Naar het Duitsch vanKarl von Dahlen.
De haven van Soolvär op de Lofodden.De haven van Soolvär op de Lofodden.
De haven van Soolvär op de Lofodden.
De haven van Soolvär op de Lofodden.
In de Lapland-express! Behagelijk zit een klein reisgezelschap in den rooksalon bij elkaar. Het toeval heeft ze uit alle deelen der aarde hier bij elkaâr gebracht en op zulk een tweedaagsche spoorreis wordt men spoedig vertrouwelijk. Daarbuiten ligt de gloed van een noorschen nacht over de eentonige wildernis. Bosch, bosch, zoo ver het oog reikt, maar niet het schoone hoogstammige woud, de vriend van een mensch, die een wandelaar vriendelijk in zijn armen sluit, maar dat eindelooze bosch, zonder paden of wegen, het wreede beeld van den moeielijken strijd om het bestaan, waar het kleine het groote verwoest, en de ongelukkige sparren, geheel bedekt met blad- en korstmossen, tusschen groote granietblokken hopeloos een langzamen dood afwachten. In het spookachtige licht van den nacht schijnt het landschap geheel doodsch en uitgestorven, en het is alsof men zich over het uitgestrekte oppervlak van een andere planeet beweegt.
De aardige zweedsche dokter dringt wel is waar tot rusten, maar de helderheid van den nacht laat ons niet slapen. Houdt de trein eens op, om water of kolen in te nemen, dan is het toch al te verleidelijk om in dit middernachtelijk uur eens naar buiten te gaan in het zwijgende land. Men is zoover van het eigenlijke Europa verwijderd, en de weinige schreden naar beneden, de glooiing af, om bessen of mossoorten te verzamelen, brengen ons onmiddellijk in een vreemd land. Langzamerhand sterft de plantengroei onder de harde hand van een noordschen hemel, kleiner en kleiner worden de boomen, spoedig ontdekt mijn plantkundige reisgenoot de eerste gletscherberk met zijn fijn getande bladeren. De bloemen lichten ons tegen met haar teringachtige kleuren, en daar in de verte schemert de sneeuw ons tegen, als reuzenflarden van een verscheurd lijkkleed. Zoo gaat het voort door Lapmarken, voorbij de steden Gellivara en Viruna, die een amerikaanschen indruk op ons maken.
Welk uur onze horloges ook mogen aanwijzen, aan ieder station staat de bevolking gereed ons te begroeten. Langzaam klimt de trein naar boven. Het naakte graniet komt meer en meer te voorschijn, en ofschoon wij slechts een paar honderd meter boven ’t zee-oppervlak zijn, heeft de geheele omgeving het karakter van het hooggebergte. Dezelfde aangrijpende verlatenheid als in de Alpenpassen, maar nu op reusachtige wijze uitgebreid. Hier en daar glinsteren kleine meren tusschen de gesteenten, de beken storten zich woest van boven neer en aan de rechter zijde schittert de zilveren streep van Torne Fräsk, de groote binnenzee in het Noorden van Zweden.
Boven de bergen aan den anderen oever ligt een donkere muur van wolken, maar de eene watervalnaast den anderen schijnt uit de wolken neer te storten, en hunne zilverachtige strepen komen helder uit tegen de blauwe bergwanden. Hier en daar weiden enkele troepen rendieren en vluchten in moeilijken gang, zoodra de fluit van de locomotief zich doet hooren. Tegen den middag bereiken wij de grens tusschen Zweden en Noorwegen; “Riksgränsen” heet trotsch hier het kleine stationnetje. Daar heerscht nu een opgewekt leven; jonge Zweedschen, met heerlijk blond haar, zijn zoo even van een voetreis in het binnenste van Lapland teruggekomen. Ze dragen de bij de Lappen gebruikelijke schoenen met banden, hebben den Alpenstok in de hand, de botaniseerbus op den rug en maken een ondernemenden indruk. Hun eenig geleide is een jonge, nauwelijks de school ontgroeide student. Onwillekeurig denkt hierbij iemand aan de plaats in Goethe’s Brieven uit Zwitserland, waar hij van de zorgvuldige voorafgaande onderzoekingen en de omvangrijke voorbereidingen verhaalt, vóór de oude Saussure met zijn reisgezelschap besloot in den laten herfst in het Chamonixdal tot aan den voet van den Mont Blanc door te dringen. Welk een onderscheid! Tegenwoordig ontmoet men de jeugdigste reizigsters bijna zonder geleide op een tocht door een onbebouwde wildernis aan de grenzen van het poolgebied.
De middernachtszon over de IJszee.De middernachtszon over de IJszee.
De middernachtszon over de IJszee.
De middernachtszon over de IJszee.
Van Riksgränsen daalt men, met talrijke bochten, door vele tunnels heen, naar de zee af. Al groener en groener wordt de bodem. Eindelijk: Thalatta, Thalatta! In de diepte schittert de stille waterspiegel van den Rombake-Fjord, waarin zich aan alle zijden witschuimende watervallen uitgieten. Spoedig is Narwik bereikt. Wij verlaten den trein, en Anna, de keukenmeid van een eetsalon, die ons elken morgen zoo vriendelijk begroette, wuift tot afscheid met haar witte muts.
Nu moeten wij ons aan de goden der zee toevertrouwen en menigeen mijner reisgenooten zinkt het hart in de schoenen, als hij het kleine stoombootje ziet—“Hadsel” is zijn naam—dat ons tot aan de noordelijkste punt van het vaste land moet brengen. Dwergachtig klein ligt het daar naast de groote stoombooten, die het in Kiruna gewonnen erts hier laden, en de hemelhooge rotswanden van den fjord doen trouwens elk menschenwerk nietig schijnen.
