VIERDE HOOFDSTUK.

105)De Beaufort, Geschiedkundige opstellen II, 185.

105)De Beaufort, Geschiedkundige opstellen II, 185.

106)Poullet„Les premières années du royaume des Pays-Bas” (Revue générale1896); dezelfde,„Relations inédites sur les débuts de la Révolution belge” (Revue générale, 1897);Alfred Stern, „Geschichte Europa's”, vierde deel (StuttgartundBerlin, 1905).

106)Poullet„Les premières années du royaume des Pays-Bas” (Revue générale1896); dezelfde,„Relations inédites sur les débuts de la Révolution belge” (Revue générale, 1897);Alfred Stern, „Geschichte Europa's”, vierde deel (StuttgartundBerlin, 1905).

107)Ook reeds eenigermate, hoewel naar het kader van zijn boek meebracht weinig, doorSterngebruikt.

107)Ook reeds eenigermate, hoewel naar het kader van zijn boek meebracht weinig, doorSterngebruikt.

108)1821–'24, en dan weder 1828–'29. Al deze berichten zijn geschreven uit Brussel. De schrijver deed zich, in den kring der liberale Fransche uitgewekenen te Brussel, als een bondgenoot voor, om achter hun plannen te kunnen komen. Om te maken dat men hem met rust liet, had hij de Nederlandsche regeering van deze zijn rol op de hoogte moeten stellen.

108)1821–'24, en dan weder 1828–'29. Al deze berichten zijn geschreven uit Brussel. De schrijver deed zich, in den kring der liberale Fransche uitgewekenen te Brussel, als een bondgenoot voor, om achter hun plannen te kunnen komen. Om te maken dat men hem met rust liet, had hij de Nederlandsche regeering van deze zijn rol op de hoogte moeten stellen.

109)De officieele Fransche gezant,Durand de Mareuil, was op dit oogenblik met verlof. Het gesprek eindigde met een waarschuwing, dat de koning van den staat van zaken kennis zou moeten geven te Londen, St. Petersburg en Berlijn. De bedoeling van het gesprek was, pressie te oefenen op Frankrijk tegen het ondersteunen der clericale partij in België.

109)De officieele Fransche gezant,Durand de Mareuil, was op dit oogenblik met verlof. Het gesprek eindigde met een waarschuwing, dat de koning van den staat van zaken kennis zou moeten geven te Londen, St. Petersburg en Berlijn. De bedoeling van het gesprek was, pressie te oefenen op Frankrijk tegen het ondersteunen der clericale partij in België.

110)Men vindthetbekende artikel overgedrukt bijJuste, Révolution belge, I, 112.

110)Men vindthetbekende artikel overgedrukt bijJuste, Révolution belge, I, 112.

111)Ministerie-Martignac(sedert 4 Jan. 1828).

111)Ministerie-Martignac(sedert 4 Jan. 1828).

112)Waarin het artikel van de Potter gestaan had.

112)Waarin het artikel van de Potter gestaan had.

113)„Dans toutes les réunions, dans tous les lieux publics, on ose agiter la question de savoir si la France appuyerait de ses armes une insurrection de la Belgique”(Lamoussaye, 9 Maart 1829).

113)„Dans toutes les réunions, dans tous les lieux publics, on ose agiter la question de savoir si la France appuyerait de ses armes une insurrection de la Belgique”(Lamoussaye, 9 Maart 1829).

114)Den 25stenNovember hadLamoussayereeds gemeld, dat ook de gouverneurs van Zuid-Brabant en van Antwerpen dergelijke taal hadden gevoerd: 25.000 Pruisen zouden de rust komen herstellen. Na het inkomen der bekende koninklijke boodschap van 11 December hield men het er in België algemeen voor, dat dergelijke geruchten van regeeringswege waren verspreid om den indruk van dit staatsstuk te versterken. Onze gezant te Parijs, Fagel, verzekerde aanPolignac, dat het gerucht ten eenenmale ongegrond was (PolignacaanLamoussaye, 22 Dec. 1829). Den 20stenJanuari 1830 berichtte daaropLamoussaye, dat niet slechts hooge ambtenaren, maar de koning zelf de bedreiging had uitgesproken:„A l'époque où les députés belges manifestaient une très vive opposition, le Roi répéta plusieurs fois devant des personnes dont la véracité ne saurait être mise en doute les paroles suivantes: „Que ces messieurs y prennent garde; d'un coup de sifflet je puis faire entrer les Prussiens.” Après le vote provisoire des recettesS. M.s'exprima en ces termes: „Je regrette que les choses aient pris cette tournure; j'aurais écrasé l'opposition; la France et la Prusse m'en auraient su gré””.—Men houde hierbij in het oog, dat 8 Aug. 1829 het liberale ministerie-Martignacdoor het reactionnaire ministerie-Polignacwas vervangen.

114)Den 25stenNovember hadLamoussayereeds gemeld, dat ook de gouverneurs van Zuid-Brabant en van Antwerpen dergelijke taal hadden gevoerd: 25.000 Pruisen zouden de rust komen herstellen. Na het inkomen der bekende koninklijke boodschap van 11 December hield men het er in België algemeen voor, dat dergelijke geruchten van regeeringswege waren verspreid om den indruk van dit staatsstuk te versterken. Onze gezant te Parijs, Fagel, verzekerde aanPolignac, dat het gerucht ten eenenmale ongegrond was (PolignacaanLamoussaye, 22 Dec. 1829). Den 20stenJanuari 1830 berichtte daaropLamoussaye, dat niet slechts hooge ambtenaren, maar de koning zelf de bedreiging had uitgesproken:„A l'époque où les députés belges manifestaient une très vive opposition, le Roi répéta plusieurs fois devant des personnes dont la véracité ne saurait être mise en doute les paroles suivantes: „Que ces messieurs y prennent garde; d'un coup de sifflet je puis faire entrer les Prussiens.” Après le vote provisoire des recettesS. M.s'exprima en ces termes: „Je regrette que les choses aient pris cette tournure; j'aurais écrasé l'opposition; la France et la Prusse m'en auraient su gré””.—Men houde hierbij in het oog, dat 8 Aug. 1829 het liberale ministerie-Martignacdoor het reactionnaire ministerie-Polignacwas vervangen.

115)Toespeling op de verzachting der taal- en onderwijsbesluiten, Mei-Juni 1830 (Juste, Révolution belge I, 202).

115)Toespeling op de verzachting der taal- en onderwijsbesluiten, Mei-Juni 1830 (Juste, Révolution belge I, 202).

116)„Het is uit Luik dat zich deze vereenigde geest, als uit zijn brand- en middenpunt, in het overige Zuiden verspreid heeft” (Kinker aan van Maanen, 10 Februari 1829).—Vgl. het merkwaardig artikel vanPaul Devauxin denMathieuvan 21 Maart 1827, overgedrukt bijJuste, Révolution belge, I, 257.

116)„Het is uit Luik dat zich deze vereenigde geest, als uit zijn brand- en middenpunt, in het overige Zuiden verspreid heeft” (Kinker aan van Maanen, 10 Februari 1829).—Vgl. het merkwaardig artikel vanPaul Devauxin denMathieuvan 21 Maart 1827, overgedrukt bijJuste, Révolution belge, I, 257.

117)G. L. Bergmann, Nassauer van geboorte, oud-officier van het leger der Nederlandsche Republiek, was sedert 1795 te Lier gevestigd en daar gehuwd. Hij was eenigermate de pleegvader van Jan Frans Willems; zijn zoon G. Bergmann, wiens „Gedenkschriften” in 1895 te Gent zijn uitgegeven, de eenige van de familie die na 1830 in België bleef, is de vader van den schrijver vanErnest Staas. G. L. Bergmann was een groot voorstander der regeering van Willem I; hij had het een of ander kanaal waardoor hij kennis kreeg aan brieven, door bekende unionisten te Leuven en te Luik aan partijgenooten te Lier geschreven, en deelde den inhoud aan van Maanen mede.

