Bananenfeest op het eiland Tanna.Bananenfeest op het eiland Tanna.
Bananenfeest op het eiland Tanna.
Bananenfeest op het eiland Tanna.
Na Wassissi te hebben verlaten, voeren wij langs de noordelijke helft der oostkust van Tanna en om kaap Lamtahim heen, die bewoond werd door een onrustigen stam; wij hadden het voornemen, op de westkust het anker te laten vallen bij Sangalli. De invloed van den vulkaan is in dit deel van het eiland minder merkbaar; men bespeurt nog in de verte de wolk van rook, die Tanna steeds bedekt houdt en in niet onbelangrijke mate de meteorologische toestanden er wijzigt; alle voorspellingen der zeelui omtrent het te verwachten weder brengt die rook in de war. Maar het stof, dat uit de opening naar buiten komt, vliegt niet tot deze plek en verbrandt er de planten niet, terwijl de plantengroei er inderdaad vrij weelderig is en den top der heuvels zelfs bedekt.
Aan deze kust waren niet veel menschen; men moet tot aan het Zwarte Strand gaan op de westkust, om eenigszins belangrijke volksstammen te ontmoeten. Ik ging hier aan wal op den oever van een rivier, waar zoet water in overvloed te krijgen was; de gelegenheid was gunstig, om een uitstapje in het binnenland te doen. Een kronkelend pad volgend, dat door den regen van de voorafgaande dagen glibberig was geworden, ging ik door een dicht bosch, waar geen zonnestraal doordrong; de grond was er zeer vruchtbaar en humus was er in een laag van aanmerkelijke diepte afgezet. In een meer of minder ver verwijderde toekomst zal dit plekje een geschikt punt van uitgang zijn voor een proef met een landbouwkolonie; de uitstekende ankerplaats, de betrekkelijke gezondheid van de plaats, het goede rivierwater, dat men er heeft, en eindelijk de rijkdom van het land, al die omstandigheden zijn bij uitstek gunstig voor het welslagen van een europeesche kolonie.
Weldra naderden wij Sangalli, waar wij eenige dagen dachten te blijven. De ankerplaats was er niet uitstekend; van het dek van ons schip konden wij de overblijfselen zien van de engelsche stoombootFijian, die in 1887 schipbreuk heeft geleden; de passagiers hebben zich kunnen redden, maar het schip was geheel verloren en de lading werd door de inboorlingen geplunderd. Onze reeder verschaft zich er tegen lage prijzen voorwerpen van europeesch maaksel, als messen, couverts, groote en kleine lantaarns en allerlei levensmiddelen.
Zoodra deLady Saint Aubynhet anker had uitgeworpen, zagen wij het hoofd Gemmy aankomen, wel bekend bij de kooplieden. Met een in flarden gescheurd hemd aan, zonder broek, met een pijp in den mond en op het hoofd een gibus, stapte hij aan boord, om ons zijn diensten aan te bieden tegen betaling. Het gezicht van een flesch jenever bracht een glimlach op zijn dikke lippen, en ’t ontvangen van een geweer zette zijn blijdschap de kroon op.
Wij hebben ons over zijn gedrag niet te beklagen gehad, en uit zijn stam konden wij enkele arbeiders tot meegaan bewegen. Maar hij had zich ons verblijf ten nutte weten te maken, en de herinnering aan onze goedgeefschheid zal lang levendig bij hem blijven. Zoolang wij daar bleven, werd hij aan onze tafel toegelaten, en hij trok er de aandacht, zoo niet door uitgezochte zindelijkheid, dan toch door een onverzadelijken eetlust en onleschbaren dorst. Hij zag ons met leedwezen vertrekken en gaf ons zelfs de plechtige belofte, schitterend wraak te zullen nemen op een van zijn buren, een aanzienlijk hoofd, Maki geheeten, wiens onverwachte aanval ons haastig tot vertrek had doen besluiten.
Ziehier, wat er gebeurd was. In den namiddag tegen 4 uur, terwijl een onzer walvischsloepen bezig was te recruteeren op de zuidwestkust van het eiland Tanna beneden Sangalli, had de andere sloep zich naar de noordwestkust begeven. Deze laatste was aan land gegaan juist op de plek, waar deFijianschipbreuk had geleden. Plotseling werden verscheiden geweerschoten gelost door de inboorlingen op het strand; een matroos kreeg een kogel in het linkerbeen, zoodat hij drie dagen later aan tetanus stierf. De boot keerde dadelijk naar boord terug, na eenige geweerschoten te hebben gewisseld met de aanvallers. Ik stelde een onderzoek in. Het hoofd van den vijandelijken stam beweerde, dat een vrouw uit zijn dorp was gevlucht en zich op ons schip had verborgen. Hij was in den morgen er geweest, om haar te zoeken, en toen hij haar niet had kunnen vinden, vertrok hij in de overtuiging, dat wij haar hadden verborgen.
Hij was weer naar den wal gegaan en had ons aangevallen, om zich te wreken over een roof, dien wij niet hadden gepleegd. Overigens werd deze kust altijd als hoogst gevaarlijk aangewezen; deNouméa, deTélégrapheen nog een schip uit Queensland hadden herhaaldelijk zich over de inboorlingen te beklagen.
Bij zulk een reis ter afsluiting van huurcontracten met inboorlingen is het voorzichtig, zoo gauw mogelijk te vertrekken, als dergelijke gevallen zich voordoen, want dat zijn slechte voorteekenen. Het schijnt, dat er dan dadelijk een teeken wordt gegeven, dat het geheele eiland over wordt verstaan en dat het consigne blijkt, om alle verkeer tusschen de vreemdelingen en den vasten wal te breken.
Wij maakten ons dadelijk zeilklaar en verlieten Tanna, na even Kwamera te hebben aangedaan in het Zuiden van het eiland. De inboorlingen zijn er rustig, en zijn bekeerd tot het protestantisme. Zij doen aan landbouw, dus konden wij er allerlei voorraad opdoen, oranjes en bananen, suikerriet en knollen.
Wij wendden ons naar het eiland Erromango, dat 35 mijlen ongeveer van Tanna was verwijderd. Een krachtige zuidoostenwind bracht ons weldra in het gezicht der westkust, en om elf uur ’s avonds voeren wij de Cooksbaai binnen, na om de Verraderskaap te zijn heengezeild, zoo genoemd door den beroemden engelschen zeevaarder, die er door de inboorlingen werd aangevallen. Wij bleven den geheelen nacht onder zeil; de baai is zeer weinig beschut en men kan er dus enkel bij windstilte landen, terwijl men ieder oogenblik gereed moet zijn, weer zee te kiezen.
Om zeven uur ’s morgens zette een boot ons in de buurt van het dorp aan land; die kust is nog al bevolkt en wij merkten drie stammen op, aan de baai gevestigd. Eertijds waren de bewoners zeer gevaarlijk en zonder op te klimmen tot den aanval, waaraan Cook indertijd blootstond, zou ik kunnenherinneren aan den zendeling Gordon, die er in 1869 gedood werd met knotsslagen, en nog korter geleden aan de bemanning van een engelsch schip, die er in 1875 vermoord en opgegeten werd.
