Van het grieksche koningshuis.

De priesters German en Sergej.De priesters German en Sergej.

De priesters German en Sergej.

De priesters German en Sergej.

Na Sortavala bezochten we Walamo; zoo heet een eilanden-groep in het Ladoga-meer. Sedert het jaar 992 is er een klooster op Walamo, door russische monniken bewoond. Het werd gesticht door twee priesters van den berg Athos, German en Sergej, die, volgens de legende op een molensteen naar het eiland kwamen drijven; zij vonden het bevolkt met geheimzinnige wezens, die door hen werden verdreven. Er zijn weinig berichten over de eerste tien eeuwen, gedurende welke het klooster bestond. Men kan echter aannemen, dat het toen nog niet streng georganiseerd was en voornamelijk diende als toevluchtsoord voor kluizenaars. Later hebben de monniken getracht den grieksch-orthodoxen godsdienst te verbreiden. Hun bekeeringswerk begon in Karelië in het jaar 1227. In 1350 beproefde de zweedsche koning Magnus Erikson Walamo te veroveren, maar door de gebeden der monniken verging de vloot en alleen de koning wist zich te redden. Hij werd in de kloosterorde opgenomen, maar stierf kort daarna.

Het nieuwe Walamo met zijne groote gebouwen en rijke kerken dateert van 1842 en is gesticht door den Ignumen Damaskin, die toen aan het hoofd van het klooster stond. Hij liet de oude kerken afbreken en er nieuwe voor in de plaats zetten. De monniken kregen een beter woonhuis en er werd een “hotel” gebouwd om de pelgrims te herbergen.

Na langdurig informeeren gelukte het ons te weten te komen wanneer de boot, die tot het klooster behoort en onder directie der priesters staat, van Sortavala naar Walamo zou vertrekken. Men raadde ons echter aan, eenige dagen te wachten op de finsche boot, omdat deze meer comfort biedt. ’t Was echter juist ons plan den Zondag op Walamo door te brengen; wij konden dan aan een pelgrimstocht deelnemen en zoodoende verscheidene heilige eilanden in de buurt bezoeken.

DeWalaam, het priesterschip, waarop we dus terecht kwamen, was alles behalve geriefelijk en daarbij in ’t oogvallend vuil. Het eten was er ook niet best en het was moeilijk om de stewardes, die tevens als kellner fungeerde, te beduiden wat we wilden eten; het ging al even weinig gemakkelijk haar aan ’t verstand te brengen dat we drie slaapplaatsen noodig hadden. Om haar aan te roepen wisten we niet anders te doen dan het woord “baboushka” te gebruiken, d.i. grootmoeder. Neen, men had ons niet voor niets tegen deWalaamgewaarschuwd. Ook ons reukorgaan werd in ’t begin onaangenaam geprikkeld door de lucht van juchtleeren vetlaarzen, die alle Russen dragen, en waarmee de boot als ’t ware doortrokken was.

In den avond bezocht ik het ruim, waar de bedevaartgangers een plaats hadden gevonden. Verbaasd bleef ik bij den ingang staan; wat was dat voor een bonte opeen gehoopte menschenmassa in een onverdragelijk warme atmosfeer! Daar zaten zij, dom, genoegelijk, met een passieve uitdrukking op het gelaat, enkelen waren neergehurkt op den grond, anderen zaten op hun bagage. Wat me dadelijk opviel was de geëmailleerde theepot, die in geen van de groepen ontbrak. De russische moeijik neemt dit artikel altijd mee op reis en aan alle stations kan hij voor niets kokend water nemen uit een groot reservoir. Ook hier, op deze boot, was die inrichting voorhanden. Tusschen al die menschen, zoo verschillend van ons westersch ras, bewogen zich de priesters. Zij waren te herkennen aan hun lange haren, die bij sommigen tot aan hun middel reikten, aan de hooge priestermuts en de langejas met een band om het middel vastgehouden, afhangend tot halfweg de hooge laarzen.

Reeds vroeg in den morgen bracht de “baboushka” ons het ontbijt, dank zij een vriendelijke dame uit Kuopio (Finland), die met de russische taal bekend was. Zij bood zich ook aan om als tolk te dienen op Walamo, en zonder haar hulp zou de dag niet half zoo interessant geweest zijn. Vóór de hoogmis kwamen we daar aan, nadat we al langs verscheidene eilanden gevaren waren, waar hier en daar een kapel haar koepel tusschen de dennen verheft. We liepen met den stroom der pelgrims mee en kwamen zoo binnen de kloostermuren. Eigenlijk had ik verwacht, dat er nog wel wat van het vroegere klooster of van de oude kerk over zou zijn, maar dat is het geval niet; de gebouwen op Walamo zijn banaal-nieuw.

De hoofdkerk, die we binnen traden om de mis bij te wonen, is overweldigend door haar groote afmetingen en het decor van goud.

En nu een enkel woord over de russische kerken in ’t algemeen. Haar plattegrond heeft den vorm van het grieksche kruis. Boven het midden-vierkant is een groote koepel en op elke der vier kruisarmen staan kleinere, die evenals de groote koepel gekleurd of van koper zijn. De absis wordt ingenomen door het “Allerheiligste” en afgesloten door den “iconostas”, die op Walamo bizonder rijk versierd is. De iconostas is een wand met drie deuren, waarvan de middelste de “heilige deur” is. Geen vrouw mag achter den iconostas komen. Tijdens de mis wordt de heilige deur geopend, en ziet men het altaar.

Finsche Madonna.Finsche Madonna.

Finsche Madonna.

Finsche Madonna.

Beelden komen in de russische kerk niet voor; dat verbiedt de ritus. Wel treft men er geschilderde afbeeldingen aan, die alle volgens een vast type zijn gemaakt. De madonna met het Christuskind ziet men in alle kerken steeds op de zelfde wijze voorgesteld.

