Roemeensch bergbewoner.Roemeensch bergbewoner.
Roemeensch bergbewoner.
Roemeensch bergbewoner.
De paarden zijn vlug en opgewekt en bestand tegen groote vermoeienis. Zij leggen 80, soms zelfs 100 kilometer per dag af en 10 kilometer per uur. De koetsiers hebben een eigen, bijzondere manier van hen aan te zetten, door de zweepslagen te doen vergezellen door woeste, zeer eigenaardige geluiden.
Voor vijf-en-twintig jaar was de victoria in het land onbekend; men reisde enkel met debirdj, het nationale voertuig, dat nu nog bij de boeren in gebruik is. Het is een kist van houten latten zonder veêren op vier wielen, aan de achterzijde is de onvermijdelijke bak voor berging en een groote huif is er overheen gespannen, ondersteund door breede hoepels. Door een smalle, lage opening stapt men er binnen en heeft daar dan als zitplaats zijn eigen bagage of een hoop hooi.
Het dal der Jiul, dat bij ’t vertrek uit Pétrozény voor ons open ligt, werd langen tijd voor volkomen onbruikbaar gehouden, want zelfs de bergbewoners beschouwden het als onbegaanbaar, en om over dit deel der Karpathen heen te komen, gaven zij nog ondanks de hinderpalen van allerlei aard, de voorkeur aan het ruwe pad over den Vulkaan-pas. Maar door groote en vernuftige werken, voor ’t meerendeel aangelegd door belgische ingenieurs, loopt er thans een der mooiste wegen door en een der veiligste uit de zuidelijke Karpathen.
Roemeensche gala-kleeding.Roemeensche gala-kleeding.
Roemeensche gala-kleeding.
Roemeensche gala-kleeding.
Men rijdt er door een nauwe spleet, met aan beide zijden hooge bergen, die van boven volkomen kaal zijn en die in de lagere gedeelten met groote, nog niet geëxploiteerde bosschen zijn bedekt, waardoor de bergen een prachtig maar somber aanzien krijgen. Heel in de diepte van de kloof stuwt de hongaarsche Jiul, gevoed met de roemeensche rivier van dien naam, haar onstuimig water tusschen al de hindernissen door, die in de rotsachtige bedding in den weg komen. Nu eens in het nauw gebracht tusschen rotswanden, schuimt en bruist en springt de rivier voort; dan weer breidt zij zich rustig uit te midden van het groen, dat tot het water voortloopt.
Soms is de rivier zoo woedend, dat zij een stuk van den nieuwen, met groote kosten aangelegden weg met zich mee sleurt. Men kan in West-Europa zich geen denkbeeld maken van dat snelle wassen der rivieren, en het komt niet alleen in de lente voor, als de sneeuw op de bergen smelt, maar ook in het hartje van den zomer.
De weg is wel niet te vergelijken bij de wonderschoone wegen in Zwitserland, maar hij roept de herinnering wakker aan de mooiste dalen van Schwarzwald en Jura en heeft nog woester, grootscher karakter.
Verkoopsters op de markt van Targu-Jiul.Verkoopsters op de markt van Targu-Jiul.
Verkoopsters op de markt van Targu-Jiul.
Verkoopsters op de markt van Targu-Jiul.
Dicht bij den uitgang van het dal staat in een omheinde ruimte het nederige klooster Naïch. Dat witte kloostertje, waarvan het aardige kerkje met de driedeelige vensters van buiten aan alle kanten met mooie fresco’s is versierd, wordt op ’t oogenblik nog door enkele monniken bewoond.
Weldra worden de bergen lager en staan verder uiteen. De Jiul, die niet langer door rotsen beperkt wordt, stroomt door een bedding, die tienmaal te breed is voor haar wateren, en de wouden verdwijnen, om plaats te maken voor gewoon bouwland. Eerst nadat wij dertig kilometer hadden afgelegd, ontdekten wij enkele houten huisjes met puntige daken op zijn Turksch en bedekt met planken van berkenhout. Hoe armoedig ze ook mogen wezen, alle huisjes zijn van elkander afgescheiden en zijn door een schutting omgeven. In Roemenië zijn, evenals in de meeste oostersche landen, levende hagen onbekend. Men maakt afsluitingen van planken of palen, van doode takken of van rijswerk. Die kleine boerenhoeven hebben, al zien ze er ook nog zoo ellendig uit, toch een echte verbetering gebracht in het lot van den Roemeniër. Hij heeft thans een eigen huis, een stal, een maïszolder, een varkenshok, terwijl hij te voren eeuwen lang onder de heerschappij der Bojaren gewoond heeft in holen, die twee meter diep in den grond waren uitgegraven en onder een dak van rijswerk met aardkluiten belegd. Voor elk van deze woningen ligt nu een veranda, waar het gezin des zomers slaapt, omdat de groote hitte het huis van binnen onbewoonbaar maakt. Des avonds worden er matrassen en dekens neergelegd, die ’s morgens weer worden weggenomen.
Oudtijds wilde een vroom gebruik, dat ieder boer vóór de deur van zijn huis een schotel met water plaatste ten gebruike der voorbijgangers en der reizigers; tegenwoordig ziet men vóór elke hoeve een pomp, waarbij ieder naar welgevallen zijn dorst kan lesschen.
De monumentale deur, die de omheining afsluit, is een der sieraden van een roemeensch huis; men vindt zoo’n deur overal, bij de grootste, zoowel alsbij de kleinste hoeven, bij de villa’s en bij de kloosters. Die deuren zijn op eigenaardige en soms zeer artistieke wijze uitgesneden.
