Chapter 27

Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.

Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.

Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.

De geologische gesteldheid van Ambrym verklaart de geringe vruchtbaarheid; de grond is poreus, zandig en dor, en er is weinig water op het eiland; zoet water is er alleen in gegraven plassen, en er stroomt geen enkele rivier; dus is de plantengroei schraal, gelijkend op dien van Tanna in de buurt van Port Resolution en Wassissi. Toch wonen er nog zeven of acht Europeanen; ik ontmoette hen op de verschillende plaatsen, waar wij stilhielden, bij Malo, Creig Cove, Dip Point, Rhanone; ze dreven allen handel in copra, door middel van schepen die op Nieuw-Caledonië of Australië voeren. Enkelen worden er rijk, en ik hoorde dikwijls spreken van F., die alleen op de noordwestkust woonde en schitterende zaken deed.

Te Dip Point bezocht ik de inrichting van zulk eencopramaker, een industrie, zeer algemeen in den archipel der Stille Zuidzee en die wel even nader mag worden beschreven.

Men vindt die copramakers op alle eilanden, maar vooral op Ambrym en Aoba. Waar komen zij vandaan? Dat weten ze vaak zelf niet of ze houden het zorgvuldig geheim. Nu eens is het een Portugees, die er voor altijd van heeft afgezien, ooit naar de oevers van de Taag terug te keeren; dan een voorzichtige Engelschman, wien een bezoek aan de Theems voor altijd is verboden, of wel een Franschman, die het eiland Nou van nabij kent en al te compromitteerende betrekkingen heeft te Nouméa; soms ook is het een gouvernementsambtenaar, die niet snel genoeg carrière heeft gemaakt en uit den dienst is gegaan, en men ziet er ook wel jongelui, die door de familie in den steek zijn gelaten. Voor al dezulken zijn de Nieuwe-Hebriden het beloofde land; ze vinden er geen wetten, geen gezag en geen regeering; gendarmen en politie zijn er nog niet ingevoerd; ieder leeft er zooals het hem behaagt, regelt zelf zijn zaken zooals hij wil, en behoeft zich nooit te ergeren over de langzaamheid van de rechtsspraak.

Levend in een hut, door de inboorlingen gebouwd, koopt zoo iemand alle kokosnoten die hem worden gebracht en zoekt voor de eenzaamheid troost bij de flesch. Veel heeft hij niet te doen; het blijft bij eenig toezicht op de beide Kanaken, die hij gewoonlijk in dienst heeft, om de noten in tweeën te splijten. Elke helft wordt aan de zon blootgesteld of aan de hitte van een vuur en het gedroogde vleesch wordt daarna uit de noot gehaald en heet copra. Dat product wordt naar Marseille vervoerd en doet er dienst bij de zeepfabricatie.

Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.

Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.

Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.

Vanaf de kust van Ambrym bespeurt men in het Westen een vrij lang, bergachtig eiland, Mallicolo, welbekend op het oogenblik der bezetting, omdat daar een zekere J. woonde, die door de inboorlingen werd gedood. Zijn dood diende tot voorwendsel voor het zenden van soldaten, die de veiligheid van onze landgenooten moesten waarborgen. Er werd te Port Sandwich een post gevestigd. Nu wendden wij ons naar die plaats, na op Ambrym onze taak te hebben volbracht.

Personeel van een planter van Mallicolo.Personeel van een planter van Mallicolo.

Personeel van een planter van Mallicolo.

Personeel van een planter van Mallicolo.

Dick A. diende ons tot loods en leidde ons zonder aarzeling in de straat, die uitkwam in de ruime baai van Port-Sandwich. Eerst voeren wij langs de Maskelyne-eilanden, ten zuiden van Mallicolo gelegen. Men deed er aan vischvangst, en de Europeanen die er woonden, met name de heer Mac L., vonden daarin zelfs een bestaan. Wie in deze streken vertoeft hoort vaak van den laatste spreken; zijn naam komt telkens weer voor in de gesprekken, niet alleen van blanken, doch ook van Kanaken. Hij is een der laatste vertegenwoordigers van die groep handelaars, die onder de namen van walvischvaarders, sandelhoutinzamelaars, houders van slavenschepen oudtijds in dezen archipel berucht werden en door hun zeeschuimerij en hun willekeurig optreden de vijandige gevoelens tegen de blanken deden ontstaan, die nu nog bij de inboorlingen worden opgemerkt.

Hij was dertig jaren geleden zonder een cent in den archipel gekomen en bezit nu een vermogen van eenige millioenen, verkregen door den handel met de inboorlingen, toen er nog in ’t minst geen regel daarin was gebracht; en gelukkige speculaties met grond hadden het hunne tot zijn fortuin bijgedragen. Uit staatkundig oogpunt was hij een verbitterd vijand van den franschen invloed, en hij streed daartegen al lange jaren met de grootste geestkracht; van zedelijkheidsstandpunt kende hij geen scrupules, zooals gebleken is uit de quaesties, die hij had met deCaledonische Maatschappij. Zóó is de heer Mac L., wiens naam door elken reiziger dadelijk nadat hij aan wal stapt wordt vernomen; ik moest hem wel met een paar woorden teekenen, en ik heb hem dikwijls ontmoet.

Maar om terug te komen op de Maskelyne-eilanden, er zijn er daarvan drie. Oudtijds waren ze bewoond door een talrijke bevolking, maar nu zijn ze zoo goed als verlaten, en we zagen slechts nu en dan eens een boot langs de kust varen. De weinig teergevoelige wervers hebben menigmaal gewapende expedities naar den wal gezonden, die de inboorlingen met geweld meevoerden, de dorpen verbrandden en zelfs vóór hun komst overal schrik en angst verspreidden in de bewoonde oorden. Aan die daden van zeeroof moet de ontvolking van vele eilanden worden toegeschreven.

Wij kwamen te Port-Sandwich en legden aan in een prachtige, goed beschutte haven. Wij waren daar in een betrekkelijk beschaafd land; ’t is de hoofdstad van den archipel, de stad der pretjes op de Nieuwe-Hebriden; daar ontmoeten elkander de coprahandelaars van de naburige eilanden en komen er hun opgespaard geld verteren. Men kan er waarnemen, hoe zakken copra omgezet worden in kisten jenever, tot groot genoegen van die echte drinkers van den Stillen Oceaan.

Wat is Port-Sandwich? Enkele huizen aan weerskanten van de baai, één winkel van de Caledonische Maatschappij, een kolendepôt, een kade, dat is het eenige, wat er nog te zien is in die veiligste haven van de geheele eilandengroep. Maar men moet niet op den schijn afgaan; feitelijk wordt daar veel handel gedreven, schepen van alle nationaliteiten laten er het anker vallen en brengen er leven en beweging; zij laten er koopwaren achter, nemen de producten van het land in en brengen die naar Nouméa, Sydney, Queensland of de Fidsji-eilanden.

Het is ook een centrum der landbouwkolonisatie. Ik ging aan land, om den heer G., agent van de Nieuwe-Hebridenmaatschappij een bezoek te brengen. Hij verheugde zich erin, mij de aanplantingen van maïs en koffie te kunnen vertoonen, door hem in het leven geroepen, in ’t belang der maatschappij die hij vertegenwoordigde. Hij bood mij allervriendelijkst gastvrijheid aan, en in de schaduw van het aardige huis op het strand heb ik prettige oogenblikken gesleten en ik heb er, beter dan mij aan boord mogelijk was, mijn aanteekeningen van de reis kunnen uitwerken.