Bij ons bezoek liepen vreemdelingen niet meer zooveel gevaar; de invloed van den zendeling, aan de oostkust gevestigd in de Dillonbaai, heeft zich tot hier doen gevoelen; hij heeft in de dorpen enkele scholen gesticht, en de onderwijzers brengen den inboorlingen beschavingsdenkbeelden bij. Wij kunnen dus onbevreesd aan land gaan en met hen betrekkingen aanknoopen.
Wij kwamen op een Zondag in de Cooksbaai; de inboorlingen, al half bekeerd, hadden hun mooiste kleederen aangetrokken; mannen en vrouwen hadden de nationale kleeding, bestaande uit een lapje of gordel van pandanenbladeren, vaarwel gezegd. Nu dragen beide seksen hemden en broeken, en de jonge dames van Erromango zijn hoogelijk ingenomen met gekleurde jurken, hoeden met veêren en zelfs met het corset. Ik geloof, dat de winkels van Nouméa hier al hun overtolligheden slijten. Zoo dan al het schaamtegevoel bij deze transformatie der zeden heeft gewonnen, in schilderachtigheid zijn die menschen er niet op vooruitgegaan. De originaliteit dezer eilanden gaat langzamerhand te niet, en weldra zal de beschaving den eigenaardigen stempel hebben doen verdwijnen, die hen nog onder de aandacht deed vallen.
Onze werving had er niet veel succes; een enkele inboorling wilde meegaan naar Nouméa; maar hij vroeg, of het schip voor anker wilde blijven liggen, want hij kon geen contract sluiten op Zondag; hij mocht geen betaling aannemen op een dag, die geheel en al moet zijn gewijd aan overdenking en godsdienstoefening.
Weldra verlieten wij deze streken, die reeds al te beschaafd waren, en in de richting van de Dillonbaai varend, volgden wij de noordkust van het eiland en een gedeelte van de westkust.
Erromango zag er meer begroeid uit dan Tanna, het eiland is boschrijker en niet zoo vulkanisch en bergachtig als het andere, er zijn wel enkele heuvels in het binnenland; maar men heeft er ook vlakten waar aan veeteelt zou kunnen worden gedaan. Daarbij is het eiland goed besproeid, en de kust is gemakkelijk toegankelijk.
Als men bij de Dillonbaai komt, ontdekt men aan den oever der rivier de prachtige installatie van den protestantschen zendeling R., die sedert 1872 op het eiland woont; in de buurt is een kerk gebouwd, waar men op een houten bord kan lezen, welke feiten Engelands aandacht op dit eiland hebben gevestigd en het zoo bekend hebben gemaakt. Sedert 1839 zijn vijf anglicaansche zendelingen gedood door inboorlingen uit Erromango.
Langen tijd ging dit eiland door voor het gevaarlijkste van de groep der Nieuwe Hebriden. De Kanaken werden voorgesteld als de bloeddorstigste en gevaarlijkste wilden uit den geheelen archipel. Vijftig jaren geleden ongeveer kwamen op Erromango veel Europeanen; in de Dillonbaai kan men nog de overblijfselen vinden van eene belangrijke vestiging, bestemd voor de exploitatie van sandelhoutaanplantingen. Die werkte er van 1855 tot 1864, en van dien tijd dagteekent de vijandige gezindheid, bij de bewoners opgemerkt, waardoor niet alleen onder de zendelingen, maar ook onder de toevallig aankomende zeevaarders zooveel slachtoffers zijn gemaakt.
Inderdaad werpen de handelingen, door de houtinzamelaars volbracht, om arbeiders te krijgen, hun blijkbaar kwade trouw bij het sluiten van handelsovereenkomsten, de moord op veel inboorlingen voldoende licht op de daden van geweld, door de inboorlingen begaan, en op de weerwraak, door hen genomen op onschuldigen, met hun leven boetend voor de misdaden van anderen.
Aan boord van ons schip luisterde ik naar de mededeelingen van onzen werver F., die vroeger ambtenaar was in een exploitatiezaak van sandelhout, en hij zei tot mij: “Als dit eiland Erromango spreken kon, zou het dingen kunnen vertellen, die iemand de haren zouden doen te berge rijzen”.
Het scheen mij toe, dat de bevolking er minder dicht was dan op Tanna; volgens ter plaatse ingewonnen inlichtingen heeft men er ongeveer 2500 inwoners, waarvan 1200 tot het Christendom bekeerd zijn en 1300 nog heidenen zouden wezen. Maar de vorderingen, die de zendeling R. maakt, zijn niet weg te cijferen, en langzamerhand dringt zijn invloed door tot in de afgelegenste gedeelten van het eiland. Zoo heeft hij drie-en-dertig kleine zendingsposten in ’t leven kunnen roepen, geleid door een dergelijk aantal vermaners, en toen ik er was, had hij reeds 150 kinderen gedoopt.
Ik hoop, dat deze pogingen tot het maken van proselieten volkomen slagen; zij zullen mogelijk de ontvolking van het eiland tegengaan, waar sinds dertig jaren het aantal bewoners van 3000 tot 2000 is gedaald. Ik heb kunnen waarnemen, dat de inboorlingen van Erromango minder forsch zijn dan die uit Tanna. Hun gestalte is kleiner, hun kleur donkerder; ze zijn magerder en hebben een minder gezond gestel dan hun buren; de wapens, die zij gebruiken, als bogen en pijlen en knotsen, zijn kleiner en geheel in overeenstemming met den tengerder lichaamsbouw, die bij alle bewoners valt op te merken.
Uit het oogpunt van het intellect, komt dit ras mij het minst ontwikkeld voor van die, welke ik nog in den archipel heb ontmoet. De inboorlingen beoefenen in ’t geheel geen industrie, en hun verstand is niet ontwikkeld. Men bemerkt, dat zij den invloed niet hebben ondervonden van de Polynesiërs, die op de andere eilanden de autochthone bevolking hebben opgeheven, haar nieuw bloed hebben bijgebracht en haar in alle opzichten hebben vooruitgeholpen. De Kanaak uit Erromango is nog de zuivere Negrito of wel de Papoea, die nog in niets is veranderd, die vrij gebleven is van elken vreemden invloed en een der laagst staande rassen vormt van de groote menschenfamilie.
De gezondheid van ’t klimaat op het eiland is verschillend op de oost- en de westkust; de Cooksbaai lijkt gezond en wel geschikt voor eene europeesche vestiging; maar daarentegen hebben mijn tochten in en om de Dillonbaai mij overtuigd van de ongunstige ligging dier plaats. Het dal is vruchtbaar, en de rivier brengt zoet water aan in overvloed, maar miasmen worden ontwikkeld op de moerassigeoevers der rivier, en de baai ligt te zeer beschut voor de heerschende zuidoostenwinden. Het verbaasde mij niet, dat de heer R. en zijn gezin ziek waren tijdens ons bezoek en zich genoodzaakt hadden gezien, tot herstel van gezondheid de australische koloniën op te zoeken.
Van Erromango voeren wij naar het Noordwesten en stevenden naar het eiland Vaté of Sandwich, waarvan wij ongeveer 70 mijlen verwijderd waren. Het deed mij genoegen, dit eiland nogmaals aan te doen; vier jaren geleden was ik er een half jaar gestationneerd geweest met nog een luitenant en vijftig soldaten. Dat was in den tijd, toen Frankrijk den archipel in bezit had genomen en posten had gevestigd te Vaté en te Mallicolo. Maar het verzet van Engeland en van de presbyteriaansche zendelingen leidden tot de ontruiming van het land door onze troepen, en ik had met leedwezen moeten aanzien, hoe onze driekleur er was verdwenen.
