NASCHRIFT.

De vestingwerken van Tanger.De vestingwerken van Tanger.

De vestingwerken van Tanger.

De vestingwerken van Tanger.

Tanger werd aan de Mooren teruggegeven, nadat meer dan twintig millioen pond sterling nutteloos was uitgegeven. Ten overvloede werden ook nog alle gebouwen, vestingwerken, kerken, wallen en schansen vernield en ook de mooie pier liet men springen. Met dit kinderachtige verwoestingswerk eindigde in 1684 na twee-en-twintig jaar van wanbestuur de engelsche heerschappij aan de kust van Marokko.

Het dertig jaren later na den Spaanschen Erfopvolgingsoorlog verkregen Gibraltar was en is slechts een geringe vergoeding. De kale rots heeft geen natuurlijk achterland; voor meer dan negen millioen guldens per jaar moeten waren uit het moederland worden ingevoerd, terwijl soldaten zoowel als burgers, de rots-schorpioenen, zooals men hen daar noemt, voor hun behoefte aan versch vleesch en groenten geheel op het er tegenover gelegen Tanger aangewezen zijn.

Buiten een paar ruïnen van den grooten steenen havendam vindt men in de stad bijna geen sporen van de engelsche heerschappij. Evenmin van die der Portugeezen, die bijna twee eeuwen lang vóór de Engelschen er geheerscht hebben en onder meer niet minder dan zeventien kerken en kapellen hebben opgericht. Ook zij verwoestten bij hun aftocht gewetensvol de vruchten van hun werkzaamheid, en dezelfde geest van kleinzieligen naijver schijnt zich telkens vertoond te hebben, als de ongelukkige stad van eigenaar moest veranderen. En dat geschiedde ontelbare malen.

Na de dagen der Engelschen kwamen met afwisselend geluk Arabieren, Spanjaarden en Portugeezen elkander den buit betwisten, eenvoudig een vervolg dus van de veelvuldige oorlogen, waarvan de noordmarokkaansche kust sinds het begin der historische tijden het tooneel is geweest. Vanaf den tijd der mythen, toen de verhalen over de zuilen van Hercules en de tuinen der Hesperiden ontstonden, tot in onze twintigste eeuw zijn Marokko, en vooral zijn middellandsche kust, niet tot rust gekomen. De vermoede en ook waarschijnlijke rijkdom van den grond aan delfstoffen en de buitengewoon gunstige ligging hebben dit land, dat een aardsch paradijs kon zijn, tot slagveld gemaakt, waarop naijverige en op elkaar gebeten groote en kleine naties elkander te lijf gingen. Maar het moet al heel erg worden, als een volk en een land geheel ten onder zullen gaan.

Al is ook van de glansrijke dagen der Romeinen, buiten eenige resten van tempels en een paar verstrooide marmeren zuilen en pilaren van bruggen, niets overgebleven, dan de nog in den volksmond overgebleven naam van den Roemi voor den vreemdeling; al hebben Gothen en Vandalen, Spanjaarden, Portugeezen en Engelschen slechts zeer weinig sporen van hun heerschappij in het land achtergelaten, land en volk zelf leven nog en zijn nog onafgebroken, zijn gezond en tot ontwikkeling bereid en kunnen nog een groote toekomst bereiken, zoodra zij van de als een last op hen drukkende sultansmacht bevrijd zijn, waarbij barbaarsche bloedzuigers en bekrompen priesters de gezonde ontwikkeling tegenhouden.

Als een zinnebeeld van deze lange, afwisselende geschiedenis ligt Tanger aan den ingang tot het land; in plaats van een vrije, bloeiende handelsstad, zooals de natuurlijke poort naar een rijk land moest wezen, een klein, vuil nest, dat geen sporen van groote dagen vertoont en op ’t armzalig kleed van zijn mohammedaansch-marokkaansche armoede maar al te zichtbaar een paar fel afstekende lappen heeft van vreemde, nieuwe kleur.

De indruk van nieuwheid, dien Tanger van de zeezijde maakt, raakt terstond verloren, als men in de straten en steegjes der stad een weinig heeft rondgekeken. Ze zijn krom en bochtig, steil en in ’t geheel niet geplaveid. Men zoekt tevergeefs naar iets, wat aan het werk van bouwpolitie herinnert, en wie nog vijf uren te voren zich verheugde over de netheid en welverzorgdheid van de straten in Cadix, krijgt hier levendig het bewustzijn, van in een barbaarsch land te zijn. In de hoofdstraten echter, of liever de hoofdstraat, want er is eigenlijk maar één, staat het eene europeesche huis naast het andere, winkels, apotheken, bierhuizen, alle met uithangborden en spaansche, fransche of engelsche aanprijzingen, en tusschen die maar door enkele meters van de smalle, bochtige straat gescheiden huizen beweegt zich rumoerig en brutaal een dichte menigte, die ontnuchterend op den vreemdeling werkt.

Wel zal men geen minnut erover in twijfel zijn, dat de eigenlijke bevolking uit Mooren, Berbers en Negers bestaat in hun verschillende graden van raszuiverheid en vermenging; maar de europeesche figuren middenin dit afrikaansche gespuis zijn toch zeer talrijk. Naast den burnoes en de djellaba, de kaftan en den haïk van de inboorlingen, ontmoet men onafgebroken ook europeesche broeken en minder talrijk jassen en vesten. Niet altijd zijn het echte Europeanen, die deze nuchtere voorboden der beschaving dragen. Al zijn er onder de 35,000 inwoners, waarop men Tanger’s bevolking thans schat, zeker een paar duizend Spanjaarden en dan minder trotsche hidalgo’s dan wel arme slokkers van de laagste afkomst en het donkerste verleden vaak, toch kan men zich licht vergissen en een veel grooter aantal Europeanen vermoeden, omdat de talrijke marokkaansche Joden in Tanger reeds voor ’t meerendeel de europeesche kleeding hebben aangenomen.

Storender werken echter in de oostersche stad de ontelbare echte Europeanen, de reizigers, die als sprinkhanenzwermen op de stad neervallen en gedurende een verblijf van enkele uren zich overgeven aan de aangename griezeling van te vertoeven in het onbekendste land der wereld te midden van de vreemdelingenhatende, bloeddorstige, dweepzieke Mooren, terwijl buiten op de reede, zoo dichtbij en binnen het bereik van hun oogen de stoomboot ligt, waar ze ieder oogenblik heen kunnen vluchten, als plotseling de groote moordpartij eens ging beginnen.

Daar er meer dan twintig stoombootlijnen zijn, die geregeld Tanger of Gibraltar aandoen, zal men zich kunnen voorstellen, welke scharen van pleizierreizigers, die op grootere reizen door de straat van Gibraltar gaan, of alleen aan de Middellandsche Zee en Spanje een bezoek brengen, de gemakkelijke gelegenheid aangrijpen, om een vluchtig kijkje in Tanger te nemen en aldus een echte, marokkaansche stad te zien. Vooral ’s voorjaars en in het begin van den zomer, als de afrikaansche warmte nog niet lastig is geworden, zijn dag op dag de weinige hôtels van de stad overvol door steeds wisselende nieuwaangekomenen, onder wie natuurlijk, als in alle drukbereisde streken, Engelschen en Amerikanen in de meerderheid zijn. Maar ook Duitschers en Franschen zijn talrijk, en geen dag gaat voorbij, of men hoort vertellen van het gewone uitstapje naar Kaap Spartel en de vluchtige bezichtiging der stad op een ezels- of een muildierrug.

