Inleiding.

Inleiding.“Authenticated facts and precise details being at the present moment the only efficacious weapon for obtaining either judicial reform or vigorous measure for the repression of misdemeanours, it seems to us of primary importance that they should be carefully collected,... etc.”Met deze woorden ving Mme de Tscharner, Presidente van de Zwitsersche afdeeling der «Union internationale des Amies de la jeune Fille» in haar belangrijk rapport tijdens het «Congress on the white slave traffic», in Juni 1899 te Londen gehouden, de voorstellen aan, die zij aan het oordeel van ’t Congres onderwierp.Gaarne maak ik deze woorden tot de mijne. Op deze wijze moet toch blijken van de behoefte aan rechtsregelen. Een zware kamp is echter te doorworstelen. Vooreerst die strijd, welke zich immer openbaart tusschen vrijheid en staatsdwang. Dit leert ons de geschiedenis, zooals von Ihering zegt in zijn geschrift «Der Kampf ums Recht». De historie toont aan, dat «het recht, gelijk de menschen, niet anders geboren werd, dan onder hevige barensweeën», (vertaling vanProf. v. Hamel). En wanneer deze strijd uitgestreden is, komen andere moeilijkheden. De instelling van een nieuwen rechtsregel grijpt overal om zich heen, heeft vaak afschaffing van een ouden ten gevolge, verandering van veel, wat er eenigszins mede in verband staat. Dit is natuurlijk het gevolg van den nauwen samenhang, waardoor alle rechtsregels met elkander in verbinding slaan.De principiëele strijd echter tusschen vrijheid en staatsdwang, waarop ik zooeven doelde, is des te heftiger, waar strafrechtelijke regelen verlangd worden. Het geldt hier toch bescherming van belangen, en de waardeering van deze verschilt uitermate, zelfs in een zelfde maatschappij. En, om nu tot den handel in blanke slavinnen speciaal over te stappen, hoe verschillend is niet het oordeel over hetgeen men noemt de “goede zeden”!Ten opzichte van dezen handel is een beweging in gang tot het in het leven roepen van maatregelen ter bestrijding. De behandeling van deze stel ik mij in dit proefschrift ten doel.De eerste stoot tot deze beweging had plaats door een Engelschman, den Heer Dyer te Londen, in het jaar 1879. Hij werd namelijk gewaar, dat een aantal jonge meisjes door bedriegelijke middelen uit Engeland in Belgische bordeelen gelokt werden1. De openbaarmaking van deze ontdekking had verschillende gevolgen.Vooreerst in ’t algemeen de aandrang om dergelijke handelingen te keeren. Verder de vervolging van verschillende schuldigen op verzoek van het Engelsche Gouvernement door de Belgische Regeering bevolen,die de veroordeeling van sommigen ten gevolge had. Deze processen leidden ook tot het ontslag van eenige magistraatspersonen (o.a. van het politiehoofd Lenaers, die de wijnleverancier der Brusselsche bordeelen bleek te zijn), van wier medeplichtigheid een en ander gebleken was. Vervolgens is de Criminal Law Amendment Act van 1885 (48 en 49 Vict. Ch. 69) het gevolg van deze onthullingen, waartoe ook de Pall Mall Gazette van 1885 in haar kolommen een belangrijke bijdrage leverde onder den titel “The Maiden Tribute of Modern Babylon”.Van Engeland uit is toen de beweging om strafrechtelijke maatregelen te nemen tegen dien handel op ’t continent overgegaan.Uit den aard der zaak volgt—de woorden, waarmede ik deze inleiding aanving, verklaren het—dat ik in het begin van dit proefschrift een betrekkelijk ruime plaats voor de behandeling der feiten moest openstellen.1Bij het later gehouden onderzoek bleek, dat voor een 50-tal bordeelen van Frankrijk, België en Holland, Engelsche vrouwen en meisjes op dergelijke bedriegelijke wijze verhandeld werden.Hoofdstuk I.Aard van den handel in blanke slavinnen.Handel in blanke slavinnenis een technische uitdrukking geworden; in officieele stukken komen deze woorden reeds voor. Bij eventueele wettelijke voorziening kan het strafbare feit, bestaande in het als beroepsuitoefening plegen van handelingen, die onder dezen meisjeshandel gerangschikt kunnen worden, gevoegelijk alshandel in blanke slavinnengequalificeerd worden. In Duitschland is als technische uitdrukking te vinden “der Mädchenhandel”, in Engeland “the white slave traffic” (of “trade”), in Frankrijk “la traite des blanches.”Evenwel, ieder technische uitdrukking heeft eene verklaring, eene omschrijving noodig. Wat is nu onderhandel in blanke slavinnente verstaan? Door bedriegelijke middelen maken vele individuen er hun werk van vrouwen en meisjes aan een ontuchtig leven over te leveren; dit geschiedt meestal door plaatsing in een bordeel; door misleiding, waarbij dikwijls misbruik gemaakt wordt van onwetendheid en onervarenheid,brengen zij ze in een toestand, waarin eerbaarheid en, in verband met deze, gezondheid en vrijheid in gevaar komen, terwijl zij ’t oogmerk hebben deze in gevaar te brengen. Daarenboven weten de slachtoffers niet, in welken toestand zij gebracht worden1. De misleiding heeft plaats onder de meest verschillende omstandigheden en door de meest verschillende middelen, ofschoon bij iedere daad van meisjeshandel het misleidende element op den voorgrond treedt en de resultaten op hetzelfde neerkomen.Deze handel doet zich voor in 2 vormen, een minder en een meer ernstige vorm nl. de binnenlandsche en de buitenlandsche handel:1e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding in het land zelf aan een ontuchtig leven overgeleverd;2e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding overgehaald het land te verlaten met het bedriegelijke oogmerk haar in het buitenland aan een ontuchtig leven over te leveren.Ik noem den tweeden vorm den meer ernstige, omdat het slachtoffer op deze wijze in een hulpeloozer toestand verplaatst wordt. Zij zijn zonder bescherming, want zijvertoeven ver van haar familie en vrienden; zij zijn onbekend met de taal van het land, meestal ook met de middelen, die haar rechtens mochten ten dienste staan tot steun in hare hulpeloosheid. Daar de handelaars, placeurs of bureaux de placement, zich meestal trachten te voorzien van weezen of alleen staande vrouwen, zoo missen deze reeds van zelf de zorg en de nasporing van haar natuurlijke verzorgers en beschermers.De omstandigheden, waaronder iedere daad van meisjeshandel geschiedt, zijn altijd eenigszins ingewikkeld en variëeren dan ook bij ieder geval. Ze zullen het beste uitkomen bij het nagaan van de door de handelaars bedreven feiten. Eveneens is dit het geval met de middelen, waarvan zij voor het beoogde doel gebruik maken; eenige der meest aangewende zijn wel de plaatsing van advertenties, het aanklampen aan stations, in treinen of stoombooten en steigers van de vrouwelijke personen, die in de stad komen met het doel eene betrekking te zoeken.Aan de meisjes, die een dienst zoeken, wordt een oogenschijnlijk zeer voordeelige positie aangeboden, hetzij als gouvernante, hetzij als bonne, of iets anders. Vooral de dagbladen, die door de burgergezinnen en den arbeidersstand gelezen worden, leveren een keur van dergelijke aanbiedingen op.Merkwaardig zijn sommige advertenties in Turksche bladen, evenwel niet met ’t doel betrekkingen aan te bieden of meisjes te vragen, maar om de waar, waarvan men zeker is, te verhandelen. Er wordt b.v. invermeld, dat te koop worden aangeboden jonge leeuwinnen uit Soedan, Perzische gazellen en jonge berinnen uit den Kaukasus. Ieder weet dat daarmee vrouwen en meisjes bedoeld worden.Een staaltje volge hier uit ons land. Einde October 1899 waarschuwde de hoofdcommissaris van politie te Amsterdam tegen in den laatsten tijd in enkele dagbladen voorkomende advertentiën onder verschillende opschriften als o.a. “Meisje”, »Ernstig gemeend” enz., ongeveer van den volgenden inhoud: “Gevraagd een flink burgermeisje van 16–20 jaar voor gezelligheid. Liefst wees of vrij meisje; afleiding en verzorging aangeboden. Franco brieven met opgaaf van leeftijd en familieomstandigheden onder Lr. enz.”Een ander middel, dat althans in andere landen aangewend wordt, is het aangaan van een huwelijk. Deze wijze van handelen schijnt vooral in Rusland nog al eens voor te komen. Daarop wijst ons althans de Russische rapporteur op het Londensche Congres van Juni 1899, de staatsraad en senator A. Sabouroff. Van overheidswege werden in 1884 maatregelen getroffen om dezen handel te fnuiken, toen het de aandacht getrokken had, dat de zuidelijke kusten van Rusland door verschillende individuën druk bezocht werden en in de Russische zeehavens, vooral te Odessa, een druk handelsverkeer bestond. Deze administratieve bepalingen gingen het bedrijf slechts ten deele tegen: “Yet the cases of voluntary consent escaped the control of the police, as well as such cases, where the parties were provided with a marriage testimonial; for several casesindeed have been registered of men of Jewish extraction having sold theirwivesinto servitude; after leaving Odessa with theirwives, they returned within a certain time with theirpassportbearing the remark in the hand of the Russian consul in Constantinople: »Wife remained abroad” or »Divorced”. It is evident that such cases, presenting anappearanceof complete matrimonial legality can scarcely be rooted out by administrative measures.”Ook beloften om in een ander land het meisje te trouwen worden bij herhaling als middel aangewend.Tonny Kellen verhaalt dat de leden van een placeursvereeniging te Bombay zich indringen bij de familie van het meisje, dat zij willen meenemen. Wanneer hun dat gelukt is, trouwen zij het meisje of geven voor tot het huwelijk over te zullen gaan na aankomst in Indië. Menigmaal komen in Duitsche bladen advertenties voor om vrouwen over te halen de reis naar Voor- en Achter-Indië te ondernemen. Men maakt den meisjes diets, dat er zich in Bombay vele Duitsche jongelieden bevinden, die gaarne willen trouwen met meisjes uit hun vaderland.—Verder maakt Tonny Kellen melding van een geval, dat een meisje uit Rome door den handelaar getrouwd werd en in Bombay voor 300 ropijen verkocht.Uit de herhaaldelijk voorkomende gevallen blijkt, dat ieder meisje of iedere vrouw de dupe kan worden van deze bedriegelijke handelingen, zonder nu altijd onvoorzichtig te zijn of het slachtoffer te worden van eigen onervarenheid en onwetendheid. Het grootste quantum toont evenwel aan, dat de placeurs partij trekken vande onnoozelheid der meisjes en daarvan misbruik maken. ’t Is een raadsel, hoe sommige meisjes zich onnadenkend kunnen verbinden een betrekking te aanvaarden in haar onbekende landen.Baronesse de Montenach, secretaresse van hetOeuvre Catholique Internationale pour la Protection de la jeune Fille, deelt ons in haar rapport op het Londensche Congres van 1899 een interressant geval mede (zie pag. 170 van deTransactions). Ik acht het niet meer dan billijk, dat de staat, waar verwacht wordt, dat hij degenen, die de dupe zijn van bedriegelijke handelingen in bescherming zal nemen van zijn kant redelijker wijze mag vorderen, dat althans niet een dusdanige zorgeloosheid aan den dag worde gelegd als vele gevallen aantoonen, waaronder het zooeven geciteerde. De staat strekt niet zijn beschermende hand uit om zorgeloosheid en roekelooze onbedachtzaamheid aan te kweeken. Men behoeft slechts het gering intellectueel gehalte van het personeel der bordeelen na te gaan om, aannemende dat het voor een deel gerecruteerd wordt door den handel, de conclusie uit te spreken, dat in de meeste gevallen de werving zonder veel moeite zal geschied zijn.Doch duur komt haar onvoorzichtigheid haar te staan.Het groote publiek spreekt met zekere geringschatting, zoo niet minachting, over de prostituée (ik laat in ’t midden, of deze opinie wel te rechtvaardigen is). In den aanvang dikwijls een soort weelde genietend, is ten slotte groote armoede haar deel; de goede eigenschappen en hoedanigheden worden tot een minimumgereduceerd, zij maken plaats voor tot misdaad overhellende neigingen. In hetJahrbuch für Gesetzgebungenz. van 1897 schildert ons Dr. A. Korn (Berlin) in zijn artikel »Strafrechtsreform oder Sittenpolizei” de physieke en psychische toestand der gevallen vrouw aldus: »Wird sie (d. h. die gewerbsmässige Unzucht) dauernd als Gewerbe betrieben, so führt sie zu einer völligen geistigen und körperlichen Entartung der ihr ergebenen Weibspersonen. Die Fähigkeit zu irgendwie anstrengender Arbeit hort bei ihnen auf, das Gefühl für Recht und Unrecht stumpft sich ab; Gedächtnisschwäche, gedankenlose Geschwätzigkeit, Lügenhaftigkeit aus blossem Hange zum Lügen und unüberwindliche Arbeitsscheu charakterisieren diese Art der Degeneration. Dirnen,welchesoweit gekommen sind, fallen stets den Hospital und Gefängnisverwaltungen und schliesslich der Armenpflege zur Last.” In dergelijken zin maalt ons Dr. C. Ströhmberg in zijn werkje »Die Prostitution” blz. 37 de eigenschappen en hoedanigheden der publieke vrouw.In dezen toestand van lichamelijk en zedelijk verval geraakt het slachtoffer van den handel in blanke slavinnen. Men meene niet, dat het ondenkbaar is, dat een vrouw, in wie niet de kiem zit van dergelijke eigenschappen en hartstochten, het leven van prostituée niet lijdelijk zou dulden, wanneer zij eenmaal tot dat leven gebracht is. Integendeel, wanneer zij eenmaal de eerste schrede gedaan heeft hetzij door dwang hetzij vrijwillig, valt geen onderscheid meer te maken tusschen de misleide vrouw en haar, die zich vrijwillig aan hetprostitutieleven overgaf. Pauline Tarnowskaja vermeldt het volgende geval: Door bedriegelijke middelen wordt een meisje in een bordeel gevoerd; een bezoeker interesseert zich voor haar en stelt haar in de gelegenheid op ’t platte land met haar kind onbezorgd te leven. Ze blijkt evenwel reeds zoo aan het bordeelleven gewoon te zijn geraakt, dat zij dit rustige landelijke leven vaarwel zegt om in het bordeel terug te keeren. Nu en dan gaat zij terug om haar kind te bezoeken, doch keert ten slotte weer in het bordeel terug.Slechts door het behoud van haar eerbaarheid kan de vrouw in onze maatschappij haar goeden naam intact houden, het verlies der onschuld buiten huwelijk is voor het meisje meestal van zeer ingrijpende beteekenis. Teruggaan is onmogelijk, het “tot hiertoe en niet verder” blijkt onder de tegenwoordige maatschappelijke toestanden en tengevolge der physieke gesteldheid van den mensch geen voldoende kracht te bezitten om haar voor den verderen val te behoeden.“Ist einmal die Jungfräulichkeit verloren, so ist der schlimmste Schritt gethan, und in den Gefühl durch keine Mühe sich rehabilitiren zu können, suchen sie ihre Situation verwerthbar zu machen,” zegt Lombroso.Aan de eene zijde daalt meestal op den duur het moreele peil der prostituée langzamerhand tot het minimum, aan de andere zijde is het verlies harer eerbaarheid en het voortgaan op den eenmaal ingeslagen weg van zeer nadeeligen invloed op hare physieke gesteldheid. Ook deze grief, dat de handelaars in blanke slavinnen door hun handelingen de vrouw ineen leven werpen, waarin haar gezondheid, ja haar leven in groot gevaar komt, is ernstig. Door haar ontuchtig leven stelt het meisje zich aan vele meer en minder gevaarlijke ziekten bloot: het vermoeiende leven, het slapeloos doorbrengen der nachten, het misbruik van spiritualiën, gebrek aan buitenlucht en ’t leven in een duffe atmosfeer putten haar lichaam uit. Statistieken wijzen uit, dat de meeste prostituées zich binnen de eerste 3 jaren van haar ontuchtig leven met ernstige venerische ziekten besmet hebben, doch ook overigens heeft de omgang met de velen, die haar onbekend zijn en met haar onbekende ziekten besmet zijn, ten gevolge, dat zij zich ook daaraan blootstelt. En wat zijn de gevolgen voor haar, die dit leven leiden, totdat zij niet meer aan de vereischten voldoen, noodig op met eenig succes dit bestaan vol te houden? Overgang tot de misdaad is slechts een kleine schrede, anders een kommervolle ouderdom zoo deze althans bereikt wordt of eindiging van het leven in armenhuizen of hospitalen. Doch een vroegtijdige dood is meestal het deel der prostituée; hare gezondheid stelt zij door haar leven op te zware proef. August Bebel vermeldt in zijn werkje “Die Frau in der Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft”, dat Fait voor Edinburg de gemiddelde levensduur der prostituée stelt tusschen 22–25 jaar. Volgens denzelfde doet jaarlijks een vierde, ja dikwijls een derde der prostituées poging tot zelfmoord en gelukt het dan ook minstens een twaalfde zich zelf te dooden.De vermelding waard zijn de volgende woorden dieMme. E. de Morsier op het Penitentiair-Congres te Parijs (1895) uitsprak:“Ah, Mesdames, avez-vous songé à ce qui a du se passer dans le coeur et l’intelligence de ces malheureuses, avant qu’elles en arrivent a ce dégré de dépravation où, hélas, nous mèmes nous sommes forcées de dire qu’il n’y a plus guère d’espoir?“Une de nos amies, qui habite un port de mer nous écrivait ces mots tragiques:. . . . . . . . . “Je les ai entendues rire et plaisanter ces pauvres filles, un jour où elles se rendaient en troupe sur le port. Et l’une d’elles criait à un homme, qui les regardait passer—un habitué de sa maison:“Ne vous étonnez pas si nous sommes si gaies, ce sera bientot fini. On nous emmène à Riga pour les marins, que l’on attend, maintenant, que les glaces sont fondues dans le Baltique; trois semaines de ça et nous serons finies. Alors on se jette à la mer et puis tout est dit. Hourrah”!De tegenwoordige handel in blanke slavinnen openbaart zich op die wijze, dat de vrouwen in een bordeel gelokt worden; is de straatdeur eenmaal achter haar gesloten, dan zijn zij als ’t ware gevangenen. Van dit oogenblik is haar vrijheid van handelen tot een minimum gereduceerd. Om zich goed in dezen toestand in te denken, doe ik het best een officiëel rapport van het vroegere hoofd der Brusselsche politie, Lenaers, aan te halen: “The women in the houses are subjected to obligations without number, they are forced, soto speak, to give themselves up to the first comer, however deep their repugnance to him may be; they are compelled to incur heavy expenses and to submit themselves to the yoke of the keeper of the houses; their liberty of action is exceedingly limited; they must never be seen at the door or windows of the houses; theyscarcelyever go out, and then always under the escort of the mistress; in a word, they possess only that amount of liberty, which the mistress chooses to grant them, and the mistresses extend or control their liberty, as it suits their own interests, and without any reference to the will or preferences of the women.” ’t Ligt dan ook in den aard der zaak, dat er buitengewone maatregelen genomen moeten worden om de misleide vrouw te dwingen aan het doel te beantwoorden, waarvoor zij in het bordeel gebracht is; iedere poging om te ontvluchten moet zooveel mogelijk—althans in den aanvang, daar naderhand de vrouw zich in haar toestand begint te schikken—worden voorkomen.Daarom het uiterst scherp toezicht, dat op de pensionnaires gehouden wordt. Tot deze slavernij werken ook indirect mede andere feitelijke maatregelen: bij de komst in het bordeel worden de kleederen der nieuwelinge zoogenaamd uit vriendelijke voorzorg in bewaring genomen; ze ontvangt daarvoor andere kleederen, waarin zij zich niet in het publiek kan vertoonen. En dan nog de vrijheid, die de bordeelhouders zich veroorloven op eigen initiatief de meisjes als persoonlijk onderpand in gijzeling te houden voor de schulden, die zij van haar kunnen vorderen ten gevolge van de verplichtingen,die zij haar opgelegd hebben, zich tegen exorbitante prijzen hare toiletbenoodigdheden en kleederen bij haar meesters aan te schaffen. Yves Guyot drukt dit kenschetsend uit als zoude een hypotheek op haar rusten.Andere gevallen doen zich voor, waarin de vrouw ook het kind van de rekening wordt. Daar toch, waar eene bepaalde inschrijving gevorderd wordt, zien de bordeelhouders zich genoodzaakt door middel van valsche papieren, geboorteacten e.a. den waren leeftijd van het meisje, indien dit nog minderjarig is, te verbergen; hun worden te dien einde door hen, die de meisjes verschaffen, de valsche stukken ter hand gesteld; van deze maken de meisjes gebruik, want haar wordt diets gemaakt, dat het om deze of gene reden noodig is een anderen naam en anderen leeftijd aan te nemen. Het dilemma wordt den meisjes dan voorgehouden òf in het bordeel te verblijven, òf daaruit weg te gaan om in vrijheid zijnde, op aangifte van den bordeelhouder terstond wegens valschheid vervolgd te worden en daarna wederom een toestand van onvrijheid in de gevangenis te ondergaan. En dat dit geen illusoir schrikbeeld is, bewijst menig exempel van veroordeelingin contumaciamter zake van valschheid in dergelijke gevallen.De processen in 1881 in België gevoerd brachten verschillende valschheden in geschriften aan ’t licht. Ter zake van het opzettelijk gebruik maken van dergelijke stukken werd meer dan eens eene veroordeeling tegen een meisje uitgesproken.Als slotbemerking worde er nogmaals op gewezen,dat langzamerhand de vrouw zich in haar toestand begint te schikken, dat zich dan bij haar een zucht naar vrijheid niet meer openbaart—zij is een willoos voorwerp geworden—en dat dientengevolge geen poging meer aangewend wordt het juk van zich af te schudden. Zij gaat door koop van hand tot hand over van den een op den ander, steeds pensionnaire wordende van huizen van minder allooi, totdat de waar geen opgang meer maakt en niet meer aan haar bestemming voldoet; zij wordt dan aan haar lot overgelaten.’t Spreekt van zelf dat de wervers het eerst hun oog vestigen op onschuldige meisjes, die door de natuur met schoone vormen en schoon uiterlijk begiftigd zijn, en liefst zoo jong mogelijk, bijna immer minderjarig; deze zijn toch het meest gewild en brengen groote sommen op. Naar gelang van de qualiteit der koopwaar bezorgt deze den placeur douceurtjes van 50 tot 500 gulden en meer. ’t Is dus voornamelijk de onschuld, die in aanmerking komt. Voor den kooper wordt op verlangen een geneeskundig certificaat opgemaakt om de maagdelijkheid te constateeren.De Pall Mall Gazette van 1885 meldt eenige getuigenissen:June 27, 1885«This is to certify, that I have this day examined — — D — — aged 16 years and have found her a virgin.”——, M. D.June 29, 1885.«This is to certify, that I have examined — W — aged 17 years, and — K — aged 17 years, and have found them both virgins.”——, M. D.Het oog valt dan vooral op jonge en dus minderjarige meisjes; doch daar de bordeelhouders in deze gevallen onder het bereik der strafwet zouden vallen, worden de middelen wel gevonden om dit kwaad te ontkomen, hetzij men zich van valsche stukken voorziet, hetzij zooals de feiten uit andere landen genoegzaam aangetoond hebben, de politie met de inschrijving belast, oogluikend een en ander door de vingers ziet.2Overigens wordt in deze gevallen meermalen gehandeld als op eene markt, waar het stuk vee van alle kanten betast wordt, voordat tot den koop overgegaan wordt.Goron, ancien chef de Sûreté, liet einde 1899 het licht zien aan een nieuw deeltje van zijn werk “L’amour à Paris” getiteld “Le marché aux Femmes.” Het eerste hoofdstuk “La confession d’une pierreuse” is in dit opzicht de lezing wel waard. Zij wordt gegrepen, toen zij haren “Rouquin”, een souteneur, bij diens arrestatie te hulp snelde. Voor den chef de Sûreté gebracht verhaalt zij hem haar levensgeschiedenis. Zooals zoovelen viel zij in handen van een placeuse, die tegenover haar in de coupé zat van den trein naar Parijs. Deze koppelaarster bracht haar bij een bureau deplacement. En het hoofd van dit bureau bood haar te koop aan een bordeelhoudster, MmeAngélique, die hem bezocht.“Madame Angélique promena sur toute ma personne le même regard connaisseur, que mon maître le marquillier. Je me souviens, que mentalement je fis ce rapprochement, mais sans y mettre d’autre importance....“MmeAngélique en vint même à me toucher la poitrine..... ce qui me fit rougir malgré moi.