Doch wat Nederland in Brugge verloor, vond het in Antwerpen met winst terug. Deze haven was spoedig na de opneming van Brabant in het middeleeuwsche wereldverkeer8)van eenige beteekenis geworden: zij was vooreerst de locale uitvoerhaven van een eigen Brabantsch achterland, maar trok ook alras een gedeelte van den handelsstroom tot zich, die zich overland van Keulen naar Brugge richtte. De tyrannie, die Dordrecht met zijn stapel- en Maasrecht op de Hollandsche rivieren oefende, belette het wereldverkeer op den natuurlijken uitweg van Duitschland naar zee zich recht te ontwikkelen: de functiën van het oude Dorestat waren door het middeleeuwsche Holland slechts voor een klein deel overgenomen. Zoo lag dus Antwerpen buitengemeen gunstig voor het Duitsche verkeer. De Duitsche kolonie was er van den aanvang af zeer aanzienlijk. Na een tijdelijk verval onder de heerschappij van Lodewijk van Male, die Antwerpen opofferde aan Brugge, bloeide de stad onder de Bourgondiërs weder zeer snel op. Tegelijkertijd had in de gesteldheid der Zeeuwsche vaarwaters een verandering plaats, welke de Westerschelde tot dien uitnemenden weg naar zee maakte, die zij tot heden is gebleven9). En Antwerpen wist, door moderne inrichtingen, den handel te lokken, terwijl Brugge, waar het gansche bedrijf van privilegiën aan elkander hing, dien afstootte. Dáár moest alle koop en verkoop geschieden door tusschenkomst van Brugsche makelaars; Antwerpen daarentegen huldigt de vrijheid. Het makelaarsbedrijf is geheel vrij, het burgerrecht wordtmet groot gemak verkregen, de vreemdelingen zijn niet onderworpen aan allerlei dwingende en ondoeltreffende bepalingen, de waren behoeven niet in een bepaalde hal te worden opgeslagen. Te Antwerpen wordt, in 1460, de eerste koopmansbeurs geopend. Eindelijk komen alle vreemdelingen van Brugge naar haar over. De stad groeit aan van 3440 haardsteden in 1435, tot 6801 in 1494 en 8785 in 1526. Haar bloei verzekert aan Oost-Vlaanderen, dat door de Schelde gemeenschap met haar heeft, nog altijd zeker aandeel aan het wereldverkeer: het Vlaamsche linnen enhetkoren van Vlaanderen, Artois en Henegouwen nemen hun weg naar Gent en vandaar op Antwerpen. West-Vlaanderen daarentegen wordt een achterhoek.
Met Brussel en Antwerpen, de vorstelijke residentie en de handelsmetropool, is Brabant het hart van den wordenden staat. Door Antwerpen bepaaldelijk staat het Zuiden ook met het Noorden in verkeer, met de nieuwe wereld die voorbestemd was in het leven der gezamenlijke Nederlanden zulk een belangrijke en geheel eigenaardige rol te vervullen.
Het Noorden vormde in dezen tijd nog minder een eenheid dan het Zuiden. Eigenlijk waren er drie verschillende werelden in op te merken: een Hollandsche, een Geldersche, en een Friesch-Groningsche, in het verre Noordoosten. Verreweg de belangrijkste was de Hollandsche wereld, maar dit was niet altijd zoo geweest.
De Karolingische beschaving had hier haar zetel gehad meer landwaarts in, niet in de onherbergzame moerassen aan de zeekust. Te Utrecht, ongeveer in het midden der noordelijke Nederlanden, en in de onmiddellijke nabijheid van de grootste handelsplaats, werd de bisschopszetel gevestigd, en na de Noreninvallen op zijn ruïnen hersteld. Omstreeks het jaar 1000 was Utrecht, op bescheidenerschaal, een brandpunt van beschaving als Luik. En haar diocees was de eenige die zuiver Dietsch was; bij gunstige omstandigheden had de stad een groot middelpunt voor het gansche Noorden kunnen blijven. Doch zij had zeer te lijden gehad van de nederlaag der Duitsch-koninklijke politiek, wier agent de bisschop van Utrecht in dit afgelegenst deel van het afgelegen Neder-Lotharingen was geweest. Het bisdom Utrecht als groote wereldlijke macht kon zich evenmin staande houden als die andere kunstmatige schepping: het hertogdom Neder-Lotharingen zelf. De feodaliteit won den strijd aan alle kanten. De bisschop verloor het gezag over den benedenloop der groote rivieren; hij werd een binnenlandsch potentaat, wiens landen niet eenmaal aan één stuk lagen. Van de territoriale machten in opkomst die Utrecht omringden, wist gaandeweg Holland, dat daartoe het gunstigst lag, zich den overwegenden invloed in het bisdom te verwerven. Althans in zijn voornaamste stuk, het Nedersticht. Het land over den IJsel werd een nagenoeg aan zichzelf overgelaten uithoek, waar kleine economische machten zich aanmerkelijke staatkundige zelfstandigheid wisten te verwerven, als de drie IJselsteden en vooral de stad Groningen. Het platteland bleef in die streken in ontwikkeling zeer ten achter. In Friesland eindelijk had de bisschoppelijke autoriteit weinig meer dan in naam bestaan. Dit gewest, waar zich noch een landsheerlijke macht, noch eenpolitiekmachtige stad ontwikkelde, vormde in het middeleeuwsche Noord-Nederland een wereld op zichzelf, ingeschrompeld overblijfsel van het vermaarde Friesland uit den Karolingischen tijd, dat in zijn werkelijke beteekenis veeleer in Holland, dan in het gewest Friesland der latere middeleeuwen voortleeft.
De Friesche volksstam, oudtijds niet verder dan tot den Rijnmond wonend, had zich, naarmate de SalischeFranken zuidwaarts drongen, over de landen langs de zeekust sterk uitgebreid, tot aan het Zwin en zelfs nog daarover. De naam „Fresia” duidde in den vroeg-middeleeuwschen tijd een gebied aan van het Zwin tot de Wezer. Willebrord arbeidt zoowel op Walcheren als te Vlaardingen of Heiloo „onder de Friezen”: Utrecht ligt „op de grens der Friezen”. Zij zijn het zeevarende volk van den Karolingischen tijd. In en bezuiden Kennemerland hebben zij voorzeker de kuststreek niet geheel verlaten gevonden, maar er zich met een achtergebleven Frankische bevolking vermengd: de taal van Holland is Frisofrankisch. Geheel Holland als geschiedkundig verschijnsel is alleen uit deze menging te verklaren. Holland is een door zuidelijken invloed getemperd en beschaafd Friesland. In taal en ingevoerde instellingen overweegt het Frankisch karakter, maar de Hollandsche mentaliteit is grootendeels Friesch. Aan Hollanders en Friezen is gemeen de trek naar de zee, die bij de Salische Vlamingen nagenoeg geheel ontbreekt;—Hollanders en Friezen zijn gelijkelijk toegankelijk gebleken voor het Calvinisme, dat onder de Frankische Nederlanders nergens goed wortel heeft kunnen schieten.
Het Hollandsche gravenhuis komt uit Kennemerland, op de grens der zuivere en der gemengde Friezen. Van groote historische beteekenis nu is het feit, dat het aan dit huis, dat eenerzijds met zijn aanspraken weldra tot in hedendaagsch Friesland zou reiken, gelukt is zich tevens aan de Merwede en in Zeeland vast te zetten. Holland werd meester van de groote rivieren, en tevens van de brug naar Vlaanderen; over Zeeland bewester Schelde oefende het zelfs geruimen tijd met Vlaanderen condominium uit, zoodat de aanraking met dit meest beschaafde van alle Nederlanden een zeer levendige was. Het kan niet verwonderen dat een zoo gelegen en onder zulkeinvloeden zich ontwikkelende macht de beteekenis van Utrecht weldra geheel overtrof. Holland en Utrecht behooren, in de kern hunner historische verschijning, tot twee verschillende tijdperken: Utrecht tot dat van het overwicht van het Lotharingische, Holland tot dat van het overwicht van het Vlaamsche deel der Nederlanden. Utrechts beteekenis hangt samen met den Duitschen invloed in de vroege middeleeuwen; Holland daarentegen is het gewest dat, door bemiddeling van Vlaanderen, in de latere middeleeuwen Fransche beschavingselementen in het Noorden invoert en tot den voor het Noorden passenden vorm verwerkt. Deze functie van Holland komt voor het eerst duidelijk aan het licht in de dertiende eeuw, om zich gedurig scherper af te teekenen. Sedert de dertiende eeuw kan men zeggen dat er een Hollandsche bizonderheid bestaat, die niet alleen noch Duitsch noch Fransch, maar evenzeer noch Vlaamsch noch Friesch is. De Henegouwsche graven eerbiedigen dat bizonder karakter ten volle; zij hebben uitmuntende Hollanders weten te zijn. De Beiersche vorsten raken in Holland zeer spoedig ontduitscht, en geheel onder zuidelijken, Vlaamsch-Bourgondischen invloed. De taal van hun hof is Fransch, als die van het Henegouwsche dat zij opvolgen. Het is de dwaasheid zelve, om in den strijd van Jacoba tegen Philips den doodsstrijd van het „Duitsche” Holland tegen de Waalsche overheersching te zien, zooalsvon Löhergedaan heeft. Jacoba, dochter van een Bourgondische moeder en volslagen gefranciseerden vader (die in Parijs zijnhôtelde Hollandehad zoo goed als Jan zonder Vrees zijnhôtel d'Artois), weduwe van een dauphijn, vrouw van een Bourgondiër, is juist gelijk aan Philips van Bourgondië zelven, minus het talent, de sekse, en het politiek overwicht die hem in staat stelden een beter vorst van Holland te wezen dan zij ooit zou zijn geworden. Hoeweinig Waalsch de overheersching van Philips van Bourgondië was, hebben wij reeds bij Vlaanderen gezien. Ten opzichte der taal veranderde in 1428 eenvoudig niets hoegenaamd: Holland had sinds 1299 Franschsprekende vorsten gehad, zonder dat, bij deze zuiver Dietsche bevolking, de landstaal hierdoor ook maar eenigermate bedreigd was geworden. En wat het „Duitsche” Holland betreft: Holland was in 1428 sinds lang niet meer Duitsch. Zijn schrijf- en spreektaal hadden zich gevormd en waren ten opzichte van het Duitsch wat zij nu nog zijn: een verwante, doch andere taal.„Die seind all departibus inferioribusRheni und de Brabancia und Flemming, der deutsch wir nicht versten muegen,”heet het in een Bazelschen tekst van 1435. Van de geheele voorstelling, dat wij hier een stuk Fransch-Duitsche worsteling bijwonen, blijft al zeer weinig over.