De gemeente staat gedurende de godsdienstoefening, (er zijn zelfs geen banken in de kerk); zij stemt niet in met het koor der geestelijken. Men wordt getroffen door den vollen toon der stemmen, die door de gewelven dreunt of die, zacht-mystiek, even de woorden van hem, die de mis leest, accentueert. Een orgel is in de russische kerk niet aanwezig. De liturgie neemt een groot gedeelte van de godsdienstoefening in beslag. Gepreekt wordt er niet, slechts enkele bijbelteksten leest de priester aan de gemeente voor. Na de mis houdt hij een kruisbeeld op, dat door de vrome aanwezigen, die in file langs hem gaan, wordt gekust. Op Walamo zagen wij ook vele pelgrims, na elkaar, dezelfde glasruit waaronder relequien bewaard werden, met de lippen aanraken. Geruimen tijd lagen geloovigen gedurende de mis op den grond, met het voorhoofd den steenen vloer aanrakend; voor een Rus evenwel is dit niets bizonders.

Na de mis trachtte onze vriendelijke tolk uit Kuopio te weten te komen, wanneer de pelgrimstocht naar de eilanden zou plaats hebben. “Als het middagmaal afgeloopen is”, antwoordde de priester tot wien zij zich gewend had. Deze monnik, die wat Duitsch kende, stelde zich beschikbaar om ons de naaste omgeving van het klooster te laten zien. Hij vertelde ons allerlei dingen betreffende Walamo. Er wordt hard gewerkt, want het klooster voorziet in zijn eigen behoeften door den landbouw. Ook allerlei andere handwerken oefenen de monniken uit. Wetenschappelijk werk wordt niet noodig geoordeeld; zij staan geheel buiten de maatschappij. De hoogere geestelijken lezen de couranten en vertellen enkele gebeurtenissen, die zij wetenswaardig vinden, aan de overige monniken. Andere dan geestelijke boeken zijn in het klooster niet aanwezig. De bevolking telt ongeveer duizend bewoners. Boter en vleesch wordt door de broeders niet gegeten. Omdat de kloosterorde zeer streng is, sturen de Russen er dikwijls voor eenigen tijd jongens heen, die tehuis moeilijk zijn op te voeden.

Intusschen was de tijd gekomen voor het middagmaal, dat kosteloos wordt aangeboden aan ieder die het eiland bezoekt. Ik werd geleid naar de eetzaal voor de vrouwelijke pelgrims. Ieder had een bord met een snee brood en een houten lepel. Niet ieder kreeg een servet, maar daarvoor diende één lange lap voor een groep van menschen. In de 12de en de 13de eeuw was dat overal de gewoonte; heel eigenaardig, dat dit gebruik hier zoolang in stand is gebleven. Voor elke vier personen stond er een groote tinnen bak klaar, met gehakte wortels, erwten, rijst, zoute visch en biet. Dit mengelmoes werd op hetbord vermengd met een vloeistof uit een anderen tinnen bak,—zuur bier, de russische kwash. Ze aten er allen smakelijk van: het is de nationale spijs. Wat op de borden overbleef ging weer in den grooten pot. Voor ons was dit eten nog al vreemd, de smaak onbeschrijfelijk. Na den eersten hap was het me onmogelijk een tweeden te nemen, en hoe hongerig ik me ook voelde, ik had geen lust het verdere menu af te werken. Toen de priester, die door de zaal liep en gebeden voorlas, mij den rug had toegekeerd, was ik, en nog een paar andere vreemdelingen met mij, zoo vrij uit de bank te stappen en de eetzaal te verlaten. Ik hoorde later dat de mannen hetzelfde eten hadden gekregen. Iemand, moediger dan ik, had drie gerechten getrotseerd; na het eerste kwam een vrij eetbare soep en dan, als derde gerecht alweer een soep, getrokken van visch, met macaroni. De mannen aten met hun vieren uit één bak; dat gebeurt bij de russische soldaten ook.

Is het klooster en zijne onmiddellijke omgeving weinig pitoresk, de eilanden vergoeden in dit opzicht alles; ze zijn bizonder aantrekkelijk met hunne prachtige dennenbosschen, waarin diepe rust heerscht. Zoo nu en dan ziet men een konijntje of ander wild, dat nieuwsgierig rondkijkt en in ’t geheel niet schuw schijnt te zijn. Er wordt zelfs verteld, dat de herten en reeën naar de menschen toekomen. De kloosterwet verbiedt de jacht, zoodat de dieren nooit gestoord of verschrikt worden.

De eilanden bij Walamo.De eilanden bij Walamo.

De eilanden bij Walamo.

De eilanden bij Walamo.

De bedevaart werd per boot gemaakt. De kleine stoomboot, met monniken bemand en waarop ook wij een plaatsje hadden veroverd, trok drie groote schuiten, waarin de pelgrims zaten. Bij verscheidene eilanden, waarop kapellen waren, legden we aan. Voor deze kapellen werd de mis gelezen en daarna bezochten we de hutten, waar heiligen in gewoond hebben. Op de boot teruggekeerd, verhieven de priesters een veelstemmig kerklied, dat plechtig klonk over de watervlakte. Gaarne had ik eens met hen gepraat, maar geen van allen sprak eene mij bekende taal. Zoo kon ik hen ook alleen door gebaren vragen, of ik hen fotografeeren mocht, hetgeen zij me dadelijk toestonden.