117)G. L. Bergmann, Nassauer van geboorte, oud-officier van het leger der Nederlandsche Republiek, was sedert 1795 te Lier gevestigd en daar gehuwd. Hij was eenigermate de pleegvader van Jan Frans Willems; zijn zoon G. Bergmann, wiens „Gedenkschriften” in 1895 te Gent zijn uitgegeven, de eenige van de familie die na 1830 in België bleef, is de vader van den schrijver vanErnest Staas. G. L. Bergmann was een groot voorstander der regeering van Willem I; hij had het een of ander kanaal waardoor hij kennis kreeg aan brieven, door bekende unionisten te Leuven en te Luik aan partijgenooten te Lier geschreven, en deelde den inhoud aan van Maanen mede.

118)Bij een brief van Bergmann van 5 Aug. 1829.—De overeenkomst van indruk bij den opposant en bij den regeeringsman (van Doorn) is treffend.

118)Bij een brief van Bergmann van 5 Aug. 1829.—De overeenkomst van indruk bij den opposant en bij den regeeringsman (van Doorn) is treffend.

119)Vervolgd wegens het plan van nationale inschrijving tot schadeloosstelling van afgezette ambtenaren (Juste I, 185).

119)Vervolgd wegens het plan van nationale inschrijving tot schadeloosstelling van afgezette ambtenaren (Juste I, 185).

120)„Le Roi fait les règlements et les ordonnances nécessaires pour l'exécution des lois et la sécurité de l'Etat.”In dit artikel had het ministerie-Polignacden rechtsgrond gezocht voor de ordonnantiën van 26 Juli 1830, die aanleiding gaven tot de omwenteling te Parijs.

120)„Le Roi fait les règlements et les ordonnances nécessaires pour l'exécution des lois et la sécurité de l'Etat.”In dit artikel had het ministerie-Polignacden rechtsgrond gezocht voor de ordonnantiën van 26 Juli 1830, die aanleiding gaven tot de omwenteling te Parijs.

121)Opvolger vanMathieu Laensberg.

121)Opvolger vanMathieu Laensberg.

122)Gendebienaan de Potter, 16 Sept. 1830(bijJuste, Révolution belge II, 191).

122)Gendebienaan de Potter, 16 Sept. 1830(bijJuste, Révolution belge II, 191).

123)Vgl. watGendebienlater in het Congres zeide over de vergaderingen der partijgenooten te Brussel op 7, 13, 15 en 17 Augustus 1830 (bijJuste, Histoire du Congrès National II, 272), waarmede het artikel in denCourriervan 10 Aug. goed overeenstemt.

123)Vgl. watGendebienlater in het Congres zeide over de vergaderingen der partijgenooten te Brussel op 7, 13, 15 en 17 Augustus 1830 (bijJuste, Histoire du Congrès National II, 272), waarmede het artikel in denCourriervan 10 Aug. goed overeenstemt.

124)Gendebienaan de Potter,als boven.

124)Gendebienaan de Potter,als boven.

125)Levaeaan de Potter, 4 Sept. 1830(bijJuste, Révolution belge II, 174).

125)Levaeaan de Potter, 4 Sept. 1830(bijJuste, Révolution belge II, 174).

126)Juste II, 34.

126)Juste II, 34.

127)„Bruxelles le 1er septembre 1830.—Un entretien que je viens d'avoir avecM.le comte de Crucquenbourg, aide de camp deV. A. R., m'a fait connaître à mon regret le fâcheux malentendu qui paraît avoir existé entreV. A. R.et la seconde députation relativement aux couleurs adoptées par la garde bourgeoise comme signe de ralliement. Aucun des membres de la commission n'a prononcé un seul mot qui pût faire supposer l'intention de s'engager, au nom de la garde bourgeoise, à quitter les insignes imposés par les circonstances impérieuses où nous nous sommes trouvés la semaine dernière. Les chefs de la garde bourgeoise et moi, nous serions entièrement disposés à faire aux désirs deV. A. R.le sacrifice d'une simple question d'amour propre, mais l'opinion générale, énergiquement manifestée par les événemens de cette nuit, ne nous permet pas de renoncerquant à présentaux couleurs brabançonnes sans nous rendre responsables des plus effrayantes conséquences. Je supplie respectueusementV. A. R.au nom de la sécurité publique, que nous avons su protéger jusqu'à présent, au nom de la dynastie à laquelle nous restons fidèles, de ne pas insister sur un point dont l'existence n'est que momentanée, dans l'heureux espoir que sa présence pourra, par une noble et entière confiance, rallier les Bruxellois et tous les Belges aux couleurs royales, que la force irrésistible des choses leur a seule fait quitter momentanément. (Signé)Baron van der Linden d'Hooghvorst” (bij eendépêchevanSir Charles Bagot, 7 Sept. 1830;F. O.).—Met„les événemens de cette nuit”worden de vergadering van de officieren der burgerwacht en de volksoploop bedoeld, waarvanJuste (II, 38) en van der Smissen (bij deKerchove de Denterghem,Préliminaires de la Révolution belge, p. 16) spreken.—De voorstelling, die de prins van het gebeurde aanBagotgaf, komt niet met den brief van d'Hooghvorst overeen.„H. R. H.assured me, that when the second deputation waited upon him at Vilvorde, they took off, of their own accord, the colors which they had worne upon their arrival; and in the conversation which then passed between him and them upon the subject of these colors, he had certainly understood, that upon his entering the town they should be no longer worne. Upon his arrival the next day before Brussels, and only at the moment when he met the garde bourgeoise close to the town, the letter, of whichH. R. H.allowed me to take the enclosed copy, was put into his hands.”

127)„Bruxelles le 1er septembre 1830.—Un entretien que je viens d'avoir avecM.le comte de Crucquenbourg, aide de camp deV. A. R., m'a fait connaître à mon regret le fâcheux malentendu qui paraît avoir existé entreV. A. R.et la seconde députation relativement aux couleurs adoptées par la garde bourgeoise comme signe de ralliement. Aucun des membres de la commission n'a prononcé un seul mot qui pût faire supposer l'intention de s'engager, au nom de la garde bourgeoise, à quitter les insignes imposés par les circonstances impérieuses où nous nous sommes trouvés la semaine dernière. Les chefs de la garde bourgeoise et moi, nous serions entièrement disposés à faire aux désirs deV. A. R.le sacrifice d'une simple question d'amour propre, mais l'opinion générale, énergiquement manifestée par les événemens de cette nuit, ne nous permet pas de renoncerquant à présentaux couleurs brabançonnes sans nous rendre responsables des plus effrayantes conséquences. Je supplie respectueusementV. A. R.au nom de la sécurité publique, que nous avons su protéger jusqu'à présent, au nom de la dynastie à laquelle nous restons fidèles, de ne pas insister sur un point dont l'existence n'est que momentanée, dans l'heureux espoir que sa présence pourra, par une noble et entière confiance, rallier les Bruxellois et tous les Belges aux couleurs royales, que la force irrésistible des choses leur a seule fait quitter momentanément. (Signé)Baron van der Linden d'Hooghvorst” (bij eendépêchevanSir Charles Bagot, 7 Sept. 1830;F. O.).—Met„les événemens de cette nuit”worden de vergadering van de officieren der burgerwacht en de volksoploop bedoeld, waarvanJuste (II, 38) en van der Smissen (bij deKerchove de Denterghem,Préliminaires de la Révolution belge, p. 16) spreken.—De voorstelling, die de prins van het gebeurde aanBagotgaf, komt niet met den brief van d'Hooghvorst overeen.„H. R. H.assured me, that when the second deputation waited upon him at Vilvorde, they took off, of their own accord, the colors which they had worne upon their arrival; and in the conversation which then passed between him and them upon the subject of these colors, he had certainly understood, that upon his entering the town they should be no longer worne. Upon his arrival the next day before Brussels, and only at the moment when he met the garde bourgeoise close to the town, the letter, of whichH. R. H.allowed me to take the enclosed copy, was put into his hands.”

128)Zie, behalveJuste, voor het verblijf van den prins te Brussel vooral deKerchove de Denterghem; ookStern, Geschichte Europa's IV, 104(met bericht vanLamoussayevan 4 Sept. 1830).