De Bojarenheerschappij werd eerst in het land gevestigd op het eind der 14deeeuw. Radu of Rudolf XIV kwam, met den steun van den griekschen patriarch Niphon, op het denkbeeld een adelstand in het leven te roepen op het voorbeeld van den byzantijnschen adel en veranderde de hofambten zóó, dat ze recht gaven op adellijke titels.
Dit was de aanleiding tot het ontstaan van den stand der Bojaren. Later kwam onder de Fanarioten een stroom van grieksche avonturiers het land binnen, in het gevolg der vorsten, die hen bij voorkeur tot eereambten riepen. Zoo ontstond er in het land zelf een vreemde aristocratie, een lage, verdorven, winzuchtige klasse, die de inboorlingen onderdrukte en ze onbeschaamd uitmergelde. Die nieuwe adel was erfelijk tot in het tweede geslacht.
Elke Bojarentitel gaf recht op een zeker aantal boeren, die alleen aan hun heer belasting hadden te betalen. Zestig duizend gezinnen werden aldus in den dienst der Bojaren gesteld. Die ongelukkige landbouwers, hoewel niet precies gebonden aan den grond, hadden niet het recht, van heer te veranderen en mochten hun grond alleen verlaten met toestemming van den eigenaar.
“Nog in 1856”, zegt Elisé Reclus, “waren 5 à 6000 Bojaren heeren en meesters van het land en zijn bewoners. Maar er bestond groote ongelijkheid onder hen; de meesten waren slechts kleine grondbezitters, terwijl 70 vazallen in Walachije en 300 in Moldavië met de kloosters bijna al den grond onderling hadden verdeeld.
In 1864 kwam er, met de secularisatie van de kloosters, ook een einde aan de lijfeigenschap der boeren. Elk gezin verkreeg een stuk land, afwisselend tusschen 3 en 6 H.A., naar gelang het één koe hield, twee ossen en een koe, of vier ossen en een koe. De hectare werd hun eigendom tegen den prijs van 60 gulden, betaalbaar aan den staat in vijftien jaarlijksche aflossingen.
Het aantal boeren, dat op die manier land in bezit kreeg, steeg in ’t begin tot 450000, maar in 1880, toen er een nieuwe verdeeling van den grond door den staat plaats had, kwamen er nog 100000 bij.
Ondanks die hervorming behooren de groote bronnen van rijkdom nog aan den staat en de oude Bojaren. De staat exploiteert namelijk zelf de onuitputtelijke zoutmijnen, hij is eigenaar van de petroleumhoudende terreinen; voor het grootste deel zijn de bosschen, die een vijfde van het grondgebied bedekken, in zijn bezit. Wat de Bojaren betreft, zij hebben enorme eigendommen in handen, hun door de woiwoden afgestaan, en waarvan de uitgestrektheid van 4 tot 8000 H.A. bedraagt.
Die eigendommen kunnen niet dan in hun geheel verkocht of vervreemd worden; de wet verbiedt hun verbrokkeling. Buitendien is door art. 7 der grondwet bepaald, dat vreemdelingen geen vaste goederen in Roemenië mogen bezitten. Zij kunnen niettemin van een Roemeniër erven; maar in dat geval heeft de staat het recht, hen te verplichten hun bezittingen te verkoopen, tenzij ze zich laten naturaliseeren. Dat kan geschieden bij Parlementsbesluit na tien jaren verblijf in het land. Er zijn nog andere verzachtingen van de bepalingen, die op vreemdelingen betrekking hebben. Zoo kunnen ze bijvoorbeeld huizen bezitten in de steden, en er bestaat plan, om de verkrijging van vaste goederen mogelijk te maken voor buitenlandsche maatschappijen, in geval de meerderheid der aandeelhouders uit roemeensche burgers bestaat.
De wijze, waarop die groote bezittingen worden geëxploiteerd is nog al eigenaardig. Op een vastgestelden dag roept de burgemeester de gezinnen uit zijn dorp op en verdeelt onder hen, tegen een dikwijls belachelijk laag loon, de gronden, die bebouwd moeten worden. Het loon wordt vooruit betaald, maar de geheele oogst valt toe aan den eigenaar. Behoef ik nog te zeggen, dat de ongelukkige boeren, die vroeger zoo slecht behandeld werden, dat tegenwoordig nog worden? In vele gevallen worden ze lomp bejegend en zelfs wel geslagen.
Verscheiden oude Bojaren, vooral in Moldavië, besturen zelf de landbouwondernemingen op hun goederen en hebben uitgebreide corpsen arbeiders in het werk, terwijl zij tien maanden van het jaar er wonen. Maar in het hartje van den winter gaan ze reizen en gaan hun inkomsten te Boekarest, Weenen en Parijs verteren.
Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zeven of acht paar ossen, het eene paar achter het andere en bestuurd door in het wit gekleede boeren, trekken landbouwmachines en zware karren met nieuwerwetsche artikelen voor den modernen landbouw. Vroeger ging het dorschen in Roemenië met behulp van ossen, die het koren op den dorschvloer trapten. Tegenwoordig is de dorschmachine er doorgedrongen, en de kleine eigenaars vereenigen zich, om samen stoomdorschmachines te koopen.
Mannen en vrouwen te paard gaan naar de stad; spiernaakte kinderen vluchten bij onze nadering. De dorpen worden grooter; de huizen zijn netter onderhouden, en op de palen van de afsluitingen staan allermerkwaardigste potten en vazen omgekeerd, om uit te lekken en te drogen. Aardewerkfabricatie is inderdaad een der belangwekkendste takken van de roemeensche klein-industrie. Er worden zelfs markten van aardewerk gehouden, en men vraagt zich af, hoe de Roemeniërs zoo’n oneindige verscheidenheid van gebruiksvoorwerpen kunnen aanwenden.