“Pas mal, dit-elle, je te prends. Allons, fiche tes frusques dans mon sapin, je t’emmène. Tu n’as à t’occuper de rien; c’est moi, qui paie le bureau.”Dat zij na dezen koop in het koetsje naar het bordeel vervoerd werd, behoeft haast niet vermeld te worden.De prijs der blanke slavin varieert, zooals ik reeds zeide; hij is natuurlijk afhankelijk van de oeconomische wet van vraag en aanbod en van de hoedanigheden, die ik zooeven opnoemde. Zij is een bron van inkomsten zoowel voor den placeur, als voor den bordeelhouder; deze laatste berekent, wat hij voor haar zal betalen, naar hetgeen hij veronderstelt dat zij hem in zijne affaire op zal brengen.De heer de Meuron zegt karakteristiek in zijn rapport op ’t Congres te Londen (1899) om het lucratieve van den handel in vrouwen en meisjes aan te toonen: «We hope to give here the result of work, undertaken by the society of Public Morality in the Canton of Zürich, which has labouriously collectedbiographicalinformation of some of our most notorious traffickers inwhiteslaves. Nothing is more instructive than to followthe career of one of these business men, commencing with the conduct of a house, then spreading his business, entering into relationships abroad, creating channels for international commerce, then little by littleabandoningthe catering for his «den» in order to give himself to larger transactions in the far East, and finally securing for his old age a peaceful retreat in some costly villa on the shores of the lake of Zürich or of Geneva!»De handel in blanke slavinnen is dus de uitoefening van een beroep, bestaande daarin, dat men uit winstbejag door misleiding vrouwen en meisjes aan een ontuchtig leven overlevert door ze in een bordeel te lokken. Deze tak van koophandel is voor sommige individuen evenzeer een levensberoep als het in andere takken voor anderen is; een dergelijke daad, bedreven door een niet-koopman, dus een op zich zelf staande handeling komt betrekkelijk zelden voor. Een recent geval (midden 1899), dat ik vernam van de directie van een der toevluchtsoorden in Amsterdam, wil ik in ’t kort mededeelen: Een Zeeuwsch meisje kwam bij haar zwager in de hoofdstad logeeren; haar voorkomen was van dien aard, dat de gastheer meende eens zaken te kunnen doen. Hij wendde zich dan ook tot een besteedster, die zich wel meer met dergelijke aangelegenheden bemoeide en verkocht haar aan deze vrouw voor de luttele som van ƒ15, waaruit wel bleek zijne onbekendheid met de waarde, die dergelijke levende koopwaar onder geroutineerde handelslieden vertegenwoordigt. Het meisje werd diets gemaakt, dat eenvoordeelige betrekking in Rotterdam open was, welke zij zou kunnen innemen. Zij accepteerde. Bij hare aankomst aldaar kwam zij in een bordeel te land.Doch meestal zijn het geroutineerde kooplieden, die, zooals uit de gevallen, die ik hier zal aanhalen, blijken zal, van alle mogelijke omstandigheden partij trekken om slachtoffers te maken.HetBulletin Continentalvan April 1896 meldt:“On annonce l’arrestation, à Vienne (Autriche) d’un Juif Maschoulim Langer et de sa fille Rose. Ces deux personnages se livraient en grand à la traite des blanches. Leur agence, qui avait des commis-voyageurs très habiles et des succursales dans toute l’Europe, alimentait les maisons de tolérance et autres lieux mal famés de la Roumanie, de la Serbie, de la Turquie, voire même de l’Amérique, où l’une de filles de Langer était propriétaire d’un mauvais lieu et où son fils était associé à ses opérations.Les agents de la maison Langer parcouraient les campagnes, les petites villes surtout, de la Galicie et de la Russie. Découvraient-ils de jolies filles pauvres ou cherchant une place, ils s’abouchaient avec elles, ils leur promettaient monts et merveilles et les expédiaient à Vienne à la maison principale. Là, Langer et sa fille les recevaient, les gardaient quelques jours en les accablant de soins et de distractions, puis leur proposaient une place dans telle ou telle ville. Arrivées a destination, les malheureuses se trouvaient dans une maison de tolérance ou chez une entremetteuse. Langer touchait jusqu’à 500 florins suivant la beauté du sujet.Au momentoùon est venu l’arrêter cetrafiquantde chair humaine avait endépôtchez lui sept jeunes filles, presque toutes étrangères, et sa fille Rosa venait de recevoir du correspondant de Varsovie une dépêche ainsi conçue: “Marchandises à Varsovie saisies. Attention! Demande appui, Baumwolle”. Deux agents de Langer, Isidore Dickfaden et Jacof Friedberg (de son vrai nom Rozenkrantz) ont été également arrêtés.”In deChronique(Brussel) van 5 Nov. 1898 lezen wij: “Il y a quelques jours une fille de 18 ans apprit par une annonce, qu’on demandait à Saint-Josse des jeunes filles pour un service facile.“La jeune fille se rendit a l’adresse indiquée: c’était un café, dont la propriétaire la reçut et la présenta à une dame d’origine anglaise. Cette dame demanda à la jeune fille de l’accompagner à Londres, où elle lui procurerait une belle place; la jeune fille accepta et partit le même jour pour l’Angleterre.“Deux autres jeunes filles faisaient partie de l’expédition; on les conduisit dans un hôtel de Londres et quelques jours après elles devaient partir à destination de l’Amérique du Sud. On inscrivit les deux jeunes filles a l’hôtel sous un nom d’emprunt et on les éblouit par des promesses mirifiques devant se réaliser, lorsqu’elles arriveraient à destination; on obtint ainsi leur consentement au départ. La jeune fille, partie avec les deux autres compatriotes, alarmée par des agissements louches, parvint à tromper la surveillance, dont on l’entourait et avertit son père. Ce dernier s’empresse de se rendre à Londres et y arriva avant le départ deson enfant. Les deux autres jeunes filles font actuellement voile pour l’Amérique du Sud. Une de ces jeunes filles était employée dans un magasin de la rue du Marais; elle avait étéembauchéepar un individu, qui par des offres brillantes, l’avait décidée à partir pour Londres avec la femme anglaise; l’autre jeune fille avait été accostée à la gare du Nord et était tombée dans la même piège. La police a reçu depuis quelques mois le signalement de nombreuses jeunes filles disparues mystérieusement; il est très probable, qu’elles sont tombées entre les mêmes mains.”Volgens hetBulletin Continentalvan Dec.1896 bevatte deEtoile Belgenog eenige bijzonderheden over het verloop van de ontdekking van bovengenoemde door deChroniquegememoreerde feiten.Wij lezen: “D’après l’Etoile Belge du 28 Nov. la proxénète qui avait emmené a Londres les jeunes Bruxelloises dans les conditions, que la Chronique de Bruxelles a relatées, a été arrêtée à Londres en vertu d’un mandat de Mr. le juge d’instruction. Mais d’après la loi anglaise,pour quel’extradition puisse être obtenue, il faut que le juge anglais rende une sentence, pourlaquellela présence d’une des jeunes fillesenlevéesest nécessaire. Pour obéir a cette formalité, la police métropolitaine s’était mise en rapport avec l’une des victimes rentrée à Bruxelles, MelleMarguérite K., qui consentit a faire le voyage à condition, que les frais lui fussent remboursés.“Conduite à la gare et mise dans un train en partance pour Anvers, la jeune fille a subitement et mystérieusementdisparu. On est sans nouvelles d’elle aussi bien à Londres qu’ à Bruxelles et on se demande, si elle n’a pas éte enlevée à son arrivée à Anvers.De Matin van 23 Juli 1896 vermeldt:“M. Garnot, commissaire de police du quartier des Grandes-Carrières a arrêté hier et envoyé au dépôt un nommé Eugène Jousse, âgé de 32 ans, demeurant 16 passage de Clichy, qui surveillait les abords de la gare Saint-Lazare, abordait les bonnes sans emploi et les expédiait dans des maisons mal famées de la France ou de l’étranger.“Une perquisition opéreé chez cet individu a amené de tristes découvertes. C’est une des victimes de cet ignobletrafiquant, qui est venue se plaindre au commissariat de la rue Cauchois et a provoqué l’arrestation du misérable”.In het Maandblad “Getuigen en Redden” van April 1896 is onder het opschrift “Handel in meisjes” het volgende te lezen:“In Indië neemt de handel in meisjes onrustbarende verhoudingen aan. Volgens een Indisch blad worden de meisjes van Java naar Singapore (Engelsch-Indië) vervoerd, eene stad, die bekend is door de talrijkheid harer bordeelen, waarin vrouwen van allerlei naties vertoeven.“Een soort koppelaarsters, die zich als geestelijke zusters voordoen en in Turksche kleederdracht gansch Java rondreizen, houden zich vooral met dien handel bezig.“Immers zij genieten een blind vertrouwen van de zijde der dessabewoners en met beide handen grijpendeze het aanbod aan als een dier “barmhartige zusters” hun voorstelt, hun dochters in de geheimen van den Koran in te wijden en ze als Cicerone naar de Heilige stad te vergezellen.“En juist die matrones maken nog al wat reisjes naar Mekka, terwijl het vermoeden, als zouden zij betrokken zijn in dien slavenhandel—welke, niettegenstaande pertinente tegenspraak wel degelijk bestaat—niet licht opkomen zal, want en landaard en het vrome kleed pleiten voor hen.Maar hoevelen van deze jonge dochters keeren niet weerom, en bereiken nimmer het heilige land, doch verdwalen op Singapore in bordeelen.    (Controleur).De “Javabode” van 18 Sept. 1897 vermeldt het volgende geval:“Omtrent den handel in Japansche meisjes in het Oosten deelt de “Kobe Herald” het volgende mede:“Het is bekend, dat door de havenautoriteiten in Japan strenge maatregelen genomen worden om de wegvoering naar het buitenland van jonge meisjes voor onzedelijke doeleinden te beletten, maar meermalen worden de bepalingen ontdoken. De lotgevallen van een 17 jarig meisje dezer dagen van Singapore te Yokohama teruggekeerd zijn wel geschikt om de politie tot grootere waakzaamheid aan te sporen.Terwijlzij werkzaam was in een waaierfabriek te Osaka, maakte zij kennis met een vrouw, die haar een goede positie aanbood in een theehuis te Yokohama. Met een vriendin vertrok zij met de vrouw derwaarts.“Na 10 dagen te Yokohama te zijn gebleven, werdenbeide meisjes met nog elf anderen, die zij niet kenden, aan boord gebracht van de “Müki-Mara” en allen in het ruim verscholen, in gezelschap van 3 mannen, die haar om de beurt bewaakten.“Te Hongkong werden zij in een hotel onder dak gebracht.“Tot driemalen toe trachtten 5 der ongelukkigen te vluchten, maar werden door de haar vergezellende mannen weder gevat, geslagen, geschopt en in het hotel teruggebracht. Twee harer was het gelukt het politiebureau te bereiken, maar niemand kon ze daar te woord staan en toen het avond geworden was, besloten zij naar het hotel terug te keeren. Van Hongkong werden negen meisjes gebracht aan boord van een naar Australië vertrekkend stoomschip. Twee dezer waren bestemd voor Singapore, waar zij in een bordeel geplaatst werden. Een dezer laatsten werd spoedig door een bordeelhouder eerst naar Batavia en van hier naar Sumatra gebracht. Toen zij zwaar ziek geworden was, besloot de bordeelhouder haar naar Singapore terug te zenden, vanwaar zij door de zorgen van den Japanschen Consul naar Yokohama werd doorgezonden. Zij heeft aan de politie medegedeeld, dat er op Sumatra verscheidene door Japanners gehouden bordeelen bestaan, waarvan de bewoonsters op bedriegelijke wijze uit Japan zijn weggevoerd.”Het B. C. van Maart 1895 brengt ons op de hoogte van een zeer interressant geval.“La police d’Anvers, celle de Rotterdam et la police de Berlin s’occupent en ce moment d’une grave affaire de moeurs. Une jeune fille d’Anvers, agée d’environ17 ans, est tombée entre les mains de proxénètes, qui l’ont expediée à Riga en Russie. C’est la police de Rotterdam, qui a donné l’éveil. Depuis longtemps, elle savait, qu’une femme d’origine hongroise, qui tenait à Rotterdam une maison de prostitution, se livrait à la traite des blanches. Maintes fois le commissaire avait essayé de surprendre les infames agissements de la Hongroise, mais il avait toujours échoué dans ses tentatives. Il avait même demandé des éclaircissements aux autorités russes, mais celles-ci n’avaient pas répondu.“Il y a trois ou quatre jours, le commissaire de police reçut une lettre anonyme, datée de Bruxelles, per laquelle il fut averti, que la Hongroise préparait un nouveau coup. L’honorable magistrat avertit le parquet. Une descente fut ordonnée chez laproxénète, mais l’oiseau s’était déjà envolé. On y fit cependant une capture importante, celle de la ténancière de la maison de Riga, qui avait acheté la jeune Anversoise.“La police poursuivit rapidement son instruction et apprit, que la Hongroise était partie pour Berlin en compagnie de la victime. La police de Berlin fut avertie par dépêche. Malheureusement, il était trop tard. La fillette avait été livrée a un “placeur” venu de Bruxelles, et qui était immédiatement parti avec elle pour Riga. Quand l’autorité berlinoise eut connaissance de l’affaire le misérable avait déjà atteint la frontière russe.“Au moment où je vous écris, un inspecteur de la police hollandaise se trouve à Anvers. L’enquête a déjà révélé, que la fillette a d’abord été conduite d’Anversà Bruxelles, où elle a été vendue par la Hongroise à la proxénète russe. Celle-ci, comme je le constate plus haut se trouve entre les mains de la justice depuis quatre jours. Quant à sa complice hongroise, elle est revenue, hier soir, de Berlin, et elle a été immediatement mise en prison. Le placeur bruxellois est guetté à Berlin et il est probable qu’il sera arrêté également d’ici à quelques heures.”3Enkele grepen heb ik hier gedaan uit den overvloed van gevallen, die verschillende bladen ons te lezen geven,vaak in een speciaal voor den handel in meisjes bestemde rubriek. Deze gevallen koos ik overal, verspreid om aan te geven, dat zoowel in het oude Europa en Azië alsin hetnieuwe Amerika de handel welig bloeit daarom staan evenwel Afrika en Australië niet ten achter bij de eersten; ook hier komen dergelijke feiten voor.Een geval wil ik hier vermelden, dat Hollandschemeisjes naar Californië vervoerd zijn. Ik ontleen het aan een brief, dien de oud-consulVanLöben Sels te San-Francisco mij op mijn verzoek om inlichtingen zond. “Handel in blanke slavinnen komt hier ongetwijfeld ook veel voor—gewoonlijk worden de meisjes door houdsters van bordeelen in Parijs, Amsterdam etc. in persoon geëngageerd—dikwijls ook per brief—om als naaisters, bedienden in restauraties etc. werkzaam te zijn. Eens hier zijnde, zijn zij “stranded” en raken ze spoedig aan haar nieuw bedrijf gewend en er mee verzoend.” Iets verder volgt in den brief: “Ongeveer 5 jaar geleden ontving dit consulaat per brief verzoek om hulp en voorlichting van 2 Hollandsche meisjes, die bleken door een zekere Maria van Pelt, eene Hollandsche vrouw uit Rotterdam (alhier een bordeel houdende) in Rotterdam te zijn aangenomen om in San Francisco als naaisters werkzaam te zijn tegelijk met, ik meen, 4 andere meisjes. Ik vond het tweetal ziek te bed in een privaat dames-hospitaal, bedekt met syphilis, zwaken ziek en zonder een cent. Ze waren uit het huis weggeloopen,” etc.»Door die meisjes vernam ik, dat bij die Maria van Pelt nog 4 andere Hollandsche meisjes als prostituées werkzaam waren.” etc.Een der Hollandsche afgevaardigden op het Congres van Juni ’99 te Londen gehouden, de heer Velthuijzen, vermeldt in zijn rapport dat hem uit vertrouwbare bronnen bekend geworden was, dat niet alleen te Parijs en Londen, doch ook in Rusland, Egypte en Britsch-Indië Hollandsche vrouwen in bordeelen aangetroffen worden.’t Is evenwel uiterst moeilijk op de hoogte te komen van dergelijke gevallen om deze redenen: de meisjes verlaten het land met het plan in een“fatsoenlijke” dienst te gaan, dus de nabestaanden weten niet anders of het is zoo; zijn de meisjes evenwel eenmaal gevallen, dan schamen zij zich haar betrekkingen hiervan op de hoogte te brengen, zoo zij althans in de gelegenheid gesteld worden te schrijven. Indien de nabestaanden niets vernemen, hoe kunnen zij dan opsporing verlangen of inlichtingen vragen, waar zij niet eens weten, waar het meisje zich bevindt, daar toch de oorspronkelijke plaats van bestemming meestal gefingeerd was? Zelfs bij den binnenlandschen handel komt ’t voor dat de betrekkingen niets aangaande den val van het meisje te weten komen.De toestanden zijn overigens overal dezelfde; ten bewijze, dat de Nederlandsche toestanden, speciaal de Amsterdamsche, identiek zijn met die welke ik in dit hoofdstuk beschreef, haal ik een en ander aan uit hetofficiëel verslag der Commissie, die een verandering der Amsterdamsche strafverordeningen in zake de bordeelen moest voorbereiden.»De vrouwen in deerkendebordeelen zijn bijna allen van vreemde nationaliteit.De bordeelhouders werven haar aan door zoogenaamde placeurs, de makelaars in dezen menschen-handel.”“Voor elkeen en voor iederen vorm van natuurlijke of tegennatuurlijke ontucht zijn die vrouwen beschikbaar.”“Meestal is de bordeelhoudster de leverancierster van kleedingstukken en verdere benoodigdheden. De rekening daarvan is gewoonlijk zoo hoog, dat de bordeelhoudster in voorschot blijft.” “In een bordeel op de Heerengracht konden wij inzage nemen van de boeken, zoo kostte o.a. een japon ƒ100, zes zakdoeken ƒ16, zes paar kousen ƒ12, enz.”“Op straat komen de vrouwen niet dan in gezelschap der zgn. gouvernante.”“Ook bij ons onderzoek is gebleken, dat een groot deel van de gruwelijkheden, die Fiaux (”Les maisons de tolérance et leur fermeture, 3e uitg. 1896”) verhaalt omtrent het leven in de bordeelen te Parijs, ook ten onzent wordt aangetroffen.”Uit het voormalig zgn. geheime rapport, dat in deze zaak werd uitgebracht, het volgende:“De meeste vrouwen zijn van vreemden oorsprong, kennen het land niet, noch de zeden der bewoners, en zijn genoodzaakt, indien zij aan de politie verklaren, dat zij het huis willen verlaten, dit te doen in hoogst primitief costuum en ontbloot van alle geld. Feitelijkkunnen de prostituées beschouwd worden als slavinnen.” “Indien het blijkt, dat zij niet meer geschikt zijn voor het werk dat van haar wordt verlangd, worden zij tegen een som, die grootendeels bepaald wordt door de geldelijke schuld die op haar hoofd rust, overgedaan aan den eigenaar of eigenaresse van een ander bordeel hier ter stede of elders.”“Alle houdsters verklaarden ons, dat met vreemde vrouwen zooveel beter valt te werken.”Meestal Fransche en Belgische, Hollandsche weinig in trek, Engelsche in het geheel niet, hier en daar een Duitsche (gering aantal Duitsche een gevolg van het tractaat met Duitschland in 1889, omdat volgens dit tractaat voor de toelating in het bordeel een proces-verbaal moet opgemaakt worden, dat door den Duitschen consul moet worden gezien).“De houders of houdsters der publieke huizen gaan òf zelf naar Parijs en Brussel, zoo b.v. L. F..., vroeger eigenaar van het groote bordeel op de Spuistraat (F...) thans rentenier te Vreeland, òf krijgen hunne vrouwen door placeurs.”“De bordeelhoudster van de Heerengracht nam eene vrouw over van W.... en betaalde daarvoor ƒ200. Een ander meisje kostte der Madame ƒ90. Dit geld voor overname moet door de meisjes worden inverdiend.”De Commissie verhoorde eene vrouw A. D., die thans het onzedelijk leven vaarwel heeft gezegd, doch vroeger jaren lang geleefd heeft met een bekenden placeur.Ik laat hier eenige vragen en antwoorden volgen.Vr.Welke ervaring hebt gij omtrent placeurs en souteneurs?Antw.De placeur, die in aanraking wenscht te komen met vrouwen en meisjes plaatst eene advertentie, die nu eens waarheid danonwaarheidbevat. Uit de ingekomen antwoorden wordt de geschikste door den placeur gekozen, die aan den placeur ƒ5.– betaalt voor eene plaatsing in een Café. De prijs voor een prostituée is veel duurder tot ƒ80.– toe.Buitenlandsche placeurs zorgen, dat de geplaatste de noodige papieren krijgt, wat natuurlijk aanleiding geeft tot ’t verkeerd opgeven van den leeftijd.Op een andere vraag als antwoord: “De clandestiene bordeelen zijn geheel ingericht als de erkende en bekomen op dezelfde wijze de vrouwen.”Verder: “Verschillende bekende bierhuizen zijn bordeelen, die alleen voor de leden toegankelijk zijn. De meeste vrouwen worden door een bekenden placeur uit Keulen in die inrichtingen geplaatst.”Vr.Wat is u bekend omtrent het zedelijk leven vanwaarzegsters, werksters met ei, masseuses?Antw.Hieronder vindt men velen, die ontucht in de hand werken.MmeH, specialiteit in maagdom, handgeld ƒ25.–”Wat den leeftijd der prostituées betreft was het antwoord:“Onder haar zijn vele minderjarigen.”Dit blijkt positief eveneens uit het rapport van een der commissieleden, waar sprake is van de ondervraging van eenige meisjes uit verschillende bordeelen. Om een voorbeeld te noemen, het volgende: Uit ’t bordeel vanMme R. werd gehoord M. G., 21 jaar oud, geboren te Rennes, Frankrijk, sinds 6 maanden prostituée en even zoo lang te Amsterdam, eerst bij Mme F., thans hier. ’t Is duidelijk dat dit meisje een slachtoffer van een placeur is, eveneens U. v. d. G., 26 jaar, geboren te Roubaix, die uit ’t bordeel Mad. C. gehoord werd, zij was prostituée en steeds te Amsterdam in hetzelfde huis. Eveneens A. M. F. uit ’t bordeel W.; zij was 24 jaar oud, geb. te Parijs, sinds één jaar prostituée en steeds bij W. Deze 3 zijn toch den tijd, dat zij prostituée waren, steeds in Amsterdam geweest, en ’t is niet aan te nemen, dat zij vrijwillig uit Frankrijk gekomen zouden zijn om in Amsterdam in een bordeel te gaan.De directrice van Beth-San, een stichting voor gevallen vrouwen, (Warmoesstraat, Amsterdam) vertelde mij de lotgevallen van 2 meisjes.Een meisje uit Parijs reflecteerde op een advertentie, waarin een kinderjuffrouw in Amsterdam gevraagd werd. Zij werd aangenomen en bij haar aankomst alhier werd zij door eene bekende koppelaarster aan ’t station afgehaald. Deze bracht haar in een bordeel op de Heerengracht. Na eenigen tijd vond zij gelegenheid chanteuse te worden.Een ander meisje, dochter van een rechterlijk ambtenaar uit ’t Zuiden van Frankrijk, werd op gelijke wijze voor eene betrekking in den Haag aangenomen. Aan ’t station den Haag werd zij met een rijtuig afgehaald en in het vroegere bordeel van Mme O. gebracht. Zij viel, nadat men haar dronken gemaakt had. Negenmaanden lang werd zij in dat bordeel gevangen gehouden. Een bezoeker verloste haar, door het verlof te krijgen eenigen tijd met haar buiten het bordeel door te brengen; hij moest echter zijn horloge, dat hij voor de zekerheid van haar terugkeer als pand had achtergelaten, in den steek laten. Op ’t oogenblik is zij diacones bij eene dame. Zij is een ontwikkeld meisje en verstond bij haar komst slechts Fransch.De voorbeelden en gevallen, die ik tot dusver aanhaalde zijn in hoofdzaak gevallen van buitenlandschen handel; het meisje wordt met het bekende oogmerk over de grenzen gevoerd. Zooals ik in den beginne aangaf, is dit een meer ernstige vorm van den meisjeshandel, en dat wel om de daar opgenoemde redenen. En daar het een menschelijke eigenschap is, steeds met het meer ernstige voor den dag te komen, komt ’t dat de gevallen van internationalen handel het meest ruchtbaar worden. De binnenlandsche handel komt in ons land evenwel ook voor, meestal als recruteeringen voor de bordeelen van minder allooi. De misleidende aanvragen in de kleine bladen en ook in de provinciale bladen, het aanwezig zijn der placeurs, koppelaars en bordeelhouders aan stations, aan steigers van stoombooten uit de provincie, bewijzen, dat het eenvoudige meisje van het platteland menigwerf bij hare aankomst in de groote stad in handen valt van personen, die haar exploiteeren.Zoo is mij bekend, dat een meisje van buiten in den Haag een plaats als keukenmeid gekregen had, evenwel, hetgeen zij niet wist, in een bordeel. Bij hareaankomst in den Haag, in den avond volgens afspraak, werd zij afgehaald en in het huis aankomende in de keuken gelaten. Tot dusver was er niets wat hare achterdocht kon opwekken, doch den volgenden morgen vond zij naast haar bed in plaats van hare eigene kleederen een zgn. bordeelcostuum, natuurlijk van vrij indecenten aard, waarin zij zich niet op straat kon vertoonen. Zij was dus gevangen en het gelukte haar slechts na eenigen tijd te ontsnappen met behulp van een hondenscheerder,die geregeld in dat huis zijn taak kwam verrichten. Het noodige bewijsmateriaal ontbrak, zooals in de meeste van deze gevallen, om met afdoend succes eene strafvervolging in te stellen.1Hetgeen hier in dit hoofdstuk volgt, zal aan den eventueelen lezer wellicht de opmerking ontlokken, dat het in hoofdzaak bevat feiten van algemeene bekendheid. Dit geef ik gaarne toe. In welken moreelen en physieken toestand de prostituée en vooral de bordeel-prostituée zich bevindt mag van algemeene bekendheid verondersteld worden. Doch ter wille der volledigheid mocht ik niet nalaten toch nog een en ander duidelijk aan te geven. En de systematische wijze, waarop dit geschied is, toont den lezer aan, dat het niet zoozeer mijn doel was beschrijving van de positie der prostituée, als wel aanduiding van de meer of mindere mate, waarin de gezegde rechtsbelangen gekrenkt worden, indien het bewuste oogmerk bereikt wordt.2Zie de onthullingen van de Pall Mall Gazette over de Belgische politie. Zie verschillende rapporten op het Pén. Congres ’95.3Op enkele uitzonderingen na zijn de door mij hierboven aangehaalde gevallen te vinden in hetBulletin Continental. Al mag verwacht worden, dat organen van vereenigingen, die zich met zgn.Prinzipienreitereibezig houden, zich wel eens aan overdrijving zullen schuldig maken, zoo zal meestal toch de kern waarheid zijn. HetBulletin Continentalboezemt mij evenwel vooral door zijnbezadigdheiden verder door het nauwkeurig aangeven der gevallen, vertrouwen in. De Heer Yves Guyot doorspekt zijn geheele verslag op ’t Pénitentiair Congres (Parijs) van 1895 met citaten uit dit maandelijks verschijnend blad. Ik achtte het echter mijn plicht een greep uit de door mij aangehaalde gevallen te doen en de meer of mindere waarheid daarvan te controleeren. Ik heb het laatst genoemd geval genomen en den Hoofdcommissaris van Politie te Rotterdam verzocht mij te willen melden, of het feit naar waarheid geschetst was. Ter contrôle citeer ik het daartoe betrekking hebbend deel uit diens antwoord.»In Maart 1895 heeft een Belgische placeur in een bordeel alhier, gehouden door eene Oostenrijksche vrouw, een Belgisch meisje van 17 jaren gebracht, ’t welk daar slechts eenige uren heeft vertoefd, nadat zij met dien placeur te zamen (in een kamer, ingeschreven als man en vrouw) den nacht in een groot hotel alhier had doorgebracht om daarna via Berlijn naar Riga te reizen, waar zij in een bordeel van eene Oostenrijksche vrouw, Rabuchin, zou worden geplaatst. Deze laatste vrouw werd in het bordeel van hare landgenoote aangehouden en door bemoeiingen mijner administratie de placeur met het minderjarige meisje gearresteerd, terwijl de Oostenrijksche bordeelhoudster bij terugkomst te Rotterdam werd aangehouden. Zij werd aan de Belgische justitie uitgeleverd evenals de bordeelhoudster van Riga en beide vrouwen werden tot vele jaren tuchthuis veroordeeld te Brussel, terwijl het bordeel werd opgedoekt. De Oostenrijksche bordeelhoudster, destijds hier gevestigd heette Anna Tabatz, hare collega uit Riga Alexandrina Rabuchin.

