Van Toledo naar Granada.

De terrassen van den Erzberg.De terrassen van den Erzberg.

De terrassen van den Erzberg.

De terrassen van den Erzberg.

Uit het dal der Salza gaan we over den pas van de Eisenerzer Höhe te voet naar Eisenerz. De aankomst te Eisenerz, dat zeer hoog boven het dal is gelegen, is treffend. Een nieuw Stiermarken doet zich daar aan ons voor, het metaalhoudende Stiermarken. Beneden in het dal verrijzen de hooge schoorsteenen van de fabrieken en de kolossale forten, waarop de hoogovens gelijken, terwijl de met erts beladen treinen onophoudelijk langs de hellingen rijden. Maar boven die drukte in de diepte liggen de groene weiden, en weer hooger de zone van dichte wouden, terwijl op dat alles neerzien de hooge, edele bergreuzen, de Kaiserschild, de Wildfold, die een bekroning zijn, waarvan de majesteit al het rumoerige en vuile werk der menschen doet vergeten. Men komt hier tot het besluit, dat de industrie alleen de middelmatige landschappen kan bederven, maar dat zij niet vermag, de grootsche aspecten der natuur te ontsieren.

Een hooge, roodgekleurde berg met afgeronde vormen en gestreept als door treden, die donkerder schijnen in het licht der ondergaande zon, steekt af bij al het groen van het landschap, het is de Erzberg, symbool van den metaalrijkdom van het land. Die waardevolle berg bestaat geheel uit mineralen, en reeds sinds eeuwen zijn de menschelijke mieren op zijn flanken aan het graven en wroeten, knagen den berg methodisch af, en zoo de menschheid, zooals waarschijnlijk is, voortgaat ijzer noodig te hebben, zal de berg ten slotte geheel zijn opgebruikt. Aan den voet liggen, dicht opeengehoopt, de oude huizen van het ouderwetsche stadje Eisenerz onder bescherming van de kerk, die op een fort gelijkt.

Dat antieke stadje is herhaaldelijk door plagen geteisterd, door branden, pest, godsdienstoorlogen; maar het stond altijd in groote gunst bij de vorsten, die de economische beteekenis ervan begrepen. Maximiliaan de Eerste gaf het plaatsje zijn privileges, die verbrand waren bij den grooten brand van 1492; Jozef de Tweede kwam zelf in een der mijnen de mijnboor hanteeren. Toen de Franschen er viermaal doorgetrokken waren tusschen 1800 en 1809, en er aan de bevolking zware belastingen hadden opgelegd, waarvan de onaangename herinnering nog bewaard gebleven is in den naam van een berg, die Franzosenbüchel heet, ging Frans de Eerste zijn volk troosten bij die nieuwe beproeving. De overlevering van die vorstelijke bezoeken leeft nog in onze dagen, en de oude residentie van de graven van Eisenerz, de Kammerhof, is in een keizerlijk jachtslot veranderd.

De oude gemeentekerk van Sint-Oswald heeft al die gebeurtenissen overleefd, die zij van hoog standpunt heeft zien gebeuren; zij staat op een vooruitspringend gedeelte van den Erzberg boven de oude boomen van het door haar behoede stadje. Er hiermee wordt niet alleen bedoeld de moreele bescherming, waarvan Luther zingt in zijn Eine feste Burg ist unser Gott; maar feitelijk is de kerk omgeven door een muur met groote, ronde torens, zoodat het een echt fortis, waar alle bewoners geborgen konden worden bij de eerste verschijning der turksche horden. Het oude heiligdom, reeds in 1190 vermeld, herbouwd onder Rudolf van Habsburg, vergroot onder Frederik den Derde, en versterkt in 1482, is nog eens gerestaureerd onder Maximiliaan den Eerste, zoodat het een zeer geavanceerd gothisch karakter heeft. De orgeltribune en de gewelven waarop zij rust, herinneren zelfs aan de Renaissance.

Een andere toren, op vierkanten voet en met een puntig dak, beheerscht het dorp aan den anderen kant van het dal. Dat is de Schichtthurm, welks klok vroeger de uren van de Schicht sloeg, dus de tijd van het neerdalen in de mijn. Van daar heeft men een goeden kijk op de eigenaardige ligging van Eisenerz, en men staat er vlak tegenover den berg, die in trappen is uitgehouwen en met welks vernieling steeds legioenen van arbeiders bezig zijn.

Eisenerz aan den voet van den Erzberg.Eisenerz aan den voet van den Erzberg.

Eisenerz aan den voet van den Erzberg.

Eisenerz aan den voet van den Erzberg.

Boven op den berg staat een kolossaal kruis, aan welks voet een groot medaillonportret is te zien van ... ik behoef het wel nauwelijks te zeggen ... aartshertog Johan. Het is een eigenaardige tocht van daar naar beneden naar Eisenerz langs de reuzentrap van de mijnwerken, te midden van het rollen der treinen met erts, die in alle richtingen den berg doorkruisen, het klinken der signalen, het geluid der houweelen en hamers, het gedonder der ontploffingen, dat door de echo’s wordt herhaald, en het gegons van den menschelijken bijenkorf, met de vernieling van den ijzerberg bezig.

