aan art. 2502ºSw. De zooeven gestelde moeilijke kwestie is door den Hoogen Raad in zijn arrest van 13 Juni 1898 W. 7145 in dien zin beslist, dat tot het bestaan van medeplichtigheid aan misdrijf in het algemeen en voor die omschreven in art. 48 sub 2º in het bijzonder wordt vereischt, dat het opzet tot het plegen van het misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik, dat deze wordt verleend, aanwezig wordt gevonden. Dit gevoelen van ons hoogste rechtscollege deel ik.Dus in het geval, dat de makelaar op eigen risico meisjes misleidt met het oogmerk ze aan een ontuchtig leven over te leveren, kan hij niet wegens medeplichtigheid veroordeeld worden.Na het voorgaande betoog alles resumeerende kom ik tot de volgende conclusie: de handelaars die meerderjarige vrouwen door misleiding aan een ontuchtig leven overleveren, komen nimmer te dier zake voor den strafrechter. Doch waar het minderjarige meisjes geldt, blijven vele hunner daden volgens onze wet ongestraft.Gewapend met ons art. 2502ºvalt dus nagenoegniet op te treden tegen den handel in blanke slavinnen. En zelfs dan, wanneer de toedracht der zaken van dien aard is, dat volgens onze strafwet de daden van den meisjeshandelaar in het algemeen zouden kunnen vervolgd worden, dan nog ontsnapt hij de gerechtigheid, wanneer in het speciale geval de koppelaar zelfs niet wegens strafbare poging kan terechtstaan, ondanks het feit, dat de placeur al het zijne er toe bijgebracht heeft om aan zijn daad een gunstig resultaat te verzekeren.Doch onze strafwet bezit een ander artikel, dat de vermelding waard is. Het is door de Regeering in het wetsontwerp opgenomen naar aanleiding van de beraadslagingen in de Tweede Kamer over artikel 250. ’t Is artikel 452, dat afgaande op de redevoering van het Kamerlid van Houten juist moest strekken om bescherming te verleenen aan die meisjes, die in bordeelen opgenomen worden en het karakter van het huis niet kennen.De woorden van den Heer van Houten bij de beraadslagingen over art. 250 Strafwetboek luiden aldus: “Er is nog eene bepaling, die ik zeer gaarne aan het Wetboek zag toegevoegd. Men hoort dikwerf, dat houders van bordeelen meisjes van buitenaf als dienstboden in huis nemen, zonder dat deze met het karakter van het huis, waarin zij komen, bekend zijn. Daartegen wordt hier op geenerlei wijze voorzien. Toch komt het mij zeer wenschelijk voor, eene strafbepaling te maken tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in eenbordeel lokken. Iedereen zal erkennen, dat het binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt.” Hierop antwoordde de Heer Modderman, Minister van Justitie: “Eindelijk merk ik den Heer van Houten op, dat ik, geenszins afkeerig van verscherping, in overleg met de Commissie van Rapporteurs gaarne zal overwegen of het mogelijk zij in het derde boek eene bepaling op te nemen als door dien geachten afgevaardigde wordt bedoeld, ter voorkoming van het opnemen van meisjes in een publiek huis,quasials dienstmeisjes of in een andere betrekking, zonder dat men haar met het karakter van het huis bekend maakt.”Deze besprekingen hadden ten slotte tengevolge de opneming van art. 449ain het G. O., dat na verschillende wijzigingen bij de behandeling ons tegenwoordig art. 452 geworden is. Het luidt:“De bordeelhouder, die in het huis, waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bekend gemaakt met het bedrijf, dat in dat huis wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden”. De bedoeling van den Heer van Houten was goed; hij wilde eene strafbepaling in het leven roepen tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de bestemmingvan het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Doch heeft hij hiermede op ’t oog den handel in blanke slavinnen? ’t Is niet twijfelachtig, dat zonder ’t antwoord van den minister men onzeker zou zijn omtrent de werkelijke strekking van het verlangen van den Heer van Houten. Zijn woorden laten ruimte voor tweeërlei opvattingen of desnoods drie: 1º hij heeft ’t oog op die vrouwen, die gedwongen worden zich in het bordeel aan de prostitutie over te geven. 2º hij bedoelt de bescherming tegen verleiding van degenen, die in het bordeel in een dienstbetrekking gaan zonder van den aard van het huis kennis te dragen. Dit zou ik vooral ook op kunnen maken uit de woorden: “Iedereen zal erkennen, dat ’t binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt”. Verder ook uit de begin-woorden. 3º. Hij sprak met ’t oog op deze beide categoriën. Doch de woorden van den Minister laten geen twijfel, datvooralde meisjes, die als prostituées daar haar verblijf moeten houden, beschermd worden; hij zegt toch:quasi als dienstmeisjes of in een andere betrekking.Kan mij nu art 452 bevrediging schenken? ’t Zij verre van daar. Ik stel mij niet op ’t standpunt van sommige moralisten, die het artikel aanvallen met weinig steekhoudende argumenten.1Doch het artikel voldoet volstrekt niet aan het verlangen,door den Heer van Houten in zijn woorden uitgedrukt. Onbegrijpelijk dat hij zich met ’t voorgestelde artikel heeft kunnen vereenigen. Ware aan den wensch in zijn woorden uitgedrukt volkomen gevolg gegeven, dan hadden wij een zoo goed als zeker afdoende bepaling tegen den handel in blanke slavinnen. De kennis van het bestaan van dezen handel blijkt uit de woorden van den Heer v. H., en bovendien was op ’t oogenblik der beraadslagingen in de 2deK. over art. 449a, den 9denNov. 1880, reeds in voldoende mate van allerlei zijden op het euvel gewezen. En wij, Nederlanders, zouden er op kunnen bogen de eersten geweest te zijn, die een strafbepaling tegen dezen handel vastgesteld hadden. Doch dit heeft niet zoo mogen zijn.De indruk, die het artikel geeft, is veeleer die van eene administratieve bepaling, die alle andere doeleinden beoogt, dan de bestrijding van den meisjeshandel, dan die van een bepaling, welke hen treft “die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken”.Het geeft den indruk, alsof het ’t doel is b.v. na te gaan, hoeveel vrouwen in een bordeel zijn, of n’importe welk ander administratief doel, terwijl ’t toevallig ook misleide meisjes kan redden.Geenszins, dat door het artikel in bescherming zouden worden genomen rechtsbelangen van hooge waarde, waarop bij ernstige krenking zware straffen zouden moeten gesteld worden. Doch het schijnt, dat dit toch het doel geweest is. In hoeverre beantwoordt nu het artikel aan dit doel?Slechts voor een zeer klein gedeelte en wel dan wanneer degenen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken,toevalligerwijze juist zelf de bordeelhouders zijn, wat in het gros der gevallen niet zoo is. Had de Heer van Houten als zijn wensch te kennen gegeven, dat iedere bordeelhouder gestraft moest worden, wanneer hij meisjes tegen haar wil in het bordeel gevangen houdt, dan zou ik art. 452 kunnen beschouwen als een door straf gesanctioneerde maatregel om de vrijheidsrooving aan ’t licht te brengen. Het zou dan tevens, zonder dat de wensch daartoe te kennen gegeven ware, den bordeelhouder treffen, die meisjes door misleiding in zijn huis lokt.Ik kan dus niet verhelen, dat mijns inziens art. 452 een der treurigste artikelen is uit ons Wetboek van Strafrecht zoowel om zijn redactie, die niet doet vermoeden, dat de wensch, die zijn ontstaan tengevolge had, luidt, zooals de Heer Van Houten haar uitgesproken heeft, als ook omdat het slechts voor een zeer klein gedeelte en met halve maatregelen aan dien wensch voldoet.En nu, hoe werkt dit artikel 452 in de practijk? Vele belangrijke gevallen van vervolgingen ter zake van overtreding van art. 452 hebben zeker niet plaats. Ik althans heb nergens een enkel geval aangetroffen.De bordeelhouders geven slechts dan gevolg aan het voorschrift in den norm van art. 452 S. W. vervat, wanneer zij er geen nadeel door kunnen ondervinden; ’t staat toch slechts aan hen om naar den burgemeesterte gaan of naar dengene, die door dezen aangewezen is. En voldoende contrôle of de bepaling nageleefd wordt is onuitvoerbaar. Wat is toch de kwestie? De clandestiene huizen van prostitutie, verder de zoogenaamde verdachte huizen in die gemeenten, waar bij politieverordening het houden van een bordeel verboden is, vallen geheel buiten deze bepaling. En ’t is toch een bekend feit, dat deze huizen de bordeelen in aantal verre overtreffen. Wat de bordeelen betreft, zoo is het te dwaas om aan te nemen, dat de bordeelhouders zelf door gevolg te geven aan art. 452 aangifte zullen doen van een of ander strafbaar feit, waaraan zij zich schuldig gemaakt hebben. Van den anderen kant is de algemeene klacht, dat ’t artikel geenerlei uitwerking heeft, omdat de bordeelhouders hun slachtoffers zoo weten te suggereeren, dat deze slechts napraten, hetgeen deze haar geboden hebben te zeggen; zij zijn zich toch ook niet bewust, welke de strekking van het artikel is. Hoe licht valt ’t niet eene vreemde vrouw in dergelijken toestand iets op den mouw te spelden! Ten opzichte van bordeelhouders, die de plicht hun door art. 452 opgelegd nakomen zooals het behoort, is het voorschrift voorzeker van nutteloozen dwang.§ 2. Wet op de uitzetting van vreemdelingen.Bij eene conscentieuse en nauwkeurige opvatting harer taak als hulp der justitie bij de opsporing en constateering van strafbare feiten en eveneens bij een dergelijke opvatting harer taak om een door geen wet geboden, doch in haar wezen liggend preventief toezicht uit teoefenen, opdat de rechtsorde niet verstoord worde niet alleen, doch ook opdat door ruimer verzorgend optreden kwade praktijken, die door geen wetsbepaling getroffen worden, tegengegaan worden, kan de politie zeer veel uitrichten om den handel in blanke slavinnen te bestrijden, repressief en preventief. Dit geldt zoowel voor den binnen- als voor den buitenlandschen handel.Ten opzichte van den buitenlandschen handel bezit de politie een machtmiddel, waarvan hier en daar ook werkelijk gebruik gemaakt wordt. Waarom wordt dat middel dan niet algemeen toegepast? Dit is wel toe te schrijven aan de werkelijk meer of mindere gegrondheid, waarmede de rechtmatigheid van het gebruik van de bewuste maatregel betwist wordt. Dit dien ik dus te bespreken. Ik heb het oog op de wet van 13 Aug. 1849 (S. 39) tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen. Het zijn de artt. 1, 10 en 11 van deze wet, die op indirecte wijze den handel in meisjes in zijn kracht kunnen fnuiken.Art. 1. “Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven.”’t Hangt hier af van eene uitlegging van “voldoende middelen van bestaan”; men zou door het bestaan van deze te ontkennen bij de publieke vrouw vreemde prostituées uit den lande kunnen weren. Een zeer deugdelijke maatregel voorwaar om de prostitutie van vreemde vrouwen tegen te gaan, doch daarvoor is vereischte, dat bij de toelating blijke, dat zulk een vrouwprostituée is. In het gros der gevallen is dit ondoenlijk en kan men het ook niet vermoeden. Vooral bij den import van vrouwen is dit iets hopeloos, want de aard van den meisjeshandel brengt toch mee, dat juist de vrouw in het land komt, omdat zij haar middelen van bestaan door eigen werkzaamheid kan verkrijgen in de een of andere dienstbetrekking, al is deze ook gefingeerd, hetgeen alleen de placeur weet. Hiervan kan desnoods door brieven of contracten blijken. Doch in deze gevallen zouden bij toelating der vreemdelinge toegepast kunnen worden de artt. 10 en 11 die aldus luiden:Art. 10. “Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebracht dan op bevel van den kantonrechter der plaats, waar zij zich ophouden of op onzen last.”Art. 11. “De kantonrechter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven en na den vreemdeling te hebben gehoord of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen, etc. etc.”We zien, dat ’t hier weer aan komt op de oplossing van de vraag, wat men met een “middel van bestaan” bedoelt.Ik meen te kunnen volstaan met de meening van de Redactie van de Gemeentestem te citeeren, overtuigd als ik ben, dat zij door deze uiting de meening openbaart van allen, die het zijn van prostituée niet als voldoende middel van bestaan beschouwen. In Gemeentestem 2000 antwoordt de Redactie op de vraag:“Kan het bedrijf van publieke vrouw als zijnde in strijd met de goede zeden ooit opleveren een middel van bestaan in den zin der vreemdelingenwet?” aldus:“Het komt ons voor, dat art. 1 der wet op de toelating en uitzetting van vreemdelingen met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld hebben een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen. Wij antwoorden dus ontkennend.”Ik meen deze argumentatie van de Gemeentestem eenigszins onjuist te moeten noemen. De wet laat in ’t midden, welk een middel van bestaan vereischt is; het moet slechts voldoende zijn. Het komt hier slechts aan op het gevolg, of men in staat is zich zelf te onderhouden, zonder dat eenige onderscheiding gemaakt is van de wijze, waarop dit geschiedt.In eene aanschrijving van den Minister van Justitie dd. 28 Augustus 1849 no. 80 bevattende: “Wenken en onderrigtingen aangaande het doel en de strekking der wet” heet het, dat deze wet “hoofdzakelijk ten doel heeft om der regeering de middelen te geven, ten einde die vreemdelingen,.... die ons tot last zouden kunnen worden, doordien zij geen voldoende middelen van bestaan hebben, noch door werkzaamheid kunnen verkrijgen te weren of te noodzaken het land te ruimen.” Men mag beweren, dat eene vreemde prostituée ook tot last kan worden van ons land; maar dan kan men ieder gaan weren of het land uitzetten van wien blijkt, dat hij een gevaarlijk beroep uitoefent, dat hem spoedig b.v. armlastig kan maken. Neen, het is noodig, dat “het tot last worden” eengevolg zij van de onvoldoendheid van het middel van bestaan. En dit is toch geenszins het geval met de prostituée, die integendeel eerder in weelderigen dan in armoedigen toestand verkeert, wanneer zij zich aan dat leven begint over te geven.’t Is dus mijns inziens een verkeerd principe eene vrouw het land uit te zetten op grond, dat zij prostituée is. De wet toch onderscheidt niet; eene natuurlijke onderscheiding ligt evenwel daar, waar sprake zou zijn, dat het middel van bestaan zou gevonden moeten worden door handelingen of werkzaamheden, die de wet verbiedt, doordat zij die in strijd met de openbare orde, rust, veiligheid, goede zeden enz. acht. Een befaamd inbreker zal zich dus op grond dat hij door groote ervarenheid in het inbreken en stelen een meer dan voldoende middel van bestaan heeft, niet voor uitzetting kunnen vrijwaren. Waar men dus stilzwijgend een onderscheiding zou willen maken van de wijze, waarop door werkzaamheid een middel van bestaan kan gevonden worden, kan slechts uitgesloten zijn eene werkzaamheid, die in strijd is met de wet. Want het heeft geen zin, dat de Redactie der Gemeentestem verkondigt: dat met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld zijn een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen.” Zonder twijfel is dit laatste waar, doch daarmede is nog niet gezegd, dat de wet hare roeping ook vervult. Eene positieve uiting van de wetis noodig op eenigerlei wijze, doch in casu is nergens in onze wetgeving eene bepaling te vinden, die het zijn van prostituée voor onzedelijk of in strijd met de openbare orde verklaart.Tot nu toe heb ik mij gehouden aan de veelal gevolgde opvatting van de uitdrukking “middel van bestaan” in deze wet. Ik kan mij evenwel niet vereenigen met de aan deze woorden in de dagelijksche spreektaal gegeven beteekenis. Men stelt “middel van bestaan” synoniem met “betrekking, bedrijf, ambacht, werkzaamheid etc.” Niets is evenwel meer onjuist. In geen enkel woordenboek van de Nederlandsche taal zal men van een dusdanig gebruik gewag gemaakt zien. (Zie b.v. van Dale).Ook de Gemeentestem houdt zich aan dit foutieve gebruik van “middel van bestaan.” Wij zouden hiervoor in de plaats kunnen schrijven b.v. “geld”. Dus: “alle vreemdelingen, dievoldoende geldhebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. Wat voor zin heeft het nu te zeggen:geld, dat strijdig is met de openbare orde of goede zeden.Ik wil nog even het dwaze aantoonen, wanneer men ook in art. 1 der Vreemdelingenwet “middel van bestaan” gaat gebruiken als “betrekking”, “bedrijf” etc. Wij zouden dan lezen: “Alle vreemdelingen, die een voldoendebetrekkingetc. hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. “Door werkzaamheid” zou alsdan geheel overbodig zijn. Het is toch duidelijk, dat men geen bedrijf etc. kan hebben of verkrijgen, zonder dat men werkzaam is. Het heeft dus geen zin te blijvenhechten aan het foutieve dagelijksche gebruik van “middel van bestaan”.Mijne conclusie strekt dus daartoe, dat theoretisch eene vreemde prostituée op grond, dat zij prostituée is, niet uit het land gezet kan worden.Doch nu de practijk. In de Memorie van beantwoording heet het:“Te omschrijven, welke middelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken ligt buiten den kring der wet. Naar omstandigheden behooren hieromtrent voorschriften te worden gegeven, hetgeen eene taak van uitvoering mag heeten.”’t Is mij niet erg duidelijk of de minister zich aan dezelfde onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt als de Gemeentestem. Mijns inziens is ook de goede interpretatie in deze uiting van den minister te lezen. In ieder geval ware het tot recht verstand der zaak beter geweest, indien hij geschreven had in plaats van “welke” “in hoeverre”; dus: “Te omschrijven,in hoeverremiddelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken” etc.Algemeene voorschriften zijn omtrent de meerdere of mindere voldoendheid niet gegeven; zij zouden moeten aangeven met welk minimum van middelen men, zonder dat de vreemdelinge ten laste komt van het land, zich tevreden kan stellen; verder welke waarborgen moeten bestaan omtrent eene zekere continuïteit van die middelen etc.Nu heeft de overheid, met de uitvoering van de wet belast, de vrijheid in ieder gegeven geval naar eigen oordeel te beslissen, of de vreemdelinge aan de vereischten,die de wet stelt, voldoet. In zooverre is practisch mogelijk eene vreemde prostituée het land uit te zetten.Over ’t algemeen wake de ernst en de bezadigdheid der Nederlandsche overheid er voor, dat, nu haar zulke groote bevoegdheid overgelaten is, zoo veel mogelijk willekeur in de toepassing der wet gemeden worde.Moeielijkheid bestaat nog bij den handel in blanke slavinnen. De vreemde vrouw gaat meestal zoogenaamd in dienst als werkmeisje, linnenmeisje etc, en dit geschiedt zelfs in optima forma daar, waar de bordeelen verboden zijn. Brieven of onderhandsche contracten getuigen daarvan. Mag de overheid met de uitvoering belast op bloot vermoeden een vrouw als prostituée signaleeren? En kan zij haar, op dien grond aannemende, dat zij geen voldoende middel van bestaan heeft, over de grenzen zetten, alhoewel zij (in werkelijkheid of niet) de een of andere werkzaamheid heeft, waardoor zij wellicht in voldoende mate in haar onderhoud kan voorzien? ’t Is duidelijk, dat volgens mij de duidelijke bewoordingen der wet dit niet toelaten. Doch in de practijk zal dit wel weer kunnen geschieden: bij de toelating toch is de vreemdelinge overgeleverd aan hetlibre arbitrevan het politiehoofd. Bij de uitzetting is de kantonrechter vrij in zijn oordeel, behoudens in achtneming van art. 11 der wet van 1849; hij spreekt toch geen vonnis uit onderworpen aan de gewone regelen bij de rechtspraak geldig. Slechts een beroep op het uitvoerend gezag, dat natuurlijk vrij kan beslissen. De geweigerde toelating of de uitzetting zal echter steeds inwaarheid gemotiveerd moeten zijn door aanneming van het feit, dat er geen voldoende middelen van bestaan zijn of verkregen kunnen worden(volgens de interpretatie, die ik van deze uitdrukkingen gaf.)§ 3. Internationale verklaringen.Aan Nederland komt de eer toe, dat het wat het internationaal recht betreft vooraan staat om de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel ter hulpe te snellen. Om dit initiatief verdient het alle lof en hulde; doch ook slechts om dit initiatief, want, daar alle begin moeielijk is, zoo valt ook ongelukkigerwijze te constateeren, dat de eerste poging zeer weinig bijdraagt om aan het zoo lovenswaardig doel te beantwoorden. Verbetering valt gelukkig te bespeuren bij de volgende pogingen.Ik heb ’t oog op de drie verklaringen door Nederland respectievelijk met België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland uitgewisseld.Een Koninklijk Besluit van 8 Jan. 1887 bepaalde de plaatsing in het Staatsblad van de op 18 Dec. 1886 te Brussel uitgewisselde verklaring betreffende door Nederland en België te nemen maatregelen tegen den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes, S. 2.De 2 eenige artikelen van deze verklaring luiden vertaald aldus:Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Belgische Regeering verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegenharen wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zij zich bevinden worden teruggezonden in de richting van het land, waartoe zij behooren.Art. 2. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, een kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.Ongeveer 2½ jaar later volgde een besluit van den 27stenDec. 1888, dat de plaatsing in het Staatsblad bepaalde van de tusschen Nederland enOostenrijk-Hongarijeuitgewisselde verklaringen, strekkende tot het wederzijds nemen van maatregelen om den zoogenaamden handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan. S. 228. Deze verklaringen tellen een vijftal artikelen van den volgenden inhoud.Art. 1. De Regeering der Nederlanden en van de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie verbinden zich, binnen de grenzen der wet, zooveel mogelijk te bevorderen, dat, tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zijzich bevinden, worden teruggezonden naar het land, waartoe zij behooren.Art. 2. Gezegde regeeringen verbinden zich eveneens binnen de grenzen der wet zooveel mogelijk te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land minderjarig zijn en zich vrijwillig in het andere land aan ontucht overgeven, op verzoek hunner ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.Art. 3. De terugzending zal plaats hebben zonder rekening te houden met de aanspraken, welke derden op dezen vrouwen en meisjes zouden kunnen doen gelden, ten gevolge van de betrekkingen, die uit den staat van ontucht voortvloeien, uitgezonderd het geval, waarin de terugzending in strijd zoude zijn met de uitvoering van een rechterlijk bevel.Art. 4. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.Art. 5. Ingeval de vrouw of het meisje, dat teruggezonden moet worden, niet in staat mocht zijn zelve de kosten van hare overbrenging terug te betalen en zij noch echtgenoot, noch ouders, noch voogden mocht hebben, die voor haar betalen, zullen de op de terugzending gevallen kosten door ieder der wederzijdsche landengedragen worden, voor zooveel betreft de overbrenging op zijn grondgebied.De kosten van vervoer over het grondgebied van een derden staat zullen alsdan ten laste komen van het land, tot hetwelk de vrouw of het meisje, dat teruggezonden is, behoort.Niet lang na de uitwisseling van deze laatste verklaringen, werd den 15 Nov. 1889, een derde verklaring uitgewisseld, en wel met het Duitsche Rijk nopens de van weerszijden te nemen maatregelen tegen den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes. Wegens de geldelijke verplichtingen, die ten gevolge van deze verklaring het Rijk op zich nam, moest deze de goedkeuring der Staten-Generaal verwerven volgens voorschrift van art. 592ºG. W. Den 15denApril 1891 volgde pas het bevel tot plaatsing in het Staatsblad (S. 85) van de wet, waarvan het eenig artikel de goedkeuring behelsde van de bovengenoemde verklaring met Duitschland.De 7 artt. van deze verklaring luiden als volgt:Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Regeering des Duitschen Rijks verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat de tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, die zich in het andere land aan ontucht overgeven, onderworpen worden aan een verhoor, ten einde te doen blijken, van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten.De te dier zake op te maken processen-verbaal zullenworden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.Art. 2. De contracteerende partijen verbinden zich insgelijks zooveel mogelijk binnen de wettelijke grenzen te bevorderen, dat diegene van die vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, worden teruggezonden uit het land, waar zij zich bevinden en overgebracht worden naar de grens van haar geboorteland.Art. 3. De contracteerende partijen verbinden zich buitendien zooveel mogelijk, binnen de wettelijke grenzen, te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land nog minderjarig zijn en die zich in het andere land vrijwillig aan ontucht overgeven, op verzoek harer ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.Art. 4. Alvorens de terugzending van eene der bij de artt. 2 en 3 vermelde personen te doen plaats hebben, zal de daarmede belaste overheid door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de bedoelde persoon behoort, aan de personen, die gezag over haar uitoefenen,eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal worden overgebracht.Art. 5. De briefwisseling tusschen de overheden der beide landen, betrekkelijk die terugzending zal, zooveel mogelijk, rechtstreeks worden gevoerd.Art. 6. In geval de kosten veroorzaakt door het onderhoud en de terugzending van die vrouwen en meisjes tot aan de grens, niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelven, noch door haar echtgenoote, ouders of voogden, zullen die kosten gedragen worden door den Staat, die de terugzending heeft bewerkstelligd.Art. 7. De tegenwoordige verklaring zal worden bekrachtigd en de akten tot bekrachtiging daarvan zullen zoo spoedig mogelijk te ’s Hage worden uitgewisseld etc. etc.Van dezen inhoud zijn de 3 verklaringen, die onze Regeering successievelijk met België, Oostenrijk, Hongarije en Duitschland uitgewisseld heeft. Het zijn verklaringen, geen tractaten; internationale schikkingen van de laatsten in vorm, inhoud en belang verschillend, zooals de minister van buitenl. zaken in de Eerste Kamer zeide. Wat de uiting aangaande het minderwaardige belang aangaat, dit moge in het algemeen waar zijn, in het onderhavige geval zullen wij dit niet cum grano salis opvatten. Welke andere belangen toch evenaren het belang, dat bij deze kwestie op ’t spel staat?De inhoud laat wel is waar iets te wenschen over en vooral bij de eerste schikkingen hebben wij te doen met zuivere verklaringen van administratief karakter en er is geen sprake van het bedingen van wederzijdsche rechten en concessiën, zooals meestal het onderwerp zijn van tractaten.Ook de vorm verschilt, in zooverre als de onderteekeningenniet plaats hebben door speciale gevolmachtigden, maar namens de regeeringen door de gezanten of ministers met latere ratificatie. Het geheel toont aan, dat op het stellen van scherpe juridische begrippen blijkbaar minder is gelet. Vreemd is, dat, waarop ook de aandacht gevestigd werd bij de behandeling in de Kamers (van het wetsontwerp tot goedkeuring van de Verklaring met Duitschland), de considerans verschilt van het intitulé. De eerste spreekt van “de in gemeen overleg te nemen maatregelen tot bescherming van ontuchtige vrouwen in zekere gevallen verkeerende” (of: “van zekere categorieën van ontuchtige vrouwen”) terwijl volgens het intitulé maatregelen worden getroffen tegen den zoogenaamde handel in jeugdige vrouwen en en meisjes. Volgens de Regeering drukt dit laatste de strekking van de verklaring het best uit.In aanmerking moet genomen worden, dat slechts bij de laatste verklaring een en ander uitlekt van hetgeen de Regeering met sommige bewoordingen bedoelt, hetgeen zoowel plaats heeft in de Memorie van Toelichting, als in de Memorie van Antwoord en bij de beraadslagingen in de Kamers. Daar in sommige opzichten de 3 verklaringen, die toch hetzelfde doel beoogen, in de redactie der artikelen overeenstemmen, zoo zal men het niet gewaagd kunnen noemen, als ik bij de interpretatie der 2 eerste verklaringen een voorzichtig gebruik maak van hetgeen bij de 3deverklaring gezegd en voorgevallen is.Artikel 1 van de eerste verklaring stemt overeen met art. 1 van de tweede en art. 2 van de derde. Een geringverschil in redactie in art. 1 van de verklaring met Oostenrijk-Hongarije is van geen belang. Dit artikel stelt daar eene bevoegdheid der politie: eene nieuwe of een oude bevoegdheid? Dit hangt af van de oplossing der vraag of er, en zoo ja, in hoeverre er dan een onbeschreven politierecht zoude bestaan, die der politie een preventieve bevoegdheid toekent om op te treden, waar ’t geldt de openbare orde en veiligheid te handhaven, personen etc. te beschermen en verder om steeds op alle wijzen, die de wet niet verbiedt, met tact werkzaam te wezen ter bevordering van dit doel.Daar mijns inziens deze vraag in bevestigenden zin moet beantwoord worden, ben ik van meening, dat bij eene opvatting van hare roeping door de politie in dezen zin deze ook zonder art. 1 (resp. art. 1 van 1888 en art. 2 van 1889) zou kunnen handelen als in dit artikel bedoeld wordt. Mogelijk zit dus de kracht van deze artikelen in het woord “bevorderen”, waardoor de Regeering belooft het hare er toe bij te brengen de magistraten voortdurend op hun plicht te wijzen door missives en circulaires.Doch ik loop mijn betoog vooruit door van de taak der politie in dezen te spreken, voordat ik heb nagegaan wat bedoeld kan wezen met de woorden “binnen de wettelijke grenzen”.De Minister van Justitie hechtte in 1891 aan de genoemde woorden dezen zin: “voorzoover de wetten hier te lande ’t toelaten met in achtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” En daarbij wees hij vooral op de wet van 13 Augustus 1849 (Stsbl. 39)tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen.Deze wet regelt de uitzetting van vreemdelingen. Dit geschiedt, zooals wij reeds zagen, òf door den kantonregter òf op ’s konings last. In het eerste geval wegens gemis der vereischten in art. 1 opgegeven, altijd mits de vreemdeling toegelaten en hem een reis- en verblijfpas uitgereikt is. Maar, wanneer er een reden is tot uitzetting, dan moet de overheid ook haar plicht vervullen en mag er niet gewacht worden, totdat de vrouw het zelf verzoekt, of totdat het verzoek komt van de personen, die gezag over haar uitoefenen. En waarom dan de beperking tot de vrouwen, die tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven? Dat is mij niet duidelijk, althans van het standpunt van degenen, die het op grond van art. 1 der vreemdelingenwet toelaatbaar achten, dat eene vreemde prostituée op grond van haar ontuchtig leven niet toegelaten of uitgezet wordt. De Minister van Justitie oordeelde ook aldus in zijne Memorie van Antwoord op de bemerkingen van het voorloopig verslag in zake de verklaring met Duitschland.Bij nauwkeurige bestudeering van deze 3 tractaten kan men niet anders dan tot deze conclusie komen, dat de Regeering gedwaald heeft in deze zaak.Van welk standpunt moeten wij uitgaan?Er moet onderscheid gemaakt worden tusschen:1e.uitleveringd. i. “de overlevering van ter zake van misdrijf vervolgde of veroordeelde personen, door de regeering van den staat, op wiens grondgebied zij zichbevinden aan die van een anderen staat ter berechting en bestraffing” (Van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht, pag. 148). Hierbij heeft overlevering van de eene politie aan de andere plaats. Deze uitlevering is geregeld bij de wet van 6 April 1875 (Stsbl. 