Er zijn niet veel Kanaken te Port-Sandwich, en men moet naar het binnenland gaan om eenigszins talrijke groepen aan te treffen. Wij zetten dus koers naar de westkust van Mallicolo, passeerden weer de Maskelyne-eilanden en sloegen vervolgens eene noordelijke richting in. De westkust vertoonde een dor, verlaten aanzien. De Nieuwe-Hebriden zijn over ’t algemeen merkwaardig om hun weelderigen plantengroei, om hun prachtige bosschen, zich uitstrekkend tot het strand der zee, en men staat verbaasd over den rijkdom van den grond, bedekt met zoo velerlei planten en zulke reusachtige boomen. Maar in dit gedeelte van Mallicolo is de toestand niet zoo liefelijk; de kust is er steil en wordt gevormd door kale rotsen, verdord er uit ziende en geschroeid door den fellen zonneschijn. Wel ziet men in de diepte een paar groene heuvels, maar men moet vrij ver in het binnenland doordringen, om geschikten bouwgrond aan te treffen. Kokospalmen komen aan het strand weinig voor, en de Kanaken hebben geen enkele aanplanting gewaagd.

In de baai in ’t Zuidwesten, waar wij hadden geankerd, wordt de natuur iets beter, dank zij den drie rivieren, die er zich in zee storten en door nog al vruchtbare dalen stroomen. Zelfs ziet men na ’t passeeren van de rots aan den ingang der baai bouquetten van kokospalmen, die de inlandsche dorpen voor het oog verbergen. Nauwelijks hadden wij op eenige meters afstands van het dorp het anker laten vallen, of wij zagen talrijke booten met inboorlingen op ons afkomen, luidruchtig op deLady Saint Aubynaanroeiend. De aanblik van die Kanaken was zonderling; allen hadden ze verbazend puntig toeloopende hoofden, glimmende, met kokosvet ingesmeerde haren en armbanden, van parelen of van varkenstanden gemaakt. Die puntige vorm van den schedel is kenschetsend voor de bewoners van Mallicolo. Dit was het eenige punt, waar ik die eigenaardige misvorming heb aangetroffen, die een gevolg is van bepaalde manipulaties, op de hoofden der kleine kinderen toegepast. Er worden daarvoor banden van boomschors gebezigd, die om de hoofdjes worden gewikkeld, om er den gewenschten vorm aan te geven. In een der booten zag ik een zoo toegetakeld klein kindje.

Ik heb talrijke wapenen aangekocht, want de inboorlingen hier verkochten gereedelijk hun knotsen en pijlen en bogen. De knots is van zeer hard hout gemaakt, en heeft een lengte van ongeveer een meter, op het eind uitloopend in een kraagje, dat tot steun dient voor de hand; de bogen werden gespannen met vezels van bananen.

Deze inboorlingen hebben een groote vaardigheid in het maken van pijlen, en zij kunnen ze, heet het, vergiftigen; die, welke ik heb kunnen koopen, waren opgeborgen in een doos, die de punten verborg, zoodat men zich er niet aan kon verwonden. Zij zijn overtuigd van de werkdadigheid van het gif, maar ik kan zeggen, dat de proeven, met die pijlen genomen, niet konden doen besluiten tot de aanwezigheid van eenig vergif. Hoe het zij, zij passen de volgende methode toe, met het doel de pijlen te vergiftigen. Zij halen uit een bepaalden boom een kleverig sap, waarmee zij de pijlpunt bestrijken; vervolgens nemen ze wat aarde, afkomstig van een ongezonde plek of uit een moeras van wortelboomen en laten de punt daarin eenigen tijd staan. Vervolgens wordt alles in de zon gedroogd.

Die wapens hebben den naam van zeer gevaarlijk te zijn. Toen ik ze uit de doos haalde, om ze te bezien, gingen alle inboorlingen, die in een kring om mij heen stonden, ver uiteen en waarschuwden mij voor het gevaar, dat mij bedreigde, als ik ook maar het geringste wondje kreeg. Toch zou het misschien voorbarig en gevaarlijk zijn, ze als volkomen onschadelijk te beschouwen. De voorbeelden van den commodore Goodenough, van bisschop Patteson en van veel Europeanen, die aan tetanus of spierkrampoverleden ten gevolge hunner wonden, zijn nog van te recenten datum, dan dat men de vraag van de al of niet vergiftigheid als opgelost zou kunnen bespeuren.

De inboorlingen van de zuidwestelijke baai hadden juist bezoek gehad van een duitsch werfschip van de Samoa-eilanden; doch niemand van de bewoners had zich willen laten aanwerven wegens de slechte behandeling, die de arbeiders in de werkplaatsen op die eilanden ondervinden.

Bovendien had eenige jaren geleden Duitschland een oorlogsschip gezonden, om den moord van een Duitscher te Mallicolo te wreken; de herinnering aan de kanonkogels had de duitsche vlag niet populair gemaakt bij deze inboorlingen. Zoo althans luidden de inlichtingen, mij verstrekt door een inboorling, die drie jaar op de Samoa-eilanden had gewoond.

Mijn wandelingen over het eiland voerden mij een paar keeren naar een dorp, aan den rand van een lagune gelegen, die vrij diep landwaarts in drong; de hutten waren alle van riet en bamboes opgetrokken; maar het huis van het hoofd was gemakkelijk herkenbaar aan de heg er omheen en aan de groote schelpen en onderkaken van varkens, die het dak versierden. Het hoofd heeft ook nog een ander voorrecht; bij zijn dood wordt namelijk zijn lichaam in stroo en in lianen gewikkeld en zoo met klei bestreken en gekleurd met zwarte, roode en blauwe verf, waarna het in een bepaald gebouw wordt geborgen, dat de lijken der stamhoofden bevat.

Ik heb het kunstenaarstalent van deze Kanaken kunnen bewonderen in de koppen van klei of leem, die men in de hutten aantreft, en in de maskers van boomschors met groote, puntige hoeden gekroond, die zij gebruiken bij de groote feesten ofsinn-sinn. Maar ik zou niet durven zeggen, dat de vormen of de teekeningen tot modellen konden dienen voor onze europeesche kunstenaars.

Bij mijn omzwervingen door het dorp heb ik weinig vrouwen ontmoet; die ik zag, waren gekleed in een zeer primitief costuum, bestaande uit een gordel van pandanusbladeren, maar ik heb tevens kunnen constateeren, dat ze alle de snijtanden in de bovenkaak misten, een eigenaardige mode op het eiland Mallicolo.

De zuidwestelijke baai is de eenige goede reede aan de kust; wij gingen dus nergens aan wal, behalve met kleinere bootjes. In de Espièglebaai begonnen wij te onderhandelen met enkele inboorlingen, die ons beschroomd naderden. Men bespeurt wel, dat dit deel van het eiland zelden bezoek krijgt. De bewoners keken den Europeaan verbaasd aan, en toen ze een beetje vertrouwd met hem raakten, werd hij betast, alsof ze wilden voelen of hij wel van eenzelfde maaksel was als zij. Een der Kanaken met witte, scherpe tanden voelde mijn armen en kuiten en scheen bij zich zelven iets te overleggen, waarvan ik de strekking ten halve begreep. De kannibalenneiging van de inboorlingen dezer kust is bekend, en mijn vriend taxeerde mij denkelijk eens, om te zien of ik al goed was voor een feestmaal van menscheneters. Bij sommige stammen bepalen ze zich er niet toe, door bewegingen hun gedachten aan te duiden, maar uiten een paar woorden, die “goed om te eten” beduiden en die u doen beseffen, met welke oogen ze uw persoon zoo nauwlettend opnemen.

