TWEEDE HOOFDSTUK.

Hoewel onmiskenbaar bestaande, is toch de voorsprong die Nederland aldus op België behouden heeft, niet zeer groot. Lang zoo groot niet als die van Pruisen in Duitschland. Pruisen, dat een schepping derHohenzollern's was van den Grooten Keurvorst tot Frederik den Groote, en dus meer dan een eeuw jonger dan de Republiek, die van Willem van Oranje en Oldenbarnevelt dagteekent;—Pruisen heeft van de Franscheomwenteling niet meer dan een heilzamen stoot ontvangen, aanleiding tot de volksbeweging van 1813, die het weder aan het hoofd der ontwikkeling van Duitschland stelde.Jenamaakt in de geschiedenis van Pruisen bij lange na niet een zoo diepe insnijding, als het jaar 1795 in die van Noord-Nederland. Pruisen is in de dagen zijner diepste vernedering nimmer van de kaart van Europa verdwenen; het had een veel grooter prestige tegenover de landen die het in 1815 verkreeg, als Nederland het hebben kon tegenover België. De taak waarvoor Pruisen zich in de Rijnprovincie gesteld zag, is in menig opzicht bij de taak van Willem I in België te vergelijken. Maar Pruisen was beter toegerust; ook gingen zijn oude provinciën in omvang en bevolking de nieuwe verre te boven, hetgeen in de Nederlanden niet het geval was. Pruisen heeft veel verricht, maar heeft het geleidelijk kunnen doen; in 1815 zag het een stuk van Duitschland aan zijn leiding onderworpen, in 1866 een tweede, in 1871 een derde stuk. En het verdient zeker de aandacht, dat Pruisen er niet in geslaagd is de Duitsche eenheid tot stand te brengen zonder Oostenrijk uit te sluiten, de half-Duitsche macht. Wat onder Pruisens leiding gesteld werd, was telkens zuiver Duitsch gebied, en telkens ook in oppervlakte en bevolkingsgetal zeer de mindere van de oude provinciën. Hoeveel moeilijker was de taak van Noord-Nederland in 1815. Ware het Willem I gelukt, een groot-Nederlandsche eenheid te stichten, hij zou, op verkleinde schaal, niet hetzelfde alsBismarck, maar veel meer danBismarckhebben bereikt. Een dergelijk resultaat zou gelijkwaardig zijn geweest niet aan de aantrekking van Beieren en Wurtemberg tot den Noordduitschen staat, maar bijna aan de assimilatie van Oostenrijk zelve.

Wij eindigen deze voorafgaande beschouwingen, die tendoel hadden ons te binnen te brengen hoezeer Noord- en Zuid-Nederland vóór de vereeniging van 1815 in samenstelling, in aanleg, in lotgevallen hadden verschild. Aan den tijd van de zestiende tot de achttiende eeuw hebben wij daarbij zeer in het kort kunnen herinneren: de geschiedenis van het uiteengaan in den tachtigjarigen oorlog, en de groote tegenstelling tusschen het Noorden in den tijd van zijn hoogsten bloei, het Zuiden in den tijd van zijn diepste verval, zijn bekend genoeg. Doch wij meenen te hebben aannemelijk gemaakt, dat het verschil niet enkel of niet voornamelijk zijn oorsprong heeft in de groote gebeurtenissen der zestiende eeuw. Ook daarvóór waren Noord en Zuid twee werelden, en bestond veeleer een tegenstelling tusschen deze beide, als tusschen een Dietsche wereld (Noord met inbegrip van Vlaamsch-België) en een Waalsche. Maar even onloochenbaar als dat Noord en Zuid veel verschilden, is het dat zij grooter overeenkomst met elkander hadden dan met welk ander land van Europa ook. Het was slechts de vraag, of sedert de zestiende eeuw de lotgevallen beide helften niet zoodanig van elkander hadden vervreemd, dat hereeniging onmogelijk zou blijken.

1)In 1146 werdDoornikafgescheiden uitNoyon. In 1093 was Atrecht afgescheiden uit Kamerijk. De oude bisschopszetel van Tongeren was eerst overgebracht naar Maastricht en sedert het begin der 8ste eeuw gevestigd te Luik.

1)In 1146 werdDoornikafgescheiden uitNoyon. In 1093 was Atrecht afgescheiden uit Kamerijk. De oude bisschopszetel van Tongeren was eerst overgebracht naar Maastricht en sedert het begin der 8ste eeuw gevestigd te Luik.

2)Pirenne I, 19.

2)Pirenne I, 19.

3)Zeer fraai bijPirenne, I, 32en daarvoor.

3)Zeer fraai bijPirenne, I, 32en daarvoor.

4)In 1439 voor een jaar te Kortrijk; van 1447 tot 1451 te Dendermonde, van 1451 tot 1463 te Yperen.

4)In 1439 voor een jaar te Kortrijk; van 1447 tot 1451 te Dendermonde, van 1451 tot 1463 te Yperen.

5)Placcaerten van Vlaenderen, I, 241, 242.

5)Placcaerten van Vlaenderen, I, 241, 242.

6)Van 1463 tot 1477 ook Holland en Zeeland. De Haagsche Rekenkamer, in 1446 opgericht, werd bij art. 22 van het Groot-Privilegie hersteld.

6)Van 1463 tot 1477 ook Holland en Zeeland. De Haagsche Rekenkamer, in 1446 opgericht, werd bij art. 22 van het Groot-Privilegie hersteld.

7)Pirenne II, 362.

7)Pirenne II, 362.

8)Ziebl. 17.

8)Ziebl. 17.

9)Vroeger was de directe weg onbruikbaar, en moesten de schepen Walcheren om.

9)Vroeger was de directe weg onbruikbaar, en moesten de schepen Walcheren om.

10)P. L. Muller inGids 1885, Octobernummer(„Middeleeuwsch Nederland”; het beste wat over deze aangelegenheden geschreven is).

10)P. L. Muller inGids 1885, Octobernummer(„Middeleeuwsch Nederland”; het beste wat over deze aangelegenheden geschreven is).

11)Ik dank de bevestiging mijner eigen schroomvallig gevormde zienswijze in dezen aan de met uitnemende bereidwilligheid verstrekte voorlichting van mijn vriend Dr.Wilhelm Valentiner, die voornemens is het punt eerlang opzettelijk te behandelen.

11)Ik dank de bevestiging mijner eigen schroomvallig gevormde zienswijze in dezen aan de met uitnemende bereidwilligheid verstrekte voorlichting van mijn vriend Dr.Wilhelm Valentiner, die voornemens is het punt eerlang opzettelijk te behandelen.

12)Of men van Claes of van Klaus Sluter moet spreken, hangt af van het antwoord op de m. i. nog open vraag, of men in hem een Noordnederlander of een Rijnduitscher te zien heeft, waarover nader.

12)Of men van Claes of van Klaus Sluter moet spreken, hangt af van het antwoord op de m. i. nog open vraag, of men in hem een Noordnederlander of een Rijnduitscher te zien heeft, waarover nader.

13)Land van Rembrand, I, 496.

13)Land van Rembrand, I, 496.

14)Mémores de la Commission des Antiquités du département de la Côte d'Or, II, 7 vv.(1847).

14)Mémores de la Commission des Antiquités du département de la Côte d'Or, II, 7 vv.(1847).

15)Gazette des Beaux Arts, 1890, p. 359.—Pirenne (II, 428)noemt Sluter een Zeeuw; op welken grond weet ik niet, maar zoo hij aan Huet'sClaes van Voornegedacht heeft, is de grond onvoldoende.

15)Gazette des Beaux Arts, 1890, p. 359.—Pirenne (II, 428)noemt Sluter een Zeeuw; op welken grond weet ik niet, maar zoo hij aan Huet'sClaes van Voornegedacht heeft, is de grond onvoldoende.

16)Bibliothèque de l'Ecole des Chartes, LX, 86.

16)Bibliothèque de l'Ecole des Chartes, LX, 86.

17)Wiens naam in de rekeningen voorkomt alsSlustre, Celustre, Celeustre, Celoistre, Celestre, Celeute, ende Selustre. TeDijonheeft men dus de klanken Sluter en Sluiter, nietSchlözergehoord.

17)Wiens naam in de rekeningen voorkomt alsSlustre, Celustre, Celeustre, Celoistre, Celestre, Celeute, ende Selustre. TeDijonheeft men dus de klanken Sluter en Sluiter, nietSchlözergehoord.

