Chapter 8

Ontvangst aan een sterfhuis te Concarneau.Ontvangst aan een sterfhuis te Concarneau.

Ontvangst aan een sterfhuis te Concarneau.

Ontvangst aan een sterfhuis te Concarneau.

Die twaalf kilometer kan men afleggen door het woud van Clohars-Carnoët of langs de rivier, de Laïta, gevormd beneden het stadje door de vereeniging van de Ellé en de Isole. ’t Is waar, dat men op die rivier zich nog in het bosch bevindt. Het water der Laïta stroomt onder struiken door en tusschen eiken en beuken. Het is blauwachtig en helder bij ’t verlaten van Quimperlé, wordt dan onder het kreupelhout groener en donkerder, weerspiegelt het gebladerte en laat heel in de diepte een streep over van de lucht, schittert dan weer vrij op de open plekken en wordt bij de bochten gelijk aan een liefelijk meertje. Stelt u het bosch van Fontainebleau voor, doorstroomd door een rivier. Die stroom wordt breeder en breeder, laat zijn oevers droog in den tijd van eb, vloeit tusschen door rotsen versterkte kanten, met pijnbosschen bedekt en boschjes van kastanjeboomen. Na een oponthoud te Saint-Maurice, waar men voorbij een kasteel uit de 18de eeuw gaat, dat zich spiegelt in een vijver, en waar men de ruïnen der abdij Saint-Maurice bezoekt, omgeven door de gebouwen van een boerenhuis, gaat de rivier met korte golfjes verder. Die eerste elastische golfjes schijnen de boot aangenaam aan te doen, nadat zij lui den kalmen loop van ’t water heeft gevolgd. Men wordt herinnerd aan een paard, dat eerst op een moeilijken weg dommelig en traag heeft geloopen en dan, door zweep en woord aangemoedigd, een mooien weg vóór zich ziet, waar het flink en ferm lang achtereen vlug zal kunnen draven.

Zoo komt de boot, die het eerst al te gemakkelijk had in tegenstelling met het paard, opgewekt te Pouldu, dat tegelijk aan de rivier en de zee is gelegen.

Het is een gehucht, waar het goed rusten is voor hen, die villa’s aan de kust hebben gebouwd en hun met vijgenboomen beplante tuinen door hooge muren hebben omgeven. Het strand der zee is hier omzoomd met struikgewas vol bloemen en in den herfst met vruchten overladen. Nu kweelen er de vogels in. De rotsen zijn laag, en hier en daar dalen lange, zachte, zandige hellingen af naar zee. Aan den horizon ziet men het eiland Groix, als een steenen tafel oprijzend uit de golven. In de zachte lucht komt een aroma van bloemen naar ons toe door de zilte zeelucht heen.

Ten tijde van mijn verblijf te Pouldu en te Quimperlé hadden het dorp en het stadje een eigenaardig karakter, dat ik niet verborgen wil laten, al moet de nationale trots er onder lijden. Het een en ’t ander vormen samen een badplaats, die een soort van engelsche kolonie is, een volledige kolonie, waar men zich niet zou verbazen, als men er een consulaat vond en een engelsche vlag.

De hôtels van Quimperlé waren ingenomen door engelsche families of door engelsche jonge meisjes met haar gouvernantes. Meer dan de helft der plaats, ja bijna de geheele stad, was bezet door John Bull met vrouw en kinderen, en John Bull leefde hier als in Australië of in Indië. Hij heeft zin voor cosmopolitisme, en dat toont hij in een hoekje van een stil, kalm stadje in Bretagne, waar hij zijn zomerrust geniet, even duidelijk als in die streken, waar hij regeert in naam van zijn koning-keizer. Hij is overal op zijn gemak, en als men zegt, dat de Engelschman zoo aan zijn home gehecht is, sluit dat tevens in, dat hij zijn tehuis overal kan vinden en dat alle plaatsen geschikt zijn, om er zijn thee en zijn biefstuk met smaak te gebruiken.

Te Pouldu was alles vol, net als te Quimperlé, en veel Engelschen, die het klimaat boven dat van Londen verkiezen, blijven er het geheele jaar. Zij hebben hier hun huis, hun boot, hun rijtuig; ze dwalen langs de kust, loopen door het bosch, en overal ziet men hun witte hoeden, groene voiles en geruite pakken. Want zij geven zich hier het uiterlijk van de Engelschen uit onze vaudevilles, en de dames en kinderen overdrijven eveneens de anglomanie. En daarom ook ontmoet men in het land der vroolijke klompen en der mooie boezelaars zooveel groote meisjes, die als kinderen van Kate Greenaway gekleed gaan, en die veel te ernstig kijken, als ze naar huis gaan van een zitje bij het teekenen van een aquarel of van een levendige vlinderjacht.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht.De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht.

Er is wel een verklaring van te geven, waarom de Engelschen en villégiature zich er dadelijk zoo stevig installeeren, waarom onze buren van overzee terstond de omgeving verengelschen, het stadje, ’thôtel, het strand en alle plaatsen, waar zij hun tenten opslaan voor korteren of langeren tijd. De eigenaardige zeden en gebruiken geven er de waarde aan van eenhome, dat de Engelschen zoozeer op prijs stellen, evenals al degenen, die over Engeland spreken. Het bestaat wel, dat gevoel, maar niet alleen op de gevoelige, dichterlijke en romaneske manier, zooals allen zich dat voorstellen. Het is ver uitgebreid, gegeneraliseerd, algemeen geworden. Hethomeis de plaats, waar de Engelschman zich bevindt. Ook de plaats, die de zee voor hem inneemt, is daardoor aangewezen; zij vooral is zijn domein, waar de andere volken zich eigenlijk niet mogen vertoonen. Het is vrij gemakkelijk in te zien, hoe dit gevoel hem is aangeboren en zich altijd bij hem heeft ontwikkeld. De dubbele verklaring hangt samen met de aardrijkskundige gesteldheid van Engeland, met zijn rol in de wereld en ook met den zin voor het reëele, die een der karaktertrekken is van het handeldrijvende volk.

