II.

Kaart van het Balkanbergland van Bulgarije.Kaart van het Balkanbergland van Bulgarije.

Kaart van het Balkanbergland van Bulgarije.

Kaart van het Balkanbergland van Bulgarije.

Andere tochten voerden mij naar het Zuiden door den Sredna Gora naar Nova Zagora, naar het Noorden tot Djoemaïa en Sjoemla, naar het Oosten tot Yamboli en Boergas. Van al die streken ga ik nu een en ander vertellen.

Bij het vertrek van Tirnovo heeft men een goeden weg, waar ook spoedig een spoorweg zal loopen zuidwaarts naar Dronovo, Trevna en Radevtsi, het voornaamste punt waar men tegenwoordig in den Balkan aan steenkoolwinning doet. Na een laatsten blik op de stad Tirnovo, die amphitheatersgewijze boven de Jantra is gebouwd, loopt de weg recht over het plateau, en tot Trevna hebben wij het gewone schouwspel van de voorbalkansche hoogvlakte, verbouw van koren en maïs, waar zich hier mijnbouw bijvoegt.

Als men de bergen nadert, krijgt men aan den zuidkant meer beschutting, en daar het er koeler is, heeft alles in het landschap ook een frisscher aanzien. Daar doet zich aan den kant van den weg een herberg voor, geheel omgeven door hooge bloeiende rozen. Die bloemrijke hagen zouden wij niet hebben kunnen zien bij Plevna of Rasgrad, en nu bespeuren we ook hier reeds de eerste uitloopers der bergen.

Dronovo, waar wij stil houden, is een zeer schilderachtig dorp in oud-turkschen stijl; de bewoners hebben een zekere reputatie in het houtsnijden, en geven er blijk van, dat ze die verdienen, door de wijze waarop zij hun huizen hebben versierd. De donkerbruine balken zijn voorzien van het mooiste beeldhouwwerk, en de omlijstingen van deuren en vensters zijn eveneens sierlijk gegraveerd. In dat opzicht is het ’t allermooiste stadje dat ik in Bulgarije heb gezien, niet banaal, niet modern, maar bestaande uit huizen van zonderling ongelijken stijl, met overhangende daken en luifels en winkels beneden aan de straat als bij een turkschen bazar, die schuil gaan onder afhangende luiken.

Na Dronovo gaat het terrein meer afwisseling in hoogte bieden, en er doen zich bosschen voor, groote wouden van prachtige eiken en beuken, juist als bij de voorbergen van de Pyreneeën. Men passeert Trevna en is dan midden in het bergland. De weg is dan meteen verdwenen. Wij gingen intusschen nog verder langs het stroompje over een pad, datvroeger een weg was geweest, waarbij van onze vier paarden de helft in de rivier, de andere helft op de helling liep, en zoo komen wij eindelijk te Radevtsi, diep in het dal gelegen, op het punt, waar plotseling de berg voor u staat, die dan enkel maar toegankelijk is met muildieren of paarden.

Men kan te Radevtsi twee dingen duidelijk onderscheiden, een bekoorlijk bulgaarsch dorpje, waar het wemelt van heerlijke schildersmotieven, en twee kilometer verder een steenkolenmijn, waarvan men maar enkele gebouwen ziet en een eindje spoorweg, terwijl al wat er verder bij behoort hoogerop in den berg verscholen ligt achter een zwaar beukenbosch. In het gebouw van de mijndirectie, dat vroeger een veel te prachtig paleis was en nu ongebruikt is en verlaten zonder glasruiten in de vensters, zoodat van alle kanten wind en regen er kunnen binnendringen, installeeren wij ons, om er gedurende enkele dagen ons hoofdkwartier te vestigen.

Dronovo, dorp in oud-turkschen stijl.Dronovo, dorp in oud-turkschen stijl.

Dronovo, dorp in oud-turkschen stijl.

Dronovo, dorp in oud-turkschen stijl.

De volgende dagen begonnen de tochten rondom Radevtsi naar de verschillende ontginningen der steenkool, die overal zwarte vlekken vormen in het landschap, aan den rand der bosschen, der voetpaden en in de diepe kloven. De bevolking is volkomen goed op de hoogte van haar rijkdom, die met behoorlijke zorg geëxploiteerd wordt in tallooze galerijen en waarvoor geregeld concessies worden uitgegeven.

De voornaamste van die steenkoollagen, die van de concessie van prins Boris, zijn al in 1871, nog ten tijde van de Turken, ontgonnen onder leiding van een oostenrijkschen ingenieur, den heer Schroeckenstein.

Later kwam een Franschman, die in het land was gekomen om er een spoorweg aan te leggen, op het denkbeeld er ontginningen te doen en vormde een fransche maatschappij, die na allerlei wisselende ervaringen de mijnen nog in eigendom heeft. Maar de werken dier maatschappij werden uitgevoerd met te veel pracht en weelde en noodelooze installaties, en het gemis aan practischen zin, zoo dikwijls kenmerkend voor industrieën, die van uit de verte bestuurd worden door een parijschen raad van administratie, met een onbekwamen plaatselijken chef, deed zich ook hier gevoelen. De onvoldoende afzet, dien men wel dadelijk vooruit had kunnen zien, is aanleiding geweest, dat men reeds lang het werk heeft gestaakt, en alleen als de ontworpen spoorweg Tirnovo-Boroesjtitsa gereed zal zijn, zal het kunnen worden hervat.

Buiten die exploitatie, die een echt industriëel karakter heeft gedragen, wordt er in het klein steenkool gewonnen, nu eens aan de oppervlakte, dan in galerijen in den berg. De kool van de oppervlakte wordt zeer gemakkelijk gewonnen, maar het vervoer per muilezelrug langs de bergwegen tot aan de kleine industriestadjes in den Balkan verhoogt zeer den prijs.