Twee dagen, nadat wij Erromango hadden verlaten, verkenden wij het Sandwicheiland. Cook beschouwde het als de parel van de groep der Nieuwe Hebriden en het verdient dien naam, terwijl de beschrijving, die hij ervan geeft, zich niet aan overdrijving schuldig maakt. Dit is het voor den landbouw ’t best geschikte eiland; men vindt er breede, goed besproeide dalen, waar de grond verrassend rijk en vruchtbaar is; de heuvels dragen niet veel bosschen, maar er zijn weidenrijke plateaux, en op veel plaatsen wacht de grond er maar op, in cultuur te worden gebracht, om de overvloedigste oogsten te leveren. De kolonist behoeft hier geen voorbereidenden arbeid te doen, hij vindt een ontgonnen terrein en dadelijk na zijn aankomst kan hij er maïs en koffie gaan planten. De noordwestkust is rijk aan zeer goede, veilige havens; alleen voor de oostkust ligt een gevaarlijke klip, maar die is best te vermijden.
De reede van Franceville of Port-Vila.De reede van Franceville of Port-Vila.
De reede van Franceville of Port-Vila.
De reede van Franceville of Port-Vila.
Wij voeren de Pangobaai binnen en zouden bij Port Vila voor anker gaan, een haven, zoo ruim, dat er wel een vloot in geborgen kon worden. Het is ’t belangrijkste punt van de groep der Nieuwe Hebriden, bestemd voor eene groote toekomst, en nu reeds neemt het een eerste plaats in, wat handel en landbouw betreft.
Port-Vila is dan ook de hoofdstad der Nieuwe-Hebriden, centrum van de kleine, fransche kolonie, die de natuurlijke schatten van den grond exploiteert en deze eilanden, die zoo rijk en productief zijn, voor Frankrijk wil trachten te winnen. De naam Franceville, die der plaats ook wel wordt gegeven, herinnert aan het moederland en aan de gevoelens, die onze landgenooten koesteren voor Frankrijk, waarvan zij door 6000 à 7000 mijlen land en zee gescheiden zijn.
Ondanks hunne grootere getalsterkte zijn de inboorlingen als verloren onder de blanken, die Port-Vila bewonen; zij zijn voor ’t grootste deel verwezen naar de twee eilanden Vila en Mélé, die wij tijdens ons verblijf alhier nog willen bezoeken.
Vijftig Europeanen ongeveer wonen te Franceville; zij behooren tot verschillende nationaliteiten; men ziet er Franschen, Zweden, Engelschen, Noren, Amerikanen en Duitschers. Allen doen aan landbouw en drijven handel.
Ons eerste bezoek gold den agent van deCompagnie Calédonienne, die te Anabroe woont. Die maatschappij, in 1882 opgericht, heeft veel grondgebied verworven in den Archipel; zij heeft kantoren ingesteld op de verschillende eilanden en houdt zich ernstig bezig met het stichten van landbouwkoloniën.
De vertegenwoordiger van de maatschappij, de heer A., stelde vriendelijk een paard te mijner beschikking, en zoo kon ik een prettig wandelritje doen door de aanplantingen; er gingen verscheiden uren met een rit over de plantages heen. Tegenwoordig zijn reeds 30000 H.A. in cultuur; 120000 koffieboomen geven een jaarlijksche opbrengst van 40 tonnen en 1000 kokospalmen zullen het volgend jaar voor ’t eerst vruchten leveren.
Residentswoning te Franceville op Vaté.Residentswoning te Franceville op Vaté.
Residentswoning te Franceville op Vaté.
Residentswoning te Franceville op Vaté.
Het was een waar genoegen, het binnenland van Vaté of het Sandwich-eiland in te gaan, dat vroeger geheel aan de inboorlingen was overgelaten en nu bijna uitsluitend door Europeanen is bezet, die de natuurlijke hulpbronnen er exploiteeren; daar zijn er onder hen, die zich met geduld en volharding een zoo niet schitterende, dan toch zeer dragelijke positie hebben veroverd.
Zoo kwamen wij te Freshwater, reden door bananenaanplantingen, die zeer winstgevend zullen zijn, zoodra de kolonisten de vruchten ter markt zullen kunnen brengen te Sydney en te Melbourne en dus met voordeel zullen kunnen wedijveren met de voortbrengers op de Fidsji-eilanden. Na de Freshwaterrivier te zijn overgegaan, bereikten wij het dorp Tagabé, door onze landgenooten bewoond. Zes jaren geleden ongeveer liet een fransche kolonisatie-maatschappij naar Port-Vila een groep kolonisten uitgaan, die lust hadden in landverhuizing en die elders eens hun fortuin wilden beproeven. Sommigen werden al gauw ontmoedigd en keerden naar het moederland terug; anderen, die zich niet lieten afschrikken door tegenspoed en inspanning, bleven en hebben ten laatste het welvarende dorp gesticht, dat er nu is verrezen.
Elk van hen heeft een kleine bezitting, waarop hij een huisje heeft gebouwd met bijgebouwtjes voor varkens en kippen; enkele woningen waren artistiek versierd; er was een engelsche tuin aangelegd met nette paden, grasvelden en keur van bloemperken.
Allen leefden van de opbrengst van hun land; hun koffieaanplantingen, en de bouw van bananen en maïs leverden hun een welstand, die hun in Frankrijk niet zou zijn te beurt gevallen; hun bestaan is vrij en onafhankelijk en kent geen dwang van conventie of mode, waardoor in Europa zooveel individueel initiatief wordt tegengehouden.
Ik kwam te Franceville terug en begaf mij naar de woning van den ouden maire dier plaats, den heer C. De blanken te Port-Vila vormen inderdaad een afzonderlijke groep, met een burgemeester en verdere ambtenaren, die de aangelegenheden van openbaar belang behartigen; de quaesties omtrent de wegen, de reiniging, de haven worden bestudeerd, en binnen korten tijd zal men goede rijwegen te Port-Vila hebben, leidend naar andere centra van kolonisatie.
Er is zelfs sprake van, een weg te leggen naar den anderen kant van het eiland, naar Port-Havannah, en het zal een weg zijn voor allerlei vervoermiddelen geschikt. Zoo vertelt mij de heer C., dien ik reeds had leeren kennen op een vorige reis. Hij noodigde mij uit, zijn bezitting te gaan zien, die in de laatste jaren aanmerkelijk was vergroot, en stelde mij voor, den volgenden dag met hem een uitstapje naar het inlandsche dorp Mélé te maken. Ik nam het aanbod gretig aan, was precies op tijd op de afgesproken plaats, namelijk om zes uur ’s morgens voor den winkel van de Maatschappij der Nieuwe-Hebriden.
Wij deden den tocht te paard. Port-Vila is het eenige punt op de Hebriden, waar men van die beweegkracht gebruik kan maken; er zijn sinds eenige jaren paarden ingevoerd van het eiland Norfolk. Zij bewijzen er groote diensten, want nu kunnen de kolonisten te paard hunne uitgebreide plantages bezoeken. Bij ’t verlaten van Port-Vila kwamen wij in een bosch, waarvan de dichte boomen den mooien weg, die naar het dorp Mélé leidde, heerlijk tegen de brandende zonnestralen beschutten.