66) Hiermee hebben wij bij deze kwestie niets te maken.2º.Uitzetting, d. i. eene wijze van handelen, die plaats heeft op grond van de vreemdelingenwet van 1849. De vreemdeling wordt tot ’s lands grens vervoerd en daar aan zijn lot overgelaten. Dit gaat geheel buiten de politie van het andere land om.3º. Wat ik zou willen noemen “uitleiding”. Onder het gezag van anderen staande vreemdelingen worden op verzoek van hen, die dat gezag uitoefenen, weer teruggevoerd naar hun land en aan de hoede der laatsten toevertrouwd. Degenen, die het gezag uitoefenen, nemen de uitgeleide vreemdelingen zelf over, of als hun lasthebster belast de vreemde politie zich met deze taak. En onze politie: welke rol vervult zij bij de uitleiding? Zij steunt op haar algemeene onbeschreven bevoegdheid om preventief te handelen, met tact en voorzoover zij de wetten en instructies niet overtreedt. Overigens handelt ook zij als lasthebster der ouders, voogden etc.; waarom toch zou zij dit niet doen waar het vreemdelingen geldt, terwijl zij meent wel bevoegd te zijn, waar het verzoek geschiedt door ingezetenen?Hebben wij bij deze verklaringen te doen metuitzettingof metuitleiding? Het is mogelijk, dat in depraktijk wel eens sprake kan zijn van uitzetting, doch dat in generali van eene uitleiding sprake is, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. De terugzending naar het land, van waar de meisjes afkomstig zijn, geschiedt toch op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen. (Doch ook op haar eigen verzoek; dit is dan eene zuivere politiezorg). De uitleiding van minderjarigen, of in generali de terugbezorging van minderjarigen aan hun ouders en voogden, is niet door eene wet geregeld. Zij volgt uit de algemeene beginselen van burgerlijke wetgeving en omtrent de bevoegdheid der politie. Onjuist is dus de uitlegging van de woorden “binnen de wettelijke grenzen” als zouden deze beteekenen “voor zooveel de wetten hier te lande het toelaten met inachtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” Ik acht juister eene negatieve interpretatie: “voor zoover de wetten en instructies het niet verbieden.”Met eene uitzetting volgens de wet van 1849 hebben wij hier dus niet te doen. Omdat de Regeering—ten onrechte—dit wel meende, heeft zij ook slechts de derde verklaring aan de goedkeuring onderworpen van de Staten-Generaal. Zij beschouwde de bestrijding der kosten van de uitleiding in de 2 eerste tractaten uit ’s lands middelen reeds gedekt door wettelijke goedkeuring, daar ’t toch kosten waren, die op de uitzetting van vreemdelingen vielen. Dat bij de verklaring met Duitschland niet volstaan werd met een mededeeling aan de Staten-Generaal vond—aldus sprak de Regeering—zijn reden in het feit, dat ’t land hier wel eensmeerdere kosten zou moeten dragen. In hoeverre dit waar kan zijn, laat ik daar, maar terecht werd in het voorloopig verslag van de 2deKamer opgemerkt, dat dit slechts een kwestie was van meer of minder.Daar hier—zooals ik boven betoogde—de uitleiding met eene uitzetting niets te maken heeft, zoo is het onbetwistbaar, dat zoo er kosten vallen op uitleidingen volgens de 1steen 2deverklaring, deze niet door ’t land zullen gedragen kunnen worden. Met andere woorden: ook deze 2 verklaringen hadden de goedkeuring der Staten-Generaal moeten verwerven op grond van art. 59 tweede lid G. W.Er wordt in de 3 verklaringen resp. in de artt. 1, 1 en 2 gesproken van “vrouwen en meisjes, welke tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven.” De woorden “tegen haar wil” “contre leur volonté” bezorgen velen moeilijkheid. Ook het verslag der Commissie uit de 2deKamer, die den 6enMei rapport uitbracht over de verklaring met België uitgewisseld, gaf eenige op- en aanmerkingen over deze 3 woorden. Zij vroeg uit welke omstandigheden en op welk tijdstip van dit gedwongen worden tegen eigen wil zal moeten blijken. Wie moet omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie beslissen?HetBulletin Continentalvan 15 Jan. 1887 brengt, na alle lof aan de idee toegezwaaid te hebben, ook moeielijkheden aangaande dit punt te berde. “On ne sait pas au juste, ce qu’il faut entendre par ces “filles qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer àla prostitution.” Repatriera-t-on toutes les filles, qui se trouvent dans le besoin et en danger de tomber dans la prostitution où seulement celles, qui ont été attirées hors de leur pays par des moyensfrauduleux, comme le font supposer les mots “contre leur volonté”?In de Memorie van Antwoord zegt de minister bij artikel 2 van de Verklaring met Duitschland. “Wat onder de woorden “contre leur volonté” moet worden verstaan, kan niet volkomen gedefiniëerd worden. In ieder bijzonder geval zal ’t moeten worden beoordeeld.”Bieden deze woorden inwerkelijkheidzoo’n moeilijkheid aan, als deze bezwaren zouden doen vermoeden? Met den Minister ben ik het eens, dat in ieder speciaal geval over het gebrek aan toestemming moet beslist worden. Het intitulé der verklaringen wijst er op, dat hier sprake moet zijn van de vrouwen en meisjes, die de dupe zijn geworden van de handelaars in blanke slavinnen. In dien zin moeten dus ook de woorden “tegen haar wil” verstaan worden. De bezwaren van hetBulletin Continentalzijn dus gemakkelijk op te lossen. Redeneerende volgens den gedachtengang van dit maandblad zoude bijna iedere prostituée zonder uitzondering onder het artikel vallen. Iedere prostituée levert zich in zooverre “tegen haar wil” aan de ontucht over, als zij toch wel zou prefereeren een ander gemakkelijk bestaan, dat haar ook een zekere weelde zou kunnenverschaffen. Neen het komt hier alleen aan op de“moyens frauduleux”. Daar de uitdrukking “tegen haar wil” voor dezen of genen onduidelijk is, ware het beter geweest eene meer duidelijke uitdrukking vande gedachte te kiezen b.v. “tegen haar wil door toedoen van anderen”.Daar de meisjeshandel zich onder zooveel verscheidene omstandigheden voordoet, valt natuurlijk niet a priori aan te geven, uit welke omstandigheden het gedwongen worden zich tegen eigen wil aan de ontucht over te geven kan blijken. En op welk tijdstip moet hiervan blijken, vraagt de commissie van 1887. Mijns inziens moeten de woorden: “vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven” geïnterpreteerd worden op de wijze van het Perfectum van een Grieksch werkwoord. Dus: zij die nu in den toestand verkeeren, dat zij zich tegen haar wil aan de ontucht overgeven, nadat zij in dien toestand door anderen gebracht zijn. Het zich overgeven aan de ontucht tegen haar wil moet dus ook bestaan op het oogenblik van het verzoek hetzij van de vrouw zelf hetzij van de personen, die gezag over haar uitoefenen.In eene circulaire van den Minister van Justitie van den 7denJuli 1892 “houdende voorschriften ter uitvoering van de verklaringen met België, Duitschland en Oostenrijk betreffende den handel in vrouwen en meisjes” wordt blijkbaar dezelfde meening gehuldigd. Het heet daar toch: “Vandaar dan ook dat men allereerst daarop bedacht is geweest om aan die vrouwen en meisjes, welke tegen wil en bedoeling naar elders zijn gebracht enmet het ontuchtig leven willen breken, den terugkeer naar haar land en familie gemakkelijk en mogelijk te maken.”Wie nu moet beslissen omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie, is niet moeilijk aan te geven. Dit is natuurlijk het hoofd der politie; de politie is hier toch alleen werkzaam, binnen haar bevoegdheid speelt zich het geheele bedrijf af. Acht men soms eene beslissing over dit punt door de politie ongewenscht? Ik zou mij niet kunnen voorstellen, welke moeilijkheid er uit zou kunnen voortspruiten. Ja, er is toch iets en daarop heeft het Kamerlid de Beaufort gewezen bij de behandeling van de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland. Het meisje kan doen voorkomen, alsof zij tegen haar wil door toedoen van anderen een ontuchtig leven leidt om zoodoende kosteloos naar haar vaderland teruggebracht te worden. Dit is voorzeker een te vreezen misbruik, waartegen evenwel door een nauwkeurig onderzoek zooveel mogelijk gewaakt kan worden.De terugzending kan geschieden op verzoek der personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Uit de andere bepalingen blijkt dat men hier ook ’t oog heeft op de getrouwde vrouw, als staande onder het gezag van den man. Met een der sprekers in de 2deKamer betwijfelende of een dergelijk geval zich wel dikwijls zal voordoen, meen ik overigens, dat de man niet een dergelijk gezag over zijn vrouw heeft als de ouders over hun kinderen, zoodat het onmogelijk is dat de politie zou kunnen optreden als lasthebster van den man om zijne vrouw terug te bezorgen, daar de man zelf de bevoegdheid mist de vrouw met dwang tot zich te brengen.De vrouw of het meisje zal in de richting van het land, waartoe zij behoort teruggezonden worden.De bewoordingen in de 3 verklaringen variëeren; de bedoeling komt evenwel hierop neer, dat zij tot de grens van het land gebracht wordt.Ons de maatregel der terugzending zoo effectief mogelijk te maken dienen de bepalingen 2, 4, 4 uit de 3 internationale schikkingen. Zij schrijven voor, dat, voor dat tot de uitleiding overgegaan wordt, een kennisgeving gericht moet worden aan de personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Deze kennisgeving moet vermelden den dag waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats waarheen de opzending zal plaats hebben. Art. 4 van de verklaring met Duitschland schrijft voor dat dit geschieden moet door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de vrouw behoort. Mij is niet duidelijk, waartoe deze administratieve omslachtigheid noodig is, althans waarom zij dringend voorgeschreven is. Men had dit aan ’t oordeel van de met de terugzending belaste overheid kunnen overlaten.De man kan dus de terugzending zijner vrouw niet verlangen, wanneer zij er zich tegen verzet2; eene kennisgeving is hier niet noodig. Wel, natuurlijk, wanneer de getrouwde vrouw zelf hare uitleiding verzoekt.In de reeds geciteerde circulaire van 1892 gaat deMinister in verhaaltrant deze 2 artikelen, welke de 3 verklaringen gemeen hebben, door; de Minister vermeldt daar dus geen nieuws. Verder geeft hij eenige voorschriften aangaande de bestrijding der kosten van vervoer. Wel dien ik nog naar aanleiding van art. 1 der verklaring met Oostenrijk op te merken, dat het volgens ’s Ministers oordeel wenschelijk is met ’t oog op deverrekeningvan kosten zooveel mogelijk de afhaling van Oostenrijksche en Hongaarsche vrouwen hier te lande, althans aan de Nederlandsch-Duitsche grens, te verzekeren, daar de terugzending van die vrouwen en meisjes over Duitsch grondgebied moet geschieden en dit transit niet is geregeld. Nederlandsche vrouwen en meisjes moeten aan de Oostenrijksch-Duitsche of Oostenrijksch-Zwitsersche grens door Nederlandsche beambten overgenomen worden, indien zij niet hierheen gebracht worden.De bespreking van de verklaring met België uitgewisseld is hiermede afgesloten. We komen nu tot art. 2 der Oostenrijksche verklaring, dat overeenkomt met art. 3 van die met Duitschland uitgewisseld. Deze artikelen hooren niet thuis in deze verklaringen, waarvan het intitulé en de considerans ten duidelijkste aanwijzen, dat zij slechts het nemen van maatregelen beoogen om den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan.Ook volgens haar statutum personale minderjarige vreemdelingen, die zich vrijwillig aan de ontucht overgeven, worden op verzoek hunner ouders of voogden teruggezonden. Ad art. 3 zegt de Memorie van Antwoordvan de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland: “Het is zeer zeker de taak der politie om wanneer haar daartoe door ouders of voogden het verzoek wordt gedaan de behulpzame hand te bieden tot het weder in hunne macht brengen van die minderjarigen. Waar zulks in het belang der minderjarigen wordt geacht, wordt hier te lande steeds in dien geest gehandeld en bestaat er geen reden waarom dezelfde gedragslijn niet tegenover vreemdelingen zoude worden gevolgd.”De voorschriften omtrent vervoer en bestrijding van kosten met ’t oog op de meisjes, die slachtoffers zijn van dezen handel, zijn ook toepasselijk bij de meisjes, die zich vrijwillig prostitueeren. Dit wordt uitdrukkelijk in de circulaire te kennen gegeven.In deze kennisgeving zegt de Minister verder: “Bij de overweging van de vraag of aan een verzoek om terugzending zal worden gevolg gegeven—hetwelk steeds zal behooren te geschieden indien de betrokken persoon verkeert in een geval, als in de toepasselijke verklaring bedoeld, en geen wettelijk voorschrift of rechterlijk bevel zich daartegen verzet—mag in geen geval rekening gehouden worden met aanspraken van derden op de vrouw of het meisje ten gevolge van betrekkingen uit ontucht voortvloeiende. De verklaring met Oostenrijk-Hongarije zegt dit ten overvloede uitdrukkelijk.” Dit heeft plaats in art. 3.Zooals de Minister terecht verklaart, zegt de verklaring met Oostenrijk-Hongarije dit “ten overvloede.” Art. 1371 jo. 1373 Burgerlijk Wetboek verbiedt toch iedereovereenkomst, waarvan de oorzaak bij de wet verboden is, of strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.Een meisje kan dus niet teruggehouden worden, omdat de bordeelhouder een paar dagen te voren een paar honderd gulden voor haar aan een placeur gegeven heeft en hij deze op de debetzijde van het meisje geplaatst heeft. Voor dergelijke schulden kan niet een quasi-hypotheek (zooals Yves Guyot het uitdrukt) op het meisje gevestigd blijven. Wat andere schulden betreft, als de voorgeschoten waarde van kleedingstukken en toiletartikelen, zoo zal de bordeelhouder zich tot den rechter kunnen wenden, indien hij voldoening daarvan wenscht. Het rechterlijk vonnis zal dan beslissen in hoeverre uitleiding niet geoorloofd zal zijn.3De artt. 5, 6 en 7 uit de verklaring met Duitschland zijn bepalingen, die niet voorkomen in de andere 2 internationale schikkingen.De briefwisseling betrekkelijk de terugzending, het gevolg zijnde van de kennisgeving in art. 4 bedoeld, wordt volgens art. 5 tusschen de overheden der beide landen rechtstreeks gevoerd.Art. 6 geeft regelen aangaande de kosten van onderhoud en vervoer tot aan de grens. Zoo deze niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelve, noch door haar echtgenooten, ouders of voogden, wordenze door den Staat gedragen, die de terugzending heeft bewerkstelligd. Hetzelfde zal toepasselijk zijn bij de terugzending van Belgische en Oostenrijksche of Hongaarsche meisjes. In het Voorloopig Verslag werd de vrees uitgesproken, dat zware kosten op Nederland zouden drukken, naar evenredigheid veel meer dan op Duitschland. In zijn Memorie antwoordde de minister, dat de kosten toch betrekkelijk gering zouden zijn. Tijdens de onderhandelingen, die met den meesten spoed plaats moeten hebben, zullen de vrouwen in een passantenhuis of in een huis van bewaring worden opgenomen. Zij vallen toch onder de in art. 33ovan de Gestichtenwet van 3 Jan. 1884 (S. 3) genoemde »andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen”. Het vervoer op de spoorwegen, voor zoover het onder geleide plaats heeft, geschiedt kosteloos en wat de hoogere kosten aangaat die Nederland moet dragen in vergelijking met Duitschland, zoo wordt daarentegen ons land,—aldus zegt de minister—gezuiverd van personen, die er slechts ellende en verderf verspreiden.Art. 7 handelt over de bekrachtiging en de spoedige uitwisseling der akten van bekrachtiging te ’s Hage.We zijn nu zoover gekomen, dat we weten, hoe de verschillende Regeeringen, boven genoemd, verklaren te zullen handelen om de misleide vrouwen te redden.Maar daarmede zijn we werkelijk niet ver, want hoe komt men te weten, dat er meisjes en vrouwen zijn, die aldus door drang zich aan de prostitutie overgeven? Ware dit duidelijk aangegeven, we zouden werkelijk een schrede verder zijn op het goede pad. Doch dit isen blijft altijd de groote moeilijkheid. Meer dan eens heb ik er op gewezen, op welke geheimzinnige wijzen de handelaars in blanke slavinnen te werk gaan.Er bestaat eene missive van den Minister van Justitie Godefroi dd. 7 Juni 1860 no. 162 houdende bepalingen ter voorkoming en voorziening, dat vrouwen in de huizen van ontucht, alwaar zij zich bevinden, tegen haar verlangen worden teruggehouden. Deze missive vaardigde de Minister uit naar aanleiding van een geval, dat een meisje in een bordeel als ’t ware gevangen gehouden werd. De Minister wijst op de bevoegdheid van den burgemeester, die dezen door art. 188 Gemeentewet verleent wordt. Aangaande te nemen maatregelen raadt hij overleg aan met de procureur-generaals en de officieren van justitie. Hoewel de Minister zelf geen middelen wil aangeven, acht hij toch ’t onverwacht bezoeken van bordeelen door vertrouwde politiebeambten zeer doeltreffend. Een andere maatregel zou hierin kunnen bestaan, dat de vrouwen in de bedoelde huizen inwonende onderricht werden van de bevoegdheid, die zij hebben, die huizen desverlangende te verlaten.Deze maatregelen worden dan ook wel genomen in gemeenten, waar bordeelen bestaan, hetzij al dan niet gereglementeerd. De Amsterdamsche politie had de gewoonte bussen te plaatsen in die huizen, waarin de prostituées brieven konden werpen; de politie ledigde die bussen zelf.Verder biedt art. 452 Wetboek van Strafrecht, dat ik hierboven besprak, gelegenheid werkzaam te zijnom op de hoogte te komen van de gevallen van gedwongen prostitutie.Juist de wenschelijkheid om allereerst op ’t spoor te geraken van deze gevallen was de opname van art. 1 in de verklaring met Duitschland op speciaal verlangen der Duitsche regeering. Zooveel mogelijk moet bevorderd worden binnen de wettelijke grenzen, dat de bedoelde meisjes aan een verhoor worden onderworpen ten einde te doen blijken van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten. Hieromtrent zegt de Memorie van Antwoord, dat dit artikel natuurlijk geen verplichting oplegt om bedoelde vrouwen en meisjes tot een verhoor te dwingen buiten de wet om. Eigenlijk beteekent dus dit eerste lid van art. 1 niet veel. In sommige gevallen biedt onze wetgeving gelegenheid om een dergelijk verhoor af te nemen (ik gaf ze zoo even aan) doch van een verplichting aan de meisjes opgelegd is in onze wetgeving niets te bespeuren. “Binnen de wettelijke grenzen” wil m.i. zeggen: voorzoover de wet zoodanig verhoor toelaat, dat is niet verbiedt; volstrekt niet; voorzoover de wet zoodanig verhoor “voorschrijft”. (Memorie van Antwoord).De minister zegt ook: “Intusschen behoeft men zich geenszins te beperken tot vrouwen in bordeelen.” Dit is werkelijk gemakkelijk gezegd. De praktijk en de wet leeren evenwel anders. De moeilijkheid om aan te toonen, dat eene vrouw zich buiten een bordeel aan prostitutie overgeeft is zeer groot en bovendien zijn de weinige middelen, die gelegenheid geven zich prostituëerendevrouwen een verhoor te doen ondergaan beperkt tot de prostituées in bordeelen.En daar waar de bordeelen bij politieverordeningen in ons land verboden zijn, is de toepassing van het geheele artikel onmogelijk. Zoo b. v. in Amsterdam sedert de strafbaarstelling van het houden van bordeelen bij politieverordening van 1897.Hoe groot de practische bezwaren en moeielijkheden zijn om ten opzichte van prostituées in bordeelen achter de waarheid te komen, zal de politie zelf het beste kunnen getuigen.Het 2de lid van art. 1 van de verklaring met Duitschland bepaalt, dat de processen-verbaal der genomen verhooren moeten worden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.Naar aanleiding van klachten, door de Duitsche regeering geuit, over de niet zeer nauwkeurige invulling van deze processen-verbaal, bestaat een circulaire van den Minister van Justitie dd. 19 Aug. 1896 no. 314, “betreffend nauwkeurige invulling van de geboorteplaats in processen-verbaal van verhoor van Duitsche prostituées”.Hier en daar bij de bespreking der 3 verklaringen heb ik reeds eenige indrukken weergegeven, waartoe de verschillende artikelen mij aanleiding gaven. Wat is nu de indruk van het geheel? Met niet genoeg ernst zijn de belangen behartigd van de vrouwen en meisjes, die dupe zijn der bedriegelijke handelingen van placeurs en bordeelhouders. Men heeft meer gedacht aan eene beschermingvan minderjarigen, dan het opschrift der verklaringen het recht zou geven te vermoeden. Daarvan getuigen reeds de artt. 2 en 3 respectievelijk uit de verklaringen met Oostenrijk-Hongarije en Duitschland.En als men ook aan meerderjarigen (de getrouwde vrouwen buiten bespreking gelaten) heeft gedacht, dan is ’t bepaald eene ironie te vernemen, dat zij zelf hare terugzending moeten verlangen aan de overheid. Ja, wanneer zij eenmaal daartoe in staat zijn dan is het ergste reeds geleden; in de 99 van de 100 gevallen zal der overheid een dergelijk verzoek niet ter oore komen.Er moet aan den anderen kant wel bedacht worden, dat we ons op een terrein bevinden, dat zich pas in een begin van exploitatie bevindt. Hoe meer men er mee vertrouwd geraakt, des te beter zullen de maatregelen zijn, die getroffen worden. Buitendien hebben we te doen met verklaringen; deze kunnen uit den aard der zaak nieuwe onderwerpen slechts gebrekkig regelen.Deze verklaringen strekken dus ook om beschermende maatregelen te nemen ten opzichte van de Nederlandsche meisjes en vrouwen, die naar België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland geëxporteerd zijn. Zijn nu de vrouwen, die naar andere landen vervoerd zijn, geheel van bescherming verstoken? Dit behoeft niet zoo te wezen. Tot de vertegenwoordigers der Nederlandsche Regeering kunnen zij of derden zich wenden met een verzoek om hulp en steun. Ik heb hier vooral het oog op de consulaire ambtenaren. De plichten van deze zijn toch niet alleen tot handelsaangelegenheden beperkt. Zij hebbenhun “goeden raad en bijstand te verleenen aan alle Nederlanders en onderdanen van Nederlandsch-Indië, die deze inroepen.” (Algemeene voorschriften voor de Nederlandsche consulaire ambtenaren door den Minister van Buitenlandsche Zaken L. Gericke.) Mochten Nederlandsche of Nederl.-Indische onderdanen in hunne personen of goederen bedreigd worden, dan hebben de consulaire ambtenaren deze in hun goed recht en de voorrechten hun bij de verdragen verzekerd te handhaven, zij moeten vooral onderstand verleenen aan hen, die door omstandigheden geheel buiten hun toedoen in nood geraakt zijn. (id.) Het consulair reglement van 27 Juni 1874 bepaalt, dat de behoeftigen op de minst kostbare wijze naar het land teruggezonden moeten worden. (art. 24).We zien dus dat de consulaire ambtenaren op velerlei wijze in de goede richting werkzaam kunnen zijn ter bestrijding van dit maatschappelijk euvel, ter bescherming van de slachtoffers daarvan, doch ook ter voorkoming, dat de plannen der handelaars verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Zij kunnen toch bekend maken, dat er zich handelaars van elders naar ons land begeven om op roof uit te gaan. Deze bekendmaking moet uitgaan van het Departement van Buitenlandsche Zaken waaraan deze mededeelingen gericht kunnen worden.Vele consuls hebben het goede voor, en zij, die er niet op bedacht zijn, kunnen de noodige aanschrijvingen in dezen geest van de Regeering ontvangen. Bij slotsom hangt alles af van den goeden wil van het Departement van Buitenlandsche Zaken. Dat deze goede wil in dit opzicht nimmer moge ontbreken is mijn welgemeendewensch! ’t Is duidelijk, wanneer de drang niet van boven uitgaat, geeft de werkzaamheid der consulaire ambtenaren ten slotte niets; en hunne pogingen op den duur zonder goeden uitslag bekroond ziende, zullen er allicht zijn, die ten slotte hunne moeite om op allerlei wijzen den blanke slavinnenhandel tegen te gaan zullen opgeven.Een zware last drukt verder op de niet-gesalariëerde consuls, wanneer zij hulp moeten bieden met geldelijke steun aan de behoeftige en verlaten meisjes, die zij uit de handen der placeurs en bordeelhouders hebben kunnen redden.Van de diplomatieke vertegenwoordigers, gezanten en anderen kan ook zeer veel heil verwacht worden; als mogelijke tusschenpersonen tusschen de consulaire ambtenaren en het ministerie van buitenlandsche zaken behooren zij het goede voor te staan en met allen aandrang te wijzen op den deerniswaardigen toestand, waarin Hollandsche meisjes zich in den vreemde bevinden. Van de détails, waarmee zij uit den aard der zaak niet zoo licht bekend raken, moeten de consuls en anderen hen op de hoogte brengen.’t Zij nogmaals herhaald: ook in deze kwestie kan en moet “Buitenlandsche Zaken” met kracht en ijver werkzaam zijn, opdat door zijne medewerking de handel in blanke slavinnen niet spoedig tot het verleden zal behooren—want dit zal steeds tot de pia vota blijven behooren—maar opdat hij althans wat den omvang zijner gevolgen betreft zooveel mogelijk beperkt worde.§ 4. Wetgeving betreffende de ouderlijke macht.Het ligt in den aard der zaak, dat het bedrijf van den placeur zich zooveel mogelijk bepaalt tot het aanwerven van jeugdige vrouwen, die door haar frischheid en maagdelijkheid het uitzicht openen op ruime verdiensten. Vele van dezen bevinden zich dan ook nog onder het gezag van anderen, ouders of voogden. De twee uiterste mogelijkheden vragen hier onze aandacht niet. Ten eerste, dat het meisje tegen den wil harer ouders of voogden onttrokken wordt aan de macht van dezen; een feit, waartegen vele strafwetten reeds voorzien. Ten tweede, dat het juist de werkzaamheid der ouders is, die het jonge meisje aan den placeur overlevert. Ook in dit geval voorzien de meeste strafwetten. Het meest voorkomende euvel ligt hiertusschen: ouders of voogden zijn onverschillig, het lot van het meisje boezemt hun geen belang in; zij dragen schuld of mogelijkerwijze is de treurige opvoeding en zorg—hierop komt ’t toch aan—in ’t geheel niet aan eenige schuld hunnerzijds te wijten. In ’t kort: zij verrichten of verzuimen niets, waardoor zij onder ’t bereik der strafwet zouden kunnen vallen.Bij de bespreking van de oorzaken van dezen handel wees ik er reeds op, dat veel wat aan de zijde der vrouw als oorzaak, direct of indirect, van den meisjeshandel kan aangemerkt worden, zijn reden vindt in gebrekkige opvoeding of verwaarloozing. Wanneer wij deze oorzaken kunnen voorkomen en opheffen doorontzetting uit de ouderlijke macht of voogdij4dan hebben we te doen met eenpreventief middelter bestrijding van den meisjeshandel. Hierop wil ik toch drukken, opdat er toch geen verschil van opinie ontsta omtrent de grenzen van hetgeen ik mij hier voorstel in ’t kort te behandelen. ’t Is de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht als preventieve zorg. Ik laat buiten bespreking de ontzetting als bijkomende straf na ’t begaan van een strafbaar feit, zooals in vele wetgevingen geschiedt.Hierheeft de ontzetting een ander karakter, en wel die van repressie als straf voor de ouders,daaris de ontzetting een louter beschermende maatregel voor de kinderen. Als straf kan zij ook wel preventief werken en wel b. v. na ’t ondergaan van den straftijd, doch het is meestal voor een beperkten duur, zich slechts tot enkele gevallen uitstrekkende.Ik heb hier dus ’t oog op de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht.Het Nederlandsche Burgerlijke Wetboek kent de ontzetting uit de ouderlijke macht niet. De ontzetting uit de vaderlijke macht bestaat slechts als bijkomende straf (art. 9b1º joart. 285ºWetboek van Strafrecht) in de bij de wet bepaalde gevallen door den strafrechter uit te spreken en gedurende een duur, waarvan de wet het maximum vaststelt (art. 30, 31 Strafrecht). Volgens art. 30 kanontzetting worden uitgesproken bij veroordeeling der ouders, die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf deelnemen en die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige eenig misdrijf plegen omschreven in de Titels XIII XIV XV, XVIII XIX en XX van het 2eBoek. Verder kan het nog plaats hebben in de gevallen, die in het 2eBoek speciaal voorkomen.Het is duidelijk, dat voorzoover men van een regeling van de ontzetting uit de vaderlijke macht kan spreken deze zeer gebrekkig en onvolledig is.De behoefte aan voorziening in de mogelijkheid, dat ouders ook van hun gezag zouden kunnen worden ontzet, zonder dat dit juist behoefde verbonden te zijn aan eene strafrechtelijke veroordeeling heeft zich reeds lang doen gevoelen en een ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht en de voogdij, aangeboden door Minister Cort van der Linden bij de Tweede Kamer bij Koninklijke Boodschap van 13 Mei 18985, heeft zich dan ook dit onderwerp aangetrokken.Hoe de burgerrechtelijke ontzetting in het ontwerp geregeld is, zal ik hier bespreken.Over de ontzetting, de procedure, het herstel, en de taak van den voogdijraad wordt gehandeld in de Tweede afdeeling A “van de ontheffing en ontzettingvan het ouderlijk gezag” uitmakende de artt. 374atot en met art. 374l. Verder verdient de aandacht art. 413 derde lid.Het geheele ontwerp berust meer op het grondbeginsel, dat het ouderlijk gezag is een uitvloeisel van de plicht der ouders voor zoover het in hun macht staat hun kinderen te onderhouden en op te voeden, terwijl daaraan natuurlijk onafscheidelijke rechten verbonden zijn ter behoorlijke vervulling van die plicht, dan van het principe als zou het ouderlijk gezag nog op hetzelfde beginsel steunen, waarvan de Romeinsch-rechtelijke patria potestas een gevolg is. Neen, de bescherming der minderjarige staat op den voorgrond. Er moet gewaakt worden tegen verkeerde leiding en verwaarloozing van hun opvoeding. Dit is bij herhaling in de Memorie van Toelichting te lezen. Daarom moeten beschermd worden die kinderen, die door schuld hunner natuurlijke verzorgers, dreigen onder te gaan, doch ook zij, tot wier opvoeding de ouders buiten hun schuld onbekwaam en ongeschikt zijn en zij die verlaten rondzwerven, zonder dat van het bestaan of van het verblijf van den vader en de moeder of van eenige voogdij blijkt. Duidelijk is dat in al deze gevallen het verwaarloosde of verlaten meisje gemakkelijk in handen kan vallen van individuen, die haar ten eigen voordeele ten val willen brengen. Daarom zal dit ontwerp, wanneer het eenmaal wet zal geworden zijn, er veel toe bijdragen, om jonge meisjes te redden uit de handen van placeurs en koppelaars. In art. 374aworden de beide rechtsmiddelen aangegeven, die een einde makenaan de rechten en verplichtingen van de ouderlijke macht.Artikel 274aeerste lid bepaalt, dat ontheffing van de ouderlijke macht over een, meer of alle kinderen kan verleend worden op eigen verzoek, op grond, dat de verzoeker ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Maar het belang der kinderen mag zich niet uit anderen hoofde tegen die ontheffing verzetten.De ontzetting regelt het 2delid. De ontzetting van ieder der ouders kan op verzoek der in dit lid genoemde personen plaats hebben op grond van:1º. misbruik van het ouderlijk gezag of verwaarloozing van de verplichting tot onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen.2º. slecht levensgedrag.3º. onherroepelijke veroordeeling wegens het opzettelijk deelnemen aan eenig misdrijf met een aan zijn gezag onderworpen minderjarige.4º. onherroepelijke veroordeeling wegens het plegen van eenig misdrijf omschreven in de titels 1, 2, 3 en 4, de artikelen 140 eerste lid, en 172, in de titels 13, 14, 15, 18, 19 en 20 en in de artt. 381–385 van het 2deBoek van het Wetboek van Strafrecht.5º. tweede of verdere onherroepelijke veroordeeling wegens eenig misdrijf.Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.De Memorie van Toelichting zegt aangaande de ontheffing en de ontzetting: “De ontzetting berust ophet moedwillig plicht verzuim of onwaardigheid, de ontheffing op het voor den rechter juist gebleken eigen oordeel der ouders, dat het belang van hun kind medebrengt, dat een ander zich met de taak der opvoeding belast.” Doch in het laatste geval worde wel ingezien, dat het belang van het kind moet vóórstaan; is dit niet zoo, dan zal de rechter de ontheffing niet verleenen. Bij ontzetting is de reden om aan de rechten en verplichtingen van het ouderlijk gezag een einde te maken gelegen òf in een feit, dat strafrechtelijk den dader toerekenbaar is òf in een feit, dat dit niet is, maar dat toch aan schuld te wijten is. Bij ontheffing treedt de beschermingsmaatregel voor het kind nog in een duidelijker licht, daar alsdan zelfs geen sprake is van schuld aan de zijde der ouders. In de Memorie van Toelichting heet het: “Het instituut der ontheffing, dat de Staatscommissie niet kent, zal, naar de ondergeteekende vertrouwt er toe bijdragen, dat vele ongelukkigen in hun jeugd niet van die zorgen verstoken blijven, die zij zoo noode missen en waardoor zij voor moreelen ondergang behoed nuttige leden kunnen worden der maatschappij.”Als preventieve maatregel tegen den handel in blanke slavinnen treedt vooral op den voorgrond de ontzetting op grond van verwaarloozing en slecht levensgedrag, waardoor het kind moreel ten onder gaat, waardoor wellicht het verlangen gewekt wordt zoo spoedig mogelijk het ouderlijk huis te ontvluchten en elders in zijn onderhoud te gaan voorzien; verder op grond van een der veroordeelingen in de drie laatste no’s,waarvan het gevolg is geheel gebrek aan opvoeding of geheele of gedeeltelijke verwaarloozing.Doch hoe doen zich omstandigheden dikwijls voor?De val van het meisje—ik wees er in het begin van dit proefschrift reeds meermalen op en gaf daarvan ook voorbeelden—is dikwijls ook eenigszins aan eigen schuld toe te schrijven, groote onverschilligheid zoowel van de zijde van het meisje als van die harer ouders. Van de zijde van het meisje als gevolg van hare onervarenheid valt ze wellicht nog door de vingers te zien, maar van de zijde der ouders is dit geenszins het geval.Door eenige meerdere oplettendheid en zorg van hun kant zou de val van het meisje wellicht nog voorkomen kunnen zijn. Doch de ouders zijn blijde, als het groote gezin weer met een lid verminderd wordt; de eerste de beste gelegenheid wordt aangegrepen om dit te bewerkstelligen. ’t Is eene afkeurenswaardige onverschilligheid, die zich ook wel in andere opzichten zal openbaren of geopenbaard hebben.Voorziet het ontwerp ook in deze gevallen?Kan een dergelijke meermalen geopenbaarde onverschilligheid, die zulke verderfelijke gevolgen na zich kan sleepen, onderverwaarloozing van de verplichting, tot onderhoud en opvoedinggerangschikt worden? ’t Is in ieder geval te loven, dat de Minister in stede vanverregaande verwaarloozing, zooals de staatscommissie dat voorstelde, eenvoudigverwaarloozingheeft opgenomen en wel om den rechter bij de appreciatie der feiten zoo weinig mogelijk te binden. Mijn inziens belet de etymologische beteekenis van het woord enhet begripverwaarloozenniet, dat daaronder ook een dergelijke grove onverschilligheid omtrent de toekomst van de minderjarige valt. Aldus kan de rechter, wanneer zich een dergelijk geval voordoet, al is de maatregel dan voor het meisje, te wier opzichte ze plaats gehad heeft, te laat genomen, toch nog ontzetting uitspreken, hetgeen van belang is voor de toekomst der andere meisjes.Voor eene andere categorie van kinderen, en wel de verlatenen, die geen tehuis hebben, baant het ontwerp ook een weg om in staat te zijn van hen nog goede staatsburgers te vormen. Ik wil nu niet beweren, dat deze rubriek van verwaarloosden een groot contingent oplevert om de rij der blanke slavinnen te vullen, maar toch zijn ook deze meisjes bij uitstek geschikt om zich in de netten der placeurs te laten vangen, voorzoover ze nog niet vrijwilligprostituéesgeworden zijn.In deze gevallen voorziet art. 413 derde lid van het ontwerp. Indien het bestaan of het verblijf van den vader of de moeder onbekend is, wordt door den Kantonrechter een voogd benoemd. Gedurende deze voogdij is de uitoefening van de ouderlijke macht geschorst.1Velen onder hen vallen het artikel scherp aan o.a. op dezen evenzeer merkwaardigen als onjuisten grond als zouden de bordeelen door dit artikel een soort wettelijke sanctie verkregen hebben.2Hier moet onderscheiden worden: dit verzet zal b.v. plaats hebben omdat de vrouw niet meer naar haren man terug wil; niet omdat zij in haar leven van ontucht wil blijven, want dan ontbreekt het vereischte voor de uitleiding dat zij tegen haar wil een ontuchtig leven leidt.3Zie art. 17 van het door de wet van den 31 December 1897 (Stbl. no. 275) goedgekeurd op 14 Nov. 1896 te ’s Hage gesloten verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende.4Gemakshalve en ter bekorting zal ik in de volgende bladzijden in hoofdzaak spreken van de ouderlijke macht.5Te vergelijken met het wetsontwerp over hetzelfde onderwerp, ingediend door Minister van der Kaay, doch bij verwisseling van Ministerie met Koninklijke machtiging ingetrokken, voordat het in de afdeelingen der Tweede Kamer was onderzocht.