Bij den ingang der stad waren geheele gezinnen aan den wegrand gezeten, in een kring op den grond gehurkt in volkomen sans gêne. Zedigheid is waarschijnlijk niet de hoofddeugd der roemeensche boerinnen; misschien ook bestaan er daar andere begrippen op dat punt dan bij ons, en het is waar, dat hoe meer men het Oosten nadert, des te inschikkelijker wordt men voor het déshabillé.
Wij zijn te Targu Jiul, de eerste belangrijke plaats in Roemenië. Het is een stad van 3000 inwoners, waar een school in aanbouw de aandacht trekt, omdat zij als modelschool aangewezen wordt.
Het hôtel, waar wij afstappen, ziet er zeer goed uit en, hoogst aangename verrassing, de eigenaarspreekt Fransch. Maar wij moeten nu kennis maken met de roemeensche keuken! O, die roemeensche keuken! Zure soepen, waar een half dozijn sardines in drijven. Is dat niet iets, om u op slag den gretigsten eetlust te benemen?... Geen roastbeef, noch biefstuk.... Runderen worden niet geslacht; zij dienen enkel als trekdieren. Varkens loopen op straat rond, maar ze worden evenmin geslacht, in den zomer ten minste niet, onder voorgeven, dat het vleesch maar twee of drie dagen goed blijft. Kippen krijgt men meer dan genoeg, maar die welke ons aan tafel werden voorgezet, zijn magere beestjes, zoo hard gebraden, dat ze bijna geheel uitgedroogd zijn. Schapenvleesch, trossen gekookte maïs en een gerecht, dat koukouroute heet, schijnen de meest aanbevelenswaardige onderdeelen van ’t menu.
In de hôtels eet men met muziek. Als gij een orkest van Zigeuners treft, hoort ge woeste, heftige, hartstochtelijke muziek; hebt ge een roemeensch orkest, dan blijven vuur en gloed achterwege, om plaats te maken voor klacht en melancholie. Het is om te schreien, zoo droevig; ’t is in muziek omgezette smart.
Midden in den nacht worden wij gewekt door een hevig onweêr, zooals er bij ons zelden voorkomen. Het is een opeenvolging van lange, witachtige bliksemstralen, uitgaande van alle punten van den horizon tegelijk en, in éénen door, de markt en de straten der stad met licht overstroomend. Tegelijkertijd storten de watervallen van den hemel op de aarde neer, en de straten worden tot ware rivieren. ’s Morgens waren de straten weer droog, en de lucht was zuiver en geurig.
Niettegenstaande den nachtelijken storm was van vier uur af de markt, die tegenover ons hôtel werd gehouden, buitengewoon druk en levendig. Men kan zich niets aardigers en schilderachtigers denken dan die markten, waar de bewoners uit de naburige dalen samenkomen. Die laatsten komen naar de stad in met een paar ossen bespannen karren, of op den rug van een muilezel, door de vrouwen bereden op dezelfde wijze als door de mannen. Zij hebben vaak een reeks van een vijftiental bijeengebonden kippen bij zich, die er erbarmelijk uitzien. Enkele vrouwen komen op de markt met leêge handen; maar met zeer gevuld jakje. Als ze ter plaatse zijn, steken ze de hand vóór in hun halfgeopend gewaad, dat daar trouwens altijd voor zak dient en halen er, ’t zij een kip, ’t zij een eend uit; ik heb er zelfs gezien, die uit die bergplaats een speenvarkentje voor den dag haalden, dat daarna moederlijk in de armen werd gedragen.
Doch het origineelste zijn zij, die uit de stad terugkeeren met de meest uiteenloopende voorwerpen in haar geïmproviseerden zak. Die hangt dan zwaar omlaag op den boezelaar, en maakt bij elke schrede een rinkelend geluid van aardewerk of men hoort er den triomfkreet van een haan uit opstijgen, die op de markt een koopster heeft gevonden. De vrouwen staan of zitten er langs de trottoirs met haar koopwaar vóór zich. De verkoop van de producten is niet zeer winstgevend. Men betaalt 30 centimes voor een kip, 10 centimes voor vier eieren, en 15 centimes voor vier liter wijn. Toch zien ze er niet uit, of ze gebrek lijden. Ze zijn vroolijk en vriendelijk en gaan naar de markt als naar een feest.
Haar kleeding, van onberispelijke netheid, is tevens niet onelegant. Zij dragen een zeer wijd linnen hemd, versierd met borduursel van blauwe en roode wol. Vóór en achter wappert een boezelaar, de catrinza, van wol met breede strepen. In andere plaatsen hullen ze zich bij wijze van japon in een stuk geweven stof, die zeer stijf is en rijk versierd met motieven in kleuren. De jonge meisjes loopen altijd blootshoofds met een op den rug hangende vlecht. Alleen de getrouwde vrouwen dragen over het hoofd en de schouders een sluier van zeer lichte stof en in enkele steden hebben zij een mannenhoed op, die niet zeer gracieus staat.
De kleeding van de mannen herinnert aan de oude dracht der Daciërs, zooals zij op de Trojanus-zuil is weergegeven. Zij bestaat uit een hemd van grof linnen, om het middel bevestigd met een breeden leêren gordel, die voor zak dient. Onder het hemd wordt de linnen broek gedragen, gewoonlijk sluitend van de knie tot den enkel.