18)Pit,La Sculpture hollandaise au Musée national d'Amsterdam(Amsterdam 1902).

18)Pit,La Sculpture hollandaise au Musée national d'Amsterdam(Amsterdam 1902).

19)Nog zijn merkwaardig „het Landschap met den Kerktoren” en „het Straatje”, afgebeeld bij Johanna de Jongh, Het Hollandsche Landschap in Ontstaan en Wording (den Haag 1903).

19)Nog zijn merkwaardig „het Landschap met den Kerktoren” en „het Straatje”, afgebeeld bij Johanna de Jongh, Het Hollandsche Landschap in Ontstaan en Wording (den Haag 1903).

20)Het duidelijkstRogieren de meester vanFlémalle(enge verwantschap met de Doorniksche beeldhouwkunst).

20)Het duidelijkstRogieren de meester vanFlémalle(enge verwantschap met de Doorniksche beeldhouwkunst).

21)Zelfs hij niet geheel. Hij blikt althans niet recht op Lazarus aan.

21)Zelfs hij niet geheel. Hij blikt althans niet recht op Lazarus aan.

22)Alles wat tot dusver over Gerard David geschreven werd, is thans verduisterd door het schitterend boek vanvon Bodenhausen,Gerard David und seine Schule(München1905).

22)Alles wat tot dusver over Gerard David geschreven werd, is thans verduisterd door het schitterend boek vanvon Bodenhausen,Gerard David und seine Schule(München1905).

23)Litt.Fantasiën, vierde reeks, vijfde deel, bl. 137–139.

23)Litt.Fantasiën, vierde reeks, vijfde deel, bl. 137–139.

24)Van de Spiegel (zie zijn papieren doorVreede II, 394).

24)Van de Spiegel (zie zijn papieren doorVreede II, 394).

25)Gachard,Le Conseil d'Etat belge et la Conférence anglo-batave, 1706–1713(Bull. Acad. Royale, 1876).

25)Gachard,Le Conseil d'Etat belge et la Conférence anglo-batave, 1706–1713(Bull. Acad. Royale, 1876).

De Vereeniging.

Het was geen innerlijke drang, het was dwang van buiten die beide helften in 1815 tezamen voegde.

Er had, reeds eenigen tijd vóór de Fransche omwenteling, een „Belgisch vraagstuk” bestaan, dat het hoofd weer opstak toen de vloed afliep en Europa nieuw moest worden ingericht.

België was, in 1715, aan een huis toegevallen dat het land onder zeer bezwarende omstandigheden aanvaardde, als een soort dépôt in het belang van het Europeesch evenwicht, en in het bizonder als bolwerk voor de veiligheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Het lag afgescheiden van de overige deelen der Oostenrijksche monarchie, en was onmogelijk daarmede te vereenigen. Geen wonder dat de regeering te Weenen er dikwijls over dacht, een of ander meer begeerd land, Beieren bij voorkeur, tegen België te ruilen. Doch een dergelijk plan was zeer moeilijk te verwezenlijken: België was nu eenmaal zoo gelegen, dat de belangen van driekwart Europa bij zulk een ruil betrokken waren. Jozef II heeft in 1785 getracht de zaak door te zetten, maar zonder vrucht.

Ging dit ruildenkbeeld van den vreemden souverein uit, België zelf deed in het laatst der achttiende eeuw ook weer van zich spreken.

Het was lang geleden dat het dit ooit gedaan had. De vrede van 1648 had het land geen rust gebracht; juist daarna werd het meer dan ooit het slagveld, waarop de groote mogendheden van Europa haar geschillen kwamen uitvechten. Tot den vrede van Utrecht toe weerklinkt in België haast onafgebroken het hoefgetrappel van vreemde benden. Eerst die vrede bracht verademing. Een lange rust breekt aan, slechts, omstreeks het midden der eeuw, door den Oostenrijkschen successie-oorlog verstoord.

Het kon niet anders of het land moest zich in dezen tijd van langdurigen vrede eenigermate herstellen, al ging het nog zoo langzaam. Er was nameloos veel vernield, maar wat niet vernield had kunnen worden was de gunstige ligging van het land, de rijkdom van zijn bodem, de begaafdheid en de nijvere aard zijner bevolking. Van de ligging viel echter vooralsnog weinig voordeel te trekken: de geschiedenis der Compagnie van Oostende was er het droevige bewijs van. Doch bleef de handel België ontzegd, het kon zich op den landbouw en op de nijverheid toeleggen. Beide deze bedrijven gingen aanmerkelijk vooruit, met name onder de regeering van Maria Theresia.

Naarmate eenige welvaart terugkeerde, werd het natuurlijk minder gewillig verdragen, dat het land ten believe van de Republiek der Vereenigde Nederlanden gekortwiekt was. Het is, behalve tegenover Jozef II, voornamelijk tegenover Holland geweest, dat het België der achttiende eeuw zich bijwijlen weder een natie gevoeld heeft. De onwil om zich het barrière-tractaat te laten opleggen, de instemming die Jozef II ondervond toen hij de Hollandsche garnizoenen verwijderde, spreken duidelijk genoeg. Ware Keizer Jozef in andere opzichten niet dwars tegen den geest der bevolking ingegaan, zijn maatregelen tegen de Republiekzoudengewis nog veel hartelijker door haar zijn ondersteund. Dat het land niet van zijn natuurlijkenweg naar zee gebruik mocht maken was inderdaad een monstruositeit; men vervange het woord Schelde eens door Texel of Maas, en brenge zich te binnen, wat dan „de sluiting” voor Holland zou beteekend hebben! Doch naarmate de Republiek haar grootheid tanen zag, klampte zij zich te angstvalliger aan haar voorrecht vast.

Nog meer evenwel dan de antipathie tegen het Noorden, bracht die tegen de regeering van Jozef II de Belgen bijeen. Jozef was sedert Philips II de eerste vorst, die in het binnenlandsch bestuur den geest der bevolking moedwillig tartte. Geheel iets anders was het, de verlichting der eeuw in het land toe te laten en zelfs te bevorderen, geheel iets anders, haar, van de bureaux der regeering uit, een niets ontzienden aanval te doen richten tegen al wat bij overlevering bestond. En Jozef II wilde daarbij de Nederlanden regeeren van uit Weenen, gelijk eenmaal Philips van uit het Escoriaal. „Il imagine tout”, schrijftStarhemberg, zijn gewezen minister in Brussel, aanMercy, „il voit tout, dirige, exécute et gouverne tout par lui-même. Les divers départemens ne sont que des corps organisés auxquels il donne l'impulsion qui les met en mouvement, mais ils ne peuvent rien par eux-mêmes et ne sont pas même assurés d'un jour à l'autre de leur propre existence et encore moins du maintien de leur ressort.”26)De processiën werden verboden, op grond dat zij „geen eer deden aan de verlichting van het volk.”27)Alle dorpskermissen zouden—waartoe?—in het geheele land plaats moeten hebben op één en denzelfden dag. Tegen dergelijke schoolmeesterij kwam ten slotte de massa van het volk in verzet, niet enkel de duisterlingen.

Opmerkelijk is, dat het Jozef niet aan machtigen steunvoor zijn hervormingen zou ontbroken hebben, indien hij te werk had willen gaan als een bezadigd man en niet als een dolkop. Er berust in de archieven te Weenen een merkwaardig stuk van den markiesdu Chasteler, dat aangeeft welke groote doeleinden de Keizer najaagt in zaken van godsdienst, rechtspraak en bestuur; vervolgens op welke wijze hij zijn doel heeft zoeken te bereiken, en eindelijk hoe hij het had kunnen bereiken, of althans nader komen, zonder zooveel aanstoot te geven28). De grondtoon van het stuk is een klacht, dat de Keizer de natie het goede op wil leggen buiten haar om, en geen oog heeft voor haar eigenaardigheden. Zoo waren er veel onder de hoogere standen, die minder bezwaar hadden tegen de zaak dan tegen de uitvoering. Maar Jozef luisterde naar geen waarschuwingen, en het volk stond tegen hem op.

