[Inhoud]TAO TEH KING.[74]Eerste Deel: Tao.[Inhoud]Hoofdstuk I.Hoofdstuk I.1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.1. Dat het tweede Tao in den chineeschen tekst van den eersten zin „zeggen” beteekent wordt bevestigd door meer dan één chineeschen commentator, door het te omschrijven door „met den mond zeggen”.2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.2. Van iets, dat eeuwig en onvergankelijk is, kan natuurlijk niet gezegd worden dat het is of niet is, daar deze tegenstellingen alleen betrekking kunnen hebben op sterfelijke dingen.Als abstractie, te subtiel voor woorden, zou men het kunnen noemen: „het Begin van Hemel en Aarde”, en, beschouwd met betrekking tot zijn oorsprong van alle dingen, als Zijn, kan men het noemen: „de Moeder van alle Dingen”.3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan men er enkel den begrensden Vorm van zien.[76]4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben verschillenden naam.5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel geheimzinnig.6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.3. „Niet zijn” (Wu Yiu) beteekent hier „vrij zijn van alle aardsche begeerten” en „zijn” beteekent hier „in aardsche begeerte zijn”.[77][Inhoud]Hoofdstuk II.Hoofdstuk II.1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het„leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt het „slechte” voor den dag.2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en[78]de Stem harmoniëeren wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen), en hij begaat de leer zonder woorden.7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet van hem weg.1. De hoofdbedoeling van dit hoofdstuk is aan te toonen, dat alle dingen alleen gekend worden door hunne contrasten.Lao Tszʼ vond het gevaarlijk, het „goed” en „mooi” vinden, want goed en mooi moeten dat van-zelf zijn. De mensch moet „mooi” en „goed” vergeten, en van-zelf „Wu Wei” zijn, volgens het natuurlijke rythme, hem door Tao gegeven.Aan het slot heb ik eenige teksten onvertaald gelaten, omdat ik niet kan vermoeden wat zij beteekenen, en ook geen der bestaande versies aannemelijk acht. En er maar iets van maken wilde ik niet.[79][Inhoud]Hoofdstuk III.1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal het volk geen diefstal plegen.3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet in verwarring komen.4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.Hoofdstuk III.5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten heeft.[80]6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet durven ageeren.5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”[81]7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed) regeert.7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn juisten gang.—Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de„Imitation de Jésus Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)[Inhoud]Hoofdstuk IV.1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den oppersten God).[Inhoud]Hoofdstuk V.Hoofdstuk V.1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen als de strooien honden (voor de offering).[82]1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn natuurlijken gang gaan. Daarom[83]gaat het niet aan, te veronderstellen, dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele wezens zouden hebben.2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de strooien honden (voor de offering).2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en niet nog eens apart den een boven den ander.3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en (toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind) er uitkomt.3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt, hoe meer kracht het voortbrengt.4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden te bewaren.4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoofdstuk VI.1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke Moeder.1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid. Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en Aarde.3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te blijven bestaan.[84]2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn, dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—[85]4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—[Inhoud]Hoofdstuk VII.Hoofdstuk VII.1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan (van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met het doel, toch vooralvoor zichzelfte zorgen.2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf (juist) de eerste.2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan vanzelf al vér vóór de anderen.3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam (juist) behouden.4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van „zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost, heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute, toch eigenlijk volmaakt.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.1. De opperste Goedheid is als water.Hoofdstuk VIII.2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.[86]4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.[87]5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid” liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in hem te laken.6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Hoofdstuk IX.1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in ’t geheel geen te dragen.1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar) te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen blijven.[88]3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar niet kunnen behouden.2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen beteekenen „zal menzichzelfniet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal men zich wonden.”[89]4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn ongeluk na zich sleepen.4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar Tao.Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van „letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”[Inhoud]Hoofdstuk X.Hoofdstuk X.1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is (tusschen wereldsche dingen).1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik, hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en als een pasgeboren kind.3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van alle moreele gebreken.[90]4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en losbandigheid.Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het spiritueele.[91]5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl de processen van de natuur voortgaan.6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op de juiste tijden gedaan.7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun Meester.Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de Wijze.[Inhoud]Hoofdstuk XI.Hoofdstuk XI.1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige ruimte (binnen in) is zij van nut.[92]3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen door de ledige ruimte zijn zij van nut.4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt: „This chapter is beneath contempt.”De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities[93]zegt nog van den laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel” en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig bestaat.”[Inhoud]Hoofdstuk XII.Hoofdstuk XII.1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling. Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke daden.1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en yü.”De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne oogen.[94]3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van belemmerende affecties.”[95]4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.4. Men vergelijke Thomas à Kempis„Imitation de Jésus Christ”: „Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Hoofdstuk XIII.1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is als een groote ramp.1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin: „geëerdheiden groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve (d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van ziel) is zonder glorie of vernedering.”2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie? Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men: hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat het misschien nooit weer beter kan worden.3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.[96]3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.[97]4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan hebben?4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten, dit is de reëele enTszʼJan (van-zelve) toestand van den Hemel”.5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de regeering van het rijk opdragen.5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’ beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de Vorst, het lichaam is het rijk.”[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hoofdstuk XIV.1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos (I).Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk (Wei).1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi” en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.3. Daarom, zij smelten samen tot één.2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken, omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft geen schaduw).[98]4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch schaduw hebben.[99]5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert terugtothet Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele beeld, den éénigen reëelen vorm.6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij ziet niet Zijn einde.6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad van Tao in handen.7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen leven en dood is, dat er geen leven en dood alsreëeledingen bestaan. Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat, vermindert of vermeerdert.[Inhoud]Hoofdstuk XV.Hoofdstuk XV.1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden, (als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó diep, dat het niet is te begrijpen.[100]2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er een beeld van te geven.1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de gewone[101]menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in alles door.3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in dennatuurlijkenstaat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet boven hun gewone dingen trachten te verheffen.4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig betrachte kalmte?4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en alleen rust en kalmte houden haar rein.5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.[102]5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet uitgeput worden.”[103]De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XVI.Hoofdstuk XVI.1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene onvergankelijke rust.2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder terugkeeren.3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot zijn Oorsprong.1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find immovable rest”.„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis) van onze natuur” (Julien).4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals hetoorspronkelijkis, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging ontstaat uit en is geworteld in rust.6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.[104]6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.[105]7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder onderscheid zijne weldaden te verspreiden.8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen gevaar (meer te duchten).8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan. Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta: „Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is known as the nature of every thought, than immortality is known”.[Inhoud]Hoofdstuk XVII.Hoofdstuk XVII.1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij bestonden.1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan), zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.3. Die dáárna kwamen, vreesde het.4. Die dáárna kwamen, verachtte het.[106]2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz. enz.[107]5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen niet.6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”, vanzelf.[Inhoud]Hoofdstuk XVIII.Hoofdstuk XVIII.1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid.1. Toen het volk nog in Tao leefde was ervanzelfliefde van de menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de Huichelarij ontstond.Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, TheThsingen Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in verband dus met het vorige hoofdstuk).3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de Ts’zʼ.[108]3. Van ouds was ervanzelfharmonie in de familie (lett. staat er: „de zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao[109](liefde voor de ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of special virtues is the consciousness of self, the absence of spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by formulas and prescriptions.”[Inhoud]Hoofdstuk XIX.1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk honderdmaal meer gelukkig zijn.2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen.4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen (oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.[110]Hoofdstuk XIX.In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn oorspronkelijken natuurstaat te behouden.In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs, filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de „Imitation de Jésus Christ.”O.a.„L’humbleconnaissancede toi-même est une voie plussûrepour aller à Dieu que les profondes enquêtes de la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle, insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de gelijkenis met Hoofdstuk 2 uithetzelfdeboek. O.a. „Tout homme désire naturellement savoir; mais la science, sans la[111]crainte de Dieu, que produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende HoofdstukXX.[Inhoud]Hoofdstuk XX.1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde aan!4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.Hoofdstuk XX.5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter „poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is gebroken”.6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles) verloren heeft. Ik[112]heb het hart van een domme, ik ben een chaos van verwarring.7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven heen en weêrgedreven, als rusteloos.8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als iemand van het land.6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren, maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb[113]een chaos van verwarring”, daar „tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward” (Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met „dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder vereer, die alles voedt (Tao).9. Dit correspondeert met in Hfdst.I: „Als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller dingen”.Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.[Inhoud]Hoofdstuk XXI.Hoofdstuk XXI.1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie van Tao.Ziehier de natuur van Tao.[114]1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao heeft geen[115]lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ You).2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!… Hoe vaag!… En (toch) bevat het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!… Hoe verward!… En (toch) bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale, mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft geboorte aan de geheele creatie.4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft? Door Tao zelf.3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort. Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het leven te gaan.”[Inhoud]Hoofdstuk XXII.1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden. Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.Hoofdstuk XXII.2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het voorbeeld van de wereld.4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij verlicht. Hij wenscht niet zelf[116]de ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in de wereld die tegen hem op kan.2. „Het” is hier Tao.[117]5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft, onderwerpt zich alles aan hem.5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.[Inhoud]Hoofdstuk XXIII.Hoofdstuk XXIII.1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te minder dan de mensch!3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan de[118]Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de Misdaad worden.4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de Misdaad.1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, overConfucius, zeide, is Tszʼ Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ gelijk is aan Wu Wei.[119]5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet waarschijnlijk vind.