Terwijl Holland zichzelf bleef, trad het toch in 1428 tot de Zuidelijke Nederlanden in een nog nauwer betrekking dan te voren. Zijn historische rol van beschaver van het Noorden begon nu eerst recht. De Bourgondische invloed uit zich, in het nog niet onderworpen Noorden, als een Hollandsche invloed. Aan gene zijde van de oostelijke grens van Nederland bevindt zich geen zoodanig aantrekkingspunt als Holland: de landen die, in een halven cirkel, van Geertruidenberg tot het Vlie, Holland omringen, komen noodzakelijk met Holland in veel nauwer aanraking dan met welk ander van de Nederlandsche hoofdgewesten ook. Deze aantrekkingskracht van Holland, reeds vóór 1428 duidelijk waar te nemen, werd natuurlijk slechts te grooter sedert Holland als de vertegenwoordiger van een zoo reusachtige macht als de Bourgondische verscheen.
Het minst door bevolking en ligging voorbeschikt om in Hollands kielzog te moeten varen was het hertogdomGelderland. Het naderde veel meer tot het normale type van den Nederduitschenterritorialenstaat dan Holland ooit gedaan had. Tot in de veertiende eeuw, ja eigenlijk tothetuitsterven van het Guliksche huis, is Gelderland meer naar Brabant, Limburg, Gulik, Kleef, Berg georienteerd, dan naar Holland. In 1423 komt hierin verandering. Een werktuig der Bourgondische politiek wordt hertog, „en schijnt zijn regeering als een Hollandsch stadhouderschap op te vatten”10). Zijn zoon ontworstelt zich aan dezen invloed, die evenwel onvermijdelijk op den duur overwinnen moet, daar er geen tegenwicht van genoegzame zwaarte tegen de Bourgondische macht bestaat. Eerst de gevolgen van den vroegen dood van Karel den Stoute, daarna de steun van Frankrijk en de omstandigheid dat Karel V door ander werk een tijdlang overstelpt is, rekken het zelfstandig bestaan van Gelderland tot 1543, maar bij de eerste gelegenheid de beste dat Karel zijn volle kracht aan dit onderdeel van zijn historische taak besteden kan, is het met deze ten doode opgeschreven zelfstandigheid gedaan. Toch blijft Gelderland nog zeer merkbaar het meest Duitsche van de Noordnederlandsche gewesten. Het Hollandsch is er in de zestiende eeuw nog niet als schrijftaal in gebruik. De toetreding van het gewest tot de Unie van Utrecht werd niet dan met moeite verkregen.
Gemakkelijker dan Gelderland, vielen de noordoostelijke gewesten aan de Bourgondiërs ten deel. Hier vonden zij geen groote territoriale eenheden, als Gelderland er een was. De steden aan den IJsel hadden aan den bloei der Hanze deel gehad, en moesten, nu deze verviel, het economisch overwicht van Holland gevoelen, dat zich tot een machtig centrum van handel en scheepvaart opwerktetegen de Hanze in. De merkwaardige oorlog van 1437 bezegelde den val der Hanze en maakte Holland tot de overwegende maritieme macht in de Noordzee. In Friesland was, bij ontstentenis van het orgaan dat elders de maatschappelijke ontwikkeling leidde, een hopelooze verwarring en verwildering ingetreden, die de Bourgondische macht aanleiding gaf er de oude Hollandsche aanspraken met kracht te doen gelden. Het op zich zelf staande Groningen was reeds door het Bourtanger moeras voorbeschikt het lot van Nederland, niet dat van Noordduitschland te deelen.
Als verreweg het belangrijkste Noordnederlandsche gewest leerden wij dus Holland kennen. Het vertoonde reeds veel van de karaktertrekken, die de tachtigjarige oorlog heeft verscherpt en die het toen in meerdere of mindere mate aan de gansche Unie heeft weten in te drukken. Wanneer wij in dit verband van Holland spreken, bedoelen wij steeds Holland, Zeeland en West-Friesland te zamen, die reeds vroeg zoo nauw vereenigd zijn geweest en het ook in den opstand te midden der grootste gevaren altijd zijn gebleven. Zij vormen eenigermate de mikrokosmos van Noordnederland, en nemen een zelfstandig aandeel in het cultuurleven van de gezamenlijke Bourgondische landen. Economisch vervullen zij een eigen rol, die van zeevaarders, en zijn dus een gewichtige aanvulling op het Zuiden dat geen zeevaart heeft. Ook in de geestelijke kultuur hebben zij een onmiskenbare eigen individualiteit, die, in de vijftiende evenzeer als in de zeventiende of in de negentiende eeuw, minder sterk tot uitdrukking komt in de letterkunde dan in de beeldende kunsten.
Wij schrijven daar een stelling neer, die, voor zoover het de vijftiende eeuw geldt, velenmisschienparadoxaal zal lijken.
Toch is het alleen aan de betreurenswaardige zeldzaamheid van Hollandsche primitieven in de Hollandsche musea,en aan de daarmede samenhangende verwaarloozing onzer vroegste kunstgeschiedenis toe te schrijven, dat deze stelling ook voor de vijftiende eeuw niet sinds lang is erkend.
De Hollandsche schilderschool der vijftiende eeuw is minder aanzienlijk en van jonger oorsprong dan de Vlaamsche, zij is zelfs in haar oorsprong afhankelijk van de Vlaamsche. Het verschil tusschen de beide scholen is, zoo kort na beider ontstaan, natuurlijk voor den oppervlakkigen beschouwer gering. Doch dezelfde oppervlakkige beschouwer zal misschien zeer weinig verschil zien tusschen een oud-Keulsch, een oud-Fransch en een oud-Vlaamsch schilderij. Waar het op aankomt is niet, of het den ongeoefende even gemakkelijk valt te onderscheiden tusschen Geertgen tot St. Jans enMemlingals tusschen Rembrandt en Rubens, maar of de verschillen, die het geoefend oog tusschen Geertgen enMemlingopmerkt, al of niet mede zijn te verklaren als uitvloeisel van eenzelfde verschil in nationaliteit, als tusschen Rembrandt en Rubens bestaan heeft. Het verschil mag dan veel geringer zijn in graad, maar kan daarom met het latere toch overeenkomst hebben in wezen. Ware dit het geval, dan is daarmede voor de bepaling der onderlinge verhouding van Noord- tot Zuidnederlandsche nationaliteit een gewichtig vast punt gewonnen. De vrijheidsoorlog, die naar veler oordeel de Noordnederlandsche nationaliteit eerst heeft geschapen, zou dan eenvoudig een reeds vroeger bestaand verschil hebben verscherpt.
Ik geloof nu zeer zeker dat dit laatste het geval is geweest, en wil daarom het nog weinig behandeld punt van het onderscheid tusschen Vlaamsche en Hollandsche primitieven hier kortelings bespreken11).
Wij zeiden boven dat (Groot-)Nederland, als beschavingseenheid, zich in het Bourgondische tijdvak in onmiskenbare uitingen manifesteert. Geen van die uitingen is beroemder, dan de kunst van Huibert en Jan van Eyck.
Zelden is, boven het door een vorig geslacht bereikte, een beeldende kunst in één werk zoo hoog uitgeheven als in het Gentsche altaar. Hoenatuurlijk, dat men is gaan spreken van „het raadsel der van Eyck's”. Raadsel is het aandeel van elk der gebroeders aan het werk dat hun roem verbreidt, raadsel is de plotselinge verschijning hunner kunst zelve. Doch ook in deze raadselen, al zijn zij ver van opgelost, is wel eenig licht gaan schijnen. Hoe ver inderdaad zijn wij reeds gevorderd sedert den tijd, dat men als voorlooper der van Eyck's nog slechts den enkelen Broederlam wist te noemen. Broederlam is een kunstenaar uit Yperen, van wien eenig omstreeks 1390 voor Philips den Stoute uitgevoerd schilderwerk bewaard is teDijon. Maar juist dit werk staat zeer ver van de kunst der van Eyck's af, en schijnt het raadsel grooter te maken in plaats van het op te lossen. Er zijn echter, indien men van schilderijen afziet, een vrij groot aantal werken die nader aan de van Eyck's staan, dan de luiken van Broederlam. De Vlaamsche kunst, die wij in het Gentsche altaar als op eenmaal ten troon zien stijgen, heeft inderdaad een lange ontwikkeling gehad.