Een bezoek aan een steenkolenbekken levert gewoonlijk niets schilderachtigs op, en er zijn weinig landen ter wereld leelijker dan die van de belgische mijnen en die van Noord-Frankrijk en Silezië. Ofschoon het mijnwerkersleven de stof kan leveren voor forsch schilderwerk en mooie onderwerpen kan bieden aan de hand van den beeldhouwer, wanneer een geniaal kunstenaar als Constantin Meunier ze met antieken ernst behandelt, het leven zelf is vuil en treurig en bedroevend, en in het algemeen behoeft men geen mijnwerker te worden, om landschappelijk schoon te kunnen bewonderen. De tegenstelling is veelal groot met een andere soort van mijnen, waar metaal uit den bodem wordt gehaald aan de oppervlakte van de bergen, dikwijls te midden van bosschen, waar in diepe uithollingen als grotten de arbeiders vrij ademhalen en op hun gemak werken,om des avonds in het licht van den ruimen horizon huiswaarts te gaan tot hun tweede leven, dat van kleine landbouwers en hun bescheiden woning, die zij alleen met hun gezin bewonen.

Boeren bij de herberg te Boroesjtitsa.Boeren bij de herberg te Boroesjtitsa.

Boeren bij de herberg te Boroesjtitsa.

Boeren bij de herberg te Boroesjtitsa.

Maar de steenkolenmijnen in den Balkan hebben alle bekoorlijkheid, die anders eigen is aan metaalmijnen, en onze dagelijksche ritten te paard om ze achtereenvolgens te bezoeken, waren een prettige uitspanning. Elken morgen trokken wij zoo door de prachtige beukenbosschen, langs lichtende voetpaden, langs groene kloven, waarin het water ruischte, naar de verschillende mijnen en naar de hoogten, van waar men het dal overziet. Dan daalden wij daar dikwijls in af en bestegen, over de rivier gaande, den tegenoverliggenden kant. Overal vond men in die bosschen, die men zich als onbegaanbaar en woest zou voorstellen, de heerlijkste wegen, waar men zich in een park zou wanen, en als het ons lustte, ze voor eenige oogenblikken te verlaten, konden we nog altijd te paard door het bosch rijden, zonder voor een van die onaangename verrassingen bang te moeten zijn, die u op eens brengen bij een diepen afgrond, zooals er spoedig een den stoutmoedige zou tegenhouden, in wiens brein het zou opkomen, een dergelijke poging in de Pyreneeën te wagen.

Ik durf niet hopen, dat het mij gelukken zal, door woord of beeld een denkbeeld te geven van de bekoorlijkheid van dit land. Wie heeft wel niet eens gezien, en wie kan zich niet voorstellen een bosch van mooie beuken op een zachte berghelling, met frissche stroompjes in de dalen en kloven? Maar de schoonheid aan de Balkanbergen eigen op hun noordelijke helling en op hun toppen, is de verrassende uitgebreidheid van dit woud, waar men geheele dagen lang op goed geluk door heen kan rijden, in het door ’t gebladerte gefiltreerde licht van een warme oostersche zon, die aan de schaduwen nog haar glans verleent en u toch niet hindert met haar gloed.

Aan den voet der bergen, zooals te Radevtsi, heeft men overal kleine dalen vol planten, die toch niet somber zijn, met heldere beekjes, voortstroomend onder de boomen, te midden van weiden, over beddingen van witte steenen, kabbelende beekjes, molens met watervalletjes en allerliefste dorpen. Hooger, op de eerste terrassen, volgen boomgaarden met appel- en pruimenboomen, de korenvelden op de afgeronde heuvelhellingen, en dan beginnen spoedig de beuken- en eikenwouden, die alle hoogere deelen van het bergland bedekken.

Het zijn dichte bosschen met hier en daar enkele reuzenboomen, een park, waar ons de weg gewezen wordt door een boer met bruine jas en broek en bruine muts, die voor de leus een bijl over den schouder draagt, alsof wij hier op deze gemakkelijke bergen ooit ons een weg zouden hebben te banen.

Het dorp Radevtsi, waar wij bij onze tochten steeds op terugkomen, is een der mooist gelegene en schilderachtigste onder de vele, die in de dalen en op de hellingen van den Noord-Balkan liggen. De leemen huizen zijn met een witte kalklaag bestreken, en onder het overhangend dak, dat op palen rust, is een soort van veranda of terras, op die palen gedragen. Rondom het huis staan de hooioppers en graanhoopen, die gele vlekken vormen in het landschap. Hier en daar zijn ze reeds aan de herfstbezigheid, om het met behulp van paarden en ossen te dorschen. Bij de boerenhuizen staan verder de bakkersoven, de groote kuip voor het koken der pruimen, en de hoopen dorre bladeren en takken, die ’s winters tot ligstroo moeten dienen voor het vee.

Denk u nu boomgaarden op den heuvel, waar de huizen tegenaan zijn gebouwd, let op de heldere kleuren der tomaten op de velden en der ritsen uien, die aan de balken der afdakjes hangen, en gij zult begrijpen, dat een bulgaarsch dorp, waar de vrouwen ten overvloede bonte hoofddoekjes en boezelaars dragen, veel kleurige tooneelen oplevert.

Als bij die genoegelijke tochten door de eindelooze bosschen het uur voor den maaltijd was gekomen, hielden wij stil aan den oever eener beek, maakten een vuur aan van takken en braadden een stukje vleesch of een mager kipje, waaraan de buitenlucht en de vermoeidheid den fijnsten geur verleenden.

Dan gaat het weer verder op den ontdekkingstocht door de groote bosschen, waar wij aan den rand de zon gloeiend zien ondergaan en een langen blik kunnen slaan op de zacht golvende vlakten, die zich tot heel in de verte, tot over de Donau uitstrekken.