[121][Inhoud]Hoofdstuk XXIV.1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de beenen ver uitstrekt kan niet loopen.2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet superieur.3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke dingen, die altijd verafschuwd worden.4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.[120][Inhoud]Hoofdstuk XXV.1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.Hoofdstuk XXV.2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En „liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.6. Ik weet niet Zijnen naam.7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.9. Van groot noem ik Het vervliedend.6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg” of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een chineesch schriftteeken.”10. Van vervliedend noem ik Het vèr.11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de Koning is groot.[122]13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één van.10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat, als in de grieksche werkwoordenτηλέπορος,μακροπορος(Julien).[123]14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus niet buiten Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XXVI.Hoofdstuk XXVI.1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust isOverheerservan de beweging.2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke Wezen van het hart”.3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust, en gaat er vér van.3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om zich zelf.5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te laten medesleepen verliest hij de heerschappij.4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het hart” in.[Inhoud]Hoofdstuk XXVII.Hoofdstuk XXVII.Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van chineesche als europeesche zijden,[125]tot de meest verschillende en uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen[124]bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei (onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er figuurlijk, is onvernietigbaar.Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband met het vorige.3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de leermeester van den goede.4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”, eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”, vertaald, op gezag van Shun Yang.[Inhoud]Hoofdstuk XXVIII.Hoofdstuk XXVIII.1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid behoudt, is de vallei van het rijk.[126]2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een kind.3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het voorbeeld voor het rijk.4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van het rijk.6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken, simpelen staat terugkeeren.7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de dingen gevormd.8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der mandarijnen zijn.9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in uitstort.[127][Inhoud]Hoofdstuk XXIX.Hoofdstuk XXIX.1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt.[128]2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan verliest men haar.1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf, natuurlijk uit Tao[129]voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i. in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering mogelijk.4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die bewegen en die stilstaan.5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de buitensporigheid.4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.[131][Inhoud]Hoofdstuk XXX.1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het rijk niet met geweld van wapenen.2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als het gegeven is.3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan.[130]6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.[Inhoud]Hoofdstuk XXXI.1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet mede op.Hoofdstuk XXXI.3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats, hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün Tszʼ.[132]5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de rust zijn voor hem het hoogste.3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De gast zit ter linkerzijde van den gastheer.[133]6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk.8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter.10. Dat is, menplaatsthen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen rouwen en weenen.6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar „vindt hij het niet mooi”.12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden.12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende de ceremonieën der dooden verrichten.[Inhoud]Hoofdstuk XXXII.Hoofdstuk XXXII.1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het niet te onderwerpen.[134]1. Zie de noot bij Hfdst.XXV6 en 7.[135]3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen (d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.8. Tao is verspreid in het Heelal.9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en zeeën.[136]6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz. laten medesleepen.De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende, geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3 in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor „het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao” ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het hart dan de gastheer, de[137]Meester is over alle wezens en dingen in de creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in ’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.[Inhoud]Hoofdstuk XXXIII.1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf kent, is verlicht.2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf overwint, is almachtig.3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is, heeft kracht van wil.Hoofdstuk XXXIII.4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven, maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurend leven.4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal lang leven.De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar de ziel blijft altijd.”[Inhoud]Hoofdstuk XXXIV.1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert géén.[138]4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet als hun Meester.6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen noemen.7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.Hoofdstuk XXXIV.Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst.X.[139]8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor juist volmaakt hij zijne grootheid.8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”: „Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)[141][Inhoud]Hoofdstuk XXXV.1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie van Tao kan bevatten.2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en vrede brengen.3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling op.4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en hooren Het niet[140]genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is onuitputtelijk.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVI.1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk expansie hebben gehad.2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben gehad.3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn geweest.4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig eerst gegeven zijn.5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.Hoofdstuk XXXVI.6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het harde overwint.7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan niet buiten Tao gaan”.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVII.Hoofdstuk XXXVII.1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.[142]2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen zich hervormen.1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with Hegels theses of the development[143]of the Idea, in itself, and for itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher has formulated for the West the same conceptions which are here instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through cognition of the universal, as rare as it is admirable”.3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.4. Het simpele Wezen dat geen naam heeftbevrijdtons van begeerte, en, vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.[144]4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte, en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.[145]
[Inhoud]TAO TEH KING.[74]Eerste Deel: Tao.[Inhoud]Hoofdstuk I.Hoofdstuk I.1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.1. Dat het tweede Tao in den chineeschen tekst van den eersten zin „zeggen” beteekent wordt bevestigd door meer dan één chineeschen commentator, door het te omschrijven door „met den mond zeggen”.2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.2. Van iets, dat eeuwig en onvergankelijk is, kan natuurlijk niet gezegd worden dat het is of niet is, daar deze tegenstellingen alleen betrekking kunnen hebben op sterfelijke dingen.Als abstractie, te subtiel voor woorden, zou men het kunnen noemen: „het Begin van Hemel en Aarde”, en, beschouwd met betrekking tot zijn oorsprong van alle dingen, als Zijn, kan men het noemen: „de Moeder van alle Dingen”.3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan men er enkel den begrensden Vorm van zien.[76]4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben verschillenden naam.5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel geheimzinnig.6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.3. „Niet zijn” (Wu Yiu) beteekent hier „vrij zijn van alle aardsche begeerten” en „zijn” beteekent hier „in aardsche begeerte zijn”.[77][Inhoud]Hoofdstuk II.Hoofdstuk II.1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het„leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt het „slechte” voor den dag.2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en[78]de Stem harmoniëeren wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen), en hij begaat de leer zonder woorden.7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet van hem weg.1. De hoofdbedoeling van dit hoofdstuk is aan te toonen, dat alle dingen alleen gekend worden door hunne contrasten.Lao Tszʼ vond het gevaarlijk, het „goed” en „mooi” vinden, want goed en mooi moeten dat van-zelf zijn. De mensch moet „mooi” en „goed” vergeten, en van-zelf „Wu Wei” zijn, volgens het natuurlijke rythme, hem door Tao gegeven.Aan het slot heb ik eenige teksten onvertaald gelaten, omdat ik niet kan vermoeden wat zij beteekenen, en ook geen der bestaande versies aannemelijk acht. En er maar iets van maken wilde ik niet.[79][Inhoud]Hoofdstuk III.1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal het volk geen diefstal plegen.3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet in verwarring komen.4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.Hoofdstuk III.5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten heeft.[80]6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet durven ageeren.5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”[81]7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed) regeert.7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn juisten gang.—Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de„Imitation de Jésus Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)[Inhoud]Hoofdstuk IV.1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den oppersten God).[Inhoud]Hoofdstuk V.Hoofdstuk V.1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen als de strooien honden (voor de offering).[82]1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn natuurlijken gang gaan. Daarom[83]gaat het niet aan, te veronderstellen, dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele wezens zouden hebben.2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de strooien honden (voor de offering).2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en niet nog eens apart den een boven den ander.3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en (toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind) er uitkomt.3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt, hoe meer kracht het voortbrengt.4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden te bewaren.4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoofdstuk VI.1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke Moeder.1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid. Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en Aarde.3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te blijven bestaan.[84]2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn, dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—[85]4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—[Inhoud]Hoofdstuk VII.Hoofdstuk VII.1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan (van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met het doel, toch vooralvoor zichzelfte zorgen.2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf (juist) de eerste.2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan vanzelf al vér vóór de anderen.3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam (juist) behouden.4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van „zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost, heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute, toch eigenlijk volmaakt.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.1. De opperste Goedheid is als water.Hoofdstuk VIII.2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.[86]4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.[87]5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid” liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in hem te laken.6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Hoofdstuk IX.1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in ’t geheel geen te dragen.1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar) te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen blijven.[88]3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar niet kunnen behouden.2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen beteekenen „zal menzichzelfniet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal men zich wonden.”[89]4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn ongeluk na zich sleepen.4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar Tao.Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van „letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”[Inhoud]Hoofdstuk X.Hoofdstuk X.1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is (tusschen wereldsche dingen).1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik, hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en als een pasgeboren kind.3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van alle moreele gebreken.[90]4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en losbandigheid.Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het spiritueele.[91]5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl de processen van de natuur voortgaan.6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op de juiste tijden gedaan.7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun Meester.Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de Wijze.[Inhoud]Hoofdstuk XI.Hoofdstuk XI.1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige ruimte (binnen in) is zij van nut.[92]3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen door de ledige ruimte zijn zij van nut.4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt: „This chapter is beneath contempt.”De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities[93]zegt nog van den laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel” en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig bestaat.”[Inhoud]Hoofdstuk XII.Hoofdstuk XII.1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling. Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke daden.1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en yü.”De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne oogen.[94]3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van belemmerende affecties.”[95]4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.4. Men vergelijke Thomas à Kempis„Imitation de Jésus Christ”: „Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Hoofdstuk XIII.1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is als een groote ramp.1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin: „geëerdheiden groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve (d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van ziel) is zonder glorie of vernedering.”2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie? Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men: hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat het misschien nooit weer beter kan worden.3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.[96]3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.