Het middelpunt van Tanger is de kleine markt, soek el daahl, zooals de inboorlingen, Soco chico, zooals de Joden en de vreemdelingen zeggen. Het is eigenlijk slechts een onbeduidende verwijding van de hoofdstraat, een pleintje, waar echter de meeste winkels, koffiehuizen en kantoren zijn. Ook zijn er het grootste hôtel, dan een bureau van het Comptoir d’Escompte national, de eenige in Marokko vertegenwoordigdebuitenlandsche bank en het duitsche, fransche, engelsche en spaansche consulaat.

Alle nieuwtjes kan men op dit pleintje hooren, waar de babbelende en zwetsende menigte bijeenkomt en waar het tot laat in den avond druk is. Ook de gegoede klasse komt er bijeen in lokalen, die in beschaafde steden juist goed genoeg voor een koetsiersherberg zouden zijn; een fatsoenlijk clublokaal heeft Tanger niet, ook al doordat de kleine wereld van gezanten, consuls, tolken en geneesheeren zich afzondert en er nog weinig gezelligheid onder de andere buitenlanders heerscht.

Van Tanger naar Fez te reizen is niet zoo eenvoudig, als het lijkt bij het bezien der kaart. Men heeft slechts te doen met den geringen afstand van ongeveer 200 K.M., en de gesteldheid van den grond schijnt geen bijzondere bezwaren in den weg te leggen. Intusschen is de reis al ontelbare malen door Europeanen gedaan, niet alleen door de gezanten der vreemde regeeringen, die immers elke paar jaren den heerscher in een zijner hoofdsteden hun opwachting komen maken, doch ook door een groot aantal pleizierreizigers, die de platgetreden paden van andere landen moe zijn geworden en ook eens lust hebben in een avontuurlijke reis met veel ongerief en de prikkelende mogelijkheid van gevaarlijke avonturen. Zelfs dames hebben in de laatste jaren den weg wel afgelegd; vrouwen van diplomaten en moedige alleenreizende dames. Maar altijd moet in deze streken, die nog niet in het teeken des verkeers staan, met tenten en lastdieren en gewapende gidsen en tolken worden opgetrokken en al den omslag van uitrustingsvoorwerpen en voedingsmiddelen, die daarbij passen.

Tijdens mijn bezoek gaven de tijdsomstandigheden bijzondere zorg. Voor zoo ver men wist, werd de Sultan in zijn heerschappij bedreigd door een pretendent, die zich reeds een grooten aanhang had verworven, en men stond vóór de groote vraag, of het hem gelukken zou, den plotseling opgestanen tegenstander een beslissende neerlaag toe te brengen, eer de opstand verder om zich greep en ten slotte den troon van het regeerende geslacht zou doen wankelen of doen vallen, zooals reeds herhaaldelijk in de historie van het ongelukkige land gebeurd was, waar elke wisseling van heerscher verbonden is met bloedige oorlogen, met moord en verraad, opstand en burgeroorlog.

Dezen keer scheen niet alleen in het land zelf onder de helderziende vreemdelingen, door een langdurig verblijf vertrouwd geworden met de kunst, om achter den bedriegelijken schijn, de waarheid te ontdekken, maar ook bij de op de hoogte zijnde inboorlingen vast te staan, dat zulk een schok als de opstand van Boe Hamara het aan onrust en strijd zoo gewende land nog sinds menschenheugenis niet had getroffen.

Meestal heeft men bij den zoo goed als onafgebroken oorlogstoestand in Marokko te doen met pogingen van den sultan, om zijn gezag over de onwillige Berberstammen te handhaven, die het tot hun nationalen plicht schijnen te rekenen, het betalen van schatting te weigeren, tot ze er door wapengeweld toe worden gedwongen.

Met Boe Hamara nu was het niet de gewone weigering van enkele stammen, ook niet de aanspraak van een bloedverwant op den troon, maar het scheen een soort van nationale beweging te zijn met veel godsdienstige elementen erbij en in hoofdzaak gericht tegen den toenemenden invloed der vreemdelingen. Trots zijn afgeslotenheid heeft het land toch de tijden zien veranderen, en vooral in de jongste tientallen van jaren is er veel gewijzigd en zijn er nieuwigheden ingevoerd, die vroeger ondenkbaar zouden zijn geweest.

Enkel op zichzelf aangewezen en van de overige wereld afgesloten is Marokko nooit geweest; maar het is uit alle wisselingen in den loop der geschiedenis toch altijd als zelfstandig land te voorschijn gekomen, of als kern van een zeer groot machtsgebied. En kerkelijk is het in de oogen van de geheele mohammedaansche wereld altijd iets bijzonder heiligs en vereerenswaardigs geweest, sinds die nakomeling van den Profeet, Edris, in het land kwam en het eenige mohammedaansche heerschersgeslacht stichtte, dat op werkelijke familiebanden met den stichter van den godsdienst zich beroemen kan. Zooals de Islam, die zich in andere landen merkwaardig plooibaar getoond heeft, in Marokko streng zich heeft gehandhaafd in de rechtzinnigste vormen, zoo schijnen de Mooren als bewakers van de uiterste westgrens der mohammedaansche heerschappij het voor hun plicht te hebben gehouden, tegen de buitenwereld meesterachtig en afwerend op te treden. En dat is hun tot in den jongsten tijd gelukt.

Bij de onrust, die in het land heerschte ten gevolge van den opstand onder Boe Hamara scheen het gewaagd, de reis naar Fez te ondernemen; maar ik liet mij daardoor niet weerhouden. De eerste moeilijkheid was gelegen in ’t verkrijgen van een goed rijpaard en van een betrouwbaren bediende of tolk. Aan goede paarden is natuurlijk in een zoo beslist ruitersland als Marokko geen gebrek, en in een door toeristen overstroomde havenstad allerminst. Maar juist daarin was de moeilijkheid gelegen. Met het oog op die pleizierreizigers, die in de voorjaarsmaanden en in het begin van den zomer in Tanger opduiken, willen de paardenkooplui hun dieren niet verkoopen. Het is voor hen veel voordeeliger, dag op dag de paarden aan de hôtels en hun klanten te verhuren. Dan wordt bijna altijd het korte uitstapje naar kaap Spartel gemaakt of naar de schilderachtig gelegen en slechts een dagreis verwijderde stad Tetoean. Op die wijze brengt hun ieder paard dagelijks 5 à 10 peseta’s en meer binnen, terwijl de verkoop hun hoogstens 100 à 300 opbrengt.

Eindelijk na veel probeerens was een rijpaard gevonden, dat een goed reispaard scheen te zullen zijn en dan ook duur betaald moest worden, en eveneens met moeite werd een Moor gehuurd, die als karavaanleider dienen en met zijn bescheiden kennis van het Spaansch en van de kookkunst ook eenigszins de diensten van een tolk en kok kon bewijzen. In ’t minst geen last had ik echter met de muildierdrijvers. Bij die alleen scheen op de markt het aanbod de vraag te overtreffen, en zij waren allen zonder bezwaren bereid, de reis naar Fez te ondernemen. Dat leek mij een gunstig teeken. Zulke menschen, die hun gansche leven op den grooten weg en in de karavanserai’s doorbrengen, hebben op depolitieke toestanden, voor zoo ver die de veiligheid raken, een uitstekenden blik.