Nu en dan brengt een bosch, een weide of een dichterlijk kapelletje wat afwisseling. Zoo is er de kapel van Sint Barbara, waar men u de Wonderstufe laat zien, een stuk mineraal, waarin bereidwillige oogen een beeld van de H. Maagd aanschouwen in een stralenkrans.

Op een uur afstands van die drukte van de industrie kan men, ook wel per spoor, het meer Leopoldstein bereiken, een juweeltje, dat omsloten wordt door het Münichdal, rechts van het dal der Erzbach, waarvan het gescheiden is door een lagen heuvel, die het middeleeuwsch kasteel draagt van hertog Arnoud van Beieren. De oevers van het meer zijn een heerlijk rustoord in een prachtige omlijsting. Het water is in den zonneschijn blauw als dat van de Middellandsche Zee, en het weerkaatst een zwaren muur van rotsen, de Seemauer, en den trotschen top van den Pfaffenstein. Men kan een aangename wandeling doen, als men den oever van het meer ziet glanzen onder het zachte zuchten van den wind. Laat echter de wind eens tot storm opsteken, en zwarte wolken hangen boven het diepe meer, dan verdwijnt alle vroolijkheid uit het landschap en als sinistere reuzen staan de rotsmuren in het rond; het geheel krijgt een tragisch aanzien, en de schipper, die met zijn boot door den storm wordt overvallen, is ver van veilig op dit watervlak van vijftig hectaren, waar de stormen vreeselijk kunnen woeden, maar dat in een volgend oogenblik weer lacht in den zonneschijn.

Als wij de Erzbach stroomaf volgen, komen we in het dal der Enns, waar nog indrukwekkender natuurtooneelen ons wachten. Over een lengte van vier mijlen wringt zich die stroom door een diepe kloof in het kalkgebergte; al springend doet hij hoog het schuim opspatten en laat een klagenden toonhooren, als het snelstroomende water zich voortspoedt tusschen de van de rotswanden neergestorte blokken. Vandaar de naam Gesäuse.

De gewone weg en de spoorweg hebben toch kans gezien, binnen te dringen in de diepe, smalle kloof, al moeten zij telkens van de eene naar de andere zijde overspringen. Na elke tunnel krijgt men een nieuw en altijd imposant landschap te zien, en het zou heiligschennis zijn, zich tevreden te stellen met wat men ervan uit de raampjes van den spoorwagen kan bespeuren. Ieder, die de mooie natuur weet te waardeeren, is verplicht, bij het station Gstatterboden, dat halfweg de mooie route is gelegen, den trein te verlaten.

Daar verheft zich in zijn onmiddellijke nabijheid een steile berg, zooals hij er nooit een op het perron van een spoorweg zoo dichtbij zal hebben aanschouwd. De gezichtslijn vormt, als men naar den top kijkt, een hoek van 35 graden, 50 minuten, wat op een respectabele steilte wijst.

Die top, de Planspitze, die in het kalkgebergte is uitgespaard, rijst wit omhoog uit een dicht groen plantenkleed en beheerscht de rivier, waarboven hij zich 1500 meter verheft. Hij schijnt onbestijgbaar en het heeft dan ook lang geduurd, eer men hem had vermeesterd. Wanneer men echter zeer nauwkeurig let op een richel, die aan den linkerkant van den reus er langs loopt, en waar zich langs den trotschen muur een waterval naar beneden stort, zal men met goede oogen een heel smal paadje ontdekken, dat den formidabelen top beklimt, en welke verschrikkelijke steilte den eenvoudigen toeschouwer beneden in het dal al duizelig maakt. Hier herkent men het stoutmoedige werk van de Alpinisten. En inderdaad is dat pad in het leven geroepen door de Alpenvereeniging “Ennsthaler”, en het voert na een klimpartij langs touwen, ijzeren koorden en in de rots geslagen haken naar de schuilhut, genaamd de Hesshütte, naam van den beroemden Alpinist H. Hess, die met Purtschellen geschreven heeft het boekje, “De Hochtourist”, handboek der bergbestijgers en een lijst bevattend van die toppen in de Oost-Alpen, die bijna ontoegankelijk zijn, met nauwkeurige aanwijzingen hoe ze te overweldigen zijn, terwijl de gemakkelijk toegankelijke toppen in het geheel niet genoemd worden.

Van de Hesshütte kan men dan de Planspitze bereiken en met nog meer inspanning den Hochtor, den vorst der Alpen van het Ennsdal, hoog 2372 Meter. Als men op het station Gstatterboden den blik naar het Westen wendt, kan men daar een tooneel aanschouwen, minder afschrikwekkend, maar dat het oog weldadig aandoet. De Enns, die wat rustiger is geworden, kronkelt zich met de sierlijkste slingeringen door het boschrijke dal over een bedding van witte steenen. Overal op de hoogten staan de prachtige wouden, iets dunner wordend hooger op de bergen, en samen een heerlijke omlijsting vormend voor den Reichenstein, dien men niet moet verwarren met den berg van dien naam bij Eisenerz.