Tegen den avond vertrok deWalaam, om koers te zetten naar Petersburg. Vóór het vertrek werd er nog een mis bediend en lieten velen zich afzonderlijk door de priesters zegenen. Tijdens het weggaan maakten de pelgrims verscheidene malen het kruisteeken en herhaalden dat telkens als wij een kapel voorbij voeren. De vaart op het Ladoga-meer was weinig afwisselend, want het watervlak is zoo groot, dat men de oevers niet duidelijk kan zien, en scheepvaart is er bijna niet. Interessant was het echter de bedevaartgangers in hun doen en laten gade te slaan. Zij bleven nu niet meer in het ruim, maar besloegen het geheele schip, overal zag men groepjes menschen bij elkaar zitten. Dikwijls werden we aangekeken, als wilden zij vragen wat die vreemdelingen wel bij hen zochten.

Bijna ongemerkt vernauwt zich het Ladoga-meer, totdat het eindelijk eene rivier is geworden, de Newa. Eenigen tijd voor we aanlandden, kwamen we Schlüsselburg voorbij, de beruchte en geheimzinnige vesting-gevangenis, die nu naar men zegt is opgeheven.

Priesters voor de kerk op Walamo.Priesters voor de kerk op Walamo.

Priesters voor de kerk op Walamo.

Priesters voor de kerk op Walamo.

Te St. Petersburg aangekomen, mochten we deWalaamniet verlaten, voor wij onzen pas terug hadden gekregen. Nu werd onze bagage gevisiteerd. Alles moest uitgepakt worden, alle doozen moesten we openmaken, elk boek werd geinspecteerd. Thackeray wekte wantrouwen op, maar werd na eenig onderhandelen teruggegeven. De doosjes met films schenen ook verdacht, en het ging niet gemakkelijk om uit te leggen, dat zij bij het fotografie-toestel hoorden. Niettegenstaande hun drukke werkzaamheden waren de grenswachters bizonder beleefd en hielpen overal de koffers en kisten weer dicht maken.

Met eenige moeite gelukte het ons een paar rijtuigjes te bemachtigen, en na een “pantomime” gevoerd te hebben over den prijs, zeide de koetsier: da, da (ja) en klom op den bok. Zoo waren we van het rustige Walamo verplaatst in de drukke hoofdstad van het Tsarenrijk.

Zutphen, Febr. 1906.

1Storfürsten is een Zweedsch woord en beteekent grootvorst. “Stor” is ons “stoer”; de o wordt als oe uitgesproken.

1Storfürsten is een Zweedsch woord en beteekent grootvorst. “Stor” is ons “stoer”; de o wordt als oe uitgesproken.

2Baccalaureat is het eindexamen van het gymnasium.

2Baccalaureat is het eindexamen van het gymnasium.

3Kort geleden verzocht ik, dat men mij uit Helsingfors eene photographie van Sveåborg te sturen, maar ik kreeg ten antwoord dat er geen van het fort bestaat.

3Kort geleden verzocht ik, dat men mij uit Helsingfors eene photographie van Sveåborg te sturen, maar ik kreeg ten antwoord dat er geen van het fort bestaat.

4Schumann was de moordenaar van Bobrikof.

4Schumann was de moordenaar van Bobrikof.

5In Finland wordt het eten op zweedsche manier bereid.

5In Finland wordt het eten op zweedsche manier bereid.

6Smörgos is een zeer uitgebreid hors d’oeuvre.

6Smörgos is een zeer uitgebreid hors d’oeuvre.

7Knäckebröd is hard, bruin brood van ongerezen meel gemaakt, en het best te vergelijken met het joden-paaschbrood.

7Knäckebröd is hard, bruin brood van ongerezen meel gemaakt, en het best te vergelijken met het joden-paaschbrood.

Toen een plechtige deputatie verleden jaar naar Noorwegen kwam, om aan den kleinzoon van den onlangs overleden koning Christiaan IX de koningskroon van Noorwegen aan te bieden, die door Karel, tweeden zoon van den kroonprins gracelijk werd aanvaard, toen moet bij velen de herinnering zijn gewekt aan een dergelijk voorval, dat van groote beteekenis is gebleken.

Twee-en-veertig jaar vroeger toch werd een grieksche deputatie door den deenschen koning Frederik VII op 25 April 1863 ontvangen, een gezantschap, dat naar de stad aan de Sont was gesneld om den toenmaligen kroonprins Wilhelm van Denemarken de grieksche koningskroon aan te bieden.

Binnenhof van een Grieksch huis.Binnenhof van een Grieksch huis.

Binnenhof van een Grieksch huis.

Binnenhof van een Grieksch huis.

Maar veel, veel grooter moeilijkheden wachtten den toenmaals achttienjarigen Wilhelm, die als koning den naam van George I aannam, dan Karel, die zich den koningsnaam Haakon VII zag verleend, in Noorwegen vond. Hij toch, George, kwam in een land, welks taal en zeden hem onbekend waren, heerscher zou hij zijn over een volk, waarop de spreuk van den oud-egyptischen priester nog altijd van toepassing is: “Gij, Hellenen, blijft eeuwig kinderen, jong en onervaren zijt ge, en ge hebt geen kennis of ervaring in den loop der jaren opgedaan”.

Alle schrikbeelden der meest woeste anarchie hadden na de onttroning van koning Otto den rustigen en kalmen gang van zaken verstoord. Daarbij kwam een vernielend, op de spits gedreven woeden der partijen, dat zich in alle hoeken van het land openbaarde en onuitroeibaar scheen. En het grieksche volk bevond zich toentertijd nog op een betrekkelijk lagen trap van beschaving.

Er waren immers pas dertig jaren verloopen, sedert de beiersche majoor Von Predl van het eerste in een moskee te Nauplia gegeven hofbal de volgende schildering had ontworpen: “Een mislukte fanfare begroette het verschijnen van den door jongelingen in schitterend witte gewaden omstuwden koning. Toen de aanwezige heeren uitgenoodigd werden, de toen zelfs in de kerk altijd op het hoofd gehouden fez af te zetten, gaven de meesten er de voorkeur aan, zich met booze gezichten te verwijderen. De dames zaten in een dichte groep bij elkaâr, ineengedoken op de stoelen, met de knieën tot de kin opgetrokken. Zij steunden op de handen een hoofd met een ongehoorde massa zwart haar, dat niet sierlijk was om aan te zien, en stopten zich den mond voortdurend vol zoetigheden”.