Zoo trok ik dan op een mooien dag onder het geleide van de beste wenschen van de vrienden, die ik onder mijn landgenooten in Tanger had gemaakt, de stad uit. Ik zou vroeg ’s morgens vertrekken; maar eer alles goed gepakt was, de lasten behoorlijk over de muildieren verdeeld waren en elke kant van hun sterke ruggen gelijkmatig was belast, werd het middag en namiddag. Een drom van bedelaars dringt zich dan erbij om fooien voor het wenschen van een goede reis, ’t geen ook niet weinig ophoudt.

Het was een verlichting, toen de karavaan zich eindelijk in beweging zette. Het was maar een bescheiden karavaan, aan welker spits ik reed. Eenige Engelschen en een Duitscher, dien ik in ’t hôtel had leeren kennen, hadden mij herhaaldelijk gevraagd, met hen te zamen de reis te maken. Maar met vreemden, wier reisgewoonten en neigingen men niet juist kent, zoo nauw verbonden te leven, als karavaan en tent noodzakelijk maken, is een leelijk ding voor iemand, die graag onafhankelijk blijft en over richting, wijze en duur der reis zelfstandig wil beslissen. Dus had ik hun voorstel afgewezen en was de eenige Europeaan en daardoor mijn eigen baas.

De Soek in Tanger.DeSoekin Tanger.

De Soek in Tanger.

DeSoekin Tanger.

Dat was van te meer beteekenis voor mij, omdat ik, naar men mij in Tanger had verteld, er dagelijks op voorbereid moest zijn, door rooverbenden te worden aangevallen. Om in zoo’n geval toch iets aan mijn mislukte reis te kunnen hebben, had ik mij voorgenomen, niet den gewonen karavaanweg te volgen, die zonder eenige plaats van beteekenis aan te doen, rechtuit naar de hoofdstad voert, maar langs kleine omwegen mijn route zóó te kiezen, dat ik vóór mijn aankomst in Fez vier of vijf belangrijke plaatsen van dit noordwestelijk deel van Marokko zou hebben leeren kennen. Natuurlijk kreeg ik door bemiddeling van ons gezantschap den soldaatgeleider mee, die elken vreemdeling vergezelt en in naam van den sultan eerbied en bescherming voor hem vraagt.

Mijn mokhasni, zooals zijn naam is, welke naam beteekent bewaarder van de schatkamer, liet zich trotsch kaïd Mohammed noemen, want zonder hoogdravende titels gaat het hier niet, en de muildierdrijvers haastten zich dan ook, hem altijd als “kaïd” aan te spreken of liever als Aïd, zooals men hier met negeering van den keelklank altijd doet. De waardige heer maakte een statigen indruk op zijn groot paard met het eindeloos lange geweer en het groote zwaard op zij. Een lange, grijze baard golfde over zijn breede heldenborst en als men achter den fraaien hals van zijn hengst de stijf opgerichte gestalte van den krijgshaftigen grijsaard zag opduiken, zou men aan den Cid Campeador kunnen denken, zooals hij, in zijn witten mantel gehuld, tegen de ongeloovigen te velde trekt.

Van dichtbij beschouwd, veranderde echter de oude soldaat in een vreedzaam menschenkind, dat niet aan moord en bloedvergieten dacht. Als hij afsteeg, kon men wel zijn hooge gestalte bewonderen, maar ook zien, dat hij hinkte en aan één zijde verlamd was, terwijl het paard eveneens oud en gebrekkig bleek. Maar schilderachtig was mijn oude krijgsman, en dat is de hoofdzaak in dit land, waar alles zoo anders is dan in Europa.

Hier was nu niets, dat het beeld van oostersch leven en noordafrikaansche natuur verstoorde, geen vorm, geen klank, die niet pasten in dit beeld, dat misschien juist zoo is als voor duizenden van jaren. De wegen zijn nog dezelfde, niet anders dan de breede platgetreden sporen van vele geslachten van lastdieren en drijvers; de verzending van goederen geschiedt nog als in de oudste tijden in hoogst eenvoudige uit en riet en alfagras gevlochten hangende manden op den rug van ezels of muildieren, en ook de koopwaren zullen op weinig uitzondering nog dezelfde zijn als in anno zooveel. Zelfs de menschen zullen weinig veranderd zijn sinds den aanvang der marokkaansche geschiedenis, en zeker in ’t geheel niet na de mohammedaansche verovering.

Omstreken van Asaila.—Graf van een heilige.—Poort van Asaila.Omstreken van Asaila.—Graf van een heilige.—Poort van Asaila.

Omstreken van Asaila.—Graf van een heilige.—Poort van Asaila.

Omstreken van Asaila.—Graf van een heilige.—Poort van Asaila.

De menschen, die ik in Tanger in mijn dienst had genomen, behoorden volgens hunne afkomst tot de meest verschillende stammen, waaruit Marokko’s bonte bevolking bestaat. Er was een Berber van den stam der Andsjera’s, die het bergland ten oosten van Tanger langs de straat van Gibraltar bewonen; daar was Hamed er Rifi, een levende vertegenwoordiger van de gevreesde Rifpiraten, maar feitelijk een gemoedelijke drijver, steeds bereid tot scherts en zang, en alleen van de anderen zich gunstig onderscheidend door meer kracht en grootere volharding. Hij droeg over zijn gespierd lichaam niet anders dan de dsjellaba, het grove, wollen hemd met korte mouwen, dat door de bergbewoners van het geheele land wordt gedragen. Het laat de beenen en de knieën geheel bloot en is voor geharde menschen wel een bijzonder gemakkelijk kleedingstuk. Zijn gele leêren pantoffels droeg hij bijna steeds in de eene hand, terwijl hij in de andere zijn trouwe buks had, zoodat hij er vrij komisch uitzag, maar er keken onder zijn kortgeschoren blond haar zulk een paar eerlijke, trouwhartige oogen uit, dat men wel pleizier in hem moest hebben.

Een heel ander man was mijn tolk, Abd-es Slam el Gharbi, een van die sterk door de beschaving aangedane Arabieren uit Noord-Afrika, die het vlakke Westen van Marokko, el Gharb, bewonen. Hij was een echte Moor, waaronder men niet alleen moet begrijpen een Marokkaan, maar een nakomeling der vroeger in Spanje gevestigde en door Ferdinand den Katholieke daaruit verdreven mohammedaansche veroveraars. Zij hadden zich in Spanje sterk met keltische, germaansche en joodsche elementen vermengd en waren ten slotte een geheel nieuw volk geworden, dat met de stamvaderen in Marokko weinig meer dan het geloof en de taal gemeen had. Zij waren de Moro’s der Spanjaarden, die merkwaardige Afrikanen, die zich niet enkel in Granada en Andaluzië, maar ook in vele, meer oostelijk gelegen havens aan de Middellandsche Zee onderscheiden door hun rijke begaafdheid, hun prachtlievendheid en hartstochtelijk optreden. Shakespere’s Othello was een Moro, een Moor, man van vrij lichte huidskleur en een fijn, smal gelaat met scherpe, semietische trekken. Mijn Moor had de voorname, afgemeten bewegingen en de beleefde spreekwijze van den beschaafden oosterling.