Mallicolo is niet zeer vruchtbaar in het gedeelte dat wij nu bezochten; er waren weinig plantages en de grond was er dor; hij bestond enkel uit vulkanische rotsen, waarop geen boom of plant groeide. Wij haastten ons, dat ongastvrij oord te verlaten, en wij bereikten al gauw de Bougainvillestraat, die dit eiland van Espiritu Santo scheidt. Door die straat voer Bougainville, toen hij het eiland ontdekte. Langen tijd had men de Nieuwe-Hebriden beschouwd als deel uitmakend van het groote Zuidelijke vastland; maar de fransche zeevaarder bracht de waarheid aan het licht, door aan te toonen, dat zij een eilandengroep vormen, terwijl Cook later de zuidelijke eilanden er van zou ontdekken.

Het zal misschien interessant zijn, den lezer er aan te herinneren, dat bij gelegenheid van deze reis een vrouw voor de eerste maal de reis om de wereld deed. Dat feit werd door Bougainville ontdekt, juist toen hij zich bij Mallicolo bevond. Ziehier, in welke omstandigheden. Het gerucht liep aan boord van deEtoile, dat de bediende van den heer de Commerçon een vrouw was. Die persoon, Baré geheeten, volgde den meester overal heen, had mee de bergen aan de Magellaensstraat bestegen en deinsde voor geen enkelen vermoeienden tocht terug. De bewoners van Tahiti hadden het eerst hare sekse geraden, die door niemand der medepassagiers nog was vermoed; zij gedroeg zich trouwens altijd kalm en behoorlijk als een teruggetrokken, stille jonge man. Bougainville liet haar bij zich komen en zij bekende, dat ze uit droefheid over den dood van haar verloofde mannenkleeren was gaan dragen en zich als knecht had verhuurd.

Wij deden zulk een ontdekking niet aan boord van deLady Saint Aubyn, maar na een doodkalmen overtocht, die door geen enkel incident werd gekenmerkt, lieten wij het anker vallen bij het eiland Vao, vóór de oostkust van Mallicolo. Al spoedig kregen we hier bezoek van een landgenoot, pater L., een zendeling der Maristen, die sedert twee jaren te Mallicolo woont en de inboorlingen tot het katholieke geloof tracht te bekeeren. Hij heeft niet veel succes, want de bewoners van dit eiland zijn afkeerig van europeeschen invloed; zij leven slechts van roof en plundering en hebben volstrekt geen vreedzame gevoelens tegenover den zendeling, dien zij elk oogenblik met den dood bedreigen.

Ik bewonder den moed van dezen Franschman, wiens handelingen waarlijk wel de vergelijking kunnen doorstaan met die van de engelsche presbyteriaansche zendelingen; geen zucht naar winst doet hem in deze streken blijven en hij tracht ook niet, zich een behagelijk interieur te bezorgen, dat nadeel zou kunnen doen aan de zaak die hij wil dienen. Ik bracht een bezoek aan zijn huis, van riet opgetrokken en met allerprimitiefste meubels; een houten tafel, twee matten stoelen, een bed in een hoek was alle ameublement; zijn voedsel was hoogst eenvoudig en bestond uit knollen en beschuit met hetgeen eenige blikjes opleverden. Ik dronk er echter een uitstekend glas bier, bereid uit een plant van die streek.

Vao is een dichtbevolkt eilandje, maar toen wijhet anker er uitwierpen, ontdekten wij geen enkelen inboorling op het strand; alle Kanaken waren inderdaad naar liet groote eiland Mallicolo gegaan, om er op de plantages te werken of om met het geweer in de hand de arbeiders te verdedigen tegen aanvallen van de inboorlingen uit het binnenland.

Booten van het eiland Vao.Booten van het eiland Vao.

Booten van het eiland Vao.

Booten van het eiland Vao.

Tegen vier uur in den avond zagen wij ze terugkeeren naar hun dorpen op het kleine eiland; enkelen verkochten ons in ’t voorbijgaan hunne aardvruchten en boden mij een plaats aan in hun booten. Zij zetten mij aan het strand af, en ik behoefde maar enkele schreden te doen, om in het dorp te komen. Een troep varkens en honden liep dadelijk om mij heen en wilde mij de nadering beletten; maar de inboorlingen kwamen er op toe en verjoegen de dieren met hun stokken. Ik beloonde mijn redders door pijpen en tabak onder hen uit te deelen; die edelmoedigheid bezorgde mij hun vertrouwen, en zoo kon ik met hen een gesprek beginnen.

Sedert eenige dagen was een der hoofden uit het dorp boos op de blanken, omdat Mac L., van wien ik reeds heb gesproken, hem zijn zoon had ontroofd, die nu te Port-Vila bij dien Engelschman moest werken. Hij ontvouwde mij zijn grieven, en de goudgalons ziende op de mouwen van mijn buis, vroeg hij mij, of ik hem door middel van de oorlogsschepen recht wilde doen weervaren; als belooning zou ik een hermaphroditisch varken ontvangen. Dat was een prachtig cadeau in de oogen der inboorlingen, want voor een hermaphroditisch varken kan men het ver brengen in den stam, zich een hooge positie verschaffen en zelfs een vrouw koopen.

Wij hadden spoedig ons recruteeringswerk op het eiland Vao ten einde gebracht. De nabijheid van de coprahandelaars maakte, dat de menschen hun kokosnoten aan den man konden brengen en dat ze in ruil daarvoor europeesche waren konden erlangen; dus gevoelden zij geen behoefte, om elders hun kostwinning te zoeken en verlieten niet graag hun geboortegrond. Wij vervolgden onze vaart naar het Noorden van den archipel en waren voornemens, het noordelijkste en grootste eiland van de groep te bezoeken, het eiland Spiritu Santo of kortweg Santo.

Kreupelhout op Spiritu Santo.Kreupelhout op Spiritu Santo.

Kreupelhout op Spiritu Santo.

Kreupelhout op Spiritu Santo.

Wij voeren om de zuidpunt van het eiland Maloheen en konden een fransche driekleur ontdekken, die ons in ’t voorbijgaan groette. Dat was de woning van pater D., een fransch zendeling, die reeds dertig jaren in de Stille Zuidzee verblijf houdt. Hij heeft de eilanders op de Fidsji-eilanden bekeerd, en beproeft thans de inboorlingen van Malo tot het Katholicisme te brengen.

Door een gunstigen wind gedreven, kwam deLady Saint Aubynin het Bruatkanaal, dat het eiland Aoré van Malo scheidt en langs Tongoa gaat, waar de dweepzieke Presbyteriaan A. woont, om vervolgens het anker uit te werpen bij kaap Lisburn op de westkust van Spiritu Santo.

Ik heb weinig zulke schilderachtige plaatsen gezien als het dorp Nouvin, tegenover hetwelk wij stilhielden; het was gebouwd op de helling van een heuvel, aan welks voet een bevaarbare rivier stroomde; de oevers waren met boomen en struiken begroeid, waardoor de reizigers beschut waren tegen de felle zonnestralen, en de zandige bedding van den helderen stroom lokte uit tot het nemen van een verfrisschend bad.

Inboorlingen van het eiland Mallicolo.Inboorlingen van het eiland Mallicolo.

Inboorlingen van het eiland Mallicolo.

Inboorlingen van het eiland Mallicolo.