128)Zie, behalveJuste, voor het verblijf van den prins te Brussel vooral deKerchove de Denterghem; ookStern, Geschichte Europa's IV, 104(met bericht vanLamoussayevan 4 Sept. 1830).

129)Zijn berichten zijn nog enkel door Prof.Sterngebruikt.—Voorts zijn voor deze periode van veel belang de stukken, uitgegeven door graaf de Kerchove de Denterghem in deRevue de Belgiquevan 1897 (Les Préliminaires de la Révolution belge).

129)Zijn berichten zijn nog enkel door Prof.Sterngebruikt.—Voorts zijn voor deze periode van veel belang de stukken, uitgegeven door graaf de Kerchove de Denterghem in deRevue de Belgiquevan 1897 (Les Préliminaires de la Révolution belge).

130)„This assembly is the council which directs the course of policy adopted by the Belgians, and is composed of all persons of property or influence belonging to this country who choose to resort to it. It was first formed on the 27th in the outset of this insurrection, when Monsieur de Sécus was named president [Juste II, 27]. As the insurrection appeared to gain strength and ground, this assembly became more numerous, and it has lately been attended by many of the principal nobles of this place as well as the members of theStatesGeneral. It has not assumed any title, nor is it openly avowed, but it is the spring which directs ostensibly the whole machine now in movement, and I cannot describe it better than by saying it is the Great Council of this insurrection.”

130)„This assembly is the council which directs the course of policy adopted by the Belgians, and is composed of all persons of property or influence belonging to this country who choose to resort to it. It was first formed on the 27th in the outset of this insurrection, when Monsieur de Sécus was named president [Juste II, 27]. As the insurrection appeared to gain strength and ground, this assembly became more numerous, and it has lately been attended by many of the principal nobles of this place as well as the members of theStatesGeneral. It has not assumed any title, nor is it openly avowed, but it is the spring which directs ostensibly the whole machine now in movement, and I cannot describe it better than by saying it is the Great Council of this insurrection.”

131)Den graaf van Aerschot, baron Joseph d'Hooghvorst, en voorts de kamerledende Brouckere, de Gerlache, de Langhe, le Hon, Huysman d'AnnecroixenSurlet de Chokier.

131)Den graaf van Aerschot, baron Joseph d'Hooghvorst, en voorts de kamerledende Brouckere, de Gerlache, de Langhe, le Hon, Huysman d'AnnecroixenSurlet de Chokier.

132)Het bericht vanCartwrightis zoo goed als uit de eerste hand, daar hij juist na het vertrek der deputatie Vilvoorde passeerde en daar door Prins Frederik ontvangen werd, die hem mededeelde wat de heeren hadden gezegd.„They plainly toldH. R. H.that all parties were united in requesting a complete and unqualified declaration on the part of His Majesty, that He consented to an immediate separation of the Southern from the Northern Provinces, and that nothing short of it would be deemed satisfactory”. Werd de proclamatie van den 5den bekend gemaakt, „they would not be responsible that in the moment of irritation, when carried away by their excited feeling, the enraged populace might not hoist the French tricolour flag in spite of all endeavours to restrain them.”

132)Het bericht vanCartwrightis zoo goed als uit de eerste hand, daar hij juist na het vertrek der deputatie Vilvoorde passeerde en daar door Prins Frederik ontvangen werd, die hem mededeelde wat de heeren hadden gezegd.„They plainly toldH. R. H.that all parties were united in requesting a complete and unqualified declaration on the part of His Majesty, that He consented to an immediate separation of the Southern from the Northern Provinces, and that nothing short of it would be deemed satisfactory”. Werd de proclamatie van den 5den bekend gemaakt, „they would not be responsible that in the moment of irritation, when carried away by their excited feeling, the enraged populace might not hoist the French tricolour flag in spite of all endeavours to restrain them.”

133)„I do not believe from what I can learn from the best sources, thatH. R. H.ever pledged himself to return here on the 6th, but the leaders having made this idea current, when it was generally credited they took advantage of it to excite the feeling of the people againstH. R. H.by representing Him as having broken faith, and they were glad of such an opportunity of counteracting the popularity he had certainly gained by entering the town on the 1st and his general conduct during his stay in it.”

133)„I do not believe from what I can learn from the best sources, thatH. R. H.ever pledged himself to return here on the 6th, but the leaders having made this idea current, when it was generally credited they took advantage of it to excite the feeling of the people againstH. R. H.by representing Him as having broken faith, and they were glad of such an opportunity of counteracting the popularity he had certainly gained by entering the town on the 1st and his general conduct during his stay in it.”

134)„On the 8th, a most extraordinary change occurred in the resolutions of the assembly.... When it came to the question of actually nominating the individuals to compose the Provisional Government, the deputies de Celles, Brouckere, de Langhe, seemed to have perceived that it began to be a very serious affair; that they were closing the door to any reconciliation with the Government, and their cooler judgments induced them to decline the honour the assembly proposed to confer upon them.Monsieur de Stassartalone had courage to declare his readiness to accept the post.”

134)„On the 8th, a most extraordinary change occurred in the resolutions of the assembly.... When it came to the question of actually nominating the individuals to compose the Provisional Government, the deputies de Celles, Brouckere, de Langhe, seemed to have perceived that it began to be a very serious affair; that they were closing the door to any reconciliation with the Government, and their cooler judgments induced them to decline the honour the assembly proposed to confer upon them.Monsieur de Stassartalone had courage to declare his readiness to accept the post.”

135)Hij werd den 14den September vervangen door graafde Vilain XIIII, die evenmin zitting nam.

135)Hij werd den 14den September vervangen door graafde Vilain XIIII, die evenmin zitting nam.

136)Zie deKerchove de Deuterghem, bl. 48.

136)Zie deKerchove de Deuterghem, bl. 48.

137)Later spreekt hij, meer juist, van „de gematigden”.

137)Later spreekt hij, meer juist, van „de gematigden”.

138)Tot zooverCartwright10 September.—„Gand et surtout Anvers jettent les hauts cris. Messieurs du commerce et de l'industrie ont peur que, le divorce accompli, les Hollandais ne mettent l'Escaut en bouteilles”(Lesbroussartaan de Potter. 9 Sept. 1830; bijJuste II, 181).—In de verzameling-van Maanen berusten een vrij groot aantal brieven uit de eerste helft van September, geschreven uit Kortrijk, Oudenaarde, Gent, Aalst, Antwerpen, Lier, Borgworm.—Overal is het nog stil, vooral in de beide Vlaanderen. „De rebellen hadden eerstgrieven. Zij eischen alsnu descheiding van het Rijk. Morgen bevelen zij denafstand des Konings, en overmorgen de vereeniging met Frankrijk” (Audoor, Oudenaarde 11 Sept.).—„GelooftZ. M.misschien, dat de gevraagde afscheiding van Noord en Zuid, al wierdzijdadelijk toegestaan onder de gunstigste voorwaarden voor de rebellen, de rust zoude herstellen en de Fransche factie tot zwijgen brengen?.... De kroon die men veinst de dynastie over het Walenland te willen laten dragen, zal op een prijs gesteld worden dien het aloude Oranjehuis niet kan aannemen zonder zich bij de tegenwoordige en toekomende generatiën te onteeren. Bukt men niet onder dat smadelijk juk [van Roomsch te worden, meent hij], dan wordt de gebrandmerkte troon aan een zoon vand'Orléansopgedragen..... Ik vertel hier geen sprookjes; dit is het plan, immers de correspondentie wakkert alle subalterne agenten aan, om het volk met dat denkbeeld vertrouwd te maken. Men snoeft op stellige beloften van het Fransche gouvernement, omà point nomméte hulp te komen.... Hier in de Kempen is alles gerust en vindt men tot nu toe niet het minste spoor van oproergeest. Deze provincie en de Vlaanderen zijn door het onderwijs al meer Nederlandsch geworden als de woelzieke Waalsche” (Bergmann, Lier 14 Sept.).—„De Belgische provinciën willen geene republiek uitmaken; zij willen nog minder deel maken van Frankrijk” (Schuermans, Aalst 16 Sept.).—„Tout est tranquille dans les provinces flamandes jusqu'à présent. Toujours est-il vrai que les contributions ne rentrent pas; que ce serait imprudent d'en forcer le payement par exécution, et que des embarras financiers pour le service public en seront bientôt le résultat....”(Audoor, Gent 19 Sept.).