§ 1. Wetboek van Strafrecht.Den 1stenSeptember 1886 trad onze nationale strafwetgeving in werking. Vóórdien gold nog steeds de Fransche Code Pénal, zooals deze in den loop der jaren gewijzigd en aangevuld was. De 2detitel van dit wetboek, “Misdaden en wanbedrijven tegen bijzondere personen”, bevatte in zijn 4deafdeeling “Aantasting der zeden” art. 334, dat een strafbepaling inhield tegen de koppelarij. Art. 335 stelde eenige bijkomende straffen vast.Art. 334aluidde:Quiconque aura attenté aux mœurs en excitant, favorisant et facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse de l’un ou de l’autre sexe au dessous de l’age de vingt-un ans, sera puni etc.Alwie zich feitelijk tegen de zeden vergrepen zal hebben met zijn werk te maken om de ongebondenheid of onzedelijkheid (débauche) of de verleiding van jonge lieden beneden den ouderdom van 21 jaren van de een of andere kunne op te wekken, te bevorderen of behulpzaam te zijn, zal gestraft worden etc.Bij de behandeling van het Fransche recht hierachter zullen wij gewaarworden, dat dit Code-artikel niet aan de behoeften voldeed. Het straft het eenvoudige lenocinium en kan dus niet dienstbaar gemaakt worden om den placeur te treffen, die uit den aard der zaak in de meeste gevallen slechts zijne medewerking verleent; of hij als medeplichtige zou kunnen getroffen worden, is in ieder geval afzonderlijk te beslissen.Het nu vigeerend artikel, dat de koppelarij strafbaar stelt, art. 250 Sw., luidt:Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:1º met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren, de vader, moeder, voogd of toeziende voogd, die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;2º met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren, ieder ander, die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde een gewoonte maakt.De Memorie van Toelichting begint met de woorden: “Het lenocinium is strafbaar, indien blijkt dat iemand òf uit winstbejag òf als gewoonte personen jonger dan 21 jaren tot ontucht met anderen aanzet.” Hieruit volgt, dat de daad van den handelaar in blanke slavinnen, die toch slechts medeplichtigheid aan het lenocinium kan wezen, niet het feit is, dat art. 250 bedoelt te straffen.Dit blijkt ook daaruit dat, terwijl de daad van denplaceur reeds afgesloten is, vóordat het plegen van de ontucht heeft plaats gehad, art. 2502ºevenals de koppelarij artikelen in andere wetgevingen voor het voltooide misdrijf vordert, dat de ontucht teweeggebracht of bevorderd moet zijn. Een bijkomende voorwaarde van straf waardigheid, als deze omstandigheid zou daarstellen, mogen we niet vorderen voor de bestraffing van eene daad van handel in vrouwen en meisjes. Bovendien is de minderjarige, bij wien de ontucht opgewekt of bevorderd wordt, op de hoogte van de dingen, die gebeuren zullen. Dit althans veronderstelt het begrip koppelarij, al staat het niet met zooveel woorden in het artikel.Art. 250 2º., dat de eigenlijke koppelarij daarstelt, is ruimer gesteld dan het overeenkomstige art. 334avan den Code, in zooverre als de gewoonte niet een noodzakelijk bestanddeel vormt, mits dan het winstbejag bewezen is. Wat den leeftijd van 23 jaar aangaat, zoo is het een vereischte, dat de dader bij het plegen daarvan kennis droeg. Dit volgt uit de plaatsing van het woord opzettelijk en dit is dan ook meer dan eens in dezen zin door den Hoogen Raad beslist. Juist dit punt maakt de mogelijkheid eener bestraffing van den placeur als medeplichtige van den koppelaar nog geringer, daar toch uit de beginselen der medeplichtigheid volgt, dat het opzet van de medeplichtige op de door de wet gestelde bestanddeelen van het misdrijf van den dader gericht mocht zijn; hij moet dus òf zijn opzet richten daarop, dat de dader uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarigemet een derde teweegbrengt of bevordert, òf dat de dader van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt. De wetenschap van de minderjarigheid zal bij den placeur hoogst moeilijk bewezen kunnen worden; het zal gemakkelijker gaan, indien het bewijs geleverd is, dat hij opzettelijk valsche legitimatiepapieren aan den bordeelhouder verschaft heeft. Wanneer de vrouw klaarblijkelijk zeer jeugdig er uit ziet, kan de leer van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn toepassing vinden. De placeur etc. kan slechts dan onder het bereik van art. 250 2º vallen, indien hij onder valsche voorspiegelingen een meisje, van wie hij de minderjarigheid kent, aan een derde verkoopt van wien hij weet, dat deze uit winstbejag de ontucht van haar met een ander zal teweegbrengen of bevorderen.Nu moet verder de vraag gesteld worden in hoeverre de placeur etc. medeplichtig kan zijn aan het feit, dat iemand van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt.Wat beteekent art. 250 2º in fine?Is de dader strafbaar, indien hij van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van de ontucht door eenenkeleminderjarige met een derde een gewoonte maakt? Of is hij het pas, àls hij er een gewoonte van maakt opzettelijk de ontucht vanminderjarigenmet derden teweeg te brengen of te bevorderen, zoodat in dit geval het aantal keeren, dat bij een dier minderjarigen de ontucht teweeggebracht of bevorderd is, niet op eengewoonte behoeven te wijzen. Moet dus het aantal der minderjarigen kunnen wijzen op eene gewoonte in tegenstelling met het eerste geval, waarbij ’t het aantal malen is, dat ten opzichte van een minderjarige het teweeg brengen of bevorderen der ontucht plaats heeft? Dit is niet erg duidelijk en hoe ’t wezen moet blijkt ook niet uit hetgeen bij de tot standkoming der wet heeft plaats gehad. Het is toch van belang deze kwestie op te lossen. Het O. R. O. luidde: “... of die van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht doorzoodanige personenmet derden eene gewoonte maakt”. “Zoodanige personen” sloeg op het voorafgaande “persoon beneden den leeftijd van 21 jaar”, doch toen dit daarna in “minderjarige” veranderd werd had deze verandering ook plaats bij het daarop volgende; evenwel werd zonder reden het meervoud door het enkelvoud vervangen.Ik meen op grond van het feit, dat tijdens de totstandkoming van het artikel op dit punt de aandacht niet gevestigd is, de heerschende practijk onder vigeur van art. 334 C. P., die niet alleenpluralité de victimes, maar ookpluralité de faitsten opzichte van éen persoon, zoodat de herhaling eene gewoonte opleverde, toestond, bij de behandeling van het artikel geen tegenspraak ondervond, tot ’t besluit te mogen komen, dat ook nu zoowel de herhaling met betrekking tot meerdere personen als de herhaling met betrekking tot handelingen ten opzichte van éen persoon, welke een gewoonte oplevert, binnen de strafbepaling vallen.Met betrekking tot de medeplichtigheid valt dit opte merken, hetgeen uit de medeplichtigheidsleer volgt: in het laatste geval,pluralité de faitsbij een persoon kan de meisjeshandelaar niet als medeplichtige van den koppelaar vervolgd worden. In het eerste geval, bijpluralité de victimes, kan hij slechts dan vervolgd worden, indien hij een minimum aantal medeplichtigheidshandelingen begaat ten opzichte van de handelingen van den hoofddader, welke beiden eene gewoonte moeten opleveren.De makelaar in meisjes, die geregeld aan eenzelfden bordeelhouder verkoopt, is dus strafbaar, maar hij, die aan alle mogelijke bordeelhouders slechts nu en dan meisjes afstaat, valt buiten het bereik onzer strafwet. Verder natuurlijk degene, die slechts éen of enkele daden van blanke slavinnenhandel verricht.Afzonderlijke bespreking vereischt nog het geval dat de makelaar in meisjes zonder opdracht handelt van een bordeelhouder, doch als ’t ware ze op eigen risico aanwerft. Hier hangt de beantwoording der vraag, of hij naar bovengemelde regels als medeplichtige gestraft kan worden, allereerst af van de uiterst moeilijke kwestie, of men medeplichtig kan zijn aan een misdrijf, wanneer het opzet tot het plegen van dat misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik dat deze verleend wordt, niet aanwezig is. Er is in deze gevallen natuurlijk slechts sprake van hulpverleeningvóorhet plegen van een misdrijf, zooals die in art. 48 2º Sw. beperkt is aangegeven.Allereerst is het van belang te weten of in het geval, dat een makelaar met een of meer meisjes zich tot een bordeelhouder wendt, met wien hij geen afspraak heeften van wien hij geen last ontving, zou mogen aangenomen worden, dat bij den bordeelhouder bestaat een volkomen geïndetermineerd opzet om te koppelen. Een dergelijk in geen enkel opzicht bepaald opzet wordt zoo goed als algemeen verworpen, zoodat in het bovengenoemd geval de bordeelhouder geen opzet had een misdrijf te plegen, op het oogenblik dat de makelaar hem de gelegenheid of de middelen verschafte om zich schuldig te maken aan art. 2502ºSw. De zooeven gestelde moeilijke kwestie is door den Hoogen Raad in zijn arrest van 13 Juni 1898 W. 7145 in dien zin beslist, dat tot het bestaan van medeplichtigheid aan misdrijf in het algemeen en voor die omschreven in art. 48 sub 2º in het bijzonder wordt vereischt, dat het opzet tot het plegen van het misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik, dat deze wordt verleend, aanwezig wordt gevonden. Dit gevoelen van ons hoogste rechtscollege deel ik.Dus in het geval, dat de makelaar op eigen risico meisjes misleidt met het oogmerk ze aan een ontuchtig leven over te leveren, kan hij niet wegens medeplichtigheid veroordeeld worden.Na het voorgaande betoog alles resumeerende kom ik tot de volgende conclusie: de handelaars die meerderjarige vrouwen door misleiding aan een ontuchtig leven overleveren, komen nimmer te dier zake voor den strafrechter. Doch waar het minderjarige meisjes geldt, blijven vele hunner daden volgens onze wet ongestraft.Gewapend met ons art. 2502ºvalt dus nagenoegniet op te treden tegen den handel in blanke slavinnen. En zelfs dan, wanneer de toedracht der zaken van dien aard is, dat volgens onze strafwet de daden van den meisjeshandelaar in het algemeen zouden kunnen vervolgd worden, dan nog ontsnapt hij de gerechtigheid, wanneer in het speciale geval de koppelaar zelfs niet wegens strafbare poging kan terechtstaan, ondanks het feit, dat de placeur al het zijne er toe bijgebracht heeft om aan zijn daad een gunstig resultaat te verzekeren.Doch onze strafwet bezit een ander artikel, dat de vermelding waard is. Het is door de Regeering in het wetsontwerp opgenomen naar aanleiding van de beraadslagingen in de Tweede Kamer over artikel 250. ’t Is artikel 452, dat afgaande op de redevoering van het Kamerlid van Houten juist moest strekken om bescherming te verleenen aan die meisjes, die in bordeelen opgenomen worden en het karakter van het huis niet kennen.De woorden van den Heer van Houten bij de beraadslagingen over art. 250 Strafwetboek luiden aldus: “Er is nog eene bepaling, die ik zeer gaarne aan het Wetboek zag toegevoegd. Men hoort dikwerf, dat houders van bordeelen meisjes van buitenaf als dienstboden in huis nemen, zonder dat deze met het karakter van het huis, waarin zij komen, bekend zijn. Daartegen wordt hier op geenerlei wijze voorzien. Toch komt het mij zeer wenschelijk voor, eene strafbepaling te maken tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in eenbordeel lokken. Iedereen zal erkennen, dat het binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt.” Hierop antwoordde de Heer Modderman, Minister van Justitie: “Eindelijk merk ik den Heer van Houten op, dat ik, geenszins afkeerig van verscherping, in overleg met de Commissie van Rapporteurs gaarne zal overwegen of het mogelijk zij in het derde boek eene bepaling op te nemen als door dien geachten afgevaardigde wordt bedoeld, ter voorkoming van het opnemen van meisjes in een publiek huis,quasials dienstmeisjes of in een andere betrekking, zonder dat men haar met het karakter van het huis bekend maakt.”Deze besprekingen hadden ten slotte tengevolge de opneming van art. 449ain het G. O., dat na verschillende wijzigingen bij de behandeling ons tegenwoordig art. 452 geworden is. Het luidt:“De bordeelhouder, die in het huis, waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bekend gemaakt met het bedrijf, dat in dat huis wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden”. De bedoeling van den Heer van Houten was goed; hij wilde eene strafbepaling in het leven roepen tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de bestemmingvan het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Doch heeft hij hiermede op ’t oog den handel in blanke slavinnen? ’t Is niet twijfelachtig, dat zonder ’t antwoord van den minister men onzeker zou zijn omtrent de werkelijke strekking van het verlangen van den Heer van Houten. Zijn woorden laten ruimte voor tweeërlei opvattingen of desnoods drie: 1º hij heeft ’t oog op die vrouwen, die gedwongen worden zich in het bordeel aan de prostitutie over te geven. 2º hij bedoelt de bescherming tegen verleiding van degenen, die in het bordeel in een dienstbetrekking gaan zonder van den aard van het huis kennis te dragen. Dit zou ik vooral ook op kunnen maken uit de woorden: “Iedereen zal erkennen, dat ’t binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt”. Verder ook uit de begin-woorden. 3º. Hij sprak met ’t oog op deze beide categoriën. Doch de woorden van den Minister laten geen twijfel, datvooralde meisjes, die als prostituées daar haar verblijf moeten houden, beschermd worden; hij zegt toch:quasi als dienstmeisjes of in een andere betrekking.Kan mij nu art 452 bevrediging schenken? ’t Zij verre van daar. Ik stel mij niet op ’t standpunt van sommige moralisten, die het artikel aanvallen met weinig steekhoudende argumenten.1Doch het artikel voldoet volstrekt niet aan het verlangen,door den Heer van Houten in zijn woorden uitgedrukt. Onbegrijpelijk dat hij zich met ’t voorgestelde artikel heeft kunnen vereenigen. Ware aan den wensch in zijn woorden uitgedrukt volkomen gevolg gegeven, dan hadden wij een zoo goed als zeker afdoende bepaling tegen den handel in blanke slavinnen. De kennis van het bestaan van dezen handel blijkt uit de woorden van den Heer v. H., en bovendien was op ’t oogenblik der beraadslagingen in de 2deK. over art. 449a, den 9denNov. 1880, reeds in voldoende mate van allerlei zijden op het euvel gewezen. En wij, Nederlanders, zouden er op kunnen bogen de eersten geweest te zijn, die een strafbepaling tegen dezen handel vastgesteld hadden. Doch dit heeft niet zoo mogen zijn.De indruk, die het artikel geeft, is veeleer die van eene administratieve bepaling, die alle andere doeleinden beoogt, dan de bestrijding van den meisjeshandel, dan die van een bepaling, welke hen treft “die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken”.Het geeft den indruk, alsof het ’t doel is b.v. na te gaan, hoeveel vrouwen in een bordeel zijn, of n’importe welk ander administratief doel, terwijl ’t toevallig ook misleide meisjes kan redden.Geenszins, dat door het artikel in bescherming zouden worden genomen rechtsbelangen van hooge waarde, waarop bij ernstige krenking zware straffen zouden moeten gesteld worden. Doch het schijnt, dat dit toch het doel geweest is. In hoeverre beantwoordt nu het artikel aan dit doel?Slechts voor een zeer klein gedeelte en wel dan wanneer degenen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken,toevalligerwijze juist zelf de bordeelhouders zijn, wat in het gros der gevallen niet zoo is. Had de Heer van Houten als zijn wensch te kennen gegeven, dat iedere bordeelhouder gestraft moest worden, wanneer hij meisjes tegen haar wil in het bordeel gevangen houdt, dan zou ik art. 452 kunnen beschouwen als een door straf gesanctioneerde maatregel om de vrijheidsrooving aan ’t licht te brengen. Het zou dan tevens, zonder dat de wensch daartoe te kennen gegeven ware, den bordeelhouder treffen, die meisjes door misleiding in zijn huis lokt.Ik kan dus niet verhelen, dat mijns inziens art. 452 een der treurigste artikelen is uit ons Wetboek van Strafrecht zoowel om zijn redactie, die niet doet vermoeden, dat de wensch, die zijn ontstaan tengevolge had, luidt, zooals de Heer Van Houten haar uitgesproken heeft, als ook omdat het slechts voor een zeer klein gedeelte en met halve maatregelen aan dien wensch voldoet.En nu, hoe werkt dit artikel 452 in de practijk? Vele belangrijke gevallen van vervolgingen ter zake van overtreding van art. 452 hebben zeker niet plaats. Ik althans heb nergens een enkel geval aangetroffen.De bordeelhouders geven slechts dan gevolg aan het voorschrift in den norm van art. 452 S. W. vervat, wanneer zij er geen nadeel door kunnen ondervinden; ’t staat toch slechts aan hen om naar den burgemeesterte gaan of naar dengene, die door dezen aangewezen is. En voldoende contrôle of de bepaling nageleefd wordt is onuitvoerbaar. Wat is toch de kwestie? De clandestiene huizen van prostitutie, verder de zoogenaamde verdachte huizen in die gemeenten, waar bij politieverordening het houden van een bordeel verboden is, vallen geheel buiten deze bepaling. En ’t is toch een bekend feit, dat deze huizen de bordeelen in aantal verre overtreffen. Wat de bordeelen betreft, zoo is het te dwaas om aan te nemen, dat de bordeelhouders zelf door gevolg te geven aan art. 452 aangifte zullen doen van een of ander strafbaar feit, waaraan zij zich schuldig gemaakt hebben. Van den anderen kant is de algemeene klacht, dat ’t artikel geenerlei uitwerking heeft, omdat de bordeelhouders hun slachtoffers zoo weten te suggereeren, dat deze slechts napraten, hetgeen deze haar geboden hebben te zeggen; zij zijn zich toch ook niet bewust, welke de strekking van het artikel is. Hoe licht valt ’t niet eene vreemde vrouw in dergelijken toestand iets op den mouw te spelden! Ten opzichte van bordeelhouders, die de plicht hun door art. 452 opgelegd nakomen zooals het behoort, is het voorschrift voorzeker van nutteloozen dwang.