Maar het komt mij voor, dat de inboorlingen van Nouvin een heiligen schrik hebben voor het heldere water, want ze zijn bedekt met een laag oud vuil, en de lompen, die maar povertjes hun naaktheid bedekken, schijnen al heel zelden met de wasch kennis te hebben gemaakt. Zij maken hun leelijkheid en hun vuilheid nog erger door de verf, die zij op zich smeren; haren en baard bedekken ze met rood oker, en als sieraden droegen ze banden van schelpen om de armen en bloemen in de haren.

Behaagzucht schijnt niet in ’t bijzonder eigen aan de vrouwen, want de mannen toonen zich hier niet minder ijdel, en beide geslachten meenen zich mooi te maken door misvormingen van den neus en de ooren. De haartooi wisselt af naar den smaak der heeren en dames; de eenen droegen zeer korte haren, de anderen waren kaal geschoren en er waren er, die een klein bundeltje hadden laten staan of die het haar hadden laten groeien en het in een vlecht hadden bijeengebracht.

Ik heb in hun handen een wapen opgemerkt, dat in ’t bijzonder aan Santo eigen is, een assegaai van ongeveer 2½ M. lengte, van hout; de bovenkant is belegd met menschenbeenderen over een aanmerkelijke lengte en het wapen loopt uit in drie beenderen als een drietand. De wonden die er door worden gemaakt, zijn zeer gevaarlijk, want die beenderen breken af en blijven in de wond achter, waarvan zij de genezing tegenhouden. Voor een doosje buskruit kon ik verscheidene van die wapens koopen.

Wij maakten ons gereed, om langs de westkust te gaan. Dit deel van het eiland is bergachtig; de dalen zijn zeer smal en niet vruchtbaar. Er is veel overeenkomst tusschen deze westkust van het eiland Santo en de oostkust van Nieuw-Caledonië; sommige mijnontginners hebben dan ook gehoopt, dat heteiland rijk aan mineralen zou wezen en hebben er met dat doel onderzoekingen gedaan. Ik geloof niet, dat hun pogingen met succes bekroond zijn geworden.

Toen wij te Poussey passeerden, sprak een inboorling ons over een blanke, die eenige maanden geleden op de kust was ontscheept en er nu nog aan het graven was. Tot nu toe was het hem nog alleen gelukt, de inboorlingen te verbazen, die, toen ze zagen, dat hij gewicht hechtte aan steenen, hem voor een krankzinnige hielden. Het was een zekere V. een bevrijde gevangene uit Nouméa; hij heeft van zijn tocht niet veel kostbaar gesteente meegebracht, maar wel veel koortsaanvallen.

In de buurt van Poussey kwamen ons veel booten tegen, sommige met varkens, andere met aardvruchten of met suikerriet geladen. Dat punt aan de kust is een plaats, waar veel inlanders uit het binnenland samenkomen met die van de Saint-Philippebaai en Poussey. Die laatste verkoopen, in ruil voor de levensmiddelen, welke hun worden gebracht, het aardewerk dat zij zelf fabriceeren en dat zij alleen kunnen maken op het eiland. Het zijn aarden potten van verschillende grootte, vaak met lijnteekeningen versierd, en vrijwat weerstand biedend aan de hitte; ze worden voor het koken van het voedsel gebruikt.

Het scheen mij, dat de inboorlingen van Santo niet zoo laag stonden als die van de zuidelijker eilanden. Wij kregen te Poussey een man met zijn vrouw aan boord, die wel naar Nouméa wilden meegaan; maar zij stelden als voorwaarde, dat ze in hetzelfde huis en op dezelfde plantage moesten dienen. Ze hielden elkander teeder aan de hand en schenen ware genegenheid voor elkaâr te koesteren. De positie der vrouwen scheen hier over ’t algemeen beter dan in de andere deelen van den archipel.

Buitendien werden de inboorlingen ook intelligenter, hoe verder wij naar het Noorden van den archipel vorderen; ze kregen meer besef ook van zedelijkheid en zorgden vooruit voor wat hun materiëel bestaan kon verbeteren. Zij eten vrij smakelijk, en een van de door ons aangeworvenen kreeg van zijn vrienden een gerecht cadeau, in bananenbladeren gewikkeld, dat heel lekker rook en bestond uit varkensvleesch met aardvruchten en kokosmelk toebereid. Zij gebruikten het òf met houten vorken òf door er balletjes van te rollen en die in den mond te steken.

Ik kreeg een uitnoodiging, om aan het festijn deel te nemen, en ik proefde het inlandsche gerecht, dat niet kwaad smaakte en zeer voedzaam moet zijn.

Onder de inboorlingen, die wij ontmoetten, hadden sommigen een lichte huidskleur, anderen waren donkerder en allen hadden sterker krullende haren dan de bewoners der zuidelijker eilanden en vooral van Erromango. In voorbijgegane eeuwen moeten volken van verschillende afkomst zich hier neergezet, en hebben zich met de autochthone bevolking vermengd; dus is het niet verwonderlijk, dat wij vrij sterke individueele verschillen aantroffen. Maar het gemiddelde type was niet leelijk; het ras van Santo was sterk en gespierd.

De vereeniging van de vele bewoners uit verschillende hoeken van het eiland op de markt te Poussey gaf aanleiding tot feesten en nationale dansen. Het heeft mij zeer gespeten, dat ik eenige dagen te laat kwam, want anders had ik een zonderlinge plechtigheid kunnen bijwonen, eigen alleen aan dit eiland.

Ofschoon ik het zelf niet heb gezien, kan ik den lust niet weerstaan, er van te vertellen naar de beschrijving, die de inboorlingen mij er van hebben gegeven. Het feest wordt geleid door het hoofd van den stam, welke man rood is gekleurd en met bloemen is behangen. Kleine speenvarkentjes worden vastgebonden en ingepakt neergelegd op de markt bij de op den grond gezeten jongelieden. Op een gegeven oogenblik loopen twee mannen naar de jongelieden toe en moeten blijven staan, om van ieder een zweepslag te ontvangen. Vaak bedekken zij hun bovenlijf met schors, om de gevoeligheid der slagen te keeren. Ieder man uit den stam moet aan de plechtigheid deelnemen. Al dien tijd dansen en springen vijf of zes inboorlingen op het feestterrein rond, en op dat oogenblik worden de kleine ingepakte varkentjes hoog in de lucht opgegooid en moeten op het hoofd der dansers terugvallen, die ze moeten vangen of oprapen.

Ik zou graag nog langer te Poussey zijn gebleven, om beter en langer de zeden dier inboorlingen te kunnen bestudeeren; maar ons werven had er geen succes. Wij moesten onzen weg dus vervolgen naar kaap Cumberland, de noordelijkste punt van den archipel. We voeren gemakkelijk er omheen, liepen in de Saint-Philippebaai binnen en ankerden dichtbij een rivier, die den naam van “de Jordaan” droeg. Daar had Quiros zijn Nieuw-Jeruzalem willen stichten, toen hij de eilanden in 1606 ontdekte. Hij hield processies aan den wal, liet het kruis rondom de baai voeren en maakte zich gereed om de fondamenten te leggen van zijn heilige stad, toen zijn metgezellen in opstand kwamen en hem dwongen naar Spanje terug te keeren.