Wij vormen echter ook maar een zeer klein reisgezelschap, niet meer dan een dozijn, en in een vroolijke, moedige stemming lichten wij het anker en stoomen nu noordwaarts. Welk een zonderlinge sprookjesachtige wereld rondom ons! De hoogste bergtoppen zijn in donkere wolken verborgen, de rotswanden zien donkerblauw, groengrijs glanst de zee. Heinde en ver ziet het oog geen andere stoomboot. Slechts een paar visschersschepen, juist zoo gebouwd als de oude draakschepen der Vikingen, vóór en achter met den hoog opstijgenden boeg, en met roest-bruine zeilen, kruisen onzen weg. Maar in het water wordt het levendig; dolfijnen spelen rondom het schip, nu eens ziet men hun plompe lichamen in de lucht opspringen, dan weer kan men in het heldere water hun bliksemsnelle bewegingen volgen. De lommen tuimelen voor ons heen; angstig beproeven zij zich in de lucht te verheffen, en storten zich dan weer met den kop omlaag in de diepte. De meeuw stoot zijn schril geluid uit en de kormoraan vliegt met stillen vleugelslag voorbij. Zoover het oog reikt, rijen zich eilanden aan eilanden; de boomgroei wordt steeds schraler, maar toch bedekt nog een licht, geelachtig groen de fijne rotswanden. Dichter en dichter trekt zich de hemel om ons heen te zamen, en in de onzekere schemering nemen de rotsachtige eilandjes steeds phantastischer vormen aan. Het maakt den indruk, alsof wij door een groote kudde voorwereldlijke reuzendieren omgeven zijn, die, half in het water verborgen, zich plotseling op ons konden werpen, om onzen notedop te verpletteren. O, anti-diluviaansche stemming! Men zou hier weder aan de Scylla en Charybdis gaan gelooven.
Zoodra echter de zon den sluier verscheurt, en een frissche wind uit de IJszee de wolken uit elkaar jaagt, ziet men overal rondom ons toppen en spitsen, en heel in de hoogte glanzen gletschers. Zoo stoomt en stampt onze kleine “Hadsel” langzaam vooruit. Niet voor ieder passagier is echter deze vaart een onvermengd genot. Meestal beschut ons, wel is waar, de voor ons liggende keten van eilanden, maar als op open plekken de zware deining van den oceaanons scheepje bereikt, danst het lustig op en neer, en menigeen buigt zich in stilte voor deze hoogere macht.
Terwijl wij kort voor middernacht bij een glas warme groc—de thermometer wijst maar een paar graden boven nul—in de kajuit bij elkaar zitten, schitteren plotseling de ruiten der ronde venstertjes, het koperwerk glanst helder op, het licht wordt gegrepen door onze glazen op tafel en weerkaatst op onze gezichten. Daarna, in eens, is alles weer koud en vaal. Het was de eerste luchtige groet van de middernachtzon!
Onze weg voert ons langs een der grootste vogelbergen van het Noorden. Reeds van verre hoort men het krijschen der schuwe dieren; naderbij gekomen ziet men ze in tallooze rijen op de rotsen neergehurkt. Nu lossen wij een kanonschot en iets wonderbaars gebeurt er. De berg schijnt als een veêren kussen uiteen gebarsten te zijn. Als een wolk omhullen ons plotseling millioenen en millioenen vogels, het is een oorverdoovend leven; wie naar boven ziet, meent zich in een dichte sneeuwbui te bevinden. Wij vervolgen onzen koers, maar nog zwermen de opgeschrikte vogels in dichte wolken rondom hunne rotsen.
Oud houten huis in Tromsö.Oud houten huis in Tromsö.
Oud houten huis in Tromsö.
Oud houten huis in Tromsö.
Eindelijk duikt de Noordkaap voor ons op. Scherp, als de ram van een panterschip, steekt zij uit de oneindige zee op. Onze “Hadsel” vaart er langzaam om heen en gaat dan in een door rotsen omsloten bocht voor anker. De oever der vergetelheid. De zee ligt bijna doodstil, de steile wanden hebben een vochtigen glans, hun kleur is staalgrijs, erboven zijn dichte wolken opgestapeld, een sneeuwveld trekt zich in een hoek terug en zendt een kleinen waterstroom uit, die met dof gemurmel in zee valt. Overigens diepe stilte. Op den achtergrond in de bocht een kleine hut, nauwelijks zichtbaar; daarin wonen een paar visschers, en een Duitscher, die aan de zomertoeristen daarboven op de hoogte prentbriefkaarten en champagne verkoopt. Met moeite beklimmen wij den vrij steilen wand. Tusschen het sneeuwveld en den zigzagsgewijs loopenden weg is een schoon bloemtapijt uitgespreid. In het langdurige licht van den zomer komen hier de bloemen tusschen sneeuw en ijs met wonderlijke kracht te voorschijn. Daar ziet gij een zeer zeldzame soort van gevulde ranonkel; gele viooltjes komen te voorschijn, geel en wit zijn over ’t algemeen hier de heerschende kleuren. In de vreeselijkste woestenij het heetste verlangen naar het leven!
Juist toen wij het plateau bereikt hadden, omhulde een wolk den geheelen top. Een oogenblik zagen wij totaal niets. Langzamerhand gewent echter het oog aan de schemering en nu liepen wij, geleid door een gespannen touw, naar de uiterste punt van ons vaste land. Wit glinstert het graniet op den grond, daartusschen schittert een kleine anjelier. Sneeuwhoenders loopen voor ons uit en verdwijnen in den nevel. De branding wordt steeds luider, en spoedig zijn wij bij het paviljoen, waar men, ter viering van het oogenblik, een glaasje champagne pleegt te drinken.
Maar waar is de zon? De stoomfluit maant ons reeds aan, terug te keeren. Daar komt er plotseling beweging in de ons omringende massa’s, sneller en sneller trekken de nevelstrooken voort; op eens ontstaat een breede spleet en ver aan den horizon, dicht boven de phosphoresceerende zee staat de lichtende zonneschijf. Daarop valt het gordijn neder, enverheugd over het genoten schouwspel, dat niet allen reizigers naar de Noordkaap ten deel valt, beginnen wij af te stijgen.
Onze “Hadsel” zet nu haar koers weer naar het Zuiden. Een kort bezoek wordt gebracht van Hammerfest, dat zonder zon onder een regenzwangere lucht een uiterst melancholieken indruk maakt. Maar dan komt een glanspunt van den tocht, de Lyngen-fjord. Hier vereenigen zich zee en bergen tot een grootsch natuurbeeld. Langzaam vaart de stoomboot langs de steile rotswanden, en terwijl wij in stomme bewondering op het dek neerzitten, trekt de eene gletscher na den anderen ons voorbij, donkerblauw aan den bergrug hangend, met hun ijstong tot in het donkere water reikend.