De gansche 14deeeuw door hebben Zuidnederlanders een groot aandeel gehad in de kunstproductie van Noord-Europa, maar zij hebben meest gewerkt voor Fransche bestelling. De Fransche kunst zelf scheen in die eeuw op een dood punt geraakt. In de 13deeeuw daarentegen had zij heerlijk uitgeblonken. Gelijk in zooveel anders, was Frankrijk ook in de kunst in de 13deeeuw de eerste kultuurmacht van Europa. De zegetocht zijner gothiek is bekend, zijn verluchtingskunst stond op hoogeren trap dan dievan elders, zijn sculptuur nog meer, met name die van Noord-Frankrijk, een land waar de bevolking veel Frankisch bloed, en met de Belgische veel aanraking heeft. De sculpturen van den dom te Reims zijn voor een deel van een zoo treffend realisme, dat men ze zou wanen gisteren gehouwen te zijn. Maar de beelden, die ons het meest op de komst van Sluter en de van Eyck's voorbereiden, zijn die van de Fransche koningen teSt. Denis, uit het eerste begin der 14deeeuw. Wellicht de allerfraaiste van de tomben, welke die beroemde abdij uit deze periode bewaart, is werk van een Zuidnederlander,Jehan Pepinvan Hoei,„imaigier”van de gravin vanArtois; het stelt haar zoon, Robert het Kind, voor (±1330). Na dien tijd wemelt het van Zuidnederlandsche kunstenaars in Frankrijk.André BeauneveuvanValenciennes,Jean Hennequinvan Luik, Jan Bandol van Brugge, zijn in dienst van koning Karel V; dezelfdeBeauneveu, JacquemartvanHesdin, Paul van Limburg in dienst van hertog Jan vanBerry; de BrabanderHenri Bellechose, en Melchior Broederlam van Yperen, in dienst van Philips den Stoute van Bourgondië. Onder deze kunstenaars zijn er, die meer als de wegbereiders der gebroeders van Eyck zijn te beschouwen dan Melchior Broederlam: wij bedoelenBeauneveuen Paul van Limburg.Beauneveugenoot reeds in zijn eigen land een zeer grooten roem, eer hij zich in Frankrijk vestigde. Hij was toen al beeldhouwer in dienst van Lodewijk van Male geweest. Zijn tomben van Philips VI, Jan den Goede en Karel V teSt. Denislaten in de richting naar het realisme van Sluter en de van Eyck's al het voorafgegane ver achter zich. Nog duidelijker voorboden van de Vlaamsche kunst der 15deeeuw zijn de miniaturen van Paul van Limburg in de„Très riches heures”van den hertog vanBerry(teChantilly), waar op enkele bladen, als dat waarophet bezaaien van den akker is voorgesteld, het weergeven der ruimte, dat aan de middeleeuwsche kunst onbekend is, doch daarentegen naar algemeene toestemming een der zegepralen is van de kunst der 15deeeuw, zoo goed gelukt schijnt als nog nimmer te voren. Toch ligt er tusschen den zaaier van Paul van Limburg en het Gentsche altaar nog een groote afstand, op het midden waarvan wij eerst het werk van Sluter, en vervolgens de Turijnsche getijden aantreffen.
Sluter en zijn neef Claes van de Werve sluiten de rij der vreemde kunstenaars, die door Philips den Stoute naar zijn Bourgondische hoofdplaats Dijon zijn geroepen, waar hij, in het Karthuizerklooster vanChampmol, een gedenkteeken wilde oprichten voor zich en zijn huis. In 1383 had de eerste-steenlegging van het gebouw plaats; het volgende jaar werd met de beeldhouwwerken begonnen, onder leiding van 's hertogs„imaigier”, Jean de Marville, ook een Zuidnederlander. Onder hem arbeidde Claes12)Sluter, die in een der teksten voorkomt met den bijnaam„de Orlandes”. OnderJean de Marville, die in 1389 stierf, schijnt men zich hoofdzakelijk te hebben bepaald tot den aankoop van materiaal; de roem der vinding en uitvoering van de kunstwerken die vervolgens ontstonden wordt in de bescheiden uitsluitend aan Sluter gegeven, die in 1389 de leiding van het geheel verkreeg. In 1393 was het portaal der kerk gereed. Daarvan bestaan nog de beelden van den hertog en zijn gemalin, een Heilige Maagd, een Sint Jan en een Sinte Catharina. Maar boven alles stelden de tijdgenooten den grooten Calvariënberg, waaraan Sluter van 1392 tot 1405 gearbeid heeft, en waarvanalleen het voetstuk, op een in een put gefundeerde zuil rustend, is overgebleven. De groep die door het voetstuk werd gedragen: een Christus aan het kruis tusschen de Maagd, Sint Jan en Magdalena, is in den tijd van vrijheid, gelijkheid en broederschap vernield. De spraakmakende gemeente noemde het geheel den Mozesput, naar een der figuren van het voetstuk, dat, vijf meters hoog, zich boven den rand der put verheft, en waarin zes vlakke nissen zijn uitgehouwen, waartegen de levensgroote beelden van Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Zachariaen Daniël zijn aangebracht. Gevleugelde engelenbeelden in voorover gebogen houding, wier voeten op de kapiteelen der kolommen rusten welke de zes nissen vaneenscheiden, dragen een vooruitspringenden bovenrand, die eenmaal glooiend opliep tot een heuvel, waaruit het kruis rees. Het geheel moet, te oordeelen naar het gedeelte dat bewaard is, even gelukkig van vorm geweest zijn als vernuftig van vinding. De zes profetenbeelden zijn niet minder dan een mijlpaal in de geschiedenis der Noord-Europeesche kunst. Zij zijn als de hoogste ontwikkeling der middeleeuwsche sculptuur te beschouwen, en reiken tegelijk reeds in den nieuwen tijd. De taal der vormen, zooals die in de houding der figuren, in de behandeling van het gewaad, in het bijwerk spreekt, is nog gothisch, maar in de overweldigende realiteit der koppen, (der handen ook!) komt de kracht eener voor driekwart zelfstandig geworden kunstenaarsindividualiteit tot uiting. Zeker even hoog staan de beelden van het kerkportaal, waaronder de stichtersfiguur en de grijsaard, die Sint Jan voorstelt, uitmunten. Al deze beelden moeten niet slechts ontworpen, maar ook uitgevoerd zijn door Sluters eigen hand; van de tombe echter van Philips den Stoute, lang te voren begonnen maar eerst in 1412 voltooid, schijnt de detailuitvoering aan Claes van de Werve te zijn overgelaten. Ook bij ditbeeld treft het traditioneele in de behandeling van het gewaad, het individueele in die van hoofd en handen.
Is Sluter een Hollander geweest? De bijvoeging„de Orlandes”, voorkomende in de acte waarbij het kapittel van de St. Stevensabdij teDijonhem in 1404 zekere voorrechten verleent, wordt gemeenlijk niet anders verklaard. Een van de verdere gronden die Busken Huet tot staving van Sluters Hollanderschap meent te kunnen aanvoeren13), heeft dunkt mij al zeer weinig vastheid. In een Hollandsche grafelijkheidsrekening van 1396, waarin Heer Garbrand van der Coulster, proost van Bergen in Henegouwen, en Jorghel mijns heeren kamerling, verantwoording doen „van tgeen sij ontfaen hebben van mijnen lieven Heere van Hollant, toter reyze behoef van Oistvrieslant,” wordt een som vermeld als „ghegeven Dirc die Sluter, om al rande provanci mede te copen van bussen, van crude, van steen, van schutte...., des men behoeven soude in die grote scepe, die in de Lauwers varen souden.” Huet nu trekt hieruit het gevolg „dat er in Holland of Zeeland in de tweede helft der 14deeeuw eene slotemakers-familie geleefd heeft, tevens geschutgieters, en dat Sluter de beeldhouwer een lid van dat geslacht geweest is, oudere of jongere broeder van een Dirc. Een Dirc die sloten maakte, kon ook kanonnen vervaardigen.... Klaus zou dan als jongeling in de vaderlijke werkplaats al de leermiddelen aangetroffen hebben, noodig voor de vorming van iemand met beeldhouwersgenie.” Deze gissing noemt hij „gerechtvaardigd in zoover wij ons nauwelijks kunnen denken, dat zelfs een geboren kunstenaar in de tweede helft van zijn leven iets volmaakts zou leveren, zoo hij niet in de eerste, gedurende zeker aantal leerjaren, zich gevormd had in eene goede school.” De rekeningspost, het eenige waarvan men kan uitgaan, kan echter hetgestel van Huet's redeneering niet dragen. Waar staat dat de som aan Dirc wordt ter hand gesteld om van hem gekochte bussen enz. daarmede te betalen? Er staat duidelijk dat de som hem gegeven is om er bussen voor te koopen. Dirc is niet de fabrikant, maar de opkooper van het verlangde oorlogstuig.
Een tweede bewijs dat Sluter „in de provincie Holland of de provincie Zeeland, of op de grens tusschen de eene en de andere” tehuis hoort, ziet Huet in den naam van zijn neef, dien hij verklaart Claes van Voorne te hebben geheeten. Voor zoover ik weet is niemand dan Huet op het denkbeeld gekomen, de lezing van den tekst der rekeningen, waaruit wij den naam alleen kennen, zóó teverklaren. De gedrukte tekst van deze rekeningen, zooals die voorkomt bij deSaint-Mémin14), geeft afwisselend deze lezingen: Claes Vandeverbe, de Werne, de Wrne, de Vuenre. „Hiermede wordt Voorne bedoeld”, verklaart Huet kort en krachtig. Hoe kan de klank „van Voorne”ooit door een Franschman wedergegeven worden met „Vandeverbe”? Ieder die het schrift van den tijd, en tevens de willekeur kent waarmede detranscriptievan middeleeuwsche teksten omstreeks 1847 gemeenlijk nog plaats had, zal niet twijfelen of de gedrukteb,n,nvan de drie eerste boven aangehaalde vormen staan voor geschrevenu's (het teeken voorv), terwijlVuin „Vuenre” voor geschrevenuu(teeken voorw), ennrin hetzelfde woord voor geschrevenrustaan. Zoo er uit de boven uitgeschreven lezingen een Nederlandsche geslachts- of persoonsnaam moet worden opgemaakt, kan deze niet anders luiden dan van de Werve, onmogelijk van Voorne. Huet's tweede bewijs is even waardeloos als het eerste.
