Uit Marokko

Fetisjen.Fetisjen.

Fetisjen.

Fetisjen.

Toen we die plantages hadden bekeken, liepen wij die gedeelten van het bosch in, waar de bijl van den mensch nog nooit had gekapt; wij konden oordeelen over de vruchtbaarheid van den grond en bemerken, hoeveel voordeelen die zou kunnen opleveren, als ervaren landbouwers er aan het werk gingen. Onder de reuzenboomen, die men overal ziet, ligt een dikke humuslaag, waaruit bij de warmte en de vochtigheid vaak schadelijke dampen opstijgen; maar als er meer licht en meer lucht in die bosschen werd toegelaten, zou het land gezonder worden en de grond zou er niet minder vruchtbaar om zijn.

Op onze wandeling ontmoetten wij eene groep jonge vrouwen, die gebukt gingen onder den oogst van bananen, voor Fanariki bestemd; zij liepen onder toezicht van een inboorling. Hoewel haar levenswijze niet maakt, dat haar schoonheid lang bewaard blijft, zag ik er toch onder, die er aardig uitzagen, en ze zouden zelfs mooi kunnen heeten, als ze niet tot allerlei dwaze ontsieringen waren overgegaan.

Een van haar had het tusschenschot van den neus doorboord en had er een ring van schildpad aan gehangen; eene andere had het oorlelletje zoo uitgerekt, dat zij er een houten blokje of schijfje had kunnen insteken van 0.05 M. middellijn. Men ziet het, de behaagzucht is nergens de wereld uit. De dames hadden regelmatige trekken, zijdeachtige, niet gekroesde haren als bij negerinnen, en ze waren goed geproportionneerd.

Zoo kwamen wij terug in Fanariki. In onze afwezigheid hadden de onzen veel succes gehad met het werven; vijf inboorlingen gingen mee op ons schip, namelijk Sohima, Toro, Tarimbanne, Tagaro en Soemanson. Zij vonden het aardig, te gaan naar een land van blanken, en onbewust zullen zij meehelpen tot den vooruitgang van de fransche kolonisatie in Nieuw-Caledonië. Het waren knappe, sterke, jonge mannen tusschen 18 en 22 jaar; hen trokken de zucht naar het onbekende en de zin voor avonturen, en zij moeten moed hebben, om weg te gaan, want in hun verbeelding zien ze niet alleen wonderen, maar wel degelijk ook gevaren.

Er wordt gewoonlijk beweerd, dat zij gaan op bevel hunner hoofden of van hun ouders; maar dat is een vergissing; zij moeten integendeel meestal den tegenstand van de ouders overwinnen en den onwil van hun hoofden, die het volstrekt niet prettig vinden, het aantal hunner strijders te zien verminderen.

Door velerlei geschenken moeten wij de smart der scheiding verzachten. Maar zoodra het schip de kust verliet, werden we met geschreeuw uitgeleid, en ik heb wel jonge meisjes zwemmend onze boot zien volgen en pogingen zien aanwenden, om door waarschuwingen en gebeden den broeder terug te houden, die haar misschien voor altijd ging verlaten.

Wij vervolgden onzen weg naar de Wannoni-baai, De pas ingescheepte Kanaken verzochten mij, of ik hen op mijn register wilde inschrijven. Ze wisten, dat die plechtige formaliteit onmisbaar is, als hun contract geldig zal zijn. Het is in hun belang, als de plaats hunner geboorte staat opgeschreven en de duur van hun contract, opdat men hen, als het tijd is, naar huis kunne terugbrengen, namelijk als de drie jaren, waarvoor ze zich verbinden, om zijn.

Ik liet hun een volledig stel kleederen geven en een deken; hoewel ze een lange reis gingen ondernemen, was er geen sprake van bagage, en naakt als wormen trokken ze uit hun dorp weg. Toch zag ik nog, dat ze allen een heel klein gevlochten zakje droegen, en door nieuwsgierigheid gedreven, zag ik na, wat er in was. Het bevatte een beschilderd bamboekokertje met de ingrediënten voor het sirih-kauwen, een paar arekanoten dus, wat tabak en betelbladeren. Ze doen allen aan het betel- of sirih-kauwen, deze inboorlingen, en de gewoonte moet door de Maleiers er zijn ingevoerd. Dit is niet het eenige bewijs van maleischen invloed; men vindt, uit anthropologisch en ethnographisch oogpunt kijkend, er nog zeer veel sporen van.

Wij kwamen te Wannoni aan en ankerden in een ruime baai, tegen de heerschende zuidoostenwinden beschut. De inlichtingen, die wij hadden ingewonnen, leerden ons, dat dit deel der kust zeer bevolkt was, en dat de inboorlingen uit het binnenland er dikwijls kwamen handel drijven. Wij zouden dus die menschen uit de wildernis kunnen aanschouwen, die aanmerkelijk verschillen van de kustbewoners.

Inboorlingen van de Salomons-eilanden.Inboorlingen van de Salomons-eilanden.

Inboorlingen van de Salomons-eilanden.

Inboorlingen van de Salomons-eilanden.

Ik geef aan elken zeevaarder, die deze eilanden bezoekt, den raad, de Wannoni-baai niet voorbij te gaan; hij zal er in overvloed zoet water kunnen innemen uit twee groote rivieren, die in de baai uitloopen, en als het noodig is kan hij van deinboorlingen proviand koopen, als bananen, suikerriet, aardvruchten en varkens. Wij bereikten een dorp, dat ongeveer 500 inwoners had. De huizen waren gelegen op de oevers van één der rivieren, en wij hielden gemeenschap met de overzijde door onze bootjes; de inboorlingen waren nog niet zoo slim geweest, om de noodzakelijkheid van een brug in te zien.