Het was gedurende dezen opstand, dat van Belgische zijde de vraag opgeworpen werd naar de toekomstige verhouding tot Noord-Nederland. Men kon niet van Oostenrijk af zonder buitenlandsche hulp, en, zooals de politieke verhoudingen van 1789 lagen, moest die komen van de drie verbondenen, Engeland, de Republiek en Pruisen. Van deze drie nam Pruisen, uit vijandschap tegen Oostenrijk, de meest tegemoetkomende houding tegenover de Belgen aan. Meer terughoudend waren Engeland en de Republiek; het gold dus vooral, deze beide voor de zaak van den opstand te winnen. Tot dit doel begaf zich de advocaat van der Noot naar Londen en naar den Haag, en spiegelde in het eene land de koningskroon aan den hertog van York, in het andere een algemeen stadhouderschap aan den tweeden zoon van den Prins van Oranje voor. Deze aanbiedingen waren niet ernstig gemeend en werden ook niet ernstig opgenomen. In denHaag sprak van der Noot ook over een toekomstige vereeniging der Belgische en Nederlandsche republieken, een denkbeeld, dat toen ook in het vlugschriftLa République belgiqueis aanbevolen. De Noordnederlandsche staatkunde van 1789 echter was van zulk een vereeniging afkeerig: de Raadpensionaris van de Spiegel noemt het, in een brief aan den gezant der Republiek in Engeland, „eenchimère, welke aan ons althans niet convenieeren zoude”29). Hij wilde de onafhankelijkheid van België slechts erkennen op beding, dat van de voorrechten, die Nederland bij tractaat ten opzichte van België had verkregen, iedere letter gehandhaafd bleef30). Een vreedzame oplossing van het Belgische vraagstuk, waarbij het land, tegen bevestiging zijner oude privilegiën, onder de gehoorzaamheid des Keizers terugkeerde, was hem verreweg het liefst; hij voorzag te goed, dat een krachtige nationale staat in België de voorrechten van Holland niet lang zou kunnen eerbiedigen, en ze ten offer te leggen op het altaar eener groot-Nederlandsche gedachte lag toen geheel en al buiten den Hollandschen gezichtskring. Maar het scheen een oogenblik, in het begin van 1790, alsof men werkelijk geen andere keus had, dan België als een onafhankelijk land te erkennen; het had de vreemde troepen verjaagd: liet men het nu los, dan zoudenLafayetteen de Nationale Vergadering in Frankrijk zich van de beweging meester maken, tot groot nadeel van het belang der zeemogendheden. In dezen tijd heeft van de Spiegel overwogen, hoever hij, zoo de nood drong, met België zou willen gaan. Zijn „Generaale Gronden van een verbond tusschen de twee Republieken” komen op het volgende neder: „De beide Republieken zullen independent zijn van malkanderen hebben haare eigen souverainiteit, administratie van justitie, politie, militie, finantie en wat verder tot de regten der souverainiteit behoort, maar zullen zich ten aanzien van de onderlinge defensie zoo nauw confœdereeren alsof zij maar éénen Staat uitmaakten”31). Derhalve geen aanvallende oorlog, geen alliantiën, geen doortocht aan vreemde troepen dan met gemeen goedvinden; wederzijdsche inzage van den staat van elkanders weermiddelen; éénmaal per jaar een bijeenkomst van wederzijdsche afgevaardigden, „in welke gehandeld zal worden van den staat van defensie, van alliantiën, en in 't generaal van alles wat tot deeze confœderatie relatief is, doch niet beslooten dan op approbatie van de wederzijdsche souvereinen.” In tijd van oorlog zal deze vergadering permanent zijn, en zullen de vereenigde legers worden aangevoerd door den Erfkapitein-generaal van de Vereenigde Nederlanden32).

Een militaire conventie dus is het uiterste waartoe van de Spiegel komen wil. Van een Belgisch stadhouderschap voor een lid van het huis van Oranje wil hij niet hooren. Men behoeft zich ook geen oogenblik voor te stellen, dat deze zaak van Belgische zijde ernstig was gemeend. Zij was door van der Noot voorgespiegeld in Mei 1789, zeer in het vage, als een eerste aanloksel. In December 1789 evenwel was de eigenlijke intellectueele leider der zaken, de kanunnik van Eupen, in den Haag geweest, en had de grondslagen opgegeven der constitutie die men voor de nieuwe republiek dacht aan te nemen: een vergadering van Staten-Generaal, die souverein zal zijn tegenover het buitenland en ten opzichte der landsverdediging; een onder de Staten-Generaal gestelden Raad van State; voorts zelfregeering der provinciën. Een prins of gouverneur dacht vanEupen niet aan te nemen33). Van de Spiegel's „generale gronden” voor een verbond tusschen Noord en Zuid waren „en gros met van Eupen beredeneerd”. Zij zijn te beschouwen als de grondslag waarop de wezenlijke leiders der Belgische en der Nederlandsche staatkunde van 1790 van oordeel waren dat een toenadering kon worden beproefd; wat daarboven uitging was toenmaals òf niet oprecht gemeend, òf ijdele plannenmakerij. En of zelfs op de „generale gronden” de toenadering mogelijk zou zijn geweest? Ik geloof het geen oogenblik. Het wachtschip bij Saaftingen vertegenwoordigde in werkelijkheid een soort Chineeschen muur, dien Holland niet wilde laten springen, en dien een in waarheid zich onafhankelijk gevoelend België geen tien, geen vijf jaar meer zou willen laten staan. Het netelig punt der handelsvoorrechten werd dan ook door de Belgische onderhandelaars zooveel mogelijk ontweken.„Nous n'aimerions pas à recevoir des lois trop dures, mais à cela près qu'on ne nous redoute pas,”schrijft van Eupen aan zijn agent in den Haag, Leempoel. „Niet zeer voor de vuist,” meende van de Spiegel. Een woord van van Eupen aan van de Spiegel's man te Brussel,d'Yvoy, was iets duidelijker: „dat er geene de minste reden van vrees was voor al 't geen waarvan de Republiek volgens de tractaten jouïsseert, maar dat zij onmogelijk, zonder zigzelven in gevaar te brengen, thans van eenige zekerheid dienaangaande te geven konden spreeken.”34)Zonder die zekerheid evenwel zou de Republiek de onafhankelijkheid van België nimmer erkennen, en zonder die erkenning was er geen mogelijkheid van verbond.

Er was nog een andere omstandigheid, die het welslagen van een Belgisch-Nederlandsch verbond in 1790 in de hoogste mate onwaarschijnlijk maakte. Beide landen waren innerlijk verdeeld. Noord-Nederland had juist eenige jaren van hevige partijberoering doorgemaakt, die met een materieele, niet met een zedelijke overwinning der partij van het behoud waren geeindigd. Duizende patriotten waren naar België of naar Frankrijk uitgeweken, en wachtten op het oogenblik om met Fransche hulp de oude Republiek ten val te brengen en een nieuw staatsgebouw op te richten op den grondslag der „rechten van den mensch”. Zij waren zeker van de instemming van de meerderheid der beschaafde burgerij in het land zelf. Een zeer dringende reden, waarom de Nederlandsche regeering op goeden voet met de leiders der Brabantsche omwenteling blijven wilde, was de mogelijkheid dat zij zich door Frankrijk op sleeptouw zouden laten nemen, waar de partij der omwenteling met de Belgische opstandelingen de vijandschap tegen Oostenrijk gemeen had. Een oorlog tegen Oostenrijk kon zeer licht tot een oorlog tegen de zeemogendheden worden uitgebreid, waarin dan België niet aan de zijde van Holland staan kon, maar geheel in den stroom der Fransche omwenteling zou worden medegesleept, waardoor Hollands voormuur tegen den inval der Franschen en der Bataafsche patriotten kwam te vervallen. Hierom was het voor Holland dringend noodig dat de Belgische omwenteling haar zelfstandig karakter behield, hetgeen alleen kon geschieden door een volledige zegepraal der conservatieve partij van van Eupen en van der Noot op haar democratische tegenstanders. Want het verzet tegen Keizer Jozef was van zeer onderscheiden motieven uitgegaan: ook in België bestond een democratische partij, die met de ouderwetsche Staten van Brabant of van Vlaanderen niets gemeen had, dan dat ook zijtegen den Keizer was opgestaan. Het waren de behoudende elementen in Noord en Zuid die eenigermate elkander zochten; die vooruitstrevenden van beide landen zochten gelijkelijk Frankrijk.