Den 1stenSeptember 1886 trad onze nationale strafwetgeving in werking. Vóórdien gold nog steeds de Fransche Code Pénal, zooals deze in den loop der jaren gewijzigd en aangevuld was. De 2detitel van dit wetboek, “Misdaden en wanbedrijven tegen bijzondere personen”, bevatte in zijn 4deafdeeling “Aantasting der zeden” art. 334, dat een strafbepaling inhield tegen de koppelarij. Art. 335 stelde eenige bijkomende straffen vast.

Art. 334aluidde:

Quiconque aura attenté aux mœurs en excitant, favorisant et facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse de l’un ou de l’autre sexe au dessous de l’age de vingt-un ans, sera puni etc.Alwie zich feitelijk tegen de zeden vergrepen zal hebben met zijn werk te maken om de ongebondenheid of onzedelijkheid (débauche) of de verleiding van jonge lieden beneden den ouderdom van 21 jaren van de een of andere kunne op te wekken, te bevorderen of behulpzaam te zijn, zal gestraft worden etc.

Bij de behandeling van het Fransche recht hierachter zullen wij gewaarworden, dat dit Code-artikel niet aan de behoeften voldeed. Het straft het eenvoudige lenocinium en kan dus niet dienstbaar gemaakt worden om den placeur te treffen, die uit den aard der zaak in de meeste gevallen slechts zijne medewerking verleent; of hij als medeplichtige zou kunnen getroffen worden, is in ieder geval afzonderlijk te beslissen.

Het nu vigeerend artikel, dat de koppelarij strafbaar stelt, art. 250 Sw., luidt:

Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:

1º met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren, de vader, moeder, voogd of toeziende voogd, die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;

2º met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren, ieder ander, die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde een gewoonte maakt.

De Memorie van Toelichting begint met de woorden: “Het lenocinium is strafbaar, indien blijkt dat iemand òf uit winstbejag òf als gewoonte personen jonger dan 21 jaren tot ontucht met anderen aanzet.” Hieruit volgt, dat de daad van den handelaar in blanke slavinnen, die toch slechts medeplichtigheid aan het lenocinium kan wezen, niet het feit is, dat art. 250 bedoelt te straffen.

Dit blijkt ook daaruit dat, terwijl de daad van denplaceur reeds afgesloten is, vóordat het plegen van de ontucht heeft plaats gehad, art. 2502ºevenals de koppelarij artikelen in andere wetgevingen voor het voltooide misdrijf vordert, dat de ontucht teweeggebracht of bevorderd moet zijn. Een bijkomende voorwaarde van straf waardigheid, als deze omstandigheid zou daarstellen, mogen we niet vorderen voor de bestraffing van eene daad van handel in vrouwen en meisjes. Bovendien is de minderjarige, bij wien de ontucht opgewekt of bevorderd wordt, op de hoogte van de dingen, die gebeuren zullen. Dit althans veronderstelt het begrip koppelarij, al staat het niet met zooveel woorden in het artikel.

Art. 250 2º., dat de eigenlijke koppelarij daarstelt, is ruimer gesteld dan het overeenkomstige art. 334avan den Code, in zooverre als de gewoonte niet een noodzakelijk bestanddeel vormt, mits dan het winstbejag bewezen is. Wat den leeftijd van 23 jaar aangaat, zoo is het een vereischte, dat de dader bij het plegen daarvan kennis droeg. Dit volgt uit de plaatsing van het woord opzettelijk en dit is dan ook meer dan eens in dezen zin door den Hoogen Raad beslist. Juist dit punt maakt de mogelijkheid eener bestraffing van den placeur als medeplichtige van den koppelaar nog geringer, daar toch uit de beginselen der medeplichtigheid volgt, dat het opzet van de medeplichtige op de door de wet gestelde bestanddeelen van het misdrijf van den dader gericht mocht zijn; hij moet dus òf zijn opzet richten daarop, dat de dader uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarigemet een derde teweegbrengt of bevordert, òf dat de dader van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt. De wetenschap van de minderjarigheid zal bij den placeur hoogst moeilijk bewezen kunnen worden; het zal gemakkelijker gaan, indien het bewijs geleverd is, dat hij opzettelijk valsche legitimatiepapieren aan den bordeelhouder verschaft heeft. Wanneer de vrouw klaarblijkelijk zeer jeugdig er uit ziet, kan de leer van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn toepassing vinden. De placeur etc. kan slechts dan onder het bereik van art. 250 2º vallen, indien hij onder valsche voorspiegelingen een meisje, van wie hij de minderjarigheid kent, aan een derde verkoopt van wien hij weet, dat deze uit winstbejag de ontucht van haar met een ander zal teweegbrengen of bevorderen.

Nu moet verder de vraag gesteld worden in hoeverre de placeur etc. medeplichtig kan zijn aan het feit, dat iemand van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt.

Wat beteekent art. 250 2º in fine?

Is de dader strafbaar, indien hij van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van de ontucht door eenenkeleminderjarige met een derde een gewoonte maakt? Of is hij het pas, àls hij er een gewoonte van maakt opzettelijk de ontucht vanminderjarigenmet derden teweeg te brengen of te bevorderen, zoodat in dit geval het aantal keeren, dat bij een dier minderjarigen de ontucht teweeggebracht of bevorderd is, niet op eengewoonte behoeven te wijzen. Moet dus het aantal der minderjarigen kunnen wijzen op eene gewoonte in tegenstelling met het eerste geval, waarbij ’t het aantal malen is, dat ten opzichte van een minderjarige het teweeg brengen of bevorderen der ontucht plaats heeft? Dit is niet erg duidelijk en hoe ’t wezen moet blijkt ook niet uit hetgeen bij de tot standkoming der wet heeft plaats gehad. Het is toch van belang deze kwestie op te lossen. Het O. R. O. luidde: “... of die van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht doorzoodanige personenmet derden eene gewoonte maakt”. “Zoodanige personen” sloeg op het voorafgaande “persoon beneden den leeftijd van 21 jaar”, doch toen dit daarna in “minderjarige” veranderd werd had deze verandering ook plaats bij het daarop volgende; evenwel werd zonder reden het meervoud door het enkelvoud vervangen.

Ik meen op grond van het feit, dat tijdens de totstandkoming van het artikel op dit punt de aandacht niet gevestigd is, de heerschende practijk onder vigeur van art. 334 C. P., die niet alleenpluralité de victimes, maar ookpluralité de faitsten opzichte van éen persoon, zoodat de herhaling eene gewoonte opleverde, toestond, bij de behandeling van het artikel geen tegenspraak ondervond, tot ’t besluit te mogen komen, dat ook nu zoowel de herhaling met betrekking tot meerdere personen als de herhaling met betrekking tot handelingen ten opzichte van éen persoon, welke een gewoonte oplevert, binnen de strafbepaling vallen.

Met betrekking tot de medeplichtigheid valt dit opte merken, hetgeen uit de medeplichtigheidsleer volgt: in het laatste geval,pluralité de faitsbij een persoon kan de meisjeshandelaar niet als medeplichtige van den koppelaar vervolgd worden. In het eerste geval, bijpluralité de victimes, kan hij slechts dan vervolgd worden, indien hij een minimum aantal medeplichtigheidshandelingen begaat ten opzichte van de handelingen van den hoofddader, welke beiden eene gewoonte moeten opleveren.

De makelaar in meisjes, die geregeld aan eenzelfden bordeelhouder verkoopt, is dus strafbaar, maar hij, die aan alle mogelijke bordeelhouders slechts nu en dan meisjes afstaat, valt buiten het bereik onzer strafwet. Verder natuurlijk degene, die slechts éen of enkele daden van blanke slavinnenhandel verricht.

Afzonderlijke bespreking vereischt nog het geval dat de makelaar in meisjes zonder opdracht handelt van een bordeelhouder, doch als ’t ware ze op eigen risico aanwerft. Hier hangt de beantwoording der vraag, of hij naar bovengemelde regels als medeplichtige gestraft kan worden, allereerst af van de uiterst moeilijke kwestie, of men medeplichtig kan zijn aan een misdrijf, wanneer het opzet tot het plegen van dat misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik dat deze verleend wordt, niet aanwezig is. Er is in deze gevallen natuurlijk slechts sprake van hulpverleeningvóorhet plegen van een misdrijf, zooals die in art. 48 2º Sw. beperkt is aangegeven.

Allereerst is het van belang te weten of in het geval, dat een makelaar met een of meer meisjes zich tot een bordeelhouder wendt, met wien hij geen afspraak heeften van wien hij geen last ontving, zou mogen aangenomen worden, dat bij den bordeelhouder bestaat een volkomen geïndetermineerd opzet om te koppelen. Een dergelijk in geen enkel opzicht bepaald opzet wordt zoo goed als algemeen verworpen, zoodat in het bovengenoemd geval de bordeelhouder geen opzet had een misdrijf te plegen, op het oogenblik dat de makelaar hem de gelegenheid of de middelen verschafte om zich schuldig te maken aan art. 2502ºSw. De zooeven gestelde moeilijke kwestie is door den Hoogen Raad in zijn arrest van 13 Juni 1898 W. 7145 in dien zin beslist, dat tot het bestaan van medeplichtigheid aan misdrijf in het algemeen en voor die omschreven in art. 48 sub 2º in het bijzonder wordt vereischt, dat het opzet tot het plegen van het misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik, dat deze wordt verleend, aanwezig wordt gevonden. Dit gevoelen van ons hoogste rechtscollege deel ik.

Dus in het geval, dat de makelaar op eigen risico meisjes misleidt met het oogmerk ze aan een ontuchtig leven over te leveren, kan hij niet wegens medeplichtigheid veroordeeld worden.

Na het voorgaande betoog alles resumeerende kom ik tot de volgende conclusie: de handelaars die meerderjarige vrouwen door misleiding aan een ontuchtig leven overleveren, komen nimmer te dier zake voor den strafrechter. Doch waar het minderjarige meisjes geldt, blijven vele hunner daden volgens onze wet ongestraft.

Gewapend met ons art. 2502ºvalt dus nagenoegniet op te treden tegen den handel in blanke slavinnen. En zelfs dan, wanneer de toedracht der zaken van dien aard is, dat volgens onze strafwet de daden van den meisjeshandelaar in het algemeen zouden kunnen vervolgd worden, dan nog ontsnapt hij de gerechtigheid, wanneer in het speciale geval de koppelaar zelfs niet wegens strafbare poging kan terechtstaan, ondanks het feit, dat de placeur al het zijne er toe bijgebracht heeft om aan zijn daad een gunstig resultaat te verzekeren.

Doch onze strafwet bezit een ander artikel, dat de vermelding waard is. Het is door de Regeering in het wetsontwerp opgenomen naar aanleiding van de beraadslagingen in de Tweede Kamer over artikel 250. ’t Is artikel 452, dat afgaande op de redevoering van het Kamerlid van Houten juist moest strekken om bescherming te verleenen aan die meisjes, die in bordeelen opgenomen worden en het karakter van het huis niet kennen.

De woorden van den Heer van Houten bij de beraadslagingen over art. 250 Strafwetboek luiden aldus: “Er is nog eene bepaling, die ik zeer gaarne aan het Wetboek zag toegevoegd. Men hoort dikwerf, dat houders van bordeelen meisjes van buitenaf als dienstboden in huis nemen, zonder dat deze met het karakter van het huis, waarin zij komen, bekend zijn. Daartegen wordt hier op geenerlei wijze voorzien. Toch komt het mij zeer wenschelijk voor, eene strafbepaling te maken tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in eenbordeel lokken. Iedereen zal erkennen, dat het binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt.” Hierop antwoordde de Heer Modderman, Minister van Justitie: “Eindelijk merk ik den Heer van Houten op, dat ik, geenszins afkeerig van verscherping, in overleg met de Commissie van Rapporteurs gaarne zal overwegen of het mogelijk zij in het derde boek eene bepaling op te nemen als door dien geachten afgevaardigde wordt bedoeld, ter voorkoming van het opnemen van meisjes in een publiek huis,quasials dienstmeisjes of in een andere betrekking, zonder dat men haar met het karakter van het huis bekend maakt.”

Deze besprekingen hadden ten slotte tengevolge de opneming van art. 449ain het G. O., dat na verschillende wijzigingen bij de behandeling ons tegenwoordig art. 452 geworden is. Het luidt:

“De bordeelhouder, die in het huis, waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bekend gemaakt met het bedrijf, dat in dat huis wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden”. De bedoeling van den Heer van Houten was goed; hij wilde eene strafbepaling in het leven roepen tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de bestemmingvan het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Doch heeft hij hiermede op ’t oog den handel in blanke slavinnen? ’t Is niet twijfelachtig, dat zonder ’t antwoord van den minister men onzeker zou zijn omtrent de werkelijke strekking van het verlangen van den Heer van Houten. Zijn woorden laten ruimte voor tweeërlei opvattingen of desnoods drie: 1º hij heeft ’t oog op die vrouwen, die gedwongen worden zich in het bordeel aan de prostitutie over te geven. 2º hij bedoelt de bescherming tegen verleiding van degenen, die in het bordeel in een dienstbetrekking gaan zonder van den aard van het huis kennis te dragen. Dit zou ik vooral ook op kunnen maken uit de woorden: “Iedereen zal erkennen, dat ’t binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar brengt”. Verder ook uit de begin-woorden. 3º. Hij sprak met ’t oog op deze beide categoriën. Doch de woorden van den Minister laten geen twijfel, datvooralde meisjes, die als prostituées daar haar verblijf moeten houden, beschermd worden; hij zegt toch:quasi als dienstmeisjes of in een andere betrekking.

Kan mij nu art 452 bevrediging schenken? ’t Zij verre van daar. Ik stel mij niet op ’t standpunt van sommige moralisten, die het artikel aanvallen met weinig steekhoudende argumenten.1

Doch het artikel voldoet volstrekt niet aan het verlangen,door den Heer van Houten in zijn woorden uitgedrukt. Onbegrijpelijk dat hij zich met ’t voorgestelde artikel heeft kunnen vereenigen. Ware aan den wensch in zijn woorden uitgedrukt volkomen gevolg gegeven, dan hadden wij een zoo goed als zeker afdoende bepaling tegen den handel in blanke slavinnen. De kennis van het bestaan van dezen handel blijkt uit de woorden van den Heer v. H., en bovendien was op ’t oogenblik der beraadslagingen in de 2deK. over art. 449a, den 9denNov. 1880, reeds in voldoende mate van allerlei zijden op het euvel gewezen. En wij, Nederlanders, zouden er op kunnen bogen de eersten geweest te zijn, die een strafbepaling tegen dezen handel vastgesteld hadden. Doch dit heeft niet zoo mogen zijn.

De indruk, die het artikel geeft, is veeleer die van eene administratieve bepaling, die alle andere doeleinden beoogt, dan de bestrijding van den meisjeshandel, dan die van een bepaling, welke hen treft “die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken”.

Het geeft den indruk, alsof het ’t doel is b.v. na te gaan, hoeveel vrouwen in een bordeel zijn, of n’importe welk ander administratief doel, terwijl ’t toevallig ook misleide meisjes kan redden.

Geenszins, dat door het artikel in bescherming zouden worden genomen rechtsbelangen van hooge waarde, waarop bij ernstige krenking zware straffen zouden moeten gesteld worden. Doch het schijnt, dat dit toch het doel geweest is. In hoeverre beantwoordt nu het artikel aan dit doel?Slechts voor een zeer klein gedeelte en wel dan wanneer degenen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken,toevalligerwijze juist zelf de bordeelhouders zijn, wat in het gros der gevallen niet zoo is. Had de Heer van Houten als zijn wensch te kennen gegeven, dat iedere bordeelhouder gestraft moest worden, wanneer hij meisjes tegen haar wil in het bordeel gevangen houdt, dan zou ik art. 452 kunnen beschouwen als een door straf gesanctioneerde maatregel om de vrijheidsrooving aan ’t licht te brengen. Het zou dan tevens, zonder dat de wensch daartoe te kennen gegeven ware, den bordeelhouder treffen, die meisjes door misleiding in zijn huis lokt.

Ik kan dus niet verhelen, dat mijns inziens art. 452 een der treurigste artikelen is uit ons Wetboek van Strafrecht zoowel om zijn redactie, die niet doet vermoeden, dat de wensch, die zijn ontstaan tengevolge had, luidt, zooals de Heer Van Houten haar uitgesproken heeft, als ook omdat het slechts voor een zeer klein gedeelte en met halve maatregelen aan dien wensch voldoet.

En nu, hoe werkt dit artikel 452 in de practijk? Vele belangrijke gevallen van vervolgingen ter zake van overtreding van art. 452 hebben zeker niet plaats. Ik althans heb nergens een enkel geval aangetroffen.

De bordeelhouders geven slechts dan gevolg aan het voorschrift in den norm van art. 452 S. W. vervat, wanneer zij er geen nadeel door kunnen ondervinden; ’t staat toch slechts aan hen om naar den burgemeesterte gaan of naar dengene, die door dezen aangewezen is. En voldoende contrôle of de bepaling nageleefd wordt is onuitvoerbaar. Wat is toch de kwestie? De clandestiene huizen van prostitutie, verder de zoogenaamde verdachte huizen in die gemeenten, waar bij politieverordening het houden van een bordeel verboden is, vallen geheel buiten deze bepaling. En ’t is toch een bekend feit, dat deze huizen de bordeelen in aantal verre overtreffen. Wat de bordeelen betreft, zoo is het te dwaas om aan te nemen, dat de bordeelhouders zelf door gevolg te geven aan art. 452 aangifte zullen doen van een of ander strafbaar feit, waaraan zij zich schuldig gemaakt hebben. Van den anderen kant is de algemeene klacht, dat ’t artikel geenerlei uitwerking heeft, omdat de bordeelhouders hun slachtoffers zoo weten te suggereeren, dat deze slechts napraten, hetgeen deze haar geboden hebben te zeggen; zij zijn zich toch ook niet bewust, welke de strekking van het artikel is. Hoe licht valt ’t niet eene vreemde vrouw in dergelijken toestand iets op den mouw te spelden! Ten opzichte van bordeelhouders, die de plicht hun door art. 452 opgelegd nakomen zooals het behoort, is het voorschrift voorzeker van nutteloozen dwang.

§ 2. Wet op de uitzetting van vreemdelingen.Bij eene conscentieuse en nauwkeurige opvatting harer taak als hulp der justitie bij de opsporing en constateering van strafbare feiten en eveneens bij een dergelijke opvatting harer taak om een door geen wet geboden, doch in haar wezen liggend preventief toezicht uit teoefenen, opdat de rechtsorde niet verstoord worde niet alleen, doch ook opdat door ruimer verzorgend optreden kwade praktijken, die door geen wetsbepaling getroffen worden, tegengegaan worden, kan de politie zeer veel uitrichten om den handel in blanke slavinnen te bestrijden, repressief en preventief. Dit geldt zoowel voor den binnen- als voor den buitenlandschen handel.Ten opzichte van den buitenlandschen handel bezit de politie een machtmiddel, waarvan hier en daar ook werkelijk gebruik gemaakt wordt. Waarom wordt dat middel dan niet algemeen toegepast? Dit is wel toe te schrijven aan de werkelijk meer of mindere gegrondheid, waarmede de rechtmatigheid van het gebruik van de bewuste maatregel betwist wordt. Dit dien ik dus te bespreken. Ik heb het oog op de wet van 13 Aug. 1849 (S. 39) tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen. Het zijn de artt. 1, 10 en 11 van deze wet, die op indirecte wijze den handel in meisjes in zijn kracht kunnen fnuiken.Art. 1. “Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven.”’t Hangt hier af van eene uitlegging van “voldoende middelen van bestaan”; men zou door het bestaan van deze te ontkennen bij de publieke vrouw vreemde prostituées uit den lande kunnen weren. Een zeer deugdelijke maatregel voorwaar om de prostitutie van vreemde vrouwen tegen te gaan, doch daarvoor is vereischte, dat bij de toelating blijke, dat zulk een vrouwprostituée is. In het gros der gevallen is dit ondoenlijk en kan men het ook niet vermoeden. Vooral bij den import van vrouwen is dit iets hopeloos, want de aard van den meisjeshandel brengt toch mee, dat juist de vrouw in het land komt, omdat zij haar middelen van bestaan door eigen werkzaamheid kan verkrijgen in de een of andere dienstbetrekking, al is deze ook gefingeerd, hetgeen alleen de placeur weet. Hiervan kan desnoods door brieven of contracten blijken. Doch in deze gevallen zouden bij toelating der vreemdelinge toegepast kunnen worden de artt. 10 en 11 die aldus luiden:Art. 10. “Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebracht dan op bevel van den kantonrechter der plaats, waar zij zich ophouden of op onzen last.”Art. 11. “De kantonrechter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven en na den vreemdeling te hebben gehoord of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen, etc. etc.”We zien, dat ’t hier weer aan komt op de oplossing van de vraag, wat men met een “middel van bestaan” bedoelt.Ik meen te kunnen volstaan met de meening van de Redactie van de Gemeentestem te citeeren, overtuigd als ik ben, dat zij door deze uiting de meening openbaart van allen, die het zijn van prostituée niet als voldoende middel van bestaan beschouwen. In Gemeentestem 2000 antwoordt de Redactie op de vraag:“Kan het bedrijf van publieke vrouw als zijnde in strijd met de goede zeden ooit opleveren een middel van bestaan in den zin der vreemdelingenwet?” aldus:“Het komt ons voor, dat art. 1 der wet op de toelating en uitzetting van vreemdelingen met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld hebben een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen. Wij antwoorden dus ontkennend.”Ik meen deze argumentatie van de Gemeentestem eenigszins onjuist te moeten noemen. De wet laat in ’t midden, welk een middel van bestaan vereischt is; het moet slechts voldoende zijn. Het komt hier slechts aan op het gevolg, of men in staat is zich zelf te onderhouden, zonder dat eenige onderscheiding gemaakt is van de wijze, waarop dit geschiedt.In eene aanschrijving van den Minister van Justitie dd. 28 Augustus 1849 no. 80 bevattende: “Wenken en onderrigtingen aangaande het doel en de strekking der wet” heet het, dat deze wet “hoofdzakelijk ten doel heeft om der regeering de middelen te geven, ten einde die vreemdelingen,.... die ons tot last zouden kunnen worden, doordien zij geen voldoende middelen van bestaan hebben, noch door werkzaamheid kunnen verkrijgen te weren of te noodzaken het land te ruimen.” Men mag beweren, dat eene vreemde prostituée ook tot last kan worden van ons land; maar dan kan men ieder gaan weren of het land uitzetten van wien blijkt, dat hij een gevaarlijk beroep uitoefent, dat hem spoedig b.v. armlastig kan maken. Neen, het is noodig, dat “het tot last worden” eengevolg zij van de onvoldoendheid van het middel van bestaan. En dit is toch geenszins het geval met de prostituée, die integendeel eerder in weelderigen dan in armoedigen toestand verkeert, wanneer zij zich aan dat leven begint over te geven.’t Is dus mijns inziens een verkeerd principe eene vrouw het land uit te zetten op grond, dat zij prostituée is. De wet toch onderscheidt niet; eene natuurlijke onderscheiding ligt evenwel daar, waar sprake zou zijn, dat het middel van bestaan zou gevonden moeten worden door handelingen of werkzaamheden, die de wet verbiedt, doordat zij die in strijd met de openbare orde, rust, veiligheid, goede zeden enz. acht. Een befaamd inbreker zal zich dus op grond dat hij door groote ervarenheid in het inbreken en stelen een meer dan voldoende middel van bestaan heeft, niet voor uitzetting kunnen vrijwaren. Waar men dus stilzwijgend een onderscheiding zou willen maken van de wijze, waarop door werkzaamheid een middel van bestaan kan gevonden worden, kan slechts uitgesloten zijn eene werkzaamheid, die in strijd is met de wet. Want het heeft geen zin, dat de Redactie der Gemeentestem verkondigt: dat met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld zijn een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen.” Zonder twijfel is dit laatste waar, doch daarmede is nog niet gezegd, dat de wet hare roeping ook vervult. Eene positieve uiting van de wetis noodig op eenigerlei wijze, doch in casu is nergens in onze wetgeving eene bepaling te vinden, die het zijn van prostituée voor onzedelijk of in strijd met de openbare orde verklaart.Tot nu toe heb ik mij gehouden aan de veelal gevolgde opvatting van de uitdrukking “middel van bestaan” in deze wet. Ik kan mij evenwel niet vereenigen met de aan deze woorden in de dagelijksche spreektaal gegeven beteekenis. Men stelt “middel van bestaan” synoniem met “betrekking, bedrijf, ambacht, werkzaamheid etc.” Niets is evenwel meer onjuist. In geen enkel woordenboek van de Nederlandsche taal zal men van een dusdanig gebruik gewag gemaakt zien. (Zie b.v. van Dale).Ook de Gemeentestem houdt zich aan dit foutieve gebruik van “middel van bestaan.” Wij zouden hiervoor in de plaats kunnen schrijven b.v. “geld”. Dus: “alle vreemdelingen, dievoldoende geldhebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. Wat voor zin heeft het nu te zeggen:geld, dat strijdig is met de openbare orde of goede zeden.Ik wil nog even het dwaze aantoonen, wanneer men ook in art. 1 der Vreemdelingenwet “middel van bestaan” gaat gebruiken als “betrekking”, “bedrijf” etc. Wij zouden dan lezen: “Alle vreemdelingen, die een voldoendebetrekkingetc. hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. “Door werkzaamheid” zou alsdan geheel overbodig zijn. Het is toch duidelijk, dat men geen bedrijf etc. kan hebben of verkrijgen, zonder dat men werkzaam is. Het heeft dus geen zin te blijvenhechten aan het foutieve dagelijksche gebruik van “middel van bestaan”.Mijne conclusie strekt dus daartoe, dat theoretisch eene vreemde prostituée op grond, dat zij prostituée is, niet uit het land gezet kan worden.Doch nu de practijk. In de Memorie van beantwoording heet het:“Te omschrijven, welke middelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken ligt buiten den kring der wet. Naar omstandigheden behooren hieromtrent voorschriften te worden gegeven, hetgeen eene taak van uitvoering mag heeten.”’t Is mij niet erg duidelijk of de minister zich aan dezelfde onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt als de Gemeentestem. Mijns inziens is ook de goede interpretatie in deze uiting van den minister te lezen. In ieder geval ware het tot recht verstand der zaak beter geweest, indien hij geschreven had in plaats van “welke” “in hoeverre”; dus: “Te omschrijven,in hoeverremiddelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken” etc.Algemeene voorschriften zijn omtrent de meerdere of mindere voldoendheid niet gegeven; zij zouden moeten aangeven met welk minimum van middelen men, zonder dat de vreemdelinge ten laste komt van het land, zich tevreden kan stellen; verder welke waarborgen moeten bestaan omtrent eene zekere continuïteit van die middelen etc.Nu heeft de overheid, met de uitvoering van de wet belast, de vrijheid in ieder gegeven geval naar eigen oordeel te beslissen, of de vreemdelinge aan de vereischten,die de wet stelt, voldoet. In zooverre is practisch mogelijk eene vreemde prostituée het land uit te zetten.Over ’t algemeen wake de ernst en de bezadigdheid der Nederlandsche overheid er voor, dat, nu haar zulke groote bevoegdheid overgelaten is, zoo veel mogelijk willekeur in de toepassing der wet gemeden worde.Moeielijkheid bestaat nog bij den handel in blanke slavinnen. De vreemde vrouw gaat meestal zoogenaamd in dienst als werkmeisje, linnenmeisje etc, en dit geschiedt zelfs in optima forma daar, waar de bordeelen verboden zijn. Brieven of onderhandsche contracten getuigen daarvan. Mag de overheid met de uitvoering belast op bloot vermoeden een vrouw als prostituée signaleeren? En kan zij haar, op dien grond aannemende, dat zij geen voldoende middel van bestaan heeft, over de grenzen zetten, alhoewel zij (in werkelijkheid of niet) de een of andere werkzaamheid heeft, waardoor zij wellicht in voldoende mate in haar onderhoud kan voorzien? ’t Is duidelijk, dat volgens mij de duidelijke bewoordingen der wet dit niet toelaten. Doch in de practijk zal dit wel weer kunnen geschieden: bij de toelating toch is de vreemdelinge overgeleverd aan hetlibre arbitrevan het politiehoofd. Bij de uitzetting is de kantonrechter vrij in zijn oordeel, behoudens in achtneming van art. 11 der wet van 1849; hij spreekt toch geen vonnis uit onderworpen aan de gewone regelen bij de rechtspraak geldig. Slechts een beroep op het uitvoerend gezag, dat natuurlijk vrij kan beslissen. De geweigerde toelating of de uitzetting zal echter steeds inwaarheid gemotiveerd moeten zijn door aanneming van het feit, dat er geen voldoende middelen van bestaan zijn of verkregen kunnen worden(volgens de interpretatie, die ik van deze uitdrukkingen gaf.)