138)Tot zooverCartwright10 September.—„Gand et surtout Anvers jettent les hauts cris. Messieurs du commerce et de l'industrie ont peur que, le divorce accompli, les Hollandais ne mettent l'Escaut en bouteilles”(Lesbroussartaan de Potter. 9 Sept. 1830; bijJuste II, 181).—In de verzameling-van Maanen berusten een vrij groot aantal brieven uit de eerste helft van September, geschreven uit Kortrijk, Oudenaarde, Gent, Aalst, Antwerpen, Lier, Borgworm.—Overal is het nog stil, vooral in de beide Vlaanderen. „De rebellen hadden eerstgrieven. Zij eischen alsnu descheiding van het Rijk. Morgen bevelen zij denafstand des Konings, en overmorgen de vereeniging met Frankrijk” (Audoor, Oudenaarde 11 Sept.).—„GelooftZ. M.misschien, dat de gevraagde afscheiding van Noord en Zuid, al wierdzijdadelijk toegestaan onder de gunstigste voorwaarden voor de rebellen, de rust zoude herstellen en de Fransche factie tot zwijgen brengen?.... De kroon die men veinst de dynastie over het Walenland te willen laten dragen, zal op een prijs gesteld worden dien het aloude Oranjehuis niet kan aannemen zonder zich bij de tegenwoordige en toekomende generatiën te onteeren. Bukt men niet onder dat smadelijk juk [van Roomsch te worden, meent hij], dan wordt de gebrandmerkte troon aan een zoon vand'Orléansopgedragen..... Ik vertel hier geen sprookjes; dit is het plan, immers de correspondentie wakkert alle subalterne agenten aan, om het volk met dat denkbeeld vertrouwd te maken. Men snoeft op stellige beloften van het Fransche gouvernement, omà point nomméte hulp te komen.... Hier in de Kempen is alles gerust en vindt men tot nu toe niet het minste spoor van oproergeest. Deze provincie en de Vlaanderen zijn door het onderwijs al meer Nederlandsch geworden als de woelzieke Waalsche” (Bergmann, Lier 14 Sept.).—„De Belgische provinciën willen geene republiek uitmaken; zij willen nog minder deel maken van Frankrijk” (Schuermans, Aalst 16 Sept.).—„Tout est tranquille dans les provinces flamandes jusqu'à présent. Toujours est-il vrai que les contributions ne rentrent pas; que ce serait imprudent d'en forcer le payement par exécution, et que des embarras financiers pour le service public en seront bientôt le résultat....”(Audoor, Gent 19 Sept.).

139)12 September.

139)12 September.

140)Emanuel, den commandant der burgerwacht, en diens broeder Joseph.

140)Emanuel, den commandant der burgerwacht, en diens broeder Joseph.

141)„Nous sommes toujours dans la légalité, cette niaiserie qui fait sourire tous les gens éclairés, et que certaines gens n'ont imaginé que parce qu' ils s'étaient mis en avant et qu'ils craignent, non sans raison, pour leur cou.... Tous ces messieurs rêvaient déjà, il y a quelque temps, lorsque le prince était ici, aux postes élevés qui les attendaient dans leur imagination; l'un d'eux poussa le délire jusqu' à parler d'un ton de protecteur à moi”(Levaeaan de Potter, ± 13 Sept.1830; bijJuste II, 186).

141)„Nous sommes toujours dans la légalité, cette niaiserie qui fait sourire tous les gens éclairés, et que certaines gens n'ont imaginé que parce qu' ils s'étaient mis en avant et qu'ils craignent, non sans raison, pour leur cou.... Tous ces messieurs rêvaient déjà, il y a quelque temps, lorsque le prince était ici, aux postes élevés qui les attendaient dans leur imagination; l'un d'eux poussa le délire jusqu' à parler d'un ton de protecteur à moi”(Levaeaan de Potter, ± 13 Sept.1830; bijJuste II, 186).

142)Ter opening van de zitting der Staten-Generaal.

142)Ter opening van de zitting der Staten-Generaal.

143)„Deputations have arrived from various towns during the last three days, to offer succour in men, in case of need”(Cartwright14 Sept.).

143)„Deputations have arrived from various towns during the last three days, to offer succour in men, in case of need”(Cartwright14 Sept.).

144)In den Franschen tekst:„Tout préparé à aller au-devant des vœux equitables, je ne céderai jamais à l'esprit de parti, et je ne consentirai jamais à des mesures qui sacrifieraient le bien-être et les intérêts de la patrie aux passions et à la violence”.

144)In den Franschen tekst:„Tout préparé à aller au-devant des vœux equitables, je ne céderai jamais à l'esprit de parti, et je ne consentirai jamais à des mesures qui sacrifieraient le bien-être et les intérêts de la patrie aux passions et à la violence”.

145)Met „his speech” wordt blijkbaar hier het geheel van troonrede en koninklijke boodschap bedoeld, zoodat de qualificatie vanJottrandniet het begin der eigenlijke rede, maar den in de vorige noot afgedrukten volzin geldt.

145)Met „his speech” wordt blijkbaar hier het geheel van troonrede en koninklijke boodschap bedoeld, zoodat de qualificatie vanJottrandniet het begin der eigenlijke rede, maar den in de vorige noot afgedrukten volzin geldt.

146)„1º. Of de ondervinding de noodzakelijkheid heeft aangetoond, om de nationale instellingen te wijzigen.2º. Of, in dat geval, de betrekkingen, door de tractaten en door de Grondwet tusschen de twee groote afdeelingen van het koninkrijk gevestigd, tot bevordering van het gemeenschappelijk belang in vorm of aard zouden behooren te worden veranderd”.

146)„1º. Of de ondervinding de noodzakelijkheid heeft aangetoond, om de nationale instellingen te wijzigen.

2º. Of, in dat geval, de betrekkingen, door de tractaten en door de Grondwet tusschen de twee groote afdeelingen van het koninkrijk gevestigd, tot bevordering van het gemeenschappelijk belang in vorm of aard zouden behooren te worden veranderd”.

147)Over de uitnoodigingen, die Prins Frederik inderdaad bereikten, zieJuste II, 91.

147)Over de uitnoodigingen, die Prins Frederik inderdaad bereikten, zieJuste II, 91.

148)„De pareils actes sont de nature à exposer sansnécessitéles habitants de cette ville aux conséquences funestes d'une agression militaire que ceux-ci ne cherchent pas à provoquer”(Juste II, 89).

148)„De pareils actes sont de nature à exposer sansnécessitéles habitants de cette ville aux conséquences funestes d'une agression militaire que ceux-ci ne cherchent pas à provoquer”(Juste II, 89).

149)Hier hadden zich thans de beide clubs uit hethôtel de la Paixen uit hethôtel de Bavièrevereenigd.

149)Hier hadden zich thans de beide clubs uit hethôtel de la Paixen uit hethôtel de Bavièrevereenigd.

150)Mémoires du comte van der Meere, p. 153.—Hijzelf verliet de stad.

150)Mémoires du comte van der Meere, p. 153.—Hijzelf verliet de stad.

151)Juste II, 103.

151)Juste II, 103.

152)„Un généreux oubli s'étendra sur les fautes et les démarches irrégulières que les circonstances ont produites. Les auteurs principaux d'actes trop criminels pour espérer d'échapper à la sévérité des lois, des étrangers qui, abusant de l'hospitalité, sont venus organiser parmi vous le désordre, seront seuls et justement frappés”.