Dan had ik veel dienst van een echten Arabier, achter wiens gewoon ezeldrijversgezicht niemand de hooge waardigheid vermoed zou hebben, die hij bekleedde. Hij was namelijk een sjerif, en dat zegt in Marokko alles. Een sjerif is het kort begrip van alle hoogs en heiligs en onaantastbaars. Het woord, waarvan het meervoud sjürfa luidt, beteekent in ’t Arabisch niet anders dan voornaam; maar in Marokko is het de vaste betiteling geworden van hen, die zich nakomelingen van Mohammed noemen, zooals zij in de oostelijke landen sajid of sejid heeten en zich daar door den groenen tulband onderscheiden, dien niemand anders dragen mag. Tegenwoordig is het aantal sjerifs in Marokko legio; maar toch was de aanwezigheid van zulk een heilige persoonlijkheid een groote rust. Een sjerif kan bijna altijd vrede stichten en onheil verhoeden.

De eerste groote plaats, die ik mij voorgesteld had, aan te doen, was de stad Asaila. Nadat ik een dag lang over de in voorjaarstooi prijkende uitloopers van den Djebel Habib was getrokken, stiet ik op den morgen van den derden dag, naar het Westen afslaand, op de groote strandvlakte, waarop de lange golven van den Atlantischen Oceaan den zandigen grond tot een prachtigen, gladden rijweg hadden geëffend. Voor menschen zoowel als dieren was het na de zware klauterpartij in de bergen een weldadige verkwikking, daar zich voort te bewegen,zonder ieder oogenblik op puin en wortels en groote steenen te moeten letten.

Maar het was gloeiend heet. De verkwikkende winden, die boven, op 300 M. hoogte, gewaaid hadden en in de buurt van de zee gestadig woeien, waren beneden niet meer te bespeuren. Zij schenen ingeslapen en moe te zijn geworden in de middaghitte, juist als wij. Toen was op eens de eindelooze strandvlakte als afgesneden; een breede, vestingachtige muur brak haar af en vulde de ruimte tusschen de zee en het heuvelland, en wij zagen tinnen en torens en wallen, bijna zwart van tint in het helle, recht neervallende licht. Dat is Asaila of Arsila of Arzilla, zooals de kaarten het geven; maar de Mooren en de andere inboorlingen spreken geenruit, zij zeggen Asaila, zooals zij Tanger uitspreken als Tandsja.

Voor ik hier mijn reis afbrak, wenschte ik mij met een bad in zee te verkwikken. Ik zond dus mijn muildierdrijvers vooruit met het bevel, de tent tegen zonsondergang op een ongeveer dertig kilometer verder zuidelijk gelegen plek aan de kust op te slaan. Alleen de tolk en de soldaat bleven bij mij, om tijdens het bad mijn goed te bewaken. Nauwelijks was ik in het water, dat trots de warmte van 20° C. zeer verkwikkend en opwekkend werkte, of daar kwamen van de stad haastig groepjes mannen en kinderen aanloopen. Het waren Joden, die uit de verte waarschijnlijk reeds de aankomst van den Europeaan hadden gezien en nu den vreemden gast van nabij wilden bekijken. In hun stadje zijn geen Europeanen en een naakten blanke hielden zij stellig voor iets zeer bezienswaardigs, waar men het voor over moest hebben in gloeiende middaghitte een poosje te draven. Beschroomd en nieuwsgierig stonden zij daar nu te kijken, hoe ik rondzwom en fluisterden elkander op- en aanmerkingen toe. Dan werden ze moediger en bekeken mijn op het zand liggende kleederen, laarzen, rijzweep en de photografietoestellen, die de tolk steeds bij zich moest hebben en voor ’t gebruik moest gereedhouden. Zoodra echter een neuswijze, kleine jodenjongen zijn hand uitstrekte, om den zilveren knop van mijn rijzweep te bevoelen, sloeg mijn mokhasni, die tot nu toe onverschillig naast mijn kleêren op het zand had gezeten, met de kolf van zijn geweer tegen het been van den knaap, zoodat de arme zondaar op het zand viel. Natuurlijk algemeen geweeklaag, geschimp en gevloek.

De soldaat voelt zich nu als vertegenwoordiger van den sultan en komt nader, zijn lam been achter zich aansleepend en dreigend het geweer zwaaiend. Ik roep den tolk toe, dat hij die menschen rustig moet laten gaan; maar te laat, de soldaat treedt krachtig op en jaagt de menschen weg met schoppen en kolfslagen. De tolk echter, wien ik van het water uit verwijten toeslinger, heeft geen ander antwoord dan; ”Son Judios, Senor”. En als ’t “maar Joden” zijn, heeft men in Marokko niets ertegen in te brengen.

Kort daarna besteeg ik den muur van de oude vesting, een getuige van de vroegere grootheid van Asaila. Terwijl ik nog bezig was, een gunstig plekje voor mijn photografietoestel te zoeken, hoorde ik beneden mij plotseling een luid geschreeuw, en ik zag tot mijn schrik, dat een dichte hoop gepeupel saâmgeloopen was en al mijn bewegingen volgde, terwijl mij allerlei onverstaanbare woorden werden toegeroepen. Dat het niet veel welwillends was, wat men mij aan ’t verstand wenschte te brengen, zag ik aan de snelle bewegingen der menschen en de talrijke, dreigende vuisten, die tot mij werden opgeheven.

Door het rumoer alleen had ik niet tot die conclusie kunnen komen, want deze brave Marokkanen verliezen hun veelgeroemde rust bij de geringste aanleiding, en hoe minder zij aan feitelijkheden denken, des te krachtiger gebruiken ze hun stemmiddelen. Eindelijk verstond ik het woorddsjama! dsjama!en nu was de oplossing van het raadsel spoedig gevonden. Ik was bij mijn rondwandelen op de uitgebreide vestingwerken op een plek gekomen, waar ik de verschere kalklaag niet had opgemerkt. En juist dit stuk van Oud-Asaila was het eenige, waar de menschen beneden belang in stelden. Men had in deze resten van de oude vesting een moskee gebouwd, zonder minaret en zonder eenig ander uitwendig teeken dan de nette, witte kalklaag, en zonder te weten, welken gewijden bodem ik met mijn laarzen van een christenhond betrad, was ik op ’t dak geweest der moskee ofdsjamavan Asaila.

Mijn tolk was niet in de buurt, zoodat de mooie toespraak, die ik nu boven van den vestingmuur tot het beneden staande volk hield, wel tot de bekende parelen zal moeten worden gerekend, die men een zeker nuttig huisdier niet moet presenteeren. Daar ik er echter vriendelijke gebaren aan toevoegde en snel van het moskeedak verdween, om van een andere plek mijn kiekjes te nemen, verliep het avontuur zonder erge gevolgen.

Nu had ik eindelijk tijd en rust, het zich vóór mijn oogen uitbreidende wonderschoone tooneel op te nemen. Een stuk europeesche Middeleeuwen verplaatst aan de kust van den Atlantischen Oceaan en verlevendigd door oostersche figuren in witte gewaden, alles beschenen door de afrikaansche zon. Er is iets weemoedigs in zulke steden van vervallen grootheid, iets dat ook aan Ravenna en aan Brugge eigen is of aan Goa in Voor-Indië. De geweldige stadsmuur heeft in Asaila nog reuzenpoorten voor een plaatsje, dat naar zijn tegenwoordig aantal inwoners niet meer is dan een dorp en nog maar een bescheiden dorp. Twee groote torens verrijzen uit het steencomplex; de een lijkt de minaret eener verdwenen groote moskee, de andere de klokketoren van een even spoorloos verdwenen christelijke kerk. Nu nestelen ooievaars op de tinnen, en in de spleten en gaten van het begroeide muurwerk waren hagedissen en vleermuizen, zwaluwen en torenvalken. Van den vroegeren havenaanleg is niets meer te zien; de monding van het kleine riviertje, dat even ten noorden van de stad in zee valt, is hopeloos verzand, en de branding van den Oceaan slaat in lange golven tegen een ledige, verlaten kust.