Wij ontmoetten vrouwen aan hare huiselijke bezigheden, bananen bereidend voor den avondmaaltijd, of visch schoonmakend, en bereikten weldra het voornaamste huis uit het dorp. Bij elken stam heeft men een gemeenschappelijk huis, dat tot plaats van samenkomst dient voor het mannelijk deel der bevolking; de vrouwen mogen er niet binnenkomen, omdat haar maatschappelijke rang te laag is, dan dat zij een woordje zouden mogen meespreken bij de discussies van haar echtgenooten.

Op het platform vóór de hut stonden de mannen dan ook druk te praten over het mooie weêr en de lange dagen en vertelden elkander, wat ze hadden gezien op hun reizen naar Queensland en Nieuw-Caledonië en de Samoa-eilanden. Ze besloten er ook tot komende oorlogsexpedities en kozen de plaatsen uit, die van de kusten in de buurt in aanmerking kwamen voor het zenden van oorlogsbooten.

Onze komst wekte de algemeene nieuwsgierigheid, en, getrouw aan de algemeene bedelachtigheid, begonnen ook zij te vragen naar pijpen en naar tabak. Ik heb tot principe aangenomen, nooit eenig geschenk te geven, waarvoor geen wederdienst wordt bewezen. Eén van hen verdween uit de groep, om uit zijn huis een prachtigen boog met pijlen te halen, en na lange onderhandelingen gaf ik hem er tien rollen tabak voor in betaling. De boog was werkelijk mooi en artistiek gemaakt; hij was aan de rugzijde met parelmoer ingelegd en was gespannen met een zeer stevig koord van gevlochten lianenvezels; zoo’n boog heb ik op mijn latere omzwervingen nergens meer aangetroffen, en het museum op het Trocadéro zal met dit eenig exemplaar worden verrijkt.

De inboorling, die hem mij verkocht, beweerde hem te hebben gekocht van een inboorling uit Malaïta; maar ik vrees, dat dit niet waar is en dat het alleen gezegd wordt, om de waarde van het voorwerp te verhoogen. Deze eilandbewoners gaan immers juist door voor de handigste en bekwaamste.

Ik kon ook een stuk beeldhouwwerk van hout bemachtigen boven van een huis; en ik kocht andere ethnografische voorwerpen, als vazen, borden en ander houten huisraad.

Zooals ieder europeesche natie haar eigen oorlogswapen heeft en een veelgebruikt soort van geweer, zoo vindt men op de groep der Salomons-eilanden knotsen van verschillende soort; ieder eiland heeft er zijn eigene, door de inboorlingen in aanval en in verweer nog liever gebruikt dan de assegaai, waarmee ze zoo uiterst behendig werpen.

De knots van San Cristoval is van zeer hard hout, en heeft den vorm van een sikkel van soms wel 1.50 M. lengte. Het is een geducht wapen in de handen der inboorlingen, en vaak heeft het hun gediend, om Europeanen uit den weg te ruimen. Wie er een slag mee heeft ontvangen staat niet weer op.

Bij gelegenheid van ons bezoek aan het dorp in de Wannoni-baai deden wij een uitstapje in het binnenland en voeren een eind de rivier op; wij kwamen daarbij ook weer in bosschen, nog niet door menschenhanden aangeraakt. Er waren veel vogels, en hun gekweel was de eenige verlevendiging der eenzaamheid; als de inboorlingen er door gaan, houden ze zich zoo stil mogelijk, en trachten hun aanwezigheid te verbergen, uit vrees dat een achter een boom verscholen vijand hen onverhoeds mocht aanvallen en hen berooven van het weinige, dat zij bij zich dragen.

Warmte en vocht zijn de beste hulpmiddelen voor de ontwikkeling van den plantengroei, en die worden op de Salomons-eilanden aangetroffen. Zoo konden wij op die wandeling langs de smalle boschpaden reuzenboomen bewonderen, waaronder veel bananen met groote luchtwortels. Kokospalmen waren er niet veel, die bleven meestal tot het strand beperkt; ze waren minder algemeen dan op de Nieuwe-Hebriden en de Fidsji-eilanden, en de coprahandel, de verkoop van het gedroogde kokosnotenvleesch, is veel minder algemeen hier dan in beide genoemde archipels.

Maar daarentegen komt hier de boom voor, die plantaardig ivoor levert; het is ook een palmsoort, die den wetenschappelijken naamPhytelephas macrocarpusdraagt en een eigenaardig voorkomen heeft. De bladeren zitten laag, bijna op den grond en komen voort uit een lagen stronk, die een weinig op een cactusplant gelijkt. Hij brengt zaden voort, die vóór ze rijp zijn, een waterig vocht bevatten, dat later melkachtig van kleur en consistentie wordt en eindelijk een witte kleverige massa vormt. Is het zaad, dat de grootte van een dikke kastanje heeft, volkomen rijp, dan is die massa hard geworden als ivoor en lijkt daar ook precies op. Daar die stof veel duurder is, wordt het plantaardig ivoor er dikwijls voor gebruikt; men maakt er sieraden van en voert de stof in groote hoeveelheid uit van de Salomonseilanden; er wordt 200 francs voor een ton betaald.

Aan de beide rivieroevers vonden wij telkens sporen van kaaimans; die dieren krioelen in de wateren van den archipel, maar ze worden bijna nooit buitgemaakt, altijd zijn ze den inboorlingen te slim af.

Wij hadden geen enkelen inboorling gezien en kregen van dat verschijnsel de verklaring, toen wij in Wannoni terugkwamen en daar hoorden, dat er oorlog was tusschen hen en de stammen in het binnenland.