Er blijft dus over, dat Sluter in een te zijnen voordeeleopgemaakt bewijsstuk, niet in een meer of minder terloops geschreven rekeningspost dus, uitdrukkelijk „Sluter de Orlandes” wordt genoemd. Zoo onder dit woord niet Holland moet worden verstaan, wat dan? Vrij algemeen werd de plaats dan ook reeds als een bewijs voor Sluters Noordnederlandsche herkomst aanvaard, toen in 1890 een nieuw gewichtig document deze meening kwam versterken: het teruggevonden grafschrift van den neef.„Cy gist Claus de Werve de Hatheim, au comté de Hollande, tailleur d'imaiges et varlet de chambre de monseigneur le duc de Bourgogne, qui trespassat le jeudi VIIIejour d'octobre MCCCCXXXIX”15). Gansch Holland is geen Hattem rijk, maar wel Hollands buurland, Gelder. Een merkwaardig voorbeeld dus, hoe reeds in de 15deeeuw Holland in het spraakgebruik buitenaf voor Noord-Nederland werd genomen. Doch de vondst van 1890 is nog geen voldingend bewijs. Ook een niet-Nederlander kan een Nederlandschen neef hebben.
In 1899 brachtHenri Steineen tekst aan den dag, waaruit blijkt dat teBourgesin 1385, in den dienst van hertog Jan vanBerry, een bouwmeester„Claus de Sleseurre, dit de Mayence”werkzaam was en stierf16); iemand die blijkbaar vereenzelvigd moet worden met een in andere teksten meermalen genoemden„Claux de Mayence.”Steinwil in dezen bouwmeester den vader van den beroemden beeldhouwer zien17).
Vragen wij diens werk zelf om antwoord, dan treft zeer sterk en zeer onmiddellijk het Germaansch, niet zoosterk of onmiddellijk een Nederlandsch karakter. Wel is er groote verwantschap met sommige verschijnselen in de Noordnederlandsche kunst van de tweede helft der 15deeeuw. Dezelfde neiging tot bijna-karikatuurachtige realiteit komt in de prentkunst uit van den „meester van Zwolle,” en in de beulsknechten van Geertgen tot St. Jans. Doch het komt er op aan, de verwantschap te bepalen van Sluter tot vóór hem geschapen werk. Nergens is een zoo groote hoeveelheid sculptuur aangewezen, die overeenkomst heeft met de zijne, en tegelijk van ouderen datum dan de zijne is, als in den dom te Mainz18). Hier staat tegenover, dat vier zeer fraaie en zeer Sluteriaansche beeldjes, te Utrecht gevonden, geacht worden eenige bewijskracht ten voordeele van Noord-Nederland te hebben. Men schijnt veilig dit te mogen zeggen, dat de Noordnederlandsche sculptuur der 14deeeuw met die van den Rijn enger samenhangt dan met de Vlaamsche; en dat niet onwaarschijnlijk de aanzienlijkste in Noord-Nederland aangetroffen beeldhouwwerken uit dien tijd door meesters van den Rijn vervaardigd zijn. Het is zeer wel mogelijk, maar allerminstbewezen, dat eenMainzer SchlüterofSchlözerlangen tijd in Noord-Nederland heeft gewerkt, er gehuwd is en familiebetrekkingen heeft aangegaan, en er een zoon gewonnen heeft, die later, al of niet in gezelschap van zijn vader, naar Frankrijk is gekomen. Wat geen bewijs meer behoeft, is dat Sluter teDijonde stichter is geworden eener Bourgondische kunstschool, die op de Fransche sculptuur der 15deeeuw een even grooten invloedheeftgehad als op de Fransche schilderkunst van die eeuw het werk der groote Vlamingen.
Doch er is, vóór het Gentsche altaar, door ontwijfelbaar Nederlandsche handen een ander werk geschapen,dat de geboorte eener nieuwe kunst nog meer onmiddellijk aankondigt, dan Sluters nog half gothisch beeldhouwwerk dit doet. Het is een stuk miniatuurkunst: de Getijden van Turijn.
Jammerlijker ongeluk kon de jonge studie van de oorsprongen der Nederlandsche kunst niet treffen, dan de bibliotheekbrand, die onlangs dit heerlijk kunstwerk zoo onherstelbaar geschonden heeft. Men kan van de bladen, die algemeen met de kunst der van Eyck's werden in verband gebracht, ja waarvan gedurig meer en gedurig bewuster geoordeeld werd dat zij aan Huibert van Eyck zelven moesten worden toegeschreven, thans nog slechts zich de reproductiën laten voorleggen. Is de toeschrijving aan Huibert juist, dan heeft niet slechts Jan van Eyck, maar ook zijn oudere broeder een tijdlang met het Beiersche hof in betrekking gestaan, en zich in den Haag opgehouden. Blijkens de aanwijzingen van wapens en banieren is het geen ander dan onze graaf Willem VI, die op het wellicht fraaiste blad van alle in krijgsrusting en met riddergevolg is afgebeeld, gelijk hij, aan het Hollandsch duin geland, uit Engeland terugkeert; een stoet die in houding der personen en rossen, in voorstelling van de beweging eener naderende ruiterschaar, in kleuren en in detailteekening, als de voorproef verschijnt van het luik met de ridders te Berlijn. Doch al wezen onmiskenbare teekenen onzen Willem VI niet aan, geen oogenblik zou men kunnen twijfelen waar het zeestrand te zoeken is, dat de stoet zooeven verlaten heeft, waar het duinlandschap, dat zich achter hem ontrolt. Het terugwijken van den achtergrond is hier reeds veel beter uitgedrukt dan in de getijden vanChantillyzelve; ook een ander blad uit de Turijnsche getijden, een zee voorstellende, is onvolprezen in het teruggeven der ruimte, en in de kunst, om de voorgestelde stof, het water inbeweging, realistisch af te beelden. De middeleeuwen konden een dergelijk natuurmotief nog niet anders dan symbolisch behandelen: een golvende lijn zou de illusie hebben moeten opwekken, dat men zich tegenover de zee bevond19).
Met het Gentsche altaar vervolgens is de Nederlandsche kunst als zelfstandige beschavingsuiting als geconstitueerd te beschouwen. Een groote technische overwinning werd tegelijkertijd door de van Eyck's behaald: de kunst van het mengen der kleuren in olie, vóór hen bekend maar slechts bij uitzondering en zonder gelukkig gevolg toegepast, werd door hen zoozeer verbeterd dat zij dit procédé tot regel konden verheffen. De kleuren kregen hierdoor een gloed, die aan de schilderijen in temperverf geheel ontbreekt. Op de wereld hunner tijdgenooten heeft de kunst der van Eyck's een diepen indruk gemaakt; zij werd ook hierdoor van zoo nationale beteekenis, dat zij, hoezeer in Jan van Eyck nog hoofsch van karakter blijvend, echter niet meer in den vreemde om brood liep, maar zich localiseerde, en Gent en Brugge tot hoofdsteden ook der artistieke productie verhief. Zoo ontstonden eerst in waarheid een school en een stijl: het hoogst bereikte werd telkens uit de handen der meesters zelven aan een jonger geslacht, dat zich ter oefening en navolging om hen schaarde, overgeleverd. De kunstenaar, die in een vroegere periode als aan de persoon van één bepaalden vorst gebonden verscheen, wordt na Jan van Eyck een zelfstandige burgerlijke figuur.
Steken de van Eyck's boven allen uit, het is er verre van, dat zij den eenigen roem zouden uitmaken der Vlaamscheschilderkunst in de 15deeeuw. Onafhankelijk van hen heeft zich de DoornikerRoger de la Pasturegevormd, die zich sedert 1436 te Brussel de positie van stadsschilder verwierf, en er zijn naam verdietscht zag tot Rogier van der Weyden. Nog anderen hooren in het Walenland thuis:MarmionvanValenciennes, en de „meester vanFlémalle” (Jacques Daretvan Doornik?). Een Brabander van geboorte is Petrus Cristus; een Gentenaar Huge van der Goes; van bij Mainz weg komtHans Memling. Bij groote overeenkomst, merkt men in de kunst van deze onderscheiden meesters ook ettelijke verschillen op, gevolg van verschil in talent, in tijd, in temperament, ook zeker van verschil in gewest van herkomst. In geen enkel land en bij geen enkele school ontbreken dergelijke verschillen; zij beletten niet de overeenkomst te erkennen, die recht geeft hen tot ééne groep te brengen. Hoe echter is het nu met de deelneming van Holland aan de kunstvoortbrenging der 16deeeuw gelegen?
Vier groote meesters zijn uit Holland geboortig: Albert van Ouwater, uit de plaats waarnaar hij is benoemd; Dirc Bouts, uit Haarlem, Gerard David wederom uit Oudewater, Geertgen tot Sint Jans wederom uit Haarlem. Aan den eerste wordt met volle zekerheid slechts één werk toegeschreven: de opwekking van Lazarus te Berlijn. Het stuk blijkt bij den eersten oogopslag van een meester te zijn, die middellijk of onmiddellijk den invloed van Jan van Eyck heeft ondergaan, en wijkt, oppervlakkig beschouwd, van het gemiddeld-Vlaamsche nog niet genoeg af, dan dat dit werk alleen licht aanleiding zou hebben gegeven om van het bestaan eener Hollandsche school in de 15deeeuw te spreken. Brengt men echter het stuk met die der drie overige Hollanders in verband, dan bespeurt men duidelijk den eersten aanzet tot iets zeer bizonders, dat tot het innerlijkste wezen der Hollandschekunst behoort, gelijk dit zich in later eeuwen geuit heeft.