Enkele reizigers hebben beweerd, dat de spaansche zeevaarder zijn plannen wel reeds ten uitvoer had gebracht, dat hij een stad had gesticht met muren er omheen, waarvan de sporen nog over zouden zijn. Maar ik vermoed, dat die inlichtingen alleen in het brein dergenen, die ze heetten te hebben ontvangen, waren ontstaan. Ik heb herhaaldelijk wandelingen op het eiland gedaan, en ik heb niet het minste spoor kunnen ontdekken van een oude stad. Bovendien behoeft men slechts het rapport van Quiros te lezen, om verzekerd te zijn, dat zijn plan niet werd volvoerd; ’t is dus noodelooze moeite naar sporen te zoeken van iets, dat niet heeft bestaan, en het moet iets van een tweede gezicht geweest zijn, als er personen geconstateerd hebben, dat ze muren van Nieuw-Jeruzalem hebben aanschouwd.

Ik zal niet zeggen, dat de plaats slecht gekozen zou zijn; integendeel ben ik er van overtuigd, dat een ernstige poging tot kolonisatie in de Saint-Philippebaai kans van slagen zou hebben. De haven is buitengewoon ruim en heeft talrijke ankerplaatsen,maar zij is ongelukkig niet beschut tegen de noordenwinden. Acht rivieren storten zich uit in de baai en stroomen door diepe, vruchtbare dalen; de kuststrook is met een weelderigen plantengroei bedekt, en op korten afstand ziet men reeds velden met humuslagen, die voor allerlei culturen geschikt zouden zijn.

De bewoners zijn nog al zacht en vreedzaam. De Saint-Philippe baai is een der weinige plaatsen op de Nieuwe-Hebriden, waar nooit aanvallen op Europeanen zijn voorgekomen; de inboorlingen komen ons vriendelijk bezoeken en zijn gelukkig, hun producten te verkoopen tegen kruit en lood. Zij houden veel van de jacht en zijn buitengewoon behendig in het dooden van de talrijke wilde eenden, die rondvliegen aan de oevers van de Jordaan.

Hier trekken, evenals te Mallicolo, de vrouwen zich de beide voortanden uit van de bovenkaak; zij dragen geen andere kleeding dan een gordel om de lendenen. De mannen dragen een band om het middel, waaraan een vlechtwerk hangt, dat de geslachtsorganen verbergt. De beide geslachten houden er van, zich het gelaat rood te verven, en enkelen doorboren zich het tusschenschot van den neus met een stukje koraal.

De Saint-Philippebaai ligt ten noorden van den archipel der Nieuwe-Hebriden; dus moeten wij ons wel weer zuidwaarts begeven, om met de werving op die eilanden voort te gaan, eer we ons tot de groep der Salomonseilanden wenden. De inlichtingen, die wij op reis hadden gekregen, gaven ons hoop, dat we op het eiland Aoba talrijke contracten zouden sluiten; daar, zoo heette het, wenschten de bewoners in Nouméa te werken, wanneer ze in betaling geweren kregen en ammunitie. Wij verlieten onze ankerplaats aan de Jordaan, en na kaap Quiros te zijn omgezeild, wendden wij den steven naar het eiland Aoba.

De zuidoostenwinden, die hevig bliezen, vertraagden onze vaart, en ondanks den geringen afstand tusschen Santo en Aoba deden wij er drie dagen over, eer we op de noordoostkust van laatstgenoemd eiland, te Naboekiriki, landden. We gingen een kleine baai voorbij, die in den laatsten tijd op Nieuw-Caledonië zeer bekend was geworden. Daar woonde namelijk een coprahandelaar van fransche afkomst, de heer M..., wel bekend te Nouméa; enkele weken geleden was hij door de inboorlingen vermoord geworden; zijn lijk werd teruggevonden, in den grond begraven.

Ofschoon zij in beschaving zich boven de andere eilanders verheffen, en ondanks hun nauwe aanraking met de weer hooger staande Polynesiërs, hebben de inboorlingen van Aoba toch niet geheel hun bloeddorstige neigingen overwonnen; ze zijn altijd gevaarlijk en verdienen in ’t geheel geen vertrouwen.

De bewoners van den oever der zee werpen alle verantwoordelijkheid voor zulke misdaden op de Kanaken uit het binnenland of van het bosch; zij zouden bijna van verontwaardiging blozen, als men hen van zulke wandaden beschuldigde, maar het is toch zaak, ook tegenover hen op zijn hoede te zijn.

Toch kan ik geen weerstand bieden van het verlangen, om het dorp Naboekiriki te bezoeken. Het hoofd van den stam is ons komen zien en inviteerde ons, om ten hunnent te verschijnen. Eenmaal aan land, volgden wij een smal pad door het bosch en kwamen weldra op een open plek, een plein, met hutten eromheen, die goed gebouwd waren, met matten uitgespreid op den vloer en zonder al te veel rook. In een hoekje stonden de trommels of liever holle boomstammen, die als muziekinstrumenten werden gebruikt, maar ze lagen op den grond en stonden niet overeind, zooals te Mélé.

Ik zag buiten het dorp een platform; daar troonde het hoofd van den stam op de dagen vansinn-sinnof groote feestelijkheden; zijn taak was het, bij die gelegenheden met zijn pijlen de varkens te dooden, die ieder inwoner moet leveren en die vervolgens worden gebruikt bij de feestmaaltijden van het volk.

Dit dorpshoofd ontving ons zeer vriendelijk; ik ontving een welkomstcadeau van hem, bestaande in een kip en veel bananen; ik gaf hem daarvoor tabak, een flesch jenever en daar ik wist, dat geweven stoffen te Aoba zeer op prijs werden gesteld, deed ik er mijn zijden halsdoek bij, waarmee hij prijken zal op de dagen der groote plechtigheden. De eenige kleeding van deze menschen bestaat in een lap katoen tot bedekking van hun naaktheid; als zij daarvoor geen europeesche weefsels hebben, nemen ze eigen gevlochten matjes, soms niet zonder smaak gefabriceerd.

Zooals ik boven zeide, de bewoners van Aoba verschillen vrijwat van de andere bewoners der Nieuwe Hebriden; dat hangt samen met de ligging van het eiland, die zeer gunstig voor vreemde immigratie is, met name van de Samoa-eilanden. In een betrekkelijk nog niet ver achter ons liggenden tijd moet Aoba Polynesiërs hebben opgenomen, komend van de naburige eilandengroepen. Die hebben zich vermengd met de oorspronkelijke bewoners, en zoo is dat bijzondere ras ontstaan, dat een eigenaardigen lichaamsbouw en eigen gewoonten en zeden kan aanwijzen. In een groep menschen van de Nieuwe-Hebriden zal ik altijd de Kanaken uit Aoba kunnen ontdekken aan hun groote gestalte, hun intelligent gelaat, het niet zeer geaccentueerde prognatisme, de krullende haren en vooral aan de lichte gelaatskleur. Evenals de Polynesiërs wonen deze Kanaken niet in kleine dorpen bijeen, maar vormen groote stammen of volken, wier hoofden eene absolute heerschappij uitoefenen. Hun taal bevat veel bestanddeelen, die aan de dialecten van Tahiti, Tonga en Samoa herinneren. Ik zal niet verder ingaan op de ethnologische verschillen; men zou veel ruimte noodig hebben, om ze nauwkeurig na te gaan. Maar ik ben blij, Aoba te hebben bezocht, want op dat eiland heb ik de ingewikkelde quaestie van de verhuizingen in de Stille Zuidzee kunnen bestudeeren.

Die vermenging met polynesisch bloed verklaart de groote losheid van zeden, die dit eiland kenmerkt; de Papoea is namelijk zeer jaloersch en onttrekt zijn vrouw liefst aan alle onbescheiden blikken; maar de bewoner van Aoba is niet zoo scrupuleus en aarzelt niet, zijn vrouw volle vrijheid te laten. De jonge meisjes zijn ook ver van beschroomd en vluchten niet bij de nadering van een vreemde, zooals op deandere eilanden; met een lapje rood katoen of een parasol wordt haar deugd gemakkelijk op zij gezet.