Niet ver achter Tromsö opent zich dan eindelijk de wonderwereld van het Noorden. De rotsenwildernis der Lofodden neemt ons in zich op. Het is moeielijk met woorden een ook maar eenigszins gelijkend beeld van dit zinnenverbijsterend schouwspel te geven. Is het een verzonken gebergte of een nieuw uit zee opduikende wereld? De schoonste van al de Lofoddenstroomen is de Raftsund. Een breede rivier midden door het hart van een indrukwekkend gebergte. Hier ontsluiten zich voor het oog beelden, die anders slechts de bergbeklimmer na een moeielijken tocht te zien krijgt. De Troldfjord is het wonderlijkste in deze wonderwereld. Het schip vaart recht op een loodrechten rotswand aan, dan een kleine wending, en voorzichtig glijden wij door een smalle spleet tusschen blanke, gladde granietmuren door. Nu drijven wij op een klein, donkergroen Alpenmeer, onder in de diepte van een ketel tusschen de bergen. Er omheen sneeuw en ijs; een waterval stort zich met dof gebruisch in het meer, maar zijn spiegel blijft onbewogen. Roode algen schijnen te roeien door het klare water, de lomme duikt op en verdwijnt weder, de zwarte zeezwaluwen zweven langs de rotswanden, anders alles doodstil! Alles houdt hier onwillekeurig den adem in. Troldfjord noemen de Nooren deze plaats; iets spookachtigs zit er in de lucht, een sprookjesstemming waart er rond. Hier hebben de Grieken den ingang naar de onderwereld gezocht.
De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.
De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.
De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.
Soolvär, de hoofdplaats der Lofodden, is ons laatste station. Daar verlaten wij onze kleine “Hadsel”, om met een grooter schip de reis naar het Zuiden voort te zetten. In de oude kroningsstad Drontheim gaan wij weer aan land. Nog omgeeft ons de ernstige natuur van het Noorden, maar na het huiveringwekkende schoon, dat wij hadden gezien, scheen ons hier het landschap lief en vriendelijk. Wederom legt de lichte nacht zijn schemering over land en zee. Het is bijna middernacht, als wij uit de stad naar buiten gaan, naar berg en bosch. Jongens en meisjes komen ons tegen, hand aan hand, met bloemen getooid. Het eene paartje na het andere; de nacht is hier ook zoo wonderlijk licht. Frissche hooigeur doorwasemt de lucht. En terwijl wij nu omzien en neerkijken op den zilveren fjord, is het ons als voelden wij, na het doodsche van het Noorden, hier voor de eerste maal weder den levenden polsslag van onze liefhebbende moeder natuur.
Naar het Fransch vanA. de Mathuisieulx.
Karavaan op weg naar Rhadames.Karavaan op weg naar Rhadames.
Karavaan op weg naar Rhadames.
Karavaan op weg naar Rhadames.
Mijn eerste onderzoekingstocht in Tripolis in 1901 was maar zeer onbeteekenend geweest door opgekomen politieke moeilijkheden. Gelukkig heb ik daarna nog twee reizen kunnen doen, namelijk in 1903 en 1904, waarbij ik een veel uitgestrekter gebied heb kunnen bezoeken en meer op mijn gemak dit deel van Afrika heb bestudeerd, dat tot hiertoe nog zoo weinig bekend is. De onderzoekingen, in het geheele vilayet ingesteld, tot de streken, behoorend bij Fezzan, worden in dit verhaal weergegeven.
Den 20sten Maart 1903 verliet mijn karavaan Tripolis bij het aanbreken van den dag. Ik had buiten mijn eigen personeel den ouden Arabier Hammer meegenomen, die mij reeds in 1901 had vergezeld, en dan den jongen Maltezer Pepino.
Wij sloegen ons eerste kamp zes kilometer ten westen van Tripolis op, te Gargaresj, opdat onze lieden veel tijd ervoor zouden hebben, want ze waren nog nieuwelingen in het werk, dat natuurlijk in den beginne met veel misgrepen en onhandigheden gepaard gaat. De tenten, de keuken, alles was in orde, toen de leden van het Consulaat-Generaal van Frankrijk ons in den namiddag een bezoek brachten voor een laatste afscheid. Daar mijn landgenooten den wensch te kennen hadden gegeven, hier te dineeren, zette de fezzansche kok hun een vrij bescheiden maal voor, dat echter door hen op de vriendelijkste manier tot gul en hartelijk onthaal werd gestempeld.
Toen de bedienden den volgenden morgen het kamp opbraken onder het oppertoezicht van Pepino, bracht ik een bezoek aan de omstreken en aan een dubbel graf van hooge antiquiteit, dat kort geleden gevonden was in een onderaardsch vertrek. Dit monument, met fresco’s versierd, werd gebouwd door een weduwe, Arisuth genaamd, voor haar man Juratanus en voor haar zelve. De namen van de bedoelde personen verraden reeds hun afrikaansche afkomst, en wel een numidische voor den echtgenoot en een semitische voor de vrouw. Zooals zoo dikwijls gebeurt bij archaeologische ontdekkingen, hebben de opschriften van dit graf het mogelijk gemaakt, een belangwekkend punt uit de geschiedenis op te helderen. De heer Clermont Ganneau heeft er het bewijs in gevonden van de opneming der vrouwen in de heidensche secte van Mithra. Mevrouw Arisuth bekleedde daarin een eereplaats en had recht tot deelneming aan de godsdienstige feesten. Tot nu toe had men gemeend, dat alleen mannen tot den dienst van Mithra werden toegelaten, dien machtigen arischen godsdienst, welks wieg dezelfde is als die van het gansche menschengeslacht, en die zich over de geheele wereld heeft verspreid gedurende de oudheid, zelfs tot de verst verwijderde grenzen van Perziëter eene, en de Zuilen van Hercules ter andere zijde.
In de buurt van die graven gaat een romeinsche toren voort, met al meer te vervallen. Het is waarschijnlijk, dat in de middeleeuwen de Arabieren zich ervan bedienden voor de lijn van telegraafposten, die ze langs de kusten der Middellandsche Zee hadden opgericht; bekend is, dat een reeks van optische seintoestellen de afrikaansche kust volgde, zoodat de berichten in een enkelen dag van Egypte naar Marokko konden worden overgebracht.