Niettegenstaande dien weinig gekuischten vorm van optreden, waaraan het volk gewend was, wist de jonge koning der Hellenen het met hen te vinden, werkte zich meer en meer in zijn moeilijke plichten in en maakte zich vertrouwd met de meest gecompliceerde verhoudingen, zoodat het schip van staat gelukkig voorbij een aantal met vernieling dreigende klippen werd gevoerd.

Dat er inderdaad veel van die klippen waren, blijkt uit een terugblik op de voornaamste gebeurtenissen van de grieksche geschiedenis in de afgeloopen vier tientallen van jaren.

Op de in Mei 1864 voltrokken vereeniging vande Jonische eilanden met het moederland volgde twee jaren later de opstand op Kreta, die Griekenland voor de ergste verwikkelingen stelde. Eerst in 1881 zag de koning, die de nationale wenschen steeds met liefde en juist begrip kon navoelen en er zooveel mogelijk aan tegemoet kwam, de op de aanhechting van Thessalië en Epirus aan Griekenland gerichte hoop van zijn volk in zoo ver verwezenlijkt, dat Griekenland een vergrooting van grondgebied erlangde van 13369 KM2met 300.000 inwoners.

Maar het jaar 1886 bracht de blokkade der grieksche havens door de vlooten der groote mogendheden. Het jaar 1893 moet met zijn staatsbankroet dan verder als een zeer noodlottig jaar worden aangewezen en het jaar 1897 leidde tot de oorlogstoestanden, die begonnen met de bezetting van Kreta door grieksche troepen. De gebeurtenissen voerden, zooals nog allen versch in het geheugen ligt, tot de benoeming van prins George tot hoogen commissaris der mogendheden op Kreta en tot instelling der internationale financiëele contrôle ter bescherming van de bezitters van grieksche staatspapieren.

Bazar te Athene.Bazar te Athene.

Bazar te Athene.

Bazar te Athene.

Men kan van den koning der Hellenen niet anders getuigen, dan dat hij gedurende zijn aan zooveel gebeurtenissen rijk bestuur veel overleg en veel diplomatiek talent heeft aan den dag gelegd. De zaak van het hellenisme heeft echter het allermeest geprofiteerd door zijn jaarlijks gehouden groote reizen naar de europeesche hoven, die hem in persoonlijke aanraking brachten met de leidende ministers, en die door bloedverwantschap met zooveel vorstelijke personen een beslist vriendschappelijk karakter hadden.

Er is wel eens wat gebeurd, wat niet had moeten geschieden, maar dat was het gevolg van het gebrekkige inzicht, dat het altijd nog oppermachtige partijbelang achterstaan moest bij de zaak van het algemeen belang.

De grootsche ontwikkeling, die het land op de meest uiteenloopende gebieden heeft verkregen, is voor een zeer groot deel verdienste van den koning. Zoo heeft hij, met onbuigbare wilskracht, onafgebroken gewerkt voor de verheffing van den verwaarloosden landbouw, van het schoolwezen, de kunstbeoefening en de wetenschap. Voor dien verrassenden vooruitgang van het land pleit ook de omstandigheid, dat, terwijl de eerste in Griekenland aanwezige straatweg tusschen Athene en den Piraeus in de jaren tusschen 1830 en 1840 van de vorige eeuw door beiersche soldaten was aangelegd, tegenwoordig de voornaamste plaatsen van eenige beteekenis in Griekenland door een flink spoorwegnet aan elkaâr zijn verbonden. De lijn, door de fransche Batignolle-maatschappij in aanleg genomen tusschen Athene en Larissa nadert mede haar voltooiing.

Koning George behoort ongetwijfeld tot de vlijtige vorsten van Europa. Nadat hij tot laat in den nacht aan zijn schrijftafel heeft gezeten, staat hij ’s winters en ’s zomers den volgenden morgen om zeven uur op. Bij audiënties legt hij een groote levendigheid aan den dag en is in het uitspreken van zijn oordeel bijzonder openhartig, terwijl zijn meening altijd doordringt tot de kern der zaak. Zijne tot in de kleinste kleinigheden voldoende kennis van zaken is verwonderlijk. Dikwijls glijdt in den loop van het gesprek een hem eigen ironisch, maar toegefelijk lachje over zijn gezicht.

Bij plezierritten op zijn mooien, zilverkleurigen schimmel beantwoordt hij de groeten ook van de eenvoudigste menschen met aantrekkelijke vriendelijkheid. Een aanslag op zijn leven heeft niet ontbroken onder zijn ervaringen, en van grooten persoonlijken moed getuigde toen zijn mannelijk optreden, toen hij in het rijtuig zijn dochter met zijn eigen lichaam tegen de kogels trachtte te beschermen.

Er was een eigenaardig piëteitsgevoel in de gewoonte van den koning, om op den verjaardag van wijlen zijn vader, koning Christiaan IX van Denemarken alle in Athene wonende Denen op een maaltijd ten paleize uit te noodigen.

Sedert het jaar 1867 is koning George getrouwd met de russische grootvorstin Olga, die zeer godsdienstig is en opgaat in de talrijke, door haar in het leven geroepen en steeds met ruime hand onderhouden instellingen van weldadigheid. De troonopvolger Constantijn, die een voortreffelijk duitsche opvoeding heeft genoten van den tegenwoordigen consul-generaal Dr. Lüders, wijdt zich met geheel zijn ziel aan zijn groote en moeilijke taak, de reorganisatie van het leger naar duitsch model.