Na een half uur verlieten wij het bosch en kwamen uit vlak bij de Pangobaai, waar rustig ons schip, deLady Saint Aubynlag. Wij volgden het strand, en na nog een paar plantages te hebben bezichtigd van zweedsche families, die er reeds vijf-en-twintig jaren woonden, kwamen we bij een open ruimte, waar vijf- of zeshonderd inboorlingen schreeuwdenen gesticuleerden en zich aan allerlei lichaamsverdraaiingen te buiten gingen.
Dat waren de bewoners van het dorp Mélé, die door hun dansen den aardknollenoogst vierden. In rood en in wit katoen gekleed, met veêren in het haar en een rood en zwart beschilderd gezicht, ieder met een knots en een paar messen gewapend, stonden ze in vier of vijf gelederen en kwamen al zingend naar voren, met de voeten trappend op de maat van inlandsche trommels.
Hun muziekinstrumenten zijn allermerkwaardigst; ’t zijn holle boomstronken, vastgezet in den grond, met gaten er in geboord, die onderling verbonden zijn door verticale spleten; van boven zijn ze versierd met allerlei snijwerk, dat een voorstelling geeft van vogels en andere dieren, schepen enz. Door op die trommels te slaan met stevige stokken, weten ze vrij afwisselende geluiden in de maat voort te brengen.
Die dansen en die muziek zijn zeer gewild bij de inboorlingen der Nieuwe-Hebriden; bij elken stam zijn er, evenals in onze fransche dorpen, enkele jongelui, die den boel aan den gang maken en de feesten geanimeerd houden; zij zijn ongevoelig voor vermoeienis en warmte, en altijd gereed, om opnieuw te beginnen.
Alleen over dag houden zij zich met die genoegens bezig, en een uur na onze aankomst hielden de dansen op en de inboorlingen keerden naar hun hutten terug. De dansen werden telkens aangemoedigd door grijsaards, die op den grond zaten en nu en dan opstonden, om de vermoeiden te laten drinken en de drukst dansenden te complimenteeren.
Zij, die op het eiland Mélé zich met die dansen bezighielden, woonden niet op het hoofdeiland maar op een klein dor eilandje in de baai, waar bijna geen water en geen groen te vinden waren. Daar vertoeven zij en gaan alleen aan wal, om hun velden te bebouwen. Wat zou de oorsprong van dit gebruik zijn? Waarom hebben zij zich afgezonderd? Ik zou het niet kunnen zeggen, en ik denk, dat zij in vroeger tijden in strijd zijn geraakt met de naburige stammen en dat ze zich op het eilandje moesten verschuilen voor de aanvallen van hunne tegenstanders.
Wij volgden hen, en door een bootje overgebracht, gingen we bij hun woningen aan wal. De bevolking van het eiland Mélé schijnt nog niet spoedig te zullen uitsterven; wij werden omringd door kinderen van elken leeftijd, jongens en meisjes, die elkander duwden en stieten, om ons beter te zien. De kleine kinderen waren geheel naakt en betrekkelijk vrij zindelijk, als wij ze vergeleken met de bewoners van Tanna en vooral van Erromango. Overigens verschilt dit ras van dat der andere eilanden, zoodat ik er wel toe geneigd ben, voor waar aan te nemen de traditie, die wil, dat Mélé bevolkt is geworden tachtig jaren geleden door een schip, dat van Nieuw-Zeeland kwam en schipbreuk leed in de Pangobaai. Hun physieke eigenschappen, hun taal en ook hun gewoonten herinneren sterk aan die der Polynesiërs.
Wij verlieten die eilandbewoners en kwamen op het groote eiland terug, waar wij onze paarden terugvonden, rustig grazend onder de hoede van een paar Kanaken. Een vlugge galop bracht ons in anderhalf uur naar Franceville terug.
Zoodra ik aan boord was, maakte ons schip zich voor het vertrek gereed, nadat wij afscheid hadden genomen van de beminnelijke kolonisten van Port-Vila, en deLady Saint Aubynzette koers naar Port-Havannah, de belangrijkste plaats van het eiland Vaté na Port-Vila. Wij zeilden met moeite om de Duivelskaap heen, die de noordwestelijke begrenzing van de Pangobaai vormt; het was nog al een gevaarlijk punt vanwege een klip, die ver in zee vooruitstak. Op die klip was kort te voren een schip van de Nieuw-Hebridische Compagnie vergaan.
We voeren voorbij kaap Tu-ku-tu, bewoond door een fransche familie, die een landbouwkolonie bestuurt; koffieboomen en kokospalmen en bananen waren in de laatste jaren daar aangeplant, zoodat die bezitting een der belangrijkste van de Nieuwe-Hebriden belooft te zullen worden. Het is een doel voor uitstapjes van toeristen uit Port-Havannah, die zeker zijn, door den heer H. goed te worden ontvangen.
Uit wat ik hier heb meegedeeld, kan de lezer wel afleiden, dat een reis naar het eiland Vaté niet lastig of moeilijk is; de Europeanen, die er wonen, zijn blij, eens gastvrijheid te kunnen bewijzen aan iemand, die hun een bezoek brengt. De inboorlingen zijn er zachtzinnig en vreedzaam en beschouwen de Europeanen volstrekt niet met een wantrouwend oog. Ongelukkig kan deze beschrijving alleen voor het eiland Vaté gelden. Op de andere eilanden der groep, bij voorbeeld op Tanna en Erromango, ontmoetten wij slechts wilde, gevaarlijke inboorlingen, en men moet dan uiterst voorzichtig zijn bij de betrekkingen, die men wel genoodzaakt is met hen aan te knoopen, want elk oogenblik kan er een moeilijkheid ontstaan, die den reiziger herinnert aan de waarheid, dat deze archipel, dien hij bezoekt, gelegen is aan den anderen kant van de beschaafde wereld.
Zoodra men Tu-ku-tu voorbij is, bemerkt men het eiland, dat het Hoedeiland wordt genoemd naar den vorm, dien het met zijn laag gebergte vertoont, of dat ook wel het Entrée-eiland heet, omdat het den weg aangeeft, welken men heeft te volgen naar Port-Havannah,
Wij voeren de Zuiderstraat of de Groote Straat binnen, en na enkele oogenblikken bemerkten wij aan het kalme water en den getemperden wind, dat we in een goed beschutte haven waren binnengekomen. Port-Havannah was nog niet duidelijk te zien. Wij ontdekten de eilanden Déception en Protection, die aan alle zijden de haven omsluiten, maar de huizen der kolonisten en hun winkels waren nog niet te zien. Die gebouwen werden verborgen door de kaap, die Kaap van het Witte Zand heette. Daar woonde de engelsche presbyteriaansche zendeling Mac., wiens geest zoo weinig evangelisch is gestemd en die een zoo krachtigen haat tegen Frankrijk koestert.