De gemakkelijke weg door het dal is zeer gezocht bij de wandelaars; men ontmoet er jonge meisjes, die Alpenbloemen plukken, jongelui, die hun rijwiel in zijn gang vertragen, om het spel van licht en schaduw te volgen, dat zich voltrekt op het groene watervlak van den bergstroom, en Alpinisten met den langen bergstok, die moeilijke steilten gaan vermeesteren. Er ontbreken nog maar de heeren automobilisten aan met hun apocalyptische voertuigen, die even gauw verdwijnen als ze zijn verschenen, maar welker nagelaten geur een alleronaangenaamste herinnering achter zich werpt; ze zouden hier geen wolken stof kunnen opjagen, waarin ze zich zoo gaarne als de goden hullen, om zich aan het oog der gewone stervelingen te onttrekken.

Een weg, die op den grooten weg uitkomt, wenkt ons met een door groen omslingerde poort, waarboven het woord ”Willkommen” prijkt. Zoo stappen wij het Johnsbachdal binnen en verdiepen ons al meer en meer in de bergen, waar telkens de heerlijkste kijkjes ons worden gegund in smalle kloven, terwijl we plotseling worden verplaatst uit de schaduw der bosschen op groote vlakten, die met witte steenen zijn bezaaid. De zon zendt steil haar stralen op ons neer, en wij begroeten daarom met genoegen de groene oase van Johnsbach, waar het dal van aard en van richting verandert. De dorre kloof wordt een breed dal, de rotsmuren maken plaats voor groene, golvende terreinen, en uit het kalkgebergte komen we in de streken van de afgeronde, ijzerhoudende bergen.

Gezeten in de schaduw bij de herberg Donnerwirth, bewonderen wij de andere zijde van de Alpen van het Ennsdal en de onmiddellijker omgeving, die een bekoorlijk hoekje is met een klein wit kerkje, dat al van 1310 dagteekent en in een nestje van groen is gelegen onder rotsen, gelijk aan ruïnen van oude kasteelen. De wolken, die voor de zon langs trekken, wijzigen ieder oogenblik het landschap en geven er een soort van leven aan; wij worden er door geboeid, zooals men aan het strand nooit moe wordt op het spel der golfjes te letten.

Wij vreesden dat onze dichterlijke stemming verstoord zou worden door een gezelschap, dat er zeer epicuristisch uitzag, iets als de Cent-Kilos met korte broeken en bloote knieën boven grove wollen kousen en bock na bock verorberend. Maar daar staat een van hen op, en ondanks het aanplakbiljet, waarop verzocht wordt alle rumoer te vermijden, om het wild niet te verschrikken, begint hij met zuivere stem geen bacchantenliedje of een mopje uit een café-concert aan te heffen, zooals men verwacht zou hebben, afgaande op zijn uiterlijk en manieren, maar een ernstig lied, waarin van de bergen en het vaderland en van Duitschland sprake is. De moeilijk verteerbare grappen hebben opgehouden, de luisteraars hebben allen ernstige gezichten en luisteren naar den zanger met een soort van vromen eerbied. Die wonderlijke mengeling van lyrische sentimentaliteit en zeer prozaïsche neigingen geeft wel een goed denkbeeld van de tegenstellingen, waarop men altijd stuit bij de germaansche rassen.

Een klimpartij tusschen dennen door brengt ons naar de Treffner Alm, van waar wij ons gemakkelijker kunnen oriënteeren in den doolhof van de Alpen van het Ennsdal. Die hooge weide ligt op een pas, die over den Reichenstein leidt en den Sparafeld en het mogelijk maakt, om uit het Johnsbachdal te komen bij de Kaiserau, de herberg van de Admont-abdij,waar een klein kasteeltje het zomerverblijf is der abten.

Van de Treffner Alm overziet men het Johnsbachdal, dat overal groen is, waar men geen enkel roodgekleurd spleetje van den bodem te zien krijgt, en waar boerenhoeven zich uitstrekken tot aan den Neuburger Alp. Maar wat het meest hier de aandacht trekt, is de zuidkant van de kalkbergen en vooral op het eerste plan de scherpe pyramide van Idstein, welks kale top door de natuur als palet wordt gebruikt, om er steeds weer nieuwe verven op te strijken. Wij keken lang naar de afwisselende verlichting, die ook de vormen schijnt te veranderen, tot in fellen gloed de zon onderging en den piek verguldde, hem eerst grooter makend tegen den zwarten achtergrond der kloof, en hem ten laatste uitdoovend in de opstijgende geuren uit het dal, waar het versch gemaaide gras het grootste deel aan heeft.

Aan den uitgang van het Gesäuse, waar wij den spoorweg weer vinden, wijken de bergen ver van het dal terug, en zoo doet zich het vriendelijke Admontbekken voor. Hier is alles anders, een kleine vlakte, bedekt met bebouwde velden, afgewisseld door boschjes en weiden en nette huizen, die van welvaart getuigen. Maar daarom is het nog geen prozaïsch landschap, want een kring van hooge bergen geeft er stijl aan.

In de kloof van het Gesäuse.In de kloof van het Gesäuse.

In de kloof van het Gesäuse.

In de kloof van het Gesäuse.