Zijn voortreffelijk karakter, zijn ridderlijk wezen en zijn vriendelijke aard hebben hem in de harten van het grieksche volk een groote plaats doen innemen. Ook de kroonprinses, de zuster van den duitschen keizer, is buitengewoon populair. Het kroonprinselijk paar woont met de vier kinderen, van wie de oudste prins in aard veel op den duitschen keizer moet gelijken, in zijn marmeren slot, gelegen aan den Slissos. De tweede zoon van den koning, prins George, is regeeringscommissaris op Kreta en heeft nog niet zijn vurig verlangen tot vereenigingvan Kreta met Griekenland vervuld mogen zien.

De met grootvorstin Helene van Rusland getrouwde prins Nicolaas schrijft als overste veel over de krijgskunde, zijn vak bij uitnemendheid. Hij is overste bij een artillerieregement en heeft veel geschriften van duitsche militaire schrijvers in het Nieuw-Grieksch vertaald.

Overblijfselen van zuilen op de Agora (markt) te Athene.Overblijfselen van zuilen op deAgora(markt) te Athene.

Overblijfselen van zuilen op de Agora (markt) te Athene.

Overblijfselen van zuilen op deAgora(markt) te Athene.

Prins Andreas, de vierde zoon, is met prinses Alice van Battenberg getrouwd, en prins Christophorus is pas negentien. Van de beide dochters van het koninklijke paar is de met grootvorst Constantijn getrouwde prinses Alexandra vroeg gestorven, terwijl prinses Marie met grootvorst George getrouwd is.

In het begin van het jaar spreidt het hof in Griekenland veel pracht en staatsie ten toon. In het koninklijk paleis hebben dan hofbals plaats, die met grooten luister zijn omgeven. Ook de viering van den Nieuwjaarsdag heeft met bij zonder veel glans plaats, en de gezamenlijke koninklijke familie hoort dan in de metropolitaankerk de mis. Er is daarbij altijd een eigenaardige gehechtheid aan de traditie als er een wijding plaats heeft in de open lucht, en de geestelijkheid zich vertoont in van goud schitterende gewaden.

Citroenenkoopman in Athene.Citroenenkoopman in Athene.

Citroenenkoopman in Athene.

Citroenenkoopman in Athene.

Om een goede voorstelling te krijgen van Athene’s wondersnelle ontwikkeling onder koning George, moet men zich herinneren, dat de oude Muzenstad Athene nog in de eerste jaren der vorige eeuw niet veel meer was dan een puinhoop, waarop hier en daar een cypres en een palm verrezen, een aanblik die een droevigen indruk maakte.

De huizenzee, die zich daar nu verheft, schittert in de zon, en de stad met meer dan 130.000 inwoners kijkt uit over hoogten en laagten met den Piraeus als bloeiende havenstad van 50.000 inwoners.

Het somberste gedeelte van deze stad vol marmeren gebouwen van oogverblindende pracht is de psyri, waar de vrouwen den heelen dag op de velden eetbare kruiden zoeken tot voedsel voor haar gezinnen, waar de knapen voor een vergoeding in eens van 300 tot 500 drachmen, het latere uitzet hunner zusters, in dienst treden bij een ondernemer, terwijlde mannen dikwijls onder het mes van een zoogenaamden vriend in de eene of andere spelonk den dood vinden. In dat donkere Athene blijven der politie nog veel geheimen ononthuld. In die psyri woont ook het meerendeel der ongeveer 300 zielen tellende joodsche gemeente van Athene, in wier synagoge de godsdienst in het Hebreeuwsch wordt gehouden, terwijl de joden thuis en bij hun handel Spaansch spreken.

Van de Atheensche bouwresten, die aan de donkerste periode in Griekenlands geschiedenis herinneren, toen de vlag van den profeet gebiedend over de onderworpen stad waaide, is de laatste moskee het interessantst.

Politieagenten met een arrestant.Politieagenten met een arrestant.

Politieagenten met een arrestant.

Politieagenten met een arrestant.

Voor dat gebouw gebruikte in het jaar 1750 de toenmalige woiwode van Athene een der korintische reuzenzuilen van het Olympieion, den geweldigen, door Hadrianus opgerichten tempel. Volgens een veelzeggende overlevering klaagden de overige zuilen ’s nachts zoo lang om de geroofde zuster, tot de woiwode, die gewaagd had, haar aan te raken en mee te voeren, voor de losgebarsten volkswoede moest vluchten. Verder zijn er overblijfselen te vinden van het paleis van den woiwode, dat zich binnen de muren van het gymnasium of renperk van Hadrianus breed en forsch verhief, en een turksch bedehuis heeft zijn metamorphose moeten beleven in een katholieke kerk, die ligt aan de ontgraven ruïnen der romeinsche markt.

De stad en de Attische vlakte worden, om zoo te zeggen, door de Acropolis beheerscht en geadeld, door dien burcht, waar de adem van grootsche herinneringen en verheven zwaarmoedigheid overheen zweeft, en waar de schoonheid op haar snellen, vluchtigen gang door de tijden en de volken zich voor een poos neergelaten heeft.

Het meest onweerstaanbaar openbaart zich de bekoring van den Acropolis, als de vlammende verlichting van een griekschen zonsondergang zee en hemel met een tooverachtig kleurenspel gloeiend overdekt, terwijl de stad met haar kerken en torens in dien magischen gloed van de dalende zon ligt, en over de attische vlakte en de bergen de bontste kleuren sidderen, of als het droomerig zilveren licht der maan over de uitgebreide, witte ruïnenwereld wordt uitgegoten en haar hallen vervult met den wonderbaarlijksten glans. Als geen geluid de heilige stilte verbreekt dan de klacht van den nachtwind, die nu en dan met kleine huiveringen over de gevels van ’t verwoeste huis van Pallas Athene strijkt.