Enkele dorpen en schilderachtige hoekjes hebben op die tochten, voortgezet tot op een afstand van vijftien kilometer van Radevtsi, een eigenaardige herinnering bij mij achtergelaten. Zoo bijvoorbeeld dat kleine gehucht Boroesjtitsa, dat binnen korten tijd de eer zal genieten, eindpunt te worden van een spoorweg, waaraan de naam van Transbalkanspoorweg zal toekomen.

Het eerste beeld, dat er mij van is bijgebleven, is dat van het overdekte terras, waar wij des middags zaten in een soort van herberg en waar wij het uitzicht hadden op een prachtig ravijn vol zware boomen. Achter ons waren twee deuren in den witten muur, toegang gevend tot twee donkere ruimten. Daar zaten bulgaarsche boeren op lage taboeretjes te eten en te praten. Op hun hoofd droegen zij de bruine wollen muts in den vorm van een korten cylinder, waaraan men dadelijk den Bulgaar herkent, ook hun buis is bruin, en laat, als het openvalt, het witte hemd zien, de roode ceintuur en de bruine met zwart gesoutacheerde broek. Wij zaten evenals zij om een zeer laag tafeltje, etend uit de met den naam der herberg gemerkte schotels, die de herbergierster gewoonlijk als bruidsgeschenk van haar ouders ontvangt, en deden ons te goed aan het gewone gebraad van rundvleesch, de pasterma.

In de andere kamer, waarin alleen door een zeer klein venster wat licht viel, lagen twee kleine kinderen te slapen en tusschen hen en ons liep de vrouw heen en weer, gekleed in het costuum der streek. Ze droeg het haar in twee lange loshangende vlechten, met een doekje eroverheen geslagen; een donker kleedje met korte mouwen was aan het corsage een weinig uitgesneden en liet het witte hemd zien, terwijl de gekleurde boezelaar en de roode ceintuur beide met een paar groote metalen haken waren vastgehecht.

Op het soort van terrasje hingen overal aan denmuur en aan balken zakken van geitevel, ritsen uien, groenten, linnengoed en andere nuttige zaken. Kippen vlogen heen en weer en verdwenen tusschen het donkere latwerk. Het linnen, wat grof van draad, met donkere rechtlijnige figuren, had de eigenaardige originaliteit van al die stoffen, die ontsnapt zijn aan de regelmaat van de machine, een bijzonder karakter, dat men in zooveel oostersche huizen terugvindt, waar de stoffen door de dochters van den huize zijn gesponnen en geweven en tot kleedingstukken vermaakt voor haar uitzet, om dan te worden gebleekt en gedroogd op de naburige weide naast de ellenlange nog onversneden stukken linnen.

Het andere kleurige beeld, dat in mijn herinnering is bewaard gebleven van het dorp Boroesjtitsa, is het dorschen van het koren. Het was toen in het midden van September, en de gansche gelende oogst werd onder de harde slagen veranderd in volle zakken tarwe en gerst.

Dat dorschen is altijd een schilderachtig moment in het leven op een boerenhoeve, zelfs in onze noordelijke landen, waar leelijke machines ruw dit werk verrichten onder wolken van stof. Maar in dat gouden stof heerscht algemeene vroolijkheid, want het omhult het resultaat van veel arbeids en is nu gereed, om in goed en klinkend geld te worden omgezet, wat op alle gezichten een vroolijken trek te voorschijn roept. In landen echter, waar wat meer beschaving nog niet is doorgedrongen, is dat barbaarsch vernielingswerk van het graan een nog veel aantrekkelijker schouwspel.

In Bulgarije gebruikt men den dorschvlegel, als men het stroo wil bewaren voor dakbedekking, maar meestal, wanneer men niet bang is, de halmen te breken, laat men er een houten slede over gaan, waaronder rijen van scherpe kiezelsteenen zijn bevestigd, echte steenen messen uit den steentijd. Wij zagen dat werk op alle hoeven aan den gang op den dag van ons verblijf te Boroesjtitsa in het licht van de mooiste herfstzon en in den glans van de heldere kleuren der kleederen van vrouwen en kinderen.

Tusschen de loodsen en schuren lag de buitendeel van hard gestampte aarde, omgeven door leemen wanden, waar de schaduw van allerlei vruchtboomen op viel. De bruine palen van het terrasje, waar wij hadden gezeten, waren eveneens in schaduw afgeteekend op den blinkend gladden grond en rechts zag men allerlei ouderwetsch houten gereedschap van zonderlinge vormen. Daar was het weefgetouw der vrouwen, de slede, waarmee het gezin in den winter zich bewoog over de besneeuwde berghellingen.

Op de heldere vlakte lagen de blinkende halmen uitgespreid, en vlug bewoog er zich het gevaarte overheen, dat met twee ossen was bespannen en door een vrouw met ernstig uiterlijk werd bestuurd. Zij voedde onderwijl haar baby, terwijl op den wagen een meisje zat, om er grootere zwaarte aan te geven. Zij geleek op de godin, die een romeinsche zegekar mende. Soms waren alle jeugdige leden der familie op het voertuig vereenigd en hadden de allergrootste pret. De vrouw en het meisje, met haar zilveren armbanden, haar muntenkettingen om den hals, haar gestreepte rokjes, witte mouwen en vaak met een groote bloem in het haar, maken met het gekleurde doekje op de hangende vlechten een bepaald schitterenden indruk. En altijd wisselen de schaduwen van den stoet over het glanzig gouden graantapijt. Als dan de ossen overal zijn geweest, zamelen vrouwen, kinderen, mannen zelfs, de korrels in en harken het koren te zamen.