Wij lieten aan stuurboord die kaap liggen, waar de engelsche vlag boven wapperde, en bemerkten weldra de eerste huizen van Port-Havannah. Wij ankerden tegenover de magazijnen van de Caledonische Maatschappij. Ik zag deze plaats met genoegen terug, waar ik zes maanden van mijn leven had gesleten met dappere soldaten, die door moeraskoortsen gekweld werden, maar die trotsch waren, het eerst de driekleur op deze eilanden te hebben geplant.
Onze nationale vlag heeft er echter slechts eenige maanden gewapperd; zij heeft zich moeten terugtrekkenvoor britsche aanmatiging, en wij hebben het moeten bijwonen, dat de huizen verwoest werden, waar onze matrozen hadden verblijf gehouden. Nu zag ik er geen spoor meer van.
De groote vlakte, waar Port-Havannah was gelegen, zag er niet meer zoo druk en levendig uit als vroeger; de belangrijkheid van het punt was sterk verminderd in de laatste jaren, en de handels- en landbouwinrichtingen zijn nu alle geconcentreerd te Port-Vila.
Toch scheen deze haven eens een groote toekomst te gemoet te gaan. De reede is veilig; de vlakte wordt bespoeld door twee rivieren, die zoet water van uitstekende hoedanigheid leveren; er zijn weiden, die voldoende voedsel geven voor de honderd-vijftig stuks vee, welke er grazen onder de hoede van eenige inboorlingen.
Ik ontmoette te Port-Havannah mijn ouden vriend Mackintosh, hoofd van het Déception-eiland; hij vertelde mij eenige van zijn gouvernementeele rampen. Hij stond oudtijds aan het hoofd van een belangrijken stam, waarover hij een volstrekt en onbeperkt gezag uitoefende; sedert de engelsche zendeling is aangekomen, hebben zijn onderdanen hem langzamerhand in den steek gelaten en ze zijn gaan wonen in het dorp bij het huis van den heer Mac.
Wij konden niet hopen, veel contracten te sluiten met de inboorlingen van Vaté; ze zijn tot het Christendom bekeerd en wel tot de denkbeelden der presbyteriaansche zendelingen; die laatsten beletten hen het landverhuizen en houden het op alle manieren tegen, dat de jonge lieden van daar gaan. Zij vreezen, dat het reizen hen onafhankelijker zal maken en den invloed zal verkleinen van de predikers der christelijke leer. Alleen de bewoners van Lélépa op het Protection-eiland bleven ongevoelig voor de vermaningen van den anglicaanschen zendeling en behielden ondanks alles het geloof hunner voorouders.
Het werk der zendelingen, de invloed der Europeanen en de herhaalde aanraking der inboorlingen met de blanken hebben het moreele en intellectueele peil der bewoners van het Sandwich-eiland doen stijgen. Hun materieele leven is er niet weinig op vooruitgegaan en hun maatschappelijke verhoudingen zijn tevens verbeterd. Toch zien wij hier, evenals op Nieuw-Caledonië, een geleidelijke vermindering van het ras der Kanaken; stammen, die ik in 1887 had ontmoet, bestonden niet meer, en het blijkt maar al te duidelijk, dat deze Zuidzeevolken onvermijdelijk ten ondergang zijn gedoemd. In acht-en-twintig jaren is het bevolkingscijfer van 8000 op 3500 gedaald.
Mijn bezoek bij het hoofd Mackintosh van het Déception-eiland heeft mij in die meening niet weinig versterkt; die vervallen grootheid bracht mij naar de plek, waar zijn stam had gewoond, op den top van den hoogsten heuvel van het eiland. Wij kwamen er langs een lastig voetpad, dat naar een nu verlaten dorp geleidde, waar vroeger een volkrijke vestiging was. We zagen er een twintigtal verlaten en in puin vallende hutten. Een enkel huis had weerstand geboden aan den tijd, en merkwaardig genoeg was dat juist het huis, dat het meest iemand moest interesseeren, begeerig om de zeden der inboorlingen te leeren kennen, nu die zeden en gewoonten langzaam, maar zeker, te loor gaan bij de aanraking met de blanken.
In dit huis toch hadden vroeger de tooneelen plaats, die dit eiland om zijn kannibalisme zoo berucht maakten. Mackintosh diende mij tot gids en wees mij op de balken, die het dak steunden. Zij waren gebeeldhouwd aan hun uiteinde en vertoonden de vormen van vogels, bijlen, messen en andere figuren. Het hoofd vertelde mij, dat aan elk dier figuren de herinnering aan een kannibalenfeest verbonden was.
Sedert de komst der Europeanen zijn die treurige gewoonten geheel verdwenen; maar ik zou bijna durven beweren, dat Mackintosh, zoo afkeerig van vreemden invloed, dien goeden, ouden tijd betreurt en met genoegen den tijd zou zien terugkeeren, toen zijne onderdanen nog niet hun culinaire gewoonten hadden veranderd.
In 1872 werd op het eiland Hinchinbrock, niet ver van het Sandwicheiland, nog een Maleier gedood en opgegeten.
Wij verlieten het Déceptioneiland, om den Lélé-Pastam te bezoeken, die op de zuidelijke punt van het Protectioneiland woont; wij zagen er inboorlingen, die wenschten scheep te gaan bij ons, om het werk van matrozen te verrichten; het zeemansleven behaagde hun zeer, maar zij weigerden hun land te verlaten, om bij den landbouw of bij het werk in de mijnen te worden gebruikt. Men ziet er dus niet velen in Australië of Nieuw-Caledonië.
Zij hebben hun plantages op het Sandwicheiland tegenover het Protectioneiland en drijven handel in aardvruchten met de kolonisten van Port-Vila en Port-Havannah; wij kochten er eenige matten en armbanden van hout en schelpen. De kleeding der bewoners bestond slechts uit een gordel van pandanusbladeren; als versiering droegen ze een varkenstand, met een touwtje om den hals vastgebonden, of ook wel een oesterschelp.
Zij leefden in vrede met de naburige stammen, stonden ons met genoegen de wapens af, die hun voorvaderen hadden gebruikt en verkochten ons een voorraad messen en pijlen met in het vuur geharde punten.
Gedurende onzen terugkeer naar Port-Havannah bezochten wij het Rahni-station. Het was vroeger een belangrijke bezitting, waar veel koffie en maïs werd verbouwd; er waren vruchtboomen geplant en ondanks verwaarloozing gaven ze nog heerlijke vruchten. Het Sandwicheiland is inderdaad in ’t bijzonder bedeeld met natuurschoon, en de grond brengt er mildelijk allerlei tropische producten voort.
Er zou niet veel inspanning worden vereischt, om aan Rahni zijn oorspronkelijken bloei terug te bezorgen; de grond is ontgonnen en men zou zonder veel moeite het huis, dat nu vervallen is, kunnen herstellen; een gezin van jonge, werkkrachtige menschen zou er zich kunnen vestigen en er een landbouwkolonie stichten. Men zou dan het eerste pionierswerk niet meer behoeven te doen, dat het budget van den kolonist vaak al te zeer drukt en geen onmiddellijk voordeel aanbrengt.
Wij gingen de woning van den engelschen zendeling voorbij en bespeurden weldra het huis, dat ik in 1887 bewoonde en dat langen tijd het eenige bewoonde verblijf op het eiland Vaté was. Vroeger waren er geïnstalleerd geweest een familie uit Australië deze menschen wilden beproeven, er katoen en indigo te verbouwen.