Het moederhuis is een eiland. Het was voor de daar gevestigde menschen volstrekt noodig, hun fortuin op het water te beproeven. Hun continentale uitbreiding in Europa is hun onmogelijk gemaakt door het verzet van Frankrijk; zij hebben in ons een levensfrischheid en kracht gevonden, waarop hun pogingen zijn afgestuit, en dus hebben zij hun horizon elders moeten uitbreiden. En dan was er de zee! Die hebben zij golf na golf veroverd; ze hebben haar geheel geëxploreerd; zij hebben alle landen op alle breedten aangedaan, overal hun vlag geplant, waar nog een zandbank was te vinden. De bewoners van het europeesche eiland zijn ten slotte in het bezit geraakt van een onmetelijk rijk, dat met zorg uitgekozen koloniën omvat, die op het budget prijken met baten, niet met nadeelige saldo’s. Dan, na dien zegetocht over de wereld, na die vestiging hier en elders verschijnt de zin voor de werkelijkheid, en de practische geest gaat aan het werk.

De Engelschman verstaat, zooals men heeft gezegd en dikwijls herhaald, de kunst van reizen, en het denkbeeld, dat men leert door reizen is aan hem bewaarheid. Zoo heeft hij leeren begrijpen, dat de aarde heel klein is, och zoo’n klein planeetje, dat men gemakkelijk naar alle zijden kan bereizen, terwijl het engelsche volk talrijk genoeg zou wezen, om het geheel te bezetten. Maar die onderneming biedt wel eenige moeilijkheid, en nu hij de aarde niet geheel voor zich kan nemen, stelt hij zich tevreden met een gedeeltelijke bezetting en inbezitneming. Toch is het gevoel van die universeele souvereiniteit, die niet tot de onmogelijkheden behoort, hem bij en uit zich altijd en overal, in de kleine bretonsche steden, uitgekozen als geschikte punten, daar het klimaat er heerlijk is, en op de groote, wijde zee, die er slechts schijnt te zijn, om de Britsche eilanden met water te omringen.

Te Pouldu hield ik mij eenigen tijd op in het oranjekleurige zand en de holle wegen, waar de hellingen met wilde aardbeien en viooltjes zijn begroeid. Toen ging ik per boot naar Douëlan en Pont-Aven. Het eerste is een haven, waarin enkele booten liggen. Pont-Aven “stad van naam, veertien molens en vijftien huizen, meldt de faam”, zegt het spreekwoord. Er zijn inderdaad molens te Pont-Aven, maar er zijn nog meer rotsen en ’t allermeeste schilders; schilders van alle naties en ’t meest amerikaansche schilders. Het heet, dat een Amerikaan Pont-Aven heeft ontdekt in 1872. Welk een hôtel en wat voor table d’hôte toentertijd! Maar het landschap vloeide over van tooneeltjes, door die heeren als motieven aangeduid. De rivier is verrukkelijk door haar watervalletjes en scherpe bochten, door groene oevers en kleine strandjes, waar men een schildersezel kan neerzetten.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht. Ze besteden veel geld aan degelijke stoffen voor haar japonnetjes, vooral het bruidskleed moet prachtig zijn. Haar nationale dracht vertoont veel fluweel en borduursel, goud- en zilvergarnituur en allerlei versiering.

Niet ver van Pont-Aven ligt de kapel Trémalo, een laag gebouwtje, waarvan de muur maar even boven den grond reikt met een hoog dak erop en een klein klokkentorentje, zoodat het geheel er als een schuur uitziet; verder het kasteel Hénan, dan veel dolmens of hunebedden, een ingestorte toren en begroeid plateautje, die de ruïnen van Rustephan moeten zijn, gesticht in de 12de eeuw.

Dan bereikte ik Bannalec, het land der zwarte mutsjes, dan Rosporden, waar ik in den namiddag aankwam en waar alles mij doodsch en verlaten scheen met het stille marktpleintje en de zwarte huizen, en Concarneau, dat mij aan Pont-Aven deed denken.

De aankomst in den zomer tegen het vallen van den avond te Concarneau in een der hôtels, die op de haven uitzien, geeft een goed denkbeeld van de villégiatures in die visschersplaatsjes. De dame van ’t hôtel heeft, zoo al niet de nationale dracht, toch het karakteristieke mutsje behouden, maar er is veel schijn bij die vertooningen, en de bretonsche meubels zijn in Parijs gemaakt en toen verzonden naar de handelaars in oudheden in die kleine stadjes. Hier bijvoorbeeld is gelukkig de eetzaal echt engelsch en modern, vernist hout en electrische verlichting, maar de costumes der dames, wit en rood en fleurig, de mannen met hooge witte boorden, alsof ze een rol in een blijspel speelden, waarin het leven op een kasteel voorkwam, en geen middagmaal in een dorpsherberg vlak bij de schepen met sardines.

Concarneau gelijkt teveel op een deftige badplaats; maar als men het plaatselijke leven nagaat, is het bestaan der visschers altijd interessant. Ruwe, sterke heftige mannen zijn het, die soms een wedstrijd houden met volle booten, om maar het eerst hun visch te verkoopen. Daarna wordt alles weer kalm, als de booten op een rij liggen in de haven, en de netten drogen.

Ik ben hier gekomen in een tijd van feestelijkheden; en ik meng mij onder de menigte, die kijkt naar wilde-beestenspellen en luistert naar straatzangers. Er zijn veel vrouwen bij met bretonsche mutsjes en mannen met snorren, uit het régiment meegebracht.