Bij eene conscentieuse en nauwkeurige opvatting harer taak als hulp der justitie bij de opsporing en constateering van strafbare feiten en eveneens bij een dergelijke opvatting harer taak om een door geen wet geboden, doch in haar wezen liggend preventief toezicht uit teoefenen, opdat de rechtsorde niet verstoord worde niet alleen, doch ook opdat door ruimer verzorgend optreden kwade praktijken, die door geen wetsbepaling getroffen worden, tegengegaan worden, kan de politie zeer veel uitrichten om den handel in blanke slavinnen te bestrijden, repressief en preventief. Dit geldt zoowel voor den binnen- als voor den buitenlandschen handel.

Ten opzichte van den buitenlandschen handel bezit de politie een machtmiddel, waarvan hier en daar ook werkelijk gebruik gemaakt wordt. Waarom wordt dat middel dan niet algemeen toegepast? Dit is wel toe te schrijven aan de werkelijk meer of mindere gegrondheid, waarmede de rechtmatigheid van het gebruik van de bewuste maatregel betwist wordt. Dit dien ik dus te bespreken. Ik heb het oog op de wet van 13 Aug. 1849 (S. 39) tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen. Het zijn de artt. 1, 10 en 11 van deze wet, die op indirecte wijze den handel in meisjes in zijn kracht kunnen fnuiken.

Art. 1. “Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven.”

’t Hangt hier af van eene uitlegging van “voldoende middelen van bestaan”; men zou door het bestaan van deze te ontkennen bij de publieke vrouw vreemde prostituées uit den lande kunnen weren. Een zeer deugdelijke maatregel voorwaar om de prostitutie van vreemde vrouwen tegen te gaan, doch daarvoor is vereischte, dat bij de toelating blijke, dat zulk een vrouwprostituée is. In het gros der gevallen is dit ondoenlijk en kan men het ook niet vermoeden. Vooral bij den import van vrouwen is dit iets hopeloos, want de aard van den meisjeshandel brengt toch mee, dat juist de vrouw in het land komt, omdat zij haar middelen van bestaan door eigen werkzaamheid kan verkrijgen in de een of andere dienstbetrekking, al is deze ook gefingeerd, hetgeen alleen de placeur weet. Hiervan kan desnoods door brieven of contracten blijken. Doch in deze gevallen zouden bij toelating der vreemdelinge toegepast kunnen worden de artt. 10 en 11 die aldus luiden:

Art. 10. “Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebracht dan op bevel van den kantonrechter der plaats, waar zij zich ophouden of op onzen last.”

Art. 11. “De kantonrechter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven en na den vreemdeling te hebben gehoord of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen, etc. etc.”

We zien, dat ’t hier weer aan komt op de oplossing van de vraag, wat men met een “middel van bestaan” bedoelt.

Ik meen te kunnen volstaan met de meening van de Redactie van de Gemeentestem te citeeren, overtuigd als ik ben, dat zij door deze uiting de meening openbaart van allen, die het zijn van prostituée niet als voldoende middel van bestaan beschouwen. In Gemeentestem 2000 antwoordt de Redactie op de vraag:

“Kan het bedrijf van publieke vrouw als zijnde in strijd met de goede zeden ooit opleveren een middel van bestaan in den zin der vreemdelingenwet?” aldus:

“Het komt ons voor, dat art. 1 der wet op de toelating en uitzetting van vreemdelingen met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld hebben een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen. Wij antwoorden dus ontkennend.”

Ik meen deze argumentatie van de Gemeentestem eenigszins onjuist te moeten noemen. De wet laat in ’t midden, welk een middel van bestaan vereischt is; het moet slechts voldoende zijn. Het komt hier slechts aan op het gevolg, of men in staat is zich zelf te onderhouden, zonder dat eenige onderscheiding gemaakt is van de wijze, waarop dit geschiedt.

In eene aanschrijving van den Minister van Justitie dd. 28 Augustus 1849 no. 80 bevattende: “Wenken en onderrigtingen aangaande het doel en de strekking der wet” heet het, dat deze wet “hoofdzakelijk ten doel heeft om der regeering de middelen te geven, ten einde die vreemdelingen,.... die ons tot last zouden kunnen worden, doordien zij geen voldoende middelen van bestaan hebben, noch door werkzaamheid kunnen verkrijgen te weren of te noodzaken het land te ruimen.” Men mag beweren, dat eene vreemde prostituée ook tot last kan worden van ons land; maar dan kan men ieder gaan weren of het land uitzetten van wien blijkt, dat hij een gevaarlijk beroep uitoefent, dat hem spoedig b.v. armlastig kan maken. Neen, het is noodig, dat “het tot last worden” eengevolg zij van de onvoldoendheid van het middel van bestaan. En dit is toch geenszins het geval met de prostituée, die integendeel eerder in weelderigen dan in armoedigen toestand verkeert, wanneer zij zich aan dat leven begint over te geven.

’t Is dus mijns inziens een verkeerd principe eene vrouw het land uit te zetten op grond, dat zij prostituée is. De wet toch onderscheidt niet; eene natuurlijke onderscheiding ligt evenwel daar, waar sprake zou zijn, dat het middel van bestaan zou gevonden moeten worden door handelingen of werkzaamheden, die de wet verbiedt, doordat zij die in strijd met de openbare orde, rust, veiligheid, goede zeden enz. acht. Een befaamd inbreker zal zich dus op grond dat hij door groote ervarenheid in het inbreken en stelen een meer dan voldoende middel van bestaan heeft, niet voor uitzetting kunnen vrijwaren. Waar men dus stilzwijgend een onderscheiding zou willen maken van de wijze, waarop door werkzaamheid een middel van bestaan kan gevonden worden, kan slechts uitgesloten zijn eene werkzaamheid, die in strijd is met de wet. Want het heeft geen zin, dat de Redactie der Gemeentestem verkondigt: dat met de uitdrukking “voldoende middelen van bestaan” en “werkzaamheid” niet kan bedoeld zijn een middel van bestaan of eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen.” Zonder twijfel is dit laatste waar, doch daarmede is nog niet gezegd, dat de wet hare roeping ook vervult. Eene positieve uiting van de wetis noodig op eenigerlei wijze, doch in casu is nergens in onze wetgeving eene bepaling te vinden, die het zijn van prostituée voor onzedelijk of in strijd met de openbare orde verklaart.

Tot nu toe heb ik mij gehouden aan de veelal gevolgde opvatting van de uitdrukking “middel van bestaan” in deze wet. Ik kan mij evenwel niet vereenigen met de aan deze woorden in de dagelijksche spreektaal gegeven beteekenis. Men stelt “middel van bestaan” synoniem met “betrekking, bedrijf, ambacht, werkzaamheid etc.” Niets is evenwel meer onjuist. In geen enkel woordenboek van de Nederlandsche taal zal men van een dusdanig gebruik gewag gemaakt zien. (Zie b.v. van Dale).

Ook de Gemeentestem houdt zich aan dit foutieve gebruik van “middel van bestaan.” Wij zouden hiervoor in de plaats kunnen schrijven b.v. “geld”. Dus: “alle vreemdelingen, dievoldoende geldhebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. Wat voor zin heeft het nu te zeggen:geld, dat strijdig is met de openbare orde of goede zeden.

Ik wil nog even het dwaze aantoonen, wanneer men ook in art. 1 der Vreemdelingenwet “middel van bestaan” gaat gebruiken als “betrekking”, “bedrijf” etc. Wij zouden dan lezen: “Alle vreemdelingen, die een voldoendebetrekkingetc. hebben of door werkzaamheid kunnen verkrijgen” etc. “Door werkzaamheid” zou alsdan geheel overbodig zijn. Het is toch duidelijk, dat men geen bedrijf etc. kan hebben of verkrijgen, zonder dat men werkzaam is. Het heeft dus geen zin te blijvenhechten aan het foutieve dagelijksche gebruik van “middel van bestaan”.

Mijne conclusie strekt dus daartoe, dat theoretisch eene vreemde prostituée op grond, dat zij prostituée is, niet uit het land gezet kan worden.

Doch nu de practijk. In de Memorie van beantwoording heet het:

“Te omschrijven, welke middelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken ligt buiten den kring der wet. Naar omstandigheden behooren hieromtrent voorschriften te worden gegeven, hetgeen eene taak van uitvoering mag heeten.”

’t Is mij niet erg duidelijk of de minister zich aan dezelfde onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt als de Gemeentestem. Mijns inziens is ook de goede interpretatie in deze uiting van den minister te lezen. In ieder geval ware het tot recht verstand der zaak beter geweest, indien hij geschreven had in plaats van “welke” “in hoeverre”; dus: “Te omschrijven,in hoeverremiddelen van bestaan als voldoende zijn aan te merken” etc.

Algemeene voorschriften zijn omtrent de meerdere of mindere voldoendheid niet gegeven; zij zouden moeten aangeven met welk minimum van middelen men, zonder dat de vreemdelinge ten laste komt van het land, zich tevreden kan stellen; verder welke waarborgen moeten bestaan omtrent eene zekere continuïteit van die middelen etc.

Nu heeft de overheid, met de uitvoering van de wet belast, de vrijheid in ieder gegeven geval naar eigen oordeel te beslissen, of de vreemdelinge aan de vereischten,die de wet stelt, voldoet. In zooverre is practisch mogelijk eene vreemde prostituée het land uit te zetten.

Over ’t algemeen wake de ernst en de bezadigdheid der Nederlandsche overheid er voor, dat, nu haar zulke groote bevoegdheid overgelaten is, zoo veel mogelijk willekeur in de toepassing der wet gemeden worde.

Moeielijkheid bestaat nog bij den handel in blanke slavinnen. De vreemde vrouw gaat meestal zoogenaamd in dienst als werkmeisje, linnenmeisje etc, en dit geschiedt zelfs in optima forma daar, waar de bordeelen verboden zijn. Brieven of onderhandsche contracten getuigen daarvan. Mag de overheid met de uitvoering belast op bloot vermoeden een vrouw als prostituée signaleeren? En kan zij haar, op dien grond aannemende, dat zij geen voldoende middel van bestaan heeft, over de grenzen zetten, alhoewel zij (in werkelijkheid of niet) de een of andere werkzaamheid heeft, waardoor zij wellicht in voldoende mate in haar onderhoud kan voorzien? ’t Is duidelijk, dat volgens mij de duidelijke bewoordingen der wet dit niet toelaten. Doch in de practijk zal dit wel weer kunnen geschieden: bij de toelating toch is de vreemdelinge overgeleverd aan hetlibre arbitrevan het politiehoofd. Bij de uitzetting is de kantonrechter vrij in zijn oordeel, behoudens in achtneming van art. 11 der wet van 1849; hij spreekt toch geen vonnis uit onderworpen aan de gewone regelen bij de rechtspraak geldig. Slechts een beroep op het uitvoerend gezag, dat natuurlijk vrij kan beslissen. De geweigerde toelating of de uitzetting zal echter steeds inwaarheid gemotiveerd moeten zijn door aanneming van het feit, dat er geen voldoende middelen van bestaan zijn of verkregen kunnen worden(volgens de interpretatie, die ik van deze uitdrukkingen gaf.)