Inleiding.“Authenticated facts and precise details being at the present moment the only efficacious weapon for obtaining either judicial reform or vigorous measure for the repression of misdemeanours, it seems to us of primary importance that they should be carefully collected,... etc.”Met deze woorden ving Mme de Tscharner, Presidente van de Zwitsersche afdeeling der «Union internationale des Amies de la jeune Fille» in haar belangrijk rapport tijdens het «Congress on the white slave traffic», in Juni 1899 te Londen gehouden, de voorstellen aan, die zij aan het oordeel van ’t Congres onderwierp.Gaarne maak ik deze woorden tot de mijne. Op deze wijze moet toch blijken van de behoefte aan rechtsregelen. Een zware kamp is echter te doorworstelen. Vooreerst die strijd, welke zich immer openbaart tusschen vrijheid en staatsdwang. Dit leert ons de geschiedenis, zooals von Ihering zegt in zijn geschrift «Der Kampf ums Recht». De historie toont aan, dat «het recht, gelijk de menschen, niet anders geboren werd, dan onder hevige barensweeën», (vertaling vanProf. v. Hamel). En wanneer deze strijd uitgestreden is, komen andere moeilijkheden. De instelling van een nieuwen rechtsregel grijpt overal om zich heen, heeft vaak afschaffing van een ouden ten gevolge, verandering van veel, wat er eenigszins mede in verband staat. Dit is natuurlijk het gevolg van den nauwen samenhang, waardoor alle rechtsregels met elkander in verbinding slaan.De principiëele strijd echter tusschen vrijheid en staatsdwang, waarop ik zooeven doelde, is des te heftiger, waar strafrechtelijke regelen verlangd worden. Het geldt hier toch bescherming van belangen, en de waardeering van deze verschilt uitermate, zelfs in een zelfde maatschappij. En, om nu tot den handel in blanke slavinnen speciaal over te stappen, hoe verschillend is niet het oordeel over hetgeen men noemt de “goede zeden”!Ten opzichte van dezen handel is een beweging in gang tot het in het leven roepen van maatregelen ter bestrijding. De behandeling van deze stel ik mij in dit proefschrift ten doel.De eerste stoot tot deze beweging had plaats door een Engelschman, den Heer Dyer te Londen, in het jaar 1879. Hij werd namelijk gewaar, dat een aantal jonge meisjes door bedriegelijke middelen uit Engeland in Belgische bordeelen gelokt werden1. De openbaarmaking van deze ontdekking had verschillende gevolgen.Vooreerst in ’t algemeen de aandrang om dergelijke handelingen te keeren. Verder de vervolging van verschillende schuldigen op verzoek van het Engelsche Gouvernement door de Belgische Regeering bevolen,die de veroordeeling van sommigen ten gevolge had. Deze processen leidden ook tot het ontslag van eenige magistraatspersonen (o.a. van het politiehoofd Lenaers, die de wijnleverancier der Brusselsche bordeelen bleek te zijn), van wier medeplichtigheid een en ander gebleken was. Vervolgens is de Criminal Law Amendment Act van 1885 (48 en 49 Vict. Ch. 69) het gevolg van deze onthullingen, waartoe ook de Pall Mall Gazette van 1885 in haar kolommen een belangrijke bijdrage leverde onder den titel “The Maiden Tribute of Modern Babylon”.Van Engeland uit is toen de beweging om strafrechtelijke maatregelen te nemen tegen dien handel op ’t continent overgegaan.Uit den aard der zaak volgt—de woorden, waarmede ik deze inleiding aanving, verklaren het—dat ik in het begin van dit proefschrift een betrekkelijk ruime plaats voor de behandeling der feiten moest openstellen.1Bij het later gehouden onderzoek bleek, dat voor een 50-tal bordeelen van Frankrijk, België en Holland, Engelsche vrouwen en meisjes op dergelijke bedriegelijke wijze verhandeld werden.

“Authenticated facts and precise details being at the present moment the only efficacious weapon for obtaining either judicial reform or vigorous measure for the repression of misdemeanours, it seems to us of primary importance that they should be carefully collected,... etc.”

Met deze woorden ving Mme de Tscharner, Presidente van de Zwitsersche afdeeling der «Union internationale des Amies de la jeune Fille» in haar belangrijk rapport tijdens het «Congress on the white slave traffic», in Juni 1899 te Londen gehouden, de voorstellen aan, die zij aan het oordeel van ’t Congres onderwierp.

Gaarne maak ik deze woorden tot de mijne. Op deze wijze moet toch blijken van de behoefte aan rechtsregelen. Een zware kamp is echter te doorworstelen. Vooreerst die strijd, welke zich immer openbaart tusschen vrijheid en staatsdwang. Dit leert ons de geschiedenis, zooals von Ihering zegt in zijn geschrift «Der Kampf ums Recht». De historie toont aan, dat «het recht, gelijk de menschen, niet anders geboren werd, dan onder hevige barensweeën», (vertaling vanProf. v. Hamel). En wanneer deze strijd uitgestreden is, komen andere moeilijkheden. De instelling van een nieuwen rechtsregel grijpt overal om zich heen, heeft vaak afschaffing van een ouden ten gevolge, verandering van veel, wat er eenigszins mede in verband staat. Dit is natuurlijk het gevolg van den nauwen samenhang, waardoor alle rechtsregels met elkander in verbinding slaan.

De principiëele strijd echter tusschen vrijheid en staatsdwang, waarop ik zooeven doelde, is des te heftiger, waar strafrechtelijke regelen verlangd worden. Het geldt hier toch bescherming van belangen, en de waardeering van deze verschilt uitermate, zelfs in een zelfde maatschappij. En, om nu tot den handel in blanke slavinnen speciaal over te stappen, hoe verschillend is niet het oordeel over hetgeen men noemt de “goede zeden”!

Ten opzichte van dezen handel is een beweging in gang tot het in het leven roepen van maatregelen ter bestrijding. De behandeling van deze stel ik mij in dit proefschrift ten doel.

De eerste stoot tot deze beweging had plaats door een Engelschman, den Heer Dyer te Londen, in het jaar 1879. Hij werd namelijk gewaar, dat een aantal jonge meisjes door bedriegelijke middelen uit Engeland in Belgische bordeelen gelokt werden1. De openbaarmaking van deze ontdekking had verschillende gevolgen.Vooreerst in ’t algemeen de aandrang om dergelijke handelingen te keeren. Verder de vervolging van verschillende schuldigen op verzoek van het Engelsche Gouvernement door de Belgische Regeering bevolen,die de veroordeeling van sommigen ten gevolge had. Deze processen leidden ook tot het ontslag van eenige magistraatspersonen (o.a. van het politiehoofd Lenaers, die de wijnleverancier der Brusselsche bordeelen bleek te zijn), van wier medeplichtigheid een en ander gebleken was. Vervolgens is de Criminal Law Amendment Act van 1885 (48 en 49 Vict. Ch. 69) het gevolg van deze onthullingen, waartoe ook de Pall Mall Gazette van 1885 in haar kolommen een belangrijke bijdrage leverde onder den titel “The Maiden Tribute of Modern Babylon”.

Van Engeland uit is toen de beweging om strafrechtelijke maatregelen te nemen tegen dien handel op ’t continent overgegaan.

Uit den aard der zaak volgt—de woorden, waarmede ik deze inleiding aanving, verklaren het—dat ik in het begin van dit proefschrift een betrekkelijk ruime plaats voor de behandeling der feiten moest openstellen.

1Bij het later gehouden onderzoek bleek, dat voor een 50-tal bordeelen van Frankrijk, België en Holland, Engelsche vrouwen en meisjes op dergelijke bedriegelijke wijze verhandeld werden.

1Bij het later gehouden onderzoek bleek, dat voor een 50-tal bordeelen van Frankrijk, België en Holland, Engelsche vrouwen en meisjes op dergelijke bedriegelijke wijze verhandeld werden.