Op den naam „revolutie” af, was de Brabantsche beweging in de Fransche hoofdstad met jubel begroet. Men verheerlijkte in éénen ademLes Révolutions de France et de Brabant35). Zoodra men zich echter met de Brabantsche zaken daadwerkelijk inliet, bleek dat de Fransche vrijheidsbegrippen geen hardnekkiger tegenstanders hadden dan van Eupen en van der Noot. Nauwelijks was de Brabantsche opstand gelukt, of Nootianen en Vonckisten lagen in open strijd. Den 16denMaart 1790 brak te Brussel een woeste furie tegen Vonck en de zijnen uit, waarbij een volkshoop, onder oogluiking der Staten, zich van de aan Parijs ontleende revolutionnaire terminologie bediende tegen de voorstanders der Parijsche denkbeelden. Den 18denMaart ontdekteLafayettein de Parijsche Nationale Vergadering met leedwezen, „dat het congres der Belgische Staten niet het ware karakter eener vertegenwoordiging van het souvereine volk scheen te vertoonen”. Het licht was eindelijk opgegaan! De Vonckisten vluchtten naar Frankrijk, dat nu, naast eenige duizend Bataafsche, eenige duizend Belgische uitgewekenen te herbergen kreeg, die niet anders verwachtten of de Fransche wapenen zouden hen op staanden voet gaan wreken.

Het is in 1790 echter niet daartoe gekomen. Den 20stenFebruari was Jozef II gestorven, en zijn opvolger koos de partij van zich met het drievoudig verbond over België te verstaan. Hij offerde Jozefs hervormingen op en verleende een amnestie, en de drie mogendheden hielpen hem België te herwinnen. Er was geen wapengeweld voornoodig: de Statenpartij verwierf wat zij bovenal verlangde en wat zij van Frankrijk niet hopen mocht: haar behoud.

De geschiedenis van 1789 en 1790 is bij uitstek leerzaam. Zij toont aan dat, aan den vooravond van den Franschen inval die aan het bestaan van het oude België en van het oude Nederland een einde zou maken, van geneigdheid tot hartelijke toenadering bij geen van beide een spoor te ontdekken was. Niet de beide volken, maar de beide regeeringen naderden elkander voor een oogenblik, enkel uit zucht tot zelfbehoud, maar geen van beide was daarbij oprecht. De Belgen beloofden ons zaken die zij aan zichzelven verplicht waren niet te houden; wij lieten ons met hen in omdat men hen niet in de armen van Frankrijk mocht drijven, maar hadden oneindig liever dat het land onder de gehoorzaamheid aan een Keizer terugkeerde die onze voorrechten ontzag, dan dat het onafhankelijk bleef. Twee jaar echter nadat wij ons recht der Scheldesluiting zoo fraai uit de klem meenden te hebben geholpen, werd het door de Fransche Conventie voor altijd verbeurd verklaard. Tegelijkertijd vielen de welgedane magisters en prelaten, die zich in 1790 zoo over de ketterijen der Vonckisten hadden ontsteld, aan de duizendmaal erger Carmagnolen ten prooi.

Een punt, dat wij nog te nauwernood aanroerden, was de houding van het Oranjehuis ten opzichte der Belgische zaken. De Prinses van Oranje gevoelde zich door het aanbod van een stadhouderschap aan haar zoon gevleid, maar het is laster, dat zij ter bevordering van zulk een plan in België op alle mogelijke wijze zou hebben geintrigueerd. Haar welbewaard persoonlijk archief lijdt op dit punt het strengste onderzoek; wat de Bataafsche uitgewekenen daaromtrent destijds in honderd couranten en pamfletten hebben beweerd, en wat daaruit in tal vanjongere geschriften is overgenomen, is product geweest van hun door vrees verbijsterde verbeelding36). In dezelfde maand waarin van de Spiegel zijn „Generaale Gronden” op het papier bracht, heeft ook de Prinses haar Belgisch program opgemaakt. Het komt met de denkbeelden van van de Spiegel nagenoeg geheel overeen, alleen verheft zij haar gemaal tot kapitein-generaal van het Belgische leger ook in vredestijd, waarbij zij de opmerking voegt, dat, waren beiden niet zoo jong, een van haar zoons gevoeglijk onder den Prins dat leger zou kunnen commandeeren37). Zij was dus van het denkbeeld, een van haar zoons een toekomst in België bereid te zien, niet afkeerig, maar heeft voortdurend haar wensch aan het inzicht van van de Spiegel ondergeschikt laten blijven, en zelf geen stappen tot de uitvoering van zulk een plan gedaan of laten doen, hoewel men haar hiertoe te Berlijn, waar zij in den zomer van 1789 verbleef en waar toen de verloving van den Erfprins met de dochter van Frederik Willem II beklonken werd, ongetwijfeld sterk aangemoedigd heeft. Hertzberg wenschte op dat oogenblik niets liever, dan dat het huis van Oranje zich zoo diep mogelijk in de Belgische zaken stak. Op den zeventienjarigen, eerzuchtigen Erfprins heeft dit alles ongetwijfeld een diepen indruk gemaakt. Lang voor 1814, in 1795 en 1799 reeds, heeft hij de Belgische zaken in verband gebracht met de vooruitzichten van zijn persoon en zijn huis38). Zoo dikwijls er sprake is van een bevrijding der Vereenigde Nederlanden en van een herstel van de stadhouderlijke familie aldaar, tracht hij betrekkingen aan te knoopen met Belgische ontevredenen;hij wil bewerken dat het Zuiden tegelijk met het Noorden opstaan, en tegelijk met het Noorden zich onder het huis van Oranje zal begeven. Eerst veel later is dit denkbeeld door Engeland overgenomen, dat hem in 1799 te dezen opzichte zelfs zeer duidelijk gedwarsboomd heeft. De Engelsche staatkunde was toen, gelijk zij het in 1789 geweest was, van de proefneming met een Oranje in België nog zeer beslist afkeerig.

Het is merkwaardig, hoe, nadat het denkbeeld eener vereeniging eenmaal in 1789 en '90 in openbaren druk was uitgesproken, het telkens weder ergens voor den dag komt, dan hier, dan daar. De conservatieven van beide landen waren er over begonnen; de democraten werden op hunne beurt een oogenblik door het verleidelijk denkbeeld meegesleept. Onder de uitgewekenen van beide volken in Frankrijk is meermalen uitgesproken, dat men zich vereenigen moest om tegelijk de vrijheid van de Oostenrijksche en van de Vereenigde Nederlanden (en daarbij van Luik) te bevechten, en dat dan de vestiging eener groot-Nederlandsche republiek zou zijn aangewezen39). Het was zeer natuurlijk dat zulk een denkbeeld in dezen tijd opkwam. Men had elkander noodig tegen gelijksoortige vijanden: den Keizer en de Staten in België, den Prins en de Staten in Holland. De opwinding voor vrijheid en menschenrechten kon ook licht de groote belangen doen vergeten, welke Noord en Zuid tot dusver gescheiden hadden gehouden: die van godsdienst en handel. Een afvallig katholiek en een afvallig calvinist konden een even braaf sansculot worden, en wat maakte verschil van rijkdom uit, waar de broederschap heerschen zou? De schepping van een dergelijke groot-Nederlandsche republiek was zelfs min of meer een stokpaard van sommigeredenaars derGironde; zij scheen de natuurlijke toepassing van het axioma, dat Frankrijk door een kring van vrije republieken moest worden omringd. „Hors des limites de son empire”, zeide een rapport vanLasource, „la République française ne veut avoir d'autre domaine que la reconnaissance des peuples”40). Zoo luidde de theorie, maar de practijk was het decreet van 15 December 1792, vrijbrief tot een systeem van roof en brandschatting, dat de Belgen tot wanhoop dreef. Er was geen sprake van dat Frankrijk, als het van het woord tot de daad moest overgaan, de oprichting eener groot-Nederlandsche republiek een oogenblik zou kunnen gedoogen. Curieus is het, in het verslag van een onderhoud van een Noordnederlandsch uitgewekene met den Franschen ministerLebrun, in October 1792 gehouden, te lezen hoe het de Franschman is, die de vereeniging aanprijst, en de Hollander, die ten antwoord geeft: „wij weten immers veel te goed dat Frankrijk het nooit toelaten zal”41). Als dan ook in het begin van 1795 door de Bataafsche gezanten te Parijs een intrigue met een Brusselaar in deze richting wordt opgezet, volgt van de zijde van hetComité de Salut Publiceen heftige snauw, en worden de gezanten door hun eigen regeering in den Haag oogenblikkelijk gedesavoueerd. Zij waren dan ook hun instructie te buiten gegaan, die hen voorschreef het niet op de verwerving, maar op de verdeeling van België toe te leggen. Er gingen in Frankrijk toen nog enkele stemmen op, om zich met een grensverbetering tevreden te stellen, en niet gansch België in te lijven; de instructie nu, een werk van Pieter Paulus, vraagt voor de Bataafsche Republiek de Vlaamsche kust tot Nieuwpoort, en verder alles watten Noorden eener lijn Nieuwpoort–Yperen–Kortrijk–Gent–Dendermonde–Antwerpen–Maastricht–Venlo–Wezel ligt42). Die een dergelijken moordaanslag op België beraamt, is zeker niet met „broederschap” voor dat land vervuld. Doch wel verre van over zulk een verdeeling ook maar te spreken, nam Frankrijk, dat heel België voor zich behield, ons ook nog een stuk van ons eigen gebied af, waarvoor het ons een vergoeding toezegde in het Oosten, in Kleefs- en Munsterland, die nimmer is toegewezen.