[97]4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan hebben?4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten, dit is de reëele enTszʼJan (van-zelve) toestand van den Hemel”.5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de regeering van het rijk opdragen.5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’ beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de Vorst, het lichaam is het rijk.”[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hoofdstuk XIV.1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos (I).Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk (Wei).1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi” en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.3. Daarom, zij smelten samen tot één.2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken, omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft geen schaduw).[98]4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch schaduw hebben.[99]5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert terugtothet Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele beeld, den éénigen reëelen vorm.6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij ziet niet Zijn einde.6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad van Tao in handen.7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen leven en dood is, dat er geen leven en dood alsreëeledingen bestaan. Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat, vermindert of vermeerdert.[Inhoud]Hoofdstuk XV.Hoofdstuk XV.1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden, (als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó diep, dat het niet is te begrijpen.[100]2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er een beeld van te geven.1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de gewone[101]menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in alles door.3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in dennatuurlijkenstaat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet boven hun gewone dingen trachten te verheffen.4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig betrachte kalmte?4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en alleen rust en kalmte houden haar rein.5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.[102]5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet uitgeput worden.”[103]De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XVI.Hoofdstuk XVI.1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene onvergankelijke rust.2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder terugkeeren.3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot zijn Oorsprong.1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find immovable rest”.„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis) van onze natuur” (Julien).4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals hetoorspronkelijkis, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging ontstaat uit en is geworteld in rust.6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.[104]6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.[105]7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder onderscheid zijne weldaden te verspreiden.8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen gevaar (meer te duchten).8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan. Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta: „Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is known as the nature of every thought, than immortality is known”.[Inhoud]Hoofdstuk XVII.Hoofdstuk XVII.1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij bestonden.1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan), zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.3. Die dáárna kwamen, vreesde het.4. Die dáárna kwamen, verachtte het.[106]2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz. enz.[107]5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen niet.6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”, vanzelf.[Inhoud]Hoofdstuk XVIII.Hoofdstuk XVIII.1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid.1. Toen het volk nog in Tao leefde was ervanzelfliefde van de menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de Huichelarij ontstond.Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, TheThsingen Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in verband dus met het vorige hoofdstuk).3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de Ts’zʼ.[108]3. Van ouds was ervanzelfharmonie in de familie (lett. staat er: „de zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao[109](liefde voor de ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of special virtues is the consciousness of self, the absence of spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by formulas and prescriptions.”[Inhoud]Hoofdstuk XIX.1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk honderdmaal meer gelukkig zijn.2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen.4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen (oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.[110]Hoofdstuk XIX.In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn oorspronkelijken natuurstaat te behouden.In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs, filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de „Imitation de Jésus Christ.”O.a.„L’humbleconnaissancede toi-même est une voie plussûrepour aller à Dieu que les profondes enquêtes de la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle, insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de gelijkenis met Hoofdstuk 2 uithetzelfdeboek. O.a. „Tout homme désire naturellement savoir; mais la science, sans la[111]crainte de Dieu, que produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende HoofdstukXX.[Inhoud]Hoofdstuk XX.1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde aan!4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.Hoofdstuk XX.5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter „poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is gebroken”.6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles) verloren heeft. Ik[112]heb het hart van een domme, ik ben een chaos van verwarring.7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven heen en weêrgedreven, als rusteloos.8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als iemand van het land.6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren, maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb[113]een chaos van verwarring”, daar „tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward” (Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met „dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder vereer, die alles voedt (Tao).9. Dit correspondeert met in Hfdst.I: „Als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller dingen”.Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.[Inhoud]Hoofdstuk XXI.Hoofdstuk XXI.1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie van Tao.Ziehier de natuur van Tao.[114]1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao heeft geen[115]lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ You).2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!… Hoe vaag!… En (toch) bevat het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!… Hoe verward!… En (toch) bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale, mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft geboorte aan de geheele creatie.4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft? Door Tao zelf.3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort. Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het leven te gaan.”[Inhoud]Hoofdstuk XXII.1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden. Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.Hoofdstuk XXII.2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het voorbeeld van de wereld.4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij verlicht. Hij wenscht niet zelf[116]de ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in de wereld die tegen hem op kan.2. „Het” is hier Tao.[117]5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft, onderwerpt zich alles aan hem.5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.[Inhoud]Hoofdstuk XXIII.Hoofdstuk XXIII.1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te minder dan de mensch!3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan de[118]Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de Misdaad worden.4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de Misdaad.1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, overConfucius, zeide, is Tszʼ Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ gelijk is aan Wu Wei.[119]5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet waarschijnlijk vind.[121][Inhoud]Hoofdstuk XXIV.1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de beenen ver uitstrekt kan niet loopen.2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet superieur.3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke dingen, die altijd verafschuwd worden.4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.[120][Inhoud]Hoofdstuk XXV.1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.Hoofdstuk XXV.2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En „liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.6. Ik weet niet Zijnen naam.7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.9. Van groot noem ik Het vervliedend.6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg” of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een chineesch schriftteeken.”10. Van vervliedend noem ik Het vèr.11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de Koning is groot.[122]13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één van.10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat, als in de grieksche werkwoordenτηλέπορος,μακροπορος(Julien).[123]14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus niet buiten Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XXVI.Hoofdstuk XXVI.1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust isOverheerservan de beweging.2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke Wezen van het hart”.3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust, en gaat er vér van.3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om zich zelf.5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te laten medesleepen verliest hij de heerschappij.4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het hart” in.[Inhoud]Hoofdstuk XXVII.Hoofdstuk XXVII.Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van chineesche als europeesche zijden,[125]tot de meest verschillende en uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen[124]bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei (onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er figuurlijk, is onvernietigbaar.Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband met het vorige.3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de leermeester van den goede.4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”, eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”, vertaald, op gezag van Shun Yang.[Inhoud]Hoofdstuk XXVIII.Hoofdstuk XXVIII.1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid behoudt, is de vallei van het rijk.[126]2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een kind.3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het voorbeeld voor het rijk.4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van het rijk.6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken, simpelen staat terugkeeren.7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de dingen gevormd.8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der mandarijnen zijn.9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in uitstort.[127][Inhoud]Hoofdstuk XXIX.Hoofdstuk XXIX.1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt.[128]2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan verliest men haar.1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf, natuurlijk uit Tao[129]voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i. in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering mogelijk.4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die bewegen en die stilstaan.5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de buitensporigheid.4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.[131][Inhoud]Hoofdstuk XXX.1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het rijk niet met geweld van wapenen.2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als het gegeven is.3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan.[130]6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.[Inhoud]Hoofdstuk XXXI.1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet mede op.Hoofdstuk XXXI.3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats, hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün Tszʼ.[132]5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de rust zijn voor hem het hoogste.3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De gast zit ter linkerzijde van den gastheer.[133]6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk.8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter.10. Dat is, menplaatsthen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen rouwen en weenen.6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar „vindt hij het niet mooi”.12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden.12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende de ceremonieën der dooden verrichten.[Inhoud]Hoofdstuk XXXII.Hoofdstuk XXXII.1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het niet te onderwerpen.[134]1. Zie de noot bij Hfdst.XXV6 en 7.[135]3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen (d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.8. Tao is verspreid in het Heelal.9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en zeeën.[136]6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz. laten medesleepen.De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende, geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3 in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor „het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao” ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het hart dan de gastheer, de[137]Meester is over alle wezens en dingen in de creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in ’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.[Inhoud]Hoofdstuk XXXIII.1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf kent, is verlicht.2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf overwint, is almachtig.3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is, heeft kracht van wil.Hoofdstuk XXXIII.4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven, maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurend leven.4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal lang leven.De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar de ziel blijft altijd.”[Inhoud]Hoofdstuk XXXIV.1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert géén.[138]4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet als hun Meester.6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen noemen.7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.Hoofdstuk XXXIV.Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst.X.[139]8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor juist volmaakt hij zijne grootheid.8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”: „Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)[141][Inhoud]Hoofdstuk XXXV.1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie van Tao kan bevatten.2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en vrede brengen.3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling op.4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en hooren Het niet[140]genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is onuitputtelijk.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVI.1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk expansie hebben gehad.2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben gehad.3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn geweest.4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig eerst gegeven zijn.5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.Hoofdstuk XXXVI.6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het harde overwint.7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan niet buiten Tao gaan”.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVII.Hoofdstuk XXXVII.1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.[142]2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen zich hervormen.1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with Hegels theses of the development[143]of the Idea, in itself, and for itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher has formulated for the West the same conceptions which are here instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through cognition of the universal, as rare as it is admirable”.3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.4. Het simpele Wezen dat geen naam heeftbevrijdtons van begeerte, en, vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.[144]4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte, en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.[145]
TAO TEH KING.[74]Eerste Deel: Tao.