Het Benedictijnerklooster van Admont is gesticht door den aartsbisschop Gebhard van Salzburg in 1074, dus later dan het klooster van Göss, dat het oudste uit de streek is, maar vroeger dan die van Sint Lambrecht, Rein en Verau. De stichtingsdata van die groote kloosters, die zooveel hebben gedaan voor de beschaving in de Oost-Alpen, liggen meestal tusschen het begin der elfde eeuw en de tweede helft der dertiende.

Admont was van het begin af een centrum van intellectueele ontwikkeling. De latijnsche geschriften van de eerste en geleerdste abten, Gottfried, Irembert en Isenrik hebben groote dichterlijke bekoorlijkheid. Men deed in het klooster ook aan muziek, en abt Engelbert heeft in de dertiende eeuw een geschrift gemaakt, waarin hij samenvat wat er in zijn tijd aan muzikale kennis in de wereld bestond, een werk van groote waarde voor onze geschiedschrijvers der muziek.

Doch kunst en wetenschap waren niet altijd voldoende voor de abten van Admont. Abt Hendrik de Tweede, die keizer Rudolf van Habsburg in het klooster geherbergd had, werd in 1286 benoemd tot Landeshauptmann van Stiermarken, een waardigheid, die den woeligen adel van het land tegen hem in het harnas joeg. Hij had een tragisch einde, want een van zijn bloedverwanten vermoordde hem in de buurt van het klooster. Na dien onrustigen tijd wijdde men zich weer aan de studie; er werden scholen opgericht en zelfs een gymnasium en een hoogeschool behoorden bij het Admontklooster.

Van de in 1074 gestichte kerk is niets meer over; zij is in 1152 een prooi der vlammen geworden. De nieuwe kerk, die terstond weer werd gebouwd, is alleen terug te vinden in een portaal en in een gebeeldhouwden leeuw. Admont is dikwijls door de plaag van brand geteisterd, het laatst in 1865. De vlammen in het dorp door een misdadige hand ontstoken, bereikten ook de abdij en richtten er enorme schade aan. De brand duurde vier volle dagen, en een maand later brak het vuur nog weer uit de puinhoopen, toen ze opgeruimd werden. De kerk stortte in, de klokken stortten neer als een gesmolten massa, en alleen eenige gewijde voorwerpen ontsnapten aan de algemeene vernieling op een werkelijk wonderdadige wijze. De tegenwoordige kerk, de Blasienmünster, dadelijk opgebouwd na de ramp, zal dus weinig belang inboezemen aan hen, die graag luisteren naar wat oude dingen te vertellen hebben. Haar twee scherpe spitsen maken een goed effect in het landschap.

De gebouwen, die bij het klooster hebben behoord,besloegen een groote ruimte; er wordt gesproken van zes binnenpleinen en 1180 vensters. Na den brand van 1865, waar de bibliotheek gelukkig aan ontkomen is, heeft men alleen drie vleugels weer opgebouwd om een plein. Zij maken nog een treffenden indruk en geven een denkbeeld van wat het oude klooster moet zijn geweest

De door den brand vernielde gedeelten waren in 1734 gebouwd en moesten volgens de eerste plannen de afmetingen van het Vaticaan hebben, dus van het grootste paleis ter wereld, maar die plannen zijn nooit tot uitvoering gekomen in hun geheel.

Bij een bezoek aan het klooster verzuimt men gewoonlijk niet het Kellerstübel, een klein gewelfd zaaltje met betimmering van dennenhout, waar men tusschen de worst en de kaas den Lüttenberger kan proeven, die in de wijngaarden van de abdij is gegroeid. Het is een eigenaardige omgeving in dat lage zaaltje met de geschilderde zoldering, waarop de wapens van het klooster prijken, een crucifix tusschen twee hertehoorns naast een aan den muur hangende guitaar, terwijl men door een oud renaissancepoortje het uitzicht op een park met allerlei klassieke versierselen heeft.

Het Johnsbachkerkje in zijn nestje van groen.Het Johnsbachkerkje in zijn nestje van groen.

Het Johnsbachkerkje in zijn nestje van groen.

Het Johnsbachkerkje in zijn nestje van groen.

Dat was ons afscheid van Stiermarken, van dat schoone land, waarop de Dachstein neerziet, die hooge berg, dien Stiermarken, Salzburg en Boven-Oostenrijk met elkander deelen.

Hij staat, als ’t ware aan Stiermarkens begin en in het bekende gedicht van J. Dirnböck, dat door L.C. Seydler op muziek is gezet, zingt de Stiermarker:

Hoch vom Dachstein an, wo der Aar noch haust,

Bis zum Wendenland am Bett der Sav’,

Und vom Alpthal an, das die Mürz durchbraust,

Bis ins Rebenland im Thal der Drav’:

Dieses schöne land ist der Steirer Land

Ist mein liebes, theures Heimathland.