§ 3. Internationale verklaringen.Aan Nederland komt de eer toe, dat het wat het internationaal recht betreft vooraan staat om de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel ter hulpe te snellen. Om dit initiatief verdient het alle lof en hulde; doch ook slechts om dit initiatief, want, daar alle begin moeielijk is, zoo valt ook ongelukkigerwijze te constateeren, dat de eerste poging zeer weinig bijdraagt om aan het zoo lovenswaardig doel te beantwoorden. Verbetering valt gelukkig te bespeuren bij de volgende pogingen.Ik heb ’t oog op de drie verklaringen door Nederland respectievelijk met België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland uitgewisseld.Een Koninklijk Besluit van 8 Jan. 1887 bepaalde de plaatsing in het Staatsblad van de op 18 Dec. 1886 te Brussel uitgewisselde verklaring betreffende door Nederland en België te nemen maatregelen tegen den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes, S. 2.De 2 eenige artikelen van deze verklaring luiden vertaald aldus:Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Belgische Regeering verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegenharen wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zij zich bevinden worden teruggezonden in de richting van het land, waartoe zij behooren.Art. 2. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, een kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.Ongeveer 2½ jaar later volgde een besluit van den 27stenDec. 1888, dat de plaatsing in het Staatsblad bepaalde van de tusschen Nederland enOostenrijk-Hongarijeuitgewisselde verklaringen, strekkende tot het wederzijds nemen van maatregelen om den zoogenaamden handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan. S. 228. Deze verklaringen tellen een vijftal artikelen van den volgenden inhoud.Art. 1. De Regeering der Nederlanden en van de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie verbinden zich, binnen de grenzen der wet, zooveel mogelijk te bevorderen, dat, tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zijzich bevinden, worden teruggezonden naar het land, waartoe zij behooren.Art. 2. Gezegde regeeringen verbinden zich eveneens binnen de grenzen der wet zooveel mogelijk te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land minderjarig zijn en zich vrijwillig in het andere land aan ontucht overgeven, op verzoek hunner ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.Art. 3. De terugzending zal plaats hebben zonder rekening te houden met de aanspraken, welke derden op dezen vrouwen en meisjes zouden kunnen doen gelden, ten gevolge van de betrekkingen, die uit den staat van ontucht voortvloeien, uitgezonderd het geval, waarin de terugzending in strijd zoude zijn met de uitvoering van een rechterlijk bevel.Art. 4. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.Art. 5. Ingeval de vrouw of het meisje, dat teruggezonden moet worden, niet in staat mocht zijn zelve de kosten van hare overbrenging terug te betalen en zij noch echtgenoot, noch ouders, noch voogden mocht hebben, die voor haar betalen, zullen de op de terugzending gevallen kosten door ieder der wederzijdsche landengedragen worden, voor zooveel betreft de overbrenging op zijn grondgebied.De kosten van vervoer over het grondgebied van een derden staat zullen alsdan ten laste komen van het land, tot hetwelk de vrouw of het meisje, dat teruggezonden is, behoort.Niet lang na de uitwisseling van deze laatste verklaringen, werd den 15 Nov. 1889, een derde verklaring uitgewisseld, en wel met het Duitsche Rijk nopens de van weerszijden te nemen maatregelen tegen den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes. Wegens de geldelijke verplichtingen, die ten gevolge van deze verklaring het Rijk op zich nam, moest deze de goedkeuring der Staten-Generaal verwerven volgens voorschrift van art. 592ºG. W. Den 15denApril 1891 volgde pas het bevel tot plaatsing in het Staatsblad (S. 85) van de wet, waarvan het eenig artikel de goedkeuring behelsde van de bovengenoemde verklaring met Duitschland.De 7 artt. van deze verklaring luiden als volgt:Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Regeering des Duitschen Rijks verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat de tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, die zich in het andere land aan ontucht overgeven, onderworpen worden aan een verhoor, ten einde te doen blijken, van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten.De te dier zake op te maken processen-verbaal zullenworden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.Art. 2. De contracteerende partijen verbinden zich insgelijks zooveel mogelijk binnen de wettelijke grenzen te bevorderen, dat diegene van die vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, worden teruggezonden uit het land, waar zij zich bevinden en overgebracht worden naar de grens van haar geboorteland.Art. 3. De contracteerende partijen verbinden zich buitendien zooveel mogelijk, binnen de wettelijke grenzen, te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land nog minderjarig zijn en die zich in het andere land vrijwillig aan ontucht overgeven, op verzoek harer ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.Art. 4. Alvorens de terugzending van eene der bij de artt. 2 en 3 vermelde personen te doen plaats hebben, zal de daarmede belaste overheid door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de bedoelde persoon behoort, aan de personen, die gezag over haar uitoefenen,eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal worden overgebracht.Art. 5. De briefwisseling tusschen de overheden der beide landen, betrekkelijk die terugzending zal, zooveel mogelijk, rechtstreeks worden gevoerd.Art. 6. In geval de kosten veroorzaakt door het onderhoud en de terugzending van die vrouwen en meisjes tot aan de grens, niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelven, noch door haar echtgenoote, ouders of voogden, zullen die kosten gedragen worden door den Staat, die de terugzending heeft bewerkstelligd.Art. 7. De tegenwoordige verklaring zal worden bekrachtigd en de akten tot bekrachtiging daarvan zullen zoo spoedig mogelijk te ’s Hage worden uitgewisseld etc. etc.Van dezen inhoud zijn de 3 verklaringen, die onze Regeering successievelijk met België, Oostenrijk, Hongarije en Duitschland uitgewisseld heeft. Het zijn verklaringen, geen tractaten; internationale schikkingen van de laatsten in vorm, inhoud en belang verschillend, zooals de minister van buitenl. zaken in de Eerste Kamer zeide. Wat de uiting aangaande het minderwaardige belang aangaat, dit moge in het algemeen waar zijn, in het onderhavige geval zullen wij dit niet cum grano salis opvatten. Welke andere belangen toch evenaren het belang, dat bij deze kwestie op ’t spel staat?De inhoud laat wel is waar iets te wenschen over en vooral bij de eerste schikkingen hebben wij te doen met zuivere verklaringen van administratief karakter en er is geen sprake van het bedingen van wederzijdsche rechten en concessiën, zooals meestal het onderwerp zijn van tractaten.Ook de vorm verschilt, in zooverre als de onderteekeningenniet plaats hebben door speciale gevolmachtigden, maar namens de regeeringen door de gezanten of ministers met latere ratificatie. Het geheel toont aan, dat op het stellen van scherpe juridische begrippen blijkbaar minder is gelet. Vreemd is, dat, waarop ook de aandacht gevestigd werd bij de behandeling in de Kamers (van het wetsontwerp tot goedkeuring van de Verklaring met Duitschland), de considerans verschilt van het intitulé. De eerste spreekt van “de in gemeen overleg te nemen maatregelen tot bescherming van ontuchtige vrouwen in zekere gevallen verkeerende” (of: “van zekere categorieën van ontuchtige vrouwen”) terwijl volgens het intitulé maatregelen worden getroffen tegen den zoogenaamde handel in jeugdige vrouwen en en meisjes. Volgens de Regeering drukt dit laatste de strekking van de verklaring het best uit.In aanmerking moet genomen worden, dat slechts bij de laatste verklaring een en ander uitlekt van hetgeen de Regeering met sommige bewoordingen bedoelt, hetgeen zoowel plaats heeft in de Memorie van Toelichting, als in de Memorie van Antwoord en bij de beraadslagingen in de Kamers. Daar in sommige opzichten de 3 verklaringen, die toch hetzelfde doel beoogen, in de redactie der artikelen overeenstemmen, zoo zal men het niet gewaagd kunnen noemen, als ik bij de interpretatie der 2 eerste verklaringen een voorzichtig gebruik maak van hetgeen bij de 3deverklaring gezegd en voorgevallen is.Artikel 1 van de eerste verklaring stemt overeen met art. 1 van de tweede en art. 2 van de derde. Een geringverschil in redactie in art. 1 van de verklaring met Oostenrijk-Hongarije is van geen belang. Dit artikel stelt daar eene bevoegdheid der politie: eene nieuwe of een oude bevoegdheid? Dit hangt af van de oplossing der vraag of er, en zoo ja, in hoeverre er dan een onbeschreven politierecht zoude bestaan, die der politie een preventieve bevoegdheid toekent om op te treden, waar ’t geldt de openbare orde en veiligheid te handhaven, personen etc. te beschermen en verder om steeds op alle wijzen, die de wet niet verbiedt, met tact werkzaam te wezen ter bevordering van dit doel.Daar mijns inziens deze vraag in bevestigenden zin moet beantwoord worden, ben ik van meening, dat bij eene opvatting van hare roeping door de politie in dezen zin deze ook zonder art. 1 (resp. art. 1 van 1888 en art. 2 van 1889) zou kunnen handelen als in dit artikel bedoeld wordt. Mogelijk zit dus de kracht van deze artikelen in het woord “bevorderen”, waardoor de Regeering belooft het hare er toe bij te brengen de magistraten voortdurend op hun plicht te wijzen door missives en circulaires.Doch ik loop mijn betoog vooruit door van de taak der politie in dezen te spreken, voordat ik heb nagegaan wat bedoeld kan wezen met de woorden “binnen de wettelijke grenzen”.De Minister van Justitie hechtte in 1891 aan de genoemde woorden dezen zin: “voorzoover de wetten hier te lande ’t toelaten met in achtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” En daarbij wees hij vooral op de wet van 13 Augustus 1849 (Stsbl. 39)tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen.Deze wet regelt de uitzetting van vreemdelingen. Dit geschiedt, zooals wij reeds zagen, òf door den kantonregter òf op ’s konings last. In het eerste geval wegens gemis der vereischten in art. 1 opgegeven, altijd mits de vreemdeling toegelaten en hem een reis- en verblijfpas uitgereikt is. Maar, wanneer er een reden is tot uitzetting, dan moet de overheid ook haar plicht vervullen en mag er niet gewacht worden, totdat de vrouw het zelf verzoekt, of totdat het verzoek komt van de personen, die gezag over haar uitoefenen. En waarom dan de beperking tot de vrouwen, die tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven? Dat is mij niet duidelijk, althans van het standpunt van degenen, die het op grond van art. 1 der vreemdelingenwet toelaatbaar achten, dat eene vreemde prostituée op grond van haar ontuchtig leven niet toegelaten of uitgezet wordt. De Minister van Justitie oordeelde ook aldus in zijne Memorie van Antwoord op de bemerkingen van het voorloopig verslag in zake de verklaring met Duitschland.Bij nauwkeurige bestudeering van deze 3 tractaten kan men niet anders dan tot deze conclusie komen, dat de Regeering gedwaald heeft in deze zaak.Van welk standpunt moeten wij uitgaan?Er moet onderscheid gemaakt worden tusschen:1e.uitleveringd. i. “de overlevering van ter zake van misdrijf vervolgde of veroordeelde personen, door de regeering van den staat, op wiens grondgebied zij zichbevinden aan die van een anderen staat ter berechting en bestraffing” (Van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht, pag. 148). Hierbij heeft overlevering van de eene politie aan de andere plaats. Deze uitlevering is geregeld bij de wet van 6 April 1875 (Stsbl. 66) Hiermee hebben wij bij deze kwestie niets te maken.2º.Uitzetting, d. i. eene wijze van handelen, die plaats heeft op grond van de vreemdelingenwet van 1849. De vreemdeling wordt tot ’s lands grens vervoerd en daar aan zijn lot overgelaten. Dit gaat geheel buiten de politie van het andere land om.3º. Wat ik zou willen noemen “uitleiding”. Onder het gezag van anderen staande vreemdelingen worden op verzoek van hen, die dat gezag uitoefenen, weer teruggevoerd naar hun land en aan de hoede der laatsten toevertrouwd. Degenen, die het gezag uitoefenen, nemen de uitgeleide vreemdelingen zelf over, of als hun lasthebster belast de vreemde politie zich met deze taak. En onze politie: welke rol vervult zij bij de uitleiding? Zij steunt op haar algemeene onbeschreven bevoegdheid om preventief te handelen, met tact en voorzoover zij de wetten en instructies niet overtreedt. Overigens handelt ook zij als lasthebster der ouders, voogden etc.; waarom toch zou zij dit niet doen waar het vreemdelingen geldt, terwijl zij meent wel bevoegd te zijn, waar het verzoek geschiedt door ingezetenen?Hebben wij bij deze verklaringen te doen metuitzettingof metuitleiding? Het is mogelijk, dat in depraktijk wel eens sprake kan zijn van uitzetting, doch dat in generali van eene uitleiding sprake is, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. De terugzending naar het land, van waar de meisjes afkomstig zijn, geschiedt toch op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen. (Doch ook op haar eigen verzoek; dit is dan eene zuivere politiezorg). De uitleiding van minderjarigen, of in generali de terugbezorging van minderjarigen aan hun ouders en voogden, is niet door eene wet geregeld. Zij volgt uit de algemeene beginselen van burgerlijke wetgeving en omtrent de bevoegdheid der politie. Onjuist is dus de uitlegging van de woorden “binnen de wettelijke grenzen” als zouden deze beteekenen “voor zooveel de wetten hier te lande het toelaten met inachtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” Ik acht juister eene negatieve interpretatie: “voor zoover de wetten en instructies het niet verbieden.”Met eene uitzetting volgens de wet van 1849 hebben wij hier dus niet te doen. Omdat de Regeering—ten onrechte—dit wel meende, heeft zij ook slechts de derde verklaring aan de goedkeuring onderworpen van de Staten-Generaal. Zij beschouwde de bestrijding der kosten van de uitleiding in de 2 eerste tractaten uit ’s lands middelen reeds gedekt door wettelijke goedkeuring, daar ’t toch kosten waren, die op de uitzetting van vreemdelingen vielen. Dat bij de verklaring met Duitschland niet volstaan werd met een mededeeling aan de Staten-Generaal vond—aldus sprak de Regeering—zijn reden in het feit, dat ’t land hier wel eensmeerdere kosten zou moeten dragen. In hoeverre dit waar kan zijn, laat ik daar, maar terecht werd in het voorloopig verslag van de 2deKamer opgemerkt, dat dit slechts een kwestie was van meer of minder.Daar hier—zooals ik boven betoogde—de uitleiding met eene uitzetting niets te maken heeft, zoo is het onbetwistbaar, dat zoo er kosten vallen op uitleidingen volgens de 1steen 2deverklaring, deze niet door ’t land zullen gedragen kunnen worden. Met andere woorden: ook deze 2 verklaringen hadden de goedkeuring der Staten-Generaal moeten verwerven op grond van art. 59 tweede lid G. W.Er wordt in de 3 verklaringen resp. in de artt. 1, 1 en 2 gesproken van “vrouwen en meisjes, welke tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven.” De woorden “tegen haar wil” “contre leur volonté” bezorgen velen moeilijkheid. Ook het verslag der Commissie uit de 2deKamer, die den 6enMei rapport uitbracht over de verklaring met België uitgewisseld, gaf eenige op- en aanmerkingen over deze 3 woorden. Zij vroeg uit welke omstandigheden en op welk tijdstip van dit gedwongen worden tegen eigen wil zal moeten blijken. Wie moet omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie beslissen?HetBulletin Continentalvan 15 Jan. 1887 brengt, na alle lof aan de idee toegezwaaid te hebben, ook moeielijkheden aangaande dit punt te berde. “On ne sait pas au juste, ce qu’il faut entendre par ces “filles qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer àla prostitution.” Repatriera-t-on toutes les filles, qui se trouvent dans le besoin et en danger de tomber dans la prostitution où seulement celles, qui ont été attirées hors de leur pays par des moyensfrauduleux, comme le font supposer les mots “contre leur volonté”?In de Memorie van Antwoord zegt de minister bij artikel 2 van de Verklaring met Duitschland. “Wat onder de woorden “contre leur volonté” moet worden verstaan, kan niet volkomen gedefiniëerd worden. In ieder bijzonder geval zal ’t moeten worden beoordeeld.”Bieden deze woorden inwerkelijkheidzoo’n moeilijkheid aan, als deze bezwaren zouden doen vermoeden? Met den Minister ben ik het eens, dat in ieder speciaal geval over het gebrek aan toestemming moet beslist worden. Het intitulé der verklaringen wijst er op, dat hier sprake moet zijn van de vrouwen en meisjes, die de dupe zijn geworden van de handelaars in blanke slavinnen. In dien zin moeten dus ook de woorden “tegen haar wil” verstaan worden. De bezwaren van hetBulletin Continentalzijn dus gemakkelijk op te lossen. Redeneerende volgens den gedachtengang van dit maandblad zoude bijna iedere prostituée zonder uitzondering onder het artikel vallen. Iedere prostituée levert zich in zooverre “tegen haar wil” aan de ontucht over, als zij toch wel zou prefereeren een ander gemakkelijk bestaan, dat haar ook een zekere weelde zou kunnenverschaffen. Neen het komt hier alleen aan op de“moyens frauduleux”. Daar de uitdrukking “tegen haar wil” voor dezen of genen onduidelijk is, ware het beter geweest eene meer duidelijke uitdrukking vande gedachte te kiezen b.v. “tegen haar wil door toedoen van anderen”.Daar de meisjeshandel zich onder zooveel verscheidene omstandigheden voordoet, valt natuurlijk niet a priori aan te geven, uit welke omstandigheden het gedwongen worden zich tegen eigen wil aan de ontucht over te geven kan blijken. En op welk tijdstip moet hiervan blijken, vraagt de commissie van 1887. Mijns inziens moeten de woorden: “vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven” geïnterpreteerd worden op de wijze van het Perfectum van een Grieksch werkwoord. Dus: zij die nu in den toestand verkeeren, dat zij zich tegen haar wil aan de ontucht overgeven, nadat zij in dien toestand door anderen gebracht zijn. Het zich overgeven aan de ontucht tegen haar wil moet dus ook bestaan op het oogenblik van het verzoek hetzij van de vrouw zelf hetzij van de personen, die gezag over haar uitoefenen.In eene circulaire van den Minister van Justitie van den 7denJuli 1892 “houdende voorschriften ter uitvoering van de verklaringen met België, Duitschland en Oostenrijk betreffende den handel in vrouwen en meisjes” wordt blijkbaar dezelfde meening gehuldigd. Het heet daar toch: “Vandaar dan ook dat men allereerst daarop bedacht is geweest om aan die vrouwen en meisjes, welke tegen wil en bedoeling naar elders zijn gebracht enmet het ontuchtig leven willen breken, den terugkeer naar haar land en familie gemakkelijk en mogelijk te maken.”Wie nu moet beslissen omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie, is niet moeilijk aan te geven. Dit is natuurlijk het hoofd der politie; de politie is hier toch alleen werkzaam, binnen haar bevoegdheid speelt zich het geheele bedrijf af. Acht men soms eene beslissing over dit punt door de politie ongewenscht? Ik zou mij niet kunnen voorstellen, welke moeilijkheid er uit zou kunnen voortspruiten. Ja, er is toch iets en daarop heeft het Kamerlid de Beaufort gewezen bij de behandeling van de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland. Het meisje kan doen voorkomen, alsof zij tegen haar wil door toedoen van anderen een ontuchtig leven leidt om zoodoende kosteloos naar haar vaderland teruggebracht te worden. Dit is voorzeker een te vreezen misbruik, waartegen evenwel door een nauwkeurig onderzoek zooveel mogelijk gewaakt kan worden.De terugzending kan geschieden op verzoek der personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Uit de andere bepalingen blijkt dat men hier ook ’t oog heeft op de getrouwde vrouw, als staande onder het gezag van den man. Met een der sprekers in de 2deKamer betwijfelende of een dergelijk geval zich wel dikwijls zal voordoen, meen ik overigens, dat de man niet een dergelijk gezag over zijn vrouw heeft als de ouders over hun kinderen, zoodat het onmogelijk is dat de politie zou kunnen optreden als lasthebster van den man om zijne vrouw terug te bezorgen, daar de man zelf de bevoegdheid mist de vrouw met dwang tot zich te brengen.De vrouw of het meisje zal in de richting van het land, waartoe zij behoort teruggezonden worden.De bewoordingen in de 3 verklaringen variëeren; de bedoeling komt evenwel hierop neer, dat zij tot de grens van het land gebracht wordt.Ons de maatregel der terugzending zoo effectief mogelijk te maken dienen de bepalingen 2, 4, 4 uit de 3 internationale schikkingen. Zij schrijven voor, dat, voor dat tot de uitleiding overgegaan wordt, een kennisgeving gericht moet worden aan de personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Deze kennisgeving moet vermelden den dag waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats waarheen de opzending zal plaats hebben. Art. 4 van de verklaring met Duitschland schrijft voor dat dit geschieden moet door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de vrouw behoort. Mij is niet duidelijk, waartoe deze administratieve omslachtigheid noodig is, althans waarom zij dringend voorgeschreven is. Men had dit aan ’t oordeel van de met de terugzending belaste overheid kunnen overlaten.De man kan dus de terugzending zijner vrouw niet verlangen, wanneer zij er zich tegen verzet2; eene kennisgeving is hier niet noodig. Wel, natuurlijk, wanneer de getrouwde vrouw zelf hare uitleiding verzoekt.In de reeds geciteerde circulaire van 1892 gaat deMinister in verhaaltrant deze 2 artikelen, welke de 3 verklaringen gemeen hebben, door; de Minister vermeldt daar dus geen nieuws. Verder geeft hij eenige voorschriften aangaande de bestrijding der kosten van vervoer. Wel dien ik nog naar aanleiding van art. 1 der verklaring met Oostenrijk op te merken, dat het volgens ’s Ministers oordeel wenschelijk is met ’t oog op deverrekeningvan kosten zooveel mogelijk de afhaling van Oostenrijksche en Hongaarsche vrouwen hier te lande, althans aan de Nederlandsch-Duitsche grens, te verzekeren, daar de terugzending van die vrouwen en meisjes over Duitsch grondgebied moet geschieden en dit transit niet is geregeld. Nederlandsche vrouwen en meisjes moeten aan de Oostenrijksch-Duitsche of Oostenrijksch-Zwitsersche grens door Nederlandsche beambten overgenomen worden, indien zij niet hierheen gebracht worden.De bespreking van de verklaring met België uitgewisseld is hiermede afgesloten. We komen nu tot art. 2 der Oostenrijksche verklaring, dat overeenkomt met art. 3 van die met Duitschland uitgewisseld. Deze artikelen hooren niet thuis in deze verklaringen, waarvan het intitulé en de considerans ten duidelijkste aanwijzen, dat zij slechts het nemen van maatregelen beoogen om den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan.Ook volgens haar statutum personale minderjarige vreemdelingen, die zich vrijwillig aan de ontucht overgeven, worden op verzoek hunner ouders of voogden teruggezonden. Ad art. 3 zegt de Memorie van Antwoordvan de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland: “Het is zeer zeker de taak der politie om wanneer haar daartoe door ouders of voogden het verzoek wordt gedaan de behulpzame hand te bieden tot het weder in hunne macht brengen van die minderjarigen. Waar zulks in het belang der minderjarigen wordt geacht, wordt hier te lande steeds in dien geest gehandeld en bestaat er geen reden waarom dezelfde gedragslijn niet tegenover vreemdelingen zoude worden gevolgd.”De voorschriften omtrent vervoer en bestrijding van kosten met ’t oog op de meisjes, die slachtoffers zijn van dezen handel, zijn ook toepasselijk bij de meisjes, die zich vrijwillig prostitueeren. Dit wordt uitdrukkelijk in de circulaire te kennen gegeven.In deze kennisgeving zegt de Minister verder: “Bij de overweging van de vraag of aan een verzoek om terugzending zal worden gevolg gegeven—hetwelk steeds zal behooren te geschieden indien de betrokken persoon verkeert in een geval, als in de toepasselijke verklaring bedoeld, en geen wettelijk voorschrift of rechterlijk bevel zich daartegen verzet—mag in geen geval rekening gehouden worden met aanspraken van derden op de vrouw of het meisje ten gevolge van betrekkingen uit ontucht voortvloeiende. De verklaring met Oostenrijk-Hongarije zegt dit ten overvloede uitdrukkelijk.” Dit heeft plaats in art. 3.Zooals de Minister terecht verklaart, zegt de verklaring met Oostenrijk-Hongarije dit “ten overvloede.” Art. 1371 jo. 1373 Burgerlijk Wetboek verbiedt toch iedereovereenkomst, waarvan de oorzaak bij de wet verboden is, of strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.Een meisje kan dus niet teruggehouden worden, omdat de bordeelhouder een paar dagen te voren een paar honderd gulden voor haar aan een placeur gegeven heeft en hij deze op de debetzijde van het meisje geplaatst heeft. Voor dergelijke schulden kan niet een quasi-hypotheek (zooals Yves Guyot het uitdrukt) op het meisje gevestigd blijven. Wat andere schulden betreft, als de voorgeschoten waarde van kleedingstukken en toiletartikelen, zoo zal de bordeelhouder zich tot den rechter kunnen wenden, indien hij voldoening daarvan wenscht. Het rechterlijk vonnis zal dan beslissen in hoeverre uitleiding niet geoorloofd zal zijn.3De artt. 5, 6 en 7 uit de verklaring met Duitschland zijn bepalingen, die niet voorkomen in de andere 2 internationale schikkingen.De briefwisseling betrekkelijk de terugzending, het gevolg zijnde van de kennisgeving in art. 4 bedoeld, wordt volgens art. 5 tusschen de overheden der beide landen rechtstreeks gevoerd.Art. 6 geeft regelen aangaande de kosten van onderhoud en vervoer tot aan de grens. Zoo deze niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelve, noch door haar echtgenooten, ouders of voogden, wordenze door den Staat gedragen, die de terugzending heeft bewerkstelligd. Hetzelfde zal toepasselijk zijn bij de terugzending van Belgische en Oostenrijksche of Hongaarsche meisjes. In het Voorloopig Verslag werd de vrees uitgesproken, dat zware kosten op Nederland zouden drukken, naar evenredigheid veel meer dan op Duitschland. In zijn Memorie antwoordde de minister, dat de kosten toch betrekkelijk gering zouden zijn. Tijdens de onderhandelingen, die met den meesten spoed plaats moeten hebben, zullen de vrouwen in een passantenhuis of in een huis van bewaring worden opgenomen. Zij vallen toch onder de in art. 33ovan de Gestichtenwet van 3 Jan. 1884 (S. 3) genoemde »andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen”. Het vervoer op de spoorwegen, voor zoover het onder geleide plaats heeft, geschiedt kosteloos en wat de hoogere kosten aangaat die Nederland moet dragen in vergelijking met Duitschland, zoo wordt daarentegen ons land,—aldus zegt de minister—gezuiverd van personen, die er slechts ellende en verderf verspreiden.Art. 7 handelt over de bekrachtiging en de spoedige uitwisseling der akten van bekrachtiging te ’s Hage.We zijn nu zoover gekomen, dat we weten, hoe de verschillende Regeeringen, boven genoemd, verklaren te zullen handelen om de misleide vrouwen te redden.Maar daarmede zijn we werkelijk niet ver, want hoe komt men te weten, dat er meisjes en vrouwen zijn, die aldus door drang zich aan de prostitutie overgeven? Ware dit duidelijk aangegeven, we zouden werkelijk een schrede verder zijn op het goede pad. Doch dit isen blijft altijd de groote moeilijkheid. Meer dan eens heb ik er op gewezen, op welke geheimzinnige wijzen de handelaars in blanke slavinnen te werk gaan.Er bestaat eene missive van den Minister van Justitie Godefroi dd. 7 Juni 1860 no. 162 houdende bepalingen ter voorkoming en voorziening, dat vrouwen in de huizen van ontucht, alwaar zij zich bevinden, tegen haar verlangen worden teruggehouden. Deze missive vaardigde de Minister uit naar aanleiding van een geval, dat een meisje in een bordeel als ’t ware gevangen gehouden werd. De Minister wijst op de bevoegdheid van den burgemeester, die dezen door art. 188 Gemeentewet verleent wordt. Aangaande te nemen maatregelen raadt hij overleg aan met de procureur-generaals en de officieren van justitie. Hoewel de Minister zelf geen middelen wil aangeven, acht hij toch ’t onverwacht bezoeken van bordeelen door vertrouwde politiebeambten zeer doeltreffend. Een andere maatregel zou hierin kunnen bestaan, dat de vrouwen in de bedoelde huizen inwonende onderricht werden van de bevoegdheid, die zij hebben, die huizen desverlangende te verlaten.Deze maatregelen worden dan ook wel genomen in gemeenten, waar bordeelen bestaan, hetzij al dan niet gereglementeerd. De Amsterdamsche politie had de gewoonte bussen te plaatsen in die huizen, waarin de prostituées brieven konden werpen; de politie ledigde die bussen zelf.Verder biedt art. 452 Wetboek van Strafrecht, dat ik hierboven besprak, gelegenheid werkzaam te zijnom op de hoogte te komen van de gevallen van gedwongen prostitutie.Juist de wenschelijkheid om allereerst op ’t spoor te geraken van deze gevallen was de opname van art. 1 in de verklaring met Duitschland op speciaal verlangen der Duitsche regeering. Zooveel mogelijk moet bevorderd worden binnen de wettelijke grenzen, dat de bedoelde meisjes aan een verhoor worden onderworpen ten einde te doen blijken van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten. Hieromtrent zegt de Memorie van Antwoord, dat dit artikel natuurlijk geen verplichting oplegt om bedoelde vrouwen en meisjes tot een verhoor te dwingen buiten de wet om. Eigenlijk beteekent dus dit eerste lid van art. 1 niet veel. In sommige gevallen biedt onze wetgeving gelegenheid om een dergelijk verhoor af te nemen (ik gaf ze zoo even aan) doch van een verplichting aan de meisjes opgelegd is in onze wetgeving niets te bespeuren. “Binnen de wettelijke grenzen” wil m.i. zeggen: voorzoover de wet zoodanig verhoor toelaat, dat is niet verbiedt; volstrekt niet; voorzoover de wet zoodanig verhoor “voorschrijft”. (Memorie van Antwoord).De minister zegt ook: “Intusschen behoeft men zich geenszins te beperken tot vrouwen in bordeelen.” Dit is werkelijk gemakkelijk gezegd. De praktijk en de wet leeren evenwel anders. De moeilijkheid om aan te toonen, dat eene vrouw zich buiten een bordeel aan prostitutie overgeeft is zeer groot en bovendien zijn de weinige middelen, die gelegenheid geven zich prostituëerendevrouwen een verhoor te doen ondergaan beperkt tot de prostituées in bordeelen.En daar waar de bordeelen bij politieverordeningen in ons land verboden zijn, is de toepassing van het geheele artikel onmogelijk. Zoo b. v. in Amsterdam sedert de strafbaarstelling van het houden van bordeelen bij politieverordening van 1897.Hoe groot de practische bezwaren en moeielijkheden zijn om ten opzichte van prostituées in bordeelen achter de waarheid te komen, zal de politie zelf het beste kunnen getuigen.Het 2de lid van art. 1 van de verklaring met Duitschland bepaalt, dat de processen-verbaal der genomen verhooren moeten worden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.Naar aanleiding van klachten, door de Duitsche regeering geuit, over de niet zeer nauwkeurige invulling van deze processen-verbaal, bestaat een circulaire van den Minister van Justitie dd. 19 Aug. 1896 no. 314, “betreffend nauwkeurige invulling van de geboorteplaats in processen-verbaal van verhoor van Duitsche prostituées”.Hier en daar bij de bespreking der 3 verklaringen heb ik reeds eenige indrukken weergegeven, waartoe de verschillende artikelen mij aanleiding gaven. Wat is nu de indruk van het geheel? Met niet genoeg ernst zijn de belangen behartigd van de vrouwen en meisjes, die dupe zijn der bedriegelijke handelingen van placeurs en bordeelhouders. Men heeft meer gedacht aan eene beschermingvan minderjarigen, dan het opschrift der verklaringen het recht zou geven te vermoeden. Daarvan getuigen reeds de artt. 2 en 3 respectievelijk uit de verklaringen met Oostenrijk-Hongarije en Duitschland.En als men ook aan meerderjarigen (de getrouwde vrouwen buiten bespreking gelaten) heeft gedacht, dan is ’t bepaald eene ironie te vernemen, dat zij zelf hare terugzending moeten verlangen aan de overheid. Ja, wanneer zij eenmaal daartoe in staat zijn dan is het ergste reeds geleden; in de 99 van de 100 gevallen zal der overheid een dergelijk verzoek niet ter oore komen.Er moet aan den anderen kant wel bedacht worden, dat we ons op een terrein bevinden, dat zich pas in een begin van exploitatie bevindt. Hoe meer men er mee vertrouwd geraakt, des te beter zullen de maatregelen zijn, die getroffen worden. Buitendien hebben we te doen met verklaringen; deze kunnen uit den aard der zaak nieuwe onderwerpen slechts gebrekkig regelen.Deze verklaringen strekken dus ook om beschermende maatregelen te nemen ten opzichte van de Nederlandsche meisjes en vrouwen, die naar België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland geëxporteerd zijn. Zijn nu de vrouwen, die naar andere landen vervoerd zijn, geheel van bescherming verstoken? Dit behoeft niet zoo te wezen. Tot de vertegenwoordigers der Nederlandsche Regeering kunnen zij of derden zich wenden met een verzoek om hulp en steun. Ik heb hier vooral het oog op de consulaire ambtenaren. De plichten van deze zijn toch niet alleen tot handelsaangelegenheden beperkt. Zij hebbenhun “goeden raad en bijstand te verleenen aan alle Nederlanders en onderdanen van Nederlandsch-Indië, die deze inroepen.” (Algemeene voorschriften voor de Nederlandsche consulaire ambtenaren door den Minister van Buitenlandsche Zaken L. Gericke.) Mochten Nederlandsche of Nederl.-Indische onderdanen in hunne personen of goederen bedreigd worden, dan hebben de consulaire ambtenaren deze in hun goed recht en de voorrechten hun bij de verdragen verzekerd te handhaven, zij moeten vooral onderstand verleenen aan hen, die door omstandigheden geheel buiten hun toedoen in nood geraakt zijn. (id.) Het consulair reglement van 27 Juni 1874 bepaalt, dat de behoeftigen op de minst kostbare wijze naar het land teruggezonden moeten worden. (art. 24).We zien dus dat de consulaire ambtenaren op velerlei wijze in de goede richting werkzaam kunnen zijn ter bestrijding van dit maatschappelijk euvel, ter bescherming van de slachtoffers daarvan, doch ook ter voorkoming, dat de plannen der handelaars verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Zij kunnen toch bekend maken, dat er zich handelaars van elders naar ons land begeven om op roof uit te gaan. Deze bekendmaking moet uitgaan van het Departement van Buitenlandsche Zaken waaraan deze mededeelingen gericht kunnen worden.Vele consuls hebben het goede voor, en zij, die er niet op bedacht zijn, kunnen de noodige aanschrijvingen in dezen geest van de Regeering ontvangen. Bij slotsom hangt alles af van den goeden wil van het Departement van Buitenlandsche Zaken. Dat deze goede wil in dit opzicht nimmer moge ontbreken is mijn welgemeendewensch! ’t Is duidelijk, wanneer de drang niet van boven uitgaat, geeft de werkzaamheid der consulaire ambtenaren ten slotte niets; en hunne pogingen op den duur zonder goeden uitslag bekroond ziende, zullen er allicht zijn, die ten slotte hunne moeite om op allerlei wijzen den blanke slavinnenhandel tegen te gaan zullen opgeven.Een zware last drukt verder op de niet-gesalariëerde consuls, wanneer zij hulp moeten bieden met geldelijke steun aan de behoeftige en verlaten meisjes, die zij uit de handen der placeurs en bordeelhouders hebben kunnen redden.Van de diplomatieke vertegenwoordigers, gezanten en anderen kan ook zeer veel heil verwacht worden; als mogelijke tusschenpersonen tusschen de consulaire ambtenaren en het ministerie van buitenlandsche zaken behooren zij het goede voor te staan en met allen aandrang te wijzen op den deerniswaardigen toestand, waarin Hollandsche meisjes zich in den vreemde bevinden. Van de détails, waarmee zij uit den aard der zaak niet zoo licht bekend raken, moeten de consuls en anderen hen op de hoogte brengen.’t Zij nogmaals herhaald: ook in deze kwestie kan en moet “Buitenlandsche Zaken” met kracht en ijver werkzaam zijn, opdat door zijne medewerking de handel in blanke slavinnen niet spoedig tot het verleden zal behooren—want dit zal steeds tot de pia vota blijven behooren—maar opdat hij althans wat den omvang zijner gevolgen betreft zooveel mogelijk beperkt worde.

Aan Nederland komt de eer toe, dat het wat het internationaal recht betreft vooraan staat om de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel ter hulpe te snellen. Om dit initiatief verdient het alle lof en hulde; doch ook slechts om dit initiatief, want, daar alle begin moeielijk is, zoo valt ook ongelukkigerwijze te constateeren, dat de eerste poging zeer weinig bijdraagt om aan het zoo lovenswaardig doel te beantwoorden. Verbetering valt gelukkig te bespeuren bij de volgende pogingen.

Ik heb ’t oog op de drie verklaringen door Nederland respectievelijk met België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland uitgewisseld.

Een Koninklijk Besluit van 8 Jan. 1887 bepaalde de plaatsing in het Staatsblad van de op 18 Dec. 1886 te Brussel uitgewisselde verklaring betreffende door Nederland en België te nemen maatregelen tegen den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes, S. 2.

De 2 eenige artikelen van deze verklaring luiden vertaald aldus:

Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Belgische Regeering verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegenharen wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zij zich bevinden worden teruggezonden in de richting van het land, waartoe zij behooren.

Art. 2. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, een kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.

Ongeveer 2½ jaar later volgde een besluit van den 27stenDec. 1888, dat de plaatsing in het Staatsblad bepaalde van de tusschen Nederland enOostenrijk-Hongarijeuitgewisselde verklaringen, strekkende tot het wederzijds nemen van maatregelen om den zoogenaamden handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan. S. 228. Deze verklaringen tellen een vijftal artikelen van den volgenden inhoud.

Art. 1. De Regeering der Nederlanden en van de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie verbinden zich, binnen de grenzen der wet, zooveel mogelijk te bevorderen, dat, tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, uit het land, waar zijzich bevinden, worden teruggezonden naar het land, waartoe zij behooren.

Art. 2. Gezegde regeeringen verbinden zich eveneens binnen de grenzen der wet zooveel mogelijk te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land minderjarig zijn en zich vrijwillig in het andere land aan ontucht overgeven, op verzoek hunner ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.

Art. 3. De terugzending zal plaats hebben zonder rekening te houden met de aanspraken, welke derden op dezen vrouwen en meisjes zouden kunnen doen gelden, ten gevolge van de betrekkingen, die uit den staat van ontucht voortvloeien, uitgezonderd het geval, waarin de terugzending in strijd zoude zijn met de uitvoering van een rechterlijk bevel.

Art. 4. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over haar uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal opgezonden worden.

Art. 5. Ingeval de vrouw of het meisje, dat teruggezonden moet worden, niet in staat mocht zijn zelve de kosten van hare overbrenging terug te betalen en zij noch echtgenoot, noch ouders, noch voogden mocht hebben, die voor haar betalen, zullen de op de terugzending gevallen kosten door ieder der wederzijdsche landengedragen worden, voor zooveel betreft de overbrenging op zijn grondgebied.

De kosten van vervoer over het grondgebied van een derden staat zullen alsdan ten laste komen van het land, tot hetwelk de vrouw of het meisje, dat teruggezonden is, behoort.

Niet lang na de uitwisseling van deze laatste verklaringen, werd den 15 Nov. 1889, een derde verklaring uitgewisseld, en wel met het Duitsche Rijk nopens de van weerszijden te nemen maatregelen tegen den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes. Wegens de geldelijke verplichtingen, die ten gevolge van deze verklaring het Rijk op zich nam, moest deze de goedkeuring der Staten-Generaal verwerven volgens voorschrift van art. 592ºG. W. Den 15denApril 1891 volgde pas het bevel tot plaatsing in het Staatsblad (S. 85) van de wet, waarvan het eenig artikel de goedkeuring behelsde van de bovengenoemde verklaring met Duitschland.

De 7 artt. van deze verklaring luiden als volgt:

Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Regeering des Duitschen Rijks verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te bevorderen, dat de tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes, die zich in het andere land aan ontucht overgeven, onderworpen worden aan een verhoor, ten einde te doen blijken, van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten.

De te dier zake op te maken processen-verbaal zullenworden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.

Art. 2. De contracteerende partijen verbinden zich insgelijks zooveel mogelijk binnen de wettelijke grenzen te bevorderen, dat diegene van die vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, worden teruggezonden uit het land, waar zij zich bevinden en overgebracht worden naar de grens van haar geboorteland.

Art. 3. De contracteerende partijen verbinden zich buitendien zooveel mogelijk, binnen de wettelijke grenzen, te bevorderen, dat meisjes, die volgens de wetten van haar land nog minderjarig zijn en die zich in het andere land vrijwillig aan ontucht overgeven, op verzoek harer ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.

Art. 4. Alvorens de terugzending van eene der bij de artt. 2 en 3 vermelde personen te doen plaats hebben, zal de daarmede belaste overheid door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de bedoelde persoon behoort, aan de personen, die gezag over haar uitoefenen,eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of het meisje zal worden overgebracht.

Art. 5. De briefwisseling tusschen de overheden der beide landen, betrekkelijk die terugzending zal, zooveel mogelijk, rechtstreeks worden gevoerd.

Art. 6. In geval de kosten veroorzaakt door het onderhoud en de terugzending van die vrouwen en meisjes tot aan de grens, niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelven, noch door haar echtgenoote, ouders of voogden, zullen die kosten gedragen worden door den Staat, die de terugzending heeft bewerkstelligd.

Art. 7. De tegenwoordige verklaring zal worden bekrachtigd en de akten tot bekrachtiging daarvan zullen zoo spoedig mogelijk te ’s Hage worden uitgewisseld etc. etc.

