[Inhoud]III.ALS DE EEREPRIJS BLOEIT.De mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in Mei.’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes, hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd, hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei. Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart, eereprijs en wilde zuring.Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk[28]kunt zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was.En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord kunt genieten.Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste, maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af, hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt.Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen.Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel, dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend, om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen.Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen.Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel andere manier aan den kost.Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het afvalwater van de keuken naar de slooten loopt.4949JEUGDIGE SPREEUW.5050GRASPIEPER.5151SPREEUW IN DEN HERFST.5252SPREEUW IN PRACHTKLEED.5353BROEDENDE KIEVIT.5454BROEDEND KEMPHENNETJE.5555TURELUUR.5656SPRIET.5757GOUDPLEVIER IN DEN ZOMER.5858GOUDPLEVIER IN DEN WINTER.5959GRUTTO.6060ROEK.[31]Daar zitten ze soms in bij duizenden. Ik weet wel, dat wij als jongens van een jaar of zes er met taaie vlijt jacht op maakten. Bij honderden vischten we ze op uit de griezeligste modder, grauwe cilindervormige diertjes met een soort van staart, die ze heel lang konden maken en ook weer bijna heelemaal intrekken; later zijn we aan de weet gekomen, dat ’t geen staart, maar een soort van ademhalingswerktuig was.Als we er een paar honderd van bij elkander hadden dan gingen we er soldaatje mee spelen. We stelden ze op in rotten van vier, met officieren en onderofficieren, de muziek voorop, een dikke was de kolonel, allemaal juist precies, zooals bij het tweede regiment infanterie, dat in die dagen in onze oogen het allerbeste was, wat er op de wereld bestond. Ik kan mij niet herinneren, ooit later zooveel rotjes bij elkaar gezien te hebben.De larve van de bessenzweefvlieg (65) treft het beter. De oude vlieg zoekt een plant op, die vol met bladluizen zit en legt dan zijn eitje midden tusschen die sapzuigers. Als dan de larve uit ’t ei komt, heeft hij dadelijk zijn voedsel bij de hand, want ’t is zijn natuur, dat hij zich voedt met bladluizen. Met zijn achterlijf houdt hij zich vast aan ’t blad, met zijn kaken grijpt hij één voor één de bladluizen, die tamelijk wel niets merken van ’t onheil, dat hen bedreigt, zuigt ze uit, gooit de leege huiden weg en begint dan van voren af aan. Deze woesteling heet bladluizenleeuw en vindt een naamgenoot en concurrent in de larve van de prachtige gaasvlieg (66), een diertje, dat eigenlijk heelemaal geen vlieg is en met zijn mooie ijle, groene, goudglanzige vleugeltjes haast te fijn en te mooi lijkt, om zoo maar in ’t wild rond te vliegen.Maar laat ons terugkeeren naar onze zweefvliegen en eereprijsjes. Ik heb al wat uren naar die vliegen liggen kijken en dat niet alleen in een soort van zomerluiheid, maar heel dikwijls met veel inspanning en wanhoop. Iedere jongen zal mij begrijpen. We denken tegenwoordig maar altijd aan vliegmachines en nu is zoo’n vlieg wel een van de meest voortreffelijke die er bestaan.Het aardigste is, dat hij, naar ik geloof, veel meer op de vliegmachines van Blériot en Henriot gelijkt, dan de vogels. Deze laatste maken met hun vleugels een beweging die heel veel lijkt op roeien, maar ik heb reden, om te gelooven dat de vliegen met hun vleugels een snelle draaiende beweging maken, dus zoo iets als de beweging van een schroef. Ze gaan dan ook mooi vast en gelijkmatig door de lucht en als ze soms eens op één plek en op dezelfde hoogte willen blijven dan weten ze dat te bereiken door met de vleugels tegengestelde bewegingen te maken.’t Is alleen maar jammer, dat het te vlug gaat, om precies het fijne ervan te kunnen zien: honderden malen per seconde. Slimme geleerden hebben wel middeltjes bedacht, om die vliegen hun eigen vliegbewegingen te laten opschrijven, maar het fijne weten wij er toch nog lang niet van.[32]Als nu de zweefvliegen de mooie eereprijsjes zien, blijven ze een poosje op een kleinen afstand voor de bloem in de lucht zweven, ze staan dan stil op eenzelfde plaats, maar je ziet de vlerkjes in razende vaart ronddraaien.Dan gaan ze langzaam zakken, schuin naar omlaag en ze weten hun machine zoo te besturen, dat ze precies terechtkomen voor het midden van de bloem, met hun groote oogen juist vlak voor ’t witte ringetje dat midden in de bloem het vruchtbeginsel omgeeft. Ze grijpen met hun pooten de twee meeldraden en kunnen dan met hun dikken slurf de honig oplikken.Wie nu eens iets heel moois wil zien, moet die meeldraden van nabij bekijken. De helmdraden van het eereprijsbloempje zijn maar niet eenvoudige, overal even dikke rolronde draden, maar heel sierlijk van vorm, vlak bij de bloem heel dun en weer breeder, waar de vlieg ze aanpakt.Daardoor buigen ze onder de lichte greep en het geringe gewicht van de vlieg zoo door, dat de helmknoppen langs zijn lichaam schuiven, zoodat hij daar bepoederd wordt met stuifmeel. En als hij dan weer op een andere eereprijsbloem komt, dan is er alle kans dat hij dat stuifmeel onwillekeurig afstrijkt op de stempel, die op zijn dunne stijltje juist tusschen de twee meeldraden in staat en dan kan de inhoud van zoo’n stuifmeelkorrel door de stijl naar binnen groeien en de kleine zaadknopjes, die binnen in het vruchtbeginsel zitten, aan den gang maken, om tot zaden te rijpen.De zweefvlieg beseft natuurlijk heelemaal niet, wat voor weldaad hij aan ’t bloempje bewijst. Ook gaat hij wel eens een enkelen keer verkeerd zitten en ’t gebeurt ook dikwijls genoeg, dat de stempel zonder hulp van vliegen in aanraking komt met helmknoppen in dezelfde bloem en dan ontstaan toch ook goede rijpe zaden. Wie er aardigheid in heeft, kan omtrent den omgang van insecten met bloemen nog menige belangrijke bijzonderheid opmerken.Al die lange zomerdagen zijn vliegen, bijen en vlinders met al die bloemen bezig. Sommige bloemen hebben een bepaald stel van vriendjes, andere zijn echte allemansvrienden. Op de paardebloem (34) is om zoo te zeggen ieder tehuis, van de domste vlieg af tot de fijnste vlinder of slimste bij toe. De koekoeksbloem (70) heeft ’t liefst met vlinders te doen, de boterbloem (32) is vriendelijk tegenover kevertjes, vliegen en kleine bijtjes en de orchideeën hebben in hun vreemdsoortig ingerichte ontvangzaal weer ’t liefst vlinders en hommels.Lang niet in iedere wei groeien van die orchideeën. Het moet er min of meer vochtig zijn; ik geloof wel dat de beste orchideeënplekjes lang niet altijd het meest waardevolle hooiland opleveren. Heel dikwijls groeien ze in gezelschap van wollegras (48) en dan groeit er ook licht veenmos en zeggen (39) en allerlei dingen, waar een boer het land aan heeft.6161BLINDE BIJ.6262BOSCHZWEEFVLIEG.6363GESTREEPTE ZWEEFVLIEG.6464HOMMELZWEEFVLIEG.6565BESSENZWEEFVLIEG.6666GAASVLIEG.6767VELDSLA EN VERGEETMIJNIETJE.6868HAARLEMS KLOKKENSPEL.6969VOGELWIKKE.7070KOEKOEKSBLOEM.7171GEDOORND STALKRUID.7272PASTINAAK.[35]Ik laat mij echter door die witte vlaggetjes van ’t wollegras gaarne leiden, want waar dat groeit, vind je dan licht orchideeën en misschien ook nog aardige addertongvarentjes of zonnedauw. En er is ook kans, dat daar ringslangen rondkruipen, wat voor den oningewijde wel griezelig mag lijken, maar den kenner met groote blijdschap vervult.’t Is maar een kwestie van een paar centimeters hooger of lager, misschien ook wel van de aanwezigheid van een kleilaag onder ’t veen. Soms is zoo’n plekje nog niet eens honderd vierkante meter groot, maar de plantengroei en de dierenwereld is er dadelijk anders dan in de rest van de wei.Licht schieten er ook een paar berkjes, wat lijsterbessen en bramen op en wanneer de oeverzeggen er hoog en dicht genoeg worden krijg je daar zelfs kans op het allermooiste en minst bekende slootkantvogeltje, de vroolijke blauwborst (110).Hij is familie van het roodborstje en staat net zoo parmantig op zijn veerkrachtige dunne pootjes. Hij heeft een wit wenkbrauwstreepje over het groote glinsterende oog en zijn borst is prachtig diep blauw met een wit vlekje er midden in.In April ontmoet ik hem al op zijn broedplaatsen en als ik hem niet zie, dan zorgt hij er wel voor dat ik hem hoor, want hij blaast een heel heldere schetterende fanfare, die geen een vogel hem kan nadoen. Hij echter kan wel de andere vogels nadoen en amuseert zich er, met te spelen voor leeuwerik, pieper, kieviet en kraai, al naar hij er trek in heeft.Zijn nest zit listig verborgen achter ’t hooge oevergras.Op zulke plaatsen zwemmen ook, als de slooten niet al te smal zijn, de vlugge dodaarsjes (111,112), die op kleine eendjes zouden lijken als ze maar een staart hadden en als hun zwemvliezen den gewonen vorm hadden. Hun nest is een hoop rommel op ’t water en als de broedende vogel onraad merkt, dan glijdt hij er stilletjes af maar verstopt eerst de eieren onder modder en blaren. Dan duikt hij onder en je moet al heel knap en geduldig wezen, om wat van hem te zien te krijgen. Er zijn er veel meer in onze natte landen dan men wel meent, en wanneer ik op zoo’n nat plekje het kartelblad (83) of de orchideeën ga liggen bekijken, dan heb ik om zoo te zeggen altijd één oog gericht op het verschiet der slooten, om zoo mogelijk een blauwborstje of een dodaarsje te betrappen.De schoolboeken geven je altijd den raad, om een potloodpunt in zoo’n orchideeënbloem te steken. Als je dat in goede richting doet, dan komen twee kleefplakjes van de bloem ermee in aanraking en als je dan ’t potlood weer terugtrekt, blijven twee stuifmeelklompjes eraan kleven.Je kunt het natuurlijk evengoed doen met je pink; eigenlijk veel beter, want de top[36]van een goed verzorgde niet al te dikke pink, lijkt toch altijd nog meer op een hommelkop dan zoo’n spitse potloodpunt.Ik doe dat nog altijd met evenveel plezier als dertig jaar geleden. ’t Blijft altijd verrassend, hoe grif en stevig die dingen blijven kleven en nog veel mooier en wonderlijker is het, dat onmiddellijk de steeltjes van die stuifmeelklompjes gaan doorbuigen. Eindelijk gaan ze niet meer verder en als je dan je pink weer in dezelfde houding van straks in de bloem brengt, zul je merken, dat dan die stuifmeelklompjes terechtkomen tegen het kleverig stempeloppervlak en een deel van het stuifmeel blijft dan daarop vastzitten: de bloem is bestoven.Veel aardiger dan die pinkgymnastiek is natuurlijk het bezoek van de hommels zelf. Intusschen moet ik u waarschuwen, dat de eerste de beste nieuwsgierige er niet op hoeft te rekenen, dit zoo maar eens in de gauwigheid te zien te krijgen, door even te loopen door een weiland met orchideeën.Onze weide-orchideeën, de breedbladige (46), de gevlekte (44), de harlekijn (43) krijgen soms in geen dagen bezoek van een enkel insect. Je vindt dan bloeiaren, waarin haast alle bloemen nog ongeschonden helmknoppen bezitten.Bij mooi weer en in een hommelrijk jaar heeft een volhardend onderzoeker echter wel kans, om die stuifmeelplakkerij in zijn volle glorie te genieten. Er komt een weidehommel aangonzen, regelrecht op de bloem af. Of de mooie vlekjes op de onderlip hem den weg wijzen naar den ingang van de bloem? Sommige geleerden meenen van ja, en noemen die vlekjes het honigmerk. Anderen spreken het tegen en daar kan dan weer heel genoeglijk over gekibbeld worden.[37]De hommel gaat intusschen evengoed zijn gang; hij suist tamelijk onzacht op de bloem neer, steekt twee lange glimmende kaken zoo diep mogelijk in het zakje, dat aan een van de bloembladen zit, de spoor, schuurt het weefsel daarvan kapot en gaat dan met zijn lange ruige tong het sap oplikken. Al dien tijd heeft hij zijn kop juist tegen de kleefplakjes, de zoogenaamde hechtkliertjes, gedrukt en wanneer hij nu de bloem verlaat, dan zie je met bijzonder groot genoegen twee lichtgele stuifmeelklompjes op dunne steeltjes boven op zijn kop staan. Hij krabbelt naar een volgende bloem, drukt zonder het te willen of te weten stuifmeel tegen den kleverigen stempel, maar doet tegelijkertijd weer twee nieuwe stuifmeelklompjes op.Als hij ergen honger heeft en bloem na bloem bezoekt, krijgt hij ten slotte een heele pruik van die dingen op zijn kop en dan begint hij er erg in te krijgen, vooral als er een stuk of zes geplakt zitten midden op zijn oogen.Hij heeft dan een heele tobberij, om zijn bol weer schoon te krijgen; ik heb er wel gezien, die met vier van hun zes pooten uit alle macht zaten te schrobben en te schuren en het ten slotte toch moesten opgeven, zich heelemaal schoon te poetsen.De mooie witte welriekende nachtorchis (45) wordt weinig door hommels, maar drukker door vlinders bezocht. De lange spoor bevat veel honig, dat kun je van buiten af wel zien en ’s avonds komen daar de vlinders op af, aangelokt door den heerlijken geur, die de bloem dan gaat verspreiden.’t Is heusch wel de moeite waard, om die orchideeën in potten te kweeken of een vochtig hoekje in den tuin voor hen in te ruimen. Bij goede behandeling komen zij ieder jaar weer opnieuw te voorschijn uit hun merkwaardigen wortelknol, telkens weer grooter en mooier dan eerst, ik heb daar heel mooie dingen van gezien.Maar ga mij nu niet al de orchideeën uitgraven, die ge tegenkomt. Aan één hebt ge genoeg. Het uitgraven lijkt makkelijk genoeg, ja je kunt ze soms zoo maar met knol en al uit den weeken moerasbodem trekken. Toch is het dan tien tegen één, dat de worteluiteinden, waar ’t juist op aankomt, afbreken en dan bloeit de plant wel dat ééne jaar, maar hij is niet bij machte een behoorlijke nieuwe wortelknol voor ’t volgend jaar te maken. Wil je ’t goed doen, neem dan een heele zode, twee decimeter in middellijn, zoodat de plant tot in zijn fijnste deelen ongeschonden blijft.Nog veel aardiger is het, ze te kweeken uit het fijne zaad, dat ge in den nazomer uit de bruine verdroogde vruchten kunt kloppen. Je hebt dan meteen de voldoening iets te probeeren, wat lang niet iedereen gelukt. De orchideeënzaden ontkiemen alleen onder bepaalde omstandigheden; zorg vooral, ze uit te zaaien in grond, afkomstig van ’t terrein zelf, waar ge de zaden inzamelde en als daar mos groeide, neem dan ook maar wat van dat mos mee, dat kan nooit geen kwaad, zou mijn grootmoeder zeggen.