Hoofdstuk I.Aard van den handel in blanke slavinnen.Handel in blanke slavinnenis een technische uitdrukking geworden; in officieele stukken komen deze woorden reeds voor. Bij eventueele wettelijke voorziening kan het strafbare feit, bestaande in het als beroepsuitoefening plegen van handelingen, die onder dezen meisjeshandel gerangschikt kunnen worden, gevoegelijk alshandel in blanke slavinnengequalificeerd worden. In Duitschland is als technische uitdrukking te vinden “der Mädchenhandel”, in Engeland “the white slave traffic” (of “trade”), in Frankrijk “la traite des blanches.”Evenwel, ieder technische uitdrukking heeft eene verklaring, eene omschrijving noodig. Wat is nu onderhandel in blanke slavinnente verstaan? Door bedriegelijke middelen maken vele individuen er hun werk van vrouwen en meisjes aan een ontuchtig leven over te leveren; dit geschiedt meestal door plaatsing in een bordeel; door misleiding, waarbij dikwijls misbruik gemaakt wordt van onwetendheid en onervarenheid,brengen zij ze in een toestand, waarin eerbaarheid en, in verband met deze, gezondheid en vrijheid in gevaar komen, terwijl zij ’t oogmerk hebben deze in gevaar te brengen. Daarenboven weten de slachtoffers niet, in welken toestand zij gebracht worden1. De misleiding heeft plaats onder de meest verschillende omstandigheden en door de meest verschillende middelen, ofschoon bij iedere daad van meisjeshandel het misleidende element op den voorgrond treedt en de resultaten op hetzelfde neerkomen.Deze handel doet zich voor in 2 vormen, een minder en een meer ernstige vorm nl. de binnenlandsche en de buitenlandsche handel:1e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding in het land zelf aan een ontuchtig leven overgeleverd;2e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding overgehaald het land te verlaten met het bedriegelijke oogmerk haar in het buitenland aan een ontuchtig leven over te leveren.Ik noem den tweeden vorm den meer ernstige, omdat het slachtoffer op deze wijze in een hulpeloozer toestand verplaatst wordt. Zij zijn zonder bescherming, want zijvertoeven ver van haar familie en vrienden; zij zijn onbekend met de taal van het land, meestal ook met de middelen, die haar rechtens mochten ten dienste staan tot steun in hare hulpeloosheid. Daar de handelaars, placeurs of bureaux de placement, zich meestal trachten te voorzien van weezen of alleen staande vrouwen, zoo missen deze reeds van zelf de zorg en de nasporing van haar natuurlijke verzorgers en beschermers.De omstandigheden, waaronder iedere daad van meisjeshandel geschiedt, zijn altijd eenigszins ingewikkeld en variëeren dan ook bij ieder geval. Ze zullen het beste uitkomen bij het nagaan van de door de handelaars bedreven feiten. Eveneens is dit het geval met de middelen, waarvan zij voor het beoogde doel gebruik maken; eenige der meest aangewende zijn wel de plaatsing van advertenties, het aanklampen aan stations, in treinen of stoombooten en steigers van de vrouwelijke personen, die in de stad komen met het doel eene betrekking te zoeken.Aan de meisjes, die een dienst zoeken, wordt een oogenschijnlijk zeer voordeelige positie aangeboden, hetzij als gouvernante, hetzij als bonne, of iets anders. Vooral de dagbladen, die door de burgergezinnen en den arbeidersstand gelezen worden, leveren een keur van dergelijke aanbiedingen op.Merkwaardig zijn sommige advertenties in Turksche bladen, evenwel niet met ’t doel betrekkingen aan te bieden of meisjes te vragen, maar om de waar, waarvan men zeker is, te verhandelen. Er wordt b.v. invermeld, dat te koop worden aangeboden jonge leeuwinnen uit Soedan, Perzische gazellen en jonge berinnen uit den Kaukasus. Ieder weet dat daarmee vrouwen en meisjes bedoeld worden.Een staaltje volge hier uit ons land. Einde October 1899 waarschuwde de hoofdcommissaris van politie te Amsterdam tegen in den laatsten tijd in enkele dagbladen voorkomende advertentiën onder verschillende opschriften als o.a. “Meisje”, »Ernstig gemeend” enz., ongeveer van den volgenden inhoud: “Gevraagd een flink burgermeisje van 16–20 jaar voor gezelligheid. Liefst wees of vrij meisje; afleiding en verzorging aangeboden. Franco brieven met opgaaf van leeftijd en familieomstandigheden onder Lr. enz.”Een ander middel, dat althans in andere landen aangewend wordt, is het aangaan van een huwelijk. Deze wijze van handelen schijnt vooral in Rusland nog al eens voor te komen. Daarop wijst ons althans de Russische rapporteur op het Londensche Congres van Juni 1899, de staatsraad en senator A. Sabouroff. Van overheidswege werden in 1884 maatregelen getroffen om dezen handel te fnuiken, toen het de aandacht getrokken had, dat de zuidelijke kusten van Rusland door verschillende individuën druk bezocht werden en in de Russische zeehavens, vooral te Odessa, een druk handelsverkeer bestond. Deze administratieve bepalingen gingen het bedrijf slechts ten deele tegen: “Yet the cases of voluntary consent escaped the control of the police, as well as such cases, where the parties were provided with a marriage testimonial; for several casesindeed have been registered of men of Jewish extraction having sold theirwivesinto servitude; after leaving Odessa with theirwives, they returned within a certain time with theirpassportbearing the remark in the hand of the Russian consul in Constantinople: »Wife remained abroad” or »Divorced”. It is evident that such cases, presenting anappearanceof complete matrimonial legality can scarcely be rooted out by administrative measures.”Ook beloften om in een ander land het meisje te trouwen worden bij herhaling als middel aangewend.Tonny Kellen verhaalt dat de leden van een placeursvereeniging te Bombay zich indringen bij de familie van het meisje, dat zij willen meenemen. Wanneer hun dat gelukt is, trouwen zij het meisje of geven voor tot het huwelijk over te zullen gaan na aankomst in Indië. Menigmaal komen in Duitsche bladen advertenties voor om vrouwen over te halen de reis naar Voor- en Achter-Indië te ondernemen. Men maakt den meisjes diets, dat er zich in Bombay vele Duitsche jongelieden bevinden, die gaarne willen trouwen met meisjes uit hun vaderland.—Verder maakt Tonny Kellen melding van een geval, dat een meisje uit Rome door den handelaar getrouwd werd en in Bombay voor 300 ropijen verkocht.Uit de herhaaldelijk voorkomende gevallen blijkt, dat ieder meisje of iedere vrouw de dupe kan worden van deze bedriegelijke handelingen, zonder nu altijd onvoorzichtig te zijn of het slachtoffer te worden van eigen onervarenheid en onwetendheid. Het grootste quantum toont evenwel aan, dat de placeurs partij trekken vande onnoozelheid der meisjes en daarvan misbruik maken. ’t Is een raadsel, hoe sommige meisjes zich onnadenkend kunnen verbinden een betrekking te aanvaarden in haar onbekende landen.Baronesse de Montenach, secretaresse van hetOeuvre Catholique Internationale pour la Protection de la jeune Fille, deelt ons in haar rapport op het Londensche Congres van 1899 een interressant geval mede (zie pag. 170 van deTransactions). Ik acht het niet meer dan billijk, dat de staat, waar verwacht wordt, dat hij degenen, die de dupe zijn van bedriegelijke handelingen in bescherming zal nemen van zijn kant redelijker wijze mag vorderen, dat althans niet een dusdanige zorgeloosheid aan den dag worde gelegd als vele gevallen aantoonen, waaronder het zooeven geciteerde. De staat strekt niet zijn beschermende hand uit om zorgeloosheid en roekelooze onbedachtzaamheid aan te kweeken. Men behoeft slechts het gering intellectueel gehalte van het personeel der bordeelen na te gaan om, aannemende dat het voor een deel gerecruteerd wordt door den handel, de conclusie uit te spreken, dat in de meeste gevallen de werving zonder veel moeite zal geschied zijn.Doch duur komt haar onvoorzichtigheid haar te staan.Het groote publiek spreekt met zekere geringschatting, zoo niet minachting, over de prostituée (ik laat in ’t midden, of deze opinie wel te rechtvaardigen is). In den aanvang dikwijls een soort weelde genietend, is ten slotte groote armoede haar deel; de goede eigenschappen en hoedanigheden worden tot een minimumgereduceerd, zij maken plaats voor tot misdaad overhellende neigingen. In hetJahrbuch für Gesetzgebungenz. van 1897 schildert ons Dr. A. Korn (Berlin) in zijn artikel »Strafrechtsreform oder Sittenpolizei” de physieke en psychische toestand der gevallen vrouw aldus: »Wird sie (d. h. die gewerbsmässige Unzucht) dauernd als Gewerbe betrieben, so führt sie zu einer völligen geistigen und körperlichen Entartung der ihr ergebenen Weibspersonen. Die Fähigkeit zu irgendwie anstrengender Arbeit hort bei ihnen auf, das Gefühl für Recht und Unrecht stumpft sich ab; Gedächtnisschwäche, gedankenlose Geschwätzigkeit, Lügenhaftigkeit aus blossem Hange zum Lügen und unüberwindliche Arbeitsscheu charakterisieren diese Art der Degeneration. Dirnen,welchesoweit gekommen sind, fallen stets den Hospital und Gefängnisverwaltungen und schliesslich der Armenpflege zur Last.” In dergelijken zin maalt ons Dr. C. Ströhmberg in zijn werkje »Die Prostitution” blz. 37 de eigenschappen en hoedanigheden der publieke vrouw.In dezen toestand van lichamelijk en zedelijk verval geraakt het slachtoffer van den handel in blanke slavinnen. Men meene niet, dat het ondenkbaar is, dat een vrouw, in wie niet de kiem zit van dergelijke eigenschappen en hartstochten, het leven van prostituée niet lijdelijk zou dulden, wanneer zij eenmaal tot dat leven gebracht is. Integendeel, wanneer zij eenmaal de eerste schrede gedaan heeft hetzij door dwang hetzij vrijwillig, valt geen onderscheid meer te maken tusschen de misleide vrouw en haar, die zich vrijwillig aan hetprostitutieleven overgaf. Pauline Tarnowskaja vermeldt het volgende geval: Door bedriegelijke middelen wordt een meisje in een bordeel gevoerd; een bezoeker interesseert zich voor haar en stelt haar in de gelegenheid op ’t platte land met haar kind onbezorgd te leven. Ze blijkt evenwel reeds zoo aan het bordeelleven gewoon te zijn geraakt, dat zij dit rustige landelijke leven vaarwel zegt om in het bordeel terug te keeren. Nu en dan gaat zij terug om haar kind te bezoeken, doch keert ten slotte weer in het bordeel terug.Slechts door het behoud van haar eerbaarheid kan de vrouw in onze maatschappij haar goeden naam intact houden, het verlies der onschuld buiten huwelijk is voor het meisje meestal van zeer ingrijpende beteekenis. Teruggaan is onmogelijk, het “tot hiertoe en niet verder” blijkt onder de tegenwoordige maatschappelijke toestanden en tengevolge der physieke gesteldheid van den mensch geen voldoende kracht te bezitten om haar voor den verderen val te behoeden.“Ist einmal die Jungfräulichkeit verloren, so ist der schlimmste Schritt gethan, und in den Gefühl durch keine Mühe sich rehabilitiren zu können, suchen sie ihre Situation verwerthbar zu machen,” zegt Lombroso.Aan de eene zijde daalt meestal op den duur het moreele peil der prostituée langzamerhand tot het minimum, aan de andere zijde is het verlies harer eerbaarheid en het voortgaan op den eenmaal ingeslagen weg van zeer nadeeligen invloed op hare physieke gesteldheid. Ook deze grief, dat de handelaars in blanke slavinnen door hun handelingen de vrouw ineen leven werpen, waarin haar gezondheid, ja haar leven in groot gevaar komt, is ernstig. Door haar ontuchtig leven stelt het meisje zich aan vele meer en minder gevaarlijke ziekten bloot: het vermoeiende leven, het slapeloos doorbrengen der nachten, het misbruik van spiritualiën, gebrek aan buitenlucht en ’t leven in een duffe atmosfeer putten haar lichaam uit. Statistieken wijzen uit, dat de meeste prostituées zich binnen de eerste 3 jaren van haar ontuchtig leven met ernstige venerische ziekten besmet hebben, doch ook overigens heeft de omgang met de velen, die haar onbekend zijn en met haar onbekende ziekten besmet zijn, ten gevolge, dat zij zich ook daaraan blootstelt. En wat zijn de gevolgen voor haar, die dit leven leiden, totdat zij niet meer aan de vereischten voldoen, noodig op met eenig succes dit bestaan vol te houden? Overgang tot de misdaad is slechts een kleine schrede, anders een kommervolle ouderdom zoo deze althans bereikt wordt of eindiging van het leven in armenhuizen of hospitalen. Doch een vroegtijdige dood is meestal het deel der prostituée; hare gezondheid stelt zij door haar leven op te zware proef. August Bebel vermeldt in zijn werkje “Die Frau in der Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft”, dat Fait voor Edinburg de gemiddelde levensduur der prostituée stelt tusschen 22–25 jaar. Volgens denzelfde doet jaarlijks een vierde, ja dikwijls een derde der prostituées poging tot zelfmoord en gelukt het dan ook minstens een twaalfde zich zelf te dooden.De vermelding waard zijn de volgende woorden dieMme. E. de Morsier op het Penitentiair-Congres te Parijs (1895) uitsprak:“Ah, Mesdames, avez-vous songé à ce qui a du se passer dans le coeur et l’intelligence de ces malheureuses, avant qu’elles en arrivent a ce dégré de dépravation où, hélas, nous mèmes nous sommes forcées de dire qu’il n’y a plus guère d’espoir?“Une de nos amies, qui habite un port de mer nous écrivait ces mots tragiques:. . . . . . . . . “Je les ai entendues rire et plaisanter ces pauvres filles, un jour où elles se rendaient en troupe sur le port. Et l’une d’elles criait à un homme, qui les regardait passer—un habitué de sa maison:“Ne vous étonnez pas si nous sommes si gaies, ce sera bientot fini. On nous emmène à Riga pour les marins, que l’on attend, maintenant, que les glaces sont fondues dans le Baltique; trois semaines de ça et nous serons finies. Alors on se jette à la mer et puis tout est dit. Hourrah”!De tegenwoordige handel in blanke slavinnen openbaart zich op die wijze, dat de vrouwen in een bordeel gelokt worden; is de straatdeur eenmaal achter haar gesloten, dan zijn zij als ’t ware gevangenen. Van dit oogenblik is haar vrijheid van handelen tot een minimum gereduceerd. Om zich goed in dezen toestand in te denken, doe ik het best een officiëel rapport van het vroegere hoofd der Brusselsche politie, Lenaers, aan te halen: “The women in the houses are subjected to obligations without number, they are forced, soto speak, to give themselves up to the first comer, however deep their repugnance to him may be; they are compelled to incur heavy expenses and to submit themselves to the yoke of the keeper of the houses; their liberty of action is exceedingly limited; they must never be seen at the door or windows of the houses; theyscarcelyever go out, and then always under the escort of the mistress; in a word, they possess only that amount of liberty, which the mistress chooses to grant them, and the mistresses extend or control their liberty, as it suits their own interests, and without any reference to the will or preferences of the women.” ’t Ligt dan ook in den aard der zaak, dat er buitengewone maatregelen genomen moeten worden om de misleide vrouw te dwingen aan het doel te beantwoorden, waarvoor zij in het bordeel gebracht is; iedere poging om te ontvluchten moet zooveel mogelijk—althans in den aanvang, daar naderhand de vrouw zich in haar toestand begint te schikken—worden voorkomen.Daarom het uiterst scherp toezicht, dat op de pensionnaires gehouden wordt. Tot deze slavernij werken ook indirect mede andere feitelijke maatregelen: bij de komst in het bordeel worden de kleederen der nieuwelinge zoogenaamd uit vriendelijke voorzorg in bewaring genomen; ze ontvangt daarvoor andere kleederen, waarin zij zich niet in het publiek kan vertoonen. En dan nog de vrijheid, die de bordeelhouders zich veroorloven op eigen initiatief de meisjes als persoonlijk onderpand in gijzeling te houden voor de schulden, die zij van haar kunnen vorderen ten gevolge van de verplichtingen,die zij haar opgelegd hebben, zich tegen exorbitante prijzen hare toiletbenoodigdheden en kleederen bij haar meesters aan te schaffen. Yves Guyot drukt dit kenschetsend uit als zoude een hypotheek op haar rusten.Andere gevallen doen zich voor, waarin de vrouw ook het kind van de rekening wordt. Daar toch, waar eene bepaalde inschrijving gevorderd wordt, zien de bordeelhouders zich genoodzaakt door middel van valsche papieren, geboorteacten e.a. den waren leeftijd van het meisje, indien dit nog minderjarig is, te verbergen; hun worden te dien einde door hen, die de meisjes verschaffen, de valsche stukken ter hand gesteld; van deze maken de meisjes gebruik, want haar wordt diets gemaakt, dat het om deze of gene reden noodig is een anderen naam en anderen leeftijd aan te nemen. Het dilemma wordt den meisjes dan voorgehouden òf in het bordeel te verblijven, òf daaruit weg te gaan om in vrijheid zijnde, op aangifte van den bordeelhouder terstond wegens valschheid vervolgd te worden en daarna wederom een toestand van onvrijheid in de gevangenis te ondergaan. En dat dit geen illusoir schrikbeeld is, bewijst menig exempel van veroordeelingin contumaciamter zake van valschheid in dergelijke gevallen.De processen in 1881 in België gevoerd brachten verschillende valschheden in geschriften aan ’t licht. Ter zake van het opzettelijk gebruik maken van dergelijke stukken werd meer dan eens eene veroordeeling tegen een meisje uitgesproken.Als slotbemerking worde er nogmaals op gewezen,dat langzamerhand de vrouw zich in haar toestand begint te schikken, dat zich dan bij haar een zucht naar vrijheid niet meer openbaart—zij is een willoos voorwerp geworden—en dat dientengevolge geen poging meer aangewend wordt het juk van zich af te schudden. Zij gaat door koop van hand tot hand over van den een op den ander, steeds pensionnaire wordende van huizen van minder allooi, totdat de waar geen opgang meer maakt en niet meer aan haar bestemming voldoet; zij wordt dan aan haar lot overgelaten.’t Spreekt van zelf dat de wervers het eerst hun oog vestigen op onschuldige meisjes, die door de natuur met schoone vormen en schoon uiterlijk begiftigd zijn, en liefst zoo jong mogelijk, bijna immer minderjarig; deze zijn toch het meest gewild en brengen groote sommen op. Naar gelang van de qualiteit der koopwaar bezorgt deze den placeur douceurtjes van 50 tot 500 gulden en meer. ’t Is dus voornamelijk de onschuld, die in aanmerking komt. Voor den kooper wordt op verlangen een geneeskundig certificaat opgemaakt om de maagdelijkheid te constateeren.De Pall Mall Gazette van 1885 meldt eenige getuigenissen:June 27, 1885«This is to certify, that I have this day examined — — D — — aged 16 years and have found her a virgin.”——, M. D.June 29, 1885.«This is to certify, that I have examined — W — aged 17 years, and — K — aged 17 years, and have found them both virgins.”——, M. D.Het oog valt dan vooral op jonge en dus minderjarige meisjes; doch daar de bordeelhouders in deze gevallen onder het bereik der strafwet zouden vallen, worden de middelen wel gevonden om dit kwaad te ontkomen, hetzij men zich van valsche stukken voorziet, hetzij zooals de feiten uit andere landen genoegzaam aangetoond hebben, de politie met de inschrijving belast, oogluikend een en ander door de vingers ziet.2Overigens wordt in deze gevallen meermalen gehandeld als op eene markt, waar het stuk vee van alle kanten betast wordt, voordat tot den koop overgegaan wordt.Goron, ancien chef de Sûreté, liet einde 1899 het licht zien aan een nieuw deeltje van zijn werk “L’amour à Paris” getiteld “Le marché aux Femmes.” Het eerste hoofdstuk “La confession d’une pierreuse” is in dit opzicht de lezing wel waard. Zij wordt gegrepen, toen zij haren “Rouquin”, een souteneur, bij diens arrestatie te hulp snelde. Voor den chef de Sûreté gebracht verhaalt zij hem haar levensgeschiedenis. Zooals zoovelen viel zij in handen van een placeuse, die tegenover haar in de coupé zat van den trein naar Parijs. Deze koppelaarster bracht haar bij een bureau deplacement. En het hoofd van dit bureau bood haar te koop aan een bordeelhoudster, MmeAngélique, die hem bezocht.“Madame Angélique promena sur toute ma personne le même regard connaisseur, que mon maître le marquillier. Je me souviens, que mentalement je fis ce rapprochement, mais sans y mettre d’autre importance....“MmeAngélique en vint même à me toucher la poitrine..... ce qui me fit rougir malgré moi.“Pas mal, dit-elle, je te prends. Allons, fiche tes frusques dans mon sapin, je t’emmène. Tu n’as à t’occuper de rien; c’est moi, qui paie le bureau.”Dat zij na dezen koop in het koetsje naar het bordeel vervoerd werd, behoeft haast niet vermeld te worden.De prijs der blanke slavin varieert, zooals ik reeds zeide; hij is natuurlijk afhankelijk van de oeconomische wet van vraag en aanbod en van de hoedanigheden, die ik zooeven opnoemde. Zij is een bron van inkomsten zoowel voor den placeur, als voor den bordeelhouder; deze laatste berekent, wat hij voor haar zal betalen, naar hetgeen hij veronderstelt dat zij hem in zijne affaire op zal brengen.De heer de Meuron zegt karakteristiek in zijn rapport op ’t Congres te Londen (1899) om het lucratieve van den handel in vrouwen en meisjes aan te toonen: «We hope to give here the result of work, undertaken by the society of Public Morality in the Canton of Zürich, which has labouriously collectedbiographicalinformation of some of our most notorious traffickers inwhiteslaves. Nothing is more instructive than to followthe career of one of these business men, commencing with the conduct of a house, then spreading his business, entering into relationships abroad, creating channels for international commerce, then little by littleabandoningthe catering for his «den» in order to give himself to larger transactions in the far East, and finally securing for his old age a peaceful retreat in some costly villa on the shores of the lake of Zürich or of Geneva!»De handel in blanke slavinnen is dus de uitoefening van een beroep, bestaande daarin, dat men uit winstbejag door misleiding vrouwen en meisjes aan een ontuchtig leven overlevert door ze in een bordeel te lokken. Deze tak van koophandel is voor sommige individuen evenzeer een levensberoep als het in andere takken voor anderen is; een dergelijke daad, bedreven door een niet-koopman, dus een op zich zelf staande handeling komt betrekkelijk zelden voor. Een recent geval (midden 1899), dat ik vernam van de directie van een der toevluchtsoorden in Amsterdam, wil ik in ’t kort mededeelen: Een Zeeuwsch meisje kwam bij haar zwager in de hoofdstad logeeren; haar voorkomen was van dien aard, dat de gastheer meende eens zaken te kunnen doen. Hij wendde zich dan ook tot een besteedster, die zich wel meer met dergelijke aangelegenheden bemoeide en verkocht haar aan deze vrouw voor de luttele som van ƒ15, waaruit wel bleek zijne onbekendheid met de waarde, die dergelijke levende koopwaar onder geroutineerde handelslieden vertegenwoordigt. Het meisje werd diets gemaakt, dat eenvoordeelige betrekking in Rotterdam open was, welke zij zou kunnen innemen. Zij accepteerde. Bij hare aankomst aldaar kwam zij in een bordeel te land.Doch meestal zijn het geroutineerde kooplieden, die, zooals uit de gevallen, die ik hier zal aanhalen, blijken zal, van alle mogelijke omstandigheden partij trekken om slachtoffers te maken.HetBulletin Continentalvan April 1896 meldt:“On annonce l’arrestation, à Vienne (Autriche) d’un Juif Maschoulim Langer et de sa fille Rose. Ces deux personnages se livraient en grand à la traite des blanches. Leur agence, qui avait des commis-voyageurs très habiles et des succursales dans toute l’Europe, alimentait les maisons de tolérance et autres lieux mal famés de la Roumanie, de la Serbie, de la Turquie, voire même de l’Amérique, où l’une de filles de Langer était propriétaire d’un mauvais lieu et où son fils était associé à ses opérations.Les agents de la maison Langer parcouraient les campagnes, les petites villes surtout, de la Galicie et de la Russie. Découvraient-ils de jolies filles pauvres ou cherchant une place, ils s’abouchaient avec elles, ils leur promettaient monts et merveilles et les expédiaient à Vienne à la maison principale. Là, Langer et sa fille les recevaient, les gardaient quelques jours en les accablant de soins et de distractions, puis leur proposaient une place dans telle ou telle ville. Arrivées a destination, les malheureuses se trouvaient dans une maison de tolérance ou chez une entremetteuse. Langer touchait jusqu’à 500 florins suivant la beauté du sujet.Au momentoùon est venu l’arrêter cetrafiquantde chair humaine avait endépôtchez lui sept jeunes filles, presque toutes étrangères, et sa fille Rosa venait de recevoir du correspondant de Varsovie une dépêche ainsi conçue: “Marchandises à Varsovie saisies. Attention! Demande appui, Baumwolle”. Deux agents de Langer, Isidore Dickfaden et Jacof Friedberg (de son vrai nom Rozenkrantz) ont été également arrêtés.”In deChronique(Brussel) van 5 Nov. 1898 lezen wij: “Il y a quelques jours une fille de 18 ans apprit par une annonce, qu’on demandait à Saint-Josse des jeunes filles pour un service facile.