En inwendig ziet men geen drukker leven. Ik steeg op het dak van het hoogste huis, welks eigenaar, Amram Roif, voor den rijksten jood der stad doorging. Van het ruime terras van zijn dak zag men neer in de smalle, vuile hoofdstraat, aan beide zijden bezet met die lage winkeltjes, waarin de moorschekoopman zijn geheelen dag doorbrengt. Vóór elk winkeltje was een soort van schermpje neergelaten ter bescherming van mensch en koopwaar tegen de gloeiende hitte.

De slechts 40 K.M. lange weg naar El Araisch, de naaste groote stad aan de kust, had ik mij als het gemakkelijkste en aangenaamste deel der reis voorgesteld. De weg ligt onmiddellijk aan het strand en loopt in zuid-zuidwestelijke richting zonder anderen hinderpaal dan twee rivieren, die men onmiddellijk aan hun monding heeft te passeeren. Daar echter dezen keer de voorjaarsregens uitgebleven waren in dit noordwestelijk deel van het land, dat uit het oogpunt van klimaat tegelijk onder den invloed van den Atlantischen Oceaan en van de Middellandsche zee staat, mocht men hopen, zonder al te groote moeilijkheden de niet overbrugde rivieren te passeeren. Naar het gewoon verloop der dingen moeten deze voorjaarsregens de noodzakelijke voorwaarde voor een goeden oogst zijn. Zij beginnen meestal op ’t eind van December en duren dan met een tusschenpoos in Januari tot Mei toe. Voor reizigers in Marokko is echter de droogte een groot gemak bij het tijdroovend en gevaarlijk passeeren der rivieren.

Het rijden over ’t vlakke, effen strand duurde echter niet lang; de soldaat beweerde, dat wij om de afgesproken plek voor ons kamp te bereiken, weer het land in moesten gaan. En dus trokken wij weer voort tusschen de heuvels, die ons schadeloos stelden door het prachtig uitzicht op de zee en de oostelijke bergen. Alles groende en bloeide, en geheele velden erica en brem bedekten de hellingen.

Een lange optocht van inboorlingenvrouwen, in losse groepjes verdeeld, kwam ons tegen en kondigde door gezang zich al in de verte aan. Het waren Berbervrouwen, die, zooals mijn gevolg meende, van een bruiloft terugkeerden. Heele dorpen schenen uitgetrokken, want telkens ontmoetten wij vroolijke drommen in dit stille berglandschap, waarin dorpen en kampen zeldzaam waren. Naar oud Berbergebruik, dat zelfs door de strenge voorschriften van den Islam niet op zij gezet is, waren alle vrouwen ongesluierd. Met trotsch opgericht hoofd, in haar kortgerokte kleeding, die niets heeft van de vermomming, waarin de arabische vrouw zich op straat beweegt, lieten deze Berberinnen zich door den Roemi bekijken. Zij zagen mij wederkeerig onbeschroomd aan, open en vriendelijk, eerder met welwillende belangstelling dan met boosheid of beschaamdheid. Er waren niet veel jonge vrouwen bij; maar alle hadden regelmatige trekken en mooie oogen.

Reeds lang had ik bemerkt, dat mijn brave soldaat zich niet meer zeker voelde van den weg. Op den gewonen karavaanweg tusschen Tanger en Fez, dien hij ontelbare malen was gevolgd, zal hij wel elke plek kennen; maar hier begon hij de voorbijtrekkende ezeldrijvers te vragen, en nu en dan keek hij bezorgd om zich heen. Ten slotte toen de zon al zeer laag stond, en de voorbijgangers zeer schaarsch werden, zei hij, dat wij beproeven moesten, de sporen der vooruitgezonden lastdieren in het zand langs de kust te vinden. Geheel in duister moesten wij nu weer afdalen naar de zee, en werkelijk konden wij dichtbij het water de lijnrecht voortloopende sporen der muildieren herkennen. Wij volgden die, zoo lang het ging. Op eens waren ze niet meer te zien.

Of de karavaan zich van het strand verwijderd had, of dat wij in onze slaperigheid niet goed toezagen, maar in elk geval was de aansluiting verbroken, en de soldaat weigerde, den weg langs de zee verder te volgen. Wij zouden bij de rivier komen en gevaar loopen, in het drijfzand te raken, als wij in donker verder reden. Hij meende, dat niets anders overbleef, dan op den opgang der maan te wachten en dan verder te gaan, want het dorp, waar de tenten opgeslagen waren, kon niet ver meer af zijn.

Het was afnemende maan, voorbij laatste kwartier, en dus konden er nog eenige uren verloopen, eer de smalle sikkel verschijnen zou, om ’t onbekende land gebrekkig te verlichten. Niet ver van het strand stegen wij af en gaven onszelven en onzen paarden eenige rust; maar de honger plaagde ons. Ik had sinds den morgen niets anders gebruikt dan een paar sinaasappelen in Asaila en wat zure melk, die een der Berbervrouwen ons onderweg geschonken had.

Dus moest ik mij hongerig en dorstig in bet zand neerleggen en met een sigaret de knagende maag tot rust brengen. Het duurde niet lang, of daar begonnen de bleeke sterren aan den hemel zich achter een sluier van wolken te verbergen, en een ondoordringbare duisternis omhulde zee en hemel, strand en duinen. Spoedig werd het zoo donker, dat ik niet eens meer mijn schimmel, dien de tolk op een paar pas afstands van mij bij den teugel hield, kon onderscheiden.

Toen volgde er plotseling een windstoot, een paar bliksemstralen en bijna op hetzelfde oogenblik een regenbui, die ons door en door nat maakte. Ik had mijn regenmantel bij de bagage der beladen muildieren gelaten, daar den geheelen dag de lucht noch de barometer regen hadden voorspeld. En toen ze kwamen aanloopen met een paardedek, nog warm van den rug van een paard, om mij daarin te hullen, was ik al geheel doorweekt. Toch gelukte het mij met behulp van dat kleed en met mijn eigen lichaamswarmte na verloop van enkele uren weer droog te worden en de plaats in het zand, waar ik lag niet doorweekt te krijgen. De maan verscheen natuurlijk in ’t geheel niet; dus moest het daglicht worden afgewacht, dat tegen vijf uur ’s morgens met moeite door de zware regenwolken brak.

Dit was het sein voor vertrek. Het was een droevige optocht. Menschen en dieren waren nat, hongerig, dorstig, moe, stijf en koud. De paarden hadden den geheelen nacht in den kletterenden regen gestaan; ze lieten den kop hangen en zagen er bedroevend uit. Ook bij ons, menschen, was de levensmoed tot een laag peil gezonken, en hij steeg niet, toen de soldaat ook ’s morgens den weg nog niet kon vinden.

Met mijn kijker zocht ik den omtrek af, maar zag niets van een kamp of van onze beladen muildieren. Geen dorp, geen tent, geen dieren te zien. Maar daar ontdekte ik op een paar honderd pas afstands de bruine dsjellaba van een Moor, als om te drogen, over een struik gehangen. Waar het kleed is, kan de drager niet ver verwijderd zijn; ik reed erop af en was hoogst verbaasd, plotseling een manhard op mij te zien toeloopen, terwijl hij mij met alle teekenen van vreugde begroette als een hond zijn teruggekeerden meester.