Vóór we ons zuidwaarts wenden, om ons in het binnenland te wagen, volgen wij eerst de kust tot Aboe Adjila, om daarbij de ruïnen van de haven Sabathra te bezoeken, die we in 1901 maar even hadden gezien. Op die plaats werd ik ontvangen door een arabischen kaïmakan, een hoog personnage. Ahmed Bey behoort tot de oudste en rijkste familie uit Tripolitanië; daaraan heeft hij het te danken, dat hij reeds op zeer jeugdigen leeftijd een prachtige oase te besturen kreeg, waar omheen de weelderigste havervelden lagen, die ik ergens in Afrika heb gezien. Om mij het verblijf bij de ruïnen van Sabathra aangenamer te maken, laat hij een arabisch kamp oprichten aan den oever en laat er gerechten heen brengen, die een verrassend menu vormen in een zoo van voedingsmiddelen misdeeld land.
De vrijheid van handelen en het schoone jaargetijde staan mij thans toe, de overblijfselen van Sabathra te bestudeeren, voor zoo ver dat mogelijk is in het turksche dorp, waar opgravingen strikt verboden zijn. Die ruïnen op 80 KM. afstands van Tripolis zijn die van een der drie handelsplaatsen, welke daar hebben gelegen. Evenals te Oea en Leptis Magna waren ook hier de Phoeniciërs de stichters, die er een karakteristieken naam aan hebben gegeven, want Sabathra beteekent Korenmarkt. De Romeinen maakten er een gemeente van en verhieven de plaats tot kolonie. De moeder van Titus en Justinianus, die er beiden geboren werden, stelde bijzonder veel belang in de stad. De plotselinge achteruitgang en de latere totale ondergang van de plaats dateeren van de invallen der Arabieren.
Het zand bedekt bijna geheel de kostbare resten, en de zee ondermijnt de mooie muren van de haven. Naarmate de wind een hoekje der duinen opruimt en een standbeeld voor het licht brengt, of een zuil, of wel een mozaïek, haasten de dweepzieke Arabieren zich, die relieken der gehate Roemi’s te vernielen. Gelukkig bewaart het zand trouw en goed die historische rijkdommen, en er zal een heele schat van in te zamelen wezen, als eenmaal verlof tot opgraven zal worden gegeven. De sporen der wallen en andere duidelijke resten toonen inderdaad, dat daar een groote en rijke stad moet hebben gelegen; de lengte was meer dan drie kilometer langs de kust; er waren zeer veel paleizen en tempels, en het theater kon tien duizend toeschouwers bevatten. Men kan nog de plaats onderscheiden, gereserveerd voor de Garamantes-stammen uit Fezzan, die er hun tenten kwamen opslaan ten tijde van de groote jaarmarkten.
Waaraan moet de keus voor de plek van deze zeehandelsstad worden toegeschreven? Dit deel van de kust biedt toch in het minst geen beschutting aan. Gebouwd aan een der einden van de bebouwde zone en ver van de vermaarde zoutwerken van Zarzis, kon ze geen middelpunt voor landbouw of industrie worden. De ligging van Sabathra laat zich, naar mijne meening, alleen verklaren als directe uitvoerhaven van Rhadames, het oude Cydamus, bij den doorgang van den breeden pas van Djado, waar de karavanen door gingen, en waar ze nu nog passeeren, om zoo de streek van Rhadames met de zee te verbinden.
Tusschen de kust en Djado heeft men over een breedte van 100 KM. de groote vlakte, een uitgestrekt gebied van laag land, Djeffara genaamd, den toegangsweg van de zee naar het hooge plateau in het binnenland. De vlakte loopt onmerkbaar op naar den voet der hooge rotsen van den Djebel of het bergland, waar ze door een reeks van onafgebroken verhoogingen eindelijk 300 M. hoogte bereikt.
Gedurende de zes-en-vijftig uren rijdens door Djeffara moesten wij steeds op onze hoede zijn, vooral des nachts, want arabische roovers zwerven onophoudelijk door deze streek, op de zoek naar een karavaan of een kamp, die niet voldoende beschermd zijn.
Het zand, dat afkomstig is van het verweerende gesteente, dekt de meeste der kleine heuvels, welke zich op de vlakte verheffen; maar tusschen die onbeteekenende hoogten vinden de Arabieren soms water genoeg, om haver te planten, omdat een laag van blauwachtig leem het regenwater vasthoudt.
Djeffara is in dit gebied veel minder dor dan in het Zuiden van Tripolitanië. Dit jaar is de oogst bijzonder goed geweest. Wij ontmoeten dan ook dikwijls inboorlingen, die hun voorraad in naburige silo’s bergen. Zoo worden hier als elders de onderaardsche bergplaatsen genoemd, die in den vorm van een karaf worden gegraven met een nauwen ingang van boven. Men daalt er in af met een touw van alfa en de opening wordt gesloten met een grooten steen. De inrichting laat zich misbruiken voor verschrikkelijke dingen. Zoo heeft in het weidegebied van Montsor een Arabier onlangs zijn broer levend begraven, omdat hij diens erfenis begeerde. Toen men het lijk vond, bleek, hoe de ongelukkige tegen de verstikking geworsteld had.
De weg, dien men volgt in Djeffara, is aangewezen door de punten, waar water te vinden is, en die op groote afstanden van elkander liggen. De putten aanvankelijk in de buurt van de zee niet zeer diep, nemen snel in diepte toe. In zeer harden grond gegraven, bevatten ze een helder water, dat van uitstekende qualiteit is; maar het ontbreken van een steenen rand om de putten en van toestellen, om het water op te hijschen, gevoegd bij de zorgeloosheid van de Arabieren, doet het zand van boven steeds in den put vallen en maakt het vocht vuil en modderig. Om water te putten, maakt ieder voorbijganger een touw los van zijn kameel en laat den zak van schapevel zakken, die het voornaamste stuk huisraad is in een nomadische huishouding. Indien de kampen niet te ver af zijn, nemen ze soms een koe mee, waaraan ze het uiteinde van het touw vastmaken, en het dier hijscht den vollen zak op, door zich van de opening te verwijderen.
Op die vlakten ziet men in het verblindende licht alles wit. De overdaad en de scherpte der zonnestralen eten de kleuren op, en het oog heeft moeite de bijzonderheden te onderscheiden. Het zand, de wol van de kudden, de kleeding van de inboorlingen, alles wordt op korten afstand reeds een verwarde massa. Alleen de kleine vlekjes menschelijk aangezicht vormen bruine ovaaltjes, en het mooie licht, dat overal elders zooveel vroolijkheid brengt, is hier de bron van een onverbiddelijke melancholie.