Ook in België waren de tijden er niet naar, om aan iets anders dan eigen lijfsbehoud te denken, maar, minder gelukkig dan het voorwaar reeds niet fortuinlijke Nederland, zag het zelfs geen mogelijkheid althans den schijn van een zelfstandig bestaan te redden. Het land was, na twee invallen der Fransche legers en der Fransche Conventie-commissarissen, ongeveer tot vertwijfeling gebracht. Het verzocht zelf om bij Frankrijk te worden ingelijfd. „La réunion de la Belgique à la France”, zegt een rapport van den commissarisHaussmannvan 27 Februari 1795, „est généralement désirée; ceux mêmes qui n'étaient pas pour le système républicain, sentent que le salut de la Belgique dépend de cette réunion”. De representantLesage d'Eure-et-Loirkwam er later in de Conventie voor uit, wat deze raadselspreuk beteekende. „Des députés belges m'ont dit”, zeide hij: „Vous nous avez rendus tellement malheureux, l'état d'incertitude, d'anxiété, de peine où vous nous retenez encore est tellement insupportable, que nous aimons encore mieux être à la France que de rester comme nous sommes”43). Bij decreet van 1 October 1795 sprak de Conventie de inlijving uit, op een rapport vanMerlin de Douai, dat de zwakheidvan eene Belgische, en de kracht van eene Belgisch-Hollandsche republiek, gelijkelijk een gevaar voor Frankrijk noemde, en de noodzakelijkheid van Frankrijks uitbreiding tot den Rijn als een staatkundig dogma consacreerde. De revolutie had dus de scheiding van België en Holland opnieuw bevestigd. Doch meer theoretisch dan practisch: in werkelijkheid was Hollands onafhankelijkheid een ietwat verzachte onderwerping, tot in 1810 ook dit verschil in graad werd opgeheven.

Men doet zeer verkeerd het voor te stellen, gelijk kort na de restauratie gebruikelijk was, of Holland en België den Franschen invloed zeer onwillig hebben ondergaan, en sedert 1795 slechts gesnakt hebben naar het oogenblik der verlossing. Daartoe beteekende het Fransche régime in te veel opzichten een verbetering. Aan België's nijverheid opende het een enorm afzetgebied, dat gesloten was voor de Engelsche mededinging; aan Holland bracht het de een- en ondeelbaarheid, die het land voor zijn voortbestaan zoo dringend behoefde, en die het niet vermocht had bij zichzelf te ontwikkelen. Allerlei oude instellingen werden opgeruimd, waaronder het meeste inderdaad volkomen versleten was en na 1813 niet weer levend gemaakt is kunnen worden. Napoleon heeft in Holland enkele geestdriftige dienaars gehad, als Verhuell. In 1799, toen de Engelschen en Russen een landing deden, en de Erfprins van Oranje naar den Helder kwam, bleek het dat Holland van een eenvoudigen terugkeer tot het oude hoegenaamd niet weten wilde. In België behield de boerenbeweging tegen de conscriptie en voor de geestelijkheid (in 1798 en '99) eenVendée-karakter; de beschaafden namen er geen deel aan. De gewezen Jozefisten en Vonckisten stemden over het geheel met den geest der Fransche regeering in; de conservatieven gehoorzaamden zonder teluid te durven morren. Maar naarmate Napoleon's bewind ontaardde, groeiden diep in het hart de schaamte en de wrok. Men verlaagde zich tot al de vleierijen die de dwingeland maar verlangde, maar zoodra hij niet meer de sterkste was, wreekte zich de geschonden menschelijke natuur. In België deden de conscriptie, en zijn anti-kerkelijke politiek der latere jaren hem wel het meeste kwaad, in Holland de conscriptie, de tiërceering en het continentaal stelsel.

In 1813 nu kwam uit, hoeveel Holland in zijn geschiedenis der laatste eeuwen op België voor had. Het kon veel gemakkelijker dan België een nationaal middelpunt vinden. Het riep den Prins van Oranje terug. België kon op zijn best Oostenrijk inroepen, maar Oostenrijk wilde niet eenmaal ingeroepen zijn. Oranje daarentegen verlangde niet beter.

Het had hard geboet voor 1787 en 1799. De man, die op den laatsten November 1813 te Scheveningen voet aan wal zette, behoorde met zijn geheele wezen tot een anderen tijd als de in 1795 gevluchte vader. Aanstonds na die vlucht was tusschen Willem V en den Erfprins verschil van meening ontstaan over de tegenover de omwenteling aan te nemen houding. Willem V weigerde alles, zoo het niet op volledig herstel van het oude neerkwam, en hield zich aan Engeland, de eenige macht die mede dit volledig herstel zeide te beoogen. De zoon vestigde zijn hoop op Pruisen, en nam zijn vaste woonplaats te Berlijn. Hij begreep de noodzakelijkheid, een nieuwen staat van zaken te doen rusten op de instemming der gematigden van alle partijen. In 1799 bleek dan ook, dat de patriotten, zoo de Franschen de nederlaag hadden geleden, zich niet zouden onttrokken hebben aan een poging om zich met hem te verstaan. Van een weder aannemen van Willem V was bij niemand van hen sprake. Maar de Franschen overwonnen, en het huis van Oranje moest een heenkomenzoeken in de wereld. Weldra kondigde Engeland aan, dat het voorshands alle pogingen tot restauratie opgaf. Napoleon, die als Consul bij den vrede vanAmienszich tot schadevergoeding voor het stadhouderschap verplicht had, gaf niet meer dan een vrij armzalig brok, dat hij als Keizer in 1806 weder terugnam. Tegelijk werd Pruisen lamgeslagen, de macht waarop de Prins van Oranje44)bij voorkeur had gebouwd. De toekomst van het Oranjehuis kon slechts in de vernedering van Napoleon, en deze slechts in de overwinning van Engeland liggen; met Engeland moest dus de Prins weder aanknoopen. Hij beproefde het jaar op jaar, maar Engeland gedroeg zich te zijnen opzichte meer dan koel. Het ontving wel 's Prinsen zoon, naar Oxford gezonden om een Engelsche opvoeding te genieten, maar aan den vader scheen men niets te willen vergeven. In den zoon zag men een geschikt kandidaat voor de hand van prinsesCharlotte, lang voor omtrent een eventueel herstel van den vader iets was bepaald.

Eerst na Napoleon's nederlaag in Rusland kwam hierin verandering. De Prins van Oranje, begrijpend dat het nu of nooit de tijd was tot een verklaring met het Britsche kabinet te komen, stak in het begin van 1813 zonder verlof gevraagd te hebben naar Engeland over; hij deed het met voorweten en goedvinden van Frederik Willem III en Alexander. Sedert Pruisen was opgestaan en zich met Rusland verbonden had, was een bevrijding van Nederland binnen de grenzen van het mogelijke komen te liggen; Engeland onttrok zich nu ook niet langer aan een bespreking met het natuurlijke hoofd eener nieuwe Nederlandsche regeering, al had het ook zorg gedragen zich tegenover een zoo eigenzinnig en vasthoudend man als men wist dat de Prins was, vooralniet te vroeg te binden. Het stelde hem thans, informeel, de volgende voorwaarden: herstel in een uitgebreider Nederland, dat niet al de overzeesche bezittingen van de oude Republiek zou terug bekomen. De Prins nam, bij een 27 April 1813 gedagteekend stuk, beide voorwaarden aan45).