Het was een van mijn eigen muildierdrijvers. De lieden waren met de tenten en dieren dicht in de buurt, en wij hadden niet meer dan een paar duizend passen van hen verwijderd in de open lucht zonder beschutting en voedsel den nacht doorgebracht! Het was om te lachen, maar de vermoeide paarden namen aan de vroolijkheid niet recht deel. In een laagte, door opuntia’s en agaven en allerlei doornstruiken omringd, hadden zij een uitstekend, veilig kamp ingericht; maar ik was te ongeduldig, om naar El Araisch, de naaste stad, te komen, dan dat ik van het kamp gebruik wilde maken.

Het ging weer snel zuidwaarts langs het strand, tot de hooge muren en torens van El Araisch vóór ons oprezen, veel statiger en schilderachtiger nog dan die van Asaila.

Strand-batterij bij El Araisch.Strand-batterij bij El Araisch.

Strand-batterij bij El Araisch.

Strand-batterij bij El Araisch.

El Araisch is ook een van de sterk achteruitgegane plaatsen van Marokko, en weer trof mij het middeleeuwsche karakter der stad. Mijn aankomst trok er sterk de aandacht. Europeesche bezoekers zijn hier schaarsch en vooral in deze tijden van onrust werden ze bijna niet gezien. Wij moesten over de rivier de Wadi el Koes gezet worden, om tot de stad te naderen, en met de eerste boot, die van de stad naar de overzijde kwam; waar ik met mijn dieren wachtte, zond ik dadelijk een paar regels aan een spaanschen koopman, aan wien de duitsche postdirecteur in Tanger mij had gerecommandeerd, om van hem raad te vragen, waar ik het best mijn tenten zou opslaan.

Het heen en weer gaan van de kleine booten, die altijd slechts één of twee van mijn lastdieren konden overzetten, duurde geruimen tijd. Toen ik eindelijk als laatste mijner karavaan aan de stadszijde der rivier was afgezet, begroette mij een Europeaan, die mij tot mijn verbazing in het Duitsch aanspraak. Hij was de eenige Duitscher in de plaats, een oudmachinist van de keizerlijke marine, die hier als kapitein van een der booten van den sultan tegelijk de plichten van een havenmeester vervult.

Onder alle steden van Marokko is El Araisch bekend om het mooiste marktplein. Het is inderdaad een echt oostersche markt, veel schilderachtiger dan alle andere, die ik tot nog toe in Marokko had gezien. Maar ook zij draagt den stempel der vergankelijkheid, alle kenteekenen van niet meer te passen in den tegenwoordigen tijd, zooals met zooveel dingen in deze vervallende atlantische havens het geval is, waar maar geen nieuw leven uit de ruïnen wil opbloeien. Wat deze soek of markt van alle andere onderscheidt, is de lange rij van mooie gewelfde zuilengalerijen, die aan twee zijden het plein begrenzen en zulk een geschikte lijst vormen voor het bonte beeld van kleinsteedsch handelsverkeer dat zij omsluiten. Er zijn wel bijna honderd van die nauwe kooiachtige stalletjes, die van Noordwest-Afrika tot in Midden-Azië de plaats van onze winkels innemen. Alle zijn ze naar één model naast elkaâr gezet en met even hooge koepels bekroond.

Een moorsche Rue de Rivoli, maar voor de schitterende étalages van de parijsche winkels krijgt men hier de moorsche kooplui zelf te midden van een bescheiden hoopje alledaagsche goederen, die duidelijk genoeg toonen, dat men voor pracht hier geld heeft noch waardeering. Vier moskeeën steken boven het plein op; aan de oostzij wordt het door een prachtige, oude poort afgesloten en naar het Westen door denvestingachtigen ingang naar de kasba, den burcht van den stadhouder, welks geweldige muren uit den tijd der Spanjaarden in de 16de eeuw nog versterkt zijn. Zooals de Portugeezen in Asaila hebben de Spanjaarden in El Araisch getracht, door de havens te behouden, hun gezag in het land te handhaven. Maar reeds in 1691 maakte sultan Mulei Ismaël met behulp van fransche fregatten een einde aan de spaansche heerschappij.

Voor de kleine spaansche gemeente, die nog heden in El Araisch woont, moet het smartelijk zijn, al die getuigen van voorbijgegane spaansche grootheid steeds voor oogen te hebben. Het sterkst krijgt men dien indruk van troosteloos verval, als men van de zeezijde de forsche vestingwerken aanschouwt. En ’s morgens, als ik mijn bad nam, zaten dan als getuigen van het belachelijke heden mijn soldaat en mijn Berber als levende bewijzen van den zwaktetoestand der tegenwoordige sultansheerschappij, die het niet waagt, zich flink tegen een oproerigen onderdaan en zijn aanhang te verweren. Alsof het hier buiten aan het eenzame strand van bloeddorstige aanhangers van Boe Hamara wemelde of een sluipmoordenaar achter elk rotsblok zich verschool, zaten daar de wakkere beschermers van mijn leven, de mokhasni met zijn oud verroest geweer, en de Berber met in de eene hand een knuppel en in de andere een klein vuursteenpistool, dat misschien na den tijd van den dertigjarigen oorlog niet meer was gebruikt.

Marabout voor Fez.Marabout voor Fez.

Marabout voor Fez.

Marabout voor Fez.

Van El Araisch naar El Ksar el Kbir, de volgende stad, die ik wilde bezoeken, was slechts een weg van 33 kilometer door vlak land met slechts een enkelen rivierovergang. Men had mij telkens willen tegenhouden om de gevaren, die het oproer meebracht, maar gelukkig had ik mij niet laten terughouden. Als dit het “vlammend oproer” was, dat Marokko in brand had gezet, dan moeten marokkaansche opstanden toch al heel weinig beteekenen en niet met woelingen in andere landen te vergelijken zijn.

Een bloeiend landschap, heuvelachtig weideland vol bloemen, vreedzaam voorttrekkende karavanen met trotsche kameelen, vlugge muildieren en zingende drijvers, mooie kudden glad rundvee, wollige schapen en langharige geiten, slechts door een enkelen grijsaard bewaakt of door een paar halfnaakte, bruine kinderen, was dat een land, bedreigd door burgeroorlog en bestuurswisseling, waar dreigende moordenaars huishielden? Waar waren toch de rookende dorpen, de verwoeste oogsten, de met lijken bedekte wegen, die ons voor twee jaren in China hadden geleerd, wat opstand en burgeroorlog beteekenen? In andere deelen van het rijk was het mogelijk erger; bij de noordkust en aan de algerijnsche grens, maar hier was het land rustig en de kalmte ongestoord.

Toch leek het eerst nog, of er zich bezwaren zouden voordoen, want reizigers, die pas den weg waren gegaan, berichtten dat regenbuien hem onbegaanbaar hadden gemaakt en de rivier hadden doen zwellen. Dus wilde ik eerst nog een kamp opslaan in een niet ver van El Araisch gelegen dorp. Meestal zocht de mokhasni de plaats voor het kamp uit en wel op een plaats, waar hij goede bekenden had en een goed onderkomen kon vinden, natuurlijk kosteloos, opdat hem de anderhalven doero kostgeld, die ik hem volgens onze overeenkomst dagelijks moest betalen, als zuivere winst ten deel vielen.