Van dezen inhoud zijn de 3 verklaringen, die onze Regeering successievelijk met België, Oostenrijk, Hongarije en Duitschland uitgewisseld heeft. Het zijn verklaringen, geen tractaten; internationale schikkingen van de laatsten in vorm, inhoud en belang verschillend, zooals de minister van buitenl. zaken in de Eerste Kamer zeide. Wat de uiting aangaande het minderwaardige belang aangaat, dit moge in het algemeen waar zijn, in het onderhavige geval zullen wij dit niet cum grano salis opvatten. Welke andere belangen toch evenaren het belang, dat bij deze kwestie op ’t spel staat?

De inhoud laat wel is waar iets te wenschen over en vooral bij de eerste schikkingen hebben wij te doen met zuivere verklaringen van administratief karakter en er is geen sprake van het bedingen van wederzijdsche rechten en concessiën, zooals meestal het onderwerp zijn van tractaten.

Ook de vorm verschilt, in zooverre als de onderteekeningenniet plaats hebben door speciale gevolmachtigden, maar namens de regeeringen door de gezanten of ministers met latere ratificatie. Het geheel toont aan, dat op het stellen van scherpe juridische begrippen blijkbaar minder is gelet. Vreemd is, dat, waarop ook de aandacht gevestigd werd bij de behandeling in de Kamers (van het wetsontwerp tot goedkeuring van de Verklaring met Duitschland), de considerans verschilt van het intitulé. De eerste spreekt van “de in gemeen overleg te nemen maatregelen tot bescherming van ontuchtige vrouwen in zekere gevallen verkeerende” (of: “van zekere categorieën van ontuchtige vrouwen”) terwijl volgens het intitulé maatregelen worden getroffen tegen den zoogenaamde handel in jeugdige vrouwen en en meisjes. Volgens de Regeering drukt dit laatste de strekking van de verklaring het best uit.

In aanmerking moet genomen worden, dat slechts bij de laatste verklaring een en ander uitlekt van hetgeen de Regeering met sommige bewoordingen bedoelt, hetgeen zoowel plaats heeft in de Memorie van Toelichting, als in de Memorie van Antwoord en bij de beraadslagingen in de Kamers. Daar in sommige opzichten de 3 verklaringen, die toch hetzelfde doel beoogen, in de redactie der artikelen overeenstemmen, zoo zal men het niet gewaagd kunnen noemen, als ik bij de interpretatie der 2 eerste verklaringen een voorzichtig gebruik maak van hetgeen bij de 3deverklaring gezegd en voorgevallen is.

Artikel 1 van de eerste verklaring stemt overeen met art. 1 van de tweede en art. 2 van de derde. Een geringverschil in redactie in art. 1 van de verklaring met Oostenrijk-Hongarije is van geen belang. Dit artikel stelt daar eene bevoegdheid der politie: eene nieuwe of een oude bevoegdheid? Dit hangt af van de oplossing der vraag of er, en zoo ja, in hoeverre er dan een onbeschreven politierecht zoude bestaan, die der politie een preventieve bevoegdheid toekent om op te treden, waar ’t geldt de openbare orde en veiligheid te handhaven, personen etc. te beschermen en verder om steeds op alle wijzen, die de wet niet verbiedt, met tact werkzaam te wezen ter bevordering van dit doel.

Daar mijns inziens deze vraag in bevestigenden zin moet beantwoord worden, ben ik van meening, dat bij eene opvatting van hare roeping door de politie in dezen zin deze ook zonder art. 1 (resp. art. 1 van 1888 en art. 2 van 1889) zou kunnen handelen als in dit artikel bedoeld wordt. Mogelijk zit dus de kracht van deze artikelen in het woord “bevorderen”, waardoor de Regeering belooft het hare er toe bij te brengen de magistraten voortdurend op hun plicht te wijzen door missives en circulaires.

Doch ik loop mijn betoog vooruit door van de taak der politie in dezen te spreken, voordat ik heb nagegaan wat bedoeld kan wezen met de woorden “binnen de wettelijke grenzen”.

De Minister van Justitie hechtte in 1891 aan de genoemde woorden dezen zin: “voorzoover de wetten hier te lande ’t toelaten met in achtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” En daarbij wees hij vooral op de wet van 13 Augustus 1849 (Stsbl. 39)tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen.

Deze wet regelt de uitzetting van vreemdelingen. Dit geschiedt, zooals wij reeds zagen, òf door den kantonregter òf op ’s konings last. In het eerste geval wegens gemis der vereischten in art. 1 opgegeven, altijd mits de vreemdeling toegelaten en hem een reis- en verblijfpas uitgereikt is. Maar, wanneer er een reden is tot uitzetting, dan moet de overheid ook haar plicht vervullen en mag er niet gewacht worden, totdat de vrouw het zelf verzoekt, of totdat het verzoek komt van de personen, die gezag over haar uitoefenen. En waarom dan de beperking tot de vrouwen, die tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven? Dat is mij niet duidelijk, althans van het standpunt van degenen, die het op grond van art. 1 der vreemdelingenwet toelaatbaar achten, dat eene vreemde prostituée op grond van haar ontuchtig leven niet toegelaten of uitgezet wordt. De Minister van Justitie oordeelde ook aldus in zijne Memorie van Antwoord op de bemerkingen van het voorloopig verslag in zake de verklaring met Duitschland.

Bij nauwkeurige bestudeering van deze 3 tractaten kan men niet anders dan tot deze conclusie komen, dat de Regeering gedwaald heeft in deze zaak.

Van welk standpunt moeten wij uitgaan?

Er moet onderscheid gemaakt worden tusschen:

1e.uitleveringd. i. “de overlevering van ter zake van misdrijf vervolgde of veroordeelde personen, door de regeering van den staat, op wiens grondgebied zij zichbevinden aan die van een anderen staat ter berechting en bestraffing” (Van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht, pag. 148). Hierbij heeft overlevering van de eene politie aan de andere plaats. Deze uitlevering is geregeld bij de wet van 6 April 1875 (Stsbl. 66) Hiermee hebben wij bij deze kwestie niets te maken.

2º.Uitzetting, d. i. eene wijze van handelen, die plaats heeft op grond van de vreemdelingenwet van 1849. De vreemdeling wordt tot ’s lands grens vervoerd en daar aan zijn lot overgelaten. Dit gaat geheel buiten de politie van het andere land om.

3º. Wat ik zou willen noemen “uitleiding”. Onder het gezag van anderen staande vreemdelingen worden op verzoek van hen, die dat gezag uitoefenen, weer teruggevoerd naar hun land en aan de hoede der laatsten toevertrouwd. Degenen, die het gezag uitoefenen, nemen de uitgeleide vreemdelingen zelf over, of als hun lasthebster belast de vreemde politie zich met deze taak. En onze politie: welke rol vervult zij bij de uitleiding? Zij steunt op haar algemeene onbeschreven bevoegdheid om preventief te handelen, met tact en voorzoover zij de wetten en instructies niet overtreedt. Overigens handelt ook zij als lasthebster der ouders, voogden etc.; waarom toch zou zij dit niet doen waar het vreemdelingen geldt, terwijl zij meent wel bevoegd te zijn, waar het verzoek geschiedt door ingezetenen?

Hebben wij bij deze verklaringen te doen metuitzettingof metuitleiding? Het is mogelijk, dat in depraktijk wel eens sprake kan zijn van uitzetting, doch dat in generali van eene uitleiding sprake is, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. De terugzending naar het land, van waar de meisjes afkomstig zijn, geschiedt toch op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen. (Doch ook op haar eigen verzoek; dit is dan eene zuivere politiezorg). De uitleiding van minderjarigen, of in generali de terugbezorging van minderjarigen aan hun ouders en voogden, is niet door eene wet geregeld. Zij volgt uit de algemeene beginselen van burgerlijke wetgeving en omtrent de bevoegdheid der politie. Onjuist is dus de uitlegging van de woorden “binnen de wettelijke grenzen” als zouden deze beteekenen “voor zooveel de wetten hier te lande het toelaten met inachtneming van de vormen bij die wetten voorgeschreven.” Ik acht juister eene negatieve interpretatie: “voor zoover de wetten en instructies het niet verbieden.”

Met eene uitzetting volgens de wet van 1849 hebben wij hier dus niet te doen. Omdat de Regeering—ten onrechte—dit wel meende, heeft zij ook slechts de derde verklaring aan de goedkeuring onderworpen van de Staten-Generaal. Zij beschouwde de bestrijding der kosten van de uitleiding in de 2 eerste tractaten uit ’s lands middelen reeds gedekt door wettelijke goedkeuring, daar ’t toch kosten waren, die op de uitzetting van vreemdelingen vielen. Dat bij de verklaring met Duitschland niet volstaan werd met een mededeeling aan de Staten-Generaal vond—aldus sprak de Regeering—zijn reden in het feit, dat ’t land hier wel eensmeerdere kosten zou moeten dragen. In hoeverre dit waar kan zijn, laat ik daar, maar terecht werd in het voorloopig verslag van de 2deKamer opgemerkt, dat dit slechts een kwestie was van meer of minder.

Daar hier—zooals ik boven betoogde—de uitleiding met eene uitzetting niets te maken heeft, zoo is het onbetwistbaar, dat zoo er kosten vallen op uitleidingen volgens de 1steen 2deverklaring, deze niet door ’t land zullen gedragen kunnen worden. Met andere woorden: ook deze 2 verklaringen hadden de goedkeuring der Staten-Generaal moeten verwerven op grond van art. 59 tweede lid G. W.

Er wordt in de 3 verklaringen resp. in de artt. 1, 1 en 2 gesproken van “vrouwen en meisjes, welke tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven.” De woorden “tegen haar wil” “contre leur volonté” bezorgen velen moeilijkheid. Ook het verslag der Commissie uit de 2deKamer, die den 6enMei rapport uitbracht over de verklaring met België uitgewisseld, gaf eenige op- en aanmerkingen over deze 3 woorden. Zij vroeg uit welke omstandigheden en op welk tijdstip van dit gedwongen worden tegen eigen wil zal moeten blijken. Wie moet omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie beslissen?

HetBulletin Continentalvan 15 Jan. 1887 brengt, na alle lof aan de idee toegezwaaid te hebben, ook moeielijkheden aangaande dit punt te berde. “On ne sait pas au juste, ce qu’il faut entendre par ces “filles qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer àla prostitution.” Repatriera-t-on toutes les filles, qui se trouvent dans le besoin et en danger de tomber dans la prostitution où seulement celles, qui ont été attirées hors de leur pays par des moyensfrauduleux, comme le font supposer les mots “contre leur volonté”?

In de Memorie van Antwoord zegt de minister bij artikel 2 van de Verklaring met Duitschland. “Wat onder de woorden “contre leur volonté” moet worden verstaan, kan niet volkomen gedefiniëerd worden. In ieder bijzonder geval zal ’t moeten worden beoordeeld.”

Bieden deze woorden inwerkelijkheidzoo’n moeilijkheid aan, als deze bezwaren zouden doen vermoeden? Met den Minister ben ik het eens, dat in ieder speciaal geval over het gebrek aan toestemming moet beslist worden. Het intitulé der verklaringen wijst er op, dat hier sprake moet zijn van de vrouwen en meisjes, die de dupe zijn geworden van de handelaars in blanke slavinnen. In dien zin moeten dus ook de woorden “tegen haar wil” verstaan worden. De bezwaren van hetBulletin Continentalzijn dus gemakkelijk op te lossen. Redeneerende volgens den gedachtengang van dit maandblad zoude bijna iedere prostituée zonder uitzondering onder het artikel vallen. Iedere prostituée levert zich in zooverre “tegen haar wil” aan de ontucht over, als zij toch wel zou prefereeren een ander gemakkelijk bestaan, dat haar ook een zekere weelde zou kunnenverschaffen. Neen het komt hier alleen aan op de“moyens frauduleux”. Daar de uitdrukking “tegen haar wil” voor dezen of genen onduidelijk is, ware het beter geweest eene meer duidelijke uitdrukking vande gedachte te kiezen b.v. “tegen haar wil door toedoen van anderen”.

Daar de meisjeshandel zich onder zooveel verscheidene omstandigheden voordoet, valt natuurlijk niet a priori aan te geven, uit welke omstandigheden het gedwongen worden zich tegen eigen wil aan de ontucht over te geven kan blijken. En op welk tijdstip moet hiervan blijken, vraagt de commissie van 1887. Mijns inziens moeten de woorden: “vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich aan ontucht over te geven” geïnterpreteerd worden op de wijze van het Perfectum van een Grieksch werkwoord. Dus: zij die nu in den toestand verkeeren, dat zij zich tegen haar wil aan de ontucht overgeven, nadat zij in dien toestand door anderen gebracht zijn. Het zich overgeven aan de ontucht tegen haar wil moet dus ook bestaan op het oogenblik van het verzoek hetzij van de vrouw zelf hetzij van de personen, die gezag over haar uitoefenen.

In eene circulaire van den Minister van Justitie van den 7denJuli 1892 “houdende voorschriften ter uitvoering van de verklaringen met België, Duitschland en Oostenrijk betreffende den handel in vrouwen en meisjes” wordt blijkbaar dezelfde meening gehuldigd. Het heet daar toch: “Vandaar dan ook dat men allereerst daarop bedacht is geweest om aan die vrouwen en meisjes, welke tegen wil en bedoeling naar elders zijn gebracht enmet het ontuchtig leven willen breken, den terugkeer naar haar land en familie gemakkelijk en mogelijk te maken.”

Wie nu moet beslissen omtrent het al of niet bestaan van dwang tot prostitutie, is niet moeilijk aan te geven. Dit is natuurlijk het hoofd der politie; de politie is hier toch alleen werkzaam, binnen haar bevoegdheid speelt zich het geheele bedrijf af. Acht men soms eene beslissing over dit punt door de politie ongewenscht? Ik zou mij niet kunnen voorstellen, welke moeilijkheid er uit zou kunnen voortspruiten. Ja, er is toch iets en daarop heeft het Kamerlid de Beaufort gewezen bij de behandeling van de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland. Het meisje kan doen voorkomen, alsof zij tegen haar wil door toedoen van anderen een ontuchtig leven leidt om zoodoende kosteloos naar haar vaderland teruggebracht te worden. Dit is voorzeker een te vreezen misbruik, waartegen evenwel door een nauwkeurig onderzoek zooveel mogelijk gewaakt kan worden.

De terugzending kan geschieden op verzoek der personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Uit de andere bepalingen blijkt dat men hier ook ’t oog heeft op de getrouwde vrouw, als staande onder het gezag van den man. Met een der sprekers in de 2deKamer betwijfelende of een dergelijk geval zich wel dikwijls zal voordoen, meen ik overigens, dat de man niet een dergelijk gezag over zijn vrouw heeft als de ouders over hun kinderen, zoodat het onmogelijk is dat de politie zou kunnen optreden als lasthebster van den man om zijne vrouw terug te bezorgen, daar de man zelf de bevoegdheid mist de vrouw met dwang tot zich te brengen.

De vrouw of het meisje zal in de richting van het land, waartoe zij behoort teruggezonden worden.

De bewoordingen in de 3 verklaringen variëeren; de bedoeling komt evenwel hierop neer, dat zij tot de grens van het land gebracht wordt.

Ons de maatregel der terugzending zoo effectief mogelijk te maken dienen de bepalingen 2, 4, 4 uit de 3 internationale schikkingen. Zij schrijven voor, dat, voor dat tot de uitleiding overgegaan wordt, een kennisgeving gericht moet worden aan de personen, die gezag over de vrouw uitoefenen. Deze kennisgeving moet vermelden den dag waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats waarheen de opzending zal plaats hebben. Art. 4 van de verklaring met Duitschland schrijft voor dat dit geschieden moet door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe de vrouw behoort. Mij is niet duidelijk, waartoe deze administratieve omslachtigheid noodig is, althans waarom zij dringend voorgeschreven is. Men had dit aan ’t oordeel van de met de terugzending belaste overheid kunnen overlaten.

De man kan dus de terugzending zijner vrouw niet verlangen, wanneer zij er zich tegen verzet2; eene kennisgeving is hier niet noodig. Wel, natuurlijk, wanneer de getrouwde vrouw zelf hare uitleiding verzoekt.

In de reeds geciteerde circulaire van 1892 gaat deMinister in verhaaltrant deze 2 artikelen, welke de 3 verklaringen gemeen hebben, door; de Minister vermeldt daar dus geen nieuws. Verder geeft hij eenige voorschriften aangaande de bestrijding der kosten van vervoer. Wel dien ik nog naar aanleiding van art. 1 der verklaring met Oostenrijk op te merken, dat het volgens ’s Ministers oordeel wenschelijk is met ’t oog op deverrekeningvan kosten zooveel mogelijk de afhaling van Oostenrijksche en Hongaarsche vrouwen hier te lande, althans aan de Nederlandsch-Duitsche grens, te verzekeren, daar de terugzending van die vrouwen en meisjes over Duitsch grondgebied moet geschieden en dit transit niet is geregeld. Nederlandsche vrouwen en meisjes moeten aan de Oostenrijksch-Duitsche of Oostenrijksch-Zwitsersche grens door Nederlandsche beambten overgenomen worden, indien zij niet hierheen gebracht worden.

De bespreking van de verklaring met België uitgewisseld is hiermede afgesloten. We komen nu tot art. 2 der Oostenrijksche verklaring, dat overeenkomt met art. 3 van die met Duitschland uitgewisseld. Deze artikelen hooren niet thuis in deze verklaringen, waarvan het intitulé en de considerans ten duidelijkste aanwijzen, dat zij slechts het nemen van maatregelen beoogen om den zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan.

Ook volgens haar statutum personale minderjarige vreemdelingen, die zich vrijwillig aan de ontucht overgeven, worden op verzoek hunner ouders of voogden teruggezonden. Ad art. 3 zegt de Memorie van Antwoordvan de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland: “Het is zeer zeker de taak der politie om wanneer haar daartoe door ouders of voogden het verzoek wordt gedaan de behulpzame hand te bieden tot het weder in hunne macht brengen van die minderjarigen. Waar zulks in het belang der minderjarigen wordt geacht, wordt hier te lande steeds in dien geest gehandeld en bestaat er geen reden waarom dezelfde gedragslijn niet tegenover vreemdelingen zoude worden gevolgd.”

De voorschriften omtrent vervoer en bestrijding van kosten met ’t oog op de meisjes, die slachtoffers zijn van dezen handel, zijn ook toepasselijk bij de meisjes, die zich vrijwillig prostitueeren. Dit wordt uitdrukkelijk in de circulaire te kennen gegeven.

In deze kennisgeving zegt de Minister verder: “Bij de overweging van de vraag of aan een verzoek om terugzending zal worden gevolg gegeven—hetwelk steeds zal behooren te geschieden indien de betrokken persoon verkeert in een geval, als in de toepasselijke verklaring bedoeld, en geen wettelijk voorschrift of rechterlijk bevel zich daartegen verzet—mag in geen geval rekening gehouden worden met aanspraken van derden op de vrouw of het meisje ten gevolge van betrekkingen uit ontucht voortvloeiende. De verklaring met Oostenrijk-Hongarije zegt dit ten overvloede uitdrukkelijk.” Dit heeft plaats in art. 3.

Zooals de Minister terecht verklaart, zegt de verklaring met Oostenrijk-Hongarije dit “ten overvloede.” Art. 1371 jo. 1373 Burgerlijk Wetboek verbiedt toch iedereovereenkomst, waarvan de oorzaak bij de wet verboden is, of strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.

Een meisje kan dus niet teruggehouden worden, omdat de bordeelhouder een paar dagen te voren een paar honderd gulden voor haar aan een placeur gegeven heeft en hij deze op de debetzijde van het meisje geplaatst heeft. Voor dergelijke schulden kan niet een quasi-hypotheek (zooals Yves Guyot het uitdrukt) op het meisje gevestigd blijven. Wat andere schulden betreft, als de voorgeschoten waarde van kleedingstukken en toiletartikelen, zoo zal de bordeelhouder zich tot den rechter kunnen wenden, indien hij voldoening daarvan wenscht. Het rechterlijk vonnis zal dan beslissen in hoeverre uitleiding niet geoorloofd zal zijn.3

De artt. 5, 6 en 7 uit de verklaring met Duitschland zijn bepalingen, die niet voorkomen in de andere 2 internationale schikkingen.

De briefwisseling betrekkelijk de terugzending, het gevolg zijnde van de kennisgeving in art. 4 bedoeld, wordt volgens art. 5 tusschen de overheden der beide landen rechtstreeks gevoerd.

Art. 6 geeft regelen aangaande de kosten van onderhoud en vervoer tot aan de grens. Zoo deze niet kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelve, noch door haar echtgenooten, ouders of voogden, wordenze door den Staat gedragen, die de terugzending heeft bewerkstelligd. Hetzelfde zal toepasselijk zijn bij de terugzending van Belgische en Oostenrijksche of Hongaarsche meisjes. In het Voorloopig Verslag werd de vrees uitgesproken, dat zware kosten op Nederland zouden drukken, naar evenredigheid veel meer dan op Duitschland. In zijn Memorie antwoordde de minister, dat de kosten toch betrekkelijk gering zouden zijn. Tijdens de onderhandelingen, die met den meesten spoed plaats moeten hebben, zullen de vrouwen in een passantenhuis of in een huis van bewaring worden opgenomen. Zij vallen toch onder de in art. 33ovan de Gestichtenwet van 3 Jan. 1884 (S. 3) genoemde »andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen”. Het vervoer op de spoorwegen, voor zoover het onder geleide plaats heeft, geschiedt kosteloos en wat de hoogere kosten aangaat die Nederland moet dragen in vergelijking met Duitschland, zoo wordt daarentegen ons land,—aldus zegt de minister—gezuiverd van personen, die er slechts ellende en verderf verspreiden.

Art. 7 handelt over de bekrachtiging en de spoedige uitwisseling der akten van bekrachtiging te ’s Hage.

We zijn nu zoover gekomen, dat we weten, hoe de verschillende Regeeringen, boven genoemd, verklaren te zullen handelen om de misleide vrouwen te redden.

Maar daarmede zijn we werkelijk niet ver, want hoe komt men te weten, dat er meisjes en vrouwen zijn, die aldus door drang zich aan de prostitutie overgeven? Ware dit duidelijk aangegeven, we zouden werkelijk een schrede verder zijn op het goede pad. Doch dit isen blijft altijd de groote moeilijkheid. Meer dan eens heb ik er op gewezen, op welke geheimzinnige wijzen de handelaars in blanke slavinnen te werk gaan.

Er bestaat eene missive van den Minister van Justitie Godefroi dd. 7 Juni 1860 no. 162 houdende bepalingen ter voorkoming en voorziening, dat vrouwen in de huizen van ontucht, alwaar zij zich bevinden, tegen haar verlangen worden teruggehouden. Deze missive vaardigde de Minister uit naar aanleiding van een geval, dat een meisje in een bordeel als ’t ware gevangen gehouden werd. De Minister wijst op de bevoegdheid van den burgemeester, die dezen door art. 188 Gemeentewet verleent wordt. Aangaande te nemen maatregelen raadt hij overleg aan met de procureur-generaals en de officieren van justitie. Hoewel de Minister zelf geen middelen wil aangeven, acht hij toch ’t onverwacht bezoeken van bordeelen door vertrouwde politiebeambten zeer doeltreffend. Een andere maatregel zou hierin kunnen bestaan, dat de vrouwen in de bedoelde huizen inwonende onderricht werden van de bevoegdheid, die zij hebben, die huizen desverlangende te verlaten.

Deze maatregelen worden dan ook wel genomen in gemeenten, waar bordeelen bestaan, hetzij al dan niet gereglementeerd. De Amsterdamsche politie had de gewoonte bussen te plaatsen in die huizen, waarin de prostituées brieven konden werpen; de politie ledigde die bussen zelf.

Verder biedt art. 452 Wetboek van Strafrecht, dat ik hierboven besprak, gelegenheid werkzaam te zijnom op de hoogte te komen van de gevallen van gedwongen prostitutie.

Juist de wenschelijkheid om allereerst op ’t spoor te geraken van deze gevallen was de opname van art. 1 in de verklaring met Duitschland op speciaal verlangen der Duitsche regeering. Zooveel mogelijk moet bevorderd worden binnen de wettelijke grenzen, dat de bedoelde meisjes aan een verhoor worden onderworpen ten einde te doen blijken van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten. Hieromtrent zegt de Memorie van Antwoord, dat dit artikel natuurlijk geen verplichting oplegt om bedoelde vrouwen en meisjes tot een verhoor te dwingen buiten de wet om. Eigenlijk beteekent dus dit eerste lid van art. 1 niet veel. In sommige gevallen biedt onze wetgeving gelegenheid om een dergelijk verhoor af te nemen (ik gaf ze zoo even aan) doch van een verplichting aan de meisjes opgelegd is in onze wetgeving niets te bespeuren. “Binnen de wettelijke grenzen” wil m.i. zeggen: voorzoover de wet zoodanig verhoor toelaat, dat is niet verbiedt; volstrekt niet; voorzoover de wet zoodanig verhoor “voorschrijft”. (Memorie van Antwoord).

De minister zegt ook: “Intusschen behoeft men zich geenszins te beperken tot vrouwen in bordeelen.” Dit is werkelijk gemakkelijk gezegd. De praktijk en de wet leeren evenwel anders. De moeilijkheid om aan te toonen, dat eene vrouw zich buiten een bordeel aan prostitutie overgeeft is zeer groot en bovendien zijn de weinige middelen, die gelegenheid geven zich prostituëerendevrouwen een verhoor te doen ondergaan beperkt tot de prostituées in bordeelen.

En daar waar de bordeelen bij politieverordeningen in ons land verboden zijn, is de toepassing van het geheele artikel onmogelijk. Zoo b. v. in Amsterdam sedert de strafbaarstelling van het houden van bordeelen bij politieverordening van 1897.

Hoe groot de practische bezwaren en moeielijkheden zijn om ten opzichte van prostituées in bordeelen achter de waarheid te komen, zal de politie zelf het beste kunnen getuigen.

Het 2de lid van art. 1 van de verklaring met Duitschland bepaalt, dat de processen-verbaal der genomen verhooren moeten worden medegedeeld aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes behooren.

Naar aanleiding van klachten, door de Duitsche regeering geuit, over de niet zeer nauwkeurige invulling van deze processen-verbaal, bestaat een circulaire van den Minister van Justitie dd. 19 Aug. 1896 no. 314, “betreffend nauwkeurige invulling van de geboorteplaats in processen-verbaal van verhoor van Duitsche prostituées”.

Hier en daar bij de bespreking der 3 verklaringen heb ik reeds eenige indrukken weergegeven, waartoe de verschillende artikelen mij aanleiding gaven. Wat is nu de indruk van het geheel? Met niet genoeg ernst zijn de belangen behartigd van de vrouwen en meisjes, die dupe zijn der bedriegelijke handelingen van placeurs en bordeelhouders. Men heeft meer gedacht aan eene beschermingvan minderjarigen, dan het opschrift der verklaringen het recht zou geven te vermoeden. Daarvan getuigen reeds de artt. 2 en 3 respectievelijk uit de verklaringen met Oostenrijk-Hongarije en Duitschland.

En als men ook aan meerderjarigen (de getrouwde vrouwen buiten bespreking gelaten) heeft gedacht, dan is ’t bepaald eene ironie te vernemen, dat zij zelf hare terugzending moeten verlangen aan de overheid. Ja, wanneer zij eenmaal daartoe in staat zijn dan is het ergste reeds geleden; in de 99 van de 100 gevallen zal der overheid een dergelijk verzoek niet ter oore komen.

Er moet aan den anderen kant wel bedacht worden, dat we ons op een terrein bevinden, dat zich pas in een begin van exploitatie bevindt. Hoe meer men er mee vertrouwd geraakt, des te beter zullen de maatregelen zijn, die getroffen worden. Buitendien hebben we te doen met verklaringen; deze kunnen uit den aard der zaak nieuwe onderwerpen slechts gebrekkig regelen.