Voordat wij den voet van het groote tripolitaansche bergland hebben bereikt, passeeren we nog twee smalle zones, die ermee evenwijdig loopen, eerst een lint van weiden, dan een tweede lint van reuzenkeien. Het eerste is een gevolg van de wadi’s der hooge gronden, die daar alle doodloopen op een tiental kilometers afstands van de Djebels, en den grond vruchtbaar maken; het tweede is het bekken, waarin het bergpuin zich verzamelt. Die beide strooken, zoo verschillend van aanzien, zetten zich onafgebroken voort van de grens van Tunis tot Tarhoena over een lengte van meer dan 200 K.M.
De bestijging van de rots, ofschoon vergemakkelijkt door de bressen, die vroegere waterstroomen erin hebben geslagen, vereischt drie of vier uur arbeids, de reiziger kan zich op de klimpartij voorbereiden door in de oase aan den voet uit te rusten. De palmentuinen van Sjeiksjoek beneden Djado boden ons een rustgelegenheid, waaraan mijn lieden de grootste behoefte hadden.
De bewoners van die tuinen vegeteeren in een armzalige armoede, en de koorts woedt er met ongekende hevigheid door een naburige bron, die in een moeras uitloopt.
De steensoort van Sjeiksjoek dient voor de vervaardiging van molensteenen, die de bewoners van den stam der Sjograns te Tripolis verkoopen, om in hun behoeften te kunnen voorzien. Dichtbij het dorp kan men nog het graf vinden van Aboe Obeïda, een plaatselijke beroemdheid, die over de heele streek gezag uitoefende en zich in bloedige gevechten wikkelde met de Berbers van de hooge plateaux, om de macht te behouden, hem door den imam geschonken.
Op den 28sten Maart bestegen wij te voet de wijde spleet bij Djado, waardoor de rivier Djinaoen het bergland verlaat. De kameelen en paarden volgden ons en klommen minder moeilijk dan wij door dien doolhof van verbrokkelde rotsen, waar voetpaden op de schuine hellingen boven onpeilbare afgronden smalle linten vormen. Zoo ging het door palmboschjes, die hier en daar in de holten gegroeid waren en soms boven het ledige schenen te hangen als kraaiennesten op den nok van kathedralen.
Als men ze van dezen kant nadert, lijken de hooge gronden van Tripolis op een echt bergland, en men kan best begrijpen, dat de inboorlingen den naam van Djebel gegeven hebben aan deze noordgrens van het plateau, vanaf de bergen van Tunis, waarmee zij samenhangt door Doeïrat, tot aan Gariana toe. Maar in werkelijkheid is het niets anders dan een eindeloos vlak terras, dat naar Djeffara steil afloopt met een muur van 800 M. hoogte. De atmosferische invloeden hebben niet weinig ingewerkt op deze grens en hebben er over een terrein van 10 tot 12 K.M. in de breedte diepe kloven in uitgehold vol bochten, hebben alleenstaande toppen afgeslepen en, zware steenblokken ondergravend, ze als gevaarlijke uitsteeksels boven afgronden opgehangen. Heeft men eenmaal den schilderachtigen doolhof van dit verweerde gebergte beklommen, dan ziet men voor zich tot in oneindige verte de vlakke en eenvormige uitgestrektheden van Afrika’s binnenland.
De wijdste spleten tusschen de rotsen dienen tot doorgangen tusschen de lage landen en het plateau. Zooals te Gariana en te Kikla de wegen naar Fezzan geopend worden, zoo opent de kloof van Djado, die wij zullen passeeren de route naar de oasen van Rhat en Rhadames aan de kust.
De naam Djado is die van het dorp, waarboven de Turken hun fort hebben gebouwd; de toppen van het dal dragen veel dorpen, tot het administratieve district Fossato behoorend. Rondom die naar de vlakte open baai vormen de plaatsen Moghat, Ojlin, Mesdoe, Endabas, Masgoera, Oeïfat en Regreg volkrijke middelpunten, omringd door olijfboomen.
In Tripolitanië hebben de invallen der Arabieren de Berbers teruggedrongen in de Djebels, en die laatsten zijn daardoor bijna uitsluitend bergbewoners geworden, zooals ook met hun broeders, de Kabylen uit Algerië het geval is. Alleen zij, die zich hebben verscholen in de oase van Rhadames en op het eiland Djerba maken daarop een uitzondering. Die Berbers, even werkzaam als de Arabieren lui zijn, houden zich met landbouw bezig. Bij hen is op de kleinste bebouwbare plekjes, die beschermd worden door steunmuurtjes op de steile hellingen der kloven, haver geplant; andere minder bewerkte gedeelten, waar het verweerde bergland in de vlakte begint af te dalen, dragen mooie aanplantingen van olijfboomen. Ik heb er besproeiingswerken gezien, die voor onze europeesche ingenieurs onmogelijk zouden zijn. Ook kan men zeggen, dat de bergen van Nefoesa het rijkste deel zijn van het vilayet.
De geschiedenis van deze Berberstammen moet nog worden geschreven. De arabische auteurs leveren ons geen gegevens voor de verschillende perioden; de geschriften van de bergbewoners zelven, in het Arabisch vervat, maar in Tamazirletters zooals die van de Toearegs, worden in de moskeeën angstvallig bewaakt door de kadi’s. Ik heb te vergeefs beproefd, mij die kostbare boeken te verschaffen, door er sommen voor aan te bieden, die in dit land een fortuin vertegenwoordigen. Geen enkele inboorling was bereid, zulk een heiligschennis te plegen.
Het is zeker, dat men in de Berbers, die tegenwoordig in Tripolis wonen, geen rechtstreeksche afstammelingen kan zien van de volken, die bij Herodotus en Strabo worden genoemd. Men vermoedt, dat een stam uit Azië of Ethiopië zich vermengd heeft met de oorspronkelijke bewoners, en dat zoo de stammen van Zoeara, Nefzaoea enz. zijn ontstaan.