[38]Orchideeën zijn niet bepaald zeldzaam, maar toch altijd wel iets aparts. ’t Is niet te ontkennen, dat wij houden van zeldzame en aparte dingen en zoolang je daarom de gewone dingen niet verwaarloost, zit er ook geen kwaad in. Ik ben altijd klaar, om zeldzame planten en dieren te gaan opzoeken en als ik ze weet te vinden, dan sla ik meestal geen enkel jaar over, om ze te gaan bekijken in den tijd, dat ze op hun mooist bloeien.Zoo doe ik iedere Meimaand een of meer tochten naar de Vechtstreek, om de zomerklokjes (41) te gaan zien. Ze groeien ook wel vlak bij mij in de buurt op een weide-eilandje in de Mooie Nel, maar daar staan er slechts enkele honderden en dat is mij te weinig. Ik houd van overvloed, van duizenden en millioenen, heele velden van eereprijsjes; madeliefjes dicht geschaard zoover je zien kunt, boterbloem en zuring samen één groot vlak vormend van rood en goud en dan weer rij aan rij van orchideeën, alle rechtop en talrijk als klaverbloemen. Millioenen graspluimen wapperen er tusschen en er boven, allemaal even frisch en flink, met ieder uur hooger van gestalte en dieper van kleur. Aan den slootkant bloeien heele plakkaten van mooie hemelsblauwe vergeetmijnietjes (67) en de helling staat vol met een kleiner bloempje, bleekblauw bij wit af, dat door sommige menschen wel valsch vergeetmijnietje genoemd wordt, maar ’t is niets anders dan de lekkere veldsla (67).En waar de breede Vecht door bonte weiden kronkelt, heeft hij over een lengte van eenige kilometers zijn boorden omzoomd met zomerklokjes. Aan hooge stengels wiegelen ze in de morgenbries, vijf, zes hangende bloempjes in een schermpje bij elkaar, roomwit met fijne groene vlekjes: sneeuwklokjes in zomerkleed. Onze vrienden, de zweefvliegen dartelen er tusschen door in gezelschap van kleurige hommels. De bladeren van deze planten zijn donker groen, veel donkerder dan ’t jonge riet, dat pas zijn eerste linten ontrolt. Donker blad en witte bloemen; aan de overzijde van de rivier zijn ze ook duidelijk te zien en ’t mooist zijn ze in een drassig hooilandje binnendijks, waar groote pollen afzonderlijk staan tusschen jonge waterzuring en bloeiende oeverzegge.Hoogstwaarschijnlijk zijn deze zomerklokjes geen oorspronkelijke wilde planten, maar sierplanten, die sinds overoude tijden uit slotgaarde of kloostertuin zijn ontsnapt. Ze zijn er mij niet minder dierbaar om. Integendeel, want evengoed als ze op die enkele plaatsen in Nederland jaar in jaar uit trots den allerstrengsten winter zich weelderig willen ontwikkelen, kunnen ze overal groeien, waar de grond maar niet al te droog is. Bezat ik weilanden, dan zou ik mij niet ontzien, om een paar hoekjes vol te zetten met deze zomerklokjes.7373ROODE KLAVER.7474WITTE KLAVER.7575ROLKLAVER.7676VELDLATHYRUS.7777HONIGKLAVER.7878HEGGEWIKKE.7979BRUNELLE.8080GLIDKRUID.8181VELDSALIE.8282GEVLEKTE DOOVENETEL.8383MOERAS KARTELBLAD.8484WATERMUNT.Ook zou ik de kievietsbloem (47) niet vergeten, ook waarschijnlijk een ontsnapte tuinplant, een neefje van de trotsche keizerskroon. In sommige weilanden groeit die bij[41]honderden. ’t Is een heel genoegen, er tusschen in te staan en toe te zien, hoe de hommels de neerhangende bloemen opzoeken en hoe ze er in wegduikelen, om den honig te halen, die in hoekjes van de bloembladen zit.Die bloembladen zijn prachtig fijn geaderd en gekleurd met plekjes paars en plekjes wit; daaraan heeft de bloem zijn naam van dambordbloem te danken. Ook wordt zij wel kievietsei genoemd en dat is nog zoo mis niet, want de nog niet geopende bloemen zijn werkelijk eivormig.In plaats van paarse, vindt je ook witte, die zijn niet zuiver wit, maar de vlekken zijn wel degelijk aanwezig, al zijn ze dan ook maar flauwtjes groenachtig geel. Zoowel van kievietsbloem als van zomerklokje zijn de bollen te koop bij den bloemist en duur zijn ze niet, zoodat je voor een enkelen gulden of zoo je heele leven lang een verrassend mooi plekje kunt hebben in een doodgewone wei.Maar als nu eens ergens geen zomerklokjes of kievietsbloemen bloeien, dan is de wei toch nog mooi genoeg. Alleen de grassen geven je al genoeg te doen. Een heele massa kinderen en menschen kijken naar de grassen niet om, omdat ze zoo moeilijk te onderscheiden zijn. Nu zijn alle dingen net zoo moeilijk, als je ze zelf maken wilt en ik voor mij zou er heelemaal geen bezwaar in zien, om kinderen van acht of negen jaar een vijf-en-twintigtal van de meest algemeene grassen te leeren.Je kunt er ook heel gemakkelijk een verzameling van aanleggen, want ze zijn prachtig om te drogen; als je maar zorgt, goed ontwikkelde pluimen te nemen, dan krijg je vanzelf heel mooie, teekenachtige bladen. In ’t vroege voorjaar hebben we al de beide reukgrassen gevonden, die gevolgd worden door de vossestaart, die net zoo rond en zachtharig is, als zijn naam aangeeft. Dit gras bloeit ook wel in de eerste dagen van Mei en al naar het tijdperk van bloei ziet de staart grijs, paars, bruin of groen.Grijs is hij, wanneer uit alle bloempjes de witte stijlen naar buiten komen, paars wanneer de stijlen zijn verschrompeld en in hun plaats paarse helmknoppen op fijne witte draden uit de bloem zijn geschoven; die helmknoppen verschrompelen tot een bruine massa, die afvalt en de rijpende aar groen achterlaat. Je kunt die verschillende toestanden vlak bij elkaar aantreffen.Na de vossestaart komt de timothee, die er wel wat op lijkt, maar altijd grijs is en tamelijk stijf; ieder apart bloempakje heeft wel wat van een laarzenknecht. Tegelijk bloeien nu ook de wijdvertakte pluimgrassen: op natte venige plekken het mooie trilgras, dat we ook bevertjes noemen; elders weer de zachte pluimen van de dravik of de mooie groote havergrassen, die eraan te herkennen zijn, dat ze in ieder bloempakje één of meer geknikte kafnaalden hebben.De pluimen met de fijne bloempakjes zijn meestal van beemdgras en heel stellig[42]vindt ge ook de witbol, die in dichte bossen groeit. Hij heeft zeer zacht behaarde stengels en bladeren en zijn bloempakjes zijn lichtgroen of bleekrose, soms ook met wat violet er in, bijzonder mooi. Tegenwoordig heeft dat gras den eerwaardigen naam van witbol, vroeger werd het „zorggras” genoemd, de landman houdt er niet veel van en ik heb het ook niet graag in het effen grasperk, want het maakt zulke onhandelbare proppen, die misstaan in de mooie effen zode.Zuring (38) zien de boeren ook niet zoo bijster graag, doch ze moeten er maar aan wennen, want die plant laat zich niet zoo gemakkelijk uit het veld slaan. Er is eigenlijk geen enkele grondsoort, of er groeit de eene of andere zuring: aan de waterkanten en op natte plaatsen de reusachtige waterzuringen, op de schrale zandvlakten het tengere schapenzurinkje en in de wei de lekkere malsche veldzuring, die ’t zuurst van alle is.Als je iemand vraagt, hoe de bloem van die zuring er uitziet, dan blijft hij gewoonlijk ’t antwoord schuldig. Ja, ’t is iets roods, en al die roode zuringbloemen geven met de gele boterbloemen dien heerlijken tint van den vollen zomer op de bonte wei. Maar als ze zoo rood zien, dan zijn de zuringen meestal bijna uitgebloeid, die roode kleur zit door hun heele lichaam en hangt weer samen met hun zuurheid en met de zon, doch ik zie geen kans, om u dat hier allemaal in een paar regels uit te leggen.De bloempjes van de zuring zijn maar kleine dingetjes met zes groene bloemblaadjes. Sommige hebben een zestal meeldraadjes, die heel gemakkelijk bewegen en hun stuifmeel door den wind laten meedragen, andere hebben een stampertje met een mooien pluimstempel.Als ’t vruchtje gaat rijpen, gebeurt er iets aardigs; drie van de bloemblaadjes gaan[43]uitgroeien en worden zoo groot dat ze elkander verdrukken en verbuigen. Ze buigen dan naar buiten om en staan met de omgebogen helften zoo tegen elkander aan, dat ze drie platte lijsten over het vruchtje vormen, die den dienst doen van vleugels. Als de plant niet werd afgemaaid, dan zou de vrucht op die vleugels door den wind worden meegevoerd.De kneutjes komen uit de struiken en uit de hagen naar de wei om van die vruchtjes te eten, montere vogeltjes met roode kappen en roode borstlappen op de roode zuring.Dat is een van de mooiste tooneeltjes, die ik ooit gezien heb en als ik ergens veel zuring weet te staan in een streek, waar ook de kneutjes niet zeldzaam zijn, dan zorg ik er voor, dat ik daar ook niet al te zeldzaam word,m.a.w.dan loop ik daar als ’t eenigszins kan ’s morgens tusschen zessen en achten rond, om de roode snoepers te betrappen. ’t Lukt dikwijls genoeg.De zuring heeft nog een ander vriendje, waar ik haast net zooveel van houd als van de kneutjes; dat is het vuurvlindertje (127,129), het dartelste van alle vlindertjes.Wat hebben onze Hollandsche dagvlinders over ’t algemeen toch prettige namen, namen, die het onvergeeflijk maken, dat je de dieren zelf niet herkent, als je ze buiten tegenkomt. Denk maar eens aan parelmoervlinder, dagpauwoog, rouwmantel, zandoogje, blauwtje, groentje, witje, citroenvlinder, oranjetip, weerschijnvlinder, allemaal namen, die heel gelukkig aanduiden, hoe het dier er uitziet.Het vuurvlindertje heeft ook zoo echt de kleur en den gloed van een kooltje vuur, dat je op ’t eerste gezicht al zegt, dat moet hem zijn en geen andere. ’t Is precies alsof je een gloeiend kooltje ziet gloren, onder de asch. Wie een beetje thuis is in ’t Rijks-Museum heeft die gloed wel gevonden in de brandende turfjes op een paar schilderijen van Jan Steen; ik herinner mij op ’t oogenblik twee van zijn schilderijen met van die vuurvlinder-gloeiende-turfjes in een test. De Engelschen, die anders ook over heel mooie vlindernamen beschikken, noemen ons vuurvlindertje Small Copper maar dat is lang zoo juist niet, die vleugeltjes zijn veeleer vuur dan koper, let er maar eens op.En in ’t vuur liggen weer mooie koolzwarte blokjes, bij sommige meer, bij andere minder, want dat vuurvlindertje is een heel variabel diertje. Wie er aardigheid in heeft kan zich een verzameling vuurvlindertjes aanleggen, beginnende met diertjes waarvan de vleugels bijna geheel vuur zijn, zonder zwarte vlekjes om te eindigen met vormen, waarbij zooveel zwarte vlekjes voorkomen, dat ’t vuur er geheel onder verscholen gaat.Heel dikwijls vind ik er ook, die op de achtervleugels mooie blauwe plekjes hebben; verleden jaar kwam er zoo een drie dagen achtereen in mijn tuin altijd ’s middags[44]tusschen één en drie uur, want die dartele en vlugge diertjes hebben soms zeer vaste gewoonten. Het moet ook voorkomen, maar dat heb ik nooit gezien, dat het vuurtintje heelemaal vervangen is door een roomachtige of ook wel zilverachtige tint, je zoudt kunnen zeggen: een vuurvlindertje in de grondverf.Maar hoe ze er ook uitzien, altijd zijn die kleine rakkers vol levenslust en overmoed. Niet alleen, dat ze elkander nazitten, zooals alle vlinders doen, maar ze laten, om zoo te zeggen, geen enkel dier met rust.Ik heb het wel gezien, dat ze de vliegen verjoegen van de bloemen, ja, dat ze dikke hommels te lijf gingen. Zoo brutaal kwamen ze op die zuigbrommers af, dat die overhaast op de vlucht sloegen, alsof ze ik weet niet wat van die kleine vlindertjes te vreezen hadden.Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om ’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken, nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun de pret van harte.Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren.Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te goed te doen aan de lekkere zuring.Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren. Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken.De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft ’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen door ’t natte gras.[45]Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken, de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine nachtvlindertjes.En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem.Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo gebeuren.Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is, waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar eens.Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt, zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken uitsteken.De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen.Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor zonsondergang[46]reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt, vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken.Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere, grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk.[47]