De beide stadjes staan met elkander door een brug in gemeenschap. De nieuwe stad is slechts een voorstad, maar die neemt toe in aanzien en wint hetvan de moederstad. Deze heeft een geschiedenis, verhaald door de stevige muren. Zij is bezet geweest door de Engelschen, werd bevrijd door Du Guesclin en had te lijden in de oorlogen der Liga. Tusschen de hooge wallen, en in de vesting met gekanteelde muren is thans een visscherijschool gevestigd.

Buiten Concarneau kan men een bezoek brengen aan het museum Keryolet, aan het departement vermaakt door de gravin Chauveau Narischkine. Het uitwendige is een slechte nabootsing van werk der 15de eeuw, maar er zijn enkele mooie dingen, oud borduursel, aardewerk en een verzameling mutsjes. Toch is het prettiger, door de velden te loopen, waar de natuur prachtig is.

Deze heele streek van Bretagne is als een tuin, gelegen op de zuidelijke helling der Zwarte bergen, een oude, liefelijke tuin met eeuwenoude boomen, bloeiende velden en omlijnd door het saffierblauw van de zee. Van Quimperlé tot Douarnenez ademt alles rust, bekoring en vroolijkheid, met uitzondering alleen van de vooruitstekende rotspunten, die van Penmarch en du Raz.

In deze opmerking is niets overdrevens. Er is in Bretagne een eigenaardige tevredenheid, een natuurlijke vroolijkheid bij de bewoners. Reeds in het noorden van het land, aan het Kanaal, waar men den ernst verwachten zou in de straatjes der kloosterachtige steden, heeft de melancholie haar glimlach. Ik denk vooral aan de vrouwen van het land, nu ik dit schrijf, de vrouwen, die het leven zoo kalm opnemen, zoo aanhoudend bezig zijn en zoo bevallig zich bewegen met onveranderlijk, kalm gelaat. Zij kunnen echter ook wel haar genoegen er af nemen, en niet alleen de jonge meisjes, ook de oude vrouwen dragen dikwijls den gelukkigen glimlach, die aantoont, dat zij ’s levens zorgen niet zwaar nemen. Op feestdagen, bij bruiloften en boetedagen ontmoet men altijd bekoorlijke oudjes, zacht, eenvoudig en welwillend, die u een tot weerziens toeroepen, haar “kennavo!” alsof ze wilden zeggen, dat men ze misschien niet zal terugzien in de vroolijke gezelschappen, maar dat zij niettemin zeer gelukkig zouden zijn, als ze nog één- of tweemaal mochten terugkeeren.

Nog duidelijker komt het opgewekte humeur aan den dag in het zuiden in de streken aan den Atlantischen Oceaan; de taal is er levendiger; de menschen spreken haastiger en luider, en er wordt meer gezongen. Op de wegen hoort men lachen en zingen en praten; elk kruispunt van wegen wordt een societeit, soms een danszaal. Een muzikant, op een ton staande, is voldoende, en men danst de oude boerendansen met de vastgestelde figuren en de deftige buigingen.

Ik heb zulke menuets zelfs zien dansen op den weg naar Raz in dat sombere landschap, waar de velden door steenen zijn omsloten. Er moet een groot weerstandsvermogen in het ras aanwezig zijn, om zoo de nederige en bescheiden algemeene vroolijkheid te kunnen handhaven bij de vijandige natuur tegenover die zee, die zoo dikwijls wreed en woest is. Maar het landschap is daarentegen vertrouwd en vriendelijk langs de holle, door groen beschaduwde wegen, de voetpaden, tusschen hagen ingesloten en de velden, bloeiend afloopend naar zee.

Mij treft die luchthartigheid in het land, dat met zijn schoone boomen de baai de la Forêt omzoomt en dat tot Concarneau en de in zee uitstekende punt Beg-Meil voortloopt, terwijl ik door het dorp La Forêt en ’t gehucht Fouesnant ga. Men beschrijft, als ’t ware, al dat groen, die rose en blauwe velden en den glanzigen zeespiegel voor zich zelven, alleen als men die dagen herroept en zich de aardige gesprekken weer te binnen brengt. Ik weet wel, dat de strijd om het bestaan ook hier als elders een onaangenamen kant kan hebben; maar ondanks alles, ondanks de kwaal van het snobisme, hier en daar opgetreden op bepaalde plaatsen aan de kust, ondanks de kwade praktijken, met de beschaving in de veelbezochte dorpen gebracht, ondanks de noodzakelijke laagheden, die met het bezit van geld worden aangevoerd, is dit toch het land, waar men nog ’t best een eigen, vrije manier van leven behoudt en een belangelooze vreugde aan het schoone der natuur.

De Glenans-archipel, ten westen van de Woudbaai gelegen, telt negen eilandjes, waarvan één, Cigogne, een fort draagt. De belangrijkste daarna zijn Loch, Penfret, waar een vuurtoren en een semafoor zijn opgericht, en ’t eiland Sint-Nicolaas, waar men tevergeefs beproefd heeft, een kapel te bouwen voor het honderdtal bewoners, allen visschers, die er in hutten wonen. Dit is niet Belle-Ile, noch Groix. Al deze eilandjes vormden vroeger samen één eiland, zegt men; maar de zee heeft zich tot taak gesteld, die eenheid te verdeelen, den grond vaneen te scheuren en de rotsen uiteen te doen wijken. Het is nu niet anders dan een hoop boven water uitstekende rotsen, een golfbreker voor de baai van La Forêt.