Naast den dorschvloer hebben de hooge graanoppers, door de toevallige zonnestralen beschenen, de tinten van meer of minder oud stroo, de mooiste gamma van nuancen, die op de verlichte gedeelten van saffraan tot chroom overgaat, en dan van oker en gebrand sienna tot oranje, terwijl in de schaduw blauw, lila en bruin zijn te herkennen.

Toen wij eindelijk Radevtsi verlieten, om naar de streek ten zuiden van Boroesjtitsa te gaan, en door den Balkan onzen tocht naar Seltsi en Maglisch voort zetten in het dal der Toendsja, ging het weer door het bosch van lichtende beuken over de prachtige, slingerende voetpaden, die zachtjes stegen, tot wij ongemerkt op de zuidhelling van den Balkan waren gekomen.

Voor ons rezen de bergen nog vele honderden meters hoog boven onze hoofden; maar spoedig bemerkten we, dat de beekjes nu in tegenovergestelde richting vloeiden en zich in zuidelijke richting bewogen. Het stroompje, dat wij gingen volgen, liep nu eens rechts dan links door een meer of minder ingesloten dal en ging met ons mee tot Seltsi en Maglisch, om dan zich in de Toendsja te storten, die zelve een zijtak is van de Maritsa en dus naar de Aegeïsche zee vloeit.

Kort voor wij te Seltsi waren, houdt het bosch op, en het land verandert geheel van aanzien, doordat het kalktriasgesteente aan de oppervlakte komt en steile rotsen vormt. Aan den voet der steilten, waarlangs het pad zich in tallooze kronkels beweegt, lag het dorp Seltsi aan het riviertje met weer de zelfde lage en wijd uiteenstaande huisjes, gedekt met steenen of stroo, met groote dorschvloeren, waar haver wordt stuk geslagen, met boomgaarden om de woningen en fel gekleurde oppers, terwijl hier de donkere achtergrond der bergen alles nog veel mooier deed uitkomen.

Als in alle Balkandorpen waren de onderwerpen voor schetsen in den grootsten overvloed voorhanden. Daar was de rivier met haar houten brug, de wilgen aan den oever, de koeien, die wat voedsel zoeken in de steenachtige bedding, de dorschers met de op- en neergaande vlegels, het licht op het witte linnen en het spel der schaduwen, door de donkere terrasjes gespeeld op den witten grond, zonder dat ergens de leelijke rechte lijn zich voordoet, waartoe wij in de beschaafde wereld veroordeeld zijn.

Voorbij Seltsi naar den kant van Maglisch moet er afscheid worden genomen van het bosch; de natuur der rotsen is veranderd, en in plaats van zandsteen, geschikt voor den groei van lage planten en boomen, is gneiss gekomen, dat overal verbrokkeld is en los, verscheurd tot diepe kloven of tot zandige vlakten verpoeierd. Het karakter van het land is nu echt dat van de zuidhelling geworden, dat, waarschijnlijk onder den invloed van de Turken, die vroeger hun gezag veel krachtiger op de zuidhelling lieten gelden, bijna al haar bosschenheeft verloren. Wanneer men gewoon is geraakt aan het rijden tusschen de heerlijkste beukenwouden, bedroeft men zich nog meer dan anders over zulk kaal land, waartegen gelukkig de regeering maatregelen begint te nemen, door het aanleggen van bosschen, nu nog arme kleine boompjes, niet bestand tegen het knagen van de grazende geiten, en dus maar langzaam groeiend.

Tusschen Seltsi en Maglisch zou het stroompje, dat al te nauw door de rotsen wordt ingesloten, geen bruikbaren weg meer voor ons opleveren, dus begonnen wij tegen de begroeide hellingen op te klauteren, waar het vol lag met losse steenen, om iets verder weer in de bedding af te dalen. Daarbij wonnen wij vooreerst een prachtig gezicht op de kloven, als met zaagtanden in de rotsen geslagen, en waar aan den eenen kant alle afloopende terrassen in donkere schaduw liggen, terwijl zich de overkant in een zee van licht baadt. Daarna vertoont zich bij het overtrekken van een bergpas plotseling voor onze oogen een driehoek van schitterend licht, een vlakte, waar door het azuurblauw een zilveren lint zich slingert, en waar men op den achtergrond zich een rij donkere bergen ziet verheffen. Dit is de eerste verschijning op onzen weg van het dal der rozen, een weinig vermooid door den afstand. Het is het dal der Toendsja, door mijn bulgaarsche vrienden, zooals ik maar dadelijk zal zeggen, ofschoon ik hun enthousiasme niet deel, voorgesteld als een hemelsch land van Kanaän.

Het dorschen met ossen.Het dorschen met ossen.

Het dorschen met ossen.

Het dorschen met ossen.

Om er te komen, moeten wij nog naar beneden. Wij beginnen daartoe, met de droge bedding van het riviertje een oogenblik te volgen onder het dicht gebladerte, als door een mooie laan van fijn zand, die geheel in de schaduw ligt, en waar overal fijn jong beukengroen uit opschiet, net als ook aan de oevers terzijde, terwijl boven ons hoofd de takken der forsche boomen aan weerszijden elkander ontmoetten bij den top der heerlijke boschgewelven.

Daarginds is een terras van stoppelland, zacht-gele overgang tusschen den Balkan en de vlakte, en even later brengt een laatste daling door velden van rozen, die in dit seizoen haar bloementooi hebben verloren, ons naar het Maglischdal.