[Inhoud]III.ALS DE EEREPRIJS BLOEIT.De mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in Mei.’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes, hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd, hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei. Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart, eereprijs en wilde zuring.Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk[28]kunt zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was.En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord kunt genieten.Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste, maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af, hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt.Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen.Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel, dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend, om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen.Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen.Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel andere manier aan den kost.Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het afvalwater van de keuken naar de slooten loopt.4949JEUGDIGE SPREEUW.5050GRASPIEPER.5151SPREEUW IN DEN HERFST.5252SPREEUW IN PRACHTKLEED.5353BROEDENDE KIEVIT.5454BROEDEND KEMPHENNETJE.5555TURELUUR.5656SPRIET.5757GOUDPLEVIER IN DEN ZOMER.5858GOUDPLEVIER IN DEN WINTER.5959GRUTTO.6060ROEK.[31]Daar zitten ze soms in bij duizenden. Ik weet wel, dat wij als jongens van een jaar of zes er met taaie vlijt jacht op maakten. Bij honderden vischten we ze op uit de griezeligste modder, grauwe cilindervormige diertjes met een soort van staart, die ze heel lang konden maken en ook weer bijna heelemaal intrekken; later zijn we aan de weet gekomen, dat ’t geen staart, maar een soort van ademhalingswerktuig was.Als we er een paar honderd van bij elkander hadden dan gingen we er soldaatje mee spelen. We stelden ze op in rotten van vier, met officieren en onderofficieren, de muziek voorop, een dikke was de kolonel, allemaal juist precies, zooals bij het tweede regiment infanterie, dat in die dagen in onze oogen het allerbeste was, wat er op de wereld bestond. Ik kan mij niet herinneren, ooit later zooveel rotjes bij elkaar gezien te hebben.De larve van de bessenzweefvlieg (65) treft het beter. De oude vlieg zoekt een plant op, die vol met bladluizen zit en legt dan zijn eitje midden tusschen die sapzuigers. Als dan de larve uit ’t ei komt, heeft hij dadelijk zijn voedsel bij de hand, want ’t is zijn natuur, dat hij zich voedt met bladluizen. Met zijn achterlijf houdt hij zich vast aan ’t blad, met zijn kaken grijpt hij één voor één de bladluizen, die tamelijk wel niets merken van ’t onheil, dat hen bedreigt, zuigt ze uit, gooit de leege huiden weg en begint dan van voren af aan. Deze woesteling heet bladluizenleeuw en vindt een naamgenoot en concurrent in de larve van de prachtige gaasvlieg (66), een diertje, dat eigenlijk heelemaal geen vlieg is en met zijn mooie ijle, groene, goudglanzige vleugeltjes haast te fijn en te mooi lijkt, om zoo maar in ’t wild rond te vliegen.Maar laat ons terugkeeren naar onze zweefvliegen en eereprijsjes. Ik heb al wat uren naar die vliegen liggen kijken en dat niet alleen in een soort van zomerluiheid, maar heel dikwijls met veel inspanning en wanhoop. Iedere jongen zal mij begrijpen. We denken tegenwoordig maar altijd aan vliegmachines en nu is zoo’n vlieg wel een van de meest voortreffelijke die er bestaan.Het aardigste is, dat hij, naar ik geloof, veel meer op de vliegmachines van Blériot en Henriot gelijkt, dan de vogels. Deze laatste maken met hun vleugels een beweging die heel veel lijkt op roeien, maar ik heb reden, om te gelooven dat de vliegen met hun vleugels een snelle draaiende beweging maken, dus zoo iets als de beweging van een schroef. Ze gaan dan ook mooi vast en gelijkmatig door de lucht en als ze soms eens op één plek en op dezelfde hoogte willen blijven dan weten ze dat te bereiken door met de vleugels tegengestelde bewegingen te maken.’t Is alleen maar jammer, dat het te vlug gaat, om precies het fijne ervan te kunnen zien: honderden malen per seconde. Slimme geleerden hebben wel middeltjes bedacht, om die vliegen hun eigen vliegbewegingen te laten opschrijven, maar het fijne weten wij er toch nog lang niet van.[32]Als nu de zweefvliegen de mooie eereprijsjes zien, blijven ze een poosje op een kleinen afstand voor de bloem in de lucht zweven, ze staan dan stil op eenzelfde plaats, maar je ziet de vlerkjes in razende vaart ronddraaien.Dan gaan ze langzaam zakken, schuin naar omlaag en ze weten hun machine zoo te besturen, dat ze precies terechtkomen voor het midden van de bloem, met hun groote oogen juist vlak voor ’t witte ringetje dat midden in de bloem het vruchtbeginsel omgeeft. Ze grijpen met hun pooten de twee meeldraden en kunnen dan met hun dikken slurf de honig oplikken.Wie nu eens iets heel moois wil zien, moet die meeldraden van nabij bekijken. De helmdraden van het eereprijsbloempje zijn maar niet eenvoudige, overal even dikke rolronde draden, maar heel sierlijk van vorm, vlak bij de bloem heel dun en weer breeder, waar de vlieg ze aanpakt.Daardoor buigen ze onder de lichte greep en het geringe gewicht van de vlieg zoo door, dat de helmknoppen langs zijn lichaam schuiven, zoodat hij daar bepoederd wordt met stuifmeel. En als hij dan weer op een andere eereprijsbloem komt, dan is er alle kans dat hij dat stuifmeel onwillekeurig afstrijkt op de stempel, die op zijn dunne stijltje juist tusschen de twee meeldraden in staat en dan kan de inhoud van zoo’n stuifmeelkorrel door de stijl naar binnen groeien en de kleine zaadknopjes, die binnen in het vruchtbeginsel zitten, aan den gang maken, om tot zaden te rijpen.De zweefvlieg beseft natuurlijk heelemaal niet, wat voor weldaad hij aan ’t bloempje bewijst. Ook gaat hij wel eens een enkelen keer verkeerd zitten en ’t gebeurt ook dikwijls genoeg, dat de stempel zonder hulp van vliegen in aanraking komt met helmknoppen in dezelfde bloem en dan ontstaan toch ook goede rijpe zaden. Wie er aardigheid in heeft, kan omtrent den omgang van insecten met bloemen nog menige belangrijke bijzonderheid opmerken.Al die lange zomerdagen zijn vliegen, bijen en vlinders met al die bloemen bezig. Sommige bloemen hebben een bepaald stel van vriendjes, andere zijn echte allemansvrienden. Op de paardebloem (34) is om zoo te zeggen ieder tehuis, van de domste vlieg af tot de fijnste vlinder of slimste bij toe. De koekoeksbloem (70) heeft ’t liefst met vlinders te doen, de boterbloem (32) is vriendelijk tegenover kevertjes, vliegen en kleine bijtjes en de orchideeën hebben in hun vreemdsoortig ingerichte ontvangzaal weer ’t liefst vlinders en hommels.Lang niet in iedere wei groeien van die orchideeën. Het moet er min of meer vochtig zijn; ik geloof wel dat de beste orchideeënplekjes lang niet altijd het meest waardevolle hooiland opleveren. Heel dikwijls groeien ze in gezelschap van wollegras (48) en dan groeit er ook licht veenmos en zeggen (39) en allerlei dingen, waar een boer het land aan heeft.6161BLINDE BIJ.6262BOSCHZWEEFVLIEG.6363GESTREEPTE ZWEEFVLIEG.6464HOMMELZWEEFVLIEG.6565BESSENZWEEFVLIEG.6666GAASVLIEG.6767VELDSLA EN VERGEETMIJNIETJE.6868HAARLEMS KLOKKENSPEL.6969VOGELWIKKE.7070KOEKOEKSBLOEM.7171GEDOORND STALKRUID.7272PASTINAAK.[35]Ik laat mij echter door die witte vlaggetjes van ’t wollegras gaarne leiden, want waar dat groeit, vind je dan licht orchideeën en misschien ook nog aardige addertongvarentjes of zonnedauw. En er is ook kans, dat daar ringslangen rondkruipen, wat voor den oningewijde wel griezelig mag lijken, maar den kenner met groote blijdschap vervult.’t Is maar een kwestie van een paar centimeters hooger of lager, misschien ook wel van de aanwezigheid van een kleilaag onder ’t veen. Soms is zoo’n plekje nog niet eens honderd vierkante meter groot, maar de plantengroei en de dierenwereld is er dadelijk anders dan in de rest van de wei.Licht schieten er ook een paar berkjes, wat lijsterbessen en bramen op en wanneer de oeverzeggen er hoog en dicht genoeg worden krijg je daar zelfs kans op het allermooiste en minst bekende slootkantvogeltje, de vroolijke blauwborst (110).Hij is familie van het roodborstje en staat net zoo parmantig op zijn veerkrachtige dunne pootjes. Hij heeft een wit wenkbrauwstreepje over het groote glinsterende oog en zijn borst is prachtig diep blauw met een wit vlekje er midden in.In April ontmoet ik hem al op zijn broedplaatsen en als ik hem niet zie, dan zorgt hij er wel voor dat ik hem hoor, want hij blaast een heel heldere schetterende fanfare, die geen een vogel hem kan nadoen. Hij echter kan wel de andere vogels nadoen en amuseert zich er, met te spelen voor leeuwerik, pieper, kieviet en kraai, al naar hij er trek in heeft.Zijn nest zit listig verborgen achter ’t hooge oevergras.Op zulke plaatsen zwemmen ook, als de slooten niet al te smal zijn, de vlugge dodaarsjes (111,112), die op kleine eendjes zouden lijken als ze maar een staart hadden en als hun zwemvliezen den gewonen vorm hadden. Hun nest is een hoop rommel op ’t water en als de broedende vogel onraad merkt, dan glijdt hij er stilletjes af maar verstopt eerst de eieren onder modder en blaren. Dan duikt hij onder en je moet al heel knap en geduldig wezen, om wat van hem te zien te krijgen. Er zijn er veel meer in onze natte landen dan men wel meent, en wanneer ik op zoo’n nat plekje het kartelblad (83) of de orchideeën ga liggen bekijken, dan heb ik om zoo te zeggen altijd één oog gericht op het verschiet der slooten, om zoo mogelijk een blauwborstje of een dodaarsje te betrappen.De schoolboeken geven je altijd den raad, om een potloodpunt in zoo’n orchideeënbloem te steken. Als je dat in goede richting doet, dan komen twee kleefplakjes van de bloem ermee in aanraking en als je dan ’t potlood weer terugtrekt, blijven twee stuifmeelklompjes eraan kleven.Je kunt het natuurlijk evengoed doen met je pink; eigenlijk veel beter, want de top[36]van een goed verzorgde niet al te dikke pink, lijkt toch altijd nog meer op een hommelkop dan zoo’n spitse potloodpunt.Ik doe dat nog altijd met evenveel plezier als dertig jaar geleden. ’t Blijft altijd verrassend, hoe grif en stevig die dingen blijven kleven en nog veel mooier en wonderlijker is het, dat onmiddellijk de steeltjes van die stuifmeelklompjes gaan doorbuigen. Eindelijk gaan ze niet meer verder en als je dan je pink weer in dezelfde houding van straks in de bloem brengt, zul je merken, dat dan die stuifmeelklompjes terechtkomen tegen het kleverig stempeloppervlak en een deel van het stuifmeel blijft dan daarop vastzitten: de bloem is bestoven.Veel aardiger dan die pinkgymnastiek is natuurlijk het bezoek van de hommels zelf. Intusschen moet ik u waarschuwen, dat de eerste de beste nieuwsgierige er niet op hoeft te rekenen, dit zoo maar eens in de gauwigheid te zien te krijgen, door even te loopen door een weiland met orchideeën.Onze weide-orchideeën, de breedbladige (46), de gevlekte (44), de harlekijn (43) krijgen soms in geen dagen bezoek van een enkel insect. Je vindt dan bloeiaren, waarin haast alle bloemen nog ongeschonden helmknoppen bezitten.Bij mooi weer en in een hommelrijk jaar heeft een volhardend onderzoeker echter wel kans, om die stuifmeelplakkerij in zijn volle glorie te genieten. Er komt een weidehommel aangonzen, regelrecht op de bloem af. Of de mooie vlekjes op de onderlip hem den weg wijzen naar den ingang van de bloem? Sommige geleerden meenen van ja, en noemen die vlekjes het honigmerk. Anderen spreken het tegen en daar kan dan weer heel genoeglijk over gekibbeld worden.[37]De hommel gaat intusschen evengoed zijn gang; hij suist tamelijk onzacht op de bloem neer, steekt twee lange glimmende kaken zoo diep mogelijk in het zakje, dat aan een van de bloembladen zit, de spoor, schuurt het weefsel daarvan kapot en gaat dan met zijn lange ruige tong het sap oplikken. Al dien tijd heeft hij zijn kop juist tegen de kleefplakjes, de zoogenaamde hechtkliertjes, gedrukt en wanneer hij nu de bloem verlaat, dan zie je met bijzonder groot genoegen twee lichtgele stuifmeelklompjes op dunne steeltjes boven op zijn kop staan. Hij krabbelt naar een volgende bloem, drukt zonder het te willen of te weten stuifmeel tegen den kleverigen stempel, maar doet tegelijkertijd weer twee nieuwe stuifmeelklompjes op.Als hij ergen honger heeft en bloem na bloem bezoekt, krijgt hij ten slotte een heele pruik van die dingen op zijn kop en dan begint hij er erg in te krijgen, vooral als er een stuk of zes geplakt zitten midden op zijn oogen.Hij heeft dan een heele tobberij, om zijn bol weer schoon te krijgen; ik heb er wel gezien, die met vier van hun zes pooten uit alle macht zaten te schrobben en te schuren en het ten slotte toch moesten opgeven, zich heelemaal schoon te poetsen.De mooie witte welriekende nachtorchis (45) wordt weinig door hommels, maar drukker door vlinders bezocht. De lange spoor bevat veel honig, dat kun je van buiten af wel zien en ’s avonds komen daar de vlinders op af, aangelokt door den heerlijken geur, die de bloem dan gaat verspreiden.’t Is heusch wel de moeite waard, om die orchideeën in potten te kweeken of een vochtig hoekje in den tuin voor hen in te ruimen. Bij goede behandeling komen zij ieder jaar weer opnieuw te voorschijn uit hun merkwaardigen wortelknol, telkens weer grooter en mooier dan eerst, ik heb daar heel mooie dingen van gezien.Maar ga mij nu niet al de orchideeën uitgraven, die ge tegenkomt. Aan één hebt ge genoeg. Het uitgraven lijkt makkelijk genoeg, ja je kunt ze soms zoo maar met knol en al uit den weeken moerasbodem trekken. Toch is het dan tien tegen één, dat de worteluiteinden, waar ’t juist op aankomt, afbreken en dan bloeit de plant wel dat ééne jaar, maar hij is niet bij machte een behoorlijke nieuwe wortelknol voor ’t volgend jaar te maken. Wil je ’t goed doen, neem dan een heele zode, twee decimeter in middellijn, zoodat de plant tot in zijn fijnste deelen ongeschonden blijft.Nog veel aardiger is het, ze te kweeken uit het fijne zaad, dat ge in den nazomer uit de bruine verdroogde vruchten kunt kloppen. Je hebt dan meteen de voldoening iets te probeeren, wat lang niet iedereen gelukt. De orchideeënzaden ontkiemen alleen onder bepaalde omstandigheden; zorg vooral, ze uit te zaaien in grond, afkomstig van ’t terrein zelf, waar ge de zaden inzamelde en als daar mos groeide, neem dan ook maar wat van dat mos mee, dat kan nooit geen kwaad, zou mijn grootmoeder zeggen.