In de Vlaamsche kunst overweegt het plastische; de actie;—in de Hollandsche het schilderachtige en passieve. De Vlaming zoekt de type te benaderen, de Hollander geeft, zoo ruw of zoo fijn als het zijn mag, het individueele. Bij den Vlaming der 15deeeuw, die nog onder den invloed der sculptuur staat20), staan de figuren nog in eenzelfde plat vlak, als in een fries; Ouwater stelt ze in een halven cirkel op, naar de diepte toe. De Vlaming zou licht den Christus in het midden der voorstelling hebben geplaatst, om deze zooveel mogelijk monumentaal te doen werken; bij Ouwater staat hij ter zijde. De figuren zien niet eenmaal alle naar de plaats waar het lichaam van Lazarus zichtbaar wordt, noch uiten zij hun aandoening in levendige gebaren; en toch is de beschouwer geen oogenblik in twijfel, of zij allen zijn, ieder voor zich, met niets anders dan met het wonder dat zij bijwonen, vervuld. Het wezenlijk voorgestelde is niet de opwekking als actieve gebeurtenis, maar de naar binnen werkende kracht van het wonder op de individuen die het aanschouwen. De Christus is eigenlijk de eenige die naar Lazarus toegewend is21), en nauwelijks in de houding van een thaumaturg, maar daarentegen met een uitdrukking van zoo rustige verzekerdheid in het gelaat, als slechts uit het binnenste eener persoonlijkheid voortkomt. De opstelling der figuren naar de diepte toe noodzaakt daarbij tot een mate van eenheid van ruimte en licht, die in de gelijktijdige Vlaamsche kunst nog te nauwernood is bereikt.
Heeft Ouwater te Haarlem gewerkt, Dirc Bouts is vroeg naar Leuven getrokken. Er zijn geen werken van hembekend, die nog te Haarlemmoetengemaakt zijn. Echter doet ook hij ten duidelijkste den Hollander uitkomen in zijn phlegma, scherp onderscheiden als het is van den Vlaamschen hartstocht; in zijn rustige compositie, waarbij de nadruk gelegd wordt op de horizontale en vertikale lijnen, in tegenstelling tot de diagonaal als hoofdrichtingslijn bij de Vlamingen, die van zooveel levendiger, dramatischer werking is; in zijn ruimteontwikkeling en grooter isoleering der enkele figuren in de ruimte; in zijn landschap niet het minst, dat bij hem veel zelfstandiger behandeld is als bij de Vlamingen.
Maar de hoofdmeester der Hollandsche school is Ouwaters leerling, Geertgen tot Sint-Jans. Van hem noemt van Mander een groot altaarstuk, dat hij voor de heeren van St. Jan te Haarlem geschilderd heeft, en waarvan zich twee vleugels, een Nood Gods en een Verbranding van het gebeente van Johannes den Dooper, thans te Weenen bevinden. Van deze werken uitgaande, heeft men een aantal andere stukken als van zijn hand erkend, waaronder de Aanbidding der Koningen te Praag, de Johannes de Dooper te Berlijn, de Aanbidding van het Kind aldaar (verzameling-von Kaufmann), de Heilige Familie te Amsterdam en de Passievoorstelling te Utrecht de merkwaardigste zijn.
Geertgen is niet slechts de sterkste persoonlijkheid der Hollandsche school van de 15deeeuw, maar van de gansche Hollandsche schilderkunst vóór Rembrandt. Indien men zich rekenschap geeft van de uitgebreidheid der schaal van menschelijke aandoeningen, die alleen reeds in de genoemde werken door hem zijn doorleefd en tot een nu eens aangrijpende, dan eens beminnelijke, dan weer naieve, steeds ongemeene uitdrukking zijn gebracht;—indien men nagaat welke beloften er in zijn werk liggen opgesloten, hoeveel Hollandsche bizonderheden der 17deeeuw reeds in beginsel bij hem voorkomen, en men bedenkt dan dat deze man gestorven is in den leeftijd van negen-en-twintig jaar, dan blijft in het gemoed slechts bewondering en liefdevolle dankbaarheid over voor dit groot en oer-Hollandsch genie. De uitdrukking van de smart der Moeder op Geertgens Nood Gods behoort tot het aangrijpendste dat ooit in penseel is bereikt; en te aangrijpender is deze smart, naarmate zij zich minder in gebaren uit. De moeder kust het lijk niet, zij houdt het niet omstrengeld; zij staart het met gevouwen handen aan. De enkele gebaren die in anderen zijn aangegeven, dat waarmede de in de knie gezonken Jozef van Arimathea den rand van zijn hoed omvat, dat waarmede Johannes zijn in den mantel gewikkelde hand naar het oog brengt, zijn juist in hun soberheid van een onbeschrijfelijke kracht, en brengen het gebaar van Saul te binnen in Rembrandt's meesterwerk, op welks bezit het Mauritshuis prat gaat. In het kleine paneel te Berlijn, dat ons den Dooper voorstelt in eenzaamheid nederzittend, ligt een onpeilbare diepte: het omsluit binnen zijn weinige vierkante duimen de beide werelden van mensch en natuur. De strakheid van het voorovergebogen, op de rechterhand neergezonken gelaat, de gesloten linkerhand, de over elkander geschoven voeten, het heele zoo diep het kon ineengedoken lichaam drukken den in zichzelf verloren zoeker uit, en rondom groent, onaandoenlijk, de gansche rijkdom der geschapen natuur. Gelaat, handen en geopende mond der Moeder op de Nativiteit bijvon Kaufmannhebben dezelfde kracht van uitdrukking. Het Utrechtsche passiestuk eindelijk gaat in driestheid alles te boven. Opzettelijk zijn hier de figuren buiten de natuurlijke ruimte gehouden; men ziet niet waar zij staan of het kunnen doen. Niets dan het Lijden zelf, zooals het uit alle wonden leekt, en de weerspiegeling er van in Johannes' tranen en Maria's gebeden.
En dezelfde kunstenaar, die de uiterste concentratie weet voor te stellen in zijn Berlijnschen Dooper, heeft een rijkdom van bijwerk dat de gansche verscheidenheid der latere Hollandsche school reeds voorspelt. Men vindt het genre bij hem: de vuuraanmakende beulsknechten te Weenen, de hondjes op de Verbranding en op den Nood Gods, de ruilebuitende kinderen op het stuk te Amsterdam. Het portret: twee gansche regentenstukken, en reeds van een meesterlijke ordonnantie, zijn midden in de Verbranding ingelascht (de Sint Jans ridders, in hun plechtig zwart), en vertegenwoordigen in dit stuk van actie het element der rust. Het architectuurstuk: de Amsterdamsche Heilige Familie is feitelijk het met figuren gesierd portret eener Hollandsche kerk, en de lichtwerking is er verwonderlijk fijn en juist in. Hetclair obscur: terwijl de afgenomen hoed en de knie van Jozef van Arimathea op den Nood Gods sterk verlicht zijn, is het bovenlijf in het donker gehuld; een verlichting die zich van de Vlaamsche onderscheidt, doordat zij het licht als stijlmiddel gebruikt en op een bepaald punt te zamen trekt. Het nachtstuk: de Nativiteit bijvonKaufmannis de eerste die werkelijk in den nacht is voorgesteld; het licht straalt van het kindeke als bron uit; een volstrekt nieuwe vinding, nagevolgd in onderscheiden scholen, als bijCorreggioen Rembrandt. Het landschap: dat rondom den Dooper is zeker het zelfstandigste en zuiverst waargenomene, dat in de 15deeeuw geschilderd is.—Bij zijn leermeester Ouwater staat Geertgen slechts achter in zuiverheid van koloriet; in al het andere overtreft hij hem.
Ook Gerard David is te Haarlem in de leer geweest. Van de stukken die men van hem bezit zijn een zeker aantal nog daar ontstaan. In toepassing van hetclair obscur, in behandeling van het landschap toont hij duidelijk de sporen van Geertgens invloed. Maar hij is niet,als zijn groote tijdgenoot, de representatieve Hollander der 15deeeuw. Hij is naar Brugge gegaan, en heeft er zijn Hollandsche eigenaardigheden wel niet verloren, maar onder invloed vanMemling, en later van Matsijs, sterk gewijzigd. In hem, den laatsten grooten Nederlandschen quattrocentist, verbindt zich Hollandsche met Vlaamsche ontwikkeling tot een nieuw en zeer bizonder geheel22).
De Hollandsche kunstenaar heeft, meer dan de Vlaming, oog voor het leven in rust. Zich niet zoozeer uitputtend in actie en wil, houdt hij meer frischheid over voor de waarneming van het zieleleven.
Wij hebben ons lang bij de Hollandsche primitieven opgehouden, doch niet langer dan zij verdienen. Zie ik wel, dan is het voorkomen van zóó diepgaand verschil bij zoo onloochenbare verwantschap, als tusschen de Vlaamsche kunst der 15deeeuw en de Hollandsche bestaat, een verschijnsel dat onze hoogste opmerkzaamheid tot zich moet trekken. Wij leerden een Holland kennen dat, van de Vlaamsche kultuur nog in veel opzichten afhankelijk, deze toch geheel zelfstandig verwerkt en tot iets eigens omschept. Een eng verband met het Zuiden, geen gelijkheid.