Ik verliet het dorp Naboekiriki en alle bewoners deden mij uitgeleide tot op het strand. We liepen een groep jonge vrouwen voorbij, die in zee hadden gezwommen en zingend naar het dorp terugkeerden; zij groetten mij lachend en schenen zich vroolijk te maken over den vreemdeling.

Een kleine boot wachtte, om mij naar ons schip terug te brengen, en even later zette deLady Saint Aubynnaar Walhara koers.

Daarna gingen wij naar Duin-Dui, waar ik een Kanakeninboorling ontmoette, die eigendommen had in Queensland. Hij sprak zuiver Engelsch en had met parelvisscherij in de Torres-straat zich een groot fortuin verworven. Daarna was hij te Brisbane gaan wonen en had een Engelsche getrouwd. Hij was nu een paar maanden in zijn geboorteland komen doorbrengen en was voornemens, spoedig naar Australië terug te keeren. Zijn voorbeeld toont aan, hoe dit ras zich op kan werken en pleit voor de intelligentie der bewoners van Aoba.

Hut met inboorlingen op Spiritu Santo.Hut met inboorlingen op Spiritu Santo.

Hut met inboorlingen op Spiritu Santo.

Hut met inboorlingen op Spiritu Santo.

Wij passeerden het eiland Aurora, dat kort na ons vertrek een treurige vermaardheid heeft verkregen door een catastrophe, die schrik en ontsteltenis verspreide onder de zeevaarders van den Stillen Oceaan en vooral onder hen, die, als wij, zich met de werving van arbeidskrachten bezighielden.

Wij hadden te Port Havannah een jongen Creool van Mauritius ontmoet, die in den archipel reisde met zijn schip, deConstantine, waarop een fransche kapitein het bevel voerde. Hij liet het anker vallen vóór de kust van Aurora met het plan, er eenige inboorlingen te huren, maar de bewoners van het eiland maakten misbruik van het vertrouwen, dat de Creool in hen stelde, en vermoordden hem en den kapitein met enkelen der bemanning, terwijl het schip in brand werd gestoken.

Alle eilanden van de groep der Nieuwe-Hebriden zijn gevaarlijk; er is er geen enkel, waar men een onbepaald vertrouwen in de inboorlingen kan stellen. Maar Aurora of Maïro verdient speciaal den slechten naam, dien het heeft; men moet daar bij uitstek voorzichtig zijn.

Overigens kan men aan hun gewoonten al gauw merken, met welke soort van menschen men te doen heeft; als een der Kanaken sterft, is het de gewoonte een anderen te dooden, om den doode gezelschap te houden; het is niets ongewoons, dat een moeder haren zoon vraagt om haar te dooden, ten einde een gestorven dochter niet alleen de reis te laten doen.

Geen enkele Europeaan hield ten tijde van ons bezoek op Maïro verblijf, en ik geloof niet, dat er ooit een blanke heeft gewoond. Het gemis aan veiligheid, de afwezigheid van havens houden vreemde schepen op een afstand; de bevolking is er echter talrijk en de plantengroei weelderig; men vindt er vooral veel broodboomen, die er het hoofdvoedsel leveren evenals op Tahiti. Het eiland is goed besproeid, en van het dek der boot konden wij watervallen onderscheiden, die van groote hoogte neervielen en een schilderachtig aanzien aan het eiland gaven.

Daarna verlieten wij den archipel der Nieuwe-Hebriden. Met een gunstigen wind zette ons scheepje koers naar het Noordwesten, en wel naar de Salomonseilanden, waarvan ongeveer 800 mijlen ons scheidden.

Inboorlingenhut op de Salomons-eilanden.Inboorlingenhut op de Salomons-eilanden.

Inboorlingenhut op de Salomons-eilanden.

Inboorlingenhut op de Salomons-eilanden.

De archipel der Salomons-eilanden werd door Mendana in 1564 ontdekt, en sinds dien tijd is hij alleen bezocht geworden in de 18deeeuw door Surville en d’Entrecasteaux. Ten tijde van zijne expeditie naar het eiland Vanikoro deed Dumont d’Urville deze eilanden aan; maar sinds dien tijd is er nooit een fransch oorlogschip verschenen.

Onze aardrijkskundige litteratuur levert ook in ’t geheel geen documenten over de Salomons-eilanden, al zijn ze belangrijk genoeg ook uit het oogpunt van den reiziger. Hun oppervlakte is tienmaal die van Corsica. De grootste eilanden zijn Bougainville, Choiseul, Isabel, Malaïta, San Cristoval en Guadalcanar; de drie laatste hebben wij bezocht.

Het deed ons allen veel genoegen, die zoo weinig bekende streken te leeren kennen. Honderdmaal had men ons de vijandige gezindheid der bewoners voor oogen gesteld, hun woeste zeden en hun aanvallen op Europeanen.

Welk vertrouwen verdienden die verhalen? Zullen wij ook van dergelijke aanvallen te lijden hebben. De uitkomst zou ons dat alles precies leeren.

Den 30stenSeptember, tegen acht uur’s morgens, werd dus het land met vreugde begroet, en onze oogen trachtten het kleine stipje te herkennen, dat alleen een zeer doordringend oog kon onderscheiden.

Wij naderden de kust bij de oostpunt van de zuidkust op het eiland San-Cristoval.

Maar weldra ging de wind liggen; wij konden niet voort, en eerst om drie uur in den namiddag konden wij er aan denken, aan land te gaan, terwijl ons schip, daar er geen haven was, op twee mijlen afstands van de kust moest blijven.

De beide bij ons schip behoorende booten werden meegenomen, en ik nam er in plaats met de wapens en de ammunitie, om ons te verdedigen, en met de ruilwaren en geschenken, die voor ons de inboorlingen gunstig moeten stemmen.

Wij wendden ons naar het dorp Makira, waarvan de hutten, aan het strand gelegen, aardig tegen het groen uitkwamen en veel geleken op groote bijenkorven. Zij werden overschaduwd door tal van kokospalmen en stonden te midden van een weelderigen plantengroei, herinnerend aan dien der tropische landen. Geen duimbreed gronds, of er hadden zich planten ontwikkeld, en er waren hier en daar dichte bosschen verrezen, waarin licht en lucht slechts met moeite doordrongen.

Onze beide bootjes bleven bijeen, om elkander zoo noodig wederkeerig te beschermen; dat was een eisch van voorzichtigheid, want een verrassing of plotselinge aanval van de zijde der inboorlingen behoorde niet tot de onmogelijkheden. Op eenige meters afstands van het dorp zagen wij de inboorlingen ons te gemoet komen, allen gewapend met assegaaien, knotsen en andere wapens, zoo niet tot den aanval, dan toch ter verdediging geschikt, want zij kenden ook onze bedoelingen niet.

Er werd een gesprek aangeknoopt. Onze hoedanigheid van Franschen en onze komst uit Nouméa scheen de bewoners niet af te schrikken, dus hebben onze voorgangers er geen slechten indruk achtergelaten. Zoodra ze waren gerustgesteld, naderden ze ons; ze vroegen om ’t hardst om tabak, pijpen en lucifers, en hun geestdrift steeg ten top, toen wij hun een geweer en patronen gaven en dat beloofden aan elken inboorling, die te Nouméa wilde komen werken. Dadelijk verklaarden twee sterke, jonge mannen zich bereid om te vertrekken, en zonder op de smeekingen en vertoogen van hunne vrienden te letten, klommen ze in de boot en plantten zich op de achterbank.