De aanleiding tot die onderlinge gevechten der naburige stammen is soms de behoefte aan slaven, dan weer de roof eener vrouw, die als een moderne Helena een oorlog van Troje teweegbrengt.

Maar ten tijde van onze komst was men bereid, een wapenstilstand af te kondigen tusschen de beide oorlogvoerende partijen. De inboorlingen van de kust wilden wel toestaan, dat die uit de wildernis met ons handel kwamen drijven. Eenige dagen later werd ons dan ook de komst aangekondigd van de boschmenschen, op de aangeduide plaats verschenen, op neutraal terrein aan de baai. Zij waren driehonderd in getal, mannen van elken leeftijd en vrouwen en kinderen.

Wij gingen aan wal, om de onderhandelingen te beginnen; pas hadden we elkander begroet, of vier jonge mannen sprongen in onze boot en ondanks de smeekingen van hun vrienden verklaarden zij zich bereid, mee naar Nouméa te gaan. De betaling geschieddeterstond, maar daar er meer inboorlingen lust hadden, met ons te gaan, begonnen ze heftig tegen elkander uit te varen, en wij waren genoodzaakt, maar gauw aan boord terug te gaan. Het was gelukkig, dat een tweede gewapende boot bij ons was, om de menschen aan het strand in bedwang te houden, anders zou het ons moeite hebben gekost, deLady Saint Aubynweer te bereiken, zonder door assegaaien te worden geraakt.

We spoedden ons haastig van daar weg en ankerden een paar dagen later in de Paola-baai bij Tavaro, de plaats, waar de inboorlingen van het noordelijk deel der kust veel samenkomen, omdat men er beschut is tegen de heerschende zuidoostenwinden, en men er gemakkelijk zoet water kan krijgen uit een breede, snelstroomende rivier.

Nadat we te Tavaro een paar contracten hadden afgesloten, begaven wij ons naar het eiland Hougué en zouden daarna varen langs het eiland Malaïta.

Door gunstigen wind gedreven, naderden wij weldra Hougué, herkenbaar aan zijn ronde gedaante, als een rond stuk koraal op de zee neergelegd. Het is een laag eiland met een weelderigen plantengroei, waaronder de inlandsche hutten aan het strand zich verbergen.

Er wonen ongeveer 800 inboorlingen, echte zeeroovers, wel beveiligd tegen vreemde invallen, omdat ze zelf herhaaldelijk de anderen bedreigen. Ook hier leefde een uit Nieuw-Caledonië ontvluchte Franschman onder de Kanaken en deelde in hun leven; hij heeft het niet noodig geacht, ons met een bezoek te vereeren, maar hij is sedert dien al weer opgepakt en in de gevangenis van Nouméa teruggegebracht.

Wij zetten onzen weg voort, en al spoedig kwam het eiland Malaïta in het gezicht. Er zijn weinig eilanden in de Stille Zuidzee, zoo bekend als Malaïta. Het gaat voor het gevaarlijkste van de Salomonseilanden door, waar de aanvallen op blanken het talrijkst zijn. Toen wij er waren, sprak men nog van een onlangs voorgevallen catastrophe, die schrik had verspreid onder de blanken in de buurt. Een klein schip was de oostkust genaderd boven Port-Adam en was door de inboorlingen aangevallen; de kapitein en de stuurman waren gedood en het scheepje was verbrand, na geplunderd te zijn.

Er moest met de uiterste voorzichtigheid worden opgetreden bij de onderhandelingen, en wij namen aan boord alle mogelijke voorzorgen.

Maar niet alle plekjes op Malaïta zijn even gevaarlijk. Port-Adam, onze eerste aanlegplaats, had vroeger een treurige reputatie, maar sedert eenige jaren is het aan de engelsche zendelingen gelukt, er eenige vermaners of leermeesters te plaatsen, en de geest der inboorlingen is daardoor wezenlijk beter geworden, zoodat vreemdelingen er nu niet meer zooveel gevaar loopen.

Zoo konden wij dus hier leeren kennen de Kanaken, nadat ze een zeer licht tintje van beschaving hebben opgedaan en niet meer die woestheid vertoonen, die zoo kenmerkend is voor het ras. De huizen waren hier beter ingericht dan bij de echte heidenen; we vonden er enkele europeesche waren en een paar godsdienstige boeken, in de taal van het land overgebracht.

Uit Port-Adam krijgt men gewoonlijk de tolken, die bij de werving niet mogen ontbreken. Hoewel ze tot één archipel behooren, hebben de bewoners van bijna alle eilanden een eigen dialect, dat op een naburig eiland niet wordt verstaan, en soms wordt er zelfs een verschillende taal gesproken in dorpen, die 60 à 70 K.M. van elkander zijn verwijderd. Er is wel veel overeenkomst tusschen de verschillende talen; als men een weinig op de hoogte is van het oceanische idioom, bemerkt men spoedig, dat het alles dialecten zijn van de papoea-branche der maleisch-polynesische talen.

Toch kunnen een inboorling van San Cristoval en een van Malaïta elkander niet verstaan of begrijpen; daar heb ik meermalen voorbeelden van gezien.

Port-Adam is de beste haven van Malaïta, gelegen aan een lagune, waardoor men gemakkelijk met niet te groote schepen van den eenen naar den anderen kant van het eiland kan komen.

Wij volgden na Port-Adam de westkust van Malaïta naar Pioe, en onderweg werden allerlei plaatsen aangedaan, waar we talrijke inlichtingen konden krijgen over de inboorlingen en over de fauna en de flora van dit eiland. Het is het minst bekende van de geheele groep, het eenige ook, waar nooit een Europeaan aan den wal heeft vertoefd.

Wij vonden er den broodboom en den amandel, den arecapalm, allerlei lianen, veel Rubiaceeën en Orchideeën; deHibiscusgroeit er in overvloed en, evenals de Olijf in oude tijden, is hij een vredessymbool.