Fouesnant ten noordwesten van die baai is een bloeiend dorp, waar veel drukte heerscht op marktdagen, op het plein bij ’t kerkhof en de kerk. Men kan er varkens te zien krijgen, zoo groot als kleine ezels. Er wordt een massa boter verkocht en appelen vent men er; de appelwijn van Fouesnant heeft een goeden naam, en hij verdient dien. Een der belangwekkendste personen, die ik ooit in mijn leven heb ontmoet, is een appelenkoopman, die te Roscoff woonde, en die te Fouesnant kwam, toen ik er vertoefde, om een deel van den oogst of misschien wel alles, op te koopen. Hij was, zoo gij wilt, commis-voyageur, want hij reisde voor zijn handel en hij nam gaarne het woord aan de table d’hôte van het kleine hôtel, waar hij was afgestapt en waar ik ook logeerde.

Hij was er een bewijs van, dat de commis-voyageurs niet allen, zooals beweerd wordt, zoutelooze verhalen doen of opsnijders en kletsers zijn. Deze was een goed spreker, zeker, maar hij praatte niet, om niets te zeggen. Hij had heel wat van de wereld gezien, Europa, de kusten van Afrika, Amerika, Azië en Oceanië. Het bijzondere was, dat hij goed had gezien al wat hem onder de oogen kwam. Ik heb eenige avonden met hem gesleten, niet om met hem een gesprek te voeren, maar eerder om naar hem te luisteren, hem slechts een woordje tot antwoord gevend, om hem op te wekken, door te gaan.

Nooit heb ik zulk een verzamelaar van feiten ontmoet en ik ben nog al met menschen in aanraking geweest, maar deze was waarlijk verrassend. Hij was begiftigd met een geheugen, dat geen aarzeling, noch weigering kende, en dat, naar men terstond merkte, niet door boeken was gevoed. Hij had in zich de herinnering bewaard aan alle landen, die hij bezocht had, alle zeden en gewoonten, die hij had waargenomen. Hij was op de hoogte van regeeringen en wetgevingen en handelstoestanden en kende allerlei bijzonderheden, die zich aan hem hadden voorgedaan. Wat Bretagne aangaat, daar kende hij alle steden, alle dorpen, alle gehuchten, wist wat er op de velden groeide, waarmee de bewoners zich voedden, hoe zij zich kleedden en welke hun karaktertrekken waren. Hij beschreef den vorm der mutsen, het borduursel van ’t corsage, de manier, waarop ceintuurgespen werden gesloten, en tegelijk gaf hij wenken over de geschiktheid voor den handel, den stoutmoedigen of schroomvalligen geest der menschen, hun somber of opgewekt humeur. En met hoeveel menschen had hij niet zaken gedaan! Deze appelkoopman was van gemiddelde lengte en ook van middelbaren leeftijd, gedrongen, met breede schouders, een forsch, welgebouwd hoofd had, een kleinen zwarten knevel met enkele witte haren erin en kleine, zwarte, onderzoekende en zeer scherpziende oogen.

Dolmen te Kernuz.Dolmen te Kernuz.

Dolmen te Kernuz.

Dolmen te Kernuz.

Als gij hem ontmoet en hem aan dit signalement herkent, schroom dan niet, een gesprek met hem aan te knoopen; ge zult u den tijd niet beklagen, dien gij hem schenkt, en ge zult u niet vervelen bij dien verzamelaar van feiten, die altijd bereid is, u zijn collecties te laten zien en steeds eenvoudig, overtuigd en met geest het woord voert.

Des middags en des avonds bleef ik langen tijd bij dien sympathieken prater. Maar toch vond ik ’s morgens en in den namiddag den tijd, de omstreken te gaan zien en ’t land van Fouesnant te leeren kennen. Ik wandelde dikwijls naar Beg-Meil, een zomerstadje aan den westkant van de baai, met kleine huisjes, zandige tuinen en veel groen. De kust is er laag met kleine duinen en zacht gras bedekt. Daar tegenover zag men de grijze, violette of in het licht schitterende rotsen van de Glenans-eilanden. Maar mijn liefste wandelingen waren de schaduwrijke wegen naar den achtergrond der baai. De zee, door al het groen gezien, is onvergelijkelijk mooi, en de baai, die zoo weinig wordt bezocht, doet voor geen inham in schoonheid onder; men geniet daar in de buurt de schoonheid van een met zorg aangelegd park. De zuidelijke natuur, zoo hoog geprezen, schijnt een schouwburgdecoratie, vergeleken bij dit frissche, intieme landelijk schoon. Hier niet meer de gratie van Quimperlé of de schilderachtigheid van Pont-Aven; maar in ernstige lijnen en donker groen zijn er de wegen en de dalen getrokken, alles uitloopend op het witte strand en de blauwe oneindigheid der zee.

De vrouwen van Fouesnant zijn mooi, evenals die van Pont-Aven, dat wil zeggen, ze zijn forsch en statig en soms vertoonen ze rijke kleedij, als de omstandigheden het zoo meebrengen. Haar gewoon costuum is maar eenvoudig; een rok, een boezelaar met banden en een lijfje, maar alles is met borduursel overladen, borduursel van goud en zilver en gekleurde zijde. Er bestaan van die costuums uit oude tijden, die ware meesterstukken zijn, en de vrouw, die ze draagt, schijnt een standbeeld, stijf en schitterend voor een processie naar buiten gekomen als een heiligenbeeld. Zij loopt dan ook met afgemeten schreden, in het volle besef harer gewichtigheid. Het mutsje met de linten ligt op het voorhoofd, de beide vleugels sluiten bij twee zijden van het gelaat aan. Dat laatste heeft mooie trekken, lange, zachte oogen, maar het is dikwijls mager met een langen neus en dan heeft het met den kleinen mond een uitdrukking van een listig muisje.

Van Fouesnant ga ik naar de Forêtkapel dichtbij, tusschen hooge boomen met een lijdensberg erbij, en dan naar Benodet.