De Roemeniër uit het laagland, vooral de Walach, heeft zwarte oogen, een gebronsde tint en een zacht, sterk sprekend gezicht. Nog in onze dagen vertoont hij de sporen van het droevig lot, dat hij zoo lang heeft moeten dragen. Hij is tegelijk beschroomd, geduldig, bijgeloovig en fatalistisch.
Al vroeg in den morgen wacht onze met drie paarden bespannen victoria aan de deur van het hôtel, en na ons van mondvoorraad voor den dag te hebben voorzien, gaan wij op weg naar Tismana.
Het landschap, waar we door rijden, is zeer schilderachtig. Op dichte groepen hoog eiken hakhout langs den weg volgen de groote wouden, reuzenbosschen, waar de boomen prachtige afmetingen erlangen. De dorpen zijn armoedig en vuil, en het geeft een bedrukkend gevoel, te rijden door die vruchtbare dalen der Karpathen, en te constateeren, dat er alle sporen van werkzaamheid ontbreken. Maar de arme heeft in dit land bijna geen behoeften; hij heeft maïs in huis en uien en brood, een brok zout en kaas, en hieraan heeft hij genoeg. Het bosch levert hem hout en zijn kleêren worden thuis door de vrouwen gesponnen, geweven en genaaid. Elke woning heeft dan ook haar weefgetouw. Van hennep wordt het grove linnen gemaakt, waaruit in hoofdzaak kleederen van mannen zoowel als van vrouwen zijn vervaardigd. Gesponnen wol dient voor het maken der lakensche mantels voor de boeren en voor huishouddekens. Met meekrap of lakmoes gekleurd, dient die wol ook voor het weven van de veelkleurige boezelaars, die de vrouwen dragen en voor de versiering van de linnen hemden met allerlei curieuse en artistieke borduursels.
Ik kan hier nog bijvoegen, dat tot op den leeftijd van zes à zeven jaar de meeste kinderen geheel naakt loopen, wat practisch en zuinig moet heeten. Des avonds alleen trekt men hun een hemdje aan tegen de koude van den nacht.
Vlak bij Tismana ontmoeten wij talrijke groepen, los en vrij op den grond gelegen vóór hun deuren. Als bij instinct staan ze op, als ze ons zien naderenen blijven staan als teeken van eerbied, tot we voorbij zijn. Die groepen zijn voor ’t meerendeel Zigeuners.
De oorsprong van dit eigenaardige ras is lang een punt van strijd gebleven. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat ze uit Hindostan afkomstig zijn. Oude charters, die te Tismana teruggevonden zijn, spreken al van Zigeuners, die in de 14de eeuw in slavernij naar Walachije werden gekracht.
Werkelijk zijn de Zigeuners in Roemenië eeuwen lang in een toestand van smadelijke dienstbaarheid gehouden, terwijl ze overal elders reeds de vrijheid hadden gekregen. Zij bleven het eigendom van den staat, de Bojaren en de kloosters tot 1827, het jaar van hun bevrijding. Hun aantal is betrekkelijk gering; in heel Roemenië komen er tegenwoordig niet meer dan 260000 voor.
De kleeding der vrouwen in het dal der Olt.De kleeding der vrouwen in het dal der Olt.
De kleeding der vrouwen in het dal der Olt.
De kleeding der vrouwen in het dal der Olt.
Onder al de wisselvalligheden van hun treurig bestaan hebben de Zigeuners hun type, hun taal en hun gewoonten behouden. Het type is zeer bijzonder en is merkwaardig zuiver door de eeuwen heen bewaard gebleven. De taal, die zij spreken onder elkander, is een hindoesch dialect, dat veel op eenige sanscrietsche tongvallen gelijkt. Eerst sedert hun vrijverklaring komen gemengde huwelijken tusschen hen en Roemeniërs voor. Ze hebben een ovaal gelaat en prachtige, schitterende, zwarte oogen. Het zeer zwarte haar laten zij als een bos groeien en nooit maakt het kennis met een kam. De neus is recht, met een lichte arendswelving; de tanden behouden hun schitterende witheid in alle omstandigheden, zelfs bij het overmatig gebruik van tabak, waaraan mannen en vrouwen zich overgeven.
Velen van hen zijn landbouwers en anderen beoefenen het smids- of het koperslagersbedrijf. Maar ze zijn vooral muzikanten, en zonder eenige theoretische kennis brengen ze met veel gevoel en uitnemend talent de liefelijkste melodieën ten gehoore.
Wij gaan nu door bekoorlijke boschjes, waar aan alle kanten beekjes onder de struiken ritselen, zooals zij neergedaald komen van de naburige hoogten en den stoffigen weg met hun gemurmel begeleiden.
Links van ons wordt het landschap beheerscht door het klooster van Tismana, zooals het daar leunt tegen den dichtbegroeiden berg en op een vooruitspringend gedeelte van de rotsen is aangelegd. Een waterval vloeit schuimend onder het klooster naar beneden en stort zich met één sprong in het dal, waar hij nog trillend van den val in de diepte, zijn loop vervolgt tusschen de donkere boschjes naast ons.
De abdij van Tismana, die vroeger zoo beroemd was, bezit thans geen anderen rijkdom meer dan zijn prachtige ligging en heerlijke omgeving.