Maar de fauna is minder rijk dan de flora; er waren bijna geen dieren op het eiland. Soms brachten de inboorlingen ons een paar magere kippen, die onzen kok tot wanhoop brachten, en dan weer kregen wij eieren, driemaal zoo groot als gewone; die moeten worden gelegd door een zeer kleine kip, welke ze in het zand legt en ze onder den invloed der zonnestralen laat uitbroeden. Ondanks mijn ijverig zoeken heb ik geen dier vogels kunnen bemachtigen; maar ik heb te dikwijls hun eieren geproefd, die ik niemand kan aanbevelen.

Koning op dit eiland is het varken; men koopt een vrouw voor tien varkens; met een varken betaalt men het contract van een inboorling, en overspel zoowel als moord en alle andere zonden, worden geboet door de aanbieding van één of meer varkens aan het hoofd van den stam.

Zij vormen echter niet het eenige ruilmiddel. Wij zagen vaak vrouwen en mannen, versierd met halssieraden van hondentanden, die ze tot geen prijs wilden afstaan; die tanden vormen de inlandsche muntstukken. Maar slechts twee tanden hebben waarde, dat zijn die, welke onmiddellijk aan de kiezen of maaltanden aansluiten; de andere dienen alleen tot sieraad.

De westkust van het eiland was dicht bevolkt, en de dorpen lagen er idyllisch in de schaduw van kokospalmen; het zou moeilijk zijn, ook maar bij benadering de geheele bevolking van het eiland op te geven, maar zeker is het, dat er nog meer menschen in het binnenland wonen dan aan de kust.

Het gezag van een inlandsch hoofd strekt zich soms uit over 5000 à 6000 onderdanen; zekere hoofden hebben zich vrij groote rijken weten te verwerven, waarover zij als onbeperkte heerschers regeeren; soms hebben ze 700 à 800 krijgers in hun dienst. Dusis het gemakkelijker, de politieke organisatie te bestudeeren op Malaïta dan op San Cristoval.

De waardigheid van dorpshoofd kan erfelijk zijn, of ook wel wordt zij verkregen door rijkdom of door sterk sprekende physieke meerderheid boven de andere inwoners.

Onder hem staat een ander hoofd, die een invloedrijke positie heeft weten te verwerven door zijn moed. Dat is dan de oorlogsleider, waarvan wij een type aantreffen in den persoon van Aio, wel bekend niet enkel op de Salomons-eilanden, maar ook op de Nieuwe-Hebriden en zelfs op Nieuw-Caledonië, waar hij aan den gouverneur is voorgesteld geworden. Aio is begiftigd met een alles te boven gaanden moed, en bij menige gelegenheid heeft hij niet geaarzeld, vreemde booten aan te vallen. Er heeft echter niet altijd zegen op zijn werk gerust, waardoor hij ten laatste een onvrijwillige reis naar Nouméa heeft moeten maken.

Dan was er nog de toovenaar, zooveel als de ta-ka-ta van de stammen op Nieuw-Caledonië. Vaak wezen de inboorlingen ons een lid van hun stam, die, zeiden zij, naar believen regen of mooi weer kan maken.

Het strand te Port-Adam.Het strand te Port-Adam.

Het strand te Port-Adam.

Het strand te Port-Adam.

Hun geloof raakt niet aan het wankelen, als het beloofde weder uitblijft en de aardvruchten bij gebrek aan regen verdrogen; er is dan blijkbaar altijd een uitlegging gereed, waardoor het gemis aan welslagen aan allerlei andere dingen te wijten is dan aan ’t gemis van bekwaamheid bij hun toovenaar.

Te Pioe zagen wij het grootste aantal inboorlingen op ééne plaats bijeengekomen. De bewoners van de kuststreek en die uit de bosschen van het binnenland waren er vergaderd. Te midden dier menigte, waarbij individuen te vinden waren van elken leeftijd en beide seksen, was het gemakkelijk, twee typen te onderscheiden, die uit physiek oogpunt veel verschilden. Naast den inboorling met Papoea-trekken vonden wij vele inboorlingen, die onmiddellijk den Polynesiër verrieden.

De beide rassen, het papoesche en het maleisch-polynesische, hebben inderdaad den archipel bevolkt. Het schijnt, dat de landverhuizers van maleisch-polynesische afkomst de kust bezetten en de eerste bewoners, die Papoea’s waren, naar het binnenland hebben teruggedrongen.

Toen wij Malaïta verlieten, zouden wij naar het eiland Isabel hebben willen gaan en de baai der Mille-Vaisseaux hebben willen bezoeken, waaraan talrijke fransche herinneringen zijn verbonden. Doch sinds 1885 heeft het noordelijk deel van den archipel de opperhoogheid van Duitschland moeten erkennen, en die mogendheid heeft de werving op haar grondgebied verboden.

Wij hadden slechts vergunning om te werven in het onafhankelijke deel der eilandengroep, en het deed ons leed, zonder er stil te houden, de bewuste baai te moeten voorbij varen aan de zuidkust van het eiland Isabel. Daar legde Dumont d’Urville aan op zijn reis naar de Salomons-eilanden, en de haven van Astrolabe, aan die baai gelegen, werd door fransche officieren zeer nauwkeurig hydrographisch opgenomen, terwijl het te betreuren is, dat ook niet andere punten van de kust zoo goed bekend zijn.