[74]
[Inhoud]Hoofdstuk I.Hoofdstuk I.1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.1. Dat het tweede Tao in den chineeschen tekst van den eersten zin „zeggen” beteekent wordt bevestigd door meer dan één chineeschen commentator, door het te omschrijven door „met den mond zeggen”.2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.2. Van iets, dat eeuwig en onvergankelijk is, kan natuurlijk niet gezegd worden dat het is of niet is, daar deze tegenstellingen alleen betrekking kunnen hebben op sterfelijke dingen.Als abstractie, te subtiel voor woorden, zou men het kunnen noemen: „het Begin van Hemel en Aarde”, en, beschouwd met betrekking tot zijn oorsprong van alle dingen, als Zijn, kan men het noemen: „de Moeder van alle Dingen”.3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan men er enkel den begrensden Vorm van zien.[76]4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben verschillenden naam.5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel geheimzinnig.6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.3. „Niet zijn” (Wu Yiu) beteekent hier „vrij zijn van alle aardsche begeerten” en „zijn” beteekent hier „in aardsche begeerte zijn”.[77][Inhoud]Hoofdstuk II.Hoofdstuk II.1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het„leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt het „slechte” voor den dag.2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en[78]de Stem harmoniëeren wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen), en hij begaat de leer zonder woorden.7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet van hem weg.1. De hoofdbedoeling van dit hoofdstuk is aan te toonen, dat alle dingen alleen gekend worden door hunne contrasten.Lao Tszʼ vond het gevaarlijk, het „goed” en „mooi” vinden, want goed en mooi moeten dat van-zelf zijn. De mensch moet „mooi” en „goed” vergeten, en van-zelf „Wu Wei” zijn, volgens het natuurlijke rythme, hem door Tao gegeven.Aan het slot heb ik eenige teksten onvertaald gelaten, omdat ik niet kan vermoeden wat zij beteekenen, en ook geen der bestaande versies aannemelijk acht. En er maar iets van maken wilde ik niet.[79][Inhoud]Hoofdstuk III.1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal het volk geen diefstal plegen.3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet in verwarring komen.4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.Hoofdstuk III.5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten heeft.[80]6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet durven ageeren.5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”[81]7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed) regeert.7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn juisten gang.—Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de„Imitation de Jésus Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)[Inhoud]Hoofdstuk IV.1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den oppersten God).[Inhoud]Hoofdstuk V.Hoofdstuk V.1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen als de strooien honden (voor de offering).[82]1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn natuurlijken gang gaan. Daarom[83]gaat het niet aan, te veronderstellen, dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele wezens zouden hebben.2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de strooien honden (voor de offering).2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en niet nog eens apart den een boven den ander.3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en (toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind) er uitkomt.3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt, hoe meer kracht het voortbrengt.4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden te bewaren.4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoofdstuk VI.1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke Moeder.1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid. Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en Aarde.3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te blijven bestaan.[84]2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn, dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—[85]4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—[Inhoud]Hoofdstuk VII.Hoofdstuk VII.1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan (van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met het doel, toch vooralvoor zichzelfte zorgen.2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf (juist) de eerste.2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan vanzelf al vér vóór de anderen.3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam (juist) behouden.4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van „zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost, heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute, toch eigenlijk volmaakt.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.1. De opperste Goedheid is als water.Hoofdstuk VIII.2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.[86]4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.[87]5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid” liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in hem te laken.6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Hoofdstuk IX.1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in ’t geheel geen te dragen.1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar) te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen blijven.[88]3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar niet kunnen behouden.2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen beteekenen „zal menzichzelfniet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal men zich wonden.”[89]4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn ongeluk na zich sleepen.4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar Tao.Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van „letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”[Inhoud]Hoofdstuk X.Hoofdstuk X.1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is (tusschen wereldsche dingen).1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik, hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en als een pasgeboren kind.3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van alle moreele gebreken.[90]4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en losbandigheid.Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het spiritueele.[91]5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl de processen van de natuur voortgaan.6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op de juiste tijden gedaan.7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun Meester.Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de Wijze.[Inhoud]Hoofdstuk XI.Hoofdstuk XI.1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige ruimte (binnen in) is zij van nut.[92]3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen door de ledige ruimte zijn zij van nut.4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt: „This chapter is beneath contempt.”De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities[93]zegt nog van den laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel” en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig bestaat.”[Inhoud]Hoofdstuk XII.Hoofdstuk XII.1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling. Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke daden.1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en yü.”De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne oogen.[94]3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van belemmerende affecties.”[95]4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.4. Men vergelijke Thomas à Kempis„Imitation de Jésus Christ”: „Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Hoofdstuk XIII.1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is als een groote ramp.1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin: „geëerdheiden groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve (d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van ziel) is zonder glorie of vernedering.”2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie? Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men: hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat het misschien nooit weer beter kan worden.3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.[96]3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.[97]4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan hebben?4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten, dit is de reëele enTszʼJan (van-zelve) toestand van den Hemel”.5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de regeering van het rijk opdragen.5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’ beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de Vorst, het lichaam is het rijk.”[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hoofdstuk XIV.1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos (I).Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk (Wei).1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi” en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.3. Daarom, zij smelten samen tot één.2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken, omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft geen schaduw).[98]4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch schaduw hebben.[99]5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert terugtothet Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele beeld, den éénigen reëelen vorm.6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij ziet niet Zijn einde.6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad van Tao in handen.7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen leven en dood is, dat er geen leven en dood alsreëeledingen bestaan. Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat, vermindert of vermeerdert.[Inhoud]Hoofdstuk XV.Hoofdstuk XV.1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden, (als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó diep, dat het niet is te begrijpen.[100]2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er een beeld van te geven.1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de gewone[101]menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in alles door.3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in dennatuurlijkenstaat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet boven hun gewone dingen trachten te verheffen.4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig betrachte kalmte?4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en alleen rust en kalmte houden haar rein.5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.[102]5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet uitgeput worden.”[103]De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XVI.Hoofdstuk XVI.1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene onvergankelijke rust.2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder terugkeeren.3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot zijn Oorsprong.1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find immovable rest”.„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis) van onze natuur” (Julien).4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals hetoorspronkelijkis, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging ontstaat uit en is geworteld in rust.6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.[104]6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.[105]7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder onderscheid zijne weldaden te verspreiden.8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen gevaar (meer te duchten).8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan. Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta: „Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is known as the nature of every thought, than immortality is known”.[Inhoud]Hoofdstuk XVII.Hoofdstuk XVII.1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij bestonden.1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan), zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.3. Die dáárna kwamen, vreesde het.4. Die dáárna kwamen, verachtte het.[106]2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz. enz.[107]5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen niet.6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”, vanzelf.[Inhoud]Hoofdstuk XVIII.Hoofdstuk XVIII.1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid.1. Toen het volk nog in Tao leefde was ervanzelfliefde van de menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de Huichelarij ontstond.Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, TheThsingen Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in verband dus met het vorige hoofdstuk).3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de Ts’zʼ.[108]3. Van ouds was ervanzelfharmonie in de familie (lett. staat er: „de zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao[109](liefde voor de ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of special virtues is the consciousness of self, the absence of spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by formulas and prescriptions.”[Inhoud]Hoofdstuk XIX.1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk honderdmaal meer gelukkig zijn.2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen.4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen (oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.[110]Hoofdstuk XIX.In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn oorspronkelijken natuurstaat te behouden.In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs, filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de „Imitation de Jésus Christ.”O.a.