Er was feest te Benodet op een Zondag. Gekleurde boezelaars kwamen uit alle holle wegen aanloopen. Kleine meisjes in lange jurken en met roode boezelaars als standbeelden in nissen zijn op het oog de aardigste oude vrouwtjes, die men zich kan denken. Zij vereenigen de grappige komiekheid van de jeugd, die zich voor ’t eerst verkleedt, met die van kleine meisjes, die haar poppen dragen met de zorg van oplettende moedertjes. Achter haar loopen de vrouwen met haar klokrokken en de weinig lenige lijven, als uit hout in het corsage gesloten.

Het is een bewonderenswaardig land; men ziet er velden met tarwe en aardappelen, vlas en rogge en veel boomen als in een park of een boomgaard.

“Vroeger, toen wij Lotharingen nog hadden”, zei de koetsier, die mij reed, “noemde men dat den tuin van Frankrijk. Nu is dit land hier zoo gelukkig”.

Ik geloof, dat de koetsier Lorraine met Touraine verwart, dat wij nog altijd bezitten; maar ik help hem niet uit den droom. En deze streek is toch ook inderdaad een prachtige tuin.

Wij komen te Benodet. De kermis aan het water gelijkt op alle andere kermissen; maar men heeft er hier de zee bij met haar witte zeilen als achtergrond. Het spel met de stokken, het worstelen van den sterken man met den liefhebber, het zijn gewone kermisvermakelijkheden. Maar de liefhebber, een jonge boer, die gedronken heeft en niet weg wil, staat met open mond te wachten op een tweeden slag en geeft iets eigenaardigs aan de voorstelling.

Het drogen der sardines.Het drogen der sardines.

Het drogen der sardines.

Het drogen der sardines.

Ook de vrouwen en meisjes van Fouesnant met de muizenprofielen en den kleinen mond, met de mutsjes boven op het hoofd, die heel wat donker haar onbedekt laten, zijn geen alledaagsche toeschouwsters en geven met de naïeve, gezonde en geamuseerde trekken aan alles een eigen karakter.

Romeinsche Venus uit Tronoën.Romeinsche Venus uit Tronoën.

Romeinsche Venus uit Tronoën.

Romeinsche Venus uit Tronoën.

Anderen loopen ernstig rond, laten zich kijken meer dan zij rondzien. Dat zijn de schoonheden uit het land van Fouesnant met goudborduursel op hun jakjes. Daar zijn er twee, een met kastanjebruinen boezelaar, de ander met een bleek lilaschortje met bloemen erop; ze beslaan den geheelen weg en zijn breed en forsch in haar rijken tooi. En het geheele bretonsche land, alle typen dooreen, ziet men op een hoekje van het feestterrein vóór een tent, met dit opschrift: “Mevrouw Anézel, somnambule van den eersten rang, consulten over het verleden, het heden en de toekomst, voor civiele en militaire zaken, handelsaangelegenheden of liefde....”

Op den drempel verschijnt te midden van een troep Zigeuners de oostersche schoone, een mooi donker meisje met gekroesde haren, een koperkleurige gelaatskleur en brutale, fluweelen oogen. Zij loopt heen en weer met de handen in de zij, bewegelijk in haar lenige manieren tusschen dit stijve volkje van Bretagne. Ze staat stil, noodigt een boer binnen te treden in de tent en dringt bij hem aan met woord en gebaar en zachten drang. De vierkante boer met zijn ringbaardje om de kin blijft onverzettelijk, doof en stom, een schuine, wantrouwige beer, die een poesje ziet rondscharrelen.

Benodet ligt aan de rivier en aan de zee; de eerste is de Odet, die hier komt, na Quimper te zijn voorbijgestroomd en de baai van Benodet ligt wijd open naar de zee. De burgerij van Quimper komt hier uitspanning zoeken; er zijn veel mooie huizen midden in tuinen en een breed en veilig strand, waar de baders druk aan ’t wandelen zijn. Plotseling wordt de lucht donker, het weêr verandert; blauwgrijs wordt het uitspansel en in den regen loop ik de Odet over.

Aan den anderen kant heeft men het land van Pont-Labbé en Penmarch, waar ik een bezoek zal brengen, vóór ik naar Quimper terugkeer. Vóór Pont-Labbé liggen de eilanden Tudy en Loctudy. Het eerste is geen eiland meer, want de zee heeft zooveel zand aangevoerd, dat het met de kust is verbonden; maar als men er den voet zet op dien grond, die met de zee gelijk staat, heeft men een gevoel, van in het water te zijn. De kleine lage huizen met hun tuintjes zijn als vastgemeerde bootjes, waaromheen de netten hangen te drogen. Er zijn nog andere eilanden in de buurt, Chevalier, Garo, het Gemzeneiland; ’t is een soort van archipel in een ondiepe, woelige zee. Het dorp Loctudy aan de overzijde van de Pont-Labbérivier, is beroemd om zijn romaanschekerk, men kan er gemakkelijk komen van het eiland Tudy, als men een voorbijvarende boot neemt. De kerk is wel dat korte reisje waard om haar zuilen met versierde kapiteelen, en ook de bevolking verdient een bezoek, de mannen met de versierde vesten en de vrouwen met de hoog op het hoofd gedragen mutsen.

Van daar bereikt men Pont-Labbé per rijtuig of per boot naar verkiezing; maar nu het weer begint te regenen, is het verstandiger een rijtuig te kiezen. Men rijdt een tijdlang langs de zee, maar dan wordt het bevallige landschap doodscher; de boomen staan wijder uit elkaâr, en het land wordt moerassig en arm, met kleine stukjes bouwland ertusschen.

Pont-Labbé is thans niet meer dan een klein visschers- en ankerplaatsje. Vroeger heeft de stad haar dagen van glorie gehad. Het is het centrum geweest van een der machtigste baronnieën van Bretagne, heeft een vestingwal van muren gehad, waarvan nog sporen over zijn. De vesting werd ontmanteld, want zij onderwierp zich niet zonder weerstand te bieden aan de koninklijke macht, en in 1501 moest een edict den heeren van Pont-Labbé gelasten, zich voortaan niet meer te noemen heeren van het hertogdom Bretagne en niet meer de wapens van dat hertogdom te voeren.