Op het eiland Isabel, waar wij niet veel succes hadden, eindigde ons recruteeringswerk. Wij hadden 112 inboorlingen aan boord, voor wie wij zeker wisten te Nouméa werk te zullen vinden, en nu waren wij verheugd naar Nieuw-Caledonië te kunnen terugkeeren, naar beschaafder streken. Maar wij waren toch voldaan over ons bezoek aan deze eilanden, die zoo weinig bekend en zoo interessant zijn. Het geluk had ons gediend, en wij waren welwillend ontvangen door de inboorlingen, die zulk een slechten naam hebben; ze hadden ons tenminste geen openlijke vijandschap getoond.

Den 17den November om zes uur ’s avonds ankerde deLady Saint Aubynin de haven van Nouméa, waar zij te huis was.

Naar het Duitsch van Dr.Siegfried Genthe.1

De schapenmarkt te Tanger.De schapenmarkt te Tanger.

De schapenmarkt te Tanger.

De schapenmarkt te Tanger.

Er bestaat nergens een onmiddellijker overgang tusschen twee volkomen verschillende werelden dan bij de straat van Gibraltar. Nergens elders op aarde staan twee gebieden van zoo scherpe tegenstellingen tegenover elkaâr en zijn dan toch zoo nauw vereenigd, als hier, waar Afrika’s noordwestpunt door een zeeëngte van niet meer dan een paar mijlen breedte gescheiden wordt van het spaansche vasteland, ’t welk immers stellig europeesch van aard is trots het bekende woord, dat Afrika ten zuiden van de Pyreneeën begint.

Op de smalste plek tusschen Punta Maroqui bij Tarifa op den spaanschen en kaap Eires op den marokkaanschen kant bedraagt de breedte van het scheidend watervlak, dat, geologisch gesproken, een nog jonge doorbraak van den Atlantischen Oceaan is, minder dan 14 K.M. En toch beteekent dit smalle water, minder breed dan de Elbe bij Cuxhafen, een scheiding grooter, dan duizenden van zeemijlen bewerken, moeilijker te overbruggen dan de diepste, breedste wateren.

Wel gaan tegenwoordig dag aan dag de kuststoombooten tusschen de spaansche en marokkaansche havens heen en weer, wel zorgt ook de onderzeesche kabel voor de aansluiting bij de buitenwereld, maar men zou van deze verbinding kunnen zeggen, dat zij uiterst oppervlakkig is en ’t innerlijke wezen in ’t geheel niet raakt. Toch heeft Spanje sterk den invloed van Afrika ondervonden en men speurt dien in de bevolking, de taal, de bouwkunst, en de kleeding der bewoners, een bewijs hoe krachtig de werking is geweest der moorsch-arabische heerschappij in Andaluzië en Granada.

Maar die afrikaansche herinneringen, die Spanje voor den toerist zoo iets bekoorlijks en buiten-europeesch geven, zijn volkomen eenzijdig gebleven. Aan den overkant der straat is van spaansche of andere europeesche invloeden niets te bespeuren, zoodra men de weinige havensteden, die voor den buitenlandschen handel zijn opengesteld, heeft verlaten en in het binnenland komt.

Het is inderdaad merkwaardig, met hoeveel taaiheid de Islam in Marokko erin geslaagd is, zich te verzetten tegen de onvermijdelijk schijnende aanraking met de christelijke buitenwereld aan de Middellandsche Zee. Het is alsof de vurige en aanvallende geloofskracht, die Mohammeds leer juist op deze plek in haar stoutmoedig binnendringen op europeeschen bodem heeft getoond, zich later heeft omgezet in nog vasthoudender kracht van weerstand.

Maar in onze dagen van triomfen voor het wereldverkeer bestaat er ten slotte geen hinderpaal, die niet eindelijk wijkt voor de aandringende beschaving der blanke volken. Het vele duizenden van jaren oude China, tot op den jongsten tijd ’t bewonderenswaardigst bolwerk van trotsche welgelukte afzondering, zijn geheimzinnige buurlanden Thibet en Korea, ook zij moeten stap voor stap toegeven, wijken voor den aandrang van ons ras.

En zooals het nog voor weinig tientallen van jaren donkere werelddeel nu bijna geheel verdeeld is tusschen de staten, die het meest voor de openstelling hebben gedaan, zoo zal ook Marokko’s laatste uurtje slaan, en in een niet te verre toekomst zal op de plaats van het vreemdenhatend, achterlijke rijk van den Sjerif een land liggen als andere koloniën, waar naar de grondstellingen der verlichte staatskunst de geheele wereld uitgenoodigd wordt ter exploitatie van de natuurlijke krachten en rijke schatten van den grond.

Dat echter Marokko, om zoo te zeggen op den drempel van Europa en onder onze oogen, tot heden niet enkel een politiek zelfstandig, maar ook een voor de buitenwereld zoo goed als gesloten land gebleven is, behoort tot de merkwaardigste feiten der geschiedenis, tot die verbluffende dingen, die men aanneemt als iets vanzelfsprekends, ofschoon ze dat volstrekt niet zijn. Want hoe was het mogelijk, dat midden in onzen beschavingskring een land aan de Middellandsche Zee, dat reeds in den grijzen voortijd bij zijn buren bekend was en vaak genoeg een niet onbeduidende rol in hun onderlinge betrekkingen gespeeld heeft, alleen van alle andere als onaangetast de stormen heeft getrotseerd van oorlog en verovering, wisseling van heerschappij en eeuwigen burgeroorlog? Hoe kan een land, dat Phoeniciërs, Grieken, Romeinen, Vandalen, Gothen, Arabieren, Spanjaarden en Portugeezen na elkander in den loop der eeuwen bezet en bewoond hebben, nu nog oprijzen in den tijd, dien wij beleven, als een levend gebleven stuk oudheid? Hoe verklaart men het, dat aan dit merkwaardig, ingedommeld sprookjesland, waar de tijd schijnt stil te staan, tot in het midden van de 19de eeuw door groote mogendheden schatting is betaald, als moest men door deemoedige geschenken zich de gunst verzekeren van een gevreesden geweldige.