En daarna vervolgt hij, zijn land met vaderlandslievenden trots omschrijvend en telkens met de beide laatste bovenstaande regels besluitend:

Wo die Gemse keck von der Felswand springt,

Und der Jäger kühn sein Leben wagt;

Wo die Sennerin frohe Jodler singt

Am Gebirg, das hoch in Wolken ragt:

Wo durch Kohlengluth und des Hammers Kraft,

Starker Hände Fleiss das Eisen zeugt;

Wo noch Eichen stehn, voll und grün von Saft

Die kein Sturmwind je noch hat gebeugt:

Wo der Mais und Haid’n herbstlich duftend blüh’n

Und des Obstes Füll’ so lachend keimt;

Wo im Unterland süsse Trauben glüh’n,

Deren edles Blut wie Perlen schaumt:

Wo am Kirchweihfest noch nach alter Weis’

Sanfter Zither Ton und Hackbrett klingt.

Und der wack’re Bursch rasch und flink im Kreis’

Holde Dirnen froh im Tanze schwingt:

Wo noch deutsches Wort und ein Handschlag gilt,

Frommer Sinn noch herrscht und Tugend währt,

Wo auf Mädchenwang’ noch das Schaamroth spielt

Und die Hausfrau klug den Segen mehrt:

Wo’s im schlichten Rock wie im Fürstgewand

Edle Männer giebt voll weisem Rath;

Die ein Schutz und Schirm für das treue Land

Rüstig vorwärts geh’n in reger That:

Wo in jedem Arm die geerbte Kraft

Habsburgs Enkeln blüht voll alter Treu,

Für den Kaiser gern Jeder auf sich rafft

Und dann eisern steht in Schlachtenreih:

Naar het Fransch van Mevr.Jane Dieulafoy.

De synagoge Santa Maria la Blanca in Toledo.De synagoge Santa Maria la Blanca in Toledo.

De synagoge Santa Maria la Blanca in Toledo.

De synagoge Santa Maria la Blanca in Toledo.

De aanblik van Castilië.—De rondtrekkende kudden.—De Mesta.—De Taag en haar dichters.—De Cuesta del Carmel.—De Cristo de la Luz.—De hydraulische machine van Juanilo Turriano.—De Zocodover.—Oude paleizen en antieke synagogen.—De Joden van Toledo.—Een herinnering aan de overstrooming van de Taag.

De aanblik van Castilië.—De rondtrekkende kudden.—De Mesta.—De Taag en haar dichters.—De Cuesta del Carmel.—De Cristo de la Luz.—De hydraulische machine van Juanilo Turriano.—De Zocodover.—Oude paleizen en antieke synagogen.—De Joden van Toledo.—Een herinnering aan de overstrooming van de Taag.

Castiliaansche schoone.Castiliaansche schoone.

Castiliaansche schoone.

Castiliaansche schoone.

“Van Madrid naar Toledo,” schrijft een spaansch schrijver uit de 18de eeuw, “leidt een volkomen vlakke weg.”

Hoe waar is dat nog steeds, en wat is die weg somber en eentonig, die zich tusschen de hoofdstad van het moderne Spanje en de oude hoofdstad van het westgothisch rijk uitstrekt! Nauwelijks heeft men de huizen van Madrid, die amphitheatersgewijs gerangschikt zijn boven den blauwen halven cirkel van de Guadarramaketen, uit het gezicht verloren, of men betreedt een streek zoo verlaten, dat ze iemand een huivering bezorgt.

Boven zich ziet men den hemel onverstoorbaar blauw, en beneden strekt zich eene eentonige, grijze vlakte uit, bezaaid met sprieten van een harde grassoort, en hier en daar de asch van het stroo, dat terstond na den oogst verbrand wordt. De zeer weinige dorpen, waarvan de hutten gebouwd zijn van aarde of van steenen, die de kleur van den grond hebben, zijn haast niet te onderscheiden. Men zou ze heelemaal niet zien, wanneer niet enkele boomen een mager bouquetje van groen deden oprijzen rondom de armoedige plaatsjes. Als men door de kale vlakte gaat, komt men tot de overtuiging, dat de bevelen van den Raad van Castilië, waarbij aan elken dorpsbewoner de plicht werd opgelegd, minstens vijf boomen per jaar te planten, wel slecht werden opgevolgd.

De oorsprong van die antieke verordening klimt seker wel op tot een periode uit het grijs verleden.Zou zij mogelijk nog in verband staan met zekere oude wetten van den godsdienst, waarbij het aanplanten van boomen, het ontginnen van woeste gronden en het telen van vee behoorden tot de vrome werken, door Ormuzd, den god van het oude Perzië, bevolen en gezegend? De Arabieren hadden zich in hun omzwervingen te zeer gemengd onder de volken, die ze onderworpen hadden, en de Perzen hadden door hun wetenschap, hun intelligentie en hun kunstzin te veel indruk op hen gemaakt, dan dat zij aan dien invloed konden zijn ontsnapt. Moet men zich erover verbazen, als ze aan dat volk hun wetten ontleenden en de daar heerschende overleveringen meebrachten naar Spanje, wetten, die de Christenen na de verdrijving van den erfvijand wijs genoeg waren te behouden? Wat zou het te wenschen zijn geweest, dat ze de bepalingen onveranderd hadden gelaten, die den akkerbouw regelden; de helft van Spanje zou niet onvruchtbaar en dor zijn zooals tegenwoordig.

Hoe het zij, men behoeft geen moeite te doen, boomen te zoeken tusschen Madrid en Toledo. Men zou er zijn oogen vruchteloos bij inspannen en er zijn geduld bij verliezen.