[38]Orchideeën zijn niet bepaald zeldzaam, maar toch altijd wel iets aparts. ’t Is niet te ontkennen, dat wij houden van zeldzame en aparte dingen en zoolang je daarom de gewone dingen niet verwaarloost, zit er ook geen kwaad in. Ik ben altijd klaar, om zeldzame planten en dieren te gaan opzoeken en als ik ze weet te vinden, dan sla ik meestal geen enkel jaar over, om ze te gaan bekijken in den tijd, dat ze op hun mooist bloeien.Zoo doe ik iedere Meimaand een of meer tochten naar de Vechtstreek, om de zomerklokjes (41) te gaan zien. Ze groeien ook wel vlak bij mij in de buurt op een weide-eilandje in de Mooie Nel, maar daar staan er slechts enkele honderden en dat is mij te weinig. Ik houd van overvloed, van duizenden en millioenen, heele velden van eereprijsjes; madeliefjes dicht geschaard zoover je zien kunt, boterbloem en zuring samen één groot vlak vormend van rood en goud en dan weer rij aan rij van orchideeën, alle rechtop en talrijk als klaverbloemen. Millioenen graspluimen wapperen er tusschen en er boven, allemaal even frisch en flink, met ieder uur hooger van gestalte en dieper van kleur. Aan den slootkant bloeien heele plakkaten van mooie hemelsblauwe vergeetmijnietjes (67) en de helling staat vol met een kleiner bloempje, bleekblauw bij wit af, dat door sommige menschen wel valsch vergeetmijnietje genoemd wordt, maar ’t is niets anders dan de lekkere veldsla (67).En waar de breede Vecht door bonte weiden kronkelt, heeft hij over een lengte van eenige kilometers zijn boorden omzoomd met zomerklokjes. Aan hooge stengels wiegelen ze in de morgenbries, vijf, zes hangende bloempjes in een schermpje bij elkaar, roomwit met fijne groene vlekjes: sneeuwklokjes in zomerkleed. Onze vrienden, de zweefvliegen dartelen er tusschen door in gezelschap van kleurige hommels. De bladeren van deze planten zijn donker groen, veel donkerder dan ’t jonge riet, dat pas zijn eerste linten ontrolt. Donker blad en witte bloemen; aan de overzijde van de rivier zijn ze ook duidelijk te zien en ’t mooist zijn ze in een drassig hooilandje binnendijks, waar groote pollen afzonderlijk staan tusschen jonge waterzuring en bloeiende oeverzegge.Hoogstwaarschijnlijk zijn deze zomerklokjes geen oorspronkelijke wilde planten, maar sierplanten, die sinds overoude tijden uit slotgaarde of kloostertuin zijn ontsnapt. Ze zijn er mij niet minder dierbaar om. Integendeel, want evengoed als ze op die enkele plaatsen in Nederland jaar in jaar uit trots den allerstrengsten winter zich weelderig willen ontwikkelen, kunnen ze overal groeien, waar de grond maar niet al te droog is. Bezat ik weilanden, dan zou ik mij niet ontzien, om een paar hoekjes vol te zetten met deze zomerklokjes.7373ROODE KLAVER.7474WITTE KLAVER.7575ROLKLAVER.7676VELDLATHYRUS.7777HONIGKLAVER.7878HEGGEWIKKE.7979BRUNELLE.8080GLIDKRUID.8181VELDSALIE.8282GEVLEKTE DOOVENETEL.8383MOERAS KARTELBLAD.8484WATERMUNT.Ook zou ik de kievietsbloem (47) niet vergeten, ook waarschijnlijk een ontsnapte tuinplant, een neefje van de trotsche keizerskroon. In sommige weilanden groeit die bij[41]honderden. ’t Is een heel genoegen, er tusschen in te staan en toe te zien, hoe de hommels de neerhangende bloemen opzoeken en hoe ze er in wegduikelen, om den honig te halen, die in hoekjes van de bloembladen zit.Die bloembladen zijn prachtig fijn geaderd en gekleurd met plekjes paars en plekjes wit; daaraan heeft de bloem zijn naam van dambordbloem te danken. Ook wordt zij wel kievietsei genoemd en dat is nog zoo mis niet, want de nog niet geopende bloemen zijn werkelijk eivormig.In plaats van paarse, vindt je ook witte, die zijn niet zuiver wit, maar de vlekken zijn wel degelijk aanwezig, al zijn ze dan ook maar flauwtjes groenachtig geel. Zoowel van kievietsbloem als van zomerklokje zijn de bollen te koop bij den bloemist en duur zijn ze niet, zoodat je voor een enkelen gulden of zoo je heele leven lang een verrassend mooi plekje kunt hebben in een doodgewone wei.Maar als nu eens ergens geen zomerklokjes of kievietsbloemen bloeien, dan is de wei toch nog mooi genoeg. Alleen de grassen geven je al genoeg te doen. Een heele massa kinderen en menschen kijken naar de grassen niet om, omdat ze zoo moeilijk te onderscheiden zijn. Nu zijn alle dingen net zoo moeilijk, als je ze zelf maken wilt en ik voor mij zou er heelemaal geen bezwaar in zien, om kinderen van acht of negen jaar een vijf-en-twintigtal van de meest algemeene grassen te leeren.Je kunt er ook heel gemakkelijk een verzameling van aanleggen, want ze zijn prachtig om te drogen; als je maar zorgt, goed ontwikkelde pluimen te nemen, dan krijg je vanzelf heel mooie, teekenachtige bladen. In ’t vroege voorjaar hebben we al de beide reukgrassen gevonden, die gevolgd worden door de vossestaart, die net zoo rond en zachtharig is, als zijn naam aangeeft. Dit gras bloeit ook wel in de eerste dagen van Mei en al naar het tijdperk van bloei ziet de staart grijs, paars, bruin of groen.Grijs is hij, wanneer uit alle bloempjes de witte stijlen naar buiten komen, paars wanneer de stijlen zijn verschrompeld en in hun plaats paarse helmknoppen op fijne witte draden uit de bloem zijn geschoven; die helmknoppen verschrompelen tot een bruine massa, die afvalt en de rijpende aar groen achterlaat. Je kunt die verschillende toestanden vlak bij elkaar aantreffen.Na de vossestaart komt de timothee, die er wel wat op lijkt, maar altijd grijs is en tamelijk stijf; ieder apart bloempakje heeft wel wat van een laarzenknecht. Tegelijk bloeien nu ook de wijdvertakte pluimgrassen: op natte venige plekken het mooie trilgras, dat we ook bevertjes noemen; elders weer de zachte pluimen van de dravik of de mooie groote havergrassen, die eraan te herkennen zijn, dat ze in ieder bloempakje één of meer geknikte kafnaalden hebben.De pluimen met de fijne bloempakjes zijn meestal van beemdgras en heel stellig[42]vindt ge ook de witbol, die in dichte bossen groeit. Hij heeft zeer zacht behaarde stengels en bladeren en zijn bloempakjes zijn lichtgroen of bleekrose, soms ook met wat violet er in, bijzonder mooi. Tegenwoordig heeft dat gras den eerwaardigen naam van witbol, vroeger werd het „zorggras” genoemd, de landman houdt er niet veel van en ik heb het ook niet graag in het effen grasperk, want het maakt zulke onhandelbare proppen, die misstaan in de mooie effen zode.Zuring (38) zien de boeren ook niet zoo bijster graag, doch ze moeten er maar aan wennen, want die plant laat zich niet zoo gemakkelijk uit het veld slaan. Er is eigenlijk geen enkele grondsoort, of er groeit de eene of andere zuring: aan de waterkanten en op natte plaatsen de reusachtige waterzuringen, op de schrale zandvlakten het tengere schapenzurinkje en in de wei de lekkere malsche veldzuring, die ’t zuurst van alle is.Als je iemand vraagt, hoe de bloem van die zuring er uitziet, dan blijft hij gewoonlijk ’t antwoord schuldig. Ja, ’t is iets roods, en al die roode zuringbloemen geven met de gele boterbloemen dien heerlijken tint van den vollen zomer op de bonte wei. Maar als ze zoo rood zien, dan zijn de zuringen meestal bijna uitgebloeid, die roode kleur zit door hun heele lichaam en hangt weer samen met hun zuurheid en met de zon, doch ik zie geen kans, om u dat hier allemaal in een paar regels uit te leggen.De bloempjes van de zuring zijn maar kleine dingetjes met zes groene bloemblaadjes. Sommige hebben een zestal meeldraadjes, die heel gemakkelijk bewegen en hun stuifmeel door den wind laten meedragen, andere hebben een stampertje met een mooien pluimstempel.Als ’t vruchtje gaat rijpen, gebeurt er iets aardigs; drie van de bloemblaadjes gaan[43]uitgroeien en worden zoo groot dat ze elkander verdrukken en verbuigen. Ze buigen dan naar buiten om en staan met de omgebogen helften zoo tegen elkander aan, dat ze drie platte lijsten over het vruchtje vormen, die den dienst doen van vleugels. Als de plant niet werd afgemaaid, dan zou de vrucht op die vleugels door den wind worden meegevoerd.De kneutjes komen uit de struiken en uit de hagen naar de wei om van die vruchtjes te eten, montere vogeltjes met roode kappen en roode borstlappen op de roode zuring.Dat is een van de mooiste tooneeltjes, die ik ooit gezien heb en als ik ergens veel zuring weet te staan in een streek, waar ook de kneutjes niet zeldzaam zijn, dan zorg ik er voor, dat ik daar ook niet al te zeldzaam word,m.a.w.dan loop ik daar als ’t eenigszins kan ’s morgens tusschen zessen en achten rond, om de roode snoepers te betrappen. ’t Lukt dikwijls genoeg.De zuring heeft nog een ander vriendje, waar ik haast net zooveel van houd als van de kneutjes; dat is het vuurvlindertje (127,129), het dartelste van alle vlindertjes.Wat hebben onze Hollandsche dagvlinders over ’t algemeen toch prettige namen, namen, die het onvergeeflijk maken, dat je de dieren zelf niet herkent, als je ze buiten tegenkomt. Denk maar eens aan parelmoervlinder, dagpauwoog, rouwmantel, zandoogje, blauwtje, groentje, witje, citroenvlinder, oranjetip, weerschijnvlinder, allemaal namen, die heel gelukkig aanduiden, hoe het dier er uitziet.Het vuurvlindertje heeft ook zoo echt de kleur en den gloed van een kooltje vuur, dat je op ’t eerste gezicht al zegt, dat moet hem zijn en geen andere. ’t Is precies alsof je een gloeiend kooltje ziet gloren, onder de asch. Wie een beetje thuis is in ’t Rijks-Museum heeft die gloed wel gevonden in de brandende turfjes op een paar schilderijen van Jan Steen; ik herinner mij op ’t oogenblik twee van zijn schilderijen met van die vuurvlinder-gloeiende-turfjes in een test. De Engelschen, die anders ook over heel mooie vlindernamen beschikken, noemen ons vuurvlindertje Small Copper maar dat is lang zoo juist niet, die vleugeltjes zijn veeleer vuur dan koper, let er maar eens op.En in ’t vuur liggen weer mooie koolzwarte blokjes, bij sommige meer, bij andere minder, want dat vuurvlindertje is een heel variabel diertje. Wie er aardigheid in heeft kan zich een verzameling vuurvlindertjes aanleggen, beginnende met diertjes waarvan de vleugels bijna geheel vuur zijn, zonder zwarte vlekjes om te eindigen met vormen, waarbij zooveel zwarte vlekjes voorkomen, dat ’t vuur er geheel onder verscholen gaat.Heel dikwijls vind ik er ook, die op de achtervleugels mooie blauwe plekjes hebben; verleden jaar kwam er zoo een drie dagen achtereen in mijn tuin altijd ’s middags[44]tusschen één en drie uur, want die dartele en vlugge diertjes hebben soms zeer vaste gewoonten. Het moet ook voorkomen, maar dat heb ik nooit gezien, dat het vuurtintje heelemaal vervangen is door een roomachtige of ook wel zilverachtige tint, je zoudt kunnen zeggen: een vuurvlindertje in de grondverf.Maar hoe ze er ook uitzien, altijd zijn die kleine rakkers vol levenslust en overmoed. Niet alleen, dat ze elkander nazitten, zooals alle vlinders doen, maar ze laten, om zoo te zeggen, geen enkel dier met rust.Ik heb het wel gezien, dat ze de vliegen verjoegen van de bloemen, ja, dat ze dikke hommels te lijf gingen. Zoo brutaal kwamen ze op die zuigbrommers af, dat die overhaast op de vlucht sloegen, alsof ze ik weet niet wat van die kleine vlindertjes te vreezen hadden.Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om ’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken, nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun de pret van harte.Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren.Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te goed te doen aan de lekkere zuring.Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren. Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken.De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft ’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen door ’t natte gras.[45]Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken, de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine nachtvlindertjes.En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem.Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo gebeuren.Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is, waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar eens.Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt, zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken uitsteken.De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen.Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor zonsondergang[46]reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt, vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken.Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere, grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk.[47]
III.ALS DE EEREPRIJS BLOEIT.
De mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in Mei.’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes, hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd, hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei. Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart, eereprijs en wilde zuring.Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk[28]kunt zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was.En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord kunt genieten.Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste, maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af, hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt.Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen.Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel, dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend, om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen.Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen.Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel andere manier aan den kost.Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het afvalwater van de keuken naar de slooten loopt.4949JEUGDIGE SPREEUW.5050GRASPIEPER.5151SPREEUW IN DEN HERFST.5252SPREEUW IN PRACHTKLEED.5353BROEDENDE KIEVIT.5454BROEDEND KEMPHENNETJE.5555TURELUUR.5656SPRIET.5757GOUDPLEVIER IN DEN ZOMER.5858GOUDPLEVIER IN DEN WINTER.5959GRUTTO.6060ROEK.[31]Daar zitten ze soms in bij duizenden. Ik weet wel, dat wij als jongens van een jaar of zes er met taaie vlijt jacht op maakten. Bij honderden vischten we ze op uit de griezeligste modder, grauwe cilindervormige diertjes met een soort van staart, die ze heel lang konden maken en ook weer bijna heelemaal intrekken; later zijn we aan de weet gekomen, dat ’t geen staart, maar een soort van ademhalingswerktuig was.Als we er een paar honderd van bij elkander hadden dan gingen we er soldaatje mee spelen. We stelden ze op in rotten van vier, met officieren en onderofficieren, de muziek voorop, een dikke was de kolonel, allemaal juist precies, zooals bij het tweede regiment infanterie, dat in die dagen in onze oogen het allerbeste was, wat er op de wereld bestond. Ik kan mij niet herinneren, ooit later zooveel rotjes bij elkaar gezien te hebben.De larve van de bessenzweefvlieg (65) treft het beter. De oude vlieg zoekt een plant op, die vol met bladluizen zit en legt dan zijn eitje midden tusschen die sapzuigers. Als dan de larve uit ’t ei komt, heeft hij dadelijk zijn voedsel bij de hand, want ’t is zijn natuur, dat hij zich voedt met bladluizen. Met zijn achterlijf houdt hij zich vast aan ’t blad, met zijn kaken grijpt hij één voor één de bladluizen, die tamelijk wel niets merken van ’t onheil, dat hen bedreigt, zuigt ze uit, gooit de leege huiden weg en begint dan van voren af aan. Deze woesteling heet bladluizenleeuw en vindt een naamgenoot en concurrent in de larve van de prachtige gaasvlieg (66), een diertje, dat eigenlijk heelemaal geen vlieg is en met zijn mooie ijle, groene, goudglanzige vleugeltjes haast te fijn en te mooi lijkt, om zoo maar in ’t wild rond te vliegen.Maar laat ons terugkeeren naar onze zweefvliegen en eereprijsjes. Ik heb al wat uren naar die vliegen liggen kijken en dat niet alleen in een soort van zomerluiheid, maar heel dikwijls met veel inspanning en wanhoop. Iedere jongen zal mij begrijpen. We denken tegenwoordig maar altijd aan vliegmachines en nu is zoo’n vlieg wel een van de meest voortreffelijke die er bestaan.Het aardigste is, dat hij, naar ik geloof, veel meer op de vliegmachines van Blériot en Henriot gelijkt, dan de vogels. Deze laatste maken met hun vleugels een beweging die heel veel lijkt op roeien, maar ik heb reden, om te gelooven dat de vliegen met hun vleugels een snelle draaiende beweging maken, dus zoo iets als de beweging van een schroef. Ze gaan dan ook mooi vast en gelijkmatig door de lucht en als ze soms eens op één plek en op dezelfde hoogte willen blijven dan weten ze dat te bereiken door met de vleugels tegengestelde bewegingen te maken.’t Is alleen maar jammer, dat het te vlug gaat, om precies het fijne ervan te kunnen zien: honderden malen per seconde. Slimme geleerden hebben wel middeltjes bedacht, om die vliegen hun eigen vliegbewegingen te laten opschrijven, maar het fijne weten wij er toch nog lang niet van.[32]Als nu de zweefvliegen de mooie eereprijsjes zien, blijven ze een poosje op een kleinen afstand voor de bloem in de lucht zweven, ze staan dan stil op eenzelfde plaats, maar je ziet de vlerkjes in razende vaart ronddraaien.Dan gaan ze langzaam zakken, schuin naar omlaag en ze weten hun machine zoo te besturen, dat ze precies terechtkomen voor het midden van de bloem, met hun groote oogen juist vlak voor ’t witte ringetje dat midden in de bloem het vruchtbeginsel omgeeft. Ze grijpen met hun pooten de twee meeldraden en kunnen dan met hun dikken slurf de honig oplikken.Wie nu eens iets heel moois wil zien, moet die meeldraden van nabij bekijken. De helmdraden van het eereprijsbloempje zijn maar niet eenvoudige, overal even dikke rolronde draden, maar heel sierlijk van vorm, vlak bij de bloem heel dun en weer breeder, waar de vlieg ze aanpakt.Daardoor buigen ze onder de lichte greep en het geringe gewicht van de vlieg zoo door, dat de helmknoppen langs zijn lichaam schuiven, zoodat hij daar bepoederd wordt met stuifmeel. En als hij dan weer op een andere eereprijsbloem komt, dan is er alle kans dat hij dat stuifmeel onwillekeurig afstrijkt op de stempel, die op zijn dunne stijltje juist tusschen de twee meeldraden in staat en dan kan de inhoud van zoo’n stuifmeelkorrel door de stijl naar binnen groeien en de kleine zaadknopjes, die binnen in het vruchtbeginsel zitten, aan den gang maken, om tot zaden te rijpen.De zweefvlieg beseft natuurlijk heelemaal niet, wat voor weldaad hij aan ’t bloempje bewijst. Ook gaat hij wel eens een enkelen keer verkeerd zitten en ’t gebeurt ook dikwijls genoeg, dat de stempel zonder hulp van vliegen in aanraking komt met helmknoppen in dezelfde bloem en dan ontstaan toch ook goede rijpe zaden. Wie er aardigheid in heeft, kan omtrent den omgang van insecten met bloemen nog menige belangrijke bijzonderheid opmerken.Al die lange zomerdagen zijn vliegen, bijen en vlinders met al die bloemen bezig. Sommige bloemen hebben een bepaald stel van vriendjes, andere zijn echte allemansvrienden. Op de paardebloem (34) is om zoo te zeggen ieder tehuis, van de domste vlieg af tot de fijnste vlinder of slimste bij toe. De koekoeksbloem (70) heeft ’t liefst met vlinders te doen, de boterbloem (32) is vriendelijk tegenover kevertjes, vliegen en kleine bijtjes en de orchideeën hebben in hun vreemdsoortig ingerichte ontvangzaal weer ’t liefst vlinders en hommels.Lang niet in iedere wei groeien van die orchideeën. Het moet er min of meer vochtig zijn; ik geloof wel dat de beste orchideeënplekjes lang niet altijd het meest waardevolle hooiland opleveren. Heel dikwijls groeien ze in gezelschap van wollegras (48) en dan groeit er ook licht veenmos en zeggen (39) en allerlei dingen, waar een boer het land aan heeft.6161BLINDE BIJ.6262BOSCHZWEEFVLIEG.6363GESTREEPTE ZWEEFVLIEG.6464HOMMELZWEEFVLIEG.6565BESSENZWEEFVLIEG.6666GAASVLIEG.6767VELDSLA EN VERGEETMIJNIETJE.6868HAARLEMS KLOKKENSPEL.6969VOGELWIKKE.7070KOEKOEKSBLOEM.7171GEDOORND STALKRUID.7272PASTINAAK.[35]Ik laat mij echter door die witte vlaggetjes van ’t wollegras gaarne leiden, want waar dat groeit, vind je dan licht orchideeën en misschien ook nog aardige addertongvarentjes of zonnedauw. En er is ook kans, dat daar ringslangen rondkruipen, wat voor den oningewijde wel griezelig mag lijken, maar den kenner met groote blijdschap vervult.’t Is maar een kwestie van een paar centimeters hooger of lager, misschien ook wel van de aanwezigheid van een kleilaag onder ’t veen. Soms is zoo’n plekje nog niet eens honderd vierkante meter groot, maar de plantengroei en de dierenwereld is er dadelijk anders dan in de rest van de wei.Licht schieten er ook een paar berkjes, wat lijsterbessen en bramen op en wanneer de oeverzeggen er hoog en dicht genoeg worden krijg je daar zelfs kans op het allermooiste en minst bekende slootkantvogeltje, de vroolijke blauwborst (110).Hij is familie van het roodborstje en staat net zoo parmantig op zijn veerkrachtige dunne pootjes. Hij heeft een wit wenkbrauwstreepje over het groote glinsterende oog en zijn borst is prachtig diep blauw met een wit vlekje er midden in.In April ontmoet ik hem al op zijn broedplaatsen en als ik hem niet zie, dan zorgt hij er wel voor dat ik hem hoor, want hij blaast een heel heldere schetterende fanfare, die geen een vogel hem kan nadoen. Hij echter kan wel de andere vogels nadoen en amuseert zich er, met te spelen voor leeuwerik, pieper, kieviet en kraai, al naar hij er trek in heeft.Zijn nest zit listig verborgen achter ’t hooge oevergras.Op zulke plaatsen zwemmen ook, als de slooten niet al te smal zijn, de vlugge dodaarsjes (111,112), die op kleine eendjes zouden lijken als ze maar een staart hadden en als hun zwemvliezen den gewonen vorm hadden. Hun nest is een hoop rommel op ’t water en als de broedende vogel onraad merkt, dan glijdt hij er stilletjes af maar verstopt eerst de eieren onder modder en blaren. Dan duikt hij onder en je moet al heel knap en geduldig wezen, om wat van hem te zien te krijgen. Er zijn er veel meer in onze natte landen dan men wel meent, en wanneer ik op zoo’n nat plekje het kartelblad (83) of de orchideeën ga liggen bekijken, dan heb ik om zoo te zeggen altijd één oog gericht op het verschiet der slooten, om zoo mogelijk een blauwborstje of een dodaarsje te betrappen.De schoolboeken geven je altijd den raad, om een potloodpunt in zoo’n orchideeënbloem te steken. Als je dat in goede richting doet, dan komen twee kleefplakjes van de bloem ermee in aanraking en als je dan ’t potlood weer terugtrekt, blijven twee stuifmeelklompjes eraan kleven.Je kunt het natuurlijk evengoed doen met je pink; eigenlijk veel beter, want de top[36]van een goed verzorgde niet al te dikke pink, lijkt toch altijd nog meer op een hommelkop dan zoo’n spitse potloodpunt.Ik doe dat nog altijd met evenveel plezier als dertig jaar geleden. ’t Blijft altijd verrassend, hoe grif en stevig die dingen blijven kleven en nog veel mooier en wonderlijker is het, dat onmiddellijk de steeltjes van die stuifmeelklompjes gaan doorbuigen. Eindelijk gaan ze niet meer verder en als je dan je pink weer in dezelfde houding van straks in de bloem brengt, zul je merken, dat dan die stuifmeelklompjes terechtkomen tegen het kleverig stempeloppervlak en een deel van het stuifmeel blijft dan daarop vastzitten: de bloem is bestoven.Veel aardiger dan die pinkgymnastiek is natuurlijk het bezoek van de hommels zelf. Intusschen moet ik u waarschuwen, dat de eerste de beste nieuwsgierige er niet op hoeft te rekenen, dit zoo maar eens in de gauwigheid te zien te krijgen, door even te loopen door een weiland met orchideeën.Onze weide-orchideeën, de breedbladige (46), de gevlekte (44), de harlekijn (43) krijgen soms in geen dagen bezoek van een enkel insect. Je vindt dan bloeiaren, waarin haast alle bloemen nog ongeschonden helmknoppen bezitten.Bij mooi weer en in een hommelrijk jaar heeft een volhardend onderzoeker echter wel kans, om die stuifmeelplakkerij in zijn volle glorie te genieten. Er komt een weidehommel aangonzen, regelrecht op de bloem af. Of de mooie vlekjes op de onderlip hem den weg wijzen naar den ingang van de bloem? Sommige geleerden meenen van ja, en noemen die vlekjes het honigmerk. Anderen spreken het tegen en daar kan dan weer heel genoeglijk over gekibbeld worden.[37]De hommel gaat intusschen evengoed zijn gang; hij suist tamelijk onzacht op de bloem neer, steekt twee lange glimmende kaken zoo diep mogelijk in het zakje, dat aan een van de bloembladen zit, de spoor, schuurt het weefsel daarvan kapot en gaat dan met zijn lange ruige tong het sap oplikken. Al dien tijd heeft hij zijn kop juist tegen de kleefplakjes, de zoogenaamde hechtkliertjes, gedrukt en wanneer hij nu de bloem verlaat, dan zie je met bijzonder groot genoegen twee lichtgele stuifmeelklompjes op dunne steeltjes boven op zijn kop staan. Hij krabbelt naar een volgende bloem, drukt zonder het te willen of te weten stuifmeel tegen den kleverigen stempel, maar doet tegelijkertijd weer twee nieuwe stuifmeelklompjes op.Als hij ergen honger heeft en bloem na bloem bezoekt, krijgt hij ten slotte een heele pruik van die dingen op zijn kop en dan begint hij er erg in te krijgen, vooral als er een stuk of zes geplakt zitten midden op zijn oogen.Hij heeft dan een heele tobberij, om zijn bol weer schoon te krijgen; ik heb er wel gezien, die met vier van hun zes pooten uit alle macht zaten te schrobben en te schuren en het ten slotte toch moesten opgeven, zich heelemaal schoon te poetsen.De mooie witte welriekende nachtorchis (45) wordt weinig door hommels, maar drukker door vlinders bezocht. De lange spoor bevat veel honig, dat kun je van buiten af wel zien en ’s avonds komen daar de vlinders op af, aangelokt door den heerlijken geur, die de bloem dan gaat verspreiden.’t Is heusch wel de moeite waard, om die orchideeën in potten te kweeken of een vochtig hoekje in den tuin voor hen in te ruimen. Bij goede behandeling komen zij ieder jaar weer opnieuw te voorschijn uit hun merkwaardigen wortelknol, telkens weer grooter en mooier dan eerst, ik heb daar heel mooie dingen van gezien.Maar ga mij nu niet al de orchideeën uitgraven, die ge tegenkomt. Aan één hebt ge genoeg. Het uitgraven lijkt makkelijk genoeg, ja je kunt ze soms zoo maar met knol en al uit den weeken moerasbodem trekken. Toch is het dan tien tegen één, dat de worteluiteinden, waar ’t juist op aankomt, afbreken en dan bloeit de plant wel dat ééne jaar, maar hij is niet bij machte een behoorlijke nieuwe wortelknol voor ’t volgend jaar te maken. Wil je ’t goed doen, neem dan een heele zode, twee decimeter in middellijn, zoodat de plant tot in zijn fijnste deelen ongeschonden blijft.Nog veel aardiger is het, ze te kweeken uit het fijne zaad, dat ge in den nazomer uit de bruine verdroogde vruchten kunt kloppen. Je hebt dan meteen de voldoening iets te probeeren, wat lang niet iedereen gelukt. De orchideeënzaden ontkiemen alleen onder bepaalde omstandigheden; zorg vooral, ze uit te zaaien in grond, afkomstig van ’t terrein zelf, waar ge de zaden inzamelde en als daar mos groeide, neem dan ook maar wat van dat mos mee, dat kan nooit geen kwaad, zou mijn grootmoeder zeggen.