In 1673 woedde te Pont-Labbé een oproer als verzet tegen het verzegeld papier, ingevoerd door Lodewijk XIV. De stad is er goed blijven uitzien, en ’t is een genot, er binnen te komen na een vermoeienden rit, zelfs als het regent. De huizen van graniet, oud van voorkomen, hebben al den ernst van gebouwen, die al twee- of driehonderd jaar oud zijn en zoo goed gebouwd werden, dat ze nog soliede zijn. Langs de kade staan schaduwgevende boomen, en de haven levert een aardig tooneeltje op met de vele booten, de rij van huizen en den hoogen klokkentoren. De gebouwen van het Karmelieterklooster zijn afgebroken, en het klooster is later te Quimper weer opgericht, ingewijd 17 Maart 1902. De kerk is de oude kapel van dat klooster uit het einde van de 14de eeuw, gerestaureerd in de 16de.

Alle vrouwenhoofden dragen hier denbigouden, waar men nog teekeningen van phoenicischen oorsprong op meent te herkennen, en van laken of fluweel vervaardigd. Dat mutsje wordt boven op het hoofd gedragen en laat het haar van het achterhoofd vrij. De rokken hebben meestal een fluweelen rand, de mouwen van het lijfje zijn bewerkt en kleurrijk evenals de boezelaars. De mannen dragen ronde hoeden met smalle randen en met fluweelen linten versierd. De vrouwen met haar wijde rokken lijken op laplandsche vrouwen. Zij gaan voor leelijk door, maar er zijn toch wel aardige bij; men moet ze niet vergelijken bij vooraf gemaakte schoonheidsvoorstellingen met haar korte, platte neuzen en blauwe, starende oogen. Ze hebben geen gebruinde tint, maar zien er blank en rose uit, als vrouwen uit het Noorden.

De weg van Penmarch volgt eene zuidwestelijke richting, bestijgt een hoogte door de landes, door dennenbosschen en bouwland. Men kan zich ophouden in het kasteel Kernuz, toebehoorende aan de familie Châtellier, en het museum bezoeken, waar talrijke belangwekkende voorwerpen zijn, zooals de druïdische diademen van massief goud en veel romeinsche beeldjes van gebakken aarde, te Tronoën gevonden, en door romeinsche soldaten in Gallië gebracht. Zij stelden huisgoden voor en fetisjen, ook Venussen en Juno’s, onder welke één bijzonder bekoorlijk was, een rijzige, slanke Venus, de eene hand omhoog geheven, de andere op de heup gesteund, met een kapsel, verdeeld in golvende bandeaux. Ook is er een gallisch graf te zien, een vreemde dolmen, waarop de figuren zijn gebeeldhouwd van Mars, Mercurius en Hercules.

Te Plomeur wordt het land nog armer. Het is een effen vlakte zonder boomen, waar enkel druïdische steenen en torens boven lage huisjes de aandacht trekken. Dat terrein van rotsen en moerassen en heiden, waar de wind vrij spel heeft, is het gebied van Penmarch, dat op een ondergegane wereld gelijkt. De volksfantazie heeft er een mooie stad geplaatst, met veel kerken en een bloeienden handel. Gustave Flaubert, die zijn indrukken opschreef over een reis door Bretagne, heeft herhaald, na Emile Souvestre, dat de straten ieder aan een bepaalden handel waren gewijd, de straat der goudsmeden, die der geldwisselaars, die der galanterieën enz. André Le Braz heeft niet veel moeite gehad, om den geringen grond voor die veronderstellingen aan te toonen, en ik ga de zaak niet opnieuw onderzoeken uit historisch oogpunt. Ik kan alleen vertellen, wat ik van hoorenzeggen heb.

Buitendien schijnt de natuur erop te wijzen, dat hier nooit zulk een groote stad heeft kunnen verrijzen en standhouden. Het aantal kerken doet er niet veel toe en haar grootte ook niet. Een kerk werd niet alleen voor een stad gebouwd, maar ook voor de omgeving. Een kerkelijke gemeente kon zeer groot zijn, al was ook de kerk slechts door enkele weinige huizen omgeven. Het was voldoende, dat de toren van verre zichtbaar was, en dat de boeren, in hun hutjes of werkend op den akker, de tonen konden hooren, hun door den zeewind toegevoerd. De wind wierp wel eens den toren omver, maar dan werd hij herbouwd, omdat hij iets heiligs was.

Maar het is niet waarschijnlijk, dat men met alle geweld een stad zou hebben willen bouwen, waar die toch niet kon blijven bestaan, op dien onvruchtbaren grond, gebeukt door wind en golven. Steden ontstaan op natuurlijke wijze aan den oever van rivieren, in vruchtbare dalen en op heuvelhellingen. Als het moet, vindt een dorp nog wel een plaatsje, onverschillig waar, als het maar in de buurt der bebouwde velden is. Overal waar de grond voor bebouwing geschikt is, verrijst een huis. Een tweede voegt zich bij het eerste, dan een derde; er vormt zich een groepje en men heeft het gehucht, het dorp. Het voetpad wordt tot weg verbreed, en de weg kan tot hoofdroute worden.