Een vijftiental monniken leiden er nog een armoedig bestaan. Sinds de secularisatie van de kloosters in 1864, dat is dus sinds den tijd toen zij beroofd werden van hun bezittingen en kostbaarheden, bepaalt de regeering zich ertoe, aan elken monnik 70 centimes per dag te geven voor hun voeding en 50 francs per jaar voor kleeding. De rijke sieraden en kostbare ikons zijn hun afgenomen en worden thans tentoongesteld in het museum te Boekarest, waar ze hun typische belangrijkheid natuurlijk hebben verloren. Er heerscht dan ook groote ellende in die kloosters, en de cel van een der monniken, waar men ons heen brengt, om van het prachtig uitzicht te genieten over het dal, is een akelig verblijf met geen andere meubels dan een stroozak.
Het stadje Horezu.Het stadje Horezu.
Het stadje Horezu.
Het stadje Horezu.
Vroeger, in den tijd van hun grootheid, toen herbergen in Roemenië iets onbekends waren, boden de mannen- en de vrouwenkloosters de ruimste gastvrijheid aan, en vriendelijk werd ieder vreemdeling opgenomen, die aan hun deur klopte.
In het dorp Slanic.In het dorp Slanic.
In het dorp Slanic.
In het dorp Slanic.
Zij waren zelfs het doel geworden voor kortere of langere uitstapjes, en de burgerij uit de steden kwam er samen, om er den zomer te slijten. Er slopen allerlei misbruiken in bij dat leven van wereldsche ledigheid, dat daar langzaam aan binnendrong in het kloosterleven en dat zelfs, naar het schijnt, een der redenen was van de secularisatie der kloostergoederen. Tegenwoordig, nu de monniken het armoedig hebben en zelf alle werkzaamheden op het veld moeten verrichten, zijn de kloosters stil en verlaten geworden. Enkele kalme gezinnen, die de hitte in de vlakte willen ontloopen, komen er nog wel eens rust en koelte zoeken. De monniken verhuren hun kamers, maar zij bieden niet anders aan dan een legerstede in die ruimten. De logés moeten zelf in al hun andere behoeften voorzien.
Men komt het klooster binnen langs een vierkant voorplein, waar men de gebouwen ziet, bestemd voor de vreemdelingen. Er zijn op dit oogenblik twee welgestelde families uit Krajowa, waarvan de dames ons vriendelijk als tolk dienden bij den portier, een prachtigen monnik met lange haren en zwarten baard.
Er is een tafel neergezet in het klooster ten gebruike van de vreemdelingen die hun ontbijt in het klooster wenschen te gebruiken. Maar wij mochten ons inderdaad gelukkig achten, omdat wij er aan gedacht hadden proviand mede te nemen, en niet vertrouwd te hebben op den regel, die al zeer oud is en die de kloosters verplicht vreemdelingen drie dagen lang te herbergen en te voeden. De portier, die ons bediende, had zelfs geen brood ons aan te bieden. Alleen had hij ronde, harde, platte beschuiten als enorme medailles, met een afbeelding van het klooster op den eenen en een van den patroon der abdij Sint Nicodemus op den anderen kant.
De monniken houden zich bezig met de eenvoudigste en meest vermoeiende werkzaamheden; maar zij behouden zelfs bij het nederigste werk een waardigheid, die eerbied afdwingt. Armoede is geen schande.
Zij belijden den orthodox griekschen godsdienst. Tot 1864 was de kerk onderworpen aan het patriarchaat van Konstantinopel; sinds dien werd zij een onafhankelijke, nationale kerk. Haar hoofd is de metropolitaan-primaat van Roemenië, die te Boekarest resideert. De roemeensche geestelijkheid wordt in twee categorieën verdeeld, de monniken van den H. Basilius, die aan het celibaat gebonden zijn, en de wereldlijke priesters, die mogen huwen. Uit de eerste categorie alleen wordt de hooge geestelijkheid gerecruteerd. Zelfs onder het turksche protectoraat zijn de Roemeniërs er in geslaagd, het verdrag te doen eerbiedigen, waarbij het verboden was moskeeën op hun grondgebied te bouwen. Nooit hebben de Turken, het zij tot hun eer gezegd, de minste poging gedaan, om dat verbod te overtreden.
Het klooster van Horezu.—Uitstapje naar Bistritza.—Romnicu en de pas van den Rooden Toren.—Van Curtea de Arges naar Kampolung.—Pas van Dimbo-viciora.
Het klooster van Horezu.—Uitstapje naar Bistritza.—Romnicu en de pas van den Rooden Toren.—Van Curtea de Arges naar Kampolung.—Pas van Dimbo-viciora.
Op 25 K.M. af stands van Targu Jiul ligt het klooster van Horezu, onmiddellijk bij het stadje van denzelfden naam. Daar de weg nog al vermoeiend is, heeft men voor ons gewoon klein rijtuigje vier paarden gespannen, alle vóór elkander. Wij volgen juist de tegenovergestelde richting van die naar Tismava; doch evenals gisteren rijden we langs de hooge bergen van de Karpathen en wij steken dwars over een eindeloos aantal dalen, die van de groote hoofdketen afdwalen, om zich in de roemeensche poeszta te gaan verliezen.
De dalen zelf zien er niet merkwaardig uit, maar bij elke hoogte ontdekken wij ruime vergezichten, die den tempel van dichterlijke melancholie dragen. Nu eens gaan we voorbij prachtige eikenbosschen, die kolossale hoogten bereiken, dan langs verrukkelijke berkenbosschen met zilveren stammen en levend loof. Wij houden halt, soms onder een boschje in de diepe schaduw bij een van die groote putten, wier eenige arm ten hemel wijst en waar onze arme paarden met lange teugen zuiver en kristal-helder water drinken, en dan weer bij een bescheiden dorpsherberg, waar we binnengaan, om ons eens te vertreden en ook om van die dorpsbinnenhuizen een voorstelling te krijgen.