Er werden groote werken uitgevoerd en zelfs werden met enorme kosten stoommachines overgebracht uit Sydney. Eenige jaren lang scheen het, of Port-Havannah eene groote toekomst te gemoet ging. Ongelukkig bleek het klimaat te ongezond, en de amerikaansche concurrentie maakte, dat er van de mooie plannen weinig terecht kwam; de onderneming liep op eene liquidatie uit.
Gastmaal van Franschen.Gastmaal van Franschen.
Gastmaal van Franschen.
Gastmaal van Franschen.
Wij zouden nog wel langer daar hebben willen blijven en een bezoek hebben willen brengen aan den heer G., die op de oostkust de eerste koffieaanplanting heeft aangelegd, niet enkel de eerste op Vaté, maar in den geheelen archipel. Zijn voorbeeld is gevolgd door de andere Europeanen, want spoedig leerden de planters inzien, dat die cultuur zeer winstgevend was vanwege de nabijheid der groote centra Sydney, Melbourne en Adelaïde. De verkoop der koffie is altijd verzekerd in die groote plaatsen en aan den anderen kant vereischt de koffie, als zij eenmaal geplant is, niets dan wat onderhoud en geeft reeds van het vierde jaar af een overvloedigen oogst.
Ons bezoek aan het Sandwicheiland was afgeloopen. Ik was er lang genoeg geweest, om mij te overtuigen van het gewicht, dat Franschen en Engelschen aan het bezit van het eiland hechten. Herhaalde malen was er sprake van een verdeeling van den archipel der Nieuwe-Hebriden tusschen de beide volken, maar altijd werd het eiland Vaté of het Sandwicheiland door beide mogendheden opgeëischt, waarbij Groot-Britannië zijn recht grondde op de aanwezigheid zijner zendelingen, Frankrijk op die zijner kolonisten.
Ik geloof geen onjuistheid te zeggen, als ik beweer, dat mijn landgenooten het meest er toe hebben bijgebracht, om de natuurlijke hulpbronnen van het eiland te ontginnen en dat zij drie vierden van het grondgebied in bezit hebben.
De fransche kolonie te Port-Vila.De fransche kolonie te Port-Vila.
De fransche kolonie te Port-Vila.
De fransche kolonie te Port-Vila.
De degelijke exploitatie van Vaté dateert pas van den dag, waarop de Nieuw-Caledonische maatschappij, te Nouméa opgericht, haren arbeid begon op de Nieuwe-Hebriden. De zending der kolonisten vanwege die Maatschappij heeft misschien niet al die resultaten opgeleverd, die men het recht had, er van te verwachten met het oog op de opofferingen, die men zich had getroost, maar alles is toch niet verloren moeite geweest, en enkelen van die uitgezonden kolonisten hebben zich tot een aardigen welstand opgewerkt.
Onze belangen dateeren dus van vóór die der Engelschen.
Port-Vila heeft, wat de beteekenis van den handel betreft, Port-Havannah vervangen, maar toch zal dit laatste punt in de toekomst altijd belangrijk zijn om de haven, die groote veiligheid aanbiedt en om de rivieren met zoet water, die men er in de buurt vindt. Of die rivieren ook later als beweegkracht te gebruiken zouden zijn, moet nog nader worden onderzocht.
Van Port-Havannah sloegen wij eene noordwestelijke richting in en verlieten de reede door den nauwen doorgang tusschen het Deception- en het Protectioneiland. Wij waren voornemens, het noordelijk deel van de groep der Nieuwe-Hebriden te bezoeken en stevenden naar het eiland Api. De zuidoostenwind blies voor ons in gunstige richting; deLady Saint Aubynlegde met gemak acht knoopen in het uur af, en 36 uren na ons vertrek uit Port-Havannah kregen wij het eiland Api in het gezicht. Gedurende dien korten overtocht konden wij op een afstand de eilanden der Twee Heuvels waarnemen, het Maï-eiland, waar drie stammen woonden, dieieder een eigen dialect spraken, en het eiland Muna. Er is daar niet veel te zien; de bevolking vermindert gestadig; de eilanden leveren zoo goed als niets op en ze zijn zoo klein, dat men hun ook geen betere toekomst mag voorspellen.
Wij lieten het anker vallen in de Diamantbaai, aan de zuidwestkust van Api; de engelsche bootHector, uit Maryborough in Queensland, lag in dezelfde baai voor anker; zij bracht een zeker aantal Kanaken van verschillende eilanden uit den archipel naar hun respectieve woonplaatsen terug. In deze baai moest het schip een inboorling en zijn vrouw afzetten, die drie jaar te voren aangenomen waren bij een stam in het binnenland; het paar had intusschen een baby veroverd, op engelschen grond geboren.
Alle drie gingen aan land, in hun mooiste spullen uitgedost; de man droeg een deftige jas uit een of ander australisch modemagazijn, hij droeg een horloge met vergulden ketting op een smetteloos wit vest; maar hij had bloote voeten. De vrouw liep onder een vuurroode parasol en zag er met haar kanten japon met sleep en strooken uit als een danseres uit een paardenspel, altijd met bloote voeten, wel te verstaan.
Inboorlingen van het eiland Paama.Inboorlingen van het eiland Paama.
Inboorlingen van het eiland Paama.
Inboorlingen van het eiland Paama.
Maar pas waren ze aan wal gegaan in hun geboorteland, of de inboorlingen aan de kust verzameld, maakten zich meester van hun koffers en deelden den inhoud onder elkander, en binnen eenige minuten waren de stumpers beroofd van de opbrengst van hun arbeid van drie jaren; de australische jas en de roode parasol wekten de begeerigheid op van het hoofd van den stam, die er zich krachtens het recht van den sterkste van meester maakte. Zóó is nu eenmaal de ontvangst, die de inboorlingen wacht, wanneer ze na kortere of langere afwezigheid in hun land terugkeeren. Wat zij hebben overgespaard in den vreemde en de waren, die zij meebrengen, worden aan de plundering van de landgenooten prijs gegeven. Behooren ze tot een stam uit het binnenland, dan moeten ze zich gelukkig achten, wanneer de inboorlingen van de zeekust hun het leven laten en hen rustig laten vertrekken naar hun geboorteland.
De tegenwoordigheid van deHectorwas hinderlijk voor onze wervingsbezigheid; wij maakten ons zeilreê, om bij kaap Foreland weer het anker te laten vallen in een door die kaap beschutte baai. Een klein zoetwaterstroompje liep er door een vruchtbaar dal, dat echter nog weinig bebouwd was; de bevolking is er echter vrij talrijk en drijft een drukken handel in kokosnoten met een handelaar uit Jersey, die sinds eenige jaren op het eiland woont; een engelsche zendeling woont er dichtbij en beproeft, maar met slechts matig succes, den inboorlingen zijne geloofsovertuiging bij te brengen.
Wij recruteerden een paar jongelingen en een kleinen jongen van een jaar of zes, die zijn vader en zijn moeder had verloren en opgedragen was aan de zorg van een oom. Deze kon hem niet langer te eten geven en wenschte hem te verhuren voor denarbeid te Nouméa. Het was een goed werk, dat aanbod aan te nemen, want het stond te vreezen, dat die oom, dien het verveelde den knaap te onderhouden, hem op een goeden dag een gewelddadigen dood zou doen sterven.