Waaraan ligt het, dat de trotsche Europeaan, die overal elders in de wereld als heerscher of als zelfbewust gelijkberechtigde optreedt, zich in Marokko in de rol van den verachten, slechts gedulden christenhond schikt? Dat zelfs de ambtelijke vertegenwoordigers van onze regeeringen, tegen alle gewoonten van hun stand in, zich ermee tevreden stellen, ver van de hoofdstad of zelfs van alle persoonlijk verkeer met den vorst en zijn regeering, rustig aan de kust te wonen?

Deze vragen, die iemand door het hoofd gaan, als men voor het eerst van de spaansche naar de marokkaansche kust overvaart, voldoende te beantwoorden, zou meer tijd vorderen, dan men voor mijmeringen bij den korten overtocht heeft en bovendien heel wat studie van Marokko’s geschiedenis vereischen, zonder tot een bevredigende uitkomst te leiden.

Doch één ding schijnt mij toch duidelijk bij een vluchtig kijkje op Marokko’s historie, namelijk, dat het niet de Islam alleen geweest kan zijn, die het land in zijn afzondering houdt en dit land, ’t welk naar zijn aardrijkskundige ligging midden in het drukste wereldgewoel moest staan, als een zonderling alleen doet blijven, een eigen plaats innemend in onzen nivelleerenden, alles gelijkmakenden tijd.

Wel heeft juist van Marokko uit de Islam zijn grootste kracht ontwikkeld en van het van hier uit onderworpen Spanje drongen de mohammedaansche strijders voor het geloof tot in het hart van Frankrijk door; het waren de uit Marokko gekomen legerscharen van den Profeet, die Karel Martel bij Tours en Poitiers tot zegen van Europa heeft teruggeslagen. Maar toch; belangrijker dan de kracht van het geloof met zijn dweepzucht en zijn persoonsvereering was voor het land zijn krachtige bevolking, geen arabische of moorsche, geen negers of afstammelingen van negers als in andere landen van Noord-Afrika, maar Berbers, dat geheimzinnige volk, welks lichte huidkleur met soms volkomen germaansch lijkende blauwe oogen en blonde haren, den ethnologen zooveel moeite geven. Berbers, in wie men nu eens de nakomelingen der verdwenen tien stammen van Israël, dan weer die der Vandalen en Gothen van Noord-Afrika heeft willen zien; in wie sommige de oude Libyers en Carthagers meenen te herkennen, terwijl anderen in hen die naamlooze volken hervinden, die op de oude egyptische monumenten blondharig en slank onder de schattingbetalende figuren op de wandschilderingen zijn afgebeeld. Alle volken, waar de ethnologen wat verlegen mee zitten, Kelten, Iberiërs, Basken, Carthagers, de Guanchen van de Kanarische eilanden en Etruskers, zijn als voorvaderen der Berbers aangewezen.

Maar ’t zij ze nu van indogermaanschen, semietischen of afrikaanschen oorsprong mogen wezen, zij waren en zijn het volk, dat meer dan eenig ander in de geschiedenis de vrijheidsliefde en den trots vertegenwoordigt, die men zoo dikwijls bij bergvolken vindt. Overal, waar de Islam op zulke stammen stiet, zijn er eeuwen lang bloedige oorlogen gevoerd, maar ten slotte ontstonden er vaste burchten des geloofs, rechtgeloovige plaatsen, die tot de gevreesde schuilplaatsen van roofzuchtige dwepers werden. Zoo in den Kaukasus en in Koerdistan, en in de hooge dalen van den Indus en in Afghanistan.

En zulk een land is Marokko eveneens. De Berbers zijn er van veel meer beteekenis voor geworden dan ooit Phoeniciërs en Romeinen, Arabieren of Spanjaarden. Zij zijn gebleven, wat ze waren, een ruw, krijgshaftig bergvolk, dat zijn onafhankelijkheid hooger stelt dan alle andere goederen der wereld, een onbeschaafd volk van jagers en herders, dat den opgedrongen, onbegrepen van het Oosten komenden nieuwen godsdienst voor zich pasklaar maakte naar zijn oude vooroudersvereering en nu eraan vasthoudt als aan een nationaal bezit.

De Berbers zijn de eigenlijke Marokkanen, degenen, die de geschiedenis van het land hebben gemaakt, die thans (1903 en 1904, toen Dr. Genthe in Marokko was, vert.) in den opstand van Boe Hamara evenzeer de hoofdrol spelen, als zij later, bij de komst der europeesche indringers, den nieuwen heerschers degrootste moeilijkheden zullen in den weg leggen. Aan de Berbers is het te danken, dat wij nu nog vóór onze deur hebben, zoo antiek, zoo barbaarsch en zoo schilderachtig, als men er enkel een in de ontoegankelijkste deelen der wereld zou verwachten, een land, dat den reiziger een paar uren, nadat hij Europa heeft verlaten, onmiddellijk in een bekoorlijke, verwarrend vreemde wereld brengt.