“La jeune fille se rendit a l’adresse indiquée: c’était un café, dont la propriétaire la reçut et la présenta à une dame d’origine anglaise. Cette dame demanda à la jeune fille de l’accompagner à Londres, où elle lui procurerait une belle place; la jeune fille accepta et partit le même jour pour l’Angleterre.“Deux autres jeunes filles faisaient partie de l’expédition; on les conduisit dans un hôtel de Londres et quelques jours après elles devaient partir à destination de l’Amérique du Sud. On inscrivit les deux jeunes filles a l’hôtel sous un nom d’emprunt et on les éblouit par des promesses mirifiques devant se réaliser, lorsqu’elles arriveraient à destination; on obtint ainsi leur consentement au départ. La jeune fille, partie avec les deux autres compatriotes, alarmée par des agissements louches, parvint à tromper la surveillance, dont on l’entourait et avertit son père. Ce dernier s’empresse de se rendre à Londres et y arriva avant le départ deson enfant. Les deux autres jeunes filles font actuellement voile pour l’Amérique du Sud. Une de ces jeunes filles était employée dans un magasin de la rue du Marais; elle avait étéembauchéepar un individu, qui par des offres brillantes, l’avait décidée à partir pour Londres avec la femme anglaise; l’autre jeune fille avait été accostée à la gare du Nord et était tombée dans la même piège. La police a reçu depuis quelques mois le signalement de nombreuses jeunes filles disparues mystérieusement; il est très probable, qu’elles sont tombées entre les mêmes mains.”Volgens hetBulletin Continentalvan Dec.1896 bevatte deEtoile Belgenog eenige bijzonderheden over het verloop van de ontdekking van bovengenoemde door deChroniquegememoreerde feiten.Wij lezen: “D’après l’Etoile Belge du 28 Nov. la proxénète qui avait emmené a Londres les jeunes Bruxelloises dans les conditions, que la Chronique de Bruxelles a relatées, a été arrêtée à Londres en vertu d’un mandat de Mr. le juge d’instruction. Mais d’après la loi anglaise,pour quel’extradition puisse être obtenue, il faut que le juge anglais rende une sentence, pourlaquellela présence d’une des jeunes fillesenlevéesest nécessaire. Pour obéir a cette formalité, la police métropolitaine s’était mise en rapport avec l’une des victimes rentrée à Bruxelles, MelleMarguérite K., qui consentit a faire le voyage à condition, que les frais lui fussent remboursés.“Conduite à la gare et mise dans un train en partance pour Anvers, la jeune fille a subitement et mystérieusementdisparu. On est sans nouvelles d’elle aussi bien à Londres qu’ à Bruxelles et on se demande, si elle n’a pas éte enlevée à son arrivée à Anvers.De Matin van 23 Juli 1896 vermeldt:“M. Garnot, commissaire de police du quartier des Grandes-Carrières a arrêté hier et envoyé au dépôt un nommé Eugène Jousse, âgé de 32 ans, demeurant 16 passage de Clichy, qui surveillait les abords de la gare Saint-Lazare, abordait les bonnes sans emploi et les expédiait dans des maisons mal famées de la France ou de l’étranger.“Une perquisition opéreé chez cet individu a amené de tristes découvertes. C’est une des victimes de cet ignobletrafiquant, qui est venue se plaindre au commissariat de la rue Cauchois et a provoqué l’arrestation du misérable”.In het Maandblad “Getuigen en Redden” van April 1896 is onder het opschrift “Handel in meisjes” het volgende te lezen:“In Indië neemt de handel in meisjes onrustbarende verhoudingen aan. Volgens een Indisch blad worden de meisjes van Java naar Singapore (Engelsch-Indië) vervoerd, eene stad, die bekend is door de talrijkheid harer bordeelen, waarin vrouwen van allerlei naties vertoeven.“Een soort koppelaarsters, die zich als geestelijke zusters voordoen en in Turksche kleederdracht gansch Java rondreizen, houden zich vooral met dien handel bezig.“Immers zij genieten een blind vertrouwen van de zijde der dessabewoners en met beide handen grijpendeze het aanbod aan als een dier “barmhartige zusters” hun voorstelt, hun dochters in de geheimen van den Koran in te wijden en ze als Cicerone naar de Heilige stad te vergezellen.“En juist die matrones maken nog al wat reisjes naar Mekka, terwijl het vermoeden, als zouden zij betrokken zijn in dien slavenhandel—welke, niettegenstaande pertinente tegenspraak wel degelijk bestaat—niet licht opkomen zal, want en landaard en het vrome kleed pleiten voor hen.Maar hoevelen van deze jonge dochters keeren niet weerom, en bereiken nimmer het heilige land, doch verdwalen op Singapore in bordeelen.    (Controleur).De “Javabode” van 18 Sept. 1897 vermeldt het volgende geval:“Omtrent den handel in Japansche meisjes in het Oosten deelt de “Kobe Herald” het volgende mede:“Het is bekend, dat door de havenautoriteiten in Japan strenge maatregelen genomen worden om de wegvoering naar het buitenland van jonge meisjes voor onzedelijke doeleinden te beletten, maar meermalen worden de bepalingen ontdoken. De lotgevallen van een 17 jarig meisje dezer dagen van Singapore te Yokohama teruggekeerd zijn wel geschikt om de politie tot grootere waakzaamheid aan te sporen.Terwijlzij werkzaam was in een waaierfabriek te Osaka, maakte zij kennis met een vrouw, die haar een goede positie aanbood in een theehuis te Yokohama. Met een vriendin vertrok zij met de vrouw derwaarts.“Na 10 dagen te Yokohama te zijn gebleven, werdenbeide meisjes met nog elf anderen, die zij niet kenden, aan boord gebracht van de “Müki-Mara” en allen in het ruim verscholen, in gezelschap van 3 mannen, die haar om de beurt bewaakten.“Te Hongkong werden zij in een hotel onder dak gebracht.“Tot driemalen toe trachtten 5 der ongelukkigen te vluchten, maar werden door de haar vergezellende mannen weder gevat, geslagen, geschopt en in het hotel teruggebracht. Twee harer was het gelukt het politiebureau te bereiken, maar niemand kon ze daar te woord staan en toen het avond geworden was, besloten zij naar het hotel terug te keeren. Van Hongkong werden negen meisjes gebracht aan boord van een naar Australië vertrekkend stoomschip. Twee dezer waren bestemd voor Singapore, waar zij in een bordeel geplaatst werden. Een dezer laatsten werd spoedig door een bordeelhouder eerst naar Batavia en van hier naar Sumatra gebracht. Toen zij zwaar ziek geworden was, besloot de bordeelhouder haar naar Singapore terug te zenden, vanwaar zij door de zorgen van den Japanschen Consul naar Yokohama werd doorgezonden. Zij heeft aan de politie medegedeeld, dat er op Sumatra verscheidene door Japanners gehouden bordeelen bestaan, waarvan de bewoonsters op bedriegelijke wijze uit Japan zijn weggevoerd.”Het B. C. van Maart 1895 brengt ons op de hoogte van een zeer interressant geval.“La police d’Anvers, celle de Rotterdam et la police de Berlin s’occupent en ce moment d’une grave affaire de moeurs. Une jeune fille d’Anvers, agée d’environ17 ans, est tombée entre les mains de proxénètes, qui l’ont expediée à Riga en Russie. C’est la police de Rotterdam, qui a donné l’éveil. Depuis longtemps, elle savait, qu’une femme d’origine hongroise, qui tenait à Rotterdam une maison de prostitution, se livrait à la traite des blanches. Maintes fois le commissaire avait essayé de surprendre les infames agissements de la Hongroise, mais il avait toujours échoué dans ses tentatives. Il avait même demandé des éclaircissements aux autorités russes, mais celles-ci n’avaient pas répondu.“Il y a trois ou quatre jours, le commissaire de police reçut une lettre anonyme, datée de Bruxelles, per laquelle il fut averti, que la Hongroise préparait un nouveau coup. L’honorable magistrat avertit le parquet. Une descente fut ordonnée chez laproxénète, mais l’oiseau s’était déjà envolé. On y fit cependant une capture importante, celle de la ténancière de la maison de Riga, qui avait acheté la jeune Anversoise.“La police poursuivit rapidement son instruction et apprit, que la Hongroise était partie pour Berlin en compagnie de la victime. La police de Berlin fut avertie par dépêche. Malheureusement, il était trop tard. La fillette avait été livrée a un “placeur” venu de Bruxelles, et qui était immédiatement parti avec elle pour Riga. Quand l’autorité berlinoise eut connaissance de l’affaire le misérable avait déjà atteint la frontière russe.“Au moment où je vous écris, un inspecteur de la police hollandaise se trouve à Anvers. L’enquête a déjà révélé, que la fillette a d’abord été conduite d’Anversà Bruxelles, où elle a été vendue par la Hongroise à la proxénète russe. Celle-ci, comme je le constate plus haut se trouve entre les mains de la justice depuis quatre jours. Quant à sa complice hongroise, elle est revenue, hier soir, de Berlin, et elle a été immediatement mise en prison. Le placeur bruxellois est guetté à Berlin et il est probable qu’il sera arrêté également d’ici à quelques heures.”3Enkele grepen heb ik hier gedaan uit den overvloed van gevallen, die verschillende bladen ons te lezen geven,vaak in een speciaal voor den handel in meisjes bestemde rubriek. Deze gevallen koos ik overal, verspreid om aan te geven, dat zoowel in het oude Europa en Azië alsin hetnieuwe Amerika de handel welig bloeit daarom staan evenwel Afrika en Australië niet ten achter bij de eersten; ook hier komen dergelijke feiten voor.Een geval wil ik hier vermelden, dat Hollandschemeisjes naar Californië vervoerd zijn. Ik ontleen het aan een brief, dien de oud-consulVanLöben Sels te San-Francisco mij op mijn verzoek om inlichtingen zond. “Handel in blanke slavinnen komt hier ongetwijfeld ook veel voor—gewoonlijk worden de meisjes door houdsters van bordeelen in Parijs, Amsterdam etc. in persoon geëngageerd—dikwijls ook per brief—om als naaisters, bedienden in restauraties etc. werkzaam te zijn. Eens hier zijnde, zijn zij “stranded” en raken ze spoedig aan haar nieuw bedrijf gewend en er mee verzoend.” Iets verder volgt in den brief: “Ongeveer 5 jaar geleden ontving dit consulaat per brief verzoek om hulp en voorlichting van 2 Hollandsche meisjes, die bleken door een zekere Maria van Pelt, eene Hollandsche vrouw uit Rotterdam (alhier een bordeel houdende) in Rotterdam te zijn aangenomen om in San Francisco als naaisters werkzaam te zijn tegelijk met, ik meen, 4 andere meisjes. Ik vond het tweetal ziek te bed in een privaat dames-hospitaal, bedekt met syphilis, zwaken ziek en zonder een cent. Ze waren uit het huis weggeloopen,” etc.»Door die meisjes vernam ik, dat bij die Maria van Pelt nog 4 andere Hollandsche meisjes als prostituées werkzaam waren.” etc.Een der Hollandsche afgevaardigden op het Congres van Juni ’99 te Londen gehouden, de heer Velthuijzen, vermeldt in zijn rapport dat hem uit vertrouwbare bronnen bekend geworden was, dat niet alleen te Parijs en Londen, doch ook in Rusland, Egypte en Britsch-Indië Hollandsche vrouwen in bordeelen aangetroffen worden.’t Is evenwel uiterst moeilijk op de hoogte te komen van dergelijke gevallen om deze redenen: de meisjes verlaten het land met het plan in een“fatsoenlijke” dienst te gaan, dus de nabestaanden weten niet anders of het is zoo; zijn de meisjes evenwel eenmaal gevallen, dan schamen zij zich haar betrekkingen hiervan op de hoogte te brengen, zoo zij althans in de gelegenheid gesteld worden te schrijven. Indien de nabestaanden niets vernemen, hoe kunnen zij dan opsporing verlangen of inlichtingen vragen, waar zij niet eens weten, waar het meisje zich bevindt, daar toch de oorspronkelijke plaats van bestemming meestal gefingeerd was? Zelfs bij den binnenlandschen handel komt ’t voor dat de betrekkingen niets aangaande den val van het meisje te weten komen.De toestanden zijn overigens overal dezelfde; ten bewijze, dat de Nederlandsche toestanden, speciaal de Amsterdamsche, identiek zijn met die welke ik in dit hoofdstuk beschreef, haal ik een en ander aan uit hetofficiëel verslag der Commissie, die een verandering der Amsterdamsche strafverordeningen in zake de bordeelen moest voorbereiden.»De vrouwen in deerkendebordeelen zijn bijna allen van vreemde nationaliteit.De bordeelhouders werven haar aan door zoogenaamde placeurs, de makelaars in dezen menschen-handel.”“Voor elkeen en voor iederen vorm van natuurlijke of tegennatuurlijke ontucht zijn die vrouwen beschikbaar.”“Meestal is de bordeelhoudster de leverancierster van kleedingstukken en verdere benoodigdheden. De rekening daarvan is gewoonlijk zoo hoog, dat de bordeelhoudster in voorschot blijft.” “In een bordeel op de Heerengracht konden wij inzage nemen van de boeken, zoo kostte o.a. een japon ƒ100, zes zakdoeken ƒ16, zes paar kousen ƒ12, enz.”“Op straat komen de vrouwen niet dan in gezelschap der zgn. gouvernante.”“Ook bij ons onderzoek is gebleken, dat een groot deel van de gruwelijkheden, die Fiaux (”Les maisons de tolérance et leur fermeture, 3e uitg. 1896”) verhaalt omtrent het leven in de bordeelen te Parijs, ook ten onzent wordt aangetroffen.”Uit het voormalig zgn. geheime rapport, dat in deze zaak werd uitgebracht, het volgende:“De meeste vrouwen zijn van vreemden oorsprong, kennen het land niet, noch de zeden der bewoners, en zijn genoodzaakt, indien zij aan de politie verklaren, dat zij het huis willen verlaten, dit te doen in hoogst primitief costuum en ontbloot van alle geld. Feitelijkkunnen de prostituées beschouwd worden als slavinnen.” “Indien het blijkt, dat zij niet meer geschikt zijn voor het werk dat van haar wordt verlangd, worden zij tegen een som, die grootendeels bepaald wordt door de geldelijke schuld die op haar hoofd rust, overgedaan aan den eigenaar of eigenaresse van een ander bordeel hier ter stede of elders.”“Alle houdsters verklaarden ons, dat met vreemde vrouwen zooveel beter valt te werken.”Meestal Fransche en Belgische, Hollandsche weinig in trek, Engelsche in het geheel niet, hier en daar een Duitsche (gering aantal Duitsche een gevolg van het tractaat met Duitschland in 1889, omdat volgens dit tractaat voor de toelating in het bordeel een proces-verbaal moet opgemaakt worden, dat door den Duitschen consul moet worden gezien).“De houders of houdsters der publieke huizen gaan òf zelf naar Parijs en Brussel, zoo b.v. L. F..., vroeger eigenaar van het groote bordeel op de Spuistraat (F...) thans rentenier te Vreeland, òf krijgen hunne vrouwen door placeurs.”“De bordeelhoudster van de Heerengracht nam eene vrouw over van W.... en betaalde daarvoor ƒ200. Een ander meisje kostte der Madame ƒ90. Dit geld voor overname moet door de meisjes worden inverdiend.”De Commissie verhoorde eene vrouw A. D., die thans het onzedelijk leven vaarwel heeft gezegd, doch vroeger jaren lang geleefd heeft met een bekenden placeur.Ik laat hier eenige vragen en antwoorden volgen.Vr.Welke ervaring hebt gij omtrent placeurs en souteneurs?Antw.De placeur, die in aanraking wenscht te komen met vrouwen en meisjes plaatst eene advertentie, die nu eens waarheid danonwaarheidbevat. Uit de ingekomen antwoorden wordt de geschikste door den placeur gekozen, die aan den placeur ƒ5.– betaalt voor eene plaatsing in een Café. De prijs voor een prostituée is veel duurder tot ƒ80.– toe.Buitenlandsche placeurs zorgen, dat de geplaatste de noodige papieren krijgt, wat natuurlijk aanleiding geeft tot ’t verkeerd opgeven van den leeftijd.Op een andere vraag als antwoord: “De clandestiene bordeelen zijn geheel ingericht als de erkende en bekomen op dezelfde wijze de vrouwen.”Verder: “Verschillende bekende bierhuizen zijn bordeelen, die alleen voor de leden toegankelijk zijn. De meeste vrouwen worden door een bekenden placeur uit Keulen in die inrichtingen geplaatst.”Vr.Wat is u bekend omtrent het zedelijk leven vanwaarzegsters, werksters met ei, masseuses?Antw.Hieronder vindt men velen, die ontucht in de hand werken.MmeH, specialiteit in maagdom, handgeld ƒ25.–”Wat den leeftijd der prostituées betreft was het antwoord:“Onder haar zijn vele minderjarigen.”Dit blijkt positief eveneens uit het rapport van een der commissieleden, waar sprake is van de ondervraging van eenige meisjes uit verschillende bordeelen. Om een voorbeeld te noemen, het volgende: Uit ’t bordeel vanMme R. werd gehoord M. G., 21 jaar oud, geboren te Rennes, Frankrijk, sinds 6 maanden prostituée en even zoo lang te Amsterdam, eerst bij Mme F., thans hier. ’t Is duidelijk dat dit meisje een slachtoffer van een placeur is, eveneens U. v. d. G., 26 jaar, geboren te Roubaix, die uit ’t bordeel Mad. C. gehoord werd, zij was prostituée en steeds te Amsterdam in hetzelfde huis. Eveneens A. M. F. uit ’t bordeel W.; zij was 24 jaar oud, geb. te Parijs, sinds één jaar prostituée en steeds bij W. Deze 3 zijn toch den tijd, dat zij prostituée waren, steeds in Amsterdam geweest, en ’t is niet aan te nemen, dat zij vrijwillig uit Frankrijk gekomen zouden zijn om in Amsterdam in een bordeel te gaan.De directrice van Beth-San, een stichting voor gevallen vrouwen, (Warmoesstraat, Amsterdam) vertelde mij de lotgevallen van 2 meisjes.Een meisje uit Parijs reflecteerde op een advertentie, waarin een kinderjuffrouw in Amsterdam gevraagd werd. Zij werd aangenomen en bij haar aankomst alhier werd zij door eene bekende koppelaarster aan ’t station afgehaald. Deze bracht haar in een bordeel op de Heerengracht. Na eenigen tijd vond zij gelegenheid chanteuse te worden.Een ander meisje, dochter van een rechterlijk ambtenaar uit ’t Zuiden van Frankrijk, werd op gelijke wijze voor eene betrekking in den Haag aangenomen. Aan ’t station den Haag werd zij met een rijtuig afgehaald en in het vroegere bordeel van Mme O. gebracht. Zij viel, nadat men haar dronken gemaakt had. Negenmaanden lang werd zij in dat bordeel gevangen gehouden. Een bezoeker verloste haar, door het verlof te krijgen eenigen tijd met haar buiten het bordeel door te brengen; hij moest echter zijn horloge, dat hij voor de zekerheid van haar terugkeer als pand had achtergelaten, in den steek laten. Op ’t oogenblik is zij diacones bij eene dame. Zij is een ontwikkeld meisje en verstond bij haar komst slechts Fransch.De voorbeelden en gevallen, die ik tot dusver aanhaalde zijn in hoofdzaak gevallen van buitenlandschen handel; het meisje wordt met het bekende oogmerk over de grenzen gevoerd. Zooals ik in den beginne aangaf, is dit een meer ernstige vorm van den meisjeshandel, en dat wel om de daar opgenoemde redenen. En daar het een menschelijke eigenschap is, steeds met het meer ernstige voor den dag te komen, komt ’t dat de gevallen van internationalen handel het meest ruchtbaar worden. De binnenlandsche handel komt in ons land evenwel ook voor, meestal als recruteeringen voor de bordeelen van minder allooi. De misleidende aanvragen in de kleine bladen en ook in de provinciale bladen, het aanwezig zijn der placeurs, koppelaars en bordeelhouders aan stations, aan steigers van stoombooten uit de provincie, bewijzen, dat het eenvoudige meisje van het platteland menigwerf bij hare aankomst in de groote stad in handen valt van personen, die haar exploiteeren.Zoo is mij bekend, dat een meisje van buiten in den Haag een plaats als keukenmeid gekregen had, evenwel, hetgeen zij niet wist, in een bordeel. Bij hareaankomst in den Haag, in den avond volgens afspraak, werd zij afgehaald en in het huis aankomende in de keuken gelaten. Tot dusver was er niets wat hare achterdocht kon opwekken, doch den volgenden morgen vond zij naast haar bed in plaats van hare eigene kleederen een zgn. bordeelcostuum, natuurlijk van vrij indecenten aard, waarin zij zich niet op straat kon vertoonen. Zij was dus gevangen en het gelukte haar slechts na eenigen tijd te ontsnappen met behulp van een hondenscheerder,die geregeld in dat huis zijn taak kwam verrichten. Het noodige bewijsmateriaal ontbrak, zooals in de meeste van deze gevallen, om met afdoend succes eene strafvervolging in te stellen.1Hetgeen hier in dit hoofdstuk volgt, zal aan den eventueelen lezer wellicht de opmerking ontlokken, dat het in hoofdzaak bevat feiten van algemeene bekendheid. Dit geef ik gaarne toe. In welken moreelen en physieken toestand de prostituée en vooral de bordeel-prostituée zich bevindt mag van algemeene bekendheid verondersteld worden. Doch ter wille der volledigheid mocht ik niet nalaten toch nog een en ander duidelijk aan te geven. En de systematische wijze, waarop dit geschied is, toont den lezer aan, dat het niet zoozeer mijn doel was beschrijving van de positie der prostituée, als wel aanduiding van de meer of mindere mate, waarin de gezegde rechtsbelangen gekrenkt worden, indien het bewuste oogmerk bereikt wordt.2Zie de onthullingen van de Pall Mall Gazette over de Belgische politie. Zie verschillende rapporten op het Pén. Congres ’95.3Op enkele uitzonderingen na zijn de door mij hierboven aangehaalde gevallen te vinden in hetBulletin Continental. Al mag verwacht worden, dat organen van vereenigingen, die zich met zgn.Prinzipienreitereibezig houden, zich wel eens aan overdrijving zullen schuldig maken, zoo zal meestal toch de kern waarheid zijn. HetBulletin Continentalboezemt mij evenwel vooral door zijnbezadigdheiden verder door het nauwkeurig aangeven der gevallen, vertrouwen in. De Heer Yves Guyot doorspekt zijn geheele verslag op ’t Pénitentiair Congres (Parijs) van 1895 met citaten uit dit maandelijks verschijnend blad. Ik achtte het echter mijn plicht een greep uit de door mij aangehaalde gevallen te doen en de meer of mindere waarheid daarvan te controleeren. Ik heb het laatst genoemd geval genomen en den Hoofdcommissaris van Politie te Rotterdam verzocht mij te willen melden, of het feit naar waarheid geschetst was. Ter contrôle citeer ik het daartoe betrekking hebbend deel uit diens antwoord.»In Maart 1895 heeft een Belgische placeur in een bordeel alhier, gehouden door eene Oostenrijksche vrouw, een Belgisch meisje van 17 jaren gebracht, ’t welk daar slechts eenige uren heeft vertoefd, nadat zij met dien placeur te zamen (in een kamer, ingeschreven als man en vrouw) den nacht in een groot hotel alhier had doorgebracht om daarna via Berlijn naar Riga te reizen, waar zij in een bordeel van eene Oostenrijksche vrouw, Rabuchin, zou worden geplaatst. Deze laatste vrouw werd in het bordeel van hare landgenoote aangehouden en door bemoeiingen mijner administratie de placeur met het minderjarige meisje gearresteerd, terwijl de Oostenrijksche bordeelhoudster bij terugkomst te Rotterdam werd aangehouden. Zij werd aan de Belgische justitie uitgeleverd evenals de bordeelhoudster van Riga en beide vrouwen werden tot vele jaren tuchthuis veroordeeld te Brussel, terwijl het bordeel werd opgedoekt. De Oostenrijksche bordeelhoudster, destijds hier gevestigd heette Anna Tabatz, hare collega uit Riga Alexandrina Rabuchin.