Dit dal, dat in heel Bulgarije bekend is om zijn rozencultuur, heeft groote aantrekkelijkheid in den bloeitijd der rozen, want de cultuur is er zeer intensief; maar die heerlijke tijd duurt slechts veertien dagen in het jaar, wanneer de rozen bloeien. Daar ik er de eerste maal in September was, en de rozenstruiken er toen als magere heesters uitzagen, ben ik er nog eens weer heengegaan in Mei, enkele dagen te vroeg, om de knoppen ontloken te zien, zoodat ik maar van hooren zeggen mee kan praten over den luisterrijken bloei. Deze omvat echter slechts de smalle zone tusschen de bosschen op de zuidhelling en de vlakte.

De rest van het dal is een groote wijde ruimte van bouwland, nu in den herfst kaal, nu de oogst is binnengehaald, maar in de lente groen en getuigend van welvaart en vruchtbaarheid. Aan den eenen kant verrijzen de kale bergen betrekkelijk steil omhoog, alsof het Apennijnen waren, zooals die zich voordoen ten zuiden van Rome in de Lepini-bergen, aan den anderen kant geeft een lijn van lage, afgeronde heuvels den Sredna Gora aan.

Kudden zwarte buffels in het Toendsjadal.Kudden zwarte buffels in het Toendsjadal.

Kudden zwarte buffels in het Toendsjadal.

Kudden zwarte buffels in het Toendsjadal.

Maglisch-Haïn Boise en de herinneringen aan den veldtocht van 1878.—Haïnkioe en het huis van den pope.—De bulgaarsche honden.—Tvarditsa.—Het groote wild.—De komst der Turken te Klena.—De Tsjoemernatop.—Werking van den nevel.—De Karakatsjani’s.—De overtocht over de doorwaadbare plaats.—Het turksche dorp Sara Yar.—De boeren van Klena en het vrouwentype aldaar.—Ondergaande zon te Slivno.—De plaats der warme bronnen.—Nova Zagora.—Het mooie bloeiende land aan de Toendsja.—De kloven van Kasan en Kotel.—De vauclusische bronnen te Kotel.

Maglisch-Haïn Boise en de herinneringen aan den veldtocht van 1878.—Haïnkioe en het huis van den pope.—De bulgaarsche honden.—Tvarditsa.—Het groote wild.—De komst der Turken te Klena.—De Tsjoemernatop.—Werking van den nevel.—De Karakatsjani’s.—De overtocht over de doorwaadbare plaats.—Het turksche dorp Sara Yar.—De boeren van Klena en het vrouwentype aldaar.—Ondergaande zon te Slivno.—De plaats der warme bronnen.—Nova Zagora.—Het mooie bloeiende land aan de Toendsja.—De kloven van Kasan en Kotel.—De vauclusische bronnen te Kotel.

Het stadje Maglisch, een der hoofdcentra van de rozenindustrie, ziet er zoo modern uit, dat men niet laten kan, heimwee te hebben naar de in het groen verborgen Balkandorpen. Toch leveren een riviertje, aan welker oever eenige houten huisjes zijn gelegen, een minaret tusschen de boomen, het gebergte, dat op den achtergrond verrijst met zijn kale toppen, en de wijde vlakte ervoor stof genoeg voor liefelijke kijkjes. Gewoonlijk zijn de huizen ook hier naar landsgebruik laag met vooruitspringend dak en een terrasje of balkon, waar allerlei huishoudelijk goed wordt opgehangen, terwijl op het vrij platte dak afgeronde dakpannen liggen. Aan de balken hangen, behalve de gewone zaken, hier ook tabaksbladen, die niet te zien waren op de noordhelling van den Balkan.

Nadat wij een nacht te Maglisch hadden doorgebracht, zetten wij onzen weg, altijd op de zuidhelling, naar Haïnkioe voort. De aanblik blijft zoowat dezelfde, die van een groot vruchtbaar terrein, met een overvloed van korenvelden, groote uitgestrektheden, met maïs bebouwd, met wijngaarden, boomgaarden, tabaks- en rozenvelden. Die laatste kwamen vooral voor op de berghellingen, die wij op korten afstand passeerden. De hellingen zagen er kaal uit; de vlakte met veel stroohutten, lag doodsch en somber onder een grijzen hemel, die als een oven van hitte dampte.

De eenige opvallende verschijnselen in het landschap bij Haïnkioe waren, behalve de zwarte vlekken der kudden, die cirkelvormige heuvels of tumuli, die men op zooveel plaatsen in Bulgarije ziet. Alleen de rand der vlakte aan den voet van den Balkan, vooral als men dorpen als Lachanli nadert, heeft een bloeiender karakter. Daar aanschouwt men eerst wijngaarden, daarna rozenvelden, waarin men nu en dan tusschen rijen magere boompjes een span witte, door een kind geleide ossen ziet, of wel tabaksvelden, waarvan de wijd uiteenstaande planten in September vol bloemen zitten, en waar dan de vrouwen met groote zorg de bladeren van plukken, of boomgaarden van pruimen en perziken en groote notenboomen tusschen de wijngaarden.

Verwijdert men zich verder van de dorpen of van den Balkanrand, dan houden de boomgaarden op, en men ziet weer niets dan stroohutten, zoo ver het oog reikt, slechts nu en dan afgebroken door enkele eikenbosschen, als dat van Toelova, waar in 1877 beroemde gevechten plaats hadden. Geen hagen breken de eentonigheid der velden, alleen gescheiden door smalle paden. Elke twee of drie kilometer ziet men hier een grooten put met een langen hefboom, waarvan de lengte in overeenstemming is met de diepte van den put, die wel eens tot tien meter gaat. De gneissbergen aan onze linkerhand zijn altoos even verbrokkeld; enkele rivieren, die meest alle volkomen droog zijn, strekken haar ledige steenachtige beddingen soms verscheiden kilometers ver uit.