152)„Un généreux oubli s'étendra sur les fautes et les démarches irrégulières que les circonstances ont produites. Les auteurs principaux d'actes trop criminels pour espérer d'échapper à la sévérité des lois, des étrangers qui, abusant de l'hospitalité, sont venus organiser parmi vous le désordre, seront seuls et justement frappés”.

153)25 September.

153)25 September.

154)Het hôtel van het Engelsche gezantschap, aan het Park gelegen.

154)Het hôtel van het Engelsche gezantschap, aan het Park gelegen.

155)Vilvoorde.

155)Vilvoorde.

156)De luitenant-kolonelde Gumoëns.—„Friday” is 24 September.

156)De luitenant-kolonelde Gumoëns.—„Friday” is 24 September.

157)d'Hooghvorst,Charles Rogier, Felix vanMerode,Gendebien, van de Weyer,Jolly; op den volgenden dag ook de Potter.

157)d'Hooghvorst,Charles Rogier, Felix vanMerode,Gendebien, van de Weyer,Jolly; op den volgenden dag ook de Potter.

158)Cartwright2 Oct. 1830.

158)Cartwright2 Oct. 1830.

159)Charles Whiteaan den Engelschen consul te Ostende, 6 Oct. 1830(F. O.).

159)Charles Whiteaan den Engelschen consul te Ostende, 6 Oct. 1830(F. O.).

160)Den 30stende Eerste Kamer met 31 tegen 7 stemmen.

160)Den 30stende Eerste Kamer met 31 tegen 7 stemmen.

161)4 uit Oost-Vlaanderen, 2 uit Antwerpen, 2 uit Limburg, 1 uit Luik, 1 uit West-Vlaanderen.

161)4 uit Oost-Vlaanderen, 2 uit Antwerpen, 2 uit Limburg, 1 uit Luik, 1 uit West-Vlaanderen.

162)Cartwright9 Oct. 1830.

162)Cartwright9 Oct. 1830.

163)„He did not disguise his inclination to accept the sovereignty of this country from the States of Belgium, should he not succeed in his endeavours to persuade His Majesty to take the initiative himself”(Cartwright10 Oct., na een onderhoud met den prins).

163)„He did not disguise his inclination to accept the sovereignty of this country from the States of Belgium, should he not succeed in his endeavours to persuade His Majesty to take the initiative himself”(Cartwright10 Oct., na een onderhoud met den prins).

164)De Brouckereende Gerlache, leden van de grondwetcommissie door het voorloopig bestuur benoemd, waren van 8 tot 10 October bij den prins; de eerste zeide dat hij er in geslaagd was het voorloopigbestuurvan het denkbeeld eener republiek terug te brengen; hij ende Gerlachezouden zorgen, dat de grondwetcommissie zich voor de monarchie verklaarde (gelijk zij 12 October ook deed). (Cartwright10 Oct.).

164)De Brouckereende Gerlache, leden van de grondwetcommissie door het voorloopig bestuur benoemd, waren van 8 tot 10 October bij den prins; de eerste zeide dat hij er in geslaagd was het voorloopigbestuurvan het denkbeeld eener republiek terug te brengen; hij ende Gerlachezouden zorgen, dat de grondwetcommissie zich voor de monarchie verklaarde (gelijk zij 12 October ook deed). (Cartwright10 Oct.).

165)Cartwright16 Oct.—Ziehier dus wat er wezenlijk aan is van de opteekening van van Assen: „De Koning heeft een oogenblik acte van afstand van België aan den Prins van Oranje gedaan” (Hogendorp, Br. en Ged. VII, 120).—De brief van den koning was van den 13den.

165)Cartwright16 Oct.—Ziehier dus wat er wezenlijk aan is van de opteekening van van Assen: „De Koning heeft een oogenblik acte van afstand van België aan den Prins van Oranje gedaan” (Hogendorp, Br. en Ged. VII, 120).—De brief van den koning was van den 13den.

166)„H. R. H.is in nowise disposed to renounce his right to the sovereignty of Holland. He even talked of leaving Prince Frederick or one of his sons in that country as Viceroy or with the title of Stadholder, in the event of the present King's death, but said it was too early to advert to such matters; that the principal point was to recover for himself the finest part of the Kingdom, which he hoped to be able to do with the full powers he had received fromH. M., and which he often repeated had been far more ample and explicit than he ever hoped to have obtained”(Cartwright16 Oct.).

166)„H. R. H.is in nowise disposed to renounce his right to the sovereignty of Holland. He even talked of leaving Prince Frederick or one of his sons in that country as Viceroy or with the title of Stadholder, in the event of the present King's death, but said it was too early to advert to such matters; that the principal point was to recover for himself the finest part of the Kingdom, which he hoped to be able to do with the full powers he had received fromH. M., and which he often repeated had been far more ample and explicit than he ever hoped to have obtained”(Cartwright16 Oct.).

167)Waarvan 9 uit de provincie Antwerpen (Nothomb, 53).

167)Waarvan 9 uit de provincie Antwerpen (Nothomb, 53).

168)Falck aanAberdeen, 5 Oct. 1830(bijde Bosch Kemper I, aantt. bl. 36).

168)Falck aanAberdeen, 5 Oct. 1830(bijde Bosch Kemper I, aantt. bl. 36).

169)„To prevent, if possible, the disturbed state of these provinces from leading to any interruption of the general peace of Europe”(Aberdeenaan Falck, 17 Oct. 1830;plaats als voren, bl. 39).

169)„To prevent, if possible, the disturbed state of these provinces from leading to any interruption of the general peace of Europe”(Aberdeenaan Falck, 17 Oct. 1830;plaats als voren, bl. 39).

170)Falck aan Aberdeen, 24 Oct. 1830(plaats als voren, bl. 40).

170)Falck aan Aberdeen, 24 Oct. 1830(plaats als voren, bl. 40).

171)„Il appartient aux puissances de déclarer, qu' à leurs yeux le souverain de la Belgique doit nécessairement répondre aux principes d'existence du pays lui-même, satisfaire par sa position personnelle à la sûreté des états voisins, accepter à cet effet les arrangemens consignés au présent protocole, et se trouver à même d'en assurer aux Belges la paisible jouissance”(Verstolk I, 111).

171)„Il appartient aux puissances de déclarer, qu' à leurs yeux le souverain de la Belgique doit nécessairement répondre aux principes d'existence du pays lui-même, satisfaire par sa position personnelle à la sûreté des états voisins, accepter à cet effet les arrangemens consignés au présent protocole, et se trouver à même d'en assurer aux Belges la paisible jouissance”(Verstolk I, 111).

172)„Je dis que nous aurons la ville de Maestricht tout entière.... Etes-vous bien sûr, me dit-on, de l'opinion de la Russie, de la Prusse, de l'Autriche par rapport à Maestricht? Non; mais peu m'importe. Ce qui me suffit, c'est que, d'après les préliminaires, tout est désormais entre nous et la Hollande. Les puissances l'ont déclaré, elles ont renoncé à toute intervention sur ce point. C'est donc entre la Hollande et nous, et certes nous ne sommes pas disposés à céder Maestricht a la Hollande.... Le prince [Léopold] veut et il aura le Luxembourg. Il l'a déclaré, il fera la guerre, s'il le faut, pour obtenir le Luxembourg et Maestricht”(Verstolk I, 232–236).

172)„Je dis que nous aurons la ville de Maestricht tout entière.... Etes-vous bien sûr, me dit-on, de l'opinion de la Russie, de la Prusse, de l'Autriche par rapport à Maestricht? Non; mais peu m'importe. Ce qui me suffit, c'est que, d'après les préliminaires, tout est désormais entre nous et la Hollande. Les puissances l'ont déclaré, elles ont renoncé à toute intervention sur ce point. C'est donc entre la Hollande et nous, et certes nous ne sommes pas disposés à céder Maestricht a la Hollande.... Le prince [Léopold] veut et il aura le Luxembourg. Il l'a déclaré, il fera la guerre, s'il le faut, pour obtenir le Luxembourg et Maestricht”(Verstolk I, 232–236).

173)De afgevaardigde Alexander Rodenbach in de zitting van 4 Juli.