Dezen keer echter was er geen tijd om lang te zoeken en onverwijld moest hij met den schout van het naaste dorp onderhandelen. Het trof mij, dat deplek een arabische doear was, een tentdorp, zooals de nomadische Arabieren in Marokko plegen op te richten, waar zij een merkwaardig middending zijn tusschen hun voorvaderen, die nomaden waren in de arabische woestijn, en de burgerlijk levende Berbers, wier land zij voor een deel bezet hebben. Zulk een doear ziet eruit als een kamp, dat op weg is een dorp te worden. Vorm en maaksel der woningen zijn nog geheel die der kampen, lage, lange hallen van gerstestroo en geitenhaar, zwartbruin en onaanzienlijk. Ook de inwendige inrichting, die eigenlijk door afwezigheid schittert en alleen het allernoodzakelijkste keukengerei vertoont, herinnert nog aan de tent van een zwervend volk, sterke tegenstelling dus tot de in de steden wonende Mooren, die zoo verweekelijkt zijn, zich graag met pracht en praal omgeven en zich in den laatsten tijd al druk amuseeren met photografietoestellen, speeldoozen en grammophonen.

Om de een of andere reden en, naar ik uit de verklaringen van mijn tolk meende te begrijpen, wegens oude stamvijandschap, weigerden de bewoners van dit jammerlijke dorp mijn mannen het verlof, om den nacht op hun grond door te brengen. Tegen mij als vreemdeling en ongeloovige hadden zij, merkwaardig genoeg, niets in te brengen. Mijn Berbers van den stam der Andsjera scheen men geen gastvrijheid te willen verleenen. Zoo kwam het tot heftige woorden en dreigende gebaren, en ten overvloede heette het, dat men ons met geweld verdrijven zou.

Ik beproefde het eenige verzoeningsmiddel, dat de reiziger in zulke gevallen heeft, dat krachtiger werkt dan alle wetten of alle goedheid, namelijk den snooden Mammon in den vorm van goede betaling voor alle moreele of politieke bedenkingen. Juist op dat oogenblik kwamen echter de uit de velden en weiden naar huis gedreven kudden aan. Lustig springend kwamen de jonge stieren binnenhuppelen in volle vrijheid. De jonge lammeren dartelden ertusschen, en ten laatste kwamen de merries met hun veulens, die zich dicht tegen hun voedingsbron aandrukten. Onze hengsten bleven niet onverschillig en waren bijna niet te houden en het algemeen tumult, dat daarbij ontstond, wekte een soort van verbroedering onder de menschen. Tegen goed geld kregen wij een plaats voor ons kamp, en de nacht verliep in alle kalmte. Den volgenden dag brachten wij een kort bezoek aan El Ksar, een zeer vuile stad, die onder de marokkaansche steden als de vuilste bekend is, hetgeen niet weinig wil zeggen. De nauwe, donkere straten lagen dik onder een vettig slijk; de zoogenaamde markt geleek een mesthoop.

Nu lag vóór ons een groot tafelland vol kloven, waar de insnijdingen weinig water voerden zelfs in den regentijd. Maar wij moesten op den weg naar Fez nog drie vrij belangrijke rivieren passeeren, de Wargha, de Seboe en de Sgota, eer we eindelijk weer op den eigenlijken reisweg, den van Tanger naar Fez leidenden karavaanweg, belandden. Het doorwaden der rivieren was telkens met veel last en moeite verbonden. Het water schoot zoo snel en krachtig door de bedding, die vol kleine eilandjes en hoopen steenen en afschuivingen van den oever lag, dat men wel hulp moest hebben bij den overtocht. En zelfs als ieder dier door een met de rivier bekend persoon aan den teugel gevoerd werd, terwijl die persoon geheel naakt zich een weg baande door den sterken stroom, was het nog een kunststuk, de geheele karavaan veilig over te brengen. De onder den buik der paarden met razende snelheid voortbruisende stroom werkte zoo verwarrend op mensch en dier, dat men er duizelig en half bedwelmd van werd en zich willoos overgaf aan de leiding der vooruitloopende, met het water worstelende mannen.

Reeds bij den overgang over de Seboe hadden zich bij mijn kleine karavaan veel andere reizigers aangesloten. Ofschoon ik deze rivier, die ondanks haar betrekkelijk korten loop van ongeveer 500 K.M. de belangrijkste, niet alleen van geheel Marokko, maar van geheel Noordwest-Afrika is, niet overging bij het kruispunt met den grooten karavaanweg, toonde toch de beweging aan de oevers, dat wij weer in meer bezochte oorden kwamen en dichter tot de hoofdstad waren genaderd. Inderdaad scheiden zich hier in den oostelijken hoek der groote, vruchtbare kustvlakte, die zich als een driehoek tusschen de rivieren Seboe en Boe Regrag uitstrekt, talrijke karavaanwegen, die alle zich naar Fez richten. En daar bij het bekende gebrek aan bruggen en veren ook de meest ervaren reizigers aangewezen zijn op de hulp en de kennis der inboorlingen, die met de doorwaadbare plaatsen vertrouwd zijn, kan men bij het wachten op de gidsen aan de oevers altijd een echt bont tooneel van oostersch karavaanleven aanschouwen.

Lange reeksen van zwaarbeladen, langzaam en gelijkmatig voortgaande kameelen, grootere en kleinere groepen muildieren en ezels met luid schreeuwende drijvers, trotsche en slecht gehumeurde ruiters met lange geweren en bescheiden voetgangers, allen zonder onderscheid moeten aan de steile hellingen der bedding wachten, terwijl de rivier vuilbruine golven haastig voortstuwt, tot eindelijk de gidsen weer van de overzij komen aanzetten. Men laat de dieren in de nabijheid grazen, verbetert eens wat aan de schikking der lasten op den rug der beladen beesten en gaat dan in het gras zitten, om een praatje te maken met den eerste den beste. Natuurlijk werden er tooneelen opgehangen van roof- en moordpartijen, terwijl de lust in fabeltjes vertellen, zoo sterk in dit oostersche land, bij ieder verhaal den spreker zelf in ’t middelpunt der handeling plaatste en hem pochen deed op heldendaden en met moed doorgestane gevaren.

Van dit oogenblik af waren wij bijna nimmer meer alleen op marsch. Er zal geen uur verloopen zijn, waarin wij niet met andere reizigers of ten minste in het gezicht van andere groepjes langs den weg trokken, en ook deze zelfs liet het bespeuren, dat wij nader kwamen tot het doel, de groote hoofdstad en het handelsmiddelpunt van het land.

Zelfs de dieren schenen vlugger en beter de aanmoedigende woorden te begrijpen, ook zij ruiken het einde van de reis. Verwachting en ongeduld nemen toe, en de laatste mijlen worden een kwelling. Sommigen gaan vooruit, om te zien, of er nog altijd niets te bespeuren is van de schitterende sprookjesstad, keert dan weer naar de lastdieren terug, om hungelijkmatigen reistred te bespoedigen door een ongeduldig bevel.

Eindelijk, eindelijk, daar ontdekken wij dikke, bruingrijze, lage stadsmuren met breede poorten, witte huizenblokken en lange, gelijkvormige rijen en daarboven oprijzend eenige minarets en een paar populieren en dadelpalmen. Alles is intusschen vlak en gedrukt, weinig zich verheffend boven de vlakte, niets, dat aan een hoofdstad of een residentie herinnert. De tolk tracht mij voor mijn teleurstelling te troosten en zegt, dat dit slechts het nieuwe onbeduidende deel van Fez is, dat wij, uit het Westen komend, het eerst te zien krijgen. De werkelijke stad, de Medina, met het beroemde heiligdom van Moelei Idris en de groote moskee, ligt verborgen en is van hier niet te zien. Het doffe, donkere, regenweêr doet met zijn nuchtere, grijze tinten het overige en zoo blijft er wel degelijk een gevoel van teleurstelling over, waarmee ik op den middag van mijn twee-en-twintigsten reisdag door de westelijke stadspoort, Bab es Segma, de heilige hoofdstad van den sjerif van Marokko binnenrijd.