„L’humbleconnaissancede toi-même est une voie plussûrepour aller à Dieu que les profondes enquêtes de la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle, insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de gelijkenis met Hoofdstuk 2 uithetzelfdeboek. O.a. „Tout homme désire naturellement savoir; mais la science, sans la[111]crainte de Dieu, que produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende HoofdstukXX.[Inhoud]Hoofdstuk XX.1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde aan!4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.Hoofdstuk XX.5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter „poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is gebroken”.6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles) verloren heeft. Ik[112]heb het hart van een domme, ik ben een chaos van verwarring.7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven heen en weêrgedreven, als rusteloos.8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als iemand van het land.6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren, maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb[113]een chaos van verwarring”, daar „tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward” (Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met „dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder vereer, die alles voedt (Tao).9. Dit correspondeert met in Hfdst.I: „Als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller dingen”.Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.[Inhoud]Hoofdstuk XXI.Hoofdstuk XXI.1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie van Tao.Ziehier de natuur van Tao.[114]1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao heeft geen[115]lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ You).2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!… Hoe vaag!… En (toch) bevat het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!… Hoe verward!… En (toch) bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale, mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft geboorte aan de geheele creatie.4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft? Door Tao zelf.3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort. Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het leven te gaan.”[Inhoud]Hoofdstuk XXII.1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden. Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.Hoofdstuk XXII.2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het voorbeeld van de wereld.4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij verlicht. Hij wenscht niet zelf[116]de ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in de wereld die tegen hem op kan.2. „Het” is hier Tao.[117]5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft, onderwerpt zich alles aan hem.5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.[Inhoud]Hoofdstuk XXIII.Hoofdstuk XXIII.1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te minder dan de mensch!3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan de[118]Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de Misdaad worden.4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de Misdaad.1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, overConfucius, zeide, is Tszʼ Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ gelijk is aan Wu Wei.[119]5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet waarschijnlijk vind.[121][Inhoud]Hoofdstuk XXIV.1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de beenen ver uitstrekt kan niet loopen.2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet superieur.3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke dingen, die altijd verafschuwd worden.4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.[120][Inhoud]Hoofdstuk XXV.1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.Hoofdstuk XXV.2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En „liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.6. Ik weet niet Zijnen naam.7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.9. Van groot noem ik Het vervliedend.6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg” of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een chineesch schriftteeken.”10. Van vervliedend noem ik Het vèr.11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de Koning is groot.[122]13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één van.10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat, als in de grieksche werkwoordenτηλέπορος,μακροπορος(Julien).[123]14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus niet buiten Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XXVI.Hoofdstuk XXVI.1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust isOverheerservan de beweging.2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke Wezen van het hart”.3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust, en gaat er vér van.3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om zich zelf.5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te laten medesleepen verliest hij de heerschappij.4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het hart” in.[Inhoud]Hoofdstuk XXVII.Hoofdstuk XXVII.Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van chineesche als europeesche zijden,[125]tot de meest verschillende en uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen[124]bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei (onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er figuurlijk, is onvernietigbaar.Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband met het vorige.3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de leermeester van den goede.4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”, eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”, vertaald, op gezag van Shun Yang.[Inhoud]Hoofdstuk XXVIII.Hoofdstuk XXVIII.1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid behoudt, is de vallei van het rijk.[126]2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een kind.3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het voorbeeld voor het rijk.4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van het rijk.6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken, simpelen staat terugkeeren.7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de dingen gevormd.8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der mandarijnen zijn.9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in uitstort.[127][Inhoud]Hoofdstuk XXIX.Hoofdstuk XXIX.1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt.[128]2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan verliest men haar.1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf, natuurlijk uit Tao[129]voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i. in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering mogelijk.4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die bewegen en die stilstaan.5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de buitensporigheid.4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.[131][Inhoud]Hoofdstuk XXX.1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het rijk niet met geweld van wapenen.2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als het gegeven is.3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan.[130]6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.[Inhoud]Hoofdstuk XXXI.1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet mede op.Hoofdstuk XXXI.3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats, hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün Tszʼ.[132]5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de rust zijn voor hem het hoogste.3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De gast zit ter linkerzijde van den gastheer.[133]6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk.8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter.10. Dat is, menplaatsthen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen rouwen en weenen.6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar „vindt hij het niet mooi”.12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden.12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende de ceremonieën der dooden verrichten.[Inhoud]Hoofdstuk XXXII.Hoofdstuk XXXII.1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het niet te onderwerpen.[134]1. Zie de noot bij Hfdst.XXV6 en 7.[135]3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen (d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.8. Tao is verspreid in het Heelal.9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en zeeën.[136]6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz. laten medesleepen.De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende, geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3 in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor „het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao” ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het hart dan de gastheer, de[137]Meester is over alle wezens en dingen in de creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in ’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.[Inhoud]Hoofdstuk XXXIII.1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf kent, is verlicht.2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf overwint, is almachtig.3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is, heeft kracht van wil.Hoofdstuk XXXIII.4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven, maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurend leven.4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal lang leven.De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar de ziel blijft altijd.”[Inhoud]Hoofdstuk XXXIV.1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert géén.[138]4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet als hun Meester.6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen noemen.7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.Hoofdstuk XXXIV.Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst.X.[139]8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor juist volmaakt hij zijne grootheid.8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”: „Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)[141][Inhoud]Hoofdstuk XXXV.1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie van Tao kan bevatten.2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en vrede brengen.3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling op.4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en hooren Het niet[140]genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is onuitputtelijk.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVI.1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk expansie hebben gehad.2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben gehad.3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn geweest.4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig eerst gegeven zijn.5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.Hoofdstuk XXXVI.6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het harde overwint.7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan niet buiten Tao gaan”.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVII.Hoofdstuk XXXVII.1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.[142]2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen zich hervormen.1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with Hegels theses of the development[143]of the Idea, in itself, and for itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher has formulated for the West the same conceptions which are here instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through cognition of the universal, as rare as it is admirable”.3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.4. Het simpele Wezen dat geen naam heeftbevrijdtons van begeerte, en, vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.[144]4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte, en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.[145]
[Inhoud]Hoofdstuk I.Hoofdstuk I.1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.1. Dat het tweede Tao in den chineeschen tekst van den eersten zin „zeggen” beteekent wordt bevestigd door meer dan één chineeschen commentator, door het te omschrijven door „met den mond zeggen”.2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.2. Van iets, dat eeuwig en onvergankelijk is, kan natuurlijk niet gezegd worden dat het is of niet is, daar deze tegenstellingen alleen betrekking kunnen hebben op sterfelijke dingen.Als abstractie, te subtiel voor woorden, zou men het kunnen noemen: „het Begin van Hemel en Aarde”, en, beschouwd met betrekking tot zijn oorsprong van alle dingen, als Zijn, kan men het noemen: „de Moeder van alle Dingen”.3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan men er enkel den begrensden Vorm van zien.[76]4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben verschillenden naam.5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel geheimzinnig.6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.3. „Niet zijn” (Wu Yiu) beteekent hier „vrij zijn van alle aardsche begeerten” en „zijn” beteekent hier „in aardsche begeerte zijn”.[77]
1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.
1. Dat het tweede Tao in den chineeschen tekst van den eersten zin „zeggen” beteekent wordt bevestigd door meer dan één chineeschen commentator, door het te omschrijven door „met den mond zeggen”.
2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.