Zoo is in de zestiende eeuw de verhouding gebleven, aanvankelijk veel minder duidelijk echter, daar Vlaamsche en Noordnederlandsche kultuur gelijkelijk onder het Italianisme als bedolven raakten. Eerst in de verwerking van het ingezogene toont zich weder het verschil; reeds vóór den tachtigjarigen oorlog! Niemand die de Hollandsche renaissance met de Vlaamsche ooit verwisselen zal; niemandtoch ook die hun engen samenhang zal loochenen. Verschil bij verwantschap schijnt wel de ware formule om de verhouding van Holland tot Vlaanderen op onderscheiden levensgebied te vatten.
Ingewikkeld blijft het vraagstuk zeker, want niet in alles is het onderscheid even groot als in de beeldende kunst. Geringer is het in de letteren, geringer in de muziek, geringer in de wetenschap. In de letteren blijft het Zuiden nog in de zestiende eeuw ten eenenmale overwegend, nog meer zoo mogelijk in de muziek. In de wetenschap schijnt het Noorden niet zoozeer qualitatief, als quantitatief de mindere. Doch eer wij van dit onderwerp der geestelijke beschaving afstappen, moeten wij nog een woord zeggen over een onderdeel daarvan dat, evenzeer als de beeldende kunst, de kern der Noordnederlandsche persoonlijkheid blootlegt: het godsdienstig leven.
Aan de groote mystieke beweging, die op de grens staat van middeleeuwen en nieuwen tijd, hebben de Nederlanden een zeer groot aandeel genomen. Dezelfde 14deen 15deeeuw die getuige waren van een zoo schrikbarend zedenverval en van een toenemende verwereldlijking en verwildering der Kerk, hebben het geloof zelf in den boezem van het individu nieuwe en onsterfelijke zegepralen zien behalen. Ook in deze beweging is het Zuiden voorgegaan, en heeft het Noorden zelfstandig verwerkt. Geert de Groote heeft aan Ruysbroeck's voeten gezeten, maar hij is een ander geworden dan de Noordnederlandsche Ruysbroeck. Het denkbeeld, de ondeugd in de onkunde te bestrijden, was Noordnederlandsch, Noordnederlandsch de toepassing van dit beginsel in de broederschap des gemeenen levens. Aan de innigheid van het geloofsleven deed dit streven zoo weinig afbreuk, dat uit de Zwolsche omgeving deImitatio Christiis voortgekomen; tot de verlevendiging der studiën heeft het zoozeer bijgedragen,dat Erasmus zelf, hoezeer hij later (en, van zijn nieuw beklommen hoogte, terecht) op het Noordnederlandsche klooster gesmaald moge hebben, niet denkbaar is zonder zijn in die nationale school genoten opleiding.
Met Erasmus komen wij, van verschil, weder op verbinding terecht. Het Noordnederlandsche dorperskind, oud-voedsterling van een Noordnederlandsch klooster, is tevens de stichter van hetCollegium trilingue, den roem der Leuvensche hoogeschool. In de wetenschap der zestiende eeuw, universeel van strekking als zij was, gaan Noord en Zuid hand aan hand. Naast die van Busleyden, van Mercator, Ortelius, Dodonaeus en Vesalius, bewaart de geschiedenis de namen van Paludanus, van Dorpius, van Jemme den Fries.
Een volk dat aan Europa de Antwerpsche beurs en de Hollandsche scheepvaart ten gebruike stelde, en dat daarbij aan den ingang der nieuwe geschiedenis de van Eyck's en Thomas a Kempis, dat een eeuw later Erasmus had voortgebracht, kon gezegd worden zijn plaats onder de zon verdiend te hebben. Evenwel stond zijn staatkundige organisatie nog niet op de hoogte van zijn stoffelijke en geestelijke beschaving. Er bestond hier een volk, eer er een staat was.
De Bourgondiërs waren op weg dien te maken, maar 1477 bracht een groote terugslag. En, op een dochter na, was het huis uitgestorven, dat in korten tijd hier zooveel had bereikt. Een noodlottige omstandigheid voor de Nederlanden. Maximiliaan herstelde hier wel de orde, maar zijn huwelijk met Maria bracht noodzakelijkerwijs voor de Nederlandsche wereld het gevaar met zich van al te enge verbinding aan buiten-Nederlandsche belangen. Het was de staatkunde der Habsburgsche huismacht, die Philips den Schoone een Spaansche prinses, zijn zusterMargaretha een Spaanschen prins huwen deed. De gemaal van Margaretha overleed kort na het huwelijk; eveneens overleed het eenig kind van de zuster der gemalin van Philips den Schoone (20 Juli 1500). Zoo werd Philips' zoon koning van Spanje; tevens volgde hij zijn grootvader op in het keizerschap.
Aan een zoo machtig monarch te behooren, heeft de Nederlanden kwaad en goed gedaan. Hun economische belangen hadden in Karel's Europeesche macht een sterken steun. Het leenverband van Vlaanderen en Artois werd losgemaakt; de verhouding tot het Rijk zeer in het voordeel der Nederlandsche zelfstandigheid geregeld. Maar de vorst kon tegen de Nederlanden optreden met een macht, die hij niet aan de Nederlanden had ontleend. Zijn persoonlijke welgezindheid was de eenige waarborg voor de handhaving der Nederlandsche belangen. Het was voldoende dat op een Nederlandschen vader een in Spanje opgevoede zoon volgde, om moeilijkheden te zien ontstaan waaruit het geweld alleen den uitweg heeft gevonden.
Onder Karel V heeft Nederland het geluk gehad, door twee hoogbegaafde vorstinnen te worden geregeerd; door Karel's moei en vervolgens door Karel's zuster. Deze omstandigheid waarborgde de continuiteit en het nationaal karakter der regeering: Margaretha van Oostenrijk zoowel als Maria van Hongarije waren van opvoeding Nederlandsche prinsessen. Persoonlijk heeft Karel zich in 1531, 1540, 1543 en 1549 met de Nederlandsche zaken sterk bemoeid. In 1531 kwam onder zijn persoonlijke deelneming de bestuursorganisatie tot stand, die zich in België gehandhaafd heeft tot de Fransche omwenteling toe, en tevens de oorsprong is geweest van een goed deel der instellingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Als organen der centrale regeering treft men sedert den Landvoogd of de Landvoogdes aan, den Raad van Stateals adviseerend, den Geheimen Raad en den Raad van Financiën als besturende lichamen; tevens werden de instructiën van den Grooten Raad van Mechelen en van de provinciale hoven herzien, en kwam er een vaste orde tot stand in de samenvoeging van bepaalde provinciën tot stadhouderschappen; de stadhouders werden gebonden aan vaste instructiën. In deze maatregelen lag een strekking tot strenge centralisatie, maar ook tot grooter nationaliseering van het opperbestuur: de „kanselier van Bourgondië” verviel, de hooge landsadel kreeg eenigermate een constitutioneelen werkkring, al bleef de klem der regeering berusten bij de Landvoogdes en den uit legisten (doch Nederlanders) samengestelden Geheimen Raad. In 1540 werd een laatste opflikkering der Gentsche demagogie door Karel met geweld onderdrukt, en deze stad voor goed onder de heerschappij van het gemeene recht gebracht; in 1543 werd het onmisbare Gelder ingelijfd bij den gemeen-Nederlandschen staat; in 1549 werd Philips als troonsopvolger gehuldigd en een uniform successierecht ingevoerd. In de inleiding van de Pragmatieke Sanctie waarbij het nieuwe recht werd afgekondigd, wijst de Keizer op het groote belang dat deze landen er bij hebben, om altijd onder één vorst te blijven en door dezen bezeten te worden als een geheel. Als over een geheel, stond Karel dan ook in 1555, ten overstaan van de plechtige vergadering der Staten-Generaal, de regeering der Nederlanden aan zijn zoon af.
Wel natuurlijk is het, dat de gedachten onzer historieschrijvers, als zij aanvangen zullen van den tachtigjarigen oorlog te verhalen, eerst bij de vergadering van 1555 plegen te verwijlen. Het is, in de geschiedenis van Groot-Nederland, een der meest gedenkwaardige oogenblikken; bovendien een dat de pen uitdaagt tot het ontwikkelen der tegenstellingen, toen onder één dak bijeen. De eerstesouverein reeds over dezeventienNederlanden zal tevens de laatste zijn, zoo men dien ander niet mederekenen wil, nazaat van den man op wiens schouder 's Keizers arm leunt, die wederom eerste en laatste zijn zal in één. Tegenstelling: de populaire Gentenaar, nu gebogen en afgeleefd, en de nurksche Spanjaard, die jong van jaren is maar niet van hart; andere tegenstelling: de vorst en de aanstaande rebel; deauctor intellectualisvan den moord, en het slachtoffer. Nog andere tegenstelling: de bontgepluimde adel van het Zuiden, de effen tabbaarden uit het Noorden, dat overwinnen zal....
Nietwaar, er zijn motieven te over voor een historieschilderij in grooten stijl, gelijkMotleyer een van heeft zoeken te maken. Of de aanwezigen een voorgevoel gehad hebben van het geweldige dat gebeuren zou? Bezwaarlijk. Nog was het godsdienstvraagstuk niet acuut, nog Philips een onbekende. En een hevige orkaan voorwaar is het geweest, die den groot-Nederlandschen staat geveld heeft. Een zwaren storm, dien van 1477 en volgende jaren, had hij zegevierend doorstaan: het ontbrak hem dus niet aan weerstandsvermogen. Wat er van zuiver staatkundig particularisme nog leefde, zou, na 1555, nimmer bereikt hebben, waartoe het in 1477 onmachtig was gebleken. Andere krachten moesten ontketend worden, eer het werk der Bourgondiërs, arbeid niet ondernomen, maar goedgekeurd door de natie, kon worden gesloopt.