Engeland, door 1792 en 1794 geleerd, wilde België in handen zien van een macht, die er voortdurend het hoogste belang bij hebben zou, dit land tegen Frankrijk te verdedigen. Oostenrijk kon die macht niet zijn, Holland wel. Men rekende dat het, met België vereenigd, middelen genoeg had om een krachtige verdediging tegen Frankrijk te voeren; voor zooveel noodig kon Engeland bijdragen in de kosten van vestingbouw op het zuiderfrontier. Daarentegen had Holland geen zeemacht van belang meer, en geen middelen om er een te scheppen. Het was dus niet de macht, aan welke met vertrouwen de verdediging van de Kaap en Ceylon tegen Frankrijk kon worden overgelaten. De Kaap en Ceylon in zwakke handen waren een bedreiging van Engelands bezit in Indië, zonder hetwelk Engeland rekende niet meer te kunnen bestaan. SedertSuffrenin 1782, op de Kaap en Ceylon gesteund, den voor Engeland zoo hoogst gevaarlijken scheepstocht tegen Indië had kunnen ondernemen, had men te Londen ingezien, dat deze beide koloniën bij de eerste gelegenheid de beste Engelschmoesten worden. Ware het mogelijk geweest ze nog vóór 1784 te veroveren, zij zouden zeker niet bij den vrede teruggegeven zijn. In 1795 overreedde Engeland Prins Willem V, alle gouverneurs van Nederlandsche bezittingen tot vrijwillige inbewaargeving hunner posten aan Engeland aan te schrijven; voldeden zij hieraan, dan zou Engeland, bij een te verwachten herstel der „wettige regeering” in Nederland, aan deze de koloniën teruggeven. Deze belofte van 1795 kon echter in 1813 niet tegen Engeland worden ingeroepen, vooreerst omdat in verreweg de meeste koloniën geenvrijwilligeinbewaargeving had plaats gehad, maar ook omdat beide contractanten van 1795, Engeland en de Prins, in of na 1802 het begrip der „onwettigheid” van de Bataafsche regeering hadden prijsgegeven: beiden hadden tractaten met haar gesloten46). Bij den vrede van 1802 had Engeland alle Nederlandsche koloniën die het veroverd had, of waarin het toegelaten was, aan de Bataafsche Republiek afgestaan, op Ceylon na, dat uitdrukkelijk in vollen eigendom aan Engeland werd gelaten. Sedert de hervatting der vijandelijkheden in 1803 waren alle bij den vrede van 1802 Bataafsch geworden koloniën weder met de wapenen door Engeland veroverd, zonder dat eenige toezegging hoegenaamd van latere teruggave was gedaan. Formeel noch moreel was Engeland thans tot teruggave van eenige kolonie verplicht, en het was vast besloten, behalve het reeds in 1802 bij tractaat afgestane Ceylon, ook de Kaap te houden. Volstrekt niet uitgemaakt was het evenwel in 1813, dat tevens Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland zouden blijven47);de sterke aandrang der Engelsche belanghebbenden in 1814, en de gebleken noodzaak om, in ruil voor Zwedens afstand van Guadeloupe aan Frankrijk, en voor Ruslands bewilliging in de vereeniging van Holland en België, groote opofferingen in geld te doen, zijn voorzeker van overwegenden invloed op de eindbeslissing geweest. Bij de overeenkomst in April 1813 is niet uitgemaakt,welkekoloniën zouden worden teruggegeven; slechts erkende de Prins het recht van Engeland, om alleen af te staan wat het zelf verkoos. Het heeft den Oostindischen archipel teruggegeven, tegen welks kostbaar beheer toen door de Engelsche Oostindische Compagnie werd opgezien (zij had met Engelsch-Indië de handen vol), terwijl men wist dat Holland meende Java en de Molukken niet te kunnen missen, en dus de niet-teruggave Holland zoodanig zou hebben doen mokken, dat het ongeschikt werd voor de bevordering van Engelands oogmerken op het vasteland;—verder Suriname, de eenige van de oud-Nederlandsche bezittingen in Guyana, waarbij het Engelsch kapitaal nog niet in overwegende mate was geïnteresseerd;—de Westindische eilanden en de Goudkust, welke van ondergeschikt belang werden geacht. Daarentegen zegde Engeland een bijdrage van twee millioen pond toe in de kosten van den vestingbouw tegen Frankrijk; keerde het aan Zweden, tot afkoop eener door deze macht wegens den afstand van Guadeloupe gemaakte aanspraak op schadevergoeding met oud-Nederlandsche bezittingen in West-Indië, een millioen pond uit, en nam het de betaling op zich van de helft eener schuld van zes millioen pond, welke Rusland had aangegaan te Amsterdam (tractaat van 13 Augustus 1814). Holland heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de goede reden dat het die niet had. Hetkongeen enkele kolonie aan Engeland meer verkoopen. Het bekwam er enkele van Engeland terug,op voorwaarde dat het in de vereeniging met België toestemde, de grens van België tegen Frankrijk zwaar versterkte (voor de helft op zijn eigen kosten), en de wederhelft der schuld van zes millioen pond van Rusland overnam. Had het zich aan deze voorwaarden willen onttrekken, het zou zeker Java niet hebben teruggekregen. Ook is er geen sprake van dat het de Kaap zou terugbekomen hebben, indien het tot zijn eigen grondgebied beperkt ware gebleven. De gansche zaak is geen koop en verkoop geweest (al heeft de Engelsche regeering er in het tractaat, ter ontlasting van haar verantwoordelijkheid tegenover het parlement, dien schijn aan gegeven), maar een gedwongen ruil.

Behalve het beginsel van vergrooting van Nederlands grondgebied, en dat van gedeeltelijke teruggave der Nederlandsche koloniën, werd in April 1813 nog een derde punt tusschen den Prins en Engeland vastgesteld. De vergrooting van Holland zou geen doel treffen, indien men tot Hollands ouden regeeringsvorm terugkeerde, die het uitvoerend gezag verdeeld en verlamd had. Er werd dus bepaald, dat men niet eenvoudig den toestand van vóór 1795 zou herstellen, maar een regeering invoeren die gelijkelijk aan de wenschen der Hollandsche natie en aan die der mogendheden voldeed48). De titel, dien de Prins zou aannemen, werd nog in het midden gelaten. Hoever men met de uitbreiding van grondgebied, hoe hoog men in de verheffing van den Prins zou gaan, moest van omstandigheden afhangen: van het succes der wapenen, van de bewilliging der bondgenooten, en, wat de aanvaarding der souvereiniteit betreft, van de stemming in Holland zelf. Het bleek weldra dat deze juist in de souvereiniteit vanhet huis van Oranje een waarborg zag tegen herleving der oude partijgeschillen. Toen dan ook in November 1813 Repelaer namens het Haagsch comité van den opstand bij den Prins in Engeland kwam, zeide deze dat men in Holland twee zaken verlangen moest: handhaving der sedert 1795 bestaande gelijkheid van alle gezindten voor de wet, en aanvaarding der souvereiniteit. De Prins zeide het eerste grif toe; het andere niet dadelijk. De keus van een titel hing met de voorgenomen uitbreiding van grondgebied samen, en eer hij van deze laatste in het openbaar kon spreken, moest allereerst België op de Franschen veroverd en de toestemming der bondgenooten voor de vereeniging verkregen zijn. Dit nu was in November 1813 nog niet het geval. Toen het echter bleek dat Engeland evenzeer als de Hollanders de onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit wenschte, bepaalde hij voorloopig zijn keus op den titel van „Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”, welke hem dan ook dadelijk bij zijn komst in het land is aangeboden.