2. Van iets, dat eeuwig en onvergankelijk is, kan natuurlijk niet gezegd worden dat het is of niet is, daar deze tegenstellingen alleen betrekking kunnen hebben op sterfelijke dingen.
Als abstractie, te subtiel voor woorden, zou men het kunnen noemen: „het Begin van Hemel en Aarde”, en, beschouwd met betrekking tot zijn oorsprong van alle dingen, als Zijn, kan men het noemen: „de Moeder van alle Dingen”.
3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan men er enkel den begrensden Vorm van zien.[76]
4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben verschillenden naam.
5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel geheimzinnig.
6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.
3. „Niet zijn” (Wu Yiu) beteekent hier „vrij zijn van alle aardsche begeerten” en „zijn” beteekent hier „in aardsche begeerte zijn”.[77]
[Inhoud]Hoofdstuk II.Hoofdstuk II.1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het„leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt het „slechte” voor den dag.2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en[78]de Stem harmoniëeren wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen), en hij begaat de leer zonder woorden.7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet van hem weg.1. De hoofdbedoeling van dit hoofdstuk is aan te toonen, dat alle dingen alleen gekend worden door hunne contrasten.Lao Tszʼ vond het gevaarlijk, het „goed” en „mooi” vinden, want goed en mooi moeten dat van-zelf zijn. De mensch moet „mooi” en „goed” vergeten, en van-zelf „Wu Wei” zijn, volgens het natuurlijke rythme, hem door Tao gegeven.Aan het slot heb ik eenige teksten onvertaald gelaten, omdat ik niet kan vermoeden wat zij beteekenen, en ook geen der bestaande versies aannemelijk acht. En er maar iets van maken wilde ik niet.[79]
1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het„leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt het „slechte” voor den dag.
2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.
3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en[78]de Stem harmoniëeren wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.
4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen), en hij begaat de leer zonder woorden.
7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet van hem weg.
1. De hoofdbedoeling van dit hoofdstuk is aan te toonen, dat alle dingen alleen gekend worden door hunne contrasten.
Lao Tszʼ vond het gevaarlijk, het „goed” en „mooi” vinden, want goed en mooi moeten dat van-zelf zijn. De mensch moet „mooi” en „goed” vergeten, en van-zelf „Wu Wei” zijn, volgens het natuurlijke rythme, hem door Tao gegeven.
Aan het slot heb ik eenige teksten onvertaald gelaten, omdat ik niet kan vermoeden wat zij beteekenen, en ook geen der bestaande versies aannemelijk acht. En er maar iets van maken wilde ik niet.[79]
[Inhoud]Hoofdstuk III.1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal het volk geen diefstal plegen.3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet in verwarring komen.4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.Hoofdstuk III.5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten heeft.[80]6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet durven ageeren.5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”[81]7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed) regeert.7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn juisten gang.—Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de„Imitation de Jésus Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)
1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.
2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal het volk geen diefstal plegen.
3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet in verwarring komen.
4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.
5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten heeft.[80]
6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet durven ageeren.
5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”[81]
7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed) regeert.
7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn juisten gang.—
Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de„Imitation de Jésus Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)
[Inhoud]Hoofdstuk IV.1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den oppersten God).
1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.
2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.
3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.
4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.
5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den oppersten God).
[Inhoud]Hoofdstuk V.Hoofdstuk V.1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen als de strooien honden (voor de offering).[82]1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn natuurlijken gang gaan. Daarom[83]gaat het niet aan, te veronderstellen, dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele wezens zouden hebben.2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de strooien honden (voor de offering).2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en niet nog eens apart den een boven den ander.3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en (toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind) er uitkomt.3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt, hoe meer kracht het voortbrengt.4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden te bewaren.4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.
1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen als de strooien honden (voor de offering).[82]
1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn natuurlijken gang gaan. Daarom[83]gaat het niet aan, te veronderstellen, dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele wezens zouden hebben.
2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de strooien honden (voor de offering).
2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en niet nog eens apart den een boven den ander.
3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en (toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind) er uitkomt.
3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt, hoe meer kracht het voortbrengt.
4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden te bewaren.
4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoofdstuk VI.1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke Moeder.1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid. Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en Aarde.3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te blijven bestaan.[84]2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn, dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—[85]4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—
1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke Moeder.
1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid. Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.
2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en Aarde.
3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te blijven bestaan.[84]
2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn, dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—[85]
4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.
4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Hoofdstuk VII.1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan (van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met het doel, toch vooralvoor zichzelfte zorgen.2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf (juist) de eerste.2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan vanzelf al vér vóór de anderen.3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam (juist) behouden.4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van „zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost, heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute, toch eigenlijk volmaakt.
1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.
1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan (van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met het doel, toch vooralvoor zichzelfte zorgen.
2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf (juist) de eerste.
2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan vanzelf al vér vóór de anderen.
3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam (juist) behouden.
4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?
3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van „zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.
5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.
5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost, heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute, toch eigenlijk volmaakt.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.1. De opperste Goedheid is als water.Hoofdstuk VIII.2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.[86]4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.[87]5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid” liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in hem te laken.6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.
1. De opperste Goedheid is als water.
2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.
3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.[86]
4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.
2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.[87]
5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.
5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid” liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.
6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in hem te laken.
6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.
[Inhoud]Hoofdstuk IX.Hoofdstuk IX.1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in ’t geheel geen te dragen.1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar) te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen blijven.[88]3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar niet kunnen behouden.2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen beteekenen „zal menzichzelfniet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal men zich wonden.”[89]4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn ongeluk na zich sleepen.4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar Tao.Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van „letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”
1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in ’t geheel geen te dragen.
1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar) te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.
2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen blijven.[88]
3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar niet kunnen behouden.
2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen beteekenen „zal menzichzelfniet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal men zich wonden.”[89]
4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn ongeluk na zich sleepen.
4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”
5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.
5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar Tao.
Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van „letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”
[Inhoud]Hoofdstuk X.Hoofdstuk X.1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is (tusschen wereldsche dingen).1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik, hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en als een pasgeboren kind.3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van alle moreele gebreken.[90]4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en losbandigheid.Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het spiritueele.[91]5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl de processen van de natuur voortgaan.6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op de juiste tijden gedaan.7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun Meester.Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de Wijze.
1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is (tusschen wereldsche dingen).
1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik, hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.
2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en als een pasgeboren kind.
3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van alle moreele gebreken.[90]
4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.
2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en losbandigheid.
Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het spiritueele.[91]
5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl de processen van de natuur voortgaan.
6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.
5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op de juiste tijden gedaan.
7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun Meester.
Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.
7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de Wijze.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Hoofdstuk XI.1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige ruimte (binnen in) is zij van nut.[92]3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen door de ledige ruimte zijn zij van nut.4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt: „This chapter is beneath contempt.”De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities[93]zegt nog van den laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel” en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig bestaat.”
1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.
1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).
2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige ruimte (binnen in) is zij van nut.[92]
3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen door de ledige ruimte zijn zij van nut.
4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.
2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt: „This chapter is beneath contempt.”
De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities[93]zegt nog van den laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel” en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig bestaat.”
[Inhoud]Hoofdstuk XII.Hoofdstuk XII.1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling. Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke daden.1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en yü.”De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne oogen.[94]3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van belemmerende affecties.”[95]4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.4. Men vergelijke Thomas à Kempis„Imitation de Jésus Christ”: „Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)
1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.
2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling. Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke daden.
1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.
„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en yü.”
De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”
3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne oogen.[94]
3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van belemmerende affecties.”[95]
4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.
4. Men vergelijke Thomas à Kempis„Imitation de Jésus Christ”: „Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)
[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Hoofdstuk XIII.1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is als een groote ramp.1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin: „geëerdheiden groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve (d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van ziel) is zonder glorie of vernedering.”2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie? Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men: hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat het misschien nooit weer beter kan worden.3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.[96]3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.[97]4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan hebben?4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten, dit is de reëele enTszʼJan (van-zelve) toestand van den Hemel”.5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de regeering van het rijk opdragen.5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’ beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de Vorst, het lichaam is het rijk.”
1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is als een groote ramp.
1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin: „geëerdheiden groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve (d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van ziel) is zonder glorie of vernedering.”
2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie? Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men: hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.
2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat het misschien nooit weer beter kan worden.
3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.[96]
3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.[97]
4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan hebben?
4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten, dit is de reëele enTszʼJan (van-zelve) toestand van den Hemel”.
5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de regeering van het rijk opdragen.
5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’ beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de Vorst, het lichaam is het rijk.”