Handel in blanke slavinnenis een technische uitdrukking geworden; in officieele stukken komen deze woorden reeds voor. Bij eventueele wettelijke voorziening kan het strafbare feit, bestaande in het als beroepsuitoefening plegen van handelingen, die onder dezen meisjeshandel gerangschikt kunnen worden, gevoegelijk alshandel in blanke slavinnengequalificeerd worden. In Duitschland is als technische uitdrukking te vinden “der Mädchenhandel”, in Engeland “the white slave traffic” (of “trade”), in Frankrijk “la traite des blanches.”

Evenwel, ieder technische uitdrukking heeft eene verklaring, eene omschrijving noodig. Wat is nu onderhandel in blanke slavinnente verstaan? Door bedriegelijke middelen maken vele individuen er hun werk van vrouwen en meisjes aan een ontuchtig leven over te leveren; dit geschiedt meestal door plaatsing in een bordeel; door misleiding, waarbij dikwijls misbruik gemaakt wordt van onwetendheid en onervarenheid,brengen zij ze in een toestand, waarin eerbaarheid en, in verband met deze, gezondheid en vrijheid in gevaar komen, terwijl zij ’t oogmerk hebben deze in gevaar te brengen. Daarenboven weten de slachtoffers niet, in welken toestand zij gebracht worden1. De misleiding heeft plaats onder de meest verschillende omstandigheden en door de meest verschillende middelen, ofschoon bij iedere daad van meisjeshandel het misleidende element op den voorgrond treedt en de resultaten op hetzelfde neerkomen.

Deze handel doet zich voor in 2 vormen, een minder en een meer ernstige vorm nl. de binnenlandsche en de buitenlandsche handel:

1e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding in het land zelf aan een ontuchtig leven overgeleverd;

2e. Een vrouw of meisje wordt door misleiding overgehaald het land te verlaten met het bedriegelijke oogmerk haar in het buitenland aan een ontuchtig leven over te leveren.

Ik noem den tweeden vorm den meer ernstige, omdat het slachtoffer op deze wijze in een hulpeloozer toestand verplaatst wordt. Zij zijn zonder bescherming, want zijvertoeven ver van haar familie en vrienden; zij zijn onbekend met de taal van het land, meestal ook met de middelen, die haar rechtens mochten ten dienste staan tot steun in hare hulpeloosheid. Daar de handelaars, placeurs of bureaux de placement, zich meestal trachten te voorzien van weezen of alleen staande vrouwen, zoo missen deze reeds van zelf de zorg en de nasporing van haar natuurlijke verzorgers en beschermers.

De omstandigheden, waaronder iedere daad van meisjeshandel geschiedt, zijn altijd eenigszins ingewikkeld en variëeren dan ook bij ieder geval. Ze zullen het beste uitkomen bij het nagaan van de door de handelaars bedreven feiten. Eveneens is dit het geval met de middelen, waarvan zij voor het beoogde doel gebruik maken; eenige der meest aangewende zijn wel de plaatsing van advertenties, het aanklampen aan stations, in treinen of stoombooten en steigers van de vrouwelijke personen, die in de stad komen met het doel eene betrekking te zoeken.

Aan de meisjes, die een dienst zoeken, wordt een oogenschijnlijk zeer voordeelige positie aangeboden, hetzij als gouvernante, hetzij als bonne, of iets anders. Vooral de dagbladen, die door de burgergezinnen en den arbeidersstand gelezen worden, leveren een keur van dergelijke aanbiedingen op.

Merkwaardig zijn sommige advertenties in Turksche bladen, evenwel niet met ’t doel betrekkingen aan te bieden of meisjes te vragen, maar om de waar, waarvan men zeker is, te verhandelen. Er wordt b.v. invermeld, dat te koop worden aangeboden jonge leeuwinnen uit Soedan, Perzische gazellen en jonge berinnen uit den Kaukasus. Ieder weet dat daarmee vrouwen en meisjes bedoeld worden.

Een staaltje volge hier uit ons land. Einde October 1899 waarschuwde de hoofdcommissaris van politie te Amsterdam tegen in den laatsten tijd in enkele dagbladen voorkomende advertentiën onder verschillende opschriften als o.a. “Meisje”, »Ernstig gemeend” enz., ongeveer van den volgenden inhoud: “Gevraagd een flink burgermeisje van 16–20 jaar voor gezelligheid. Liefst wees of vrij meisje; afleiding en verzorging aangeboden. Franco brieven met opgaaf van leeftijd en familieomstandigheden onder Lr. enz.”

Een ander middel, dat althans in andere landen aangewend wordt, is het aangaan van een huwelijk. Deze wijze van handelen schijnt vooral in Rusland nog al eens voor te komen. Daarop wijst ons althans de Russische rapporteur op het Londensche Congres van Juni 1899, de staatsraad en senator A. Sabouroff. Van overheidswege werden in 1884 maatregelen getroffen om dezen handel te fnuiken, toen het de aandacht getrokken had, dat de zuidelijke kusten van Rusland door verschillende individuën druk bezocht werden en in de Russische zeehavens, vooral te Odessa, een druk handelsverkeer bestond. Deze administratieve bepalingen gingen het bedrijf slechts ten deele tegen: “Yet the cases of voluntary consent escaped the control of the police, as well as such cases, where the parties were provided with a marriage testimonial; for several casesindeed have been registered of men of Jewish extraction having sold theirwivesinto servitude; after leaving Odessa with theirwives, they returned within a certain time with theirpassportbearing the remark in the hand of the Russian consul in Constantinople: »Wife remained abroad” or »Divorced”. It is evident that such cases, presenting anappearanceof complete matrimonial legality can scarcely be rooted out by administrative measures.”

Ook beloften om in een ander land het meisje te trouwen worden bij herhaling als middel aangewend.Tonny Kellen verhaalt dat de leden van een placeursvereeniging te Bombay zich indringen bij de familie van het meisje, dat zij willen meenemen. Wanneer hun dat gelukt is, trouwen zij het meisje of geven voor tot het huwelijk over te zullen gaan na aankomst in Indië. Menigmaal komen in Duitsche bladen advertenties voor om vrouwen over te halen de reis naar Voor- en Achter-Indië te ondernemen. Men maakt den meisjes diets, dat er zich in Bombay vele Duitsche jongelieden bevinden, die gaarne willen trouwen met meisjes uit hun vaderland.—Verder maakt Tonny Kellen melding van een geval, dat een meisje uit Rome door den handelaar getrouwd werd en in Bombay voor 300 ropijen verkocht.

Uit de herhaaldelijk voorkomende gevallen blijkt, dat ieder meisje of iedere vrouw de dupe kan worden van deze bedriegelijke handelingen, zonder nu altijd onvoorzichtig te zijn of het slachtoffer te worden van eigen onervarenheid en onwetendheid. Het grootste quantum toont evenwel aan, dat de placeurs partij trekken vande onnoozelheid der meisjes en daarvan misbruik maken. ’t Is een raadsel, hoe sommige meisjes zich onnadenkend kunnen verbinden een betrekking te aanvaarden in haar onbekende landen.

Baronesse de Montenach, secretaresse van hetOeuvre Catholique Internationale pour la Protection de la jeune Fille, deelt ons in haar rapport op het Londensche Congres van 1899 een interressant geval mede (zie pag. 170 van deTransactions). Ik acht het niet meer dan billijk, dat de staat, waar verwacht wordt, dat hij degenen, die de dupe zijn van bedriegelijke handelingen in bescherming zal nemen van zijn kant redelijker wijze mag vorderen, dat althans niet een dusdanige zorgeloosheid aan den dag worde gelegd als vele gevallen aantoonen, waaronder het zooeven geciteerde. De staat strekt niet zijn beschermende hand uit om zorgeloosheid en roekelooze onbedachtzaamheid aan te kweeken. Men behoeft slechts het gering intellectueel gehalte van het personeel der bordeelen na te gaan om, aannemende dat het voor een deel gerecruteerd wordt door den handel, de conclusie uit te spreken, dat in de meeste gevallen de werving zonder veel moeite zal geschied zijn.

Doch duur komt haar onvoorzichtigheid haar te staan.

Het groote publiek spreekt met zekere geringschatting, zoo niet minachting, over de prostituée (ik laat in ’t midden, of deze opinie wel te rechtvaardigen is). In den aanvang dikwijls een soort weelde genietend, is ten slotte groote armoede haar deel; de goede eigenschappen en hoedanigheden worden tot een minimumgereduceerd, zij maken plaats voor tot misdaad overhellende neigingen. In hetJahrbuch für Gesetzgebungenz. van 1897 schildert ons Dr. A. Korn (Berlin) in zijn artikel »Strafrechtsreform oder Sittenpolizei” de physieke en psychische toestand der gevallen vrouw aldus: »Wird sie (d. h. die gewerbsmässige Unzucht) dauernd als Gewerbe betrieben, so führt sie zu einer völligen geistigen und körperlichen Entartung der ihr ergebenen Weibspersonen. Die Fähigkeit zu irgendwie anstrengender Arbeit hort bei ihnen auf, das Gefühl für Recht und Unrecht stumpft sich ab; Gedächtnisschwäche, gedankenlose Geschwätzigkeit, Lügenhaftigkeit aus blossem Hange zum Lügen und unüberwindliche Arbeitsscheu charakterisieren diese Art der Degeneration. Dirnen,welchesoweit gekommen sind, fallen stets den Hospital und Gefängnisverwaltungen und schliesslich der Armenpflege zur Last.” In dergelijken zin maalt ons Dr. C. Ströhmberg in zijn werkje »Die Prostitution” blz. 37 de eigenschappen en hoedanigheden der publieke vrouw.

In dezen toestand van lichamelijk en zedelijk verval geraakt het slachtoffer van den handel in blanke slavinnen. Men meene niet, dat het ondenkbaar is, dat een vrouw, in wie niet de kiem zit van dergelijke eigenschappen en hartstochten, het leven van prostituée niet lijdelijk zou dulden, wanneer zij eenmaal tot dat leven gebracht is. Integendeel, wanneer zij eenmaal de eerste schrede gedaan heeft hetzij door dwang hetzij vrijwillig, valt geen onderscheid meer te maken tusschen de misleide vrouw en haar, die zich vrijwillig aan hetprostitutieleven overgaf. Pauline Tarnowskaja vermeldt het volgende geval: Door bedriegelijke middelen wordt een meisje in een bordeel gevoerd; een bezoeker interesseert zich voor haar en stelt haar in de gelegenheid op ’t platte land met haar kind onbezorgd te leven. Ze blijkt evenwel reeds zoo aan het bordeelleven gewoon te zijn geraakt, dat zij dit rustige landelijke leven vaarwel zegt om in het bordeel terug te keeren. Nu en dan gaat zij terug om haar kind te bezoeken, doch keert ten slotte weer in het bordeel terug.

Slechts door het behoud van haar eerbaarheid kan de vrouw in onze maatschappij haar goeden naam intact houden, het verlies der onschuld buiten huwelijk is voor het meisje meestal van zeer ingrijpende beteekenis. Teruggaan is onmogelijk, het “tot hiertoe en niet verder” blijkt onder de tegenwoordige maatschappelijke toestanden en tengevolge der physieke gesteldheid van den mensch geen voldoende kracht te bezitten om haar voor den verderen val te behoeden.

“Ist einmal die Jungfräulichkeit verloren, so ist der schlimmste Schritt gethan, und in den Gefühl durch keine Mühe sich rehabilitiren zu können, suchen sie ihre Situation verwerthbar zu machen,” zegt Lombroso.

Aan de eene zijde daalt meestal op den duur het moreele peil der prostituée langzamerhand tot het minimum, aan de andere zijde is het verlies harer eerbaarheid en het voortgaan op den eenmaal ingeslagen weg van zeer nadeeligen invloed op hare physieke gesteldheid. Ook deze grief, dat de handelaars in blanke slavinnen door hun handelingen de vrouw ineen leven werpen, waarin haar gezondheid, ja haar leven in groot gevaar komt, is ernstig. Door haar ontuchtig leven stelt het meisje zich aan vele meer en minder gevaarlijke ziekten bloot: het vermoeiende leven, het slapeloos doorbrengen der nachten, het misbruik van spiritualiën, gebrek aan buitenlucht en ’t leven in een duffe atmosfeer putten haar lichaam uit. Statistieken wijzen uit, dat de meeste prostituées zich binnen de eerste 3 jaren van haar ontuchtig leven met ernstige venerische ziekten besmet hebben, doch ook overigens heeft de omgang met de velen, die haar onbekend zijn en met haar onbekende ziekten besmet zijn, ten gevolge, dat zij zich ook daaraan blootstelt. En wat zijn de gevolgen voor haar, die dit leven leiden, totdat zij niet meer aan de vereischten voldoen, noodig op met eenig succes dit bestaan vol te houden? Overgang tot de misdaad is slechts een kleine schrede, anders een kommervolle ouderdom zoo deze althans bereikt wordt of eindiging van het leven in armenhuizen of hospitalen. Doch een vroegtijdige dood is meestal het deel der prostituée; hare gezondheid stelt zij door haar leven op te zware proef. August Bebel vermeldt in zijn werkje “Die Frau in der Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft”, dat Fait voor Edinburg de gemiddelde levensduur der prostituée stelt tusschen 22–25 jaar. Volgens denzelfde doet jaarlijks een vierde, ja dikwijls een derde der prostituées poging tot zelfmoord en gelukt het dan ook minstens een twaalfde zich zelf te dooden.