Als doel van pelgrimstochten voor archaeologen uit alle deelen der wereld werd deze verheven rots reeds dikwijls uitgekozen, maar in de lente van het vorige jaar was zij dat voor allen samen, toen in het Parthenon de eerste internationale archaeologenbijeenkomst plaats had, een congres dat vooral aan de warme belangstelling van den koning zijn ontstaan te danken had.

Het grieksche volk weet, wat het zijn koning heeft te danken; het waardeert in hooge mate diens verdiensten voor de zaak van het Hellenisme en daarom is het niet te verwonderen, dat het hem liefde en vereering toedraagt.

Naar het Fransch vanTh. Hebbelynck.

Het stadje Pétrozény.Het stadje Pétrozény.

Het stadje Pétrozény.

Het stadje Pétrozény.

Van Boeda-Pest naar Pétrozény.—Een stukje geschiedenis.—Het dal van de Jiul.—De Bojaren en de Zigeuners.—De markt van Targa Jiu.—Het klooster Tismana.

Van Boeda-Pest naar Pétrozény.—Een stukje geschiedenis.—Het dal van de Jiul.—De Bojaren en de Zigeuners.—De markt van Targa Jiu.—Het klooster Tismana.

“Zijn de heeren ingenieurs?”

“Pardon, mevrouw.”

“Inspecteurs van het boschwezen?”

“Ook dat niet; wij zijn gewone reizigers.”

“Toeristen? Hier in Roemenië, en zonder dat er eenig voordeel van te halen is?”

“Geen ander dan de voldoening, interessante zeden en gebruiken waar te nemen, een mooi land te bewonderen en er aangename herinneringen uit mee te nemen.”

Zoo ongeveer werden wij op een dag ondervraagd door een deftige dame, vrouw van een roemeensch generaal, die op een bekoorlijk plaatsje midden in het bergland van Walachije en villégiature was. Uit het gesprek blijkt wel, dat de toeristen tot nu toe Roemenië nog onbezocht hebben gelaten, en dat noch de Alpenclub, noch de agentschappen van Cook beslag hebben gelegd op de mooie bosschen van de Karpathen en de schilderachtige dalen, die van daar naar de Donau loopen.

Wij deden onze reis in de maand Augustus 1901. Eerst hebben wij het nog primitieve gedeelte van Roemenië doorreisd, dat tot in deze laatste jaren bijna precies gelijk gebleven is, als het twintig eeuwen geleden was en dat te vinden is in de bergstreken van Walachije. Vervolgens hebben wij een bezoek gebracht aan het moderne Roemenië, dat een industrieel land is, tegelijk met het nieuwe régime ontstaan en waarvan Boekarest de ziel is en het middelpunt.

De kunst heeft in Roemenië door de eeuwen heen slechts zeer zwakke sporen achtergelaten. Alle oude herinneringen, die men zou verwachten in een door de Romeinen gekolonizeerd land, zijn vernietigd geworden door den stroom van barbaren, die telkens over deze provinciën werd uitgegoten in de volgende twaalf eeuwen en die alles heeft weggevaagd en meegenomen. Alleen een paar kloosters, die in de Middeleeuwen onder de vorsten of woiwoden gebouwd werden en waarvan dat van Curte de Arges het beroemdste is, trekken tegenwoordig nog de aandacht. Maar de groote aantrekkelijkheid voor denreiziger is gelegen in het landschap, dat dikwijls grootsch en altijd poëtisch is, verder in de originaliteit der kleederdrachten en in de zeden der bewoners.

Wij vertrekken van Boeda-Pesth naar ons doel. Die stad, de heerlijke hoofstad van Hongarije, neemt sedert 1896 een plaats in onder de schoonste steden van Europa. Er werd in dat jaar door een schitterende tentoonstelling en door de inwijding van veel monumentale gebouwen o.a. het Parlementsgebouw feest gevierd ter eere van het duizendjarig bestaan van Hongarije. Het was tien eeuwen geleden, dat de Magyaren onder Arpad het land vermeesterden.

Bij het verlaten van Boeda-Pesth voert de trein ons door de vruchtbare vlakten van Hongarije, tusschen velden van blonde maïs, die eindeloos ver zich uitstrekken. Reusachtige bergen van koren zijn om de boerenhoeven gegroepeerd, waar dorschmachines aan het werk zijn, en waar men groote scharen arbeiders en arbeidsters, in ’t wit gekleed, bezig kan zien. Verderop zagen wij tallooze kudden ossen met groote, wijd uitstaande horens; daarna varkens met lang krullend, zijdeachtig haar, die er onder zulk een vacht allerkoddigst uitzagen en die men, in de verte gezien, voor schapen zou houden.

In die hongaarsche vlakten kregen wij in de buurt van Arad voor de eerste maal tamme buffels onder de oogen. Terwijl de ossen in melancholieke stemming in de wei liepen, waren de buffels met welbehagen bezig, een bad te nemen in het lauwe water der rivier. Die dieren worden op hoogen prijs gesteld in Hongarije en Roemenië. Hun melk is uitstekend; ze zijn gehard tegen vermoeienis, kunnen even goed als ossen worden gespannen voor de karren en wagens der boeren, maar zijn uiterst gevoelig, zoowel voor warmte als voor koude, hebben in den zomer zeer veel noodig en moeten in den winter in speciaal voor hen bestemde stallen een onderkomen vinden. In Transsylvanië en in Roemenië, waar de winters streng zijn, stalt men ze dan ook onder de boerenhuizen in goed beschutte kelders.

Dit gedeelte van Hongarije, het gebied der poeszta’s, is zeer dun bevolkt; maar de grond is er wel vruchtbaar en wordt goed bebouwd. De boerenhoeven zijn niet talrijk, maar er behooren uitgestrektheden land bij. Men doet er aan den grooten landbouw in elken zin des woords.