[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hoofdstuk XIV.1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos (I).Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk (Wei).1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi” en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.3. Daarom, zij smelten samen tot één.2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken, omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft geen schaduw).[98]4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch schaduw hebben.[99]5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert terugtothet Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele beeld, den éénigen reëelen vorm.6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij ziet niet Zijn einde.6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad van Tao in handen.7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen leven en dood is, dat er geen leven en dood alsreëeledingen bestaan. Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat, vermindert of vermeerdert.
1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos (I).
Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).
Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk (Wei).
1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi” en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”
2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.
3. Daarom, zij smelten samen tot één.
2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken, omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.
4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft geen schaduw).[98]
4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch schaduw hebben.[99]
5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert terugtothet Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).
5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele beeld, den éénigen reëelen vorm.
6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij ziet niet Zijn einde.
6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.
7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad van Tao in handen.
7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen leven en dood is, dat er geen leven en dood alsreëeledingen bestaan. Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat, vermindert of vermeerdert.
[Inhoud]Hoofdstuk XV.Hoofdstuk XV.1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden, (als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó diep, dat het niet is te begrijpen.[100]2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er een beeld van te geven.1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de gewone[101]menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in alles door.3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in dennatuurlijkenstaat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet boven hun gewone dingen trachten te verheffen.4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig betrachte kalmte?4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en alleen rust en kalmte houden haar rein.5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.[102]5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet uitgeput worden.”[103]De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in Tao.
1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden, (als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó diep, dat het niet is te begrijpen.[100]
2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er een beeld van te geven.
1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de gewone[101]menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in alles door.
3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.
3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in dennatuurlijkenstaat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet boven hun gewone dingen trachten te verheffen.
4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?
Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig betrachte kalmte?
4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en alleen rust en kalmte houden haar rein.
5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.[102]
5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet uitgeput worden.”[103]
De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in Tao.
[Inhoud]Hoofdstuk XVI.Hoofdstuk XVI.1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene onvergankelijke rust.2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder terugkeeren.3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot zijn Oorsprong.1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find immovable rest”.„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis) van onze natuur” (Julien).4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals hetoorspronkelijkis, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging ontstaat uit en is geworteld in rust.6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.[104]6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.[105]7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder onderscheid zijne weldaden te verspreiden.8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen gevaar (meer te duchten).8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan. Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta: „Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is known as the nature of every thought, than immortality is known”.
1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene onvergankelijke rust.
2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder terugkeeren.
3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot zijn Oorsprong.
1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find immovable rest”.
„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis) van onze natuur” (Julien).
4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.
5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.
4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals hetoorspronkelijkis, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging ontstaat uit en is geworteld in rust.
6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.[104]
6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.[105]
7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.
7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder onderscheid zijne weldaden te verspreiden.
8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen gevaar (meer te duchten).
8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan. Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta: „Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is known as the nature of every thought, than immortality is known”.
[Inhoud]Hoofdstuk XVII.Hoofdstuk XVII.1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij bestonden.1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan), zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.3. Die dáárna kwamen, vreesde het.4. Die dáárna kwamen, verachtte het.[106]2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz. enz.[107]5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen niet.6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”, vanzelf.
1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij bestonden.
1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan), zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.
2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.
3. Die dáárna kwamen, vreesde het.
4. Die dáárna kwamen, verachtte het.[106]
2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz. enz.[107]
5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen niet.
6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.
5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.
7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.
7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”, vanzelf.
[Inhoud]Hoofdstuk XVIII.Hoofdstuk XVIII.1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid.1. Toen het volk nog in Tao leefde was ervanzelfliefde van de menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de Huichelarij ontstond.Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, TheThsingen Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in verband dus met het vorige hoofdstuk).3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de Ts’zʼ.[108]3. Van ouds was ervanzelfharmonie in de familie (lett. staat er: „de zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao[109](liefde voor de ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of special virtues is the consciousness of self, the absence of spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by formulas and prescriptions.”
1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid.
1. Toen het volk nog in Tao leefde was ervanzelfliefde van de menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.
2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.
2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de Huichelarij ontstond.
Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, TheThsingen Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in verband dus met het vorige hoofdstuk).
3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de Ts’zʼ.[108]
3. Van ouds was ervanzelfharmonie in de familie (lett. staat er: „de zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao[109](liefde voor de ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.
4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.
4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of special virtues is the consciousness of self, the absence of spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by formulas and prescriptions.”
[Inhoud]Hoofdstuk XIX.1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk honderdmaal meer gelukkig zijn.2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen.4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen (oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.[110]Hoofdstuk XIX.In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn oorspronkelijken natuurstaat te behouden.In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs, filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de „Imitation de Jésus Christ.”O.a.„L’humbleconnaissancede toi-même est une voie plussûrepour aller à Dieu que les profondes enquêtes de la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle, insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de gelijkenis met Hoofdstuk 2 uithetzelfdeboek. O.a. „Tout homme désire naturellement savoir; mais la science, sans la[111]crainte de Dieu, que produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende HoofdstukXX.
1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk honderdmaal meer gelukkig zijn.
2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.
3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen.
4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.
5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen (oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.[110]
In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn oorspronkelijken natuurstaat te behouden.
In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs, filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.
Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de „Imitation de Jésus Christ.”O.a.„L’humbleconnaissancede toi-même est une voie plussûrepour aller à Dieu que les profondes enquêtes de la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle, insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de gelijkenis met Hoofdstuk 2 uithetzelfdeboek. O.a. „Tout homme désire naturellement savoir; mais la science, sans la[111]crainte de Dieu, que produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende HoofdstukXX.
[Inhoud]Hoofdstuk XX.1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde aan!4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.Hoofdstuk XX.5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter „poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is gebroken”.6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles) verloren heeft. Ik[112]heb het hart van een domme, ik ben een chaos van verwarring.7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven heen en weêrgedreven, als rusteloos.8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als iemand van het land.6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren, maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb[113]een chaos van verwarring”, daar „tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward” (Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met „dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder vereer, die alles voedt (Tao).9. Dit correspondeert met in Hfdst.I: „Als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller dingen”.Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.
1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.
2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.
3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde aan!
4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.
5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.
5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter „poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is gebroken”.
6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles) verloren heeft. Ik[112]heb het hart van een domme, ik ben een chaos van verwarring.
7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven heen en weêrgedreven, als rusteloos.
8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als iemand van het land.
6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren, maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb[113]een chaos van verwarring”, daar „tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward” (Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met „dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.
9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder vereer, die alles voedt (Tao).
9. Dit correspondeert met in Hfdst.I: „Als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller dingen”.
Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.
[Inhoud]Hoofdstuk XXI.Hoofdstuk XXI.1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie van Tao.Ziehier de natuur van Tao.[114]1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao heeft geen[115]lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ You).2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!… Hoe vaag!… En (toch) bevat het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!… Hoe verward!… En (toch) bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale, mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft geboorte aan de geheele creatie.4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft? Door Tao zelf.3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort. Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het leven te gaan.”
1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie van Tao.
Ziehier de natuur van Tao.[114]
1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao heeft geen[115]lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ You).
2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!… Hoe vaag!… En (toch) bevat het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!… Hoe verward!… En (toch) bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).
2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale, mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.
Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.
De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.
3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft geboorte aan de geheele creatie.
4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft? Door Tao zelf.
3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort. Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het leven te gaan.”
[Inhoud]Hoofdstuk XXII.1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden. Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.Hoofdstuk XXII.2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het voorbeeld van de wereld.4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij verlicht. Hij wenscht niet zelf[116]de ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in de wereld die tegen hem op kan.2. „Het” is hier Tao.[117]5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft, onderwerpt zich alles aan hem.5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.
1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden. Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.
2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.
3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het voorbeeld van de wereld.
4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij verlicht. Hij wenscht niet zelf[116]de ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in de wereld die tegen hem op kan.
2. „Het” is hier Tao.[117]
5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft, onderwerpt zich alles aan hem.
5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.
[Inhoud]Hoofdstuk XXIII.Hoofdstuk XXIII.1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te minder dan de mensch!3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan de[118]Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de Misdaad worden.4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de Misdaad.1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, overConfucius, zeide, is Tszʼ Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ gelijk is aan Wu Wei.[119]5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet waarschijnlijk vind.[121]
1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).
2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te minder dan de mensch!
3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan de[118]Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de Misdaad worden.
4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de Misdaad.