Het is de hervorming en niets anders dan deze, die Noord en Zuid heeft vaneengereten. De opstand zelf is zeker niet alleen door godsdienstige motieven bepaald; wèl is aan het godsdienstverschil het mislukken der centrale regeering na 1576, en de eindelijke splitsing der Nederlanden in twee helften toe te schrijven. Dieper opgehaald, is het godsdienstverschil een verschijningsvorm van het verschil in geestelijken aanleg tusschen Noord en Zuid, verschildat sinds lang bestond, maar eerst doodelijk voor de staatkundige eenheid werd in een tijd die de individualiteit tot oppersten rechter stelde over alle menschelijke instelling, over alle banden van overlevering en van dwingend recht. De staat der Zeventien Nederlanden kon alleen nog bestand hebben in een religievrede, die onmogelijk was omdat hij een wapenstilstand beduidde tusschen twee richtingen die beide nog in volle groeikracht waren, het neo-katholicisme niet minder dan het calvinisme, en die op verovering uitgaanmoesten, op straffe van ondergang. Geen staat in Europa of hetzij het eene, hetzij het tegenovergestelde levensbeginsel heeft er gezegevierd en het andere òf vernietigd, òf als streng bewaakte uitzondering een kommerlijk bestaan doen leiden. De „pariteit” is eerst een begrip der 18deeeuw, het eerst verwezenlijkt in het Pruisen van Frederik den Groote. Doch een reeks van oorzaken maakten in het Nederland der Gentsche Bevrediging het calvinisme te sterk, om door het neo-katholicisme, het neo-katholicisme te sterk, om door het calvinisme te kunnen worden onderdrukt. Nadat vreedzaam samenwonen was beproefd en mislukt, werd scheiding de eenig mogelijke oplossing.
De gang der hervorming in Nederland is zeer merkwaardig, en een nieuw bewijs hoezeer deze landen van het Duitsche Rijk waren vervreemd. De hervorming in haar bizonder-Duitschen vorm, het lutheranisme, sloeg hier weinig in. Ten tijde harer grootste uitbreiding heeft het er nooit naar uitgezien, of de lutherij Nederland mede zou sleepen. Ook ditmaal zou, gelijk zoo dikwijls, de bevruchting uit het Zuiden komen. Het calvinisme, uit Frankrijk ingevoerd, tastte het eerst de Waalsche steden aan:Valenciennes, Doornik. Het verbreidde zich snel, haast als een Fransche mode, over het Zuiden; niet zoo snel over het Noorden, maar de zielen die hetdaar won, hield het vast. De hagepreek en de beeldenstorm van 1566 zijn in hoofdzaak Zuidnederlandsche verschijnselen, deBiencorfeen Zuidnederlandsch boek. Het is weer een geschiedenis van Vlaamsche ontvlambaarheid en actie, van Hollandsche stugheid en rust. Het ondiepe water wordt het felst bewogen, maar de hooge golven die er gaan breken ook het eerst.
Weinig geleerden hebben den geest der beweging van 1566 zoo gelukkig getroffen, als, in zijn onopzettelijkheid, de romanschrijver Charles de Coster in zijnTijl Uilenspiegel, en dat hij dit gedaan heeft, is door niemand zoo goed gevat en zoo fraai uitgedrukt als door den Noordnederlandschen criticus Busken Huet.
„Als mengsel van goed en kwaad is Tijl een merkwaardige type. Hij heeft het diep gevoel van regt, hetwelk een volk op den duur het despotisme haten doet. Hij lijdt mede met den kleinen burger, tot wiens stand hij behoort. Hij is dapper, vindingrijk, en edelmoedig; een poorter met de gevoelens van een ridder. Zijne ligtzinnigheid zelve heeft iets elegants......” Maar de keerzijde! „Wanneer Tijl de guitestreken zijner vlegeljaren achter den rug heeft, dan zweert hij wel, bij het lijk zijns vaders, een ernstig man te zullen worden, een echte Geus; doch hij doet zijn eed niet gestand. Alleen bij tusschenpoozen ontwaakt in hem de volksheld. Zijne doorgaande levenswijze blijft die van den zigeuner, den onverbeterlijken pretmaker, den man naar het hart van Jan Steen. Er is in zijne vrijheidsliefde, hoe vurig ook, iets negatiefs. Hij wil den koning weghebben, de priesters, de inquisitie, de regters die met de geestelijkheid heulen, de landvoogden die door belastingen het volk uitzuigen. Maar met welk doel? Dit begrijpt men niet, of te weinig. Wij gevoelen alleen datUilenspiegelin zijn regt is, wanneer het instinkt van zijn landaard hem zegt dat het leven de moeite niet loonenzou, zoo elke kermisvreugde er uit gebannen werd.....” De Hollanders, die volhielden, „hebben zich moeten onderwerpen aan de noodzakelijkheid, een vreugdeloos kalvinistisch leven te leiden. Het bestaan der hoogere standen werd in Noord-Nederland zoo saai dat de schilders, tenzij in konventionele schuttersmaaltijden, in sombere regente- en regentessestukken, geen kans zagen het op doek te brengen. Het afbeelden van gemeene drinkgelagen, in gemeene herbergen, moest als veiligheidsklep der onderdrukte vrolijkheid dienst doen; gelijk aan de bruiloftsmaaltijden door schuinsche liedjes het puritanisme zich schadeloos stelde, of in de schouwburgen voor een keer het hart ophaalde aan eene uit de goot afkomstige klucht. Maar onderwijl werd in Europa de strijd tegen Spanje krachtig en glansrijk voortgezet; werd in Indië een groot overzeesch rijk gesticht; werden Amsterdam de schatten verzekerd, die Antwerpen derven moest, en verrezen er, tot eer der wetenschap, beroemde hoogescholen.—België heeft voor zijn meerderen levenslust, zijn krachtiger artistieken zin, gedurende meer dan twee honderd jaren met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet. Dit is een harde straf geweest. Maar ook Holland is niet vrijgeloopen. Om zich te kunnenhandhavenheeft het zich moeten afzonderen, in zichzelf moeten opsluiten. Het is buiten de algemeene beschaving geraakt; is in de achttiende eeuw allengs eene europesche kuriositeit geworden. En eene wormstekige kuriositeit bovendien! Toen de kalvinistische republiek tweehonderd jaren bestaan had, is zij op een kouden winterochtend van het jaar 1795 roemloos ineengezonken. In het begin der negentiende eeuw hadden Holland en België elkander niets te verwijten, niets te misgunnen. Beiden waren van de kaart van Europa geschrapt, en fransche wingewesten geworden.... Het is niet alles deugd geweest, wat in denstrijd tegen Spanje de Hollanders heeft doen zegevieren; niet alles ondeugd, wat de Belgen heeft doen bezwijken. Aan de eene zijde zijn niet enkel voordeelen behaald, aan de andere zijde is niet enkel schade geleden. De Belgen hebben integendeel iets overgehouden wat de Hollanders zich nog eigen moeten maken: ik weet niet welken zin om het leven te verfraaijen, de alledaagsche zorgen voor een keer van zich af te schudden, onbekrompen in de beurs te tasten...... Ongetwijfeld zouden de Belgen zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij in de 16deeeuw, ter wille van het kalvinisme, dien natuurlijken aanleg hadden onderdrukt. En nog verkeerder zouden zij heden ten dage handelen, zoo zij, ter wille van hun fatsoen of uit menschevrees, er te weinig van lieten blijken”23).
Er zijn op deze geestige bladzijde eenige aanteekeningen te maken. Ongetwijfeld zouden ook de Hollanders zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij, ter wille van de kermisvreugde, tegen de uiterste consequenties van den strijd hadden opgezien. Zij hadden meer dan een staatkundige, zij hadden een geestelijke zelfstandigheid te verdedigen, en het verstrekt hun een adelbrief, dat zij zich aan die gewetenstaak niet hebben onttrokken. De Zuidnederlanders van 1576 stonden op om de staatkunde, niet langer om den godsdienst: zoodra hun, onder Parma, zekere staatkundige waarborgen werden geboden, konden zij zonder hun karakter te verloochenen den strijd opgeven. Niet aldus de Noordnederlanders, die intusschen op het calvinisme hun eigen stempel hadden gedrukt, en het als tot hun eigenste bezit gemaakt.
„België heeft met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet”. Is deze voorstelling juist? Niet ten volle. Wij bezien, zoo sprekende, het lot van België door een Noordnederlandschenbril. Om een onafhankelijkheid te verliezen, moet men haar bezeten hebben, en wanneer is dit, in den hier blijkbaar bedoelden zin, vóór den tachtigjarigen oorlog het geval geweest? Immers nooit. „Onafhankelijkheid” in den zin van 1830 was geen ideaal der Belgische beweging van 1576. Men kwam in opstand tegen vreemde krijgsknechten en voor het behoud van nationale instellingen en voorrechten, die door Parma bij de reductie van het Zuiden gewaarborgd zijn. De voorstelling, als zou België sedert den val van Antwerpen in een toestand van slavernij hebben verkeerd, is onhistorisch. De regeering van Albertus en Isabella bij voorbeeld was langen tijd populair, en ontzag 's lands gerechtigheden evenzeer of meer als die van Karel V ooit gedaan had. Nog aan den vooravond der Fransche omwenteling vloog het volk in de wapenen voor het behoud der overgeleverde instellingen, die het sedert Parma onverkort had bezeten. Waar blijven bij deze feiten de „eeuwen van verdrukking”, waarvan het volkslied van 1830 spreekt? De Belgen zijn over het geheel in de zeventiende en achttiende eeuw geregeerd zooals zij het verlangden. Ook is het niet waar dat zij, zooals hetzelfde volkslied zegt, in 1830 „hun vaandel” heroverd hebben. Een vaandel, symbool eener internationaal erkende zelfstandigheid als die van de Vereenigde Nederlanden na 1648, hebben de Belgen voor 1830 nooit bezeten, en konden zij dus ook niet heroveren. Een zoodanige voorstelling, bestemd om den roem der mannen 1830 te verhoogen, verkleint dien inderdaad. Zij hebben niet hersteld, maar geschapen.