Geen stad echter zal ontstaan op een plateau, waar veel sneeuw valt, noch op een vooruitspringende rots, die aan de woede der zee is blootgesteld. Men zal dus denkelijk de belangrijkheid van Penmarch in den ouden tijd sterk overdrijven; de stad zou bij een hoogen vloed verzwolgen zijn of ten minste teruggebrachttot de afmetingen van een bescheiden dorp of liever van enkele dorpjes en gehuchten. Maar alle watervloeden zouden niet kunnen teweegbrengen, dat hier vruchtbare grond was geweest en een omgeving, geschikt voor het bestaan van een groote stad. Aan den anderen kant kan echter een veilige, goed beschutte zeehaven een stad doen ontstaan. De booten roepen huizen en pakhuizen. Men kan dus zonder bezwaar, in plaats van een stad, die het geheele schiereiland overdekte, een groote stad aan zee veronderstellen met veel klokkentorens, een stad van visschers, reeders en kooplieden. Er wordt gesproken van vijftien duizend inwoners van Penmarch, van achthonderd schepen, die op de kust aan kabeljauwvangst deden. Zoo groot is ongeveer de beteekenis van Douarnenez en Concarneau, die ongeveer zevenhonderd schepen hebben. Nu zijn er zoowat tienduizend inwoners in Douarnenez en zesduizend in Concarneau. Het oude Penmarch heeft een stad van dien aard kunnen zijn. Maar de legende heeft er zich mee bemoeid. Men heeft onder het water een stad meenen te zien, nog ouder dan Penmarch, begraven in de golven. Dat is de stad Is, welker klokken men op sommige tijden hoort luiden. Vroeger werd de mis bediend op het schip, boven de golven, die een wereld begraven hadden, en wel voor de zielsrust der begravenen.

Een haven, schepen en kabeljauwvangst, die vormen het vaststaand verleden van de streek. De aanwezigheid van de kabeljauwen op de banken in de wateren van Penmarch had visschers gelokt, en hertog Jan V moest in 1494 een edict uitvaardigen, waarbij aan de landbouwers verboden werd hun huis en hof te verlaten, op straffe van de strop. Toch wilden allen fortuin maken, ten minste leven van die natuurlijke winst, desnoods door den handel in visch, het “vastenvleesch”, een handel, die meer voordeelen afwierp dan de landbouw op het schiereiland.

Emile Souvestre, die wat er verteld werd, heeft verzameld en er een geschiedenis van heeft trachten te maken, schrijft hierover: “Penmarch had toen een haven, gevormd door een lange pier, waarvan men de overblijfselen nog kan zien, en die van Kerity liep tot de rots La Chaise genoemd. Wat de stad betreft, zij bedekte het terrein, waar nu de kleine gehuchten Penmarch en Kerity liggen, zooals blijkt uit het puin, dat daar overal verspreid ligt. De groote uitbreiding der stad was oorzaak, dat men haar niet had versterkt, maar daar de ligging gevaarlijk was met het oog op de Engelschen en de zeeroovers, hadden de meeste rijke bewoners hun huizen voor aanvallen trachten te beschutten, door er een gekanteelden muur om te laten bouwen en er een toren op aan te brengen.

De ontdekking van de groote Newfoundlandbank voor de kabeljauwvangst was de eerste slag, aan Penmarch toegebracht. De stad behield echter nog haar handel met Spanje, handel in geweven stoffen, hennep, vee enz. Toen volgde de vreeselijke ramp, de groote springvloed, die de haven deed verzanden en oorzaak was van de verplaatsing der kabeljauwbanken. Toch gaat Souvestre voort: “In het begin van de 16de eeuw was het nog een belangrijke stad. Hendrik II stond in 1557 aan zijn gelukkigsten boogschutter het recht toe, onbelast vijf en veertig vaten wijn te verkoopen, een voorrecht, dat Rennes en Nantes niet hadden kunnen verwerven. Maar tegen dien tijd begonnen de zeeroovers meer aanvallen te doen en brachten der stad groote schade toe”. Ten slotte noemt Souvestre een ramp, misschien een springvloed, die driehonderd booten deed schipbreuk lijden, op elk waarvan zich zeven man bevonden. Veel kooplieden verlieten toen Penmarch met al wat zij bezaten, om zich te gaan vestigen te Roscoff, Quimper, Brest en Audierne.

Tijdens de Ligue wilden de bewoners zich bij geen enkele partij aansluiten; zij bouwden een fort te Kerity, stelden enkele der op de gevaarlijkste plaatsen gelegen huizen in staat van verdediging en veranderden de kerk van Tréoultré in een arsenaal en een schuilplaats voor de vrouwen, kinderen en grijsaards. Dit was niet voldoende, om Fontenelle tegen te houden, die door list de stad binnendrong, waar zijn volk zonder mededoogen plunderde en moordde. Moreau zegt, dat de heftigste moordtooneelen in de kerk plaats hadden, waar de bedden der stedelingen tot bij het altaar stonden. De rooverhoofdman liet naar het eiland Tristan in de baai van Douarnenez driehonderd booten met buit brengen. Ondanks die ramp ging Penmarch niet aanhoudend meer achteruit.

Op het tijdstip, toen Souvestre zijn reisverhaal deed, telden de beide dorpjes slechts achttienhonderd inwoners; nu wonen er zesduizend. Men heeft te Kerity en te Saint-Guénolé visschersbooten en sardinebereiding. Er zijn uit den tijd, dien wij hebben opgeroepen, nog enkele oude huizen over, die hun gordel van verdedigende muren hebben behouden en ook torentjes bezitten. Er zijn ook zes kerken of kapellen, waarvan Sint-Nonna de voornaamste is. Een opschrift boven de deur vermeldt: “Op den dag van den Heilige Renatus in 1508 werd deze kerk gesticht, en de toren in het jaar 1509”. Het gebouw ziet er massief en indrukwekkend uit en is versierd met grappig beeldhouwwerk, figuren, druiventrossen, scheepjes. Het heeft een grooten vierkanten toren met slanke torenspits. Binnen in de kerk vindt men een gebeeldhouwd doopvont en een schilderij bij het hoofdaltaar, voorstellend het bezoek van Lodewijk XIII te Penmarch. De kerk van Kerity, die het oudst is, heeft als buurvrouw de kerk van de Tempeliers, die in zeer slechten staat is, maar toch nog stevig in elkaâr zit.