Wie dien indruk sterk wil krijgen, moet zijn reis naar Marokko niet doen met een der gemakkelijke stoombooten, die van verschillende europeesche havens uit naar de marokkaansche kustplaatsen varen. In Hamburg alleen zijn drie maatschappijen, die een geregeld verkeer met Marokko onderhouden, en zoo is het ook in Londen en Liverpool. Van daar uit duurt de reis tot Tanger, de dichtstbij zijnde marokkaansche haven, een week en langer. En ook de sneller en voornamer booten, dan die van Woermann en Oost-Afrikalijn en dergelijke, als bij voorbeeld die van de groote oostaziatische en australische lijnen, Noordduitsche Lloyd, Hamburg-Amerikalijn, Orient-lijn, Peninsular and Oriental, Messageries Maritimes, die in een paar dagen naar Gibraltar varen, geven iemand door de zeereis veel meer het idee van een grooteren tocht, van een overgang in nieuwe toestanden, dan wanneer men met de Zuidexpres over Parijs naar Madrid rijdt en van daar langs den kortsten weg Cadix en Gibraltar bereikt en zich met een der spaansche of engelsche stoombooten laat overzetten. Dan beleeft men inderdaad een groote verandering zonder geleidelijken overgang. Hoewel toch de zuidspaansche steden met hun witte huizen en platte daken, hun agaven en opuntia’s en enkele palmen reeds een weinig afrikaansch lijken, men krijgt toch den indruk van met een tooverroede te zijn aangeraakt, als men plotseling, nog in ’t gezicht der spaansche kust, aan den overkant de verblindend witte huizenblokken ziet en de middeleeuwsche tinnen van de vesting Tanger voor het oog ziet verrijzen.

Die stad mag zich beroemen, al heel weinig vereuropeescht te zijn. Meer dan de helft van de kustlengte der zuidelijke binnenzee van Europa behoort bij mohammedaansche landen, die met hun vreemde levensvormen veel bekoorlijks hebben en dit afrikaansche Oosten zeer geliefd maken; maar het levendig verkeer tusschen de omliggende landen, waardoor de Middellandsche Zee het drukst bevaren wordt van alle zeeën, heeft natuurlijk het binnendringen van europeeschen invloed en europeesche uiterlijkheden ten gevolge gehad. In de turksche en egyptische havens treedt het europeesch karakter in huizenbouw en kleeding der bewoners reeds op den voorgrond, en niet veel beter staat het daarmee in algerijnsche kustplaatsen en zelfs in die van Tunis en Tripoli.

Daarbij vergeleken, is Tanger werkelijk nog zoo echt, alsof het pas voor weinig jaren ontdekt was en niet een der oudste nederzettingen in dat deel der Middellandsche Zee, waar wij geloofwaardige berichten uit bezitten. Voor de in Marokko wonende vreemdelingen beteekent Tanger het toppunt der beschaving, de zeer gezochte, het dichtst bij Europa gelegen plaats, waar men alles vindt, wat men als twintigste-eeuwer in het leven behoeft.

Hôtels met vreemde-talensprekende kellners, couranten van alle beschaafde landen, kerken en kapellen van drieërlei belijdenis, tennisvelden, gezantschappen en consulaten van meer dan een dozijn staten, post- en telegraafkantoren, banken, een eindeloos aantal koffiehuizen, winkels van allerlei aard, ja zelfs telefonen en electrische straatverlichting.

Dat is werkelijk verrassend veel voor een marokkaansche stad, en zelfs al vindt men in de winkels nooit, wat men precies noodig heeft, en al weigert de electrische verlichting altijd dan en daar, waar zij het meest noodig is, toch zal men erkennen, dat een veel belovend begin aanwezig is.

Als men pas aankomt en onder de in zuidelijke landen zoo opdringende pakjesdragers en roeiers en gidsen en tolken en bedienden zich een weg gebaand heeft, kan men niet zoo gemakkelijk aan al die gemakken gelooven, die volgens de mededeelingen der hôtelbedienden er te kust en te keur te vinden zijn. Heel anders dan men in een opkomende wereldstad zou verwachten, hebben de landing en het douane-onderzoek plaats. De schreeuwende pakjesdragers, die van de bekende stoïcijnsche kalmte van het morgenland geen flauw besef schijnen te hebben, ontrukken iemand alles, wat hij bij zich heeft en snellen ermee de hoogte in naar de stad.

Dadelijk bij den ingang, aan de Bab el Marssa, de lage, dikmurige havenpoort, wordt even halt gehouden. Hier zetelt de douane van den sultan. Onder koele gewelven zitten met de grootste waardigheid met onder zich gevouwen beenen in ruime, luchtige kleederen een paar mummelende grijsaards, die zich in scherpe tegenstelling tot de rumoerige pakjesdragers niet in het minst uit de plooi laten brengen door de aankomst der talrijke, met ons gelijktijdig van de stoomboot komende reizigers, wier bagage moet worden onderzocht. Wellicht wordt hun kalmte eerder een beetje verstoord, als groote vrachten en ladingen goederen de douane moeten passeeren, omdat zij er volgens de handelsverdragen tien percent der waarde van mogen heffen. Want dat is de belangrijkste, en vooral de regelmatigste bron van inkomsten van het land, die, evenals in China, van alle overigens zoo barbaarsch en willekeurig ingerichte takken van bedrijf nog het meest den heilzamen, europeeschen invloed heeft ondergaan.

Toen Spanje bij den vrede van Tetoean, na met moeite een einde te hebben gemaakt aan zijn zoo dwaselijk ondernomen oorlog, den sultan van Marokko een oorlogsschatting van 100 millioen peseta’s, dat is naar den tegenwoordig koers (1904) van ongeveer 42 millioen gulden, oplegde, verzekerde het zich van die buitensporig hooge som, door beslag te leggen op de zeetollen. Tegelijk werd er een gemengd spaansch-engelsch bestuur ingesteld, dat door zijn eerlijkheid de wakkere moorsche tollenaren verbaasde en inderdaad in de jaren van 1860 tot 1863 de opbrengst van ongeveer zeven tot meer dan dertig millioen ’s jaars verhoogde. Eerst in 1887 verliet de laatste spaansche ambtenaar het land, dat sedert dien tijd weer naar ’s lands wijs havengelden en tollen heft. Den meestbiedende wordt het ambt van oppertollenaar afgestaan, en hij moet dan maar zien, hoe hij aan zijn geld komt. Intusschen schijnt het, of hij zoowel als de sultan er niet slecht bij varen,daar, vooral bij de zeer ingewikkelde berekening der uitvoerrechten, speelruimte te over is gegeven, waar de oostersche financiëele beambten zoozeer behoefte aan hebben. Bij den voortdurend meer vooruitgaanden handel van het land zijn de vooruitzichten bij dezen tak van bestuur werkelijk rooskleurig.