Deze verklaringen strekken dus ook om beschermende maatregelen te nemen ten opzichte van de Nederlandsche meisjes en vrouwen, die naar België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland geëxporteerd zijn. Zijn nu de vrouwen, die naar andere landen vervoerd zijn, geheel van bescherming verstoken? Dit behoeft niet zoo te wezen. Tot de vertegenwoordigers der Nederlandsche Regeering kunnen zij of derden zich wenden met een verzoek om hulp en steun. Ik heb hier vooral het oog op de consulaire ambtenaren. De plichten van deze zijn toch niet alleen tot handelsaangelegenheden beperkt. Zij hebbenhun “goeden raad en bijstand te verleenen aan alle Nederlanders en onderdanen van Nederlandsch-Indië, die deze inroepen.” (Algemeene voorschriften voor de Nederlandsche consulaire ambtenaren door den Minister van Buitenlandsche Zaken L. Gericke.) Mochten Nederlandsche of Nederl.-Indische onderdanen in hunne personen of goederen bedreigd worden, dan hebben de consulaire ambtenaren deze in hun goed recht en de voorrechten hun bij de verdragen verzekerd te handhaven, zij moeten vooral onderstand verleenen aan hen, die door omstandigheden geheel buiten hun toedoen in nood geraakt zijn. (id.) Het consulair reglement van 27 Juni 1874 bepaalt, dat de behoeftigen op de minst kostbare wijze naar het land teruggezonden moeten worden. (art. 24).

We zien dus dat de consulaire ambtenaren op velerlei wijze in de goede richting werkzaam kunnen zijn ter bestrijding van dit maatschappelijk euvel, ter bescherming van de slachtoffers daarvan, doch ook ter voorkoming, dat de plannen der handelaars verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Zij kunnen toch bekend maken, dat er zich handelaars van elders naar ons land begeven om op roof uit te gaan. Deze bekendmaking moet uitgaan van het Departement van Buitenlandsche Zaken waaraan deze mededeelingen gericht kunnen worden.

Vele consuls hebben het goede voor, en zij, die er niet op bedacht zijn, kunnen de noodige aanschrijvingen in dezen geest van de Regeering ontvangen. Bij slotsom hangt alles af van den goeden wil van het Departement van Buitenlandsche Zaken. Dat deze goede wil in dit opzicht nimmer moge ontbreken is mijn welgemeendewensch! ’t Is duidelijk, wanneer de drang niet van boven uitgaat, geeft de werkzaamheid der consulaire ambtenaren ten slotte niets; en hunne pogingen op den duur zonder goeden uitslag bekroond ziende, zullen er allicht zijn, die ten slotte hunne moeite om op allerlei wijzen den blanke slavinnenhandel tegen te gaan zullen opgeven.

Een zware last drukt verder op de niet-gesalariëerde consuls, wanneer zij hulp moeten bieden met geldelijke steun aan de behoeftige en verlaten meisjes, die zij uit de handen der placeurs en bordeelhouders hebben kunnen redden.

Van de diplomatieke vertegenwoordigers, gezanten en anderen kan ook zeer veel heil verwacht worden; als mogelijke tusschenpersonen tusschen de consulaire ambtenaren en het ministerie van buitenlandsche zaken behooren zij het goede voor te staan en met allen aandrang te wijzen op den deerniswaardigen toestand, waarin Hollandsche meisjes zich in den vreemde bevinden. Van de détails, waarmee zij uit den aard der zaak niet zoo licht bekend raken, moeten de consuls en anderen hen op de hoogte brengen.

’t Zij nogmaals herhaald: ook in deze kwestie kan en moet “Buitenlandsche Zaken” met kracht en ijver werkzaam zijn, opdat door zijne medewerking de handel in blanke slavinnen niet spoedig tot het verleden zal behooren—want dit zal steeds tot de pia vota blijven behooren—maar opdat hij althans wat den omvang zijner gevolgen betreft zooveel mogelijk beperkt worde.

§ 4. Wetgeving betreffende de ouderlijke macht.Het ligt in den aard der zaak, dat het bedrijf van den placeur zich zooveel mogelijk bepaalt tot het aanwerven van jeugdige vrouwen, die door haar frischheid en maagdelijkheid het uitzicht openen op ruime verdiensten. Vele van dezen bevinden zich dan ook nog onder het gezag van anderen, ouders of voogden. De twee uiterste mogelijkheden vragen hier onze aandacht niet. Ten eerste, dat het meisje tegen den wil harer ouders of voogden onttrokken wordt aan de macht van dezen; een feit, waartegen vele strafwetten reeds voorzien. Ten tweede, dat het juist de werkzaamheid der ouders is, die het jonge meisje aan den placeur overlevert. Ook in dit geval voorzien de meeste strafwetten. Het meest voorkomende euvel ligt hiertusschen: ouders of voogden zijn onverschillig, het lot van het meisje boezemt hun geen belang in; zij dragen schuld of mogelijkerwijze is de treurige opvoeding en zorg—hierop komt ’t toch aan—in ’t geheel niet aan eenige schuld hunnerzijds te wijten. In ’t kort: zij verrichten of verzuimen niets, waardoor zij onder ’t bereik der strafwet zouden kunnen vallen.Bij de bespreking van de oorzaken van dezen handel wees ik er reeds op, dat veel wat aan de zijde der vrouw als oorzaak, direct of indirect, van den meisjeshandel kan aangemerkt worden, zijn reden vindt in gebrekkige opvoeding of verwaarloozing. Wanneer wij deze oorzaken kunnen voorkomen en opheffen doorontzetting uit de ouderlijke macht of voogdij4dan hebben we te doen met eenpreventief middelter bestrijding van den meisjeshandel. Hierop wil ik toch drukken, opdat er toch geen verschil van opinie ontsta omtrent de grenzen van hetgeen ik mij hier voorstel in ’t kort te behandelen. ’t Is de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht als preventieve zorg. Ik laat buiten bespreking de ontzetting als bijkomende straf na ’t begaan van een strafbaar feit, zooals in vele wetgevingen geschiedt.Hierheeft de ontzetting een ander karakter, en wel die van repressie als straf voor de ouders,daaris de ontzetting een louter beschermende maatregel voor de kinderen. Als straf kan zij ook wel preventief werken en wel b. v. na ’t ondergaan van den straftijd, doch het is meestal voor een beperkten duur, zich slechts tot enkele gevallen uitstrekkende.Ik heb hier dus ’t oog op de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht.Het Nederlandsche Burgerlijke Wetboek kent de ontzetting uit de ouderlijke macht niet. De ontzetting uit de vaderlijke macht bestaat slechts als bijkomende straf (art. 9b1º joart. 285ºWetboek van Strafrecht) in de bij de wet bepaalde gevallen door den strafrechter uit te spreken en gedurende een duur, waarvan de wet het maximum vaststelt (art. 30, 31 Strafrecht). Volgens art. 30 kanontzetting worden uitgesproken bij veroordeeling der ouders, die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf deelnemen en die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige eenig misdrijf plegen omschreven in de Titels XIII XIV XV, XVIII XIX en XX van het 2eBoek. Verder kan het nog plaats hebben in de gevallen, die in het 2eBoek speciaal voorkomen.Het is duidelijk, dat voorzoover men van een regeling van de ontzetting uit de vaderlijke macht kan spreken deze zeer gebrekkig en onvolledig is.De behoefte aan voorziening in de mogelijkheid, dat ouders ook van hun gezag zouden kunnen worden ontzet, zonder dat dit juist behoefde verbonden te zijn aan eene strafrechtelijke veroordeeling heeft zich reeds lang doen gevoelen en een ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht en de voogdij, aangeboden door Minister Cort van der Linden bij de Tweede Kamer bij Koninklijke Boodschap van 13 Mei 18985, heeft zich dan ook dit onderwerp aangetrokken.Hoe de burgerrechtelijke ontzetting in het ontwerp geregeld is, zal ik hier bespreken.Over de ontzetting, de procedure, het herstel, en de taak van den voogdijraad wordt gehandeld in de Tweede afdeeling A “van de ontheffing en ontzettingvan het ouderlijk gezag” uitmakende de artt. 374atot en met art. 374l. Verder verdient de aandacht art. 413 derde lid.Het geheele ontwerp berust meer op het grondbeginsel, dat het ouderlijk gezag is een uitvloeisel van de plicht der ouders voor zoover het in hun macht staat hun kinderen te onderhouden en op te voeden, terwijl daaraan natuurlijk onafscheidelijke rechten verbonden zijn ter behoorlijke vervulling van die plicht, dan van het principe als zou het ouderlijk gezag nog op hetzelfde beginsel steunen, waarvan de Romeinsch-rechtelijke patria potestas een gevolg is. Neen, de bescherming der minderjarige staat op den voorgrond. Er moet gewaakt worden tegen verkeerde leiding en verwaarloozing van hun opvoeding. Dit is bij herhaling in de Memorie van Toelichting te lezen. Daarom moeten beschermd worden die kinderen, die door schuld hunner natuurlijke verzorgers, dreigen onder te gaan, doch ook zij, tot wier opvoeding de ouders buiten hun schuld onbekwaam en ongeschikt zijn en zij die verlaten rondzwerven, zonder dat van het bestaan of van het verblijf van den vader en de moeder of van eenige voogdij blijkt. Duidelijk is dat in al deze gevallen het verwaarloosde of verlaten meisje gemakkelijk in handen kan vallen van individuen, die haar ten eigen voordeele ten val willen brengen. Daarom zal dit ontwerp, wanneer het eenmaal wet zal geworden zijn, er veel toe bijdragen, om jonge meisjes te redden uit de handen van placeurs en koppelaars. In art. 374aworden de beide rechtsmiddelen aangegeven, die een einde makenaan de rechten en verplichtingen van de ouderlijke macht.Artikel 274aeerste lid bepaalt, dat ontheffing van de ouderlijke macht over een, meer of alle kinderen kan verleend worden op eigen verzoek, op grond, dat de verzoeker ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Maar het belang der kinderen mag zich niet uit anderen hoofde tegen die ontheffing verzetten.De ontzetting regelt het 2delid. De ontzetting van ieder der ouders kan op verzoek der in dit lid genoemde personen plaats hebben op grond van:1º. misbruik van het ouderlijk gezag of verwaarloozing van de verplichting tot onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen.2º. slecht levensgedrag.3º. onherroepelijke veroordeeling wegens het opzettelijk deelnemen aan eenig misdrijf met een aan zijn gezag onderworpen minderjarige.4º. onherroepelijke veroordeeling wegens het plegen van eenig misdrijf omschreven in de titels 1, 2, 3 en 4, de artikelen 140 eerste lid, en 172, in de titels 13, 14, 15, 18, 19 en 20 en in de artt. 381–385 van het 2deBoek van het Wetboek van Strafrecht.5º. tweede of verdere onherroepelijke veroordeeling wegens eenig misdrijf.Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.De Memorie van Toelichting zegt aangaande de ontheffing en de ontzetting: “De ontzetting berust ophet moedwillig plicht verzuim of onwaardigheid, de ontheffing op het voor den rechter juist gebleken eigen oordeel der ouders, dat het belang van hun kind medebrengt, dat een ander zich met de taak der opvoeding belast.” Doch in het laatste geval worde wel ingezien, dat het belang van het kind moet vóórstaan; is dit niet zoo, dan zal de rechter de ontheffing niet verleenen. Bij ontzetting is de reden om aan de rechten en verplichtingen van het ouderlijk gezag een einde te maken gelegen òf in een feit, dat strafrechtelijk den dader toerekenbaar is òf in een feit, dat dit niet is, maar dat toch aan schuld te wijten is. Bij ontheffing treedt de beschermingsmaatregel voor het kind nog in een duidelijker licht, daar alsdan zelfs geen sprake is van schuld aan de zijde der ouders. In de Memorie van Toelichting heet het: “Het instituut der ontheffing, dat de Staatscommissie niet kent, zal, naar de ondergeteekende vertrouwt er toe bijdragen, dat vele ongelukkigen in hun jeugd niet van die zorgen verstoken blijven, die zij zoo noode missen en waardoor zij voor moreelen ondergang behoed nuttige leden kunnen worden der maatschappij.”Als preventieve maatregel tegen den handel in blanke slavinnen treedt vooral op den voorgrond de ontzetting op grond van verwaarloozing en slecht levensgedrag, waardoor het kind moreel ten onder gaat, waardoor wellicht het verlangen gewekt wordt zoo spoedig mogelijk het ouderlijk huis te ontvluchten en elders in zijn onderhoud te gaan voorzien; verder op grond van een der veroordeelingen in de drie laatste no’s,waarvan het gevolg is geheel gebrek aan opvoeding of geheele of gedeeltelijke verwaarloozing.Doch hoe doen zich omstandigheden dikwijls voor?De val van het meisje—ik wees er in het begin van dit proefschrift reeds meermalen op en gaf daarvan ook voorbeelden—is dikwijls ook eenigszins aan eigen schuld toe te schrijven, groote onverschilligheid zoowel van de zijde van het meisje als van die harer ouders. Van de zijde van het meisje als gevolg van hare onervarenheid valt ze wellicht nog door de vingers te zien, maar van de zijde der ouders is dit geenszins het geval.Door eenige meerdere oplettendheid en zorg van hun kant zou de val van het meisje wellicht nog voorkomen kunnen zijn. Doch de ouders zijn blijde, als het groote gezin weer met een lid verminderd wordt; de eerste de beste gelegenheid wordt aangegrepen om dit te bewerkstelligen. ’t Is eene afkeurenswaardige onverschilligheid, die zich ook wel in andere opzichten zal openbaren of geopenbaard hebben.Voorziet het ontwerp ook in deze gevallen?Kan een dergelijke meermalen geopenbaarde onverschilligheid, die zulke verderfelijke gevolgen na zich kan sleepen, onderverwaarloozing van de verplichting, tot onderhoud en opvoedinggerangschikt worden? ’t Is in ieder geval te loven, dat de Minister in stede vanverregaande verwaarloozing, zooals de staatscommissie dat voorstelde, eenvoudigverwaarloozingheeft opgenomen en wel om den rechter bij de appreciatie der feiten zoo weinig mogelijk te binden. Mijn inziens belet de etymologische beteekenis van het woord enhet begripverwaarloozenniet, dat daaronder ook een dergelijke grove onverschilligheid omtrent de toekomst van de minderjarige valt. Aldus kan de rechter, wanneer zich een dergelijk geval voordoet, al is de maatregel dan voor het meisje, te wier opzichte ze plaats gehad heeft, te laat genomen, toch nog ontzetting uitspreken, hetgeen van belang is voor de toekomst der andere meisjes.Voor eene andere categorie van kinderen, en wel de verlatenen, die geen tehuis hebben, baant het ontwerp ook een weg om in staat te zijn van hen nog goede staatsburgers te vormen. Ik wil nu niet beweren, dat deze rubriek van verwaarloosden een groot contingent oplevert om de rij der blanke slavinnen te vullen, maar toch zijn ook deze meisjes bij uitstek geschikt om zich in de netten der placeurs te laten vangen, voorzoover ze nog niet vrijwilligprostituéesgeworden zijn.In deze gevallen voorziet art. 413 derde lid van het ontwerp. Indien het bestaan of het verblijf van den vader of de moeder onbekend is, wordt door den Kantonrechter een voogd benoemd. Gedurende deze voogdij is de uitoefening van de ouderlijke macht geschorst.

Het ligt in den aard der zaak, dat het bedrijf van den placeur zich zooveel mogelijk bepaalt tot het aanwerven van jeugdige vrouwen, die door haar frischheid en maagdelijkheid het uitzicht openen op ruime verdiensten. Vele van dezen bevinden zich dan ook nog onder het gezag van anderen, ouders of voogden. De twee uiterste mogelijkheden vragen hier onze aandacht niet. Ten eerste, dat het meisje tegen den wil harer ouders of voogden onttrokken wordt aan de macht van dezen; een feit, waartegen vele strafwetten reeds voorzien. Ten tweede, dat het juist de werkzaamheid der ouders is, die het jonge meisje aan den placeur overlevert. Ook in dit geval voorzien de meeste strafwetten. Het meest voorkomende euvel ligt hiertusschen: ouders of voogden zijn onverschillig, het lot van het meisje boezemt hun geen belang in; zij dragen schuld of mogelijkerwijze is de treurige opvoeding en zorg—hierop komt ’t toch aan—in ’t geheel niet aan eenige schuld hunnerzijds te wijten. In ’t kort: zij verrichten of verzuimen niets, waardoor zij onder ’t bereik der strafwet zouden kunnen vallen.

Bij de bespreking van de oorzaken van dezen handel wees ik er reeds op, dat veel wat aan de zijde der vrouw als oorzaak, direct of indirect, van den meisjeshandel kan aangemerkt worden, zijn reden vindt in gebrekkige opvoeding of verwaarloozing. Wanneer wij deze oorzaken kunnen voorkomen en opheffen doorontzetting uit de ouderlijke macht of voogdij4dan hebben we te doen met eenpreventief middelter bestrijding van den meisjeshandel. Hierop wil ik toch drukken, opdat er toch geen verschil van opinie ontsta omtrent de grenzen van hetgeen ik mij hier voorstel in ’t kort te behandelen. ’t Is de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht als preventieve zorg. Ik laat buiten bespreking de ontzetting als bijkomende straf na ’t begaan van een strafbaar feit, zooals in vele wetgevingen geschiedt.Hierheeft de ontzetting een ander karakter, en wel die van repressie als straf voor de ouders,daaris de ontzetting een louter beschermende maatregel voor de kinderen. Als straf kan zij ook wel preventief werken en wel b. v. na ’t ondergaan van den straftijd, doch het is meestal voor een beperkten duur, zich slechts tot enkele gevallen uitstrekkende.

Ik heb hier dus ’t oog op de burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht.

Het Nederlandsche Burgerlijke Wetboek kent de ontzetting uit de ouderlijke macht niet. De ontzetting uit de vaderlijke macht bestaat slechts als bijkomende straf (art. 9b1º joart. 285ºWetboek van Strafrecht) in de bij de wet bepaalde gevallen door den strafrechter uit te spreken en gedurende een duur, waarvan de wet het maximum vaststelt (art. 30, 31 Strafrecht). Volgens art. 30 kanontzetting worden uitgesproken bij veroordeeling der ouders, die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf deelnemen en die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige eenig misdrijf plegen omschreven in de Titels XIII XIV XV, XVIII XIX en XX van het 2eBoek. Verder kan het nog plaats hebben in de gevallen, die in het 2eBoek speciaal voorkomen.

Het is duidelijk, dat voorzoover men van een regeling van de ontzetting uit de vaderlijke macht kan spreken deze zeer gebrekkig en onvolledig is.

De behoefte aan voorziening in de mogelijkheid, dat ouders ook van hun gezag zouden kunnen worden ontzet, zonder dat dit juist behoefde verbonden te zijn aan eene strafrechtelijke veroordeeling heeft zich reeds lang doen gevoelen en een ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht en de voogdij, aangeboden door Minister Cort van der Linden bij de Tweede Kamer bij Koninklijke Boodschap van 13 Mei 18985, heeft zich dan ook dit onderwerp aangetrokken.

Hoe de burgerrechtelijke ontzetting in het ontwerp geregeld is, zal ik hier bespreken.

Over de ontzetting, de procedure, het herstel, en de taak van den voogdijraad wordt gehandeld in de Tweede afdeeling A “van de ontheffing en ontzettingvan het ouderlijk gezag” uitmakende de artt. 374atot en met art. 374l. Verder verdient de aandacht art. 413 derde lid.

Het geheele ontwerp berust meer op het grondbeginsel, dat het ouderlijk gezag is een uitvloeisel van de plicht der ouders voor zoover het in hun macht staat hun kinderen te onderhouden en op te voeden, terwijl daaraan natuurlijk onafscheidelijke rechten verbonden zijn ter behoorlijke vervulling van die plicht, dan van het principe als zou het ouderlijk gezag nog op hetzelfde beginsel steunen, waarvan de Romeinsch-rechtelijke patria potestas een gevolg is. Neen, de bescherming der minderjarige staat op den voorgrond. Er moet gewaakt worden tegen verkeerde leiding en verwaarloozing van hun opvoeding. Dit is bij herhaling in de Memorie van Toelichting te lezen. Daarom moeten beschermd worden die kinderen, die door schuld hunner natuurlijke verzorgers, dreigen onder te gaan, doch ook zij, tot wier opvoeding de ouders buiten hun schuld onbekwaam en ongeschikt zijn en zij die verlaten rondzwerven, zonder dat van het bestaan of van het verblijf van den vader en de moeder of van eenige voogdij blijkt. Duidelijk is dat in al deze gevallen het verwaarloosde of verlaten meisje gemakkelijk in handen kan vallen van individuen, die haar ten eigen voordeele ten val willen brengen. Daarom zal dit ontwerp, wanneer het eenmaal wet zal geworden zijn, er veel toe bijdragen, om jonge meisjes te redden uit de handen van placeurs en koppelaars. In art. 374aworden de beide rechtsmiddelen aangegeven, die een einde makenaan de rechten en verplichtingen van de ouderlijke macht.

Artikel 274aeerste lid bepaalt, dat ontheffing van de ouderlijke macht over een, meer of alle kinderen kan verleend worden op eigen verzoek, op grond, dat de verzoeker ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Maar het belang der kinderen mag zich niet uit anderen hoofde tegen die ontheffing verzetten.

De ontzetting regelt het 2delid. De ontzetting van ieder der ouders kan op verzoek der in dit lid genoemde personen plaats hebben op grond van:

1º. misbruik van het ouderlijk gezag of verwaarloozing van de verplichting tot onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen.

2º. slecht levensgedrag.

3º. onherroepelijke veroordeeling wegens het opzettelijk deelnemen aan eenig misdrijf met een aan zijn gezag onderworpen minderjarige.

4º. onherroepelijke veroordeeling wegens het plegen van eenig misdrijf omschreven in de titels 1, 2, 3 en 4, de artikelen 140 eerste lid, en 172, in de titels 13, 14, 15, 18, 19 en 20 en in de artt. 381–385 van het 2deBoek van het Wetboek van Strafrecht.

5º. tweede of verdere onherroepelijke veroordeeling wegens eenig misdrijf.

Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.

De Memorie van Toelichting zegt aangaande de ontheffing en de ontzetting: “De ontzetting berust ophet moedwillig plicht verzuim of onwaardigheid, de ontheffing op het voor den rechter juist gebleken eigen oordeel der ouders, dat het belang van hun kind medebrengt, dat een ander zich met de taak der opvoeding belast.” Doch in het laatste geval worde wel ingezien, dat het belang van het kind moet vóórstaan; is dit niet zoo, dan zal de rechter de ontheffing niet verleenen. Bij ontzetting is de reden om aan de rechten en verplichtingen van het ouderlijk gezag een einde te maken gelegen òf in een feit, dat strafrechtelijk den dader toerekenbaar is òf in een feit, dat dit niet is, maar dat toch aan schuld te wijten is. Bij ontheffing treedt de beschermingsmaatregel voor het kind nog in een duidelijker licht, daar alsdan zelfs geen sprake is van schuld aan de zijde der ouders. In de Memorie van Toelichting heet het: “Het instituut der ontheffing, dat de Staatscommissie niet kent, zal, naar de ondergeteekende vertrouwt er toe bijdragen, dat vele ongelukkigen in hun jeugd niet van die zorgen verstoken blijven, die zij zoo noode missen en waardoor zij voor moreelen ondergang behoed nuttige leden kunnen worden der maatschappij.”

Als preventieve maatregel tegen den handel in blanke slavinnen treedt vooral op den voorgrond de ontzetting op grond van verwaarloozing en slecht levensgedrag, waardoor het kind moreel ten onder gaat, waardoor wellicht het verlangen gewekt wordt zoo spoedig mogelijk het ouderlijk huis te ontvluchten en elders in zijn onderhoud te gaan voorzien; verder op grond van een der veroordeelingen in de drie laatste no’s,waarvan het gevolg is geheel gebrek aan opvoeding of geheele of gedeeltelijke verwaarloozing.

Doch hoe doen zich omstandigheden dikwijls voor?

De val van het meisje—ik wees er in het begin van dit proefschrift reeds meermalen op en gaf daarvan ook voorbeelden—is dikwijls ook eenigszins aan eigen schuld toe te schrijven, groote onverschilligheid zoowel van de zijde van het meisje als van die harer ouders. Van de zijde van het meisje als gevolg van hare onervarenheid valt ze wellicht nog door de vingers te zien, maar van de zijde der ouders is dit geenszins het geval.

Door eenige meerdere oplettendheid en zorg van hun kant zou de val van het meisje wellicht nog voorkomen kunnen zijn. Doch de ouders zijn blijde, als het groote gezin weer met een lid verminderd wordt; de eerste de beste gelegenheid wordt aangegrepen om dit te bewerkstelligen. ’t Is eene afkeurenswaardige onverschilligheid, die zich ook wel in andere opzichten zal openbaren of geopenbaard hebben.

Voorziet het ontwerp ook in deze gevallen?

Kan een dergelijke meermalen geopenbaarde onverschilligheid, die zulke verderfelijke gevolgen na zich kan sleepen, onderverwaarloozing van de verplichting, tot onderhoud en opvoedinggerangschikt worden? ’t Is in ieder geval te loven, dat de Minister in stede vanverregaande verwaarloozing, zooals de staatscommissie dat voorstelde, eenvoudigverwaarloozingheeft opgenomen en wel om den rechter bij de appreciatie der feiten zoo weinig mogelijk te binden. Mijn inziens belet de etymologische beteekenis van het woord enhet begripverwaarloozenniet, dat daaronder ook een dergelijke grove onverschilligheid omtrent de toekomst van de minderjarige valt. Aldus kan de rechter, wanneer zich een dergelijk geval voordoet, al is de maatregel dan voor het meisje, te wier opzichte ze plaats gehad heeft, te laat genomen, toch nog ontzetting uitspreken, hetgeen van belang is voor de toekomst der andere meisjes.

Voor eene andere categorie van kinderen, en wel de verlatenen, die geen tehuis hebben, baant het ontwerp ook een weg om in staat te zijn van hen nog goede staatsburgers te vormen. Ik wil nu niet beweren, dat deze rubriek van verwaarloosden een groot contingent oplevert om de rij der blanke slavinnen te vullen, maar toch zijn ook deze meisjes bij uitstek geschikt om zich in de netten der placeurs te laten vangen, voorzoover ze nog niet vrijwilligprostituéesgeworden zijn.

In deze gevallen voorziet art. 413 derde lid van het ontwerp. Indien het bestaan of het verblijf van den vader of de moeder onbekend is, wordt door den Kantonrechter een voogd benoemd. Gedurende deze voogdij is de uitoefening van de ouderlijke macht geschorst.

1Velen onder hen vallen het artikel scherp aan o.a. op dezen evenzeer merkwaardigen als onjuisten grond als zouden de bordeelen door dit artikel een soort wettelijke sanctie verkregen hebben.2Hier moet onderscheiden worden: dit verzet zal b.v. plaats hebben omdat de vrouw niet meer naar haren man terug wil; niet omdat zij in haar leven van ontucht wil blijven, want dan ontbreekt het vereischte voor de uitleiding dat zij tegen haar wil een ontuchtig leven leidt.3Zie art. 17 van het door de wet van den 31 December 1897 (Stbl. no. 275) goedgekeurd op 14 Nov. 1896 te ’s Hage gesloten verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende.4Gemakshalve en ter bekorting zal ik in de volgende bladzijden in hoofdzaak spreken van de ouderlijke macht.5Te vergelijken met het wetsontwerp over hetzelfde onderwerp, ingediend door Minister van der Kaay, doch bij verwisseling van Ministerie met Koninklijke machtiging ingetrokken, voordat het in de afdeelingen der Tweede Kamer was onderzocht.

1Velen onder hen vallen het artikel scherp aan o.a. op dezen evenzeer merkwaardigen als onjuisten grond als zouden de bordeelen door dit artikel een soort wettelijke sanctie verkregen hebben.

2Hier moet onderscheiden worden: dit verzet zal b.v. plaats hebben omdat de vrouw niet meer naar haren man terug wil; niet omdat zij in haar leven van ontucht wil blijven, want dan ontbreekt het vereischte voor de uitleiding dat zij tegen haar wil een ontuchtig leven leidt.

3Zie art. 17 van het door de wet van den 31 December 1897 (Stbl. no. 275) goedgekeurd op 14 Nov. 1896 te ’s Hage gesloten verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende.

4Gemakshalve en ter bekorting zal ik in de volgende bladzijden in hoofdzaak spreken van de ouderlijke macht.

5Te vergelijken met het wetsontwerp over hetzelfde onderwerp, ingediend door Minister van der Kaay, doch bij verwisseling van Ministerie met Koninklijke machtiging ingetrokken, voordat het in de afdeelingen der Tweede Kamer was onderzocht.


Back to IndexNext