[38]Orchideeën zijn niet bepaald zeldzaam, maar toch altijd wel iets aparts. ’t Is niet te ontkennen, dat wij houden van zeldzame en aparte dingen en zoolang je daarom de gewone dingen niet verwaarloost, zit er ook geen kwaad in. Ik ben altijd klaar, om zeldzame planten en dieren te gaan opzoeken en als ik ze weet te vinden, dan sla ik meestal geen enkel jaar over, om ze te gaan bekijken in den tijd, dat ze op hun mooist bloeien.Zoo doe ik iedere Meimaand een of meer tochten naar de Vechtstreek, om de zomerklokjes (41) te gaan zien. Ze groeien ook wel vlak bij mij in de buurt op een weide-eilandje in de Mooie Nel, maar daar staan er slechts enkele honderden en dat is mij te weinig. Ik houd van overvloed, van duizenden en millioenen, heele velden van eereprijsjes; madeliefjes dicht geschaard zoover je zien kunt, boterbloem en zuring samen één groot vlak vormend van rood en goud en dan weer rij aan rij van orchideeën, alle rechtop en talrijk als klaverbloemen. Millioenen graspluimen wapperen er tusschen en er boven, allemaal even frisch en flink, met ieder uur hooger van gestalte en dieper van kleur. Aan den slootkant bloeien heele plakkaten van mooie hemelsblauwe vergeetmijnietjes (67) en de helling staat vol met een kleiner bloempje, bleekblauw bij wit af, dat door sommige menschen wel valsch vergeetmijnietje genoemd wordt, maar ’t is niets anders dan de lekkere veldsla (67).En waar de breede Vecht door bonte weiden kronkelt, heeft hij over een lengte van eenige kilometers zijn boorden omzoomd met zomerklokjes. Aan hooge stengels wiegelen ze in de morgenbries, vijf, zes hangende bloempjes in een schermpje bij elkaar, roomwit met fijne groene vlekjes: sneeuwklokjes in zomerkleed. Onze vrienden, de zweefvliegen dartelen er tusschen door in gezelschap van kleurige hommels. De bladeren van deze planten zijn donker groen, veel donkerder dan ’t jonge riet, dat pas zijn eerste linten ontrolt. Donker blad en witte bloemen; aan de overzijde van de rivier zijn ze ook duidelijk te zien en ’t mooist zijn ze in een drassig hooilandje binnendijks, waar groote pollen afzonderlijk staan tusschen jonge waterzuring en bloeiende oeverzegge.Hoogstwaarschijnlijk zijn deze zomerklokjes geen oorspronkelijke wilde planten, maar sierplanten, die sinds overoude tijden uit slotgaarde of kloostertuin zijn ontsnapt. Ze zijn er mij niet minder dierbaar om. Integendeel, want evengoed als ze op die enkele plaatsen in Nederland jaar in jaar uit trots den allerstrengsten winter zich weelderig willen ontwikkelen, kunnen ze overal groeien, waar de grond maar niet al te droog is. Bezat ik weilanden, dan zou ik mij niet ontzien, om een paar hoekjes vol te zetten met deze zomerklokjes.7373ROODE KLAVER.7474WITTE KLAVER.7575ROLKLAVER.7676VELDLATHYRUS.7777HONIGKLAVER.7878HEGGEWIKKE.7979BRUNELLE.8080GLIDKRUID.8181VELDSALIE.8282GEVLEKTE DOOVENETEL.8383MOERAS KARTELBLAD.8484WATERMUNT.Ook zou ik de kievietsbloem (47) niet vergeten, ook waarschijnlijk een ontsnapte tuinplant, een neefje van de trotsche keizerskroon. In sommige weilanden groeit die bij[41]honderden. ’t Is een heel genoegen, er tusschen in te staan en toe te zien, hoe de hommels de neerhangende bloemen opzoeken en hoe ze er in wegduikelen, om den honig te halen, die in hoekjes van de bloembladen zit.Die bloembladen zijn prachtig fijn geaderd en gekleurd met plekjes paars en plekjes wit; daaraan heeft de bloem zijn naam van dambordbloem te danken. Ook wordt zij wel kievietsei genoemd en dat is nog zoo mis niet, want de nog niet geopende bloemen zijn werkelijk eivormig.In plaats van paarse, vindt je ook witte, die zijn niet zuiver wit, maar de vlekken zijn wel degelijk aanwezig, al zijn ze dan ook maar flauwtjes groenachtig geel. Zoowel van kievietsbloem als van zomerklokje zijn de bollen te koop bij den bloemist en duur zijn ze niet, zoodat je voor een enkelen gulden of zoo je heele leven lang een verrassend mooi plekje kunt hebben in een doodgewone wei.Maar als nu eens ergens geen zomerklokjes of kievietsbloemen bloeien, dan is de wei toch nog mooi genoeg. Alleen de grassen geven je al genoeg te doen. Een heele massa kinderen en menschen kijken naar de grassen niet om, omdat ze zoo moeilijk te onderscheiden zijn. Nu zijn alle dingen net zoo moeilijk, als je ze zelf maken wilt en ik voor mij zou er heelemaal geen bezwaar in zien, om kinderen van acht of negen jaar een vijf-en-twintigtal van de meest algemeene grassen te leeren.Je kunt er ook heel gemakkelijk een verzameling van aanleggen, want ze zijn prachtig om te drogen; als je maar zorgt, goed ontwikkelde pluimen te nemen, dan krijg je vanzelf heel mooie, teekenachtige bladen. In ’t vroege voorjaar hebben we al de beide reukgrassen gevonden, die gevolgd worden door de vossestaart, die net zoo rond en zachtharig is, als zijn naam aangeeft. Dit gras bloeit ook wel in de eerste dagen van Mei en al naar het tijdperk van bloei ziet de staart grijs, paars, bruin of groen.Grijs is hij, wanneer uit alle bloempjes de witte stijlen naar buiten komen, paars wanneer de stijlen zijn verschrompeld en in hun plaats paarse helmknoppen op fijne witte draden uit de bloem zijn geschoven; die helmknoppen verschrompelen tot een bruine massa, die afvalt en de rijpende aar groen achterlaat. Je kunt die verschillende toestanden vlak bij elkaar aantreffen.Na de vossestaart komt de timothee, die er wel wat op lijkt, maar altijd grijs is en tamelijk stijf; ieder apart bloempakje heeft wel wat van een laarzenknecht. Tegelijk bloeien nu ook de wijdvertakte pluimgrassen: op natte venige plekken het mooie trilgras, dat we ook bevertjes noemen; elders weer de zachte pluimen van de dravik of de mooie groote havergrassen, die eraan te herkennen zijn, dat ze in ieder bloempakje één of meer geknikte kafnaalden hebben.De pluimen met de fijne bloempakjes zijn meestal van beemdgras en heel stellig[42]vindt ge ook de witbol, die in dichte bossen groeit. Hij heeft zeer zacht behaarde stengels en bladeren en zijn bloempakjes zijn lichtgroen of bleekrose, soms ook met wat violet er in, bijzonder mooi. Tegenwoordig heeft dat gras den eerwaardigen naam van witbol, vroeger werd het „zorggras” genoemd, de landman houdt er niet veel van en ik heb het ook niet graag in het effen grasperk, want het maakt zulke onhandelbare proppen, die misstaan in de mooie effen zode.Zuring (38) zien de boeren ook niet zoo bijster graag, doch ze moeten er maar aan wennen, want die plant laat zich niet zoo gemakkelijk uit het veld slaan. Er is eigenlijk geen enkele grondsoort, of er groeit de eene of andere zuring: aan de waterkanten en op natte plaatsen de reusachtige waterzuringen, op de schrale zandvlakten het tengere schapenzurinkje en in de wei de lekkere malsche veldzuring, die ’t zuurst van alle is.Als je iemand vraagt, hoe de bloem van die zuring er uitziet, dan blijft hij gewoonlijk ’t antwoord schuldig. Ja, ’t is iets roods, en al die roode zuringbloemen geven met de gele boterbloemen dien heerlijken tint van den vollen zomer op de bonte wei. Maar als ze zoo rood zien, dan zijn de zuringen meestal bijna uitgebloeid, die roode kleur zit door hun heele lichaam en hangt weer samen met hun zuurheid en met de zon, doch ik zie geen kans, om u dat hier allemaal in een paar regels uit te leggen.De bloempjes van de zuring zijn maar kleine dingetjes met zes groene bloemblaadjes. Sommige hebben een zestal meeldraadjes, die heel gemakkelijk bewegen en hun stuifmeel door den wind laten meedragen, andere hebben een stampertje met een mooien pluimstempel.Als ’t vruchtje gaat rijpen, gebeurt er iets aardigs; drie van de bloemblaadjes gaan[43]uitgroeien en worden zoo groot dat ze elkander verdrukken en verbuigen. Ze buigen dan naar buiten om en staan met de omgebogen helften zoo tegen elkander aan, dat ze drie platte lijsten over het vruchtje vormen, die den dienst doen van vleugels. Als de plant niet werd afgemaaid, dan zou de vrucht op die vleugels door den wind worden meegevoerd.De kneutjes komen uit de struiken en uit de hagen naar de wei om van die vruchtjes te eten, montere vogeltjes met roode kappen en roode borstlappen op de roode zuring.Dat is een van de mooiste tooneeltjes, die ik ooit gezien heb en als ik ergens veel zuring weet te staan in een streek, waar ook de kneutjes niet zeldzaam zijn, dan zorg ik er voor, dat ik daar ook niet al te zeldzaam word,m.a.w.dan loop ik daar als ’t eenigszins kan ’s morgens tusschen zessen en achten rond, om de roode snoepers te betrappen. ’t Lukt dikwijls genoeg.De zuring heeft nog een ander vriendje, waar ik haast net zooveel van houd als van de kneutjes; dat is het vuurvlindertje (127,129), het dartelste van alle vlindertjes.Wat hebben onze Hollandsche dagvlinders over ’t algemeen toch prettige namen, namen, die het onvergeeflijk maken, dat je de dieren zelf niet herkent, als je ze buiten tegenkomt. Denk maar eens aan parelmoervlinder, dagpauwoog, rouwmantel, zandoogje, blauwtje, groentje, witje, citroenvlinder, oranjetip, weerschijnvlinder, allemaal namen, die heel gelukkig aanduiden, hoe het dier er uitziet.Het vuurvlindertje heeft ook zoo echt de kleur en den gloed van een kooltje vuur, dat je op ’t eerste gezicht al zegt, dat moet hem zijn en geen andere. ’t Is precies alsof je een gloeiend kooltje ziet gloren, onder de asch. Wie een beetje thuis is in ’t Rijks-Museum heeft die gloed wel gevonden in de brandende turfjes op een paar schilderijen van Jan Steen; ik herinner mij op ’t oogenblik twee van zijn schilderijen met van die vuurvlinder-gloeiende-turfjes in een test. De Engelschen, die anders ook over heel mooie vlindernamen beschikken, noemen ons vuurvlindertje Small Copper maar dat is lang zoo juist niet, die vleugeltjes zijn veeleer vuur dan koper, let er maar eens op.En in ’t vuur liggen weer mooie koolzwarte blokjes, bij sommige meer, bij andere minder, want dat vuurvlindertje is een heel variabel diertje. Wie er aardigheid in heeft kan zich een verzameling vuurvlindertjes aanleggen, beginnende met diertjes waarvan de vleugels bijna geheel vuur zijn, zonder zwarte vlekjes om te eindigen met vormen, waarbij zooveel zwarte vlekjes voorkomen, dat ’t vuur er geheel onder verscholen gaat.Heel dikwijls vind ik er ook, die op de achtervleugels mooie blauwe plekjes hebben; verleden jaar kwam er zoo een drie dagen achtereen in mijn tuin altijd ’s middags[44]tusschen één en drie uur, want die dartele en vlugge diertjes hebben soms zeer vaste gewoonten. Het moet ook voorkomen, maar dat heb ik nooit gezien, dat het vuurtintje heelemaal vervangen is door een roomachtige of ook wel zilverachtige tint, je zoudt kunnen zeggen: een vuurvlindertje in de grondverf.Maar hoe ze er ook uitzien, altijd zijn die kleine rakkers vol levenslust en overmoed. Niet alleen, dat ze elkander nazitten, zooals alle vlinders doen, maar ze laten, om zoo te zeggen, geen enkel dier met rust.Ik heb het wel gezien, dat ze de vliegen verjoegen van de bloemen, ja, dat ze dikke hommels te lijf gingen. Zoo brutaal kwamen ze op die zuigbrommers af, dat die overhaast op de vlucht sloegen, alsof ze ik weet niet wat van die kleine vlindertjes te vreezen hadden.Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om ’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken, nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun de pret van harte.Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren.Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te goed te doen aan de lekkere zuring.Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren. Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken.De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft ’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen door ’t natte gras.[45]Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken, de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine nachtvlindertjes.En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem.Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo gebeuren.Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is, waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar eens.Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt, zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken uitsteken.De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen.Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor zonsondergang[46]reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt, vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken.Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere, grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk.[47]
D
e mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in Mei.
’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes, hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd, hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei. Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart, eereprijs en wilde zuring.
Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk[28]kunt zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was.
En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord kunt genieten.
Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste, maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af, hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt.
Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen.
Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel, dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend, om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen.
Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen.
Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel andere manier aan den kost.
Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het afvalwater van de keuken naar de slooten loopt.
4949JEUGDIGE SPREEUW.5050GRASPIEPER.5151SPREEUW IN DEN HERFST.5252SPREEUW IN PRACHTKLEED.5353BROEDENDE KIEVIT.5454BROEDEND KEMPHENNETJE.
4949JEUGDIGE SPREEUW.
49
JEUGDIGE SPREEUW.
5050GRASPIEPER.
50
GRASPIEPER.
5151SPREEUW IN DEN HERFST.
51
SPREEUW IN DEN HERFST.
5252SPREEUW IN PRACHTKLEED.
52
SPREEUW IN PRACHTKLEED.
5353BROEDENDE KIEVIT.
53
BROEDENDE KIEVIT.
5454BROEDEND KEMPHENNETJE.
54
BROEDEND KEMPHENNETJE.
5555TURELUUR.5656SPRIET.5757GOUDPLEVIER IN DEN ZOMER.5858GOUDPLEVIER IN DEN WINTER.5959GRUTTO.6060ROEK.
5555TURELUUR.
55
TURELUUR.
5656SPRIET.
56
SPRIET.
5757GOUDPLEVIER IN DEN ZOMER.
57
GOUDPLEVIER IN DEN ZOMER.
5858GOUDPLEVIER IN DEN WINTER.
58
GOUDPLEVIER IN DEN WINTER.
5959GRUTTO.
59
GRUTTO.
6060ROEK.
60
ROEK.
[31]
Daar zitten ze soms in bij duizenden. Ik weet wel, dat wij als jongens van een jaar of zes er met taaie vlijt jacht op maakten. Bij honderden vischten we ze op uit de griezeligste modder, grauwe cilindervormige diertjes met een soort van staart, die ze heel lang konden maken en ook weer bijna heelemaal intrekken; later zijn we aan de weet gekomen, dat ’t geen staart, maar een soort van ademhalingswerktuig was.