De tegenwerpingen van de ouders zonken in het niet voor de betaling, die voor beide verbintenissen werd uitgekeerd; wij gaven hun een Snidergeweer,20 patronen, 1 K.G. tabak, 20 pijpen, 20 doosjes lucifers, een groot mes en eenig glaswerk, alles misschien ter waarde van ongeveer 30 francs.

Ik kon op mijn gemak deze inboorlingen bekijken, die om ons heen drongen, begeerig om ons wat te verkoopen, armbanden, wapens e.d. In enkele minuten deed ik voor een zeer bescheiden sommetje den aankoop van vele ethnographisch interessante voorwerpen, die een plaats zullen erlangen in ’t museum op het Trocadéro. Ik wachtte tot ik weer aan boord zou zijn, om ze te rangschikken en te onderzoeken wat ze mij zouden kunnen leeren over het karakter van dit ras, dat mij op het eerste gezicht uit verschillende elementen scheen samengesteld, goed van elkander te onderscheiden door kleur, vooruitsteken van de wangbeenderen en soort van haar.

Dadelijk bij onze nadering had mij het groote aantal vrouwen en kinderen getroffen, dat op ons was komen toeloopen en ons met nieuwsgierige blikken bekeek; het was een goed voorteeken, want in geval van vijandige bedoelingen zouden de mannen, om vrijer in hunne bewegingen te zijn, wel hun gezinnen op den achtergrond hebben gehouden.

Die vrouwen kwamen geheel naakt op het strand; ze hadden zelfs niet het vijgenblaadje, dat Eva beroemd heeft gemaakt; ze waren slank gebouwd, en het ontbrak haar niet aan een zekere gratie. Het onbescheiden kijken van de vreemdelingen scheen haar niet te verontrusten en ook niet de jaloezie der mannen gaande te maken.

Zij vroegen vrijmoedig om tabak, en er waren een paar tandelooze oudjes, die een stompje pijp in den mond hadden, ’t welk bij gebrek aan voedsel lang had gerust. Deze kust wordt zeer zelden door vreemde schepen aangedaan, en europeesche waren zijn er schaarsch.

Het was een wedstrijd, wie van haar het snelst haar parelmoeren armbanden en oorringen of neusversierselen zou afdoen, om ze af te staan tegen een doosje lucifers, een pakje tabak of een halssieraad van koralen. De katoenen of andere geweven stoffen hadden hier in ’t geheel geen waarde; die zijn overbodige luxe voor de schoonen van de Salomonseilanden.

De sympathieke ontvangst, die wij genoten, haalde ons over, uit de booten te stappen en het dorp van dichterbij te bezien. Het lag eenige meters van het strand verwijderd, en op den rug van een inboorling gezeten, zette ik voor de eerste maal den voet op den grond der Salomons-eilanden, of eigenlijk raakte mijn voet eerst later den grond. In betaling gaf ik mijn drager een patroon en nam hem als gids aan.

De huizen stonden achter elkander tegen een heuvelhelling aan, die tot het strand doorliep. Om er te komen, moesten wij over groote boomstammen springen, die door den storm gevallen waren, en die door de zorgeloosheid der inboorlingen maar op den weg waren blijven liggen. Overal stonden verder reuzenboomen, die diepe schaduwen wierpen over de lage, primitieve hutten. Men behoeft geen bekwaam bouwmeester te zijn, om in een oogenblik zoo’n huis te verwaardigen, waarin deze menschen wonen met heel hun gezin en hun honden en varkens. Eenige bamboestaken, dicht aaneen in den grond gestoken en door lianen aaneengebonden, een paar palen nog om het stroodak te steunen, een opening aan elken kant en ’t huis is gereed; de grond zelf dient als vloer, een paar steenen als vuurhaard, dorre bladeren als familielegersteden. In den eenen hoek lagen wapens, in een anderen houten drinknappen en eenige matten, dat was alle meubileering. Een deur ontbrak, er was niets te halen voor dieven.

Met de grootste vriendelijkheid lieten de inboorlingen mij binnen in hunne huizen, en ze zouden het zelfs onvriendelijk hebben gevonden, als ik aan hunne uitnoodiging geen gevolg had gegeven. Zij schenen mij iets beters te verdienen dan hun slechten naam, en voorwaar, toen ik in een der hutten was, om naar een zeldzaam wapen te kijken, zou het hun niet moeilijk zijn gevallen mij het leven te benemen.

Daar het al laat was, konden wij niet lang te Makira blijven, en zoo groot en vast was ons vertrouwen nog niet, dat wij den nacht aan den wal durfden doorbrengen. Begeleid door de geheele bevolking, mannen vrouwen en kinderen, bereikten wij weer onze booten, die aan de hoede van enkele matrozen waren overgelaten geweest, en een half uur later waren we aan boord van deLady Saint Aubynterug. Verrukt over ons eerste uitstapje en rijk voorzien van ethnographica, namen wij ons voor, zoo dikwijls het ons mogelijk zou wezen, aan land te gaan.

Maar ik was nog niet lang aan boord terug, of ik bespeurde, dat eerlijkheid geen hoofddeugd van deze primitieve wilden was; en de verdwijning van mijn revolver en mijn patronenkoker waarschuwde mij, dat ik voortaan beter het oog zou hebben te houden op hun lange vingers. De talrijke assegaaien, die ik had meegebracht, stelden mij niet schadeloos voor het verlies van mijn eigen wapen; maar sommige ervan waren mooi, wel vier meter lang en uitloopend in punten van been of van ijzer. De behendigheid in het werpen is bij deze inboorlingen verbazingwekkend; op een dertigtal meters afstands missen zij nooit het doel, dat zij zich hebben gesteld.

Wij verlieten dien nacht de kust en wendden ons naar het eiland Santa Anna ten zuiden van San Cristoval; wij meenden er een tolk te zoeken, want zoo iemand kunnen wij niet missen bij onzen arbeid van de werving.

Den volgenden morgen tegen zes uur in den morgen lieten wij, na om kaap Surville heengevaren te zijn, het anker vallen te Uaah, dat is de inlandsche naam van Santa Anna. Dadelijk stak er een boot van wal en voer op ons af, zij bracht het hoofd May naar ons over, een man, die bij de kooplieden welbekend is en die zeer gevreesd is bij de stammen, naar wier dorpen het hem behaagt, zijn oorlogsbooten te zenden. Zijn oorlogzuchtige bedoelingen waren algemeen bekend en zij brachten hem later veel geschenken in vanwege de hoofden der dorpen, die wij langs de kust van San Cristoval bezochten. Hij bood ons namelijk zijn diensten aan als loods en tolk, en wij namen die zonder aarzeling aan.

Hij inviteerde ons, om zijn dorp te bezoeken en bood ons een plaats aan in zijn wankel bootje; maar wij gaven er de voorkeur aan, in de boot van ons schip te gaan, en deze zette ons spoedig aan hetstrand af in een zandige kleine baai. Nauwelijks aangekomen, werden wij bezocht door een van die geïsoleerde Europeanen op de eilanden van de Stille Zuidzee, die zich zelfs niet meer de plaats hunner geboorte herinneren, en die in hun avontuurlijk leven alle eilanden zoowat hebben bezocht. ’t Was de heer F., een in Finland geboren Rus; hij woont al sinds een tiental jaren op de Salomons-eilanden en wordt er niet bepaald rijk door den coprahandel.