Daar hebben wij bij toeval eens een rivier, die stroomt, en dicht erbij liggen een veertigtal stukken linnen op de steenen te drogen, nadat ze juist doorvrouwen gewasschen zijn. Iets verder is het, of een bosch is gaan wandelen, als in Macbeth, een troep magere ezeltjes zijn beladen met hoopen takkebossen, waaronder ze bijna geheel verdwijnen. Die takken laat men bij de huizen drogen, om van de dorre bladeren strooisel voor het vee te hebben in den winter.

Vóór Haïnkioe komt langs een riviertje de weg van Haïn Boise uit het bergland, die een belangrijke rol gespeeld heeft in den oorlog van 1877, en waarlangs men voornemens was geweest den spoorweg te laten loopen, vóór men westelijker het tracé van Boroesjtitsa nam. Al die herinneringen zijn in de streek nog zeer levendig, en op de plaatsen zelf werden mij episoden uit den vermaarden veldtocht verteld.

Den 7den Juli had generaal Goerko Tirnovo bezet, dat toen onbeschermd was gelaten door Saïd Pacha. Hij verliet de stad weer den 10den, om in een stoutmoedigen tocht den Balkan over te trekken. De Turken bewaakten de beide overgangen, die als het ware klassiek waren, die van de Sjipka in het westen en van Tsjoemerna in het oosten; maar zij hadden in ’t geheel niet gedacht aan al die passen ertusschen in de buurt van Radevtsi, als die van Seltsi, Boroesjtitsa en Haïn Boise, die wel voor ruiters alleen, maar niet voor een geheel leger bruikbaar waren. Een daarvan echter, die welke rechtstreeks van Tirnovo naar Haïnkioe over Voinega en Haïn Boise voert, passeert de waterscheiding zeer noordelijk, op minder dan 700 meter hoogte, om dan geleidelijk en gemakkelijk af te dalen naar den oever der rivier.

Dien weg volgde Goerko; den 12den was hij op de pashoogte en den 14den te Haïnkioe, waar hij bij verrassing een turksch bataljon overviel, dat juist bezig was, zijn soep te koken. Zoo was hij in het Toendsjadal gekomen en terstond daarop wendde hij zich naar het westen langs den weg van Maglisch, dien wij juist hebben afgelegd, en maakte zich den 17den van Kazanlik meester, dus van het zuidelijkste punt van den Sjipkapas, die van de andere zijde aangevallen werd door generaal Radetzky, van Grabovo komend. In die omstandigheden moest de Sjipka het opgeven; den 18den veroverden de Russen den weg met geweld van wapenen en waren aldus meester van de route van Konstantinopel.

Terwijl men mij dit verhaal deed, trokken wij steeds voort door groote gemeenteweiden met kort gras, waar paarden liepen te grazen, en tegen één uur reden wij Haïnkioe binnen, een klein boerendorp, in de vlakte gelegen aan beide zijden van een beekje tusschen boomgaarden, als een oase te midden der woestijn, een plaatsje met de gewone lage huizen en de producten voor de woningen opgehangen.

Wij logeerden te Haïnkioe in het huis van den pope, ook een boerenhoeve met enkele bijgebouwen, in een waarvan onze kamer was, zoo laag, dat ik met mijn hoofd bijna den zolder raakte. Het groote venster werd van binnen met luiken gesloten, en aan de muren hingen veel ikons, een portret van den exarch van Konstantinopel en meer dergelijke afbeeldingen. Er lag een tapijt met kussens eromheen langs de wanden, waar wij onze zit- of liever ligplaatsen moesten vinden, en een witte kachel stond in den hoek. De zoon van den pope, die in München heeft gestudeerd, is tegenwoordig professor in de scheikunde, een zeer moderne mengeling dus van chemie en orthodoxie.

’s Avonds kwam de pope ons zien eten, zonder aan onzen maaltijd deel te nemen, omdat het Woensdag was, een vastendag. Wij zaten bij het trillende licht van een paar kaarsen buiten op het terras, waar nu en dan een groote nachtvlinder, door het schijnsel aangetrokken, verdwaald raakte en om ons hoofd gonsde.

Den eersten dag te Haïnkioe gebruikten wij voor een bergtocht naar Boekovaïa Foïana op een der Balkantoppen, waarbij wij den pas van Haïn Boise links lieten liggen. Na het magere struikgewas van de zuidhelling betraden wij spoedig het groote beukenbosch, waar het volstrekt geen zeldzaamheid is stammen aan te treffen van 80 centimeter, tot een meter in diameter. Onder die prachtige boomen vormden beekjes, die tusschen het groen van steen tot steen al dansend zich voortbewogen, kleine meertjes of vroolijke watervalletjes.

Daar het zoo prettig is, nieuwe herinneringen door vergelijking bij oude te doen aansluiten, moest ik hier telkens denken aan het landschap der Vogezen.

Den volgenden morgen verlieten wij Haïnkioe, om naar Tvarditsa te gaan, van waar wij naar Tsjoemerna omhoog moesten. Eerst hadden we twee uren eentonig vlak land door het dal der Toendsja, altijd tusschen dezelfde kale hellingen met verbrokkeld gneiss en met dezelfde hutjes en boomgaarden, als in de dorpen aan de zuidhelling van den Balkan. Elke twee- of driehonderd meter ontmoetten wij groote noteboomen, en kleine heuveltjes of tumuli waren talrijk. In de verte wierpen kudden schapen kleine, zwarte vlekken op de gele, stoffige vlakte, of langzaam zag men de forsche spannen ossen naderen.

Toen wij Tvarditsa naderden, werden de rozenvelden talrijker. Die plaats ligt aan den uitgang van een zeer druk beganen pas, waar de weg zoo goed is, dat men er bijna met rijtuigen over kan gaan, en die over den Balkan leidt langs Tsjoemerna van Elena naar Eski Zagora. Het is tusschen den Sjipkapas in het westen en den Kasanpas in het oosten de beste weg, om den berg over te gaan, en het is, zooals ik reeds zooeven zei, een der wegen, die een rol hebben gespeeld in den veldtocht van 1877 en 1878.