Als we er een paar honderd van bij elkander hadden dan gingen we er soldaatje mee spelen. We stelden ze op in rotten van vier, met officieren en onderofficieren, de muziek voorop, een dikke was de kolonel, allemaal juist precies, zooals bij het tweede regiment infanterie, dat in die dagen in onze oogen het allerbeste was, wat er op de wereld bestond. Ik kan mij niet herinneren, ooit later zooveel rotjes bij elkaar gezien te hebben.
De larve van de bessenzweefvlieg (65) treft het beter. De oude vlieg zoekt een plant op, die vol met bladluizen zit en legt dan zijn eitje midden tusschen die sapzuigers. Als dan de larve uit ’t ei komt, heeft hij dadelijk zijn voedsel bij de hand, want ’t is zijn natuur, dat hij zich voedt met bladluizen. Met zijn achterlijf houdt hij zich vast aan ’t blad, met zijn kaken grijpt hij één voor één de bladluizen, die tamelijk wel niets merken van ’t onheil, dat hen bedreigt, zuigt ze uit, gooit de leege huiden weg en begint dan van voren af aan. Deze woesteling heet bladluizenleeuw en vindt een naamgenoot en concurrent in de larve van de prachtige gaasvlieg (66), een diertje, dat eigenlijk heelemaal geen vlieg is en met zijn mooie ijle, groene, goudglanzige vleugeltjes haast te fijn en te mooi lijkt, om zoo maar in ’t wild rond te vliegen.
Maar laat ons terugkeeren naar onze zweefvliegen en eereprijsjes. Ik heb al wat uren naar die vliegen liggen kijken en dat niet alleen in een soort van zomerluiheid, maar heel dikwijls met veel inspanning en wanhoop. Iedere jongen zal mij begrijpen. We denken tegenwoordig maar altijd aan vliegmachines en nu is zoo’n vlieg wel een van de meest voortreffelijke die er bestaan.
Het aardigste is, dat hij, naar ik geloof, veel meer op de vliegmachines van Blériot en Henriot gelijkt, dan de vogels. Deze laatste maken met hun vleugels een beweging die heel veel lijkt op roeien, maar ik heb reden, om te gelooven dat de vliegen met hun vleugels een snelle draaiende beweging maken, dus zoo iets als de beweging van een schroef. Ze gaan dan ook mooi vast en gelijkmatig door de lucht en als ze soms eens op één plek en op dezelfde hoogte willen blijven dan weten ze dat te bereiken door met de vleugels tegengestelde bewegingen te maken.
’t Is alleen maar jammer, dat het te vlug gaat, om precies het fijne ervan te kunnen zien: honderden malen per seconde. Slimme geleerden hebben wel middeltjes bedacht, om die vliegen hun eigen vliegbewegingen te laten opschrijven, maar het fijne weten wij er toch nog lang niet van.[32]
Als nu de zweefvliegen de mooie eereprijsjes zien, blijven ze een poosje op een kleinen afstand voor de bloem in de lucht zweven, ze staan dan stil op eenzelfde plaats, maar je ziet de vlerkjes in razende vaart ronddraaien.
Dan gaan ze langzaam zakken, schuin naar omlaag en ze weten hun machine zoo te besturen, dat ze precies terechtkomen voor het midden van de bloem, met hun groote oogen juist vlak voor ’t witte ringetje dat midden in de bloem het vruchtbeginsel omgeeft. Ze grijpen met hun pooten de twee meeldraden en kunnen dan met hun dikken slurf de honig oplikken.
Wie nu eens iets heel moois wil zien, moet die meeldraden van nabij bekijken. De helmdraden van het eereprijsbloempje zijn maar niet eenvoudige, overal even dikke rolronde draden, maar heel sierlijk van vorm, vlak bij de bloem heel dun en weer breeder, waar de vlieg ze aanpakt.
Daardoor buigen ze onder de lichte greep en het geringe gewicht van de vlieg zoo door, dat de helmknoppen langs zijn lichaam schuiven, zoodat hij daar bepoederd wordt met stuifmeel. En als hij dan weer op een andere eereprijsbloem komt, dan is er alle kans dat hij dat stuifmeel onwillekeurig afstrijkt op de stempel, die op zijn dunne stijltje juist tusschen de twee meeldraden in staat en dan kan de inhoud van zoo’n stuifmeelkorrel door de stijl naar binnen groeien en de kleine zaadknopjes, die binnen in het vruchtbeginsel zitten, aan den gang maken, om tot zaden te rijpen.
De zweefvlieg beseft natuurlijk heelemaal niet, wat voor weldaad hij aan ’t bloempje bewijst. Ook gaat hij wel eens een enkelen keer verkeerd zitten en ’t gebeurt ook dikwijls genoeg, dat de stempel zonder hulp van vliegen in aanraking komt met helmknoppen in dezelfde bloem en dan ontstaan toch ook goede rijpe zaden. Wie er aardigheid in heeft, kan omtrent den omgang van insecten met bloemen nog menige belangrijke bijzonderheid opmerken.
Al die lange zomerdagen zijn vliegen, bijen en vlinders met al die bloemen bezig. Sommige bloemen hebben een bepaald stel van vriendjes, andere zijn echte allemansvrienden. Op de paardebloem (34) is om zoo te zeggen ieder tehuis, van de domste vlieg af tot de fijnste vlinder of slimste bij toe. De koekoeksbloem (70) heeft ’t liefst met vlinders te doen, de boterbloem (32) is vriendelijk tegenover kevertjes, vliegen en kleine bijtjes en de orchideeën hebben in hun vreemdsoortig ingerichte ontvangzaal weer ’t liefst vlinders en hommels.
Lang niet in iedere wei groeien van die orchideeën. Het moet er min of meer vochtig zijn; ik geloof wel dat de beste orchideeënplekjes lang niet altijd het meest waardevolle hooiland opleveren. Heel dikwijls groeien ze in gezelschap van wollegras (48) en dan groeit er ook licht veenmos en zeggen (39) en allerlei dingen, waar een boer het land aan heeft.
6161BLINDE BIJ.6262BOSCHZWEEFVLIEG.6363GESTREEPTE ZWEEFVLIEG.6464HOMMELZWEEFVLIEG.6565BESSENZWEEFVLIEG.6666GAASVLIEG.
6161BLINDE BIJ.
61
BLINDE BIJ.
6262BOSCHZWEEFVLIEG.
62
BOSCHZWEEFVLIEG.
6363GESTREEPTE ZWEEFVLIEG.
63
GESTREEPTE ZWEEFVLIEG.
6464HOMMELZWEEFVLIEG.
64
HOMMELZWEEFVLIEG.
6565BESSENZWEEFVLIEG.
65
BESSENZWEEFVLIEG.
6666GAASVLIEG.
66
GAASVLIEG.
6767VELDSLA EN VERGEETMIJNIETJE.6868HAARLEMS KLOKKENSPEL.6969VOGELWIKKE.7070KOEKOEKSBLOEM.7171GEDOORND STALKRUID.7272PASTINAAK.
6767VELDSLA EN VERGEETMIJNIETJE.
67
VELDSLA EN VERGEETMIJNIETJE.
6868HAARLEMS KLOKKENSPEL.
68
HAARLEMS KLOKKENSPEL.
6969VOGELWIKKE.
69
VOGELWIKKE.
7070KOEKOEKSBLOEM.
70
KOEKOEKSBLOEM.
7171GEDOORND STALKRUID.
71
GEDOORND STALKRUID.
7272PASTINAAK.
72
PASTINAAK.
[35]
Ik laat mij echter door die witte vlaggetjes van ’t wollegras gaarne leiden, want waar dat groeit, vind je dan licht orchideeën en misschien ook nog aardige addertongvarentjes of zonnedauw. En er is ook kans, dat daar ringslangen rondkruipen, wat voor den oningewijde wel griezelig mag lijken, maar den kenner met groote blijdschap vervult.
’t Is maar een kwestie van een paar centimeters hooger of lager, misschien ook wel van de aanwezigheid van een kleilaag onder ’t veen. Soms is zoo’n plekje nog niet eens honderd vierkante meter groot, maar de plantengroei en de dierenwereld is er dadelijk anders dan in de rest van de wei.
Licht schieten er ook een paar berkjes, wat lijsterbessen en bramen op en wanneer de oeverzeggen er hoog en dicht genoeg worden krijg je daar zelfs kans op het allermooiste en minst bekende slootkantvogeltje, de vroolijke blauwborst (110).
Hij is familie van het roodborstje en staat net zoo parmantig op zijn veerkrachtige dunne pootjes. Hij heeft een wit wenkbrauwstreepje over het groote glinsterende oog en zijn borst is prachtig diep blauw met een wit vlekje er midden in.
In April ontmoet ik hem al op zijn broedplaatsen en als ik hem niet zie, dan zorgt hij er wel voor dat ik hem hoor, want hij blaast een heel heldere schetterende fanfare, die geen een vogel hem kan nadoen. Hij echter kan wel de andere vogels nadoen en amuseert zich er, met te spelen voor leeuwerik, pieper, kieviet en kraai, al naar hij er trek in heeft.
Zijn nest zit listig verborgen achter ’t hooge oevergras.
Op zulke plaatsen zwemmen ook, als de slooten niet al te smal zijn, de vlugge dodaarsjes (111,112), die op kleine eendjes zouden lijken als ze maar een staart hadden en als hun zwemvliezen den gewonen vorm hadden. Hun nest is een hoop rommel op ’t water en als de broedende vogel onraad merkt, dan glijdt hij er stilletjes af maar verstopt eerst de eieren onder modder en blaren. Dan duikt hij onder en je moet al heel knap en geduldig wezen, om wat van hem te zien te krijgen. Er zijn er veel meer in onze natte landen dan men wel meent, en wanneer ik op zoo’n nat plekje het kartelblad (83) of de orchideeën ga liggen bekijken, dan heb ik om zoo te zeggen altijd één oog gericht op het verschiet der slooten, om zoo mogelijk een blauwborstje of een dodaarsje te betrappen.
De schoolboeken geven je altijd den raad, om een potloodpunt in zoo’n orchideeënbloem te steken. Als je dat in goede richting doet, dan komen twee kleefplakjes van de bloem ermee in aanraking en als je dan ’t potlood weer terugtrekt, blijven twee stuifmeelklompjes eraan kleven.
Je kunt het natuurlijk evengoed doen met je pink; eigenlijk veel beter, want de top[36]van een goed verzorgde niet al te dikke pink, lijkt toch altijd nog meer op een hommelkop dan zoo’n spitse potloodpunt.
Ik doe dat nog altijd met evenveel plezier als dertig jaar geleden. ’t Blijft altijd verrassend, hoe grif en stevig die dingen blijven kleven en nog veel mooier en wonderlijker is het, dat onmiddellijk de steeltjes van die stuifmeelklompjes gaan doorbuigen. Eindelijk gaan ze niet meer verder en als je dan je pink weer in dezelfde houding van straks in de bloem brengt, zul je merken, dat dan die stuifmeelklompjes terechtkomen tegen het kleverig stempeloppervlak en een deel van het stuifmeel blijft dan daarop vastzitten: de bloem is bestoven.
Veel aardiger dan die pinkgymnastiek is natuurlijk het bezoek van de hommels zelf. Intusschen moet ik u waarschuwen, dat de eerste de beste nieuwsgierige er niet op hoeft te rekenen, dit zoo maar eens in de gauwigheid te zien te krijgen, door even te loopen door een weiland met orchideeën.
Onze weide-orchideeën, de breedbladige (46), de gevlekte (44), de harlekijn (43) krijgen soms in geen dagen bezoek van een enkel insect. Je vindt dan bloeiaren, waarin haast alle bloemen nog ongeschonden helmknoppen bezitten.
Bij mooi weer en in een hommelrijk jaar heeft een volhardend onderzoeker echter wel kans, om die stuifmeelplakkerij in zijn volle glorie te genieten. Er komt een weidehommel aangonzen, regelrecht op de bloem af. Of de mooie vlekjes op de onderlip hem den weg wijzen naar den ingang van de bloem? Sommige geleerden meenen van ja, en noemen die vlekjes het honigmerk. Anderen spreken het tegen en daar kan dan weer heel genoeglijk over gekibbeld worden.[37]
De hommel gaat intusschen evengoed zijn gang; hij suist tamelijk onzacht op de bloem neer, steekt twee lange glimmende kaken zoo diep mogelijk in het zakje, dat aan een van de bloembladen zit, de spoor, schuurt het weefsel daarvan kapot en gaat dan met zijn lange ruige tong het sap oplikken. Al dien tijd heeft hij zijn kop juist tegen de kleefplakjes, de zoogenaamde hechtkliertjes, gedrukt en wanneer hij nu de bloem verlaat, dan zie je met bijzonder groot genoegen twee lichtgele stuifmeelklompjes op dunne steeltjes boven op zijn kop staan. Hij krabbelt naar een volgende bloem, drukt zonder het te willen of te weten stuifmeel tegen den kleverigen stempel, maar doet tegelijkertijd weer twee nieuwe stuifmeelklompjes op.
Als hij ergen honger heeft en bloem na bloem bezoekt, krijgt hij ten slotte een heele pruik van die dingen op zijn kop en dan begint hij er erg in te krijgen, vooral als er een stuk of zes geplakt zitten midden op zijn oogen.
Hij heeft dan een heele tobberij, om zijn bol weer schoon te krijgen; ik heb er wel gezien, die met vier van hun zes pooten uit alle macht zaten te schrobben en te schuren en het ten slotte toch moesten opgeven, zich heelemaal schoon te poetsen.
De mooie witte welriekende nachtorchis (45) wordt weinig door hommels, maar drukker door vlinders bezocht. De lange spoor bevat veel honig, dat kun je van buiten af wel zien en ’s avonds komen daar de vlinders op af, aangelokt door den heerlijken geur, die de bloem dan gaat verspreiden.
’t Is heusch wel de moeite waard, om die orchideeën in potten te kweeken of een vochtig hoekje in den tuin voor hen in te ruimen. Bij goede behandeling komen zij ieder jaar weer opnieuw te voorschijn uit hun merkwaardigen wortelknol, telkens weer grooter en mooier dan eerst, ik heb daar heel mooie dingen van gezien.
Maar ga mij nu niet al de orchideeën uitgraven, die ge tegenkomt. Aan één hebt ge genoeg. Het uitgraven lijkt makkelijk genoeg, ja je kunt ze soms zoo maar met knol en al uit den weeken moerasbodem trekken. Toch is het dan tien tegen één, dat de worteluiteinden, waar ’t juist op aankomt, afbreken en dan bloeit de plant wel dat ééne jaar, maar hij is niet bij machte een behoorlijke nieuwe wortelknol voor ’t volgend jaar te maken. Wil je ’t goed doen, neem dan een heele zode, twee decimeter in middellijn, zoodat de plant tot in zijn fijnste deelen ongeschonden blijft.