De vermelding waard zijn de volgende woorden dieMme. E. de Morsier op het Penitentiair-Congres te Parijs (1895) uitsprak:

“Ah, Mesdames, avez-vous songé à ce qui a du se passer dans le coeur et l’intelligence de ces malheureuses, avant qu’elles en arrivent a ce dégré de dépravation où, hélas, nous mèmes nous sommes forcées de dire qu’il n’y a plus guère d’espoir?

“Une de nos amies, qui habite un port de mer nous écrivait ces mots tragiques:

. . . . . . . . . “Je les ai entendues rire et plaisanter ces pauvres filles, un jour où elles se rendaient en troupe sur le port. Et l’une d’elles criait à un homme, qui les regardait passer—un habitué de sa maison:

“Ne vous étonnez pas si nous sommes si gaies, ce sera bientot fini. On nous emmène à Riga pour les marins, que l’on attend, maintenant, que les glaces sont fondues dans le Baltique; trois semaines de ça et nous serons finies. Alors on se jette à la mer et puis tout est dit. Hourrah”!

De tegenwoordige handel in blanke slavinnen openbaart zich op die wijze, dat de vrouwen in een bordeel gelokt worden; is de straatdeur eenmaal achter haar gesloten, dan zijn zij als ’t ware gevangenen. Van dit oogenblik is haar vrijheid van handelen tot een minimum gereduceerd. Om zich goed in dezen toestand in te denken, doe ik het best een officiëel rapport van het vroegere hoofd der Brusselsche politie, Lenaers, aan te halen: “The women in the houses are subjected to obligations without number, they are forced, soto speak, to give themselves up to the first comer, however deep their repugnance to him may be; they are compelled to incur heavy expenses and to submit themselves to the yoke of the keeper of the houses; their liberty of action is exceedingly limited; they must never be seen at the door or windows of the houses; theyscarcelyever go out, and then always under the escort of the mistress; in a word, they possess only that amount of liberty, which the mistress chooses to grant them, and the mistresses extend or control their liberty, as it suits their own interests, and without any reference to the will or preferences of the women.” ’t Ligt dan ook in den aard der zaak, dat er buitengewone maatregelen genomen moeten worden om de misleide vrouw te dwingen aan het doel te beantwoorden, waarvoor zij in het bordeel gebracht is; iedere poging om te ontvluchten moet zooveel mogelijk—althans in den aanvang, daar naderhand de vrouw zich in haar toestand begint te schikken—worden voorkomen.

Daarom het uiterst scherp toezicht, dat op de pensionnaires gehouden wordt. Tot deze slavernij werken ook indirect mede andere feitelijke maatregelen: bij de komst in het bordeel worden de kleederen der nieuwelinge zoogenaamd uit vriendelijke voorzorg in bewaring genomen; ze ontvangt daarvoor andere kleederen, waarin zij zich niet in het publiek kan vertoonen. En dan nog de vrijheid, die de bordeelhouders zich veroorloven op eigen initiatief de meisjes als persoonlijk onderpand in gijzeling te houden voor de schulden, die zij van haar kunnen vorderen ten gevolge van de verplichtingen,die zij haar opgelegd hebben, zich tegen exorbitante prijzen hare toiletbenoodigdheden en kleederen bij haar meesters aan te schaffen. Yves Guyot drukt dit kenschetsend uit als zoude een hypotheek op haar rusten.

Andere gevallen doen zich voor, waarin de vrouw ook het kind van de rekening wordt. Daar toch, waar eene bepaalde inschrijving gevorderd wordt, zien de bordeelhouders zich genoodzaakt door middel van valsche papieren, geboorteacten e.a. den waren leeftijd van het meisje, indien dit nog minderjarig is, te verbergen; hun worden te dien einde door hen, die de meisjes verschaffen, de valsche stukken ter hand gesteld; van deze maken de meisjes gebruik, want haar wordt diets gemaakt, dat het om deze of gene reden noodig is een anderen naam en anderen leeftijd aan te nemen. Het dilemma wordt den meisjes dan voorgehouden òf in het bordeel te verblijven, òf daaruit weg te gaan om in vrijheid zijnde, op aangifte van den bordeelhouder terstond wegens valschheid vervolgd te worden en daarna wederom een toestand van onvrijheid in de gevangenis te ondergaan. En dat dit geen illusoir schrikbeeld is, bewijst menig exempel van veroordeelingin contumaciamter zake van valschheid in dergelijke gevallen.

De processen in 1881 in België gevoerd brachten verschillende valschheden in geschriften aan ’t licht. Ter zake van het opzettelijk gebruik maken van dergelijke stukken werd meer dan eens eene veroordeeling tegen een meisje uitgesproken.

Als slotbemerking worde er nogmaals op gewezen,dat langzamerhand de vrouw zich in haar toestand begint te schikken, dat zich dan bij haar een zucht naar vrijheid niet meer openbaart—zij is een willoos voorwerp geworden—en dat dientengevolge geen poging meer aangewend wordt het juk van zich af te schudden. Zij gaat door koop van hand tot hand over van den een op den ander, steeds pensionnaire wordende van huizen van minder allooi, totdat de waar geen opgang meer maakt en niet meer aan haar bestemming voldoet; zij wordt dan aan haar lot overgelaten.

’t Spreekt van zelf dat de wervers het eerst hun oog vestigen op onschuldige meisjes, die door de natuur met schoone vormen en schoon uiterlijk begiftigd zijn, en liefst zoo jong mogelijk, bijna immer minderjarig; deze zijn toch het meest gewild en brengen groote sommen op. Naar gelang van de qualiteit der koopwaar bezorgt deze den placeur douceurtjes van 50 tot 500 gulden en meer. ’t Is dus voornamelijk de onschuld, die in aanmerking komt. Voor den kooper wordt op verlangen een geneeskundig certificaat opgemaakt om de maagdelijkheid te constateeren.

De Pall Mall Gazette van 1885 meldt eenige getuigenissen:

June 27, 1885«This is to certify, that I have this day examined — — D — — aged 16 years and have found her a virgin.”——, M. D.

June 27, 1885

«This is to certify, that I have this day examined — — D — — aged 16 years and have found her a virgin.”

——, M. D.

June 29, 1885.«This is to certify, that I have examined — W — aged 17 years, and — K — aged 17 years, and have found them both virgins.”——, M. D.

June 29, 1885.

«This is to certify, that I have examined — W — aged 17 years, and — K — aged 17 years, and have found them both virgins.”

——, M. D.

Het oog valt dan vooral op jonge en dus minderjarige meisjes; doch daar de bordeelhouders in deze gevallen onder het bereik der strafwet zouden vallen, worden de middelen wel gevonden om dit kwaad te ontkomen, hetzij men zich van valsche stukken voorziet, hetzij zooals de feiten uit andere landen genoegzaam aangetoond hebben, de politie met de inschrijving belast, oogluikend een en ander door de vingers ziet.2

Overigens wordt in deze gevallen meermalen gehandeld als op eene markt, waar het stuk vee van alle kanten betast wordt, voordat tot den koop overgegaan wordt.Goron, ancien chef de Sûreté, liet einde 1899 het licht zien aan een nieuw deeltje van zijn werk “L’amour à Paris” getiteld “Le marché aux Femmes.” Het eerste hoofdstuk “La confession d’une pierreuse” is in dit opzicht de lezing wel waard. Zij wordt gegrepen, toen zij haren “Rouquin”, een souteneur, bij diens arrestatie te hulp snelde. Voor den chef de Sûreté gebracht verhaalt zij hem haar levensgeschiedenis. Zooals zoovelen viel zij in handen van een placeuse, die tegenover haar in de coupé zat van den trein naar Parijs. Deze koppelaarster bracht haar bij een bureau deplacement. En het hoofd van dit bureau bood haar te koop aan een bordeelhoudster, MmeAngélique, die hem bezocht.

“Madame Angélique promena sur toute ma personne le même regard connaisseur, que mon maître le marquillier. Je me souviens, que mentalement je fis ce rapprochement, mais sans y mettre d’autre importance....

“MmeAngélique en vint même à me toucher la poitrine..... ce qui me fit rougir malgré moi.

“Pas mal, dit-elle, je te prends. Allons, fiche tes frusques dans mon sapin, je t’emmène. Tu n’as à t’occuper de rien; c’est moi, qui paie le bureau.”

Dat zij na dezen koop in het koetsje naar het bordeel vervoerd werd, behoeft haast niet vermeld te worden.

De prijs der blanke slavin varieert, zooals ik reeds zeide; hij is natuurlijk afhankelijk van de oeconomische wet van vraag en aanbod en van de hoedanigheden, die ik zooeven opnoemde. Zij is een bron van inkomsten zoowel voor den placeur, als voor den bordeelhouder; deze laatste berekent, wat hij voor haar zal betalen, naar hetgeen hij veronderstelt dat zij hem in zijne affaire op zal brengen.

De heer de Meuron zegt karakteristiek in zijn rapport op ’t Congres te Londen (1899) om het lucratieve van den handel in vrouwen en meisjes aan te toonen: «We hope to give here the result of work, undertaken by the society of Public Morality in the Canton of Zürich, which has labouriously collectedbiographicalinformation of some of our most notorious traffickers inwhiteslaves. Nothing is more instructive than to followthe career of one of these business men, commencing with the conduct of a house, then spreading his business, entering into relationships abroad, creating channels for international commerce, then little by littleabandoningthe catering for his «den» in order to give himself to larger transactions in the far East, and finally securing for his old age a peaceful retreat in some costly villa on the shores of the lake of Zürich or of Geneva!»

De handel in blanke slavinnen is dus de uitoefening van een beroep, bestaande daarin, dat men uit winstbejag door misleiding vrouwen en meisjes aan een ontuchtig leven overlevert door ze in een bordeel te lokken. Deze tak van koophandel is voor sommige individuen evenzeer een levensberoep als het in andere takken voor anderen is; een dergelijke daad, bedreven door een niet-koopman, dus een op zich zelf staande handeling komt betrekkelijk zelden voor. Een recent geval (midden 1899), dat ik vernam van de directie van een der toevluchtsoorden in Amsterdam, wil ik in ’t kort mededeelen: Een Zeeuwsch meisje kwam bij haar zwager in de hoofdstad logeeren; haar voorkomen was van dien aard, dat de gastheer meende eens zaken te kunnen doen. Hij wendde zich dan ook tot een besteedster, die zich wel meer met dergelijke aangelegenheden bemoeide en verkocht haar aan deze vrouw voor de luttele som van ƒ15, waaruit wel bleek zijne onbekendheid met de waarde, die dergelijke levende koopwaar onder geroutineerde handelslieden vertegenwoordigt. Het meisje werd diets gemaakt, dat eenvoordeelige betrekking in Rotterdam open was, welke zij zou kunnen innemen. Zij accepteerde. Bij hare aankomst aldaar kwam zij in een bordeel te land.

Doch meestal zijn het geroutineerde kooplieden, die, zooals uit de gevallen, die ik hier zal aanhalen, blijken zal, van alle mogelijke omstandigheden partij trekken om slachtoffers te maken.

HetBulletin Continentalvan April 1896 meldt:

“On annonce l’arrestation, à Vienne (Autriche) d’un Juif Maschoulim Langer et de sa fille Rose. Ces deux personnages se livraient en grand à la traite des blanches. Leur agence, qui avait des commis-voyageurs très habiles et des succursales dans toute l’Europe, alimentait les maisons de tolérance et autres lieux mal famés de la Roumanie, de la Serbie, de la Turquie, voire même de l’Amérique, où l’une de filles de Langer était propriétaire d’un mauvais lieu et où son fils était associé à ses opérations.

Les agents de la maison Langer parcouraient les campagnes, les petites villes surtout, de la Galicie et de la Russie. Découvraient-ils de jolies filles pauvres ou cherchant une place, ils s’abouchaient avec elles, ils leur promettaient monts et merveilles et les expédiaient à Vienne à la maison principale. Là, Langer et sa fille les recevaient, les gardaient quelques jours en les accablant de soins et de distractions, puis leur proposaient une place dans telle ou telle ville. Arrivées a destination, les malheureuses se trouvaient dans une maison de tolérance ou chez une entremetteuse. Langer touchait jusqu’à 500 florins suivant la beauté du sujet.Au momentoùon est venu l’arrêter cetrafiquantde chair humaine avait endépôtchez lui sept jeunes filles, presque toutes étrangères, et sa fille Rosa venait de recevoir du correspondant de Varsovie une dépêche ainsi conçue: “Marchandises à Varsovie saisies. Attention! Demande appui, Baumwolle”. Deux agents de Langer, Isidore Dickfaden et Jacof Friedberg (de son vrai nom Rozenkrantz) ont été également arrêtés.”

In deChronique(Brussel) van 5 Nov. 1898 lezen wij: “Il y a quelques jours une fille de 18 ans apprit par une annonce, qu’on demandait à Saint-Josse des jeunes filles pour un service facile.

“La jeune fille se rendit a l’adresse indiquée: c’était un café, dont la propriétaire la reçut et la présenta à une dame d’origine anglaise. Cette dame demanda à la jeune fille de l’accompagner à Londres, où elle lui procurerait une belle place; la jeune fille accepta et partit le même jour pour l’Angleterre.

“Deux autres jeunes filles faisaient partie de l’expédition; on les conduisit dans un hôtel de Londres et quelques jours après elles devaient partir à destination de l’Amérique du Sud. On inscrivit les deux jeunes filles a l’hôtel sous un nom d’emprunt et on les éblouit par des promesses mirifiques devant se réaliser, lorsqu’elles arriveraient à destination; on obtint ainsi leur consentement au départ. La jeune fille, partie avec les deux autres compatriotes, alarmée par des agissements louches, parvint à tromper la surveillance, dont on l’entourait et avertit son père. Ce dernier s’empresse de se rendre à Londres et y arriva avant le départ deson enfant. Les deux autres jeunes filles font actuellement voile pour l’Amérique du Sud. Une de ces jeunes filles était employée dans un magasin de la rue du Marais; elle avait étéembauchéepar un individu, qui par des offres brillantes, l’avait décidée à partir pour Londres avec la femme anglaise; l’autre jeune fille avait été accostée à la gare du Nord et était tombée dans la même piège. La police a reçu depuis quelques mois le signalement de nombreuses jeunes filles disparues mystérieusement; il est très probable, qu’elles sont tombées entre les mêmes mains.”

Volgens hetBulletin Continentalvan Dec.1896 bevatte deEtoile Belgenog eenige bijzonderheden over het verloop van de ontdekking van bovengenoemde door deChroniquegememoreerde feiten.

Wij lezen: “D’après l’Etoile Belge du 28 Nov. la proxénète qui avait emmené a Londres les jeunes Bruxelloises dans les conditions, que la Chronique de Bruxelles a relatées, a été arrêtée à Londres en vertu d’un mandat de Mr. le juge d’instruction. Mais d’après la loi anglaise,pour quel’extradition puisse être obtenue, il faut que le juge anglais rende une sentence, pourlaquellela présence d’une des jeunes fillesenlevéesest nécessaire. Pour obéir a cette formalité, la police métropolitaine s’était mise en rapport avec l’une des victimes rentrée à Bruxelles, MelleMarguérite K., qui consentit a faire le voyage à condition, que les frais lui fussent remboursés.

“Conduite à la gare et mise dans un train en partance pour Anvers, la jeune fille a subitement et mystérieusementdisparu. On est sans nouvelles d’elle aussi bien à Londres qu’ à Bruxelles et on se demande, si elle n’a pas éte enlevée à son arrivée à Anvers.

De Matin van 23 Juli 1896 vermeldt:

“M. Garnot, commissaire de police du quartier des Grandes-Carrières a arrêté hier et envoyé au dépôt un nommé Eugène Jousse, âgé de 32 ans, demeurant 16 passage de Clichy, qui surveillait les abords de la gare Saint-Lazare, abordait les bonnes sans emploi et les expédiait dans des maisons mal famées de la France ou de l’étranger.

“Une perquisition opéreé chez cet individu a amené de tristes découvertes. C’est une des victimes de cet ignobletrafiquant, qui est venue se plaindre au commissariat de la rue Cauchois et a provoqué l’arrestation du misérable”.

In het Maandblad “Getuigen en Redden” van April 1896 is onder het opschrift “Handel in meisjes” het volgende te lezen:

“In Indië neemt de handel in meisjes onrustbarende verhoudingen aan. Volgens een Indisch blad worden de meisjes van Java naar Singapore (Engelsch-Indië) vervoerd, eene stad, die bekend is door de talrijkheid harer bordeelen, waarin vrouwen van allerlei naties vertoeven.

“Een soort koppelaarsters, die zich als geestelijke zusters voordoen en in Turksche kleederdracht gansch Java rondreizen, houden zich vooral met dien handel bezig.

“Immers zij genieten een blind vertrouwen van de zijde der dessabewoners en met beide handen grijpendeze het aanbod aan als een dier “barmhartige zusters” hun voorstelt, hun dochters in de geheimen van den Koran in te wijden en ze als Cicerone naar de Heilige stad te vergezellen.

“En juist die matrones maken nog al wat reisjes naar Mekka, terwijl het vermoeden, als zouden zij betrokken zijn in dien slavenhandel—welke, niettegenstaande pertinente tegenspraak wel degelijk bestaat—niet licht opkomen zal, want en landaard en het vrome kleed pleiten voor hen.

Maar hoevelen van deze jonge dochters keeren niet weerom, en bereiken nimmer het heilige land, doch verdwalen op Singapore in bordeelen.    (Controleur).

De “Javabode” van 18 Sept. 1897 vermeldt het volgende geval:

“Omtrent den handel in Japansche meisjes in het Oosten deelt de “Kobe Herald” het volgende mede:

“Het is bekend, dat door de havenautoriteiten in Japan strenge maatregelen genomen worden om de wegvoering naar het buitenland van jonge meisjes voor onzedelijke doeleinden te beletten, maar meermalen worden de bepalingen ontdoken. De lotgevallen van een 17 jarig meisje dezer dagen van Singapore te Yokohama teruggekeerd zijn wel geschikt om de politie tot grootere waakzaamheid aan te sporen.Terwijlzij werkzaam was in een waaierfabriek te Osaka, maakte zij kennis met een vrouw, die haar een goede positie aanbood in een theehuis te Yokohama. Met een vriendin vertrok zij met de vrouw derwaarts.

“Na 10 dagen te Yokohama te zijn gebleven, werdenbeide meisjes met nog elf anderen, die zij niet kenden, aan boord gebracht van de “Müki-Mara” en allen in het ruim verscholen, in gezelschap van 3 mannen, die haar om de beurt bewaakten.

“Te Hongkong werden zij in een hotel onder dak gebracht.

“Tot driemalen toe trachtten 5 der ongelukkigen te vluchten, maar werden door de haar vergezellende mannen weder gevat, geslagen, geschopt en in het hotel teruggebracht. Twee harer was het gelukt het politiebureau te bereiken, maar niemand kon ze daar te woord staan en toen het avond geworden was, besloten zij naar het hotel terug te keeren. Van Hongkong werden negen meisjes gebracht aan boord van een naar Australië vertrekkend stoomschip. Twee dezer waren bestemd voor Singapore, waar zij in een bordeel geplaatst werden. Een dezer laatsten werd spoedig door een bordeelhouder eerst naar Batavia en van hier naar Sumatra gebracht. Toen zij zwaar ziek geworden was, besloot de bordeelhouder haar naar Singapore terug te zenden, vanwaar zij door de zorgen van den Japanschen Consul naar Yokohama werd doorgezonden. Zij heeft aan de politie medegedeeld, dat er op Sumatra verscheidene door Japanners gehouden bordeelen bestaan, waarvan de bewoonsters op bedriegelijke wijze uit Japan zijn weggevoerd.”

Het B. C. van Maart 1895 brengt ons op de hoogte van een zeer interressant geval.