De groote Moskee van Tanger.De groote Moskee van Tanger.

De groote Moskee van Tanger.

De groote Moskee van Tanger.

Dit bewustzijn heeft denkelijk de tolbeambten zoo aangenaam onverschillig gemaakt voor onze bagage. Niets kan in beschaafde landen iemand zulk een hekel aan het reizen geven, als de kleinzielige, peuterige, zoogenaamd nauwkeurige manier, waarop koffers worden dooreengewoeld aan de grenskantoren. Daar zijn bij voorbeeld de amerikaansche ambtenaren in New York heele bazen in. Aan de welwillende nonchalance, wanneer “de heer der tienden”, zooals hij in Tanger heet, zich van zijn taak kweet, mogen overijverige tolbeambten uit andere landen gerust een voorbeeld nemen. Een vluchtige blik op de lange rij van koffers, een paar woorden met den vertegenwoordiger van ’t hôtel, waarheen ik gaan wilde, een wenk voor de sjouwers om alles weer op te nemen, daarin bestond de visiteering. Natuurlijk beweerde mijn gids, een bruikbare, spaansch-moorsche jood uit Tanger, die Arabisch, Spaansch, Engelsch, Fransch en soms zelfs een weinig Duitsch sprak, dat hij door groote fooien mij dat zoo gemakkelijk had gemaakt en dat hij bevriend was met den douanedirecteur; maar ik bemerkte, dat ook de andere nieuwaangekomenen, Duitschers, Engelschen, Amerikanen, Franschen en Spanjaarden, die met mij van Cadix overgestoken waren, even snel en gemakkelijk door de gevreesde poort trokken en zich bij de lange karavaan van dragers konden aansluiten, die nu naar boven klommen naar de stad.

Zooals de meeste der noordwestafrikaansche havens aan de kust der Middellandsche Zee ligt Tanger op een kleine, hooge rotskaap, den hoeksteen van een mooie baai. Dat is niet alleen een hoogst schilderachtige, maar uit militair oogpunt ook een zeer gunstige ligging. En als er een goede ankerplaats bij komt, zooals hier in Tanger, dat voor de beste haven van geheel Marokko doorgaat, dan kan men reeds alleen uit deze geographische gegevens de plaats een groote toekomst voorspellen.

Straat in Tanger.Straat in Tanger.

Straat in Tanger.

Straat in Tanger.

Wel valt er aan de haven niet veel te prijzen. De bocht is naar het Noordwesten open en levert tegen de van den Oceaan komende, noordelijke winden geen beschutting. Daarbij zijn voorloopig de aanlegplaatsen voor het laden en lossen nog zeer onvoldoende, daar er behalve de smalle, houten pier niets is, wat het havenverkeer vergemakkelijkt. In de zeventiende eeuw was dat een tijdlang anders. Zooals men weet, verwierf Karel II van Engeland bij zijn huwelijk met de portugeesche prinses Catharina van Braganza, een dochter van koning Johan VI, behalve een behoorlijken bruidsschat in rood goud de toen portugeesche koloniën Bombay en Tanger. In Engeland begroetten de ver vooruitziende koopliedenen leidende politici het bezit van zulke havens met groote blijdschap. De koning zelf verklaarde in het Parlement, dat Tanger een juweel van onschatbare waarde in de kroon was, en zijne ministers waren van oordeel, dat de nieuwe bezitting tegen alle andere engelsche koloniën opwoog. IJverig begon men het toen nog zeer kleine plaatsje uit te breiden. De inheemsche bevolking was nog zeer gering; maar de overplaatsing van een geheel regiment naar de van de Portugeezen overgenomen vesting deed er weldra honderden Engelschen, Joden, Spanjaarden en Italianen heen stroomen. Reuzensommen werden besteed aan vestingwerken; kerken, scholen, weeshuizen werden gesticht, in het kort, alles werd op groote schaal aangelegd, als voor een plaats die onbetwistbaar een groote toekomst te gemoet gaat.

De vestingwerken van Tanger.De vestingwerken van Tanger.

De vestingwerken van Tanger.

De vestingwerken van Tanger.

Het duurste werk werd een prachtige havendam, die 400 M. ver in zee werd uitgebouwd. Op de aanzienlijke breedte van ongeveer 25 M. stonden huizen en sierlijke paviljoens en bijna duizend stukken geschut waren langs de geheele lengte aan beide zijden geplaatst, bediend door een compagnie kanonniers en bijna onafgebroken een kanonnade bulderend ter begroeting van binnenkomende en uitgaande of voorbijvarende schepen.

Helaas, beantwoordde aan dat schitterend begin de verdere ontwikkeling der kolonie in ’t geheel niet. In die eerste dagen van overzeesche kolonisatie scheen men in Engeland het nog niet gansch en al verdwenen idee te hebben, dat voor den dienst in de koloniën de slechtste elementen goed genoeg waren. Zoo kwamen er bedenkelijke figuren naar Tanger; ook de ambtenaren, tot den stadhouder toe, waren niet beter dan de tuchtelooze bende der slechtbetaalde soldaten van de bezetting, en ten slotte waren de toestanden zóó geworden, dat men in het Huis der Gemeenten alle verdere uitgaven voor de dure kolonie afstemde.


Back to IndexNext