Men ontmoet dikwijls onder die bergbewoners, die zeer donker zijn, enkele blonde individuen met blauwe oogen, juist als in Algerië en Marokko. De oorsprong van die talrijke afwijkingen blijft nog onverklaard en de verschillende hypothesen, opgesteld om ze op te helderen, spreken elkander tegen. Op grond van het bestaan der monumenten van groote steenblokkenof megalithen, die volkomen gelijk zijn aan die van Europa, geven enkele geleerden ons als broeders blonde bergbewoners uit Noord-Afrika; andere zoeken ze in Midden-Azië of in Ethiopië. De theorie van de eenen steunt op het bestaan van die typen in Egypte, die der anderen op de aanwezigheid van het blonde ras in Algerië. De onwetendheid, waarin men verkeerde ten aanzien van Tripolis, wees van beide zijden deze streek aan als grens der verhuizingen van uit tegengestelde richtingen. De aanwezigheid van individuen van het blonde type is geheel berbersch. Tripolitanië zal de quaestie nog maar meer ingewikkeld maken, tot een of ander archaeologisch document, dat onbetwistbaar is, haar kome oplossen.
Antiek graf bij Gargaresj.Antiek graf bij Gargaresj.
Antiek graf bij Gargaresj.
Antiek graf bij Gargaresj.
Hoe het zij, bruin of blond, de Berbers van Tripolis vormen een zeer apart ras, afgezonderd van de arabische wereld, die door hen veracht wordt en waarvan ze zich altijd afgezonderd hebben gehouden in die mate, dat ze nooit een huwelijk toelieten tusschen de vrouwen uit de bergen en de afstammelingen der overweldigers. De Islam is er verspreid geworden, maar de standvastigheid van het ras heeft een menigte oude leerstellingen behouden, waardoor hun godsdienst veranderd is in een bijzondere secte van den abhadietischen tak. Men vindt er christelijke overleveringen in terug, vermengd met heidensch bijgeloof, zooals bij de bewoners van het land Mzab in Algerië, waaraan zij nauw verwant zijn. De lieden van Nefzaoea, Rhadames en Mzab gehoorzamen aan een kerkelijk hoofd, die in Oman zijn zetel heeft.
De tripolitaansche Berber gevoelt zich krachtig en flink en is zeer ingenomen met zijn betrekkelijke onafhankelijkheid, die hij in het midden van de vorige eeuw dapper tegen de Turken heeft verdedigd, zooals hij dat in de elfde tegen de Arabieren had gedaan. Ook onderhoudt het turksche gouvernement te Djado alleen een garnizoen van achthonderd man, wier citadel de heele streek beheerscht. De woeste stammen mogen in het geheel geen vuurwapenen bezitten, en ze blijven thans rustig in hun dorpen en komen ’s avonds samen, om elkander met verhalen over de heldendaden van de voorvaderen te vermaken. Die bijeenkomsten, waar de roem van den vermaarden Roema het voorwerp is van een waren eeredienst, eindigen meestal met vaderlandsche liederen, vervat in de taal, die ook de Toearegs van de Sahara gebruiken. De moderne beschaving heeft geen vat op deze menschen, die de hulp van een geneesheer weigeren en liever sterven onder de handen van onwetende toovenaars. Zij voeren de matigheid zoo ver, dat ze zich van sigaretten en thee onthouden, omdat het gebruik van tabak en thee zonde is in hun oogen. Toch is het bekend, hoe de menschen in Afrika op het rooken gesteld zijn, en hoeveel ze van thee houden, die overal voor koffie in de plaats komt.
Te Djado, zooals in bijna het geheele bergland, is het water ondrinkbaar door de vele magnesia, die het bevat. De bewoners moeten daarom naar de vlakte, om zich van het noodige te voorzien. De turksche troepen, genesteld in hun kasr of vesting ter hoogte van 750 M., gebruiken een kudde kameelen voor het opvoeren van de gevulde waterzakken, hetgeen een groote vermeerdering van kosten meebrengt.
Daar de belastingen overal in natura worden opgebracht, zoowel in mannen als in dieren en landbouwproducten, regelt de ottomaansche regeering die naar een omslag, verschillend naar de opbrengst der verschillende streken. Te Djado betalen een man en een kameel een éénheid, dat wil zeggen, dezelfde belasting als twee koeien, of tien schapen, of vijf-en-twintig geiten, of vijf-en-twintig olijfboomen, of vijftig palmboomen, of tweehonderd vijgenboomen.
De moskeeën, die op enkele hoogten in het district Fossato staan, zijn oudtijds het godsdienstig middelpunt geweest der Nefoesiërs. De historische en philosofische wetenschap zijn er nog in eere, en de Berbers beschouwen het gansche district als een heilige plaats. Maar eenige van die moskeeën zijn tegenwoordig verlaten, en daar moeten, naar booze tongen verhalen, zeer weinig stichtelijke dingen gebeuren.
Als men Naloet bereikt aan het westelijk uiteinde van het gebied der Berbers, gaat men langs den voet der rotsen, en wij maken van de gelegenheid gebruik, om den geologischen bouw van die mooie, loodrechte wanden na te gaan. Op dezen weg passeeren we de tallooze stroompjes, die voor de afwatering zorgen van de hoogte, maar nu droog zijn. Zij graven ondiepe beddingen in Djeffara.
Voorraad voor een verwijderd kamp.Voorraad voor een verwijderd kamp.
Voorraad voor een verwijderd kamp.
Voorraad voor een verwijderd kamp.
Bij de oase Djoch vond ik romeinsche ruïnen, te herkennen alleen aan eenige brokken muur. Tochwas dit een voorname plaats, Sabria genoemd, naam die ook wel gegeven werd aan Sabratha aan de kust der zee. Die naam, die ontwijfelbaar van vreemden oorsprong was, duidt dus een in het binnenland liggend Sabratha aan, waarvan veel geleerden het bestaan geloochend hebben, ondanks de beweringen van Ptolemaeus. De grieksche aardrijkskundige was beter ingelicht dan wij, en als er een marktplaats bestond voor de groote haven aan de Middellandsche Zee, dan moest het hier wezen, bij een der hoofddepots, waar het plateau op de vlakte uitkwam.
Iets verder doet zich de oase Tizi voor, waar een ondragelijke stank viel waar te nemen. Toen we er aankwamen, vonden we er een troep Arabieren, bezig met een bron bloot te leggen, door met hun handen in den grond te graven.
Dit werk, waarmee ze al een maand aan den gang waren en dat op de alleronhandigste manier werd gedaan, heeft water over den omtrek verspreid; het gaat tot bederf over en vergiftigt de buurt. De grachten om het kerhof liggen vol lijken, die men zich de moeite niet geeft te begraven; en we zagen menig geraamte, waarvan het doodshemd tot lompen is geworden.