“La police d’Anvers, celle de Rotterdam et la police de Berlin s’occupent en ce moment d’une grave affaire de moeurs. Une jeune fille d’Anvers, agée d’environ17 ans, est tombée entre les mains de proxénètes, qui l’ont expediée à Riga en Russie. C’est la police de Rotterdam, qui a donné l’éveil. Depuis longtemps, elle savait, qu’une femme d’origine hongroise, qui tenait à Rotterdam une maison de prostitution, se livrait à la traite des blanches. Maintes fois le commissaire avait essayé de surprendre les infames agissements de la Hongroise, mais il avait toujours échoué dans ses tentatives. Il avait même demandé des éclaircissements aux autorités russes, mais celles-ci n’avaient pas répondu.

“Il y a trois ou quatre jours, le commissaire de police reçut une lettre anonyme, datée de Bruxelles, per laquelle il fut averti, que la Hongroise préparait un nouveau coup. L’honorable magistrat avertit le parquet. Une descente fut ordonnée chez laproxénète, mais l’oiseau s’était déjà envolé. On y fit cependant une capture importante, celle de la ténancière de la maison de Riga, qui avait acheté la jeune Anversoise.

“La police poursuivit rapidement son instruction et apprit, que la Hongroise était partie pour Berlin en compagnie de la victime. La police de Berlin fut avertie par dépêche. Malheureusement, il était trop tard. La fillette avait été livrée a un “placeur” venu de Bruxelles, et qui était immédiatement parti avec elle pour Riga. Quand l’autorité berlinoise eut connaissance de l’affaire le misérable avait déjà atteint la frontière russe.

“Au moment où je vous écris, un inspecteur de la police hollandaise se trouve à Anvers. L’enquête a déjà révélé, que la fillette a d’abord été conduite d’Anversà Bruxelles, où elle a été vendue par la Hongroise à la proxénète russe. Celle-ci, comme je le constate plus haut se trouve entre les mains de la justice depuis quatre jours. Quant à sa complice hongroise, elle est revenue, hier soir, de Berlin, et elle a été immediatement mise en prison. Le placeur bruxellois est guetté à Berlin et il est probable qu’il sera arrêté également d’ici à quelques heures.”3

Enkele grepen heb ik hier gedaan uit den overvloed van gevallen, die verschillende bladen ons te lezen geven,vaak in een speciaal voor den handel in meisjes bestemde rubriek. Deze gevallen koos ik overal, verspreid om aan te geven, dat zoowel in het oude Europa en Azië alsin hetnieuwe Amerika de handel welig bloeit daarom staan evenwel Afrika en Australië niet ten achter bij de eersten; ook hier komen dergelijke feiten voor.

Een geval wil ik hier vermelden, dat Hollandschemeisjes naar Californië vervoerd zijn. Ik ontleen het aan een brief, dien de oud-consulVanLöben Sels te San-Francisco mij op mijn verzoek om inlichtingen zond. “Handel in blanke slavinnen komt hier ongetwijfeld ook veel voor—gewoonlijk worden de meisjes door houdsters van bordeelen in Parijs, Amsterdam etc. in persoon geëngageerd—dikwijls ook per brief—om als naaisters, bedienden in restauraties etc. werkzaam te zijn. Eens hier zijnde, zijn zij “stranded” en raken ze spoedig aan haar nieuw bedrijf gewend en er mee verzoend.” Iets verder volgt in den brief: “Ongeveer 5 jaar geleden ontving dit consulaat per brief verzoek om hulp en voorlichting van 2 Hollandsche meisjes, die bleken door een zekere Maria van Pelt, eene Hollandsche vrouw uit Rotterdam (alhier een bordeel houdende) in Rotterdam te zijn aangenomen om in San Francisco als naaisters werkzaam te zijn tegelijk met, ik meen, 4 andere meisjes. Ik vond het tweetal ziek te bed in een privaat dames-hospitaal, bedekt met syphilis, zwaken ziek en zonder een cent. Ze waren uit het huis weggeloopen,” etc.

»Door die meisjes vernam ik, dat bij die Maria van Pelt nog 4 andere Hollandsche meisjes als prostituées werkzaam waren.” etc.

Een der Hollandsche afgevaardigden op het Congres van Juni ’99 te Londen gehouden, de heer Velthuijzen, vermeldt in zijn rapport dat hem uit vertrouwbare bronnen bekend geworden was, dat niet alleen te Parijs en Londen, doch ook in Rusland, Egypte en Britsch-Indië Hollandsche vrouwen in bordeelen aangetroffen worden.

’t Is evenwel uiterst moeilijk op de hoogte te komen van dergelijke gevallen om deze redenen: de meisjes verlaten het land met het plan in een“fatsoenlijke” dienst te gaan, dus de nabestaanden weten niet anders of het is zoo; zijn de meisjes evenwel eenmaal gevallen, dan schamen zij zich haar betrekkingen hiervan op de hoogte te brengen, zoo zij althans in de gelegenheid gesteld worden te schrijven. Indien de nabestaanden niets vernemen, hoe kunnen zij dan opsporing verlangen of inlichtingen vragen, waar zij niet eens weten, waar het meisje zich bevindt, daar toch de oorspronkelijke plaats van bestemming meestal gefingeerd was? Zelfs bij den binnenlandschen handel komt ’t voor dat de betrekkingen niets aangaande den val van het meisje te weten komen.

De toestanden zijn overigens overal dezelfde; ten bewijze, dat de Nederlandsche toestanden, speciaal de Amsterdamsche, identiek zijn met die welke ik in dit hoofdstuk beschreef, haal ik een en ander aan uit hetofficiëel verslag der Commissie, die een verandering der Amsterdamsche strafverordeningen in zake de bordeelen moest voorbereiden.

»De vrouwen in deerkendebordeelen zijn bijna allen van vreemde nationaliteit.De bordeelhouders werven haar aan door zoogenaamde placeurs, de makelaars in dezen menschen-handel.”

“Voor elkeen en voor iederen vorm van natuurlijke of tegennatuurlijke ontucht zijn die vrouwen beschikbaar.”

“Meestal is de bordeelhoudster de leverancierster van kleedingstukken en verdere benoodigdheden. De rekening daarvan is gewoonlijk zoo hoog, dat de bordeelhoudster in voorschot blijft.” “In een bordeel op de Heerengracht konden wij inzage nemen van de boeken, zoo kostte o.a. een japon ƒ100, zes zakdoeken ƒ16, zes paar kousen ƒ12, enz.”

“Op straat komen de vrouwen niet dan in gezelschap der zgn. gouvernante.”

“Ook bij ons onderzoek is gebleken, dat een groot deel van de gruwelijkheden, die Fiaux (”Les maisons de tolérance et leur fermeture, 3e uitg. 1896”) verhaalt omtrent het leven in de bordeelen te Parijs, ook ten onzent wordt aangetroffen.”

Uit het voormalig zgn. geheime rapport, dat in deze zaak werd uitgebracht, het volgende:

“De meeste vrouwen zijn van vreemden oorsprong, kennen het land niet, noch de zeden der bewoners, en zijn genoodzaakt, indien zij aan de politie verklaren, dat zij het huis willen verlaten, dit te doen in hoogst primitief costuum en ontbloot van alle geld. Feitelijkkunnen de prostituées beschouwd worden als slavinnen.” “Indien het blijkt, dat zij niet meer geschikt zijn voor het werk dat van haar wordt verlangd, worden zij tegen een som, die grootendeels bepaald wordt door de geldelijke schuld die op haar hoofd rust, overgedaan aan den eigenaar of eigenaresse van een ander bordeel hier ter stede of elders.”

“Alle houdsters verklaarden ons, dat met vreemde vrouwen zooveel beter valt te werken.”

Meestal Fransche en Belgische, Hollandsche weinig in trek, Engelsche in het geheel niet, hier en daar een Duitsche (gering aantal Duitsche een gevolg van het tractaat met Duitschland in 1889, omdat volgens dit tractaat voor de toelating in het bordeel een proces-verbaal moet opgemaakt worden, dat door den Duitschen consul moet worden gezien).

“De houders of houdsters der publieke huizen gaan òf zelf naar Parijs en Brussel, zoo b.v. L. F..., vroeger eigenaar van het groote bordeel op de Spuistraat (F...) thans rentenier te Vreeland, òf krijgen hunne vrouwen door placeurs.”

“De bordeelhoudster van de Heerengracht nam eene vrouw over van W.... en betaalde daarvoor ƒ200. Een ander meisje kostte der Madame ƒ90. Dit geld voor overname moet door de meisjes worden inverdiend.”

De Commissie verhoorde eene vrouw A. D., die thans het onzedelijk leven vaarwel heeft gezegd, doch vroeger jaren lang geleefd heeft met een bekenden placeur.

Ik laat hier eenige vragen en antwoorden volgen.

Vr.Welke ervaring hebt gij omtrent placeurs en souteneurs?

Antw.De placeur, die in aanraking wenscht te komen met vrouwen en meisjes plaatst eene advertentie, die nu eens waarheid danonwaarheidbevat. Uit de ingekomen antwoorden wordt de geschikste door den placeur gekozen, die aan den placeur ƒ5.– betaalt voor eene plaatsing in een Café. De prijs voor een prostituée is veel duurder tot ƒ80.– toe.

Buitenlandsche placeurs zorgen, dat de geplaatste de noodige papieren krijgt, wat natuurlijk aanleiding geeft tot ’t verkeerd opgeven van den leeftijd.

Op een andere vraag als antwoord: “De clandestiene bordeelen zijn geheel ingericht als de erkende en bekomen op dezelfde wijze de vrouwen.”

Verder: “Verschillende bekende bierhuizen zijn bordeelen, die alleen voor de leden toegankelijk zijn. De meeste vrouwen worden door een bekenden placeur uit Keulen in die inrichtingen geplaatst.”

Vr.Wat is u bekend omtrent het zedelijk leven vanwaarzegsters, werksters met ei, masseuses?

Antw.Hieronder vindt men velen, die ontucht in de hand werken.

MmeH, specialiteit in maagdom, handgeld ƒ25.–”

Wat den leeftijd der prostituées betreft was het antwoord:

“Onder haar zijn vele minderjarigen.”

Dit blijkt positief eveneens uit het rapport van een der commissieleden, waar sprake is van de ondervraging van eenige meisjes uit verschillende bordeelen. Om een voorbeeld te noemen, het volgende: Uit ’t bordeel vanMme R. werd gehoord M. G., 21 jaar oud, geboren te Rennes, Frankrijk, sinds 6 maanden prostituée en even zoo lang te Amsterdam, eerst bij Mme F., thans hier. ’t Is duidelijk dat dit meisje een slachtoffer van een placeur is, eveneens U. v. d. G., 26 jaar, geboren te Roubaix, die uit ’t bordeel Mad. C. gehoord werd, zij was prostituée en steeds te Amsterdam in hetzelfde huis. Eveneens A. M. F. uit ’t bordeel W.; zij was 24 jaar oud, geb. te Parijs, sinds één jaar prostituée en steeds bij W. Deze 3 zijn toch den tijd, dat zij prostituée waren, steeds in Amsterdam geweest, en ’t is niet aan te nemen, dat zij vrijwillig uit Frankrijk gekomen zouden zijn om in Amsterdam in een bordeel te gaan.

De directrice van Beth-San, een stichting voor gevallen vrouwen, (Warmoesstraat, Amsterdam) vertelde mij de lotgevallen van 2 meisjes.

Een meisje uit Parijs reflecteerde op een advertentie, waarin een kinderjuffrouw in Amsterdam gevraagd werd. Zij werd aangenomen en bij haar aankomst alhier werd zij door eene bekende koppelaarster aan ’t station afgehaald. Deze bracht haar in een bordeel op de Heerengracht. Na eenigen tijd vond zij gelegenheid chanteuse te worden.

Een ander meisje, dochter van een rechterlijk ambtenaar uit ’t Zuiden van Frankrijk, werd op gelijke wijze voor eene betrekking in den Haag aangenomen. Aan ’t station den Haag werd zij met een rijtuig afgehaald en in het vroegere bordeel van Mme O. gebracht. Zij viel, nadat men haar dronken gemaakt had. Negenmaanden lang werd zij in dat bordeel gevangen gehouden. Een bezoeker verloste haar, door het verlof te krijgen eenigen tijd met haar buiten het bordeel door te brengen; hij moest echter zijn horloge, dat hij voor de zekerheid van haar terugkeer als pand had achtergelaten, in den steek laten. Op ’t oogenblik is zij diacones bij eene dame. Zij is een ontwikkeld meisje en verstond bij haar komst slechts Fransch.

De voorbeelden en gevallen, die ik tot dusver aanhaalde zijn in hoofdzaak gevallen van buitenlandschen handel; het meisje wordt met het bekende oogmerk over de grenzen gevoerd. Zooals ik in den beginne aangaf, is dit een meer ernstige vorm van den meisjeshandel, en dat wel om de daar opgenoemde redenen. En daar het een menschelijke eigenschap is, steeds met het meer ernstige voor den dag te komen, komt ’t dat de gevallen van internationalen handel het meest ruchtbaar worden. De binnenlandsche handel komt in ons land evenwel ook voor, meestal als recruteeringen voor de bordeelen van minder allooi. De misleidende aanvragen in de kleine bladen en ook in de provinciale bladen, het aanwezig zijn der placeurs, koppelaars en bordeelhouders aan stations, aan steigers van stoombooten uit de provincie, bewijzen, dat het eenvoudige meisje van het platteland menigwerf bij hare aankomst in de groote stad in handen valt van personen, die haar exploiteeren.

Zoo is mij bekend, dat een meisje van buiten in den Haag een plaats als keukenmeid gekregen had, evenwel, hetgeen zij niet wist, in een bordeel. Bij hareaankomst in den Haag, in den avond volgens afspraak, werd zij afgehaald en in het huis aankomende in de keuken gelaten. Tot dusver was er niets wat hare achterdocht kon opwekken, doch den volgenden morgen vond zij naast haar bed in plaats van hare eigene kleederen een zgn. bordeelcostuum, natuurlijk van vrij indecenten aard, waarin zij zich niet op straat kon vertoonen. Zij was dus gevangen en het gelukte haar slechts na eenigen tijd te ontsnappen met behulp van een hondenscheerder,die geregeld in dat huis zijn taak kwam verrichten. Het noodige bewijsmateriaal ontbrak, zooals in de meeste van deze gevallen, om met afdoend succes eene strafvervolging in te stellen.

1Hetgeen hier in dit hoofdstuk volgt, zal aan den eventueelen lezer wellicht de opmerking ontlokken, dat het in hoofdzaak bevat feiten van algemeene bekendheid. Dit geef ik gaarne toe. In welken moreelen en physieken toestand de prostituée en vooral de bordeel-prostituée zich bevindt mag van algemeene bekendheid verondersteld worden. Doch ter wille der volledigheid mocht ik niet nalaten toch nog een en ander duidelijk aan te geven. En de systematische wijze, waarop dit geschied is, toont den lezer aan, dat het niet zoozeer mijn doel was beschrijving van de positie der prostituée, als wel aanduiding van de meer of mindere mate, waarin de gezegde rechtsbelangen gekrenkt worden, indien het bewuste oogmerk bereikt wordt.2Zie de onthullingen van de Pall Mall Gazette over de Belgische politie. Zie verschillende rapporten op het Pén. Congres ’95.3Op enkele uitzonderingen na zijn de door mij hierboven aangehaalde gevallen te vinden in hetBulletin Continental. Al mag verwacht worden, dat organen van vereenigingen, die zich met zgn.Prinzipienreitereibezig houden, zich wel eens aan overdrijving zullen schuldig maken, zoo zal meestal toch de kern waarheid zijn. HetBulletin Continentalboezemt mij evenwel vooral door zijnbezadigdheiden verder door het nauwkeurig aangeven der gevallen, vertrouwen in. De Heer Yves Guyot doorspekt zijn geheele verslag op ’t Pénitentiair Congres (Parijs) van 1895 met citaten uit dit maandelijks verschijnend blad. Ik achtte het echter mijn plicht een greep uit de door mij aangehaalde gevallen te doen en de meer of mindere waarheid daarvan te controleeren. Ik heb het laatst genoemd geval genomen en den Hoofdcommissaris van Politie te Rotterdam verzocht mij te willen melden, of het feit naar waarheid geschetst was. Ter contrôle citeer ik het daartoe betrekking hebbend deel uit diens antwoord.»In Maart 1895 heeft een Belgische placeur in een bordeel alhier, gehouden door eene Oostenrijksche vrouw, een Belgisch meisje van 17 jaren gebracht, ’t welk daar slechts eenige uren heeft vertoefd, nadat zij met dien placeur te zamen (in een kamer, ingeschreven als man en vrouw) den nacht in een groot hotel alhier had doorgebracht om daarna via Berlijn naar Riga te reizen, waar zij in een bordeel van eene Oostenrijksche vrouw, Rabuchin, zou worden geplaatst. Deze laatste vrouw werd in het bordeel van hare landgenoote aangehouden en door bemoeiingen mijner administratie de placeur met het minderjarige meisje gearresteerd, terwijl de Oostenrijksche bordeelhoudster bij terugkomst te Rotterdam werd aangehouden. Zij werd aan de Belgische justitie uitgeleverd evenals de bordeelhoudster van Riga en beide vrouwen werden tot vele jaren tuchthuis veroordeeld te Brussel, terwijl het bordeel werd opgedoekt. De Oostenrijksche bordeelhoudster, destijds hier gevestigd heette Anna Tabatz, hare collega uit Riga Alexandrina Rabuchin.

1Hetgeen hier in dit hoofdstuk volgt, zal aan den eventueelen lezer wellicht de opmerking ontlokken, dat het in hoofdzaak bevat feiten van algemeene bekendheid. Dit geef ik gaarne toe. In welken moreelen en physieken toestand de prostituée en vooral de bordeel-prostituée zich bevindt mag van algemeene bekendheid verondersteld worden. Doch ter wille der volledigheid mocht ik niet nalaten toch nog een en ander duidelijk aan te geven. En de systematische wijze, waarop dit geschied is, toont den lezer aan, dat het niet zoozeer mijn doel was beschrijving van de positie der prostituée, als wel aanduiding van de meer of mindere mate, waarin de gezegde rechtsbelangen gekrenkt worden, indien het bewuste oogmerk bereikt wordt.

2Zie de onthullingen van de Pall Mall Gazette over de Belgische politie. Zie verschillende rapporten op het Pén. Congres ’95.

3Op enkele uitzonderingen na zijn de door mij hierboven aangehaalde gevallen te vinden in hetBulletin Continental. Al mag verwacht worden, dat organen van vereenigingen, die zich met zgn.Prinzipienreitereibezig houden, zich wel eens aan overdrijving zullen schuldig maken, zoo zal meestal toch de kern waarheid zijn. HetBulletin Continentalboezemt mij evenwel vooral door zijnbezadigdheiden verder door het nauwkeurig aangeven der gevallen, vertrouwen in. De Heer Yves Guyot doorspekt zijn geheele verslag op ’t Pénitentiair Congres (Parijs) van 1895 met citaten uit dit maandelijks verschijnend blad. Ik achtte het echter mijn plicht een greep uit de door mij aangehaalde gevallen te doen en de meer of mindere waarheid daarvan te controleeren. Ik heb het laatst genoemd geval genomen en den Hoofdcommissaris van Politie te Rotterdam verzocht mij te willen melden, of het feit naar waarheid geschetst was. Ter contrôle citeer ik het daartoe betrekking hebbend deel uit diens antwoord.

»In Maart 1895 heeft een Belgische placeur in een bordeel alhier, gehouden door eene Oostenrijksche vrouw, een Belgisch meisje van 17 jaren gebracht, ’t welk daar slechts eenige uren heeft vertoefd, nadat zij met dien placeur te zamen (in een kamer, ingeschreven als man en vrouw) den nacht in een groot hotel alhier had doorgebracht om daarna via Berlijn naar Riga te reizen, waar zij in een bordeel van eene Oostenrijksche vrouw, Rabuchin, zou worden geplaatst. Deze laatste vrouw werd in het bordeel van hare landgenoote aangehouden en door bemoeiingen mijner administratie de placeur met het minderjarige meisje gearresteerd, terwijl de Oostenrijksche bordeelhoudster bij terugkomst te Rotterdam werd aangehouden. Zij werd aan de Belgische justitie uitgeleverd evenals de bordeelhoudster van Riga en beide vrouwen werden tot vele jaren tuchthuis veroordeeld te Brussel, terwijl het bordeel werd opgedoekt. De Oostenrijksche bordeelhoudster, destijds hier gevestigd heette Anna Tabatz, hare collega uit Riga Alexandrina Rabuchin.


Back to IndexNext