1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, overConfucius, zeide, is Tszʼ Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ gelijk is aan Wu Wei.[119]
5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.
5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet waarschijnlijk vind.[121]
[Inhoud]Hoofdstuk XXIV.1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de beenen ver uitstrekt kan niet loopen.2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet superieur.3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke dingen, die altijd verafschuwd worden.4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.[120]
1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de beenen ver uitstrekt kan niet loopen.
2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet superieur.
3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke dingen, die altijd verafschuwd worden.
4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.[120]
[Inhoud]Hoofdstuk XXV.1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.Hoofdstuk XXV.2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En „liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.6. Ik weet niet Zijnen naam.7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.9. Van groot noem ik Het vervliedend.6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg” of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een chineesch schriftteeken.”10. Van vervliedend noem ik Het vèr.11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de Koning is groot.[122]13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één van.10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat, als in de grieksche werkwoordenτηλέπορος,μακροπορος(Julien).[123]14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus niet buiten Tao.
1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.
2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!
3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.
2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En „liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.
4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.
4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).
5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.
5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.
6. Ik weet niet Zijnen naam.
7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.
8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.
9. Van groot noem ik Het vervliedend.
6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg” of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een chineesch schriftteeken.”
10. Van vervliedend noem ik Het vèr.
11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.
12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de Koning is groot.[122]
13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één van.
10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat, als in de grieksche werkwoordenτηλέπορος,μακροπορος(Julien).[123]
14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.
15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.
14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus niet buiten Tao.
[Inhoud]Hoofdstuk XXVI.Hoofdstuk XXVI.1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust isOverheerservan de beweging.2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke Wezen van het hart”.3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust, en gaat er vér van.3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om zich zelf.5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te laten medesleepen verliest hij de heerschappij.4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het hart” in.
1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust isOverheerservan de beweging.
2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.
1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke Wezen van het hart”.
3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust, en gaat er vér van.
3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.
4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om zich zelf.
5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te laten medesleepen verliest hij de heerschappij.
4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het hart” in.
[Inhoud]Hoofdstuk XXVII.Hoofdstuk XXVII.Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van chineesche als europeesche zijden,[125]tot de meest verschillende en uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen[124]bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei (onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er figuurlijk, is onvernietigbaar.Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband met het vorige.3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de leermeester van den goede.4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”, eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”, vertaald, op gezag van Shun Yang.
Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van chineesche als europeesche zijden,[125]tot de meest verschillende en uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.
1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen[124]bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).
1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei (onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er figuurlijk, is onvernietigbaar.
Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.
2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.
2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband met het vorige.
3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de leermeester van den goede.
4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.
3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”, eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”, vertaald, op gezag van Shun Yang.
[Inhoud]Hoofdstuk XXVIII.Hoofdstuk XXVIII.1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid behoudt, is de vallei van het rijk.[126]2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een kind.3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het voorbeeld voor het rijk.4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van het rijk.6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken, simpelen staat terugkeeren.7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de dingen gevormd.8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der mandarijnen zijn.9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in uitstort.[127]
1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid behoudt, is de vallei van het rijk.[126]
2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een kind.
3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het voorbeeld voor het rijk.
4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.
5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van het rijk.
6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken, simpelen staat terugkeeren.
7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de dingen gevormd.
8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der mandarijnen zijn.
9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.
1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in uitstort.[127]
[Inhoud]Hoofdstuk XXIX.Hoofdstuk XXIX.1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt.[128]2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan verliest men haar.1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf, natuurlijk uit Tao[129]voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i. in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering mogelijk.4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die bewegen en die stilstaan.5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de buitensporigheid.4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.[131]
1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt.[128]
2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.
3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan verliest men haar.
1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf, natuurlijk uit Tao[129]voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i. in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering mogelijk.
4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die bewegen en die stilstaan.
5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de buitensporigheid.
4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.[131]
[Inhoud]Hoofdstuk XXX.1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het rijk niet met geweld van wapenen.2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als het gegeven is.3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan.[130]6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.
1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het rijk niet met geweld van wapenen.
2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als het gegeven is.
3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.
4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.
5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan.[130]
6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.
7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.
8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.
9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.
10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.
11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.
[Inhoud]Hoofdstuk XXXI.1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet mede op.Hoofdstuk XXXI.3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats, hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün Tszʼ.[132]5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de rust zijn voor hem het hoogste.3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De gast zit ter linkerzijde van den gastheer.[133]6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk.8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter.10. Dat is, menplaatsthen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen rouwen en weenen.6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar „vindt hij het niet mooi”.12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden.12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende de ceremonieën der dooden verrichten.
1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.
2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet mede op.
3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats, hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.
4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün Tszʼ.[132]
5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de rust zijn voor hem het hoogste.
3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De gast zit ter linkerzijde van den gastheer.[133]
6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.
7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk.
8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.
9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter.
10. Dat is, menplaatsthen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.
11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen rouwen en weenen.
6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar „vindt hij het niet mooi”.
12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden.
12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende de ceremonieën der dooden verrichten.
[Inhoud]Hoofdstuk XXXII.Hoofdstuk XXXII.1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het niet te onderwerpen.[134]1. Zie de noot bij Hfdst.XXV6 en 7.[135]3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen (d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.8. Tao is verspreid in het Heelal.9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en zeeën.[136]6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz. laten medesleepen.De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende, geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3 in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor „het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao” ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het hart dan de gastheer, de[137]Meester is over alle wezens en dingen in de creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in ’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.
1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.
2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het niet te onderwerpen.[134]
1. Zie de noot bij Hfdst.XXV6 en 7.[135]
3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.
4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.
3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen (d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”
5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.
5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.
6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.
7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.
8. Tao is verspreid in het Heelal.
9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en zeeën.[136]
6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz. laten medesleepen.
De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende, geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3 in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor „het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao” ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het hart dan de gastheer, de[137]Meester is over alle wezens en dingen in de creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in ’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.
[Inhoud]Hoofdstuk XXXIII.1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf kent, is verlicht.2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf overwint, is almachtig.3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is, heeft kracht van wil.Hoofdstuk XXXIII.4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven, maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurend leven.4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal lang leven.De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar de ziel blijft altijd.”
1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf kent, is verlicht.
2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf overwint, is almachtig.
3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is, heeft kracht van wil.
4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven, maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurend leven.
4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal lang leven.
De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar de ziel blijft altijd.”
[Inhoud]Hoofdstuk XXXIV.1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert géén.[138]4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet als hun Meester.6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen noemen.7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.Hoofdstuk XXXIV.Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst.X.[139]8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor juist volmaakt hij zijne grootheid.8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”: „Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)[141]
1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!
2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.
3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert géén.[138]
4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.
5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet als hun Meester.
6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen noemen.
7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.
Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst.X.[139]
8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor juist volmaakt hij zijne grootheid.
8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”: „Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)[141]
[Inhoud]Hoofdstuk XXXV.1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie van Tao kan bevatten.2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en vrede brengen.3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling op.4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en hooren Het niet[140]genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is onuitputtelijk.
1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie van Tao kan bevatten.
2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en vrede brengen.
3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling op.
4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.
5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en hooren Het niet[140]genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is onuitputtelijk.
[Inhoud]Hoofdstuk XXXVI.1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk expansie hebben gehad.2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben gehad.3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn geweest.4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig eerst gegeven zijn.5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.Hoofdstuk XXXVI.6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het harde overwint.7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan niet buiten Tao gaan”.
1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk expansie hebben gehad.
2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben gehad.
3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn geweest.
4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig eerst gegeven zijn.
5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.
6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.
6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het harde overwint.
7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.
7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan niet buiten Tao gaan”.
[Inhoud]Hoofdstuk XXXVII.Hoofdstuk XXXVII.1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.[142]2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen zich hervormen.1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with Hegels theses of the development[143]of the Idea, in itself, and for itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher has formulated for the West the same conceptions which are here instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through cognition of the universal, as rare as it is admirable”.3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.4. Het simpele Wezen dat geen naam heeftbevrijdtons van begeerte, en, vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.[144]4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte, en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.[145]
1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.[142]
2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen zich hervormen.
1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with Hegels theses of the development[143]of the Idea, in itself, and for itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher has formulated for the West the same conceptions which are here instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through cognition of the universal, as rare as it is admirable”.
3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.
3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.
4. Het simpele Wezen dat geen naam heeftbevrijdtons van begeerte, en, vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.
5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.[144]
4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte, en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.[145]