De ingang van de kloven van Naloet is nog grootscher dan die van Djado. Het dorp, dat de inboorlingen liever Daloet noemen, ligt op 750 M. hoogte op den top van een steile rots, die over afgronden van tweehonderd meter heen hangt. Een der woningen is gebouwd tegen de bijna loodrechte wanden van de rots, een ander ligt verspreid over het begin van het plateau. De oorsprong van een rivier dient tot hoofdstraat. Enkele van de andere straten zijn zoo nauw dat een man er niet langs kan gaan, zonder zijn schouders te stooten. Het dorp bestaat ten deele uit ondergrondsche woningen, want er zijn een massa troglodyten in het bergland van Tripolis.
De Turken hebben een fort gebouwd op een helling van de kloof; daartegenover staat tusschen de hutten een oude citadel, geheel in de rots uitgehouwen, zonder een enkel laagje steenen. Daar borgen de bewoners hun rijkdommen en daar vonden ze een schuilplaats in tijden van gevaar. Tegenwoordig bergen ze er nog hun koopwaren en hun voedingsmiddelen. Elke familie heeft haar eigen magazijnen in de vesting; in de rotswanden zijn de bergplaatsen gehouwen. En de driehonderd openingen, vrij regelmatig gerangschikt, geven aan het geheel het aanzien van een columbarium of romeinsche grafkamer met haar vele nissen voor de urnen met asch. Des morgens komen de huisvrouwen er weghalen, wat ze noodig hebben voor het maal van den dag; in den namiddag ziet men er de mannen hun handel drijven als op een markt, waarna ze den sleutel aan den bewaker ter hand stellen, die den naam van dellal draagt. Er is geen trap, om bij de bovenste openingen te klimmen, en de eigenaars hijschen zich tot vijf of zes meter in de hoogte, door zich aan de uitspringende gedeelten van de rots vast te houden.
Naloet lijkt als alle dorpen van den Djebel in de verte op een hoop puin, omdat de huizen er zijn aangelegd met de allergrootste minachting voor de rechte lijn en het effen vlak. De muren van pleister en steenen staan scheef en dragen een dak, dat een chaos is van balken van olijf- en palmhout.
Wat mij het meest verbaasde, is dat er geen ongelukken aan de kinderen overkomen in dit dorp boven afgronden, waar in de diepte nooit een zonnestraal doordringt. Ik zag er een troep jong goedje in lompen spelen aan den rand van gapende diepten, die iemand een huivering aanjagen. Van daar overzag men een panorama, dat zich tot dertig kilometer in het rond uitstrekte; aan den eenen kant de verweerde bergmassa’s, aan den anderen de effen oppervlakte van het plateau. In een paar spleten waren palmboschjes gegroeid, waar beekjes hun oorsprong namen.
De huwelijksplechtigheden hebben veel eigenaardigs in Naloet. Vier geheele dagen lang blijven de genoodigden opgesloten en slijten den tijd met het eten van hoopen meel, met olie aangemengd. Op den dag der plechtigheid gaat de bruid eerst haar linnengoed wasschen in het geleide van een escorte van jonge meisjes. Door de vriendinnen wordt ze dan naar het huis harer ouders teruggebracht, en het echte feest begint met het zingen van gehuurde koorzangers. Een kameel met een palankijn van levendige kleuren voert daarna de bruid naar haren echtgenoot tusschen ruiters, die zich aan de meest woeste fantasia’s overgeven. Alle aanwezigen blijven buiten de woning van de jonggehuwden en wachten, tot de echtgenoot hun komt mededeelen, dat de huwelijksvereeniging heeft plaats gehad. Op dat moment gaan van alle kanten voetzoekers af, om in de naburige dalen te verkondigen, dat er een huwelijk is voltrokken.
De ingewikkelde ceremoniën zijn daarmee niet afgeloopen, maar duren nog wel een week, waarbij ook de nachten aan spel en braspartijen zijn gewijd. Soms hebben gefingeerde schakingen plaats tusschen jonge mannen en jonge meisjes, en grijsaards komen dan tusschenbeide, om vrede te stichten tusschen de schuldigen en hun ouders. Dat zijn nog eens bruiloften, waar men zich vermaakt!
De kaïmakan van Naloet is een beminnelijke grijsaard, die aan een heupziekte lijdt, gevolg van een ongeluk, dat hij een twintigtal jaren geleden heeft gehad. Terwijl hij zich mengde in een bloedige vechtpartij, om er een einde aan te maken, had hij een kogel ontvangen, die nog niet is verwijderd. Voor mij was deze ambtenaar vol oplettendheden; zelfs werd ik genoodigd op een revue over de troepen van het garnizoen en genoot de eerbewijzen, die aan generaals toekomen, wat geen kleinigheid was voor een officier buiten dienst, die het nooit tot de hoogere rangen heeft gebracht.
Ongelukkig kon ik niet de toestemming krijgen om tot Rhadames door te reizen, waar wij nog slechts 250 K.M. van verwijderd zijn. De gouverneur-generaal, bij wien ik nog een poging deed, om verlof te krijgen, gaf een categorisch weigerend antwoord, het gevaar voorwendende, dat een Europeaan in die groote targuïsche stad liep. Ik moest mij tevreden stellen met kleine uitstapjes in die richting, en daarna ging het naar Wazzen, het laatste bewoonde middelpunt op de grens van Tunis.
Van Naloet keerden we op onze schreden terug, om geheel het bergland van het Westen naar hetOosten door te trekken, maar dezen keer over den kam van het plateau, hetgeen ons in staat stelt, alle berbersche districten te bezoeken. De eerste dagreis brengt ons te Mahmoed, een vesting, even hoog gelegen als de vorige. Het zigzagpad, dat er heen leidt, is zoo steil, dat de kameelen kermen en ten slotte uitgeput stilstaan. Wij moesten ze ontladen en de pakken één voor één naar boven dragen. Ik moest mijn met spijkers beslagen schoenen uittrekken, want de geringste glijpartij zou mij op een leelijken val zijn te staan gekomen.
Te Mahmoed is een deel der bevolking arabisch. Het is een der weinige plaatsen, waar de stroom der veroveraars uit de elfde eeuw er in geslaagd is, een der inhammen binnen te dringen, die tot boven op het plateau voeren. Ongeveer honderdvijftig huizen en enkele olijfboomen staan om de vesting. Het zeer smalle deel heeft mooie aanplantingen van olijven van, naar het mij voorkomt, nog jongen datum.