173)De afgevaardigde Alexander Rodenbach in de zitting van 4 Juli.

Besluit.

De scheiding heeft thans vijf-en-zeventig jaren geduurd; bevredigt zij?

Oogenschijnlijk in België ten volle. Elke gelegenheid wordt aangegrepen, om haar aandenken feestelijk te vieren. Wij Hollanders, die tijdens de vereeniging zooveel prijs bleken te stellen op het behoud der rechten van het eigen volksbestaan, moeten de laatsten zijn hun die vreugde te misgunnen. Hoe natuurlijk is zij inderdaad! In 1830 kreeg België rang in de wereld; een rang dien het nu driekwart eeuw eervol opgehouden heeft. Europa heeft zich over haar beslissing niet te beklagen gehad; het bestaan van het onafhankelijke België is voor de belangen harer groote gemeenschap een voordeel gebleken.

En of Holland murmureeren mag? De scheiding was in 1830 ook een wensch van het Noorden. Wij hebben verkregen, wat wij toen hartstochtelijk hebben verlangd.

Het gaat ons dan ook niet wel af, bij België's feestviering een scheef gezicht te trekken. Ziehier een staat die met den onzen betrekkingen van goede nabuurschap onderhoudt; een volk dat ten onzen aanzien met volkomen loyale gevoelens is bezield, en waarvan een groot aantal leden onze taal spreekt en in een zekere matevan geestelijke gemeenschap met ons leeft. Een volk niet te vergeten, welks staatkundige onafhankelijkheid een der kostbaarste waarborgen is van onze eigene. Indien het, in September 1830, Fransche of Pruisische troepen waren geweest waarop de onafhankelijkheid van België bevochten was, zou ons gevoel van vriendschappelijke deelneming in het gedenkfeest van het ons verwante volk ongetwijfeld volkomen wezen. Mag het worden onderdrukt, omdat wijzelven het zijn geweest die hebben moeten ondervinden, dat een natie zich niet straffeloos te kort doen laat?

En toch, al is het plicht, het naburig volk ook bij het uitbundigst feestvertoon met hartelijke gevoelens tegemoet te treden, een Hollandsch feest kan de gedenkdag van 1830 nooit worden.Wijherdenken 1572, 1813 en 1848; aan 1830 daarentegen is voor ons de herinnering verbonden aan de zware taak die wij in 1815 op onze schouders lieten leggen, en in wier vervulling wij niet zijn geslaagd. De gevoelens, waarmede wij in 1830 de geboorte der Belgische onafhankelijkheid aanschouwden, waren, hoe kon het anders, zeer verdeeld en zeer onzuiver. Wij verheugden ons innerlijk uit den knellenden band verlost te zijn, maar konden kwalijk aanstonds de wijze vergeten waarop die was losgemaakt, en onze berusting in de staatkunde van onzen koning werd oorzaak, dat wij negen jaren lang van de scheiding niets dan nadeel ondervonden. Wij hebben willoos ons den band laten aanleggen, hebben gedraald tot hij gewelddadig werd doorgesneden, en hebben eerst laat beseft dat wij het verledene het verledene moesten laten, en alleen naar onze eigen toekomst zien. Voor ons is in de herinnering aan 1830 niets, dat opwekken kan tot een feest.

En Nederland en België als geheel beschouwd, kunnen zij in 1830 berusten? Is scheiding deeenigeleus? Degeschiedenis spreekt van onderscheiding, maar van onderscheiding op den bodem van verwantschap. Hebben beide volken inderdaad niets anders te doen, dan de onafhankelijkheid van elkander ten scherpste te doen uitkomen, en vervolgens ieder eigen weg te gaan?

Neen voorwaar, het zal niet zoo zijn. Wat de proefneming van 1815 volledig bewezen heeft, is niet meer, dan dat een „innige vereeniging”, met 't zij Holland, 't zij België aan de spits, onuitvoerbaar is. Of denkt iemand, dat thans gelukken zou, wat onder Willem I onmogelijk is gebleken? Voorzeker neen; beide volken hebben in den tusschentijd hun karakter vrij kunnen ontwikkelen, en zijn thans zeker niet minder dan in 1815 onderscheiden. Een dergelijke fout mag maar ééns worden begaan; verviel men er ooit weer in, het is lang niet zeker dat wij, bij de onvermijdelijke ontbinding, er ieder voor zich zoo goed zouden afkomen als in 1830. Maar zoo wij onderscheiden zijn, wij zijn tevens verwant. Bevredigt de bestaande verhouding niet slechts ons gevoel van zelfstandigheid, maar ook ons gevoel van verwantschap?

De tijden zijn er naar, onszelven met aandrang die vraag te stellen. Wij gaan, Belgen als Hollanders, een toekomst tegemoet, waarin het zijn mocht dat wij elkander zeer noodig hadden.

Zal de onafhankelijkheid van België in die van Holland, die van Holland in die van België een steun vinden, dan is in de eerste plaats noodig, dat beiden zichzelf kennen en den vasten wil hebben, zichzelf te blijven. Deze zelfkennis nu is voor België moeilijker dan voor ons. Wij zagen het in 1830: op het eigen oogenblik dat het volk zijn onafhankelijkheid ten opzichte van Holland won, stond het op het punt haar aan Frankrijk te verliezen. Tegen het besluit van de meerderheid van hetCongres in moest door Europa de zoon vanLouis Philippeaan België als koning worden onthouden.

Heeft, na 1830, België zijn historische roeping vervuld van wisselkantoor te zijn tusschen Germaansche en Romaansche kultuur? Niet volkomen. Het heeft aan die roeping ook niet volkomenkunnenbeantwoorden; daartoe was het Nederduitsche element in de Belgische samenleving tot dusver te achterlijk en te weinig Nederduitsch.

In de zeventiende en achttiende eeuw van alle gemeenschap met de Germaansche wereld afgesneden, verviel de Vlaamsche beschaving tot den rang van gewestelijke bizonderheid. In dezen toestand verkeerde zij nog, toen in 1815 de vereeniging met het Noorden aan België werd opgelegd; ja zelfs was haar peil tengevolge der twintigjarige vereeniging met Frankrijk nog meer gedaald. Het is leerrijk, hoe weinig de taalwetgeving van Willem I tot haar verheffing heeft vermocht. Hij verliet den bodem der Bourgondische taalbesluiten, die het gebruik van het Vlaamsch bij de rechtspraak, zoo dikwijls het door de belanghebbenden werd verlangd, hadden voorgeschreven, en die door het Fransche bestuur vernietigd waren. In plaats daarvan trad een gebiedend voorschrift tot het uitsluitend gebruik der Nederlandsche taal bij rechtspraak en bestuur in de vier Vlaamsche provinciën en in de Vlaamsche arrondissementen der provincie Zuid-Brabant, Brussel inbegrepen; een maatregel, die er geen rekening mede hield, dat de hoogere standen eer Fransch dan Nederlandsch waren, en dus een invloedrijk deel der bevolking het gebruik eener taal oplegde, waarin zij verleerd had te denken. Zoo ooit een hervorming van de verkeerde zijde werd aangevat, dan was het deze. Het in België zelf gesproken Nederlandsch was toentertijd onmachtig, de maatschappelijke taak te vervullen, waartoe het geroepen werd; de zaak kwam dus, in de oogen der Zuidelijken,op een onrechtmatige bevoordeeling van het Hollandsch (en van de Hollanders, die er alleen in geoefend waren), neder. Bij tienduizenden hebben de Vlaamsche boeren, hun pastoor of kasteelheer gehoorzamende, tegen de besluiten, die het uitsluitend gebruik van „het Nederlandsch” voorschreven, gepetitionneerd. Van boven af kan niet worden opgelegd, wat uit het volk zelf moet voortkomen.