En terwijl in de gelagkamer onze koetsier zijn fleschje tzuica drinkt, of pruimelikeur, die uit zeer kleine fleschjes geschonken wordt, in één teug te ledigen, brengt de waard ons naar de achterkamer, de eerezaal. Wij zien er als voornaamste meubel een divan, die als bed kan dienen en in den vloer is vastgeschroefd. Een mooi gestreept tapijt ligt erover en kussens met allerlei borduursels en roode en witte letters. Tegen de muren hangen chromolithografieën, afwisselend met groote strikken van wit linnen, op dezelfde wijze geborduurd en van initialen en datums voorzien. Er is in het geheele huis geen kast, noch in den muur, noch los in de vertrekken. Daarvoor in de plaats staan er langwerpige houten koffers of kisten naar turksch en servisch gebruik, waar men door elkaâr schoenen en vaatwerk en juweelen in bergt, kortom al wat men bezit.
De middenzaal wordt door het gezin bewoond. Men ziet daar de weefstoelen, dan divans, allerlei aardewerk, heel eenvoudig keukengereedschap en een langwerpige tobbe, in den vorm van een boot in een boomstam uitgehold. Die tobbe, die men in alle huizen terugvindt, bewijst de meest verschillende diensten. Het is de draagbare wieg der kinderen, de waschtobbe van de moeders en de etensbak der beesten.
In het algemeen koken de Roemeniërs bij mooi weêr in de open lucht, ’s Avonds groepeeren zich geheele gezinnen om een vuur, waarop de mammaliga kookt, de nationale schotel, een dikke brij van maïsmeel in zout water gekookt, en tegen den nacht geeft het roode schijnsel van het vuur, dat al die witte gedaanten, die er zich omheen dringen, verlicht, aan het landschap iets sombers en dreigends.
De waard zet ons, na de honneurs van zijn huis te hebben waargenomen, zijn besten wijn voor, dieentre nousniet drinkbaar is, daarna brengt hij ons naar de plaats bij zijn huis, waar een soort van rad is opgericht, een russische schommel, hier het Groote Rad van de parijsche tentoonstelling in zijn eenvoudigsten en meest rustieken vorm. Men ziet die raderen nog al eens, zoowel in Moldavië als in Walachije.
De dorpen, die wij door trekken,—de weinige dorpen, zou men moeten zeggen, want het land is dun bevolkt,—lijken alle op elkander. Het zijn altijd dezelfde boerenhuizen, die men er ziet, met planken daken, en waar varkens van allerlei kleuren voor rondloopen met een driehoekigen ijzeren ring door den neus, dan ganzen en eenden en daartusschen naakte kinderen. Uit die hoeven stuiven vaak groote honden te voorschijn, die tegen het rijtuig blaffen en achter ons aan hollen, tot de koetsier met een flinken zweepslag hen tot orde en welvoegelijkheid roept.
De dorpskerken, alle gelijk, zijn in nieuw-byzantijnschen stijl opgetrokken en trekken van verre de aandacht door hun metalen koepels en hun hooge, achthoekige torens met groote boogvensters. Vele zijn van buiten met groote fresco’s versierd, die er een zeer bijzonderen stempel op drukken. De kerkhoven, die meestal afgezonderd liggen te midden van de velden, zijn vol van zware byzantijnsche kruisen, beschilderd en versierd met vrome figuren op gouden fond. Ook langs den weg staan veel kruisen, die niets met graven te maken hebben, kruisen, die als in veel berglanden, door vrome geloovigen zijn opgericht. Zoo ziet men vaak een kruis naast een bron of zelfs wel bij een eenvoudigen put.
Op den middag houden we stil te Podovraj, een aardig plaatsje, middelpunt, van waar uit men verscheiden belangwekkende uitstapjes kan maken. Wij vinden er veel roemeensche familiën, die er hun zomerverblijf hebben opgeslagen.
De Roemeniërs gaan op eenvoudige en goedkoope manieren villégiatura. Zij hebben eigenlijk geen ander koel zomerplaatsje dan Sinaïa, de koninklijke residentie, waar de élite van ’t gezelschapsleven samenkomt; enkele badplaatsen als Slanic in Moldavië en Calimanesti, en een paar deftige lustoorden in de bergen, als Kampolung, Ocna en nog enkele. Daarom gaan families met beperkte middelen, die de brandende hitte der vlakte willen ontvlieden, bij voorkeur naar de dorpen. Daar gaan ze een accoord aan met de eene of andere Zigeunerfamilie, die hun haar woning voor één of twee maanden afstaat. Men installeert zich dan in zoo’n primitief huis en brengt er de vacantie door te midden der bosschen en der woeste Karpathennatuur, gelukkig als er een herberg in de buurt is, van waar ze hun eten kunnen laten komen. In dien tijd kampeeren de Zigeuners hier of daar; die nemen het zoo nauw niet en hebben hun nomadenbloed behouden.
Te Horezu moesten wij de keus van ons logement aan den koetsier overlaten. Hij brengt ons in een soort van hoeve, die volkomen ledig is. Niemand in de herbergzaal, niemand in de kamers, waar wij haastig en tersluiks een blik in werpen. Maar alles ziet er zoo vuil, zoo afschuwelijk vuil uit, dat wij niet kunnen besluiten, er den nacht door te brengen en op de zoek gaan naar een meer passend verblijf. Na veel zoekens vinden wij een minder voorhistorische, zelfs bijna moderne herberg. De waard laat ons kamers zien, waar de bedden wel door divans zijn vervangen op roemeensche manier, maar waar de lakens van een witheid zijn, die een uitstekend voorteeken is.