Zeker, de Castiliaan houdt wel van schaduw, die de hitte van de gloeiende zon tempert; maar hij houdt meer van de graankorrels, die opgegeten zouden worden door de vogels, nestelend in het gebladerte der boomen. Wat kan den landman het gekweel der vogels schelen, van die beeldige bouquetjes van vederen, zooals Calderon ze zoo aardig noemt, als hij denkt aan den oogst, dien hij heeft gezaaid, gewied en ingehaald met zwaren, noesten arbeid! Enkel de nachtegaal en de zwaluw vinden genade in zijn oogen, maar alleen omdat ze insecten verdelgen en de insecten verderfelijk zijn voor den oogst. De Castiliaan is arm; hij heeft slechts te kiezen tusschen het eene of het andere kwaad!

Als vergoeding mogelijk is Castilië rijk aan historische en legendarische herinneringen.

Te Esquivias zal men niet nalaten, zich het huwelijk en het langdurige verblijf van Cervantes ter plaatse te herinneren; iets verder zal men zich de schaduw van den ridder van de droevige figuur voor den geest roepen, die van Sancho Pansa en zelfs die van Dulcinea, wier geboortedorp het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Toboso was. Al wat in die geschiedenis voorkomt, heeft sporen nagelaten in het land, en tot Rossinante toe, tot het rijdier van Sancho Pansa, tot de kudden; waar de Ridder op aan viel, hebben een talrijke nakomelingschap gekregen in magere paarden, domme ezels en langharige merinosschapen. Wie zou eraan durven twijfelen? Om zoo’n ongeloovigen Thomas te straffen, zou het nog niet eens voldoende zijn, dat men de Inquisitie weer in het leven riep.

Het is niet de eerste keer, dat ik die rondzwervende kudden aantref, die al sedert oude tijden van de eene naar de andere weide trekken van het eene eind van Spanje naar het andere, al naar de wisselende seizoenen. Ze zijn niet van heden of gisteren, die zwervende kolonies, geleid door herders te paard en gehoed door halfwilde honden, alle planten wegvretend van den grond en dien daardoor onvruchtbaar houdend, terwijl ze hem onder hun voeten treden.

Millioenen schapen in het bezit van een soort van genootschap, bekend onder den naam van Mesta en waartoe de grootste heeren en de abten van de rijkste kloosters behoorden, lieten zich in de lente en den herfst in sommige streken neer, waar hun korte, gretige tanden weldra elk grassprietje hadden afgegraasd. Er waren bepaalde privileges aan het genootschap toegekend, waardoor de omzwervingen begunstigd werden, en de Mesta werd zelfs zoo machtig, en kon zoo autoritair optreden, dat het durfde verbieden, bepaalde vruchtbare landen te bebouwen, om er overvloedige weidegronden te behouden.

En terwijl de herders, die zoo in bescherming werden genomen, al stoutmoediger werden, verloor de onderdrukte boer allen moed, want niets beschermde hem tegen een gevreesden inval van den vijand. Het zou hem niets geholpen hebben, had hij zich beklaagd over de door de kudden aangerichte verwoestingen, kudden, die toebehoorden aan de edele heeren van Santiago of Calatrava, of dat hij zich verdedigde tegen de veertig duizend tot den ongehuwden staat veroordeelde herders, daar de eischen van het nomadenleven hun niet toestonden te trouwen, en die vaak nog veel woester en boosaardiger waren dan hun honden! Zonder hoop en zonder ergens een toevlucht te kunnen vinden, liet de boer zijn ploeg in den steek en verliet het ouderlijk dak. Het was dan nog beter tot landverhuizing zijn toevlucht te nemen, naar de Nieuwe Wereld te gaan, die fabelachtige streken op te zoeken, waar men het goud met de spade opschepte; waar men niets wist van de onderdrukking door de groote grondbezitters, van den dwang tot arbeid, uitgaande van de kloosterorden, en vooral niet van de schapen! In de Middeleeuwen was het zachte, lieve schaapje een plaag, nog veel erger dan de sprinkhanen; het moderne Spanje gaat nog onder de gevolgen gebukt. De boer keert nooit terug naar den grond, die hem is lief geweest, als hij eenmaal zijn hart en zijn krachtige armen ervan heeft losgemaakt. Bij hem is een dergelijk besluit onherroepelijk.

Zoodat terwijl oudtijds de oevers van de Guadiana bezaaid waren met steden en groote dorpen, die een bloeiend aanzien hadden, men er tegenwoordig slechts ruïnen ziet of armoedige dorpjes, gebouwd rondom een kerk, die driemaal te groot is voor de luie en verarmde bevolking. Van eeuw tot eeuw zijn de moedigsten en sterksten van elke generatie heengegaan, om Zuid-Amerika of de Philippijnen te bevolken, en de beste qualiteiten zijn erdoor in de verdrukking gekomen.