Maar daar zijn we bij de grenzen van de vlakte: we naderen de wouden van Transsylvanië. Te Piski, waar wij onze eerste indrukken krijgen van de woeste bergbewoners, die wij eenige dagen lang van dichtbij zullen kunnen waarnemen, verlaten wij den grooten weg, om in het echte bergland door te dringen en dat deel der zuidelijke Karpathen te bestijgen, dat in zijn geheele lengte slechts één enkelen natuurlijken doorgang biedt, namelijk de IJzeren Poort. Hoe hooger men komt, des te armoediger zien de boerenhuizen eruit. Het zijn allen huizen van leem, gedekt met wat riet of droge maïsstengels, en gegroepeerd om sjofele kerken, geheel van hout opgetrokken. Weldra verdwijnt ieder spoor van menschelijke woningen, en de weg neemt een echt grootsch karakter aan. Het leek wel een chaos, waar wij doorheen moesten.

De eene tunnel volgde op den anderen, en tegen de hellingen der rotsen waren met groote koenheid wegen in de bergen uitgehouwen. Het is avond geworden, als wij stil houden op enkele schreden afstands van de roemeensche grens in een gebied, waar steenkolen gevonden worden, en waar zich rotsen van 2500 M. verheffen. Wij zijn te Pétrozény. De stad ligt op eenigen afstand van het station. Slechts twee of drie fiacres, die dadelijk bezet zijn, staan er ter beschikking van de reizigers, en als een onbekende niet de buitengewone beleefdheid had gehad, om zeer gracieus zijn rijtuig aan te bieden, zouden wij den weg te voet hebben moeten gaan.

Twintig minuten, in vluggen draf door onze paarden afgelegd, en daar zijn we op het groote plein tegenover het voornaamste hôtel van de plaats, waar een vroolijk concert wordt gegeven ten genoegen van de élite der inwoners.

Tegen twee uur in den morgen worden wij met schrik wakker door geroep en kreten van wanhoop. Een reuzenvlam stijgt boven het groote plein omhoog. Een zigeunertent, tegen het hotel aangebouwd, is aan het branden.

Reeds wordt de achtertrap van het hôtel bedreigd, en het personeel stapelt, zonder er aan te denken, dat de reizigers gewekt moeten worden, de corridors vol met kasten, matrassen en tapijten. Met groote moeite banen wij ons een weg er doorheen, om het binnenplein te bereiken, waar wij veilig zijn voor de hitte van het vuur.

De bevolking van Pétrozény is voor een groot deel roemeensch. Maar daar het een industriëele stad is, zijn een menigte vreemde elementen zich onder de oorspronkelijke bevolking komen mengen. Daarom ziet men er naast de frissche en sierlijke roemeensche kleederdrachten een menigte menschen, wier kleeding van geen bepaalde nationaliteit is.

Het stadje is in ’t minst niet origineel. Huizen van steen en andere, van leem opgetrokken, wisselen met houten huizen af, en uit elken gevel steken palen naar buiten, waaraan allerlei zaken heen en weer schommelen, hier een uithangbord, daar schapenhuiden, braadpannen, worsten, zelfs hemden. Het is een echte étalagewedstrijd.

Pétrozény heeft een onzindelijk voorkomen. De bewoners hebben geen andere coquetterie dan die van hun gesteven wit linnen. Bij de mannen zijn broek en overhemd van verblindende witheid, en de vrouwen dragen onberispelijke jakjes en sluiers. Alleen de Zigeuner veroorlooft zich linnen van twijfelachtige tint, en ik acht het niet onmogelijk, dat hij zijn onderkleêren pas aflegt als zij het afleggen, dat is, als ze in lompen uiteenvallen. Het inwendige der woningen ontbeert alle gerief. Deze menschen kennen zoo weinig behoeften, dat zij volstrekt geen begrip hebben van de rechtmatige eischen der weinige vreemdelingen, die onder hen verzeild raken.

Het marktplein vertoont een zeer eigenaardige soort van drukte. Men krijgt den indruk van op een groote boerderij te zijn. De ganzen en de varkens hebben er burgerschapsrechten; de laatste zijn er inallerlei verscheidenheden. Er zijn witte, zwarte en rossige in allerlei nuances en allerlei grootte, naarmate zij tot het moldavische of servische ras behooren, of moerasvarkens zijn, zooals men zooveel aantreft in de buurt van de Donau. Die belangwekkende dieren leven in vrijheid en zoeken eikels in de naburige eikenbosschen, waarmee de naburige hoogten bedekt zijn.

Volgens de statistische opgaven van het Ministerie van Financiën bestond de bevolking van Roemenië in 1894 uit vier millioen inwoners. Maar de berekeningen van den heer Stoerdza, die, naar men zegt, nauwkeuriger zijn, komen voor dienzelfden tijd tot 6100000 inwoners.

De geschiedenis van het roemeensche volk is die van een ongelukkige natie, die door onderdrukking, oorlogen en lijfeigenschap alle initiatief heeft verloren, een volk, welks verstand en wilskracht afgestompt zijn onder de eeuwenlange heerschappij der Turken.

Het tegenwoordige Roemenië, dat is Walachije, Moldavië en Dobroedsja, neemt de plaats in van het oude Dacië, dat door Trajanus op het eind der eerste eeuw van de christelijke jaartelling veroverd werd. Daar het land zeer dun bevolkt was ten gevolge van de vele oorlogen, bracht Trajanus er romeinsche kolonisten heen, die zich vermengden met de oorspronkelijke bevolking en het nog tegenwoordig bestaande ras der Daco-Romeinen of der Roemenen deden ontstaan. Later trekken Gothen, Hunnen, Bulgaren, Hongaren, Tartaren beurtelings door het oude Dacië, dat zij verwoesten en plunderen, en terwijl veel van die Daco-Romeinen over de Karpathen gaan en in Transsylvanië een schuilplaats vinden, stemt de andere helft van de jonge natie er na een wanhopigen strijd in toe, het terrein, dat zij den anderen niet weer kan afhandig maken, voortaan met hen te deelen.