Natuurlijk zou ik een bezoek aan het hof brengen en een uitnoodiging liet zich dan ook niet lang wachten. Ik was zelf afwezig, toen de bode van den sultan mij een invitatie bracht. Den dag daarna verscheen nog eens een afgezant van Moelei Abdul Aziz, dezen keer de aan het hof in groot aanzien zijnde engelsche instructeur der troepen kaïd Sir Harry de Vere Maclean, om mij nog eens in optima forma uit te noodigen. Ik was er zeer verbaasd over, daar ik opzettelijk vermeden had, mij gewoon voor een audiëntie aan te melden, ofschoon zij veelal de hartewensch is der talrijke reizigers, die Fez in de laatste jaren bezocht hebben.

Vooral de republikeinsche Amerikanen doen daar sterk aan; zij rusten niet, eer zij hun trotschen, vrijen burgerrug voor Zijne Sjerifiaansche Majesteit gebogen hebben. Sir Harry zegt mij, dat de sultan mij onlangs heeft gezien en naar den nieuwen Europeaan geïnformeerd heeft bij den minister van buitenlandsche zaken, die mij, dank zij een aanbevelingsbrief van onzen gezant, vrijheer van Mentzingen in Tanger, reeds kende. Z.M. had nu bevolen, dat ik aan hem voorgesteld zou worden. Er waren toen juist slechts zeer weinig Europeanen in de stad; men had om de woelige tijden, zooveel mogelijk, vreemdelingen geweerd.

De stad zag er intusschen levendig genoeg uit. De maand Rebia el Uwwel, de eerste lentemaand, was in het land gekomen en daarmee was de reeks van feestdagen begonnen, die de Mohammedaan ter eere van zijn Profeet viert, omdat de verjaardag van den godsdienststichter in die maand valt. Naar een oud gebruik brengen de onderworpen stammen hun schatting en hun eeregeschenken voor den sultan, en de gezantschappen worden door den sultan in persoon ontvangen. De ontvangst en het uitgeleide van die gezantschappen hebben telkens met grooten luister plaats. De lijfwacht van den vorst en alle in de hoofdstad aanwezige troepen worden in gala ontboden, het geheele hof is aanwezig, en een zeer breede kring van toeschouwers in feestkleedij omlijst het bonte tooneel, dat voor de beste gelegenheid doorgaat, om het sjerifiaansche hof in volle pracht te aanschouwen.

Om mij in elk geval van den aanblik dezer grootheid te verzekeren, was ik al den eersten dag in gezelschap van mijn soldaat Embarik naar het paleis gegaan en had de ontvangst der Kabylengezantschappen mee aangezien. Daarbij had de sultan mij opgemerkt, ofschoon ik niet te paard was, maar naast mijn rijdier stond. Maar buiten de officieren der vreemde gezantschappen was geen Europeaan aanwezig, en dus was hem de verschijning van den nieuweling dadelijk opgevallen. Toen hij bij het einde van het feest in het inwendige van het paleis zich terugtrok, kwam hij vrij dicht langs mijn standplaats, wierp mij een langen onderzoekenden blik toe, en het mishaagde hem, zooals mij kaïd Maclean mededeelde, dat ik hem niet groette. Ik wist inderdaad op dat oogenblik niet, hoe ik groeten moest. De kotau zal Z.M. toch wel niet verwacht hebben, den hoed afnemen is in mohammedaansche landen ver van een eerbewijs en ongeveer op twintig pas afstands een paar hoffelijke buigingen te maken, zou mijzelf zoo belachelijk zijn voorgekomen, dat ik ze toch niet in ernst had kunnen volvoeren. Zoo had ik mij uit dezeembarras de richessevan groetmogelijkheden gered, door eenvoudig niets van dat alles te doen, maar den heerscher recht in ’t gelaat te zien, wat wel de aanleiding tot mijn audiëntie bij Moelei Abdul Aziz zal geweest zijn.

Den volgenden dag reed ik op het aangegeven uur weer het paleis binnen en begaf mij naar het feestterrein, deMeschwar. Daar steeg ik af en wachtte op de dingen, die komen zouden, mijn feestgewaad onder een langen stofmantel verbergend. Het geweldig groote plein ligt in het noordelijk deel van het zeer uitgebreide paleis en was thans door een dichte menschenmenigte omgeven, die zelve weer een lijst vormde om den in ’t midden opengestelden vierhoek van soldaten. In het midden van het voorste gelid der eene lange zijde zag ik reeds in de verte den engelschen chef-instructeur in bovenaardsche pracht stralen. Hij droeg een vuurroode galajas, van boven tot beneden met zware gouden tressen bezet, ongeveer ter dubbele breedte van die der diplomatenuniform. Op het hoofd droeg hij de hooge, scharlakenroode sjasjia van de moorsche askari’s, omwikkeld met een schitterend witten tulband, en om de schouders had hij, als bij de oude kruisridders, een wijden mantel zonder mouwen geslagen, gemaakt van ’t fijnste, witte mousseline.

Toen na lang wachten de sultan zich vertoonde, door een schitterenden hofstoet omgeven, klonk uit de rijen der soldaten den krijgsroep: “Allah moge onzen heer de zege verschaffen!”allah ianssar ssidna, die altijd wordt geuit, zoodra de sultan verschijnt. Statig reed de vorst over het plein, en de engelsche chef-instructeur wenkte mij, hem binnen het regeeringsgebouw te volgen.

Daar had ik een kort onderhoud met den vorst, waarbij Sir Harry Maclean als tolk optrad. Het was een ongedwongen praatje, dat op aardrijks- en staatkundig gebied bleef. Ik maakte mijn verontschuldigingen over mijn niet-groeten, en het trof mij, hoe eenvoudig en waardig het optreden van den sultan was. Vriendelijk weerde hij mijn excuses af met hetwoord, dat men van den eersten dag van zijn verblijf in Marokko kan hooren uit den mond van hoog- en laaggeplaatsten:la bass, la bassd.i. het doet er niet toe.

Dr. Genthe’s Reisbrieven zijn in 1904 in de Kölnische Zeitung verschenen, en toen de laatste er van het licht zag, was de schrijver reeds niet meer onder de levenden. Hij heeft op droevige wijze in Marokko den dood gevonden.

In Maart 1904 was hij op het punt, Fez vaarwel te zeggen; den 10den zou hij opbreken naar de kust. Het had lang en zwaar geregend, en de doctor had zijn gewonen namiddagrit eenige dagen moeten missen. Den achtsten nu lokte hem een heerlijke voorjaarsdag naar buiten, en op zijn mooie Benni-Hassan-hengst reed hij tegen drie uur in den namiddag de westpoort uit, om niet weer terug te keeren. Hij was voor dat rijden alleen dikwijls gewaarschuwd, maar zijn kamers in Fez waren eng en benauwd, en er waren zooveel dingen geweest, waarvoor men hem had gewaarschuwd en die toch goed waren afgeloopen, dat men hem het niet euvel kan duiden, wanneer hij soms een raad in den wind sloeg.


Back to IndexNext