In 1830 had een geheele omslag plaats. „Vrijheid van taal” was een der leuzen geweest, waaronder men tegen de regeering van Willem I was opgetrokken; „vrijheid van taal” werd dan ook een der uithangborden van den nieuwen Belgischen staat174).Ondertusschenbleef, bijna vijftig jaar lang, deze vrijheid een doode letter. Het voorbehoud, in de grondwet gemaakt, dat omtrent het gebruik der in België gesproken talen bij de rechtspraak en in het bestuur bepalingen zouden kunnen worden gesteld bij de wet, werd in de praktijk derwijze toegepast (of liever niet toegepast), dat feitelijk alle officieel gebruik van het Vlaamsch was uitgesloten. Het „Belgisch” patriotisme scheen dat zoo mede te brengen; de staat was gesticht door een geslacht dat van den Franschen geest geheel doortrokken was, en de heerschende liberale partij, die staatsgezag enstaatseenheid hoog hield, was aan alle particularisme beslist vijandig. Eerst toen, na 1870, de katholieke partij, die om electorale redenen meer dan haar mededingster de stemming in Vlaanderen had te ontzien, de overhand gekregen had, is men weer tot den geest der bepalingen, die vóór de Fransche revolutie gegolden hadden, teruggekeerd. Een wet van 17 Augustus 1873 heeft bij de rechtspraak, een wet van 22 Mei 1878 bij het bestuur, in de vier Vlaamsche provinciën en inhet arrondissement Leuven175)aan het Vlaamsch zekere rechten toegekend, die het van den wil der bevolking zelf doen afhangen, of zij nog verder veroordeeld of bereglementeerd zal worden in een taal die zij niet verstaat.

Machtiger evenwel dan de wet is de volksgeest zelf. Het merkwaardig verschijnsel doet zich voor, dat deze stom was tijdens de vereeniging met Holland, maar zeer spoedig na den roes van 1830 is beginnen te spreken. Reeds dadelijk trekt het de aandacht dat de Vlaamsche gewesten, in 1815 het onwilligst om zich te laten vereenigen, in 1830 het traagst waren om zich af te scheiden. De oorzaak is niet ver te zoeken. Het verzet van 1815 ging van de geestelijkheid uit; de omwenteling van 1830 is aanvaard door de geestelijkheid, maar ingezet door het liberalisme. De geestelijkheid nu had, en heeft nog, in Vlaanderen oneindig meer gezag dan in het Walenland of te Brussel. Zij heeft in 1830, en Vlaanderen heeft met haar, afgewacht welken keer de zaken te Brussel zouden nemen; en toen bleek dat de Waalsche revolutionnairen sterker waren dan de regeering, hebben zij de nieuwe macht erkend. Het Waalsche element leidde, het Vlaamsche volgde. Maar in een staat waar het Waalsche, in meerderheid liberale element de leiding van had genomen, kon eenig Vlaamsch particularisme, mits het de perken niet overschreed waarbinnen zij het gebruiken kon, de geestelijkheid slechts welkom wezen. Vóór 1830 kon verlevendiging van den Vlaamschen geest het ongewenschte gevolg hebben van toenadering tot het kettersche Holland en de kettersche regeering; na 1830 kon zij een middel zijn ter beperking van anti-katholieke uitwassen der Waalsche liberale staatkunde.

Dan deze factor, hij moge zeer werkzaam zijn geweest,is lang de eenige niet. De vijftienjarige vereeniging met Holland is toch op de ontwaking van den Vlaamschen geest van grooter uitwerking geweest, dan men vermoeden kan zoo men alleen op de houdingderVlamingen tusschen 1815 en 1830 let. Tusschen 1820 en 1830 komt alom in België het geslacht tot rijpheid, dat op de schoolbanken van Napoleon had gezeten. Eerst na 1830 komt het geslacht aan het woord, dat de door Willem I in het Vlaamsche land geopende scholen had bezocht. De bescheiden mannen, aan welke Falck had opgedragen het peil van het Vlaamsche onderwijs te verheffen, een Schreuder aan de kweekschool te Lier, een Schrant aan de hoogeschool te Gent, hebben niet te vergeefs gewerkt. Met name op het gebied van het lager onderwijs had Holland aan België iets te leeren, en door het behoedzaam overbrengen van den noordelijken standaard naar de staatsscholen in het Zuiden is aan het gansche schoolwezen daar (ook aan de concurreerende katholieke inrichtingen) ongetwijfeld een groote dienst bewezen. Van een aantal mannen, die omstreeks 1850 in de Vlaamsche beweging naam hebben gemaakt, is aangetoond kunnen worden dat het uit Noord-Nederland overgebrachte verbeterd onderwijs grooten invloed op hun vorming, en met name dat het onderwijs in taal- en letterkunde invloed op hun flamingantisme heeft gehad176).

Dit kan niet gezegd worden van den vader der beweging, Jan Frans Willems, die bij de omwenteling reeds zeven-en-dertig jaren telde. Hij was een rondeVlaamschejongen, „met een lief bloemig gezichtje, een koppel zwarte oogeneneen zwart krullebolleken”177), die het geluk had opgevoed teworden in een kring die zijn natuurlijken groei niet belemmerde, zooals het schoolonderwijs dat omstreeks 1805 in België te verkrijgen was dit zou hebben gedaan. Dezelfde invloed (van den meergemelden Nassauer en oranjeklant te Lier, G. L. Bergmann) heeft hem ongetwijfeld na 1815 mede er toe gebracht, geestelijk verkeer met Noord-Nederland te zoeken. In 1820 reisde Willems het Noorden rond en knoopte er letterkundige betrekkingen aan. Dit allersimpelste feit heeft den rang eener kleine historische gebeurtenis: zoo zeldzaam was het toen, dat een Vlaming (geen kamerlid) benoorden den Moerdijk kwam en rondzag wat de wereld daar opleverde. Den sterksten indruk dien hij medenam, was die van de gesprekken met Bilderdijk178); te Amsterdam vond hij een allergulst onthaal bij Jeronimo de Vries. Reeds te voren, in België, hadden Bergmann en Schreuder hem de kennismaking met Kemper bezorgd. „Een uitstekend mensch, die nut kan doen”, beschrijft Kemper hem aan van Maanen179). Weldra werd Willems tot een post benoemd die hem onafhankelijk maakte en hem gelegenheid liet voor de letteren te leven. De brieven die hij in dezen tijd naar Holland schreef, zijn merkwaardig voor de bewustwording van den Vlaamschen geest, zooals die in hem het eerst heeft plaats gehad. Hij voelt zeer goed dat hij van Holland nog meer te ontvangen heeft dan aan Holland te bieden, maar van prijsgeven zijner Vlaamsche eigenheid is er geen spoor. Men vindt een welsprekende klacht over „de protestantsche platheden in Yntema'sLetteroefeningen”180); nog een uitval tegen „de verwaande dominé's uit deLetteroefeningen”181); een juistgevoel voor de onnatuur der Hollandsche poëzie, „door breede en bazuinende woorden zoo wonderlijk opgevijzeld”182). Hoe raak is ook het volgende als eindindruk van 1830: „Het gouvernement heeft ons nimmer gekend, schoon het ook waar zij dat wij eigenlijk ons zelven ook niet kenden”183). Twee jaar later: „Er is bij de Belgen meer liefhebberij voor de Nederlandsche taal opgekomen dan er voor een paar jaren bestond. Wij maken altijd contrast; dat ligt in onzen aard....”184).