De kleine Kanakenjongen ging met genoegen mee; zijn vroolijk, intelligent gezichtje straalde van blijdschap, en ieder had plezier in hem. Onze reeder hield hem later bij zich en wilde er een jockey van maken, bestemd te schitteren op de nieuw-caledonische renbaan.
’s Nachts wist een onzer pas aangeworven arbeiders te ontsnappen; hij zwom naar den wal, maar was niet zoo beleefd geweest, ons het handgeld terug te geven. Er zal nauwlettender toezicht moeten worden gehouden, en de inboorlingen zullen bij zonsondergang in het tusschendek worden opgesloten.
Wij zeilden nu naar Pané op dezelfde kust; maar terstond bij aankomst zagen we aan het strand in den grond gestoken palen, taboes, die vrouwen en jongelieden moesten waarschuwen, niet mee te gaan met de schepen der fransche wervers. Ziehier, welke reden ons voor dat verbod of die waarschuwing werd opgegeven. Twee maanden te voren had een engelsch schipAlice and Maryveertig inboorlingen, tot den stam uit Pané behoorend, aangeworven. Het had schipbreuk geleden op de kust van Mallicolo, en de Kanaken waren verdronken. Nu mocht voor een vastgestelden tijd geen inboorling zijn dorp verlaten; zóó hadden het de toovenaars van den stam beslist.
Onmiddellijk zetten wij koers naar de Yémubaai tegenover het eilandje Lamenu; een vrij aardig huis werd zichtbaar aan de kust; het was de woning van een nieuw-caledonischen kleurling, die een belangrijke aanplanting van maïs en koffie had aangelegd. Hij gebruikte als arbeidskrachten Kanaken van de naburige eilanden. Zijn plantages lagen in een zeer vruchtbaar dal, besproeid door een rivier, die steeds voldoende water had.
Mijn tochtjes over het eiland in verschillende richtingen deden mij tot het besluit komen, dat het eiland Api het vruchtbaarste van den archipel was. De grond is er rijk; de humuslaag op den rotsgrond heeft eene aanmerkelijke dikte bereikt, en zoo is er een weelderige plantengroei ontstaan, en de rivieren zetten aan hun oevers een groote hoeveelheid slijk af, die nieuwe vruchtbaarheid brengt. Het eiland Api wordt goed besproeid en heeft vrijwat stroomende watertjes, want eveneens is het gesteld te Foreland, Pané, Yému; maar ongelukkig is er geen enkele haven, wel heeft men aan deze kust bruikbare ankerplaatsen.
De geheele bevolking van het eiland kan op 18.000 zielen worden geschat. Zij zijn tenger en klein, en velen van hen hadden wonden op het lichaam, die zij door bepaalde planten er op te leggen, trachten te genezen. Zij hebben den naam van erg wraakzuchtig te zijn en hebben zich berucht gemaakt door herhaalde aanvallen op Europeanen. Zoo is er bijna geen enkel punt op Api, waar men met vertrouwen kan landen, en men moet de grootste waakzaamheid in acht nemen. Vele nachten heb ik aan den wal geslapen, altijd met revolver en patronen binnen mijn bereik.
In de Yémubaai zag ik de inboorlingen op een dag vereenigd bij gelegenheid van een hunner feesten ofsinn-sinn. De mannen hadden om het middel een enkel touw, waaraan een koker van schors was bevestigd; enkelen van hen hadden het tot een wollen hemd of vest gebracht. De vrouwen uit het binnenland hadden niet anders aan of om, dan een gordel van bananenbladeren, maar die van de kust waren in een lap katoen gehuld.
Elke inboorling was gewapend met een knots of met een rond mes. Hoewel de bewoners van Api niet zoo beslist oorlogszuchtig zijn als die van Tanna, voeren ze dikwijls strijd tegen elkander. Het is dan een oorlog met hinderlagen; er worden diepe kuilen in den grond gegraven en een inboorling, door den hoofdman van den stam aangewezen, moet er in gaan liggen en den vijand afwachten, als hij voorbijgaat.
Hun instinct is tot menscheneten maar al te zeer geneigd, en als ze die kannabalistische> neiging kunnen bevredigen, gaan ze daarbij aldus te werk. Van een gevangene wordt de romp aan de jonge lieden afgestaan; de ingewanden zijn bestemd voor de varkens en de honden; de mannen krijgen de ledematen. Vrouwen mogen aan dergelijke barbaarsche maaltijden niet deelnemen.
Altijd gaan die maaltijden met feesten en dansen gepaard. Een koopman, die reeds lange jaren op Api woont, gaf mij een beschrijving van de dansen. Het costuum van het hoofd bestaat dan uit een groote bloem, in ieder oor gestoken, een veêr in de haren, een tak in den gordel, een laag verf op iedere wang en op het puntje van den neus. Hij houdt in zijn linkerhand een zeker aantal lansen vast en in de rechter zwaait hij een knots. Dan loopt hij rondom de inlandsche trommelslagers, en danst en springt, terwijl de muzikanten met behulp van twee stukken hout hun trommels slaan en een helsch rumoer maken.
De hoofden hebben veel autoriteit; het heet, dat zij alleen de kunst verstaan, de pijlpunten te vergiftigen.
Ons verblijf te Yému was nog al gunstig voor onze werving; we konden een tiental Kanaken recruteeren. DeLady Saint Aubynwendde zich daarna naar de westkust en wij voeren door de straat, die het eiland van Ambryn scheidt. Daar zagen wij een bezitting van een Europeaan, die kort te voren door de bewoners van het eiland Paama vermoord was geworden. Wij ankerden in de Groote Baai.
Onder de stammen van Mangliao, Apwe en Baap hoopten wij velen te werven; maar zoodra wij waren aangekomen, kwam er een boot van den wal, en de inboorlingen, die er in zaten, vertelden ons, dat sedert de komst van de onderwijzers of vermaners, door den zendeling van Foreland gezonden, de stammen van Mangliao en Apwe zich aan zijn gezag hadden onderworpen. Dus hadden ze besloten, geen verbintenissen naar buiten meer aan te gaan, en men gaf ons den raad, zoodra mogelijk den terugtocht te aanvaarden. Toch bleven wij een paar dagen, en het gelukte ons, drie inboorlingen mee te krijgen, afkomstig uit het dorp Baap.
De Groote Baai van Api zou gunstig gelegen zijn voor eene europeesche vestiging; er is een zeer mooie plantengroei; de bosschen hebben veel bruikbaar hout, en de Kanaken hebben reeds goede bananenaanplantingen aangelegd. Wat het klimaat en degezondheid betreft, deze verschillen naarmate men aan de eene of aan de andere kust van het eiland is. De noordkust en de noordwestkust, blootgesteld aan de uit zee komende winden, schijnen in een uitstekende conditie te verkeeren; maar de zuidkust en die in het Zuidwesten, die de luchtstroomen opvangen, nadat deze gestreken zijn over Paama, Lopévi, May, Tongoa, Shepherd, zouden voor een Europeaan, die er langen tijd moest vertoeven, allerverderfelijkst kunnen worden. Dit is echter slechts mijn persoonlijk gevoelen; de ervaring kan later misschien tot een ander oordeel leiden.