Tvarditsa, waar ik met acht maanden tusschenruimte weer ben teruggekomen, kwam mij de tweede maal veel schilderachtiger voor in lentedos dan de andere maal in den herfst. Het dorp op zich zelf beteekent niet veel met de lage huizen, die als in den grond schijnen weg te kruipen, maar wat in Tvarditsa aardig is, is de echte bergstroom, neerkomend van de gele hellingen, den voet der reuzenboomen besproeiend en dan wegschietend onder de houten brug, waarover de spannen witte ossen zich voortbewegen, geleid door vrouwen in nationaal costuum, en niet het minst als achtergrond van het landschap de Balkan met de ruwe toppen, waarlangs zich naar den ingang van een pas de smalle witte paden kronkelen, die later tot groote berijdbare wegen zullen worden.

Voor onze paarden was het nu al een zeer goed pad, dat wij in opgewekte stemming volgden. Zoolang men echter op de zuidhelling is, blijft het land dor en kaal, ondanks den mooien zonneschijn en de heldere kleur van het gras; en de schrale plantengroei kon niet hooger komen dan de afknabbelende geiten het lieten worden. Wij stegen nu naar een echten Balkantop, een top van 1540 meter, wat nog niet afschrikkend hoog is, maar de Tsjoemerna en de met bosschen bedekte hoogten, die men thans op grooter afstand ziet dan te Radevtsi, nemen meer het aanzien van bergen aan.

In die bosschen, die al talrijker worden, naarmate men de noordhelling nadert, is overvloed van wild. Daar zijn herten, wilde zwijnen en vossen, en den nacht, voor wij er waren, had men bij een hut de sporen van een beer gezien. De gendarme, die ons vergezelde, was den vorigen winter door een wolf aangevallen, dien hij eerst voor een hond had gehouden, en daar hij den haan van zijn revolver niet kon overhalen, was hij in een boom gevlucht, waar de wolf toch nog gelegenheid had gevonden hem in den voet te bijten. Terwijl de man ons dit verhaal deed, vloog een arend in wijde kringen boven ons hoofd.

Daar is de pas van Tsjoemerna, die in tegenstelling met wat we bij de andere passen, als die in de buurt van Radevtsi, Seltsi etc. hebben gezien, werkelijk den indruk van een bergpas maakt, waar men zich op de hoogte tusschen twee berghellingen op den kam gevoelt. Er is ook een herberg boven op den pas, juist als bij de Alpenpassen, en het is er, evenals daar, steeds druk van allerlei voertuigen.

Toen we weer van daar gingen, des middags om twee uur, was de lucht, die tot nu toe volkomen helder was geweest, eensklaps bedekt geworden; wij betraden het groote beukenbosch, en de zon ging er zeker ook schuil, want wij zagen haar niet meer. Weldra waren we door wolken omringd, en de Balkanbergen, die ik eerst minachtend slechts provinciale bergen noemde, willen ons eens laten zien, dat zij regen en nevel, koude en wind kunnen opleveren, zoo goed als de hoogste Alpentoppen.

De toestand scheen werkelijk zorgwekkend te zullen worden, want wij waren midden in het bosch zonder eenig pad en bij toenemende duisternis in onbekende richting gaande.

Eindelijk treden wij uit het donkere bosch en komen weer in de weide, waar het lichter is, en waar onze acht paarden achter elkaar in een dichten mist voortstappen. Er wordt mij verteld, dat men van hier bij mooi weer een prachtig uitzicht heeft; het heeft wel iets van de schoone zonsondergangen, die iemand altijd worden beloofd op de zwitsersche Alpentoppen, en ik geloof mijn zegsman onvoorwaardelijk, behalve dat ik morgen eens controleeren zal, wat hij mij heeft gezegd.

Voor het oogenblik ben ik alleen bezorgd over het bosch, dat daar weer vóór ons ligt, en in welks duister wij weldra zullen verdwijnen. Gelukkig is het nog niet zoo heel erg als wij verdwalen, want er zijn geen steilten hier, en acht menschen met acht paarden vinden altijd wel gelegenheid om terecht te komen. In het allerergste geval zouden we een nacht buiten om een vuur moeten slijten. Dienzelfden morgen nog hadden wij, als volkomen overbodig, een heel tentenmateriaal teruggezonden, dat we in het begin hadden meegenomen, in de veronderstelling van meer dergelijke avonturen.

Maar het zou niettemin veel aardiger zijn, weer op den goeden weg te komen, en te logeeren in een gesloten en verwarmd huis, waar men op onze komst is voorbereid en bedden voor ons in gereedheid heeft gebracht. Juist op het oogenblik toen die hoop scheen te zullen vervliegen, hoorden wij hondengeblaf, en in den nevel zagen wij mannen naderen in de fustanella, ’t korte rokje van de Grieken. Het waren herders, die Grieksch spraken, en die hier Karakatsjani’s worden genoemd. Dat herderskamp was mij al aangeduid als de welkome vuurtoren, die de haven aanwijst. Inderdaad was het huis van den boschwachter vlak bij met zijn kachel, zijn bedden, zijn keuken, en wij vinden er een aangename schuilplaats, juist op het oogenblik dat buiten de regen in stroomen begint te vallen. Den gansenen nacht bleef het regenen.

De steenkolenlagen van Radevtsi sluiten bij die van Tsjoemerna aan, en daaraan gingen wij nu midden in het bosch een bezoek brengen. Vervolgens daalden we den volgenden dag af naar Bela en Slivno. Naarmate wij lager kwamen, voelden we de warmte sterk toenemen, de wolken verdwenen en zooals veelal in het bergland, vonden we buiten de nevelachtige en koude zone den glansrijksten zonneschijn.