En toch, hoe begrijpelijk in haar ontstaan is de in haar algemeenheid ongetwijfeld onjuiste voorstelling die wij gispten. De slavernij, die men te vergeefs zoeken zal in het binnenlandsch bestuur, bestond in de verhouding tot het buitenland, tot Noord-Nederland in het bizonder.Een Noordnederlandsch staatsman24)heeft eenmaal gezegd, dat in 1648 de koning van Spanje „het land redimeerde voor de zee, die hij cedeerde aan de Republiek.” Liever dan alle krachten in te spannen tot de verovering van het Zuiden, dat men, als Roomsch land, toch kwalijk zou kunnen regeeren, liet men het aan Spanje „met een bezwaarden eigendom.” België was tot de rol van bolwerk voor Noord-Nederland vernederd, tevens afzetgebied voor den Noordnederlandschen handel. De grootheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was op den ondergang van Antwerpen gebouwd. Zoodra de Zeven Provinciën bevrijd en door de verovering van eenige buitenwerken bezuiden de groote rivieren versterkt waren, liet men België gaarne aan zijn lot over. Wat zoude men er ook mede hebben uitgericht? De ervaring van 1632, toen men zonder gevolg het Zuiden tot afval van Spanje had opgeroepen, was leerzaam; niet minder teekenend was, jaren na dien, de impopulariteit van het Nederlandsch tusschenbewind tijdens den Spaanschen successie-oorlog25). De voorwaarden zelf van den voorbeeldeloozen bloei der Republiek verhinderden, dat zij zich voor het ideaal van een Groot-Nederland verdienstelijk zou hebben kunnen maken. Zonder de vernedering van België was die bloei niet denkbaar.
Het Noorden dankte intusschen aan het Zuiden onnoemelijk veel. Om dit te erkennen, is het voldoende de lange lijst na te gaan der in Zuid-Nederland geboren personen, die de kerk, de wetenschap, de letteren en den handel der Republiek geïllustreerd hebben. Opmerkelijk is hierbij weder de veel grooter zelfstandigheid van hetNoorden in de beeldende kunst dan in de letteren. De taal van den Statenbijbel en die van Vondel is vol bewijzen van Zuidnederlandschen invloed; Vondels verbeelding zelf is geheel Zuidnederlandsch. Daarentegen komt het gansche verschil tusschen Noord en Zuid, behalve in het godsdienstig en burgerlijk leven, in onmiskenbare trekken in de schilderkunst uit. Gelijk vroeger Brugge, beleefde thans Antwerpen nog een tijd van grooten kunstbloei na den ondergang van zijn handel. Wel mag België de gedachtenis eeren van Rubens en van Dyck: zij zijn de laatste standaarddragers eener beschaving, wier reddeloos verval een gevoelig verlies werd voor Europa. In hen neemt het oude, groote België, dat in een arbeid van eeuwen was opgebouwd, afscheid van de wereld. Voortaan zal slechts een geheel ander België mogelijk zijn, dat zich niet onmiddellijk aan de traditiën van het oude vastknoopen kan. Na den vrede van Munster geraakt België buiten den stroom der Europeesche geschiedenis; de Fransche omwenteling is noodig om het daar weder in te stooten.
Doch is het lot Noord-Nederland veel gunstiger geweest? Immers neen. Het rijst, in de eerste twintig, dertig jaren na den val van Antwerpen, met een verbazingwekkende snelheid omhoog. Dan volgen een zestig, zeventig jaren van majestueuze grootheid, maar die toch geen stevigen grondslag had. Het land dankte te veel aan voorbijgaande omstandigheden. Ligging en volksaard verzekerden Noord-Nederland een aandeel in den wereldhandel, zij verzekerden het geen handelsmonopolie. Als zeemogendheid kon het zijn rang niet ophouden, zoodra Engeland zich er toe zette van zijn rijker natuurlijke hulpmiddelen ten volle partij te trekken. Daarbij was, te land, de jonge mogendheid zeer kwalijk bevestigd. In 1672 kwam de waarschuwing, aan welke gevaren een geïsoleerd Noord-Nederland in de wereld blootstond. DeRepubliek moest, om bondgenooten te vinden, haar fabelachtigen rijkdom dienstbaar maken aan belangen die haar slechts van terzijde aangingen. In stede van in een veroverende, stond zij voortaan ten opzichte van de buitenwereld in een verdedigende positie. Alle uitbreiding was haar ontzegd, te land als over zee. Den schijn te redden werd voortaan haar steeds moeilijker wordende taak. Tegelijk verschrompelde haar geestelijk bestaan, dat gedurende korten tijd een licht der wereld was geweest. De val van Rubens tot de Belgische achttiende eeuw is niet grooter dan die van Rembrandt tot.... ja tot wien? Men is zelfs verlegen een naam te noemen.
Toch bleef er, in beider verval, groot onderscheid tusschen Noord en Zuid. Hoe ondermijnd dan ook, was de Republiek toch nog een zelfstandige staat en herbergde zij een meer zelfstandige kultuur dan het Zuiden. Kenmerk van het Zuiden was geweest de eigenaardige versmelting van Waalsche en Dietsche beschavingelementen. In de uitoefening dezer historische functie trad door de ongenade der omstandigheden een voor België's toekomst noodlottige stilstand in. De Fransche kultuur katholiciseerde en centraliseerde zich meer en meer: zij werd de kultuur van het tijdvak van Lodewijk XIV. Aan de andere zijde protestantiseerde zich de Dietsche beschaving, waarin België thans geheel door Noord-Nederland werd overvleugeld. België nu had, thans als immer, taalgemeenschap met beide aangrenzende landen, maar geloofsgemeenschap alleen met Frankrijk, en geloofsgemeenschap was in dezen tijd een oneindig machtiger factor dan taalgemeenschap. En dit was niet alles: ten gevolge van den ondergang des handels en het schrikbarend verval der Belgische steden nam de beteekenis van den adel en van de geestelijkheid in de Belgische maatschappij zeer toe: een maatschappij die in bouw veel meer op die van Frankrijk dan op dievan Noord-Nederland ging gelijken. Terwijl dus de monarchale, katholieke, aristocratische Fransche beschaving vrijen toegang had, stuitte de republikeinsche, protestantsche, burgerlijke van het Noorden tegen een ondoordringbaren muur. Het gevolg was dat het evenwicht tusschen Waalsch en Dietsch werd verbroken in zulk een mate, dat vijftig of zestig jaren Vlaamsche beweging het toen vernielde nog niet weer hebben kunnen opbouwen. Er had langen tijd op Belgischen bodem geen bevruchting van Romaansche door Nederduitsche beschaving en omgekeerd meer plaats, en dus ook geen eigenaardig Belgische productie meer. Eenerzijds verviel de Nederlandsche taal in België tot een staat van boerschheid, het katholicisme in Vlaanderen tot een staat van bijgeloof; andererzijds werd de beschaving van Parijs en Versailles, zonder oponthoud aan eenig tusschenstation, regelrecht naar Brussel ingevoerd, waar zij als een geleend pak werd gedragen. Naarmate de toon te Parijs veranderde, veranderde de weerklank in de beschaafde kringen van België. Deze maakten in de achttiende eeuw de zwenking vanBossuetnaarVoltairemede. Iemand als de Brusselsche markiesdu Chasteler(1744–1789) is een volmaakter type van den „philosophe à la mode” dan er in het Noord-Nederland van denzelfden tijd één is voorgekomen. Er kwam door de Belgische samenleving een scheur te loopen, dieper dan het verschil in taal er ooit door getrokken heeft: een scheur door den geestelijken samenhang der onderscheiden klassen van het volk, waarvan de beschaafden als tot een ander rijk behoorden als de massa.
In dit opzicht was het in Noord-Nederland veel beter gesteld. Het land lag voor allerlei geestelijken invoer open, maar het ingevoerde bleef er zelfstandig verwerkt worden tot een product van onmiskenbaar Nederlandsch karakter.Niet dat dit product altijd even groote waarde had, doch dit behoeft ook niet om in de geschiedenis van een volk die mate van continuiteit te verzekeren, waardoor de overlevering eerst tot een eigen, levende kracht wordt gemaakt. Het is deze meerdere continuiteit die Nederland nog altijd iets op België vóór doet hebben. In vergelijking tot België zijn wij tegelijkertijd een veel jonger en een veel ouder land. Veel jonger: om dit te erkennen is het voldoende de middeleeuwsche geschiedenis van Vlaanderen naast die van Holland te leggen, of eerst Dordrecht, Leiden en Amsterdam, daarna Gent en Brugge te doorwandelen. En in anderen zin herkent men in Nederland toch weer een veel ouder land, als men niet de zaken opzoekt die tot louter historische bezienswaardigheden zijn geworden, maar zich rekenschap geeft van den ouderdom der organen van het nationale leven gelijk zij nog heden ten dage in werking zijn. Wij zijn in meerdere mate ons zelf gebleven, en dus jonger dan het historische, maar ouder dan het hedendaagsche België.—Een overeenkomstig verschijnsel leveren Noord- en Zuidduitschland op. Gelijk in de Nederlanden, heeft ook in Duitschland de Fransche omwenteling een veel grooter opruiming in het Zuiden dan in het Noorden gehouden; juist wijl in het Zuiden het bestaande ouder en meer verouderd was, heeft het minder goed den storm doorstaan, en is er meer noodzaak geboren tot geheel nieuwe constructie.