Ik heb al gezegd, dat er hier veel kerken zijn, de Sint-Pieterskerk, de Notre Dame en de Saint-Guénolé, een der mooiste met haar vierkanten toren, haar kijkgaten voor de bewakers en haar deur met gebeeldhouwde scheepjes. Doch er zijn heel andere versterkingen aan het strand der zee, reuzengroote, vlakke steenen, waar de golven over bruisen, grillig uitgetande rotsen, waar de zee tegen breekt. Bij laag water zijn het velden met verspreide steenbrokken, gelijkend op kudden van dieren, die er weiden of er hun prooi beloeren. Als de vloed opkomt, krijgt men den indruk van een voortdurend werkende, onweerstaanbare macht. De vloed komt eerst met kleine witte randjes, die het zand omzoomen als metwitte kant. Dan neemt de beweging toe, de wind stuwt de golven op, de golven worstelen tegen hinderpalen, en langzamerhand schijnen van den verren horizon reusachtige golven op te komen, de “witte paarden van de zee”, waar een grieksch dichter van spreekt. Nu moet er worden opgepast. De golven zijn vraatzuchtig, zelfs in tijden van mooi weêr. Er komen slechts kleine rimpelingen aan de oppervlakte, regelmatige golfjes, die harmonieus op elkander volgen, en waar men voor kan wegloopen, als zij wat hoog komen of haast maken en teveel terrein winnen.

Maar er is iets anders. Onder de kalmste zee, bij den vriendelijksten zonneschijn, als een zachte koelte alles liefkoost en de vlinders uit de heggen aan het strand der zee komen vliegen tot boven de eerste golfjes, die met het zand spelen, kan zich in open zee op groote diepten een onmetelijke golf vormen, die haar beweging vervolgt, zonder zich door iets te verraden op de altijd kalme oppervlakte. Plotseling rijst dan die verborgen golf omlaag, heel dicht bij het strand, wordt hooger en hooger, tot zij reusachtig is en zwaar en op het land neerploft met onweerstaanbare kracht, alles verpletterend en meesleurend. Zoo werden op een dag in den herfst, October 1870, de vrouw van een ambtenaar uit Quimper met haar dochtertjes en de kindermeid, in ’t geheel vijf personen, van een vlakken steen aan het strand, waar zij zich volkomen veilig waanden, meegesleurd naar de open zee. Er is een kruis in de rots gespijkerd als herinnering aan die gebeurtenis.

Vulling van de blikjes sardines.Vulling van de blikjes sardines.

Vulling van de blikjes sardines.

Vulling van de blikjes sardines.

Bij Penmarch ziet men den oceaan reeds in zijn volle kracht, zonder dat iets hem tegenhoudt. Vooruit staat Torcherots, een hol geraamte, waarin de zee weerklinkt als in een schelp. Bij de Philopenrots laat men u een grot zien, waar Girondijnen zich in 1793 hebben verscholen. Men is ook inderdaad te Penmarch aan het eindje van de wereld, en men moet wel op zijn schreden terugkeeren, als men de kust niet wil volgen tot Audierne. Ik moet trouwens naar Quimper. Dien weg langs de kust wil ik een andere maal in tegengestelde richting volgen, als ik van Audierne kom. Men kan toch niet altijd tusschen groote steenen leven en het is mij aangenaam, eens weer naar een echte, groote stad te gaan, waar wat meer te genieten valt dan te Penmarch, juist als men na een zeker aantal dagen, in een stad doorgebracht, blij is naar een rustige streek te vertrekken.

Dus vooruit naar Pont-Labbé des avonds, en van daar naar Quimper per spoor. Ik ben er aangekomen in den avond, dus heb ik den eersten aanblik van een mooie stad in ’t volle daglicht gemist. Doch dien kreeg ik den volgenden dag, een Zondag, en ik heb de sobere genoegens van dien dag met voldoening genoten, mij amuseerend met militaire muziek en met de families van de militairen: papa’s, mama’s en jonge meisjes, sterk zich bewust van de contrôle waaronder zij worden gehouden! Wie zal de kleine drama’s tellen en de groote comedies, die daar worden afgespeeld op zoo’n marktplein in een provinciestad, terwijl het koper zich waagt aan marschen en ouvertures van opera’s.

Maar laat ons over Quimper spreken, de oude hoofdstad van het graafschap Cornwallis, aan de samenvloeiing van de Steir en de Odet tegenover het exercitieterrein.

Het eerste feit, dat de geschiedenis van Quimper verhaalt, is een opstand van de plaats tegen het romeinsche juk aan het einde van de 14de eeuw, toen zendelingen beproefd hadden de bewoners tot het christendom te bekeeren. De zendeling werd bisschop, en dit was het begin van de macht der geestelijkheid in dit land; het gezag der bisschoppenwerd zoo groot, dat zij in de elfde eeuw over de stad een onbeperkt gezag uitoefenden en den naam van heeren droegen, rechtstreeks onder den hertog geplaatst, met een staf, die zoowel in het tijdelijke als in het eeuwige alles bestierde. De stad, die in de 13de eeuw door Pierre de Dreux versterkt was, werd ingenomen en in 1344 geplunderd door Karel van Blois. Montfoort sloeg er het beleg voor in het volgend jaar; hij werd afgeslagen, maar zijn zoon werd er ontvangen en erkend. Bij het oproer van 1489 versloegen de gewapende boeren de Spanjaarden, die Quimper te hulp waren gekomen, plunderden hun tenten, en daarna werden de opstandelingen op hun beurt verslagen door de hertogelijke troepen in de velden rondom Pont-Labbé.


Back to IndexNext