Nog veel aardiger is het, ze te kweeken uit het fijne zaad, dat ge in den nazomer uit de bruine verdroogde vruchten kunt kloppen. Je hebt dan meteen de voldoening iets te probeeren, wat lang niet iedereen gelukt. De orchideeënzaden ontkiemen alleen onder bepaalde omstandigheden; zorg vooral, ze uit te zaaien in grond, afkomstig van ’t terrein zelf, waar ge de zaden inzamelde en als daar mos groeide, neem dan ook maar wat van dat mos mee, dat kan nooit geen kwaad, zou mijn grootmoeder zeggen.[38]
Orchideeën zijn niet bepaald zeldzaam, maar toch altijd wel iets aparts. ’t Is niet te ontkennen, dat wij houden van zeldzame en aparte dingen en zoolang je daarom de gewone dingen niet verwaarloost, zit er ook geen kwaad in. Ik ben altijd klaar, om zeldzame planten en dieren te gaan opzoeken en als ik ze weet te vinden, dan sla ik meestal geen enkel jaar over, om ze te gaan bekijken in den tijd, dat ze op hun mooist bloeien.
Zoo doe ik iedere Meimaand een of meer tochten naar de Vechtstreek, om de zomerklokjes (41) te gaan zien. Ze groeien ook wel vlak bij mij in de buurt op een weide-eilandje in de Mooie Nel, maar daar staan er slechts enkele honderden en dat is mij te weinig. Ik houd van overvloed, van duizenden en millioenen, heele velden van eereprijsjes; madeliefjes dicht geschaard zoover je zien kunt, boterbloem en zuring samen één groot vlak vormend van rood en goud en dan weer rij aan rij van orchideeën, alle rechtop en talrijk als klaverbloemen. Millioenen graspluimen wapperen er tusschen en er boven, allemaal even frisch en flink, met ieder uur hooger van gestalte en dieper van kleur. Aan den slootkant bloeien heele plakkaten van mooie hemelsblauwe vergeetmijnietjes (67) en de helling staat vol met een kleiner bloempje, bleekblauw bij wit af, dat door sommige menschen wel valsch vergeetmijnietje genoemd wordt, maar ’t is niets anders dan de lekkere veldsla (67).
En waar de breede Vecht door bonte weiden kronkelt, heeft hij over een lengte van eenige kilometers zijn boorden omzoomd met zomerklokjes. Aan hooge stengels wiegelen ze in de morgenbries, vijf, zes hangende bloempjes in een schermpje bij elkaar, roomwit met fijne groene vlekjes: sneeuwklokjes in zomerkleed. Onze vrienden, de zweefvliegen dartelen er tusschen door in gezelschap van kleurige hommels. De bladeren van deze planten zijn donker groen, veel donkerder dan ’t jonge riet, dat pas zijn eerste linten ontrolt. Donker blad en witte bloemen; aan de overzijde van de rivier zijn ze ook duidelijk te zien en ’t mooist zijn ze in een drassig hooilandje binnendijks, waar groote pollen afzonderlijk staan tusschen jonge waterzuring en bloeiende oeverzegge.
Hoogstwaarschijnlijk zijn deze zomerklokjes geen oorspronkelijke wilde planten, maar sierplanten, die sinds overoude tijden uit slotgaarde of kloostertuin zijn ontsnapt. Ze zijn er mij niet minder dierbaar om. Integendeel, want evengoed als ze op die enkele plaatsen in Nederland jaar in jaar uit trots den allerstrengsten winter zich weelderig willen ontwikkelen, kunnen ze overal groeien, waar de grond maar niet al te droog is. Bezat ik weilanden, dan zou ik mij niet ontzien, om een paar hoekjes vol te zetten met deze zomerklokjes.
7373ROODE KLAVER.7474WITTE KLAVER.7575ROLKLAVER.7676VELDLATHYRUS.7777HONIGKLAVER.7878HEGGEWIKKE.
7373ROODE KLAVER.
73
ROODE KLAVER.
7474WITTE KLAVER.
74
WITTE KLAVER.
7575ROLKLAVER.
75
ROLKLAVER.
7676VELDLATHYRUS.
76
VELDLATHYRUS.
7777HONIGKLAVER.
77
HONIGKLAVER.
7878HEGGEWIKKE.
78
HEGGEWIKKE.
7979BRUNELLE.8080GLIDKRUID.8181VELDSALIE.8282GEVLEKTE DOOVENETEL.8383MOERAS KARTELBLAD.8484WATERMUNT.
7979BRUNELLE.
79
BRUNELLE.
8080GLIDKRUID.
80
GLIDKRUID.
8181VELDSALIE.
81
VELDSALIE.
8282GEVLEKTE DOOVENETEL.
82
GEVLEKTE DOOVENETEL.
8383MOERAS KARTELBLAD.
83
MOERAS KARTELBLAD.
8484WATERMUNT.
84
WATERMUNT.
Ook zou ik de kievietsbloem (47) niet vergeten, ook waarschijnlijk een ontsnapte tuinplant, een neefje van de trotsche keizerskroon. In sommige weilanden groeit die bij[41]honderden. ’t Is een heel genoegen, er tusschen in te staan en toe te zien, hoe de hommels de neerhangende bloemen opzoeken en hoe ze er in wegduikelen, om den honig te halen, die in hoekjes van de bloembladen zit.
Die bloembladen zijn prachtig fijn geaderd en gekleurd met plekjes paars en plekjes wit; daaraan heeft de bloem zijn naam van dambordbloem te danken. Ook wordt zij wel kievietsei genoemd en dat is nog zoo mis niet, want de nog niet geopende bloemen zijn werkelijk eivormig.
In plaats van paarse, vindt je ook witte, die zijn niet zuiver wit, maar de vlekken zijn wel degelijk aanwezig, al zijn ze dan ook maar flauwtjes groenachtig geel. Zoowel van kievietsbloem als van zomerklokje zijn de bollen te koop bij den bloemist en duur zijn ze niet, zoodat je voor een enkelen gulden of zoo je heele leven lang een verrassend mooi plekje kunt hebben in een doodgewone wei.
Maar als nu eens ergens geen zomerklokjes of kievietsbloemen bloeien, dan is de wei toch nog mooi genoeg. Alleen de grassen geven je al genoeg te doen. Een heele massa kinderen en menschen kijken naar de grassen niet om, omdat ze zoo moeilijk te onderscheiden zijn. Nu zijn alle dingen net zoo moeilijk, als je ze zelf maken wilt en ik voor mij zou er heelemaal geen bezwaar in zien, om kinderen van acht of negen jaar een vijf-en-twintigtal van de meest algemeene grassen te leeren.
Je kunt er ook heel gemakkelijk een verzameling van aanleggen, want ze zijn prachtig om te drogen; als je maar zorgt, goed ontwikkelde pluimen te nemen, dan krijg je vanzelf heel mooie, teekenachtige bladen. In ’t vroege voorjaar hebben we al de beide reukgrassen gevonden, die gevolgd worden door de vossestaart, die net zoo rond en zachtharig is, als zijn naam aangeeft. Dit gras bloeit ook wel in de eerste dagen van Mei en al naar het tijdperk van bloei ziet de staart grijs, paars, bruin of groen.
Grijs is hij, wanneer uit alle bloempjes de witte stijlen naar buiten komen, paars wanneer de stijlen zijn verschrompeld en in hun plaats paarse helmknoppen op fijne witte draden uit de bloem zijn geschoven; die helmknoppen verschrompelen tot een bruine massa, die afvalt en de rijpende aar groen achterlaat. Je kunt die verschillende toestanden vlak bij elkaar aantreffen.
Na de vossestaart komt de timothee, die er wel wat op lijkt, maar altijd grijs is en tamelijk stijf; ieder apart bloempakje heeft wel wat van een laarzenknecht. Tegelijk bloeien nu ook de wijdvertakte pluimgrassen: op natte venige plekken het mooie trilgras, dat we ook bevertjes noemen; elders weer de zachte pluimen van de dravik of de mooie groote havergrassen, die eraan te herkennen zijn, dat ze in ieder bloempakje één of meer geknikte kafnaalden hebben.
De pluimen met de fijne bloempakjes zijn meestal van beemdgras en heel stellig[42]vindt ge ook de witbol, die in dichte bossen groeit. Hij heeft zeer zacht behaarde stengels en bladeren en zijn bloempakjes zijn lichtgroen of bleekrose, soms ook met wat violet er in, bijzonder mooi. Tegenwoordig heeft dat gras den eerwaardigen naam van witbol, vroeger werd het „zorggras” genoemd, de landman houdt er niet veel van en ik heb het ook niet graag in het effen grasperk, want het maakt zulke onhandelbare proppen, die misstaan in de mooie effen zode.
Zuring (38) zien de boeren ook niet zoo bijster graag, doch ze moeten er maar aan wennen, want die plant laat zich niet zoo gemakkelijk uit het veld slaan. Er is eigenlijk geen enkele grondsoort, of er groeit de eene of andere zuring: aan de waterkanten en op natte plaatsen de reusachtige waterzuringen, op de schrale zandvlakten het tengere schapenzurinkje en in de wei de lekkere malsche veldzuring, die ’t zuurst van alle is.
Als je iemand vraagt, hoe de bloem van die zuring er uitziet, dan blijft hij gewoonlijk ’t antwoord schuldig. Ja, ’t is iets roods, en al die roode zuringbloemen geven met de gele boterbloemen dien heerlijken tint van den vollen zomer op de bonte wei. Maar als ze zoo rood zien, dan zijn de zuringen meestal bijna uitgebloeid, die roode kleur zit door hun heele lichaam en hangt weer samen met hun zuurheid en met de zon, doch ik zie geen kans, om u dat hier allemaal in een paar regels uit te leggen.
De bloempjes van de zuring zijn maar kleine dingetjes met zes groene bloemblaadjes. Sommige hebben een zestal meeldraadjes, die heel gemakkelijk bewegen en hun stuifmeel door den wind laten meedragen, andere hebben een stampertje met een mooien pluimstempel.
Als ’t vruchtje gaat rijpen, gebeurt er iets aardigs; drie van de bloemblaadjes gaan[43]uitgroeien en worden zoo groot dat ze elkander verdrukken en verbuigen. Ze buigen dan naar buiten om en staan met de omgebogen helften zoo tegen elkander aan, dat ze drie platte lijsten over het vruchtje vormen, die den dienst doen van vleugels. Als de plant niet werd afgemaaid, dan zou de vrucht op die vleugels door den wind worden meegevoerd.
De kneutjes komen uit de struiken en uit de hagen naar de wei om van die vruchtjes te eten, montere vogeltjes met roode kappen en roode borstlappen op de roode zuring.
Dat is een van de mooiste tooneeltjes, die ik ooit gezien heb en als ik ergens veel zuring weet te staan in een streek, waar ook de kneutjes niet zeldzaam zijn, dan zorg ik er voor, dat ik daar ook niet al te zeldzaam word,m.a.w.dan loop ik daar als ’t eenigszins kan ’s morgens tusschen zessen en achten rond, om de roode snoepers te betrappen. ’t Lukt dikwijls genoeg.
De zuring heeft nog een ander vriendje, waar ik haast net zooveel van houd als van de kneutjes; dat is het vuurvlindertje (127,129), het dartelste van alle vlindertjes.
Wat hebben onze Hollandsche dagvlinders over ’t algemeen toch prettige namen, namen, die het onvergeeflijk maken, dat je de dieren zelf niet herkent, als je ze buiten tegenkomt. Denk maar eens aan parelmoervlinder, dagpauwoog, rouwmantel, zandoogje, blauwtje, groentje, witje, citroenvlinder, oranjetip, weerschijnvlinder, allemaal namen, die heel gelukkig aanduiden, hoe het dier er uitziet.
Het vuurvlindertje heeft ook zoo echt de kleur en den gloed van een kooltje vuur, dat je op ’t eerste gezicht al zegt, dat moet hem zijn en geen andere. ’t Is precies alsof je een gloeiend kooltje ziet gloren, onder de asch. Wie een beetje thuis is in ’t Rijks-Museum heeft die gloed wel gevonden in de brandende turfjes op een paar schilderijen van Jan Steen; ik herinner mij op ’t oogenblik twee van zijn schilderijen met van die vuurvlinder-gloeiende-turfjes in een test. De Engelschen, die anders ook over heel mooie vlindernamen beschikken, noemen ons vuurvlindertje Small Copper maar dat is lang zoo juist niet, die vleugeltjes zijn veeleer vuur dan koper, let er maar eens op.
En in ’t vuur liggen weer mooie koolzwarte blokjes, bij sommige meer, bij andere minder, want dat vuurvlindertje is een heel variabel diertje. Wie er aardigheid in heeft kan zich een verzameling vuurvlindertjes aanleggen, beginnende met diertjes waarvan de vleugels bijna geheel vuur zijn, zonder zwarte vlekjes om te eindigen met vormen, waarbij zooveel zwarte vlekjes voorkomen, dat ’t vuur er geheel onder verscholen gaat.
Heel dikwijls vind ik er ook, die op de achtervleugels mooie blauwe plekjes hebben; verleden jaar kwam er zoo een drie dagen achtereen in mijn tuin altijd ’s middags[44]tusschen één en drie uur, want die dartele en vlugge diertjes hebben soms zeer vaste gewoonten. Het moet ook voorkomen, maar dat heb ik nooit gezien, dat het vuurtintje heelemaal vervangen is door een roomachtige of ook wel zilverachtige tint, je zoudt kunnen zeggen: een vuurvlindertje in de grondverf.
Maar hoe ze er ook uitzien, altijd zijn die kleine rakkers vol levenslust en overmoed. Niet alleen, dat ze elkander nazitten, zooals alle vlinders doen, maar ze laten, om zoo te zeggen, geen enkel dier met rust.
Ik heb het wel gezien, dat ze de vliegen verjoegen van de bloemen, ja, dat ze dikke hommels te lijf gingen. Zoo brutaal kwamen ze op die zuigbrommers af, dat die overhaast op de vlucht sloegen, alsof ze ik weet niet wat van die kleine vlindertjes te vreezen hadden.
Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om ’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken, nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun de pret van harte.
Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren.
Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te goed te doen aan de lekkere zuring.
Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren. Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken.
De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft ’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen door ’t natte gras.[45]
Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken, de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine nachtvlindertjes.
En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem.
Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo gebeuren.
Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is, waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar eens.
Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt, zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken uitsteken.
De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen.
Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor zonsondergang[46]reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt, vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken.
Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere, grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk.
[47]