Sedert 1835 zijn de voorrechten van de Mesta afgeschaft, en de rondtrekkende kudden mogen zich nu slechts bewegen over een oppervlakte ter breedte van tachtig meter; maar het gaat niet in een paar dagen, dat een zoo ingewortelde kwaal wijkt voor een zoo laat toegediend geneesmiddel, en er zullen nog eeuwen verloopen, eer de Castiliaan weer smaak krijgt in den landbouw. Ernstig, statig en somber en onverschillig, zal hij nog langen tijd de zorg voor het bebouwen van zijn velden overlaten aan de Galiciërs, de bewoners der Balearen, of van deBaskische Provinciën, die op zijn kosten leven. Hij zal er de voorkeur aan geven, honger te lijden in alle vormen, door de etiquette gewild, dan van de gewoonte af te wijken, door werk te doen, dat voor dienenden is en dat een hidalgo onwaardig is.

Dat alles komt van dat domme schaap; het is niet te ontkennen, dat het beest wat op zijn rekening heeft! Zijn wol alleen pleit voor hem en bezorgt hem mogelijk vergiffenis; maar zijn côteletten! O wee, men moet eens in Spanje hebben gereisd, om voor eeuwig er genoeg van te hebben.

Daar is de Taag; een krans van donker groen wijst aan, waar de rivier stroomt. Het is een kalme rivier tusschen groene populieren, en zij vloeit zoo slaperig, dat noch de boomen haar hooren passeeren, noch het zand iets van haar voorbijgaan bespeurt. In haar stille rust waarschuwen haar de vroolijke nachtegalen met luider stem, dat de zon is opgegaan, en dat zij ook wakker worden moet. Tusschen het riet aan de oevers zegt de zoet voortvloeiende stroom niet, dat het water is ontwaakt, maar dat het althans bewegelijk is.

Om strijd hebben de dichters haar bezongen. Garcilaso de la Vega roept de grillige nimfen aan, die aan de oevers spelen, en zingt van de vier stroomgodinnen, door de Taag bemind, die te zamen er op uit gingen. Op deze nimfen doelt ook Cervantes, als hij gewaagt van de schoonheden, die het kristalheldere water tot woning hebben gekozen en zich op de groene weide neerzetten, om met haar vlugge vingers kostbare stoffen te weven, waarin zijde, parelen en goud gemengd zijn.

Op zijn beurt ondergaat Moratin de bekoring van de golfjes der Taag en hij viert ze in idyllen, waar Theocritus, noch Virgilius zich voor zouden moeten schamen; maar niemand heeft beter den statigen stroom gehuldigd, zooals hij aan het einde van zijn tocht is gekomen dan de onsterfelijke dichter van de Lusiade. De Taag is niet enkel voor hem de klare stroom, waarmee de helden uit zijn herderszangen dwepen, neen, zij is de epische, de heilige rivier, een soort van bezielende godin.

“Muzen van de Taag,” zegt hij “die mij van mijn prille jonkheid af met uw adem hebt bezield, indien ik altijd in landelijke zangen de schoonheid van uw rivier heb gevierd, wilt mij dezen keer een verheven stijl verleenen, een statigen, indrukwekkenden toon.... Verleent mij de kracht tot het vinden van klanken, wier grootschheid, zoo mogelijk, evenaart de heldendaden, door uw krijgshaftig volk verricht.”

De Taag, die al lang geblaseerd is door den hyperbolischen lof der dichters, zet traag haar loop voort als een verouderde rivier, terwijl de spoorweg zich er van verwijdert en recht op Toledo aan rijdt. Gelukkig komt hij niet dicht bij de wallen der oude stad. Toen hij den spoorweg aanlegde, is de ingenieur daarvoor als voor iets heiligs teruggedeinsd. De reis wordt voortgezet of in een of ander ouderwetsch voertuig, van niet te beschrijven aard of in een grooten wagen met vele banken, al naar gelang er meer of minder reizigers zijn of dat ze meer of minder eerbied afdwingen. De zweepen klappen, de muildieren schoppen achteruit, de koetsiers vloeken en de stijging naar de stad der zeven heuvelen begint te midden van wolken stof, zoo dicht, dat de goden van den Olympus ze vurig zouden hebben begeerd, als het hun lustte, op de aarde neer te dalen. Helaas, wat zouden ze hier nu nog te doen hebben, nu ze zooveel reden hebben, om boos op ons te zijn!

Nog wat knarsend wielgeratel, en links verschijnt op de rotsen, waar ook niet het kleinste mosplantje groeit, de allerdecoratiefste ruïne, die men zich kan denken, juist geschikt, om de etsnaald van den kunstenaar aan het werk te zetten. Het is het oude kasteel van San Cervantes met zijn zware, onvriendelijke muren, waar de zon van tallooze zomers op heeft gebrand.

Nu rijst het nog boven de Taag op, maar vroeger verdedigde het de rivier. Een vertooning van oorlog en machtsbesef is het gebouw geweest, thans door den tijd gebroken.

Ook San Cervantes is door dichters bezongen.

“Gij, die u naast Toledo verheft, koning Alfonsus stichtte u aan de Taag. Er wordt verteld, dat gij ijzer steldet tegenover de houten oorlogswerktuigen van uwe vijanden.... En nu, nu staat gij daar veracht op die kale rots; uwe kasteelen, die u eertijds tot een kroon dienden, zijn thans zitplaatsen voor troepen kraaien en zien er uit als eenzame tanden in den mond van een grijsaard, zeggend, hoe oud hij wel is.