Onderweg stieten we op een interessant kamp van Karakatsjani’s, die daar al ruim twee jaren gevestigd waren, om met hun paarden aan den kost te komen, door het naar beneden brengen van de steenkool naar de vlakte. Op een weide aan de grens van het beukenbosch en boven aan een steile helling waren eenige ronde hutten te zien, geheel met bladeren gedekt, en met een lagen ingang als bij hutten van Laplanders. Ik reed te paard omhoog te midden van een verwoed hondengeblaf en zag daarop een troep vrouwen voor den dag komen, door nieuwsgierigheid gedreven. Ze droegen bruine lijfjes en rokken en hemden, die niet zoo hagelwit waren als die der bulgaarsche vrouwen, maar die daarentegen geborduurd waren met rood en blauw borduursel, zooals men in Griekenland en Roemenië ziet, met groote, eveneens bewerkte mouwen, die zeer wijd van onderen waren.

Bij den spoedig daarop volgenden overtocht over de rivier kruisten wij een troep turksche ruiters en kregen daarbij weer een oosterschen indruk door de ontroering der fijne paarden met hoog opgeheven kop de schitterende tuigen, met blauwe koralen versierd, de gekleurde zadels, de rijke gordels, waarvan het rood zich spiegelt in het water, en het woeste stappen en plassen der paarden door de schuimende rivier.

Inderdaad kwamen wij dan ook kort daarna in een klein turksch dorpje, Sara Yar, een der zeer weinige plaatsen, waar de Turken zich in deze streek gehandhaafd hebben. Interessante en bekende oostersche tooneelen doen zich dus een oogenblik voor, en vervangen de bulgaarsche kleederdrachten, diewel wat al te sober zijn met hun bruine, zwarte en witte tinten, om aan het groen van het landschap veel reliëf te geven.

Ze zijn heel vriendelijk, deze Turken, en daar de paarden wat moeten uitblazen, maak ik een schetsje van de getulbande heeren, zooals zij daar zitten voor een café, in een groen priëeltje. Een van hen, een forsche, groote, glimlachende man met kleine donkere oogen onder een vooruitspringend voorhoofd, en een grooten witten tulband, met een violette veêr, komt, zonder om de voorschriften van Mohammed zich te bekommeren, vragen, of we zijn portret willen maken. Hij is schoolmeester en tegelijk priester in het dorp. Eerst teekende ik hem met de groep mee, maar hij vindt er zich te klein op, en toen liet ik hem alleen voor mij poseeren met de hand aan zijn stok. Hij was er verrukt van.

Rozenvelden bij Tsvarditsa.Rozenvelden bij Tsvarditsa.

Rozenvelden bij Tsvarditsa.

Rozenvelden bij Tsvarditsa.

Toen wij weer vertrokken waren, hervatten al die brave menschen hun werk van den geheelen dag, het rooken of alleen maar zitten soezen in de schaduw van het groen priëel en het luisteren naar vertellingen onder een kinderlijk gelach. Terwijl de Bulgaar van den morgen tot den avond werkt, zonder café of herberg op te zoeken, nemen zij het leven gemakkelijk op naar oosterschen trant, en alleen als het geld schaarsch wordt, gaan ze weer een paar hout- of steenkoolladingen wegbrengen, om daarna, voldaan dat ze eenige stuivers in den zak hebben, opnieuw met ambitie te gaan rusten. Zoo is langzamerhand alle grond hun ontgaan en in handen van de Christenen gekomen, wat niemand behoeft te verbazen.

Tusschen Sara Yar en Bela gingen wij door een heuvelachtig land, vol groene boschjes, waar van tijd tot tijd een overtocht over een rivier een schilderachtige afwisseling opleverde en den tocht van onze karavaan vertraagde.

Bela, waar we des avonds aankwamen, is een aardig landelijk dorp in den trant van Radevtsi, ofschoon op de zuidhelling, met een stroompje tusschen hooge oevers, begroeid met wilgen. Over het water ligt hier en daar een brugje, bestaande uit een enkelen balk met leuning, en boven het dorp verrijzen tertiaire bergen, waar de roode leembanden in horizontale lagen afwisselen met witte zandsteenvormingen. Ossen, die door het water gaan, en ganzen, vliegend over hen heen, ziedaar weer een schilderijtje.

Er zijn er vele in dit dorp, waar mijn reisgezelschap weinig interessants vindt. De vrouwentypen zouden, als ik ze kon snappen, in mijn schetsjes passen, niet om haar schoonheid, groote Goden! ofschoon een gevoel van ongemotiveerde beschroomdheid ze bij mijn nadering doet wegvluchten, maar om haar leelijkheid juist, die werkelijk heel origineel is.

Het schijnt dat hier, net als te Slivno, een rest woont van den een of anderen aziatischen stam, die nog sterk mongoolsch is, misschien vermengd met negerbloed. Ze maken den indruk van Kalmukken met sterk vooruitspringende jukbeenderen, zeer prominente onderlip en een daarbij passend kapsel, met op het voorhoofd een rij van lange ongekamde haren, die in donker door den een of anderen regimentskapper schijnen te zijn geknipt, terwijl van achteren vier of vijf kleine vlechtjes hangen, ten halve bedekt door een doekje en versierd met een onzinniggroote bloem, bij voorbeeld een pioen of een groote tros seringen. De verloofden voegen daar nog een heelen toren bij van veêren en rozen en gekleurde linten met kettingen van op den rug afhangende munten en verder colliers van penningen, armbanden, ringen, een heelen galanteriewinkel, waardoor ze er echt als wilden uitzien. Maar ze zijn ook halfwild en in verrassende mate onbeschaafd.


Back to IndexNext