Helaas! het voorteeken heeft bedrogen. Den geheelen nacht zijn de springende insecten in de weer. Noch ammonia, noch eau de cologne helpt er iets tegen en slapeloos brengen wij den nacht door.
Het stadje Horezu is bekoorlijk en druk. De huizen, minder op zichzelf staand dan te Targu Jiul, zien er beter uit met hun in de straat naar voren springende balkons. De bewoners, vooral de vrouwen, zien er vroolijker uit, hebben zelfs iets joligs. Des avonds dringen naar het eind van de hoofdstraat, waar wij logeeren, vreemde liederen tot ons door, gezongen door van het werk terugkeerende meisjes. Het zijn turksche melodieën met zeer bijzondere modulaties, en het gezang is werkelijk boeiend, zoo boeiend, dat wij de groepen volgen tot op het oogenblik, dat zij uit ons oog verdwijnen, altijd nog zingend en de echo’s voortstuwend van hun trillers en hun hooge noten.
Op twintig minuten afstands van de stad ligt het klooster van Horezu. Men gaat per rijtuig langs den grooten weg tot aan den heuvel, waarboven de indrukwekkende steenmassa’s van de oude abdij verrijzen. Daar wordt de weg zoo steil en steenachtig, dat wij te voet verder moeten gaan. Halverwege de helling zien we een monnik van gemiddelde grootte, die met ons den lijdensberg bestijgt. Wij gaan schrede voor schrede achter hem aan, zooals hij ons daartoe schijnt uit te noodigen met den vriendelijken glimlach, zich afteekenend onder den fijnen knevel, en spoedig betreden wij na hem het groote binnenplein van het klooster, waar op dit oogenblik veel menschen bijeen zijn. Een leekenbroeder treedt op ons toe, en na een korte samenspraak met den monnik, die ons had binnengeleid, wendt hij zich tot ons en zegt in zeer correct Fransch: “Mevrouw, de overste noodigt u uit in het salon te gaan.” Wij waren grootelijks verrast. Wij wisten niet, dat het klooster van Horezu, dat ten allen tijde een mannenklooster was geweest, een nonnenklooster was geworden, de kleeding en de knevel van de overste hadden ons geheel op een dwaalspoor gebracht. Werkelijk is de kleeding van de nonnen in Roemenië volkomen gelijk aan die der monniken. Zij dragen dezelfde zeer ruime zwarte pij met wijde mouwen met een zwart wollen koord om het middel gesloten. Daaraan hangt de rozenkrans en op het hoofd hebben ze op de kortgeknipte haren hetzelfde stijve, ronde mutsje, iets lager echter dan bij de mannen.
Voor profane menschen, zooals wij, zou de vergissing noodlottig kunnen worden, te meer daar, toen wij de superieure ontmoetten, zij ongesluierd was. De sluier wordt alleen bij plechtige gelegenheden gedragen en bij het zingen in het koor.
Daar zij tegenover ons de plichten der gastvrijheid wil nakomen, gaat zij ons vóór naar de bovenverdieping en brengt ons in een eenvoudig salon, op oostersche wijze gemeubeld, dus langs den geheelen wand voorzien van breede divans. Een jeugdig nonnetje gaat naar turkschen trant rond met een blaadje, waar confituren en glazen ijswater op staan. Na eenige minuten pratens geven wij den wensch te kennen, eenige photografieën te nemen, waarna de overste dadelijk allen om zich verzamelt en wij ze weldra in plechtgewaad vóór den hoofdingang der kerk bijeen vinden.
De abdij van Horezu is een der indrukwekkendste en best in stand gebleven kloosters van Roemenië. Eertijds een mannenklooster, is het nu in een hospitaal veranderd onder leiding van grieksch-orthodoxe zusters. Men moet zich dan ook niet verbazen over den droevigen aanblik, dien op sommige tijden de pleinen en de toegangen van het klooster aanbieden. De menschelijke ellende in haar meest afzichtelijke vormen en van den meest weerzinwekkenden aard komt hier verlichting van haar lijden zoeken. De zusters ontvangen ieder van den staat niet meer dan 35 centimes per dag, terwijl de monniken het dubbele krijgen. De regeering beweert, dat vanwege den van haar gevorderden arbeid zij gemakkelijker in hun behoeften voorzien.
Het klooster van Horezu werd gesticht in de laatste helft der 17deeeuw door Constantin Brancovan, voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije, die in het geheim er naar streefde, zijn land van het turksche juk te bevrijden en door de Bojaren aan den sultan werd overgeleverd. Hij stierf te Konstantinopel den marteldood.
Uit de verte lijkt het klooster een middeleeuwsch kasteel, met zijn grooten toren en de overblijfselen van versterkingen. Maar pas heeft men het binnenplein betreden, of alles verandert van aanzien.
Prachtige boomen werpen er hun schaduw over de gebouwen, welker bovenverdiepingen uitkomen op een rijke zuilengalerij, en naast de vroegere appartementenvan den vorst springt een keurig klein paviljoentje naar voren.
De kerk staat, als bij de meeste kloosters hier, midden op het plein. Zij is in zeer zuiveren romaanschen stijl opgetrokken, naar ons wordt verzekerd. Feitelijk is het de byzantijnsche, eenvoudig en streng van aanzien, zonder overlading met versierselen. Het portaal is rijk versierd met schilderwerk op gouden grond. Dit mooie kerkje diende met dat van Curtea de Arges als model voor het roemeensche paviljoen op de laatste parijsche tentoonstelling.