Onze weg liep nu verder in rechte lijn achter de laaglandzone en wij naderden die alleen, om de berbersche districten te bezoeken. Het volkomen verlaten plateau was met alfagras in dikke bundels begroeid, waarbij niemand op het denkbeeld komt, ze te exploiteeren, omdat men er te ver van de zee is verwijderd, waar schepen dit gras laden voor de papierfabrieken in Europa. Mijn gids, een kloeke Berber met koperkleurige huid, bukte zich herhaaldelijk, om iets van den zandigen grond op te rapen. Op een goeden dag bracht hij mij een gevuld zakje; het waren witte truffels, die hij onderweg had ingezameld. Dit knolletje heeft volstrekt niet den geur van zijn broertje uit Périgord, en het is, of men een raap proeft.
Mijn mooie gids, die op den naam van Ikissa antwoord geeft, heeft geen flauw begrip van tijd, noch van ruimte, hetgeen trouwens een gebrek is van veel nomaden. Als ik hem vraag, hoe lang het nog duurt, voor we bij de aangewezen plek voor het kamp zijn, kan hij mij altijd alleen deze aanwijzing geven: “We zijn er niet ver meer af, we zullen er spoedig wezen,” en dan hebben we vaak nog vier of vijf uur vóór ons.
Zoo kwamen we op een avond zeer laat te Kabao, waar volgens de inlichtingen van Ikissa ik om drie uur in den namiddag had gehoopt aan te komen. Onze lieden waren zoo vermoeid, dat ieder ging slapen zonder avondeten. Maar wat was het een prachtig gezicht, toen de aanbrekende dag ons de stad vertoonde, hangend, als het ware, boven een diepen afgrond in een omlijsting, die het mooiste, wat de fantasie van Gustave Doré geschapen heeft, overtrof!
Rabao heeft een in de rotsen uitgehouwen vesting, zooals Mahmoed en Naloet, en die bestemd is voor hetzelfde doel. Het is de laatste, die wij zullen aantreffen. De stam van dit district, Baraba genaamd, is zeer geleerd en voorziet de geheele streek van priesters en godsdienstleeraars. Ongeveer vierhonderd huizen omringen den kasr en loopen door tot een moskee onder grond in een kloof, die op een reuzenwagenspoor geleek tusschen twee steile wanden van wel honderd meter hoogte, door nauwelijks twintig meter gescheiden.
De bebouwde centra zijn hier op ongeveer vijftig kilometer afstands van elkander, zoodat elk een dagreis voor ons is. Onze voorraad zou ons wel vergunnen, ons kamp op te slaan op het eenzame plateau, maar het is beter, zuinig te zijn met onze middelen in een land, waar men niet juist den duur van het verblijf kan bepalen. Overal waar we stil hielden, werd een schaap geslacht, en er werden bergen rijst aangevoerd of meel voor de karavaan, tegen prijzen, die in Europa belachelijk zouden klinken, maar die daarom toch hoog zijn in Nefoesa.
Landbouw en schapenteelt, die met zorg worden beoefend in de dalen tusschen de bergen en op enkele gedeelten van Djeffara of van het plateau, zijn de middelen van bestaan voor de bergbewoners. Aan havermeel, olie, vijgen en vleesch hebben ze zelden gebrek. In October begint het oogsten der olijven. De vijgen worden in April geplukt. De wijnbouw, die beoefend wordt op velden, waar de ploeg overgaat, houdt meer in het bijzonder kleine joodsche koloniën bezig, die verlof hebben er wijn te vervaardigen uit druiven, een wrang smakend wijntje. Het vee vindt in het slechte jaargetijde een schuilplaats in grotten; en als de eerste lauwe winden van de lente waaien, verspreidt het zich over de weiden van het plateau.
Sommige Berbers gaan zaaien tot midden in Djeffara. Ze laten hun vrouwen in de dorpen, om de woningen te bewaken en wollen kleedingstoffen te maken. Na drie maanden van afwezigheid komen die kolonisten dan terug.
Te Tramezin, als overal, waar geen bronnen zijn, hebben de inboorlingen waterréservoirs aangelegd, die in den winter boordevol loopen.
Slamat heeft een arabische bevolking, net als Mahmoed, en mooie vijgenboomen. Te Rhebat is de dichter Ismaïl geboren, die volgens Sjemmaki nooit één leugentje in zijn verzen liet binnensluipen. Die Ismaïl, die zijn gedichten zelfs in de gevangenis schreef, was daarbij een profeet. Toen hij Tripolis verliet, waar de pacha hem langen tijd in boeien had laten smachten, sprak hij over de stad den volgenden vloek uit: “Dat Grod u een vijand zende, die noch Hem, noch de zonde vreest!” En zeer kort daarna maakten de Christenen zich van Tripolis meester.
Wij passeerden Djado, zonder er ons op te houden ondanks het vriendelijk aandringen van den kaïmakan. De tijd drong, en wij konden dien niet besteden in plaatsen, waar we reeds geweest waren.
Zentan, 20 K.M. ten oosten van Djado ligt nog hooger dan de andere plaatsen aan het begin van het bergland. De Senoessi’s hebben er een klooster in Elgoeassen en hebben rijke kudden van vrouwelijke kameelen voor de fokkerij. De meeste der woningen zijn onderaardsch. Ik geloof, dat het aantal inwoners de duizend overtreft, van wie de meeste landbouwers zijn. Er zijn veel oliepersen aan het werk, door kameelen in beweging gebracht, die met verbonden oogen in de molens rondloopen. De afval,tot koeken gemaakt, wordt bewaard en als veevoeder gebruikt.
Yffren kende ik reeds, daar ik er in 1901 had vertoefd, maar ik moest er nu stilhouden, om een bezoek te brengen aan den gouverneur-generaal van de Djebels, die er resideert. Die hooge ambtenaar had recht op mijn dankbaarheid, want aan zijn behulpzaamheid hadden wij de ontvangst te danken, die onze expeditie overal te beurt viel op zijn grondgebied. Daarbij had de beminnelijke monteçarref, zoo is zijn turksche titel, mij geschreven, dat hij mij in persoon eenige dagen wenschte te vergezellen op mijn verdere reis.