Ons bezoek aan Api was afgeloopen. Wij zouden nu het eiland Paama aandoen en voeren voorbij het eilandje Lopévi, waarvan de suikerbroodvorm zeer opmerkelijk was. Het is van vulkanischen oorsprong en bereikt wel een hoogte van 1650 M.
Van tijd tot tijd kwam er uit den top van den berg rook; maar wij konden in ’t voorbijgaan de omtrekken verder niet nauwkeurig onderscheiden. Het bestaan van dien vulkaan bevestigt een vrij zonderlinge opmerking, die in dit deel van Oceanië is gemaakt, namelijk dat de werkzame vulkanen in een lijn zouden liggen, die, van Tanna uitgaande, een noordwestelijke richting zou inslaan en zich dan zou aansluiten bij Lopévi en Ambrym op de Nieuwe-Hebriden, bij de zwavelbronnen van Vanua-Lava en de kraters van Urépara-pasa en Tinakula op de Bankseilanden. Die lijn zou eene lengte hebben van een duizendtal K.M. ongeveer.
Het oude vulkanische karakter van Lopévi verklaart de weinige vruchtbaarheid van het eilandje; er wonen niet veel menschen. Tachtig à honderd inboorlingen verbouwen een en ander op een kleine landtong in ’t Noordwesten. Zij onderhouden geregelde betrekkingen met de Kanaken van het eiland Api, wier taal zij spreken.
We hadden niet veel tijd noodig, om de westkust van Paama te bereiken en het anker te Liro uit te werpen, een eiland, dat 10 K.M. lang en ongeveer 4 K.M. breed is. Het is dus niet zeer groot, maar wel is het dicht bevolkt; na enkele oogenblikken was het dek van ons schip overstroomd door een massa luidruchtige Kanaken, blij, dat ze ons hun producten konden verkoopen in ruil voor tabak, pijpen en lucifers. Die beleefdheid, ons zoo spoedig te bezoeken, voorspelde wat goeds; zij verdreef onze achterdocht ten opzichte van deze inboorlingen, die in den ganschen archipel geen al te besten naam hebben. Sedert langen tijd kon geen schip Paama naderen, of het werd met geweerschoten ontvangen. Het zou mij misschien gemakkelijk vallen, een verklaring voor die vijandige gezindheid te vinden in het volgende feit. Een tiental jaren geleden beproefden bewoners van het eiland, die met geweld waren aangeworven, hun vrijheid terug te krijgen aan boord van het schip, dat hen meevoerde naar Australië. De bemanning sloot hen toen op in het ruim en doodde hen allen; “ze werden als ratten vermoord”, zei bij gelegenheid van de rechtzaak de advocaat-generaal van Nieuw Zuid-Wales.
Het verbaast mij dus niet, dat er herhaaldelijk aanvallen zijn gedaan door de Kanaken op Europeanen en dat zij zich krachtig verzetten tegen een vaste vestiging van vreemdelingen op hun eiland; oorlogsschepen hebben de dorpen daarbij wel eens gebombardeerd, en bij mijn bezoek heb ik voor een pak tabak een bom kunnen koopen, die afgeschoten was door het fransche adviesjachtD’Estrées. Van eenMan oui oui, zei de inboorling, die het voorwerp mij bracht. Wij, Franschen, worden namelijk door de bewoners van de Nieuwe-Hebriden als deMan oui ouiaangeduid, en zoo werd mij bekend gemaakt, dat een fransch schip het schot had gelost.
Wij voeren vlug om het eiland heen en bleven op onze hoede, want ieder inboorling is gewapend met zijn Snidersgeweer en zou niet aarzelen, ons een poets te bakken, als onze waakzaamheid ook maar even verflauwde.
Het land was goed bebouwd; aanplantingen liepen tot aan de zee voort, en men zamelde er in grooten getale de vruchten van den broodboom in. Al is er dus een dichte bevolking, gebrek wordt er niet geleden, en deze inboorlingen zijn forsch en krachtig. Het is waarschijnlijk, dat men hier niet veel sympathie zal hebben voor de vreemde koloniën. Geen der inboorlingen wilde tot landverhuizing besluiten; allen bleven bestand tegen de velerlei aanlokking, hun door ons voorgehouden, als ze te Nouméa wilden komen werken.
Wij verlieten het eiland Paama om zeven uur ’s morgens. Terwijl ons schip onder zeil bleef, trachtten de kleine booten de oostkust van Ambrym te naderen bij den stam Pemedial, maar de toestand der zee belette het aan wal gaan; daarbij was de kust steil, en onder den invloed van de heftig blazende zuidoostenwinden sloegen de golven met kracht tegen de loodrechte rotsen. Het was nutteloos, een poging te wagen, om met het land gemeenschap te onderhouden. Wij voeren langs de zuidkust en ankerden daar tegenover het station van Dick A.
Dat personnage is een Engelschman, die al lange jaren in den archipel woont en alle eilanden bereisd heeft. Hij kent uitstekend de havens der Nieuwe-Hebriden en ook die der Salomonseilanden. Daar het ons plan was, aan die laatste groep een bezoek te brengen, was onze kapitein er op gesteld, aan boord van deLady Saint Aubyniemand te hebben, die ervaring had van de streek en ons van goeden raad kon dienen. Hij vond dien in den persoon van Dick A., die snel zijn bagage inpakte en met zijn trouwe levensgezellin, een Kanakenvrouw van het Pinkstereiland, aan boord kwam. Zij was door elephantiasis aangetast, miste alle uiterlijk schoon, maar was vol toewijding voor haren meester.
Toen ik naar boord terugkeerde, was ik aan het strand tegenwoordig bij de werving van twee vrouwen, die, zooals zij zeiden, blij waren het eiland te kunnen verlaten, om aan de slechte behandeling van hunne echtgenooten te ontkomen. Die laatsten, verlokt door het gezicht van de goederen, die wij hadden aan te bieden, gaven hunne toestemming, en de beide vrouwen zwommen naar ons schip toe; één van haar nam een kindje van een paar maanden mee; zij verliet haar dorp, zonder zich te laten verteederen door de tranen van hare oudste dochter, die bij haar vertrek tegenwoordig was en haar wilde terughouden.
De inboorlingen van dit eiland zijn klein en welgevormd;zij hebben een opgewekt, vrij intelligent uiterlijk, maar hebben den naam van korte metten te maken met lastige blanken, niet door geweerschoten te lossen, maar door middel van vergif. Ik geef die laatste bewering slechts onder voorbehoud, en geloof dat de vele sterfgevallen aan het klimaat moesten worden toegeschreven en niet aan misdadige handelingen. Hoe het zij, men heeft deze inboorlingen te Nouméa graag als werkkrachten, ze worden uitnemende arbeiders.
Ze wonen hier in kleine dorpen aan het strand der zee of in het binnenland op de berghellingen. Hun woningen zijn nog uiterst primitief, maar toch voldoende om hen te beschermen tegen de ongunst van het weder. Het binnenland is zeer schaars bevolkt, een gevolg van de aanwezigheid van den vulkaan. Op den top van een der bergen heeft men een krater, die rook laat ontsnappen; maar de uitbarstingen zijn niet aanhoudend zooals op Tanna, en ik passeerde het eiland menigmaal, zonder het minste of geringste teeken te bespeuren, dat van de werkzaamheid van het onderaardsche vuur getuigde.