Op den weg naar Romnicu waren verscheiden dorpen feestelijk getooid. Er is iets origineels in die kalme feestelijkheden, in dolce far niente gesleten. De vrouwen groepeeren zich aan den eenen kant van den weg, de mannen aan den anderen. Als de tijd voor dansen daar is, voegen zich de groepen te zamen, en men kan zich moeilijk iets bekoorlijkers voorstellen dan die aardige dorpstooneeltjes. Maar de menschen zijn uiterst beschroomd en verlegen, en als men van hun pleizier getuige wil zijn, moet men de grootste discretie in acht nemen.
Roemeensche uit den Roode-Torenpas.Roemeensche uit den Roode-Torenpas.
Roemeensche uit den Roode-Torenpas.
Roemeensche uit den Roode-Torenpas.
Wij houden stil in het dorp Tomsani; en omdat het moet, maar ook om de stijfheid uit onze beenen te loopen, leggen wij te voet een visite af in het klooster van Bistritza.
Dat uitstapje, zoo hoog geprezen door onze gidsen, en waarvan het heette, dat er een uur mee gemoeid was, kost ons drie volle uren. Daar wij het midden op den dag waren, in de brandende zon, worden we er haast wanhopig onder.
Maar er is veel schoons in het dal te bewonderen. Hooge, met bosschen bedekte bergen omsluiten den horizon en langs den weg staan boerenhoeven, waarin en waaromheen alles welvaart ademt. Op de rustieke binnenplaatsen zijn in de dichte schaduw vrouwen in haar bijbelsche kleederdracht bezig. Ze hebben volle klossen in de hand en spinnen de voor ’t huisgezin bestemde wol.
Maar de aanblik dier bekoorlijke tooneeltjes stelt mij niet schadeloos voor de vermoeienis, die de slecht gebaande weg mij bezorgt, een weg vol kuilen en zonder eenige schaduw.
De abdij van Bistritza, tegenwoordig in een militaire school herschapen, bezorgt ons een heele ontgoocheling. Bij ’t binnenkomen krijgt men den indruk van een imposant gebouw, doch het is stijlloos en, laat ons het maar zeggen, onbelangrijk. De dienstdoende officier is daarvan zoozeer overtuigd, dat hij zich ertoe bepaalt, ons een bezoek aan den waterval voor te stellen, die in een holte van de rots achter het klooster neerschuimt. Na de teleurstelling, zoo juist ondervonden, lacht ons die tocht niet toe, en wij keeren haastig op onze schreden terug.
Wij ontmoeten een boer, die na wat heen en weer praten erin toestemt, ons zijn karretje te leenen en zijn paard, terwijl zijn buurman ons een pony zal bezorgen, om de zaak volledig te maken. De kar is een soort van birdj; twee planken, aan beide kanten met touwen vastgemaakt, zijn de banken en bij wijze van tapijt hebben we een dik bed van geurig hooi.
Wij rijden hortend en stootend weg. Bij elken modderpoel, en er waren nog al zoo eenige, worden wij door elkander geslingerd, en tot tweemaal toe werd onze koetsier, een kereltje van een jaar of vijftien, buiten den wagen geworpen; maar hij klemt zich vast aan den dissel en springt weer vlug op zijn plaats met een lenigheid als van een eekhoorn. Wat ons aangaat, wij klemmen ons aan de banken vast met het vooruitzicht, ons als geradbraakt te zullen voelen, wanneer we onze plaats van bestemming hebben bereikt.
Plotseling,krak, gaat het,krak! De achterbank is gebroken, daar liggen wij op het hooi onder in den wagen. In dien hopeloozen toestand vindt ons eindelijk onze koetsier van Horezu, die, ongerust over ons lang uitblijven, ons tegemoet gereden was, zoo ver als de slechte toestand van den weg het hem vergunde.
Tusschen Pomsani en Romnicu is het landschap prachtig, vol dichterlijke woestheid. Het is een reusachtige steenwoestijn, waar wij doorheen moeten. De hooge keten der Karpathen blijft ons links op zij, en de voorbijgangers zijn al even zeldzaam als de woningen langs den weg. Zwervende honden loopen er rond, en enkelen zagen wij bezig bij het lijk van een onderweg achtergelaten paard. Er is in het landschap ietssombers en doodsch. Eerst als wij het dal der Olt naderen, begint de streek er anders uit te zien, en de groote kruisen, aan den weg geplant, toonen dat er dorpen in de buurt zijn en dat de woestijn ten einde is.
Bij een dier dorpen houden wij stil vóór een boerenherberg, die er vrij onzindelijk uitziet. Bij den ingang liggen bloedende resten van de slacht, en honden, veel honden zwerven er rond, om zich op die walgelijke prooi te werpen.
Maar in het dal der Olt wordt het landschap vroolijk en vriendelijk, en aan den horizon verrijzen met bosschen bedekte bergen. Boerenwagens, met vurige kleine paardjes bespannen en overhuifd door een grooten kap, komen uit de stad terug en uit de wijde vooropening kijken aardige, kleine, bruine gezichtjes, waar groote, zwarte, intelligente oogen uit lichten. Iets verder toonen zware karren met blokken steenzout, dat wij in de nabijheid der beroemde zoutbergwerken van Ocna zijn. Wij hadden ons voorgesteld, er een bezoek te brengen; maar reeds valt de avond, en om zes uur worden de zoutwerken gesloten. Wij zullen bovendien nog gelegenheid hebben, die van Slanic in Prahova te zien, die, naar het heet, de belangrijkste en mooiste uit Roemenië zijn.