Het evenwicht tusschen Waal en Vlaming zal in België eerst zijn hersteld, wanneer het flamingantisme het karakter van letterkundige „liefhebberij”, dat sedert 1830 tot voor zeer kort overwogen heeft, geheel zal hebben afgelegd. Het Vlaamsch-zijn moet geen particularisme blijven, maarde levensuitdrukking van de helft van België's ingezetenen zelf worden. Zal de groot-Nederlandsche samenleving iets aan den Vlaming hebben, dan moet hij zijn opneming durven eischen als zelfstandige macht. Die Gezelle en Streuvels leest (wie doet het niet?) zal niet twijfelen, of er is in het Vlaamsche volk nog een schat aan ongebruikte kracht geborgen. Geen hoopvoller teeken dan de jong-Vlaamsche beweging der laatste jaren, wier heraut August Vermeylen is. Zij wil niet zegevieren door, maar ondanks de wet. „Leeren hoe elkeenzelfmoet terugwerken op al wat zijnen groei belemmert, en nemen wat hem noodig is,—de menschenovertuigen, en ze dan als zelfstandige wezens laten handelen: dat is de eenige propaganda die een zedelijke waarde bezit, en in directe verhouding staat tot het doel der Vlaamsche Beweging. Zoolang iemand niet vrij zijn wil of kan, tracht men vergeefs hem vrijheid op te dringen. Maar men kan in hem het gevoel der vrijheid opwekken en kweeken, opdat hij zich zelf vrij make. Waarom wachten wij dat het gezag een woord laat vallen van omhoog? Zal misschien dat woord de dooden levend maken? Voor kort ging de „Oud-Hoogstudentenbond van Westvlaanderen” aan den bisschop van Brugge vragen, dat in de katholieke kostscholen en seminariën „de studenten van Vlaanderen zouden mogen Vlaamsch spreken op Zondagen en feestdagen, en op hunne wandelingen in den buiten185)....” De bisschop antwoordde „dat er aan dien wensch.... moeilijk kan toegegeven worden.” Hij heeft gelijk: als men onnoozel genoeg is om deemoedig iets te gaan afbedelen dat geen mensch u ontnemen mag, dan kan men niet genoeg vernederd en getart worden, de vuist in den nek voelen. Indien de echte VlaamscheBeweging in die geesten stak, maar de echte, hoort ge, dan zouden zij weldra met elkaar overeenkomen om Vlaamsch te spreken overal en wanneer het hun belieft, en niet alleen op Zon- en feestdagen! En wat zou de bisschop doen vóór de ongehoorzaamheid van allen?.... Als men ons onrecht doet ligt de schuld aan ons, en aan ons alleen. Spijkert dat in 't hoofd der jeugd, dat is moreeler dan uw eerbied voor de macht”186).

„Geef het volk zijn taal, opdat het zijn waardigheid voele: geef het zijn taal, opdat het zich naar de behoeften van zijn eigen wezen ontwikkele; geef het zijn taal, want met de tong raken de gedachten los, krijgen ze vorm, worden ze leven dat zich voortzet; geef het zijn taal, opdat het eindelijk spreken en verstaan zou: en de breed-uitlevende denkbeelden van dezen tijd, zijn twijfel die naar hooger streeft, zijn woorden van strijd en hoop, zullen door heel dat volk ruischen, niet alleen meer aan de oppervlakte, bij de „gegoede burgerij”, maar in de gansche maatschappij, in de steden en op het land, de stemlooze, ongebruikte, wachtende krachten wekken, de kerngezonde krachten die eens dit leven omscheppen.... Mogen we niet glimlachen, als we hooren, dat de flaminganten een Chineeschen muur om Vlaanderen willen optrekken? Chineesche muur! DeFranschemuur moet afgebroken.... Wat kennen de franschelaars buiten de Fransche, neen buiten de Parijsche kultuur, waar zij maar een flauw verwateringetje van zijn! Het uurwerk van hun geest is erg ten achteren.... Zij zijn het, met al het gerammel hunner achterlijke inzichten, die Vlaanderen van de wereldbeschaving afsluiten. Vlaanderen,—neen! Groot-Nederland: zien ze dan niet hoe schoon het daar ligt in Europa, tusschen de grootste naties in, aanden samenloop der Duitsche, Fransche, Engelsche geestesstroomingen? Met de kennis van Nederlandsch en Fransch houden wij den sleutel tot Germaansche en Romaansche talen, onze geest wordt gedrild door de nabijheid van Romaansche en Germaansche gedachtenwereld. Onze roeping is, in eigen grond geworteld, ook het kultuurleven onzer buren in ons om te werken tot eigen leven. En daar nu alles meêgaat, het zelfstandiger optreden van den Vlaamschen geest, de rijke ontwikkeling onzer nijverheids- en handelskrachten, de groei onzer sterk ingerichte volksbeweging, zien zij niet, die jammerlijke franschelaars, welke rol in het grootworden der algemeene Europeesche beschaving door een „tusschenland” als het onze kan gespeeld worden? Onze toekomst hangt grootendeels af van de grondige vervlaamsching van Vlaanderen. En daarom, in twee regels samengevat: om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn.—Wij willen Vlamingen zijn, om Europeeërs te worden”187).

Welk een kracht in het woord! Zal zijn volk de daad doen volgen? Er is hoop. Juist die lang gesluimerd hebben, hebben soms de wereld verrast. Toen men over Uilenspiegels graf de gebeden lezen wilde, zag men hem opstaan van onder het zand. „Vlaanderen kan ook slapen”, zeide hij,„maar sterven, nooit”. Mocht het zijn, dat Vlaanderen thans had uitgeslapen, de Europeesche beteekenis van België, die reeds aanzienlijk is, zou er nog zeer veel bij winnen. De uitwisseling van Germaansche tegen Romaansche beschavingsmunt zou levendiger zijn in België en daardoor in Europa. En de Belgische bodem, rijker bevrucht, zou schooner bloei voortbrengen.

Wij behoeven toch wel niet te herinneren, dat Vermeylen met zijn „franschelaars” de apen, niet de eigen verwantenvan den Franschen stam in België bedoelt? Aan hun de vrede, en meer dan dat! Zij hooren even goed in België thuis als de fierste Vlaming ook, ja de beteekenis van het land staat en valt met de gelijktijdige en gelijkrechtigde aanwezigheid vanbeideelementen. Doch de Walen hebben geen nood. Hun kultuur steunt op die van een groot, de Vlaamsche kan, onmiddellijk, alleen steunen op die van een klein naburig volk. Middellijk echter ook op die van Duitschland en Engeland. Holland ligt voor de deur, maar uit Holland loopen van ouds verscheiden wegen.

Ook Holland zal, aan de grens van een door Vlaanderens herleving verrijkt België, verhoogde beteekenis krijgen voor het nabuurland en daarmede voor Europa. Het België van 1830 is, in het geestelijke, geen blijvende schepping. Niet de vereeniging van 1815 kan terug komen, maar wat komen kan is een België, meer gelijkwaardig aan dat van Rubens en daarvóór. Van zulk een België zullen wij slechts geestelijk profijt te wachten hebben. Op onzen volksbodem, die naar meer dan één zijde open ligt, rijpen de sappigste vruchten bij zuidwestenwind.

Onze rol bij dit alles is die van hen die wachten, maar niet van hen die wachten zonder hope. Niettegenstaande onze kleinheid zijn wij er nog; wij willen er blijven. Wij ook kunnen alleen Europeeërs zijn, door Hollanders te wezen, en onszelf willen wij blijven ook tegenover het verwante Zuidnederlandsche volk. Wij willen daarbij aan vroegere fouten indachtig zijn, en geen verbroedering gedecreteerd hebben op papier, noch ze verlagen tot pasmunt ten bate van het congresverkeer. Geen overijling, en om 's Hemels wil geen gemaaktheid! Duizendmaal beter dan congressen die boven den toon van ons waarachtig gevoel geschroefd zijn, zijn in het geheel geen congressen. Die het meest hebben bijgedragen tot verhooging van den Vlaamschen naam in Hollandzijn juist zij, die het minst Holland om zijn sympathie hebben nageloopen. Kracht bedelt niet, maar uit zich. Wijhebbenbeiden nog kracht; geen van ons beiden zal ondergaan, zoo hij het niet zelf wil. En wij willen het niet! trots de lamheid van sommiger lendenen. Houde ieder het zich voor gezegd: wij willen niet weg; en onze historie heeft ons niet geleerd aan onszelf te wanhopen.

Laten wij elk, Noord- en Zuidnederlander, het beste geven wat in ons is. Wij brengen dan noodzakelijkerwijs dingen voort die niet slechts voor ons zelven, maar ook voor den ander van belang zijn. Belang zal kennis doen zoeken, kennis zal liefde wekken, en wat geen woorden kunnen, zullen de dingen doen.

Augustus 1905.


Back to IndexNext