Reeds vóór de opstand in Holland uitbrak, was Engeland begonnen het punt der uitbreiding van grondgebied bij de bondgenooten in te leiden. Het eerste wat het te kennen gaf was, dat Antwerpen bij Holland moest worden gevoegd met zooveel gebied als noodig was om aan dit land een goed verdedigbare grens te geven49). Van aanhechting van België in zijn geheel werd niet gesproken. De gedachte die dezen voorslag had ingegeven,was, dat in ieder geval het „pistool”, dat Napoleon in Antwerpen „op Engelands borst” hield gericht, ontladen moest worden, ook al bleek het niet mogelijk, Frankrijk geheel tot de grenzen van 1792 terug te brengen. Het was niet uitgesloten, dat men in de eischen ten behoeve van Holland verder zou gaan, als heel België vrij kwam, en Oostenrijk er geen aartshertog in plaatsen wilde. De Prins van Oranje wees reeds op het belang Luxemburg en Gulik voor de verdediging der Nederlanden, en wilde dat de uitbreiding gansch België en al het land tusschen Maas, Rijn en Moezel zou omvatten50). Dit stemdeLord Castlereaghniet toe, maar hij was toch zeer gunstig gezind. „De nieuwe grens van Holland moet minstens Mechelen insluiten”, heet het kort na den Haagschen opstand, „vervolgens Maastricht en Gulik, en dan Keulen of ten minste Dusseldorp; wellicht moet ook Luxemburg er bij”51). Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door zijn zendelingen België mocht bewerken52). De Engelsche regeering ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden gehoord. Hiertoe vertrokLord Castlereaghin de laatste dagen van 1813 naar het vasteland. Den 26stenDecember had de ministerraad plaats, waarin zijn instructie werd vastgesteld. Men bepaalde, datCastlereaghvoor Holland een barrière zou vragen, die voor het minst zou omvatten Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een „behoorlijke” uitbreiding van grondgebied buiten de grenzen van 1792;dat men de Kaap zou houden, maar „daarvoor” Holland geld bieden om zijn barrière te versterken; dat men zou onderzoeken of Oostenrijk oogmerken had op de rest van België voor aartshertog Karel; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen van België af moest houden53).Castlereaghnam zijn weg over den Haag, waar de Prins hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken opwachtte54). Er kwamen uit België, meende de Prins, reeds gunstige stemmen55). Zelfs waren twee Gentenaars,de „propriétaire”Huyttens en de katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden. Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven, hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en de uiterste clericale factie zoowel als de verklaarde Franschgezinden mijden56).

ToenCastlereaghbij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek het onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en ook geen aanspraken maakteten behoeve van aartshertog Karel57), maar dat Pruisen het land tusschen Maas, Rijn en Moezel voor zich verlangde. Een eisch waartegen Engeland in hoofdzaak geen bezwaar had58), immers nu Oostenrijk zich van de Fransche grens terugtrok, wilde men gaarne de andere groote Duitsche macht tot aan die grens uitbreiden. Liefst zou nu Engeland aan Pruisen beide Luxemburg en Mainz bezorgen, mits het lager af op den linker Rijnoever eenig gebied aan Holland liet, welks nieuwe grens dan zou kunnen samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk van 1792 van de zee tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht, Gulik en Keulen. Den 27stenJanuari vroegCastlereagh, of de Souvereine Vorst vast van dit gebied, voor zoover het bewesten de Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht. Oostenrijk maakte geen bezwaar; Pruisen echter wilde vooralsnog aan den Souvereinen Vorst slechts de administratie der departementen van de Leie, van de Schelde en van de beide Nethen overlaten (de tegenwoordige provinciën West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen)59). Tegen toekomstige uitbreiding van zijn gebied tot de Maas evenwel werd ook van die zijde geen bezwaar gemaakt.Castlereaghgaf thans verlof, dat de Souvereine Vorst aanving, België „op een bedaarde manier” in zijn voordeel te bewerken60).

Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jongediplomaten, van Zuylen van Nyevelt, reisde in het gevolg der troepen vanvon Bülowen van den hertog van Saksen-Weimar het land rond, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde vliegende blaadjes, op dubbele kolom in het Vlaamsch en in het Fransch gedrukt, waarbij het volk tot den opstand werd aangespoord om zich vervolgens met het Noorden te kunnen vereenigen61). Een sedert eenige jaren te Brussel wonend Hollander, graaf van Bylandt, schreef brochure op brochure van dezelfde strekking62). ToenBülowen de hertog van Saksen-Weimar den 8stenFebruari Brussel binnentrokken, was behalve de hertog vanClarenceook prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen Vorst, aan hun zijde63). De stad onthaalde de bevrijders op een schouwburgvoorstelling; halverwege den avond vertrokkenBülowen de hertog van Weimar; de hertog vanClarenceliet„God save the King”spelen; applaus. Maar de hertog was achter in zijn loge teruggedoken, en liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen. Het publiek had het niet zoo bedoeld64). De Engelsche gezant in den Haag,Lord Clancarty, nogonder den indruk van het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie bijeen te trommelen, die den Souvereinen Vorst haar opwachting zou gaan maken in den Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en gaf, in tegenwoordigheid van den Souvereinen Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp, harde woorden65).

Intusschen kon van een voorloopig gouvernement van den Souvereinen Vorst in België, uit te oefenen op naam der geallieerden, voor het oogenblik geen sprake meer zijn: onmiddellijk toenBülowen de hertog van Weimar te Brussel kwamen, hadden dezen er reeds een voorloopig bestuur ingericht66), waarbij eerlang twee Pruisische commissarissen optraden,von LottumenDelius. Van den Souvereinen Vorst werd bij dit alles met geen woord gesproken. Dit was voor dezen te bedenkelijker, daarBülowen de hertog van Weimar de Belgen toeriepen, dat hun onafhankelijkheid niet twijfelachtig meer was67). De Belgen konden hieronder kwalijk iets anders verstaan,dan dat de toestand van vóór 1795 zou terugkeeren, hetgeen niet in de bedoeling van de stellers der proclamatie lag, die aan onafhankelijkheid ten opzichte van Frankrijk hadden gedacht. Van vereeniging met Holland hadden zij ook kwalijk kunnen spreken: de bondgenooten hadden zich nog slechts bij voorloopige toezegging, niet bij uitdrukkelijke acte tot goedkeuring van Engelands plan verbonden. Rusland had ook de voorloopige toezegging nog niet gegeven. Het treuzelde opzettelijk in deze zaak, met het oogmerk zich voor zijn toestemming te doen betalen.

Den 15denFebruari waren de onderhandelingen vanCastlereaghmet de bondgenooten, die over tal van zaken liepen, waaronder die van België er maar één was, zóóver gevorderd, dat hij hun eenige artikelen ter teekening kon voorleggen. Die welke het Hollandsch-Belgische vraagstuk betroffen, luidden als volgt: België tot de Maas, benevens het land tusschen Maas en Rijn benoorden een lijn Maastricht–Duren–Keulen, worden afgestaan aan den Prins van Oranje als Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden om voor altijd een integreerend deel van dien staat uit te maken68); over de andere helft van het land tusschen Maas, Rijn en Moezel zal, zoo het niet in zijn geheel of ten deele bij Holland wordt ingelijfd, beschikt worden in het belang van de veiligheid van dien staat en van Noordduitschland, en niet zonder goedvinden van Zijne Britsche Majesteit.—Oostenrijk teekende onmiddellijk; Pruisen met een voorbehoud: het wilde, zoo het zelf tusschen Maas en Moezel geplaatst werd, niet al het land benoorden de lijn Keulen-Maastricht aan Holland laten, opdat de nieuwe Pruisische provincie niet afgesloten zou komen te liggen van de Pruisische bezittingen rechts van den Beneden-Rijn. Rusland teekende niets, en kwam met den eisch, dat inruil voor zijn toestemming, Holland een schuld van tachtig millioen gulden, door Rusland te Amsterdam aangegaan, zou overnemen69). Deze zaak gaf tot een langdurige onderhandeling tusschen Engeland en Rusland aanleiding, die hiermede eindigde, dat Engeland op zich nam Holland tot overneming van de helft eener tot zes millioen pond teruggebrachte som te bewegen, en dat het zelf de andere helft zou voldoen.

Was dus Rusland met geld tevreden te stellen, moeilijker was het, tusschen de aanspraken van Pruisen en die van den Souvereinen Vorst te bemiddelen. Wat Pruisen met zijn voorbehoud bedoelde, zette Hardenberg weldra in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst de oude Pruisische bezittingen op den linker-Rijnoever terug, en wilde den ganschen Rijn van Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken, waarvan beide oevers tot denzelfden staat zouden behooren. Hiertoe was noodig dat de verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan Nassau-Oranje er een was), hun bezittingen aan Pruisen afstonden. Nassau-Usingen en Nassau-Weilburg zouden dan worden schadeloos gesteld op den linker Rijnoever, tusschen Aken en Spa. Nassau-Oranje vond zijn schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land zouden volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts kleine halvemanen komen tegenover de vestingen Venlo, Roermond, Maastricht en Luik, voorts Gulik met een rayon, en Luxemburg. Om deze laatste vesting aan Holland te brengen zou de grens bijVal St. Lambertde Maas verlaten en dan den weg volgen overMarche en Famine, Bastogne, MartelangeenArlonnaar Luxemburg; daarentegen zouden eenige kantons van Henegouwen en Namen aan Frankrijk worden afgestaan,dat geen behoorlijke verbinding had tusschenGivet, Philippeville, MaubeugeenValenciennes70). Terwijl dus Pruisen niet in eerste linie tegen Frankrijk wilde staan, begeerde het beide Rijnoevers tot de oude grens van Nederland toe, en daaronder ook het Nassausche gebied van den Souvereinen Vorst, dat deze wel gaarne had geruild, maar dan tegen een land lager aan den rechter Rijnoever, en tegenover de (gehoopte) nieuwe grens van Holland gelegen: het hertogdom Berg71).

Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht, werd door een ander vervangen, maar niet door het zijne. In het hoofdkwartier teChaumontwas een deputatie van Belgische aanzienlijken verschenen (de hertog vanBeaufort, de markiezen van Assche endu Chasteler, en de gewezen pensionaris van Brabant, de Jonghe), om van de bondgenooten te vernemen wat het lot van hun land zou zijn72). Zij hielden bij Keizer Frans aan, dat deze België onder zijn hoede nemen zou; was het herstel van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan hoopten zij een afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een Oostenrijkschen prins. De Keizer nam alle hoop weg dat hijzelf weder hun vorst worden kon, maar het andere verzoek sloeg hij aanvankelijk niet onvoorwaardelijk af. De overige bondgenooten evenwel waren er eenstemmig tegen, en men gaf dus aan de deputatie mondeling te verstaan, dat de toekomstige vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was73).Om de Belgen echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd het Pruisisch voorloopig bestuur door een Oostenrijksch vervangen; tevens gaf men hun schriftelijk, doch in zeer rekbare uitdrukkingen, de verzekering dat door de bondgenooten op de belangen van België zou worden gelet, in het bizonder wat betreft godsdienst, handel, overneming van schulden, en vertegenwoordiging74). De nieuwe commissaris der bondgenooten was een Oostenrijksch generaal, baronVincent, Belg van geboorte. Hem werd opgedragen de bevolking zoo geleidelijk mogelijk op de vereeniging met Holland voor te bereiden75).

Een gevoel van onbehagen en onzekerheid maakte zich van de Belgen meester. Wat hun het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins, werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de vereeniging met het Noorden besloten; met een kettersche macht, klaagden de clericalen; met een door en door burgerlijke maatschappij, de groote heeren; met lieden die drie modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie nog het meest met de vereeniging op hadden, waren de gezeten liberale burgers, fabrikanten,„acquéreurs de biens nationaux”, zooals de heeren Huyttens en Bauwens. Maar hun nijverheid verloor het groote Fransche afzetgebied, en wist niet wat zij er voor terug zou krijgen. De bondgenooten hadden de afgezanten met vage beloften afgescheept: overde hoogste belangen van het land zou worden beslist, zonder dat één Belg stem in het kapittel had. Onderwijl werd de weinig militaire natie tegelijk tot het oprichten van een eigen leger, en tot het onderhouden van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Het klagen over de afpersingen van vreemde troepen was den Belgen een tweede natuur geworden; zij bereikten er een ongeëvenaarde virtuositeit in. De historie had hun maar al te veel gelegenheid gegeven, deze gave bij zich te ontwikkelen. Hadden wij dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de raad van het departement van de Dijle, om ons armen te beschermen!76)En onderwijl drongen de meest verontrustende geruchten door omtrent de aanstaande verdeeling van bij elkander behoorende landen. Bleef men er bij, de Maas tot grens aan te nemen, dan werden oud-Namen en oud-Luik in tweeën gereten, waardoor tal van belangen werden geschaad77).

De ingenomenheid was in het Noorden weinig grooter. De zaak werd daar in diep geheim behandeld, zelfs voor de leden der commissie aan welke de Souvereine Vorst het ontwerpen eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden had opgedragen. Zij lekte niettemin uit, en ten slotte gaf Hogendorp er de grondwetcommissie in algemeene termen kennis van. Bij een van haar leden, Röell, Amsterdammer in zijn hart, kwam toen zoo groote weerzin tegen het denkbeeld op, dat hij beproefde er Hogendorp en den Souvereinen Vorst van af te brengen, althans van een vereeniging onder één huishouding. Hij kreeg ten antwoord, „dat het doel der vereeniging, kracht en sterktevoor den nieuwen staat, niet kon worden bereikt dan door éénheid”78). Bij het vaststellen van enkele artikelen der grondwet is het waarschijnlijk vooral de gedachte aan de toekomstige vereeniging geweest, die de stem der leden bepaald heeft; zoo b.v. bij het artikel dat in den vorst de belijdenis van den hervormden godsdienst eischte; een bepaling die den Souvereinen Vorst persoonlijk niet aangenaam was, maar die hij staan liet op dringende waarschuwing, dat anders een aantal notabelen alleen hierom tegen de grondwet zouden stemmen79).

Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen, en konden zij den vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe regelingen, die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte, kon daar natuurlijk nog niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten aan een Europeesch congres. Het vredestractaat, van 30 Mei, bepaalde ten aanzien van de Hollandsch-Belgische zaken niet meer, dan dat Holland zou worden vergroot met België tot de Maas; dat zijn grens op den rechter Maasoever zou worden geregeld, „naar vereisch eener goede verdediging van Holland en van zijn naburen”; dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert 1792 bij Frankrijk waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan Pruisen en aan andere Duitsche staten. De kwestie tusschen Holland en Pruisen bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinciën Luxemburg, Namen en Luik ongedeeld zou laten. België kon alleen met het tractaat tevreden zijn, in zooverre de onzekerheid omtrent 's lands toekomst verminderd was, en dit wasweinig. Men wist nu dat men onder den Oranjevorst kwam, maar van de voorwaarden ter verzekering van de Belgische belangen, aan de deputatie teChaumontbeloofd, was in het tractaat niets te vinden.

De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd omtrent de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was daarop den 20stenMei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van hemzelven afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve met het antwoord aan de deputatie teChaumont, rekening gehouden had met bezwaren, die van Belgische zijde aan zijn gezant bij het voorloopig bestuur te Brussel, van der Capellen, waren opgegeven80). Men had daar, behalve van de reeds vroeger opgegeven punten van godsdienst, handel, schulden en vertegenwoordiging, ook van de residentie van den vorst en van het onderhoud der Hollandsche dijken gesproken, 't welk men, van plaatselijke Hollandsche toestanden blijkbaar volstrekt onkundig, vreesde dat aan de Belgen een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was de geruststelling gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de kas van het gemeene land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst betreft, verwees men de Belgen naar de artikelen der Hollandsche constitutie, die de gelijkstelling der gezindten uitspraken voor de wet, en de gelijke benoembaarheidvan alle ingezetenen tot staatsambten. Verder verklaarde de vorst zich voor een volkomen gemeenmaking van lusten en lasten: vrije Scheldevaart dus en vrije vaart op de Hollandsche koloniën; amalgama van schulden. De beide helften zouden in de Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een gelijk getal81). De vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel doorbrengen, en de vergaderingen der Staten-Generaal zouden afwisselend gehouden worden in een stad van het Noorden en in een stad van het Zuiden82). De vereeniging zou dus zoo innig mogelijk zijn; de Hollandsche grondwet zou voor het geheele rijk gelden,„modifiée d'un commun accord d'après les nouvelles circonstances”.

Het aanvankelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen te vernemen. Een voorstel in dezen geest was nog 16 Mei namens de verbondenen doorLord Castlereaghnaar den Haag afgezonden83). De Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel gevaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs was vertrokkenom de zaak te verhinderen84). De Belgische aanzienlijken waren teChaumontgehoord, meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk nut zou het hebben, het resultaat van het onderzoek der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de goedkeuring van eenige notabelen te onderwerpen, die er toch geen wettigheid aan zouden kunnen verleenen? BaronVincentmeende er voor te kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid van dit „ja” zou kunnen trekken kwam echter niet in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk „neen” zou toebrengen aan de zaak die de bondgenooten wenschten.„Les Belges, loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin le terme de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et d'apprendre que le soin d'assurer et d'améliorer leur sort et de hâter la réunion sur des bases justes et libérales est définitivement et exclusivement confié au nouveau Souverain, dont ils savent bien que les intentions et le caractère85)seront à la longue une garantie de leur bonheur bien préférable à des stipulations convenues dans un moment comme celui-ci entre le Souverain et quelques-uns de leurs compatriotes”86).


Back to IndexNext