In de 13deeeuw overvallen de Tartaren Hongarije en Transsylvanië. Vluchtend voor hun barbaarsche horden, besluiten de Daco-Romeinen, die in Transsylvanië een toevlucht hadden gezocht, tot een nieuwen uittocht. Zij trekken opnieuw de Karpathen over en keeren naar hun vroeger vaderland terug. Radu-Negru, dat is Rudolf de Zwarte, hoofd der kolonne van Togaras, vestigt zich te Kampolung en wordt de eerste woiwode van Walachije, terwijl een ander hoofd, Bogdan geheeten, zich laat uitroepen tot woiwode van Moldavië. Zoo ontstonden de beide onafhankelijke romaansche of roemeensche vorstendommen, maar de onafhankelijkheid was niet van langen duur.

In 1393 wordt Walachije en in 1511 Moldavië een vazalstaat van de Turken. In den aanvang worden die provincies geregeerd door inlandsche hoofden onder de suzereiniteit van de sultans in Byzantium; maar in de 18deeeuw zonden dezen er vreemde vorsten heen, gekozen uit de machtige grieksche financiers van Konstantinopel. Dat is de tijd der Fanarioten van 1716 tot 1822. Zij heeten naar Fanar, een wijk van het oude Konstantinopel, waar na de verovering door de Turken de Grieken bleven wonen. Bij hun troonsbestijging moesten de fanariotische vorsten buiten de gewone jaarlijksche schatting nog een belangrijke som aan de Porte opbrengen. Van toen af ging de bevolking gebukt onder zware lasten, en terwijl zij in naam haar vrijheid behield, werd zij op onmenschelijke wijze uitgezogen.

In 1820 echter werd de Roemeniër het juk moede; hij ontwaakte uit zijn dofheid en stond op tegen den sultan, eischend met een geestkracht, waartoe men hem niet in staat zou hebben geacht, zijn eigen inlandsch bestuur terug te erlangen, hetgeen geschiedde. Die vorsten wisten het nationaal gevoel te doen herleven, en na den Krimoorlog verwierven zij voor de roemeensche provinciën een betrekkelijke onafhankelijkheid, gewaarborgd door de mogendheden, die het verdrag van Parijs in 1856 hadden geteekend.

De vereeniging der provinciën werd in 1861 afgekondigd, en kolonel Couza werd tot vorst gekozen onder den naam Alexander-Jan I. Samen met zijn ministers kondigde hij tegelijkertijd de secularisatie van de kloosters af, die een vierde deel van al het grondgebied bezaten, en de afschaffing der slavernij van de boeren. Maar in 1866 werd hij gedwongen, afstand te doen van den troon, en de Kamers riepen, nadat zij tevergeefs een beroep hadden gedaan op Zijne Hoogheid den graaf van Vlaanderen, prins Karel van Hohenzollern tot vorst van Roemenië uit.

Bij zijn troonbestijging moest alles van voren af aan worden opgebouwd. De steden leverden een schouwspel van volslagen armoede op. Overal heerschten omkooping en diefstal. De vorst hield zich dan ook van het begin af bezig met de reorganisatie van de verschillende takken van staatsdienst, en in 1877, tijdens den turksch-russischen oorlog, was Roemenië reeds met groote schreden vooruitgegaan en kon een machtige steun zijn voor Rusland.

Het werd maar kaaltjes beloond voor zijn edelmoedige hulp. Men gaf Dobroedsja met de haven Constanza; maar in ruil moest Roemenië dat deel van Bessarabië afstaan, dat in 1856 verkregen was, en waar Rusland al sinds langen tijd een begeerig oog op hield gevestigd. Het is waar, dat tevens de volledige onafhankelijkheid van Roemenië door de verschillende europeesche staten werd erkend, en in 1881 verkreeg vorst Karel van Hohenzollern den titel van koning van Roemenië.

In dit geschiedverhaal wordt de uittocht van Fogaras door verschillende schrijvers tegengesproken. Zij houden vol, dat Radu-Negru slechts een legendarische persoonlijkheid is. Volgens hen zouden Tugomer Bassarab, die een dynastie in Walachije stichtte en zijn zoon Alexander Bassarab, die het volk van herders in een zelfbewuste, onafhankelijke natie herschiep, de grondleggers van den staat zijn.

Wij betreden Walachije langs den nieuwen weg, die door de Karpathen leidt en te Targu Jiul uitkomt. Daarna, als wij ons successievelijk hebben opgehouden in de kloosters van Tismana, Horezu, Curtea de Arges en Kampolung, begeven we ons naar Boekarest, de hoofdstad van Roemenië, van waar we een bezoek zullen brengen aan het petroleumgebied van Doftana en aan de mijnen van steenzout van Slanic. Wij zullen den tocht besluiten metSinaïa, de poëtische residentie van Roemenië’s souvereinen.

Tegenwoordig reist men in Roemenië nog per victoria, met twee, drie of vier paarden bespannen. Onder de kap is een ruime bergplaats voor alles, wat men kan noodig hebben onderweg, en er hangt een emmer aan, om den paarden te drinken te geven, want al die dingen kan men onderweg niet krijgen. De zak met maïs, waaruit de paarden gevoerd worden, die maïs in plaats van haver krijgen, bevindt zich naast den koetsier. De laatste neemt ook rijkelijk voorraad mee en is dan eindelijk wel zoo goed, uwe bagage op te laden.


Back to IndexNext