Hij woont er vrij goed in een houten huis met een veranda eromheen, dat hij aardig heeft ingericht en versierd met allerlei inlandsche wapens en veel cosmopolitische chromolithografieën; hij heeft zelfs, wat in dat land het toppunt van deftigheid vertegenwoordigt, een franschen kok.

Maar het schijnt dat die landgenoot er niet naar verlangt, kennis met ons te maken; ik begrijp zijn aarzeling, toen hij eindelijk besloot, zijne opwachting te maken. Wij ontdekten in hem al spoedig een strafgevangene, ontsnapt uit Nieuw-Caledonië. Enkele maanden tevoren waren drie misdadigers ontvlucht uit de zuiderbaai met een klein scheepje, dat hen naar de Loyalty-eilanden had gebracht, een dépendance van onze kolonie. Daar zij meenden, in een onafhankelijken archipel te zijn aangeland, gingen zij vol vertrouwen aan wal, maar ze werden gevangen genomen en voor den administrateur dezer eilanden gebracht. Ze wisten echter opnieuw te ontkomen, en, dezen keer gelukkiger terechtkomend, deden ze het eiland Guadalcanar aan, na een lastigen overtocht. Zij deden zich voor als schipbreukelingen van een fransch schip op weg naar Batavia en werden door de blanken van de Salomons-eilanden goed opgenomen. Ik meende den Rus van Santa Anna maar niet nader te moeten inlichten omtrent de herkomst van zijn kok. Moge deze zich een nieuwe levensbladzijde van maagdelijke moraliteit hebben omgeslagen en aldus zijn vroegere fouten boeten.

Ons bezoek bij den heer F... was van korten duur; ik haastte mij om een toertje te gaan maken in het inlandsche dorp en daar enkele gegevens te verzamelen. Wij konden er onbeschroomd binnengaan en ons vrij onder de Kanaken bewegen; Santa Anna is het beschaafdste eiland van de groep, en kapitein Mac Donald, een ervaren reiziger uit den Stillen Oceaan, heeft er lang gewoond, zonder ooit aan gevaar te zijn blootgesteld.

Onze aankomst werd met een groot geschreeuw begroet; de mannen liepen ons tegemoet, terwijl de vrouwen zich beschroomd en angstig achter in de hutten verscholen en niet voor den dag durfden komen.

De mannen waren vriendelijker; zij liepen met ons mee en brachten ons dadelijk in de hut, waar de oorlogsbooten lagen. Dat huisje was het belangrijkste monument van het geheele eiland; de inboorlingen waren er trotsch op en wilden er gaarne de honneurs van waarnemen voor de vreemdelingen. Het ongeveer 4 M. hooge huis werd gesteund op palen van beeldhouwwerk, die dieren en menschen moesten verbeelden.

Het is de karakteristieke eigenaardigheid van de inboorlingen van Santa Anna, dat zij knap zijn in het maken van booten; men kan het eiland de scheepswerf noemen van den geheelen archipel. Wij zagen er de echte oorlogsjonk van wel 7 à 8 M. lengte, waar 60 à 70 roeiers plaats in vinden; een speciale zitplaats is achterin de boot bestemd voor den leider, die het gevecht regelt. De booten hebben geen steunbladen, zooals de booten der inboorlingen van de Nieuwe-Hebriden en van Nieuw-Caledonië vertoonen.

De vaartuigen hier waren met parelmoer ingelegd, aan beide uiteinden omhooggebogen en van teekeningen voorzien; aan de randen waren gebeeldhouwde dieren aangebracht, als honden en vogels; tusschen bloemguirlanden; de stevigheid is buitengewoon groot en de zeewaardigheid voldoende, om te maken, dat de inboorlingen er 50 à 60 mijlen mee kunnen roeien, want van zeilen maken ze nooit gebruik.

Het gebouw, waarin de booten werden bewaard, stond onder de bescherming van een godheid, aan wie een menschenleven wordt geofferd telkens als er een nieuwe oorlogsboot van stapel loopt. Ook is er een boot speciaal voor den god bestemd, en in een hoek stonden artikelen, als huisraad en allerlei vazen, te zijnen gebruike. Nooit willen de inboorlingen een dier voorwerpen afstaan, hoe hoog de prijs ook zij, die hun ervoor wordt geboden, en ze zouden den vreemdeling niet sparen, die het mocht willen wagen, met hun vooroordeelen en hun bijgeloof te spotten.

Het bezoek aan het dorp Santa Anna hield ons den geheelen morgen bezig. Op den middag verlieten wij het eiland, om ons naar de noordkust van het eiland San Cristoval te begeven. May vergezelde ons en diende ons tot loods, om ons de haven Fanariki te helpen bereiken; wij hoopten er den volgenden morgen vroeg aan te komen.

Gedurende den korten overtocht kon ik een algemeen overzicht krijgen van de eilanden, die het zuidelijk gedeelte van den archipel uitmaken; Malaïta, San Cristoval, Hougué, Santa Catalina en Santa Anna kwamen duidelijk uit, en we konden alle goed herkennen.

De duur van een nacht was voldoende, om de weinige mijlen af te leggen die ons van Fanariki scheidden. Zoodra deLady Saint Aubynvoor anker lag, gingen wij aan land, om een bezoek te brengen aan het dorpshoofd, dat den naam van Quarter droeg. Allereerst was het bij de recruteering noodig, dat wij de goede gezindheid verwierven van de hoofden. Zij hebben een onbeperkt gezag en besluiten niet om een inboorling te laten vertrekken, als ze niet eerst veel geschenken hebben ontvangen en veel drank hebben genoten. Toen dan ook Quarter van onzen kapitein een flesch jenever en een prachtig Lefaucheux-geweer had ontvangen, beloofde hij ons zijne medewerking en verzekerde ons, dat wij veel verbintenissen zouden kunnen aangaan op zijn grondgebied. Dat laatste beteekent trouwens nog niet veel bij deze koninkjes van de Salomons-eilanden. De inboorlingen vormen namelijk kleine verspreide groepen, en het gezag van een inboorling en hoofd reikt niet verder dan eenige mijlen van de plaats, waar hij woont.

Quarter aarzelde dan ook, ondanks zijn groot gezag in eigen dorp, den voet te zetten op het terrein zijner buren; hij heeft altijd zoo een en ander op zijn geweten, en hij is niet gemakkelijk tegenover de bevolking om hem heen. May, onze loods enQuarter, onze gast, zijn twee beroemde jagers op menschen; zij begrijpen elkander en zijn vereenigd in een vriendschap, die bevestigd is door veel samen vergoten menschenbloed.

De onderdanen van Quarter zijn volstrekt niet veilig, en hij beschikt naar willekeur over leven en goed der zijnen. Hij wou ons zelfs wel eens toonen, hoe weinig hij geeft om een menschenleven meer of minder, en hij zou niet aarzelen, te onzer eer een paar zijner landgenooten te offeren. Maar wij haastten ons hem te zeggen, dat we hem op zijn woord geloofden, en dat we heelemaal geen bewijzen voor zijn bewering verlangden.

Intusschen was zijn houding tegenover Europeanen welwillend, en dank zij zijne bescherming, konden wij in alle gerustheid de omstreken van het dorp bezoeken.

We zagen bij die gelegenheid ook de aanplantingen van de inboorlingen op de helling der bergen. De Kanaken of liever hun vrouwen ontbosschen het terrein door verbranding en planten er daarna hun aardvruchten. Zij eten die taro’s en buitendien veel bananen, hun hoofdvoedsel, dat zij zoowel gekookt als rauw tot zich nemen.


Back to IndexNext