“Luister naar mij, gij stout kasteel, en volbreng, wat ik van u vraag, hoewel twee dozijn verzen juist geen belooning verdienen. Indien mijn geliefde, die boos is als de hel en schoon als de hemel, of beter nog gezegd, die trotsch is als de stad Toledo, uitgaat, om van de bloeiende amandelboomen te genieten, als zij dan van het water van de Taag een spiegel maakt voor haar schoonheid, stel haar dan uw ruïnen tot voorbeeld en vertel haar, zonder te spreken al die duizend dingen, die gij zoo goed weet....”

Het oude kasteel is niet alleen door dichters bezongen; zijn legenden en zijn histories van strijd en liefde, vol van ridderlijkheid, zijn gewijd door den romancero.

Koning Alfonsus had zich verwijderd aan de spits van een dapper leger en liet het opperbevel over Toledo over aan Bérangère, die door afkomst een der edelste vrouwen uit het rijk was, door huwelijk tot koningin was verheven en om hare schoonheid toch reeds souvereine was.

De Mooren, die er van onderricht waren, dat de stad door haar verdedigers verlaten was, snelden toe; maar vóór ze over de Taag trokken, moesten ze het kasteel veroveren, dat aan den ingang zich verhief.

Toen beklom de koningin een der torens van het Alcazar, en met verwoede oogen zag ze, welk gevaar het handjevol dapperen liep, dat in het fort was opgesloten en dat weldra onder de slagen der opdringende ongeloovigen zou bezwijken.

En daar komt tot de Mooren de heraut van koningin Bérangère. Zij laat op een toon van verwijt zeggen:

“Is het niet laf van u, een zoo zwakken vijand aan te vallen? Indien gij zoo dapper zijt, als gij de menschen wilt doen gelooven, gaat dan heen en valt koning Alfonsus aan, zijn echtgenoot en zijn christenen onder de muren van Carelië.”

De bevelhebber der Mooren was door dit verwijt vernederd, en hij wist, dat de koningin zeer schoon was.

“Laat dan boven van het meest nabijzijnde bolwerk Donna Bérangère ons haar gelaat ongesluierd vertoonen, en ik zal het beleg opheffen.”

Tegen zonsondergang verscheen de koningin en stond op het muurwerk met ongesluierd gelaat, omringd door haar jonkvrouwen in prachtige gewaden, schooner dan de opkomende maan te midden der eerste sterren, die aan den hemel schitteren.

Handelsstraat te Toledo.Handelsstraat te Toledo.

Handelsstraat te Toledo.

Handelsstraat te Toledo.

De Moorenvorst zag haar lang aan, en groette haar met de teekenen van den grootsten eerbied.

Bij het aanbreken van den morgen brak hij met de zijnen het beleg op van het kasteel en sloeg den weg naar Carelië in.

In den tijd van Lope de Vega was het oude kasteel, dat ongebruikt stond, zoo verlaten en eenzaam, dat personen van hoogen rang, die om eerezaken genoodzaakt waren te duelleeren, elkaar onder zijn muren rendez-vous geven. In het aardige blijspel, getiteld “Beminnen, zonder dat men weet wie”, moet de held van het stuk er tot getuige dienen in een van die duels, die in dien tijd zoo veelvuldig waren. Als het niet uit de mode was, zou men er nu nog wel, zonder vrees voor stoornis te moeten hebben, zulke tragische conflicten kunnen uitvechten.

Nadat wij een kudde buffels waren tegengekomen van zeer mooien bouw en zwart als de duivel, wel te verstaan, als de duivel zeer zwart is, reed mijn rijtuig over de brug van Alcantara, die aan beide zijden is afgesloten door twee versterkte poorten met het wapen van het huis Oostenrijk.

Van dit punt gezien, ziet de Taag er zeer dreigend uit, en in de diepte der kloof, waarin ze stroomt, schijnt de rivier de stad Toledo te omstrengelen, als om haar te verstikken, eerder dan om haar in liefhebbende armen op te nemen. Zonder twijfel heeft de eene of andere hemelsche Durandal die bedding in de rotsen uitgehold dwars door den berg heen en de steile rotsen boven het slijkerige water afgeslepen. Ik hef de oogen op, en daar omhoog staat op den top der rotsen, als een kostbaar juweel, gevat in ijzer, de stad der gothische concilies, de oude hoofdstad van Nieuw-Castilië. Onder de lompen van haar aziatische kleêren slaapt de sombere, kloosterachtige stad, juist als in de Middeleeuwen en dat op slechts twee uren afstands van het levende, vroolijke Madrid. Zulk een snelle reis door veertien eeuwen heen is verwarrend voor den geest, en een langdurig verblijf is noodig, om iemand van den schok te doen bekomen.

Als men de tweede poort is doorgegaan, en onder de waakzame oogen der douaneambtenaren is gepasseerd, komt men op een weg, die sterk helt en den naam draagt van Cuesta del Carmel. Het is de ontaarde zoon van een nog steileren weg, die dicht langs de kerk Cristo de la Luz, een zeer oud en eerwaardig monument, voorbij ging.


Back to IndexNext