[Inhoud]Tweede Deel: Teh.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVIII.Hoofdstuk XXXVIII.Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh” verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet. Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is. Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk is geen geluk” correspondeert er mede.1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen Deugd.2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit, den naam voor het ding zelf.3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht” bijkomt, wordt het al onzuiver.4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er[146]is geen antwoord op. Zij wordt erkend door een beweging van den arm.4. Hier ga ik mede met de van alle anderen afwijkende[147]vertaling van Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en zichtbare gebaren.”5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid verloren is komt daarna het decorum.6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en het begin van verwarring.5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ) is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een boom.7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij verwerpt het eene en langt naar het andere.7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen, zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.[Inhoud]Hoofdstuk XXXIX.Hoofdstuk XXXIX.1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:[148]de Hemel, die puur is door de Eénheid.de Aarde, die in rust is door de Eénheid.de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun Eénheid.Dát heeft de Eénheid voortgebracht.2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te scheuren.Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te barsten.Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen van optehouden te bestaan.Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te verdrogen.Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te sterven.Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te worden gestooten.1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens en dingen hunne verschillende naturen[149]hebben te danken aan één ding, Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn, de Aarde niet in rust, enz. enz.3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het hooge heeft zijne grondvesten in het lage.[150]Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het ordinaire, en terecht?3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit bescheidenheid die lage titels[151]om te doen uitkomen, dat zij hun oorsprong hebben gehad in het volk.4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet veracht als (gewone) steen.4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.[Inhoud]Hoofdstuk XL.Hoofdstuk XL.1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).Zachtheid is Zijne functie.2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l. dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste levenswijsheid, is Wu Wei zijn.2. ZieInleidingen Hfdst.I.[153]2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz. enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen, zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige, slaat weer op Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XLI.1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk) ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren, lachen zij er[152]hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet zijn.2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui; zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao verborgen, en heeft geen naam.4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.[Inhoud]Hoofdstuk XLII.Hoofdstuk XLII.1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle dingen.Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur.[154]1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee, en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang (mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King”[155]leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo (als met een eerenaam).3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft zal vernederd worden.4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is een tekst apart.[Inhoud]Hoofdstuk XLIII.Hoofdstuk XLIII.1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan vernietigen.2. Hetimmaterieeledringt binnen in het ondoordringbare.[156]2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is”.[157]3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die niet uit de zuivere ziel komt.[Inhoud]Hoofdstuk XLIV.1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?Hoofdstuk XLIV.3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed verkwisten.[159]2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken, en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en daardoor kan ook niets hém overwinnen.3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de wereld”.[Inhoud]Hoofdstuk XLV.1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk[158]recht en lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en lijkt een stamelaar.2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.3. Hij die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van het rijk.[Inhoud]Hoofdstuk XLVI.Hoofdstuk XLVI.1. Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op het land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de krijgsrossen gefokt op de grenzen.2. Er is géén zoo groote misdaad als zich veel begeerten toe te staan; er isgéénzoo groot ongeluk als niet genoeg weten te hebben; er is géén zoo groote ramp als (altijd) maar te willen krijgen.3. Daarom, hij die genoeg weet te hebben, is altijd tevreden, naar ik meen.[160]1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.[161][Inhoud]Hoofdstuk XLVII.1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.2. Hoe verder gij uitgaat, hoe minder gij zult weten.3. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie.Hoofdstuk XLVII.Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen ziel”.[Inhoud]Hoofdstuk XLVIII.Hoofdstuk XLVIII.1. Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder en minder, tot Wu Wei bereikt is.1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens, begeerten, aardsche dingen krijgen.”2. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets wat men niet kan doen, naar ik meen.3. Door altijd niets te doen kan men over het Rijk meester worden. Maar door te doen is men niet in staat, meester te worden van het Rijk.[162]2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei (doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie, indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch gedoe van begeerten en verlangens”.[163][Inhoud]Hoofdstuk XLIX.Hoofdstuk XLIX.1. De Wijze heeft geen buitengewoon hart. Hij beschouwt het hart van het volk als het zijne.1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier ook in den zin van „gevoelens”.2. Ik ben voor de goeden goed. Voor de niet-goeden ben ik ook goed, om ze goed te maken. Ik geloof de oprechten. De niet-oprechten geloof ik ook, om ze oprecht te maken.2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh” verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel voorkomt, en die ook o.a. Gilese.a.en veel chineesche commentators maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.3. De wijze in de wereld is voortdurend in vreeze dat de wereld zijn hart in verwarring zal brengen.[164]3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward, vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme etsincère” voor „tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.[165]4. De ooren en oogen der honderd families zijn op hem gericht, en hij beschouwt hen als kinderen.4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.[Inhoud]Hoofdstuk L.1. De mensch komt uit het leven en gaat in den dood.Hoofdstuk L.2. Er zijn dertien dienaren van het leven en dertien dienaren van den dood.3. Als de mensch geboren is, bewegen hem ook al de dertien dienaren van den dood.2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen „oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid, zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en 13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ) zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond, de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de dertien zijn.4. Wat is hier toch wel de reden van? Dat hij te intens wil leven, en te veel vitaliteit verspilt.4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo zijn levenskracht verspillen”.5. Ik heb hooren zeggen, dat hij, die zijn leven weet te regeeren, zonder gevaar langs een weg kan gaan, waar rhinocerossen en tijgers zijn,[166]en in het leger kan treden zonder harnas of wapenen, want de rhinoceros zou geen plek kunnen vinden om zijn hoorn in te boren, de tijger geen plek om zijn klauwen in te slaan, de krijgsman geen plek om zijn zwaard in te steken.6. En hoe komt dat dan wel? Omdat hij niet blootgesteld is aan den dood.5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden, het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t spiritueele leeft, heeft[167]als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson vergelijkt deze regelen terecht metMarkus XVI, 18: „Slangen zullen zij (die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden”.[Inhoud]Hoofdstuk LI.Hoofdstuk LI.1. Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Teh (Zijne manifestatie in hen). Het vormt ze door Zijne substantie. Het volmaakt ze door Zijne impulsie.2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh hoogacht.3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.4. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze.1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als gemanifesteerd zijnde in de creatie.Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog eens goed te doen uitkomen wat Teh is.5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.[168]5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.[169]Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the supreme Soul”.[Inhoud]Hoofdstuk LII.Hoofdstuk LII.1. De wereld heeft een begin, dat werd de Moeder der wereld.1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.2. Als men de moeder bezit kent men daardoor hare kinderen. Als men hare kinderen kent en daarna de moeder behoudt, al sterft het lichaam weg, men heeft dan geen gevaar te duchten.2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.3. Hij, die zijn mond sluit, en zijne oogen en ooren dichtdoet, zal zijn geheele leven lang niet (behoeven te) tobben. Hij, die zijn mond opendoet, en zich druk gaat maken, is niet (meer) te redden.3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.4. Het kleine te zien heet verlicht zijn, zwakheid te handhaven heet sterk zijn.4. Het kleine, d.i. het subtiele.5. Als men gebruik maakt van de afschittering van Tao om daarna tot Zijn licht terug te keeren, heeft het lichaam geen ramp meer te vreezen.6. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.[170]5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar dubieus blijft het.[171][Inhoud]Hoofdstuk LIII.Hoofdstuk LIII.1. Als ik, bij toeval, eens een beetje kennis had, zou ik den grooten Weg bewandelen.1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.2. Mijn vrees zou zijn, of ik (deze leer) wel zou kunnen verspreiden.2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees, is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het volgende.3. (Want) de groote Weg is zeer vlak, maar het volk houdt van de zijpaden.3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.4. Als de paleizen veel treden hebben, zijn de velden vol onkruid, en zijn de graanschuren ganschelijk ledig.5. De prinsen kleeden zich in schitterende gewaden, dragende een scherp zwaard; zij verzadigen zich aan (lekker) eten en drinken, en hebben schatten en goederen te over.4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig zijn.6. Dit noem ik het voorbeeld geven van diefstal. Dit is niet zich toeleggen op Tao![172]6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier, zooals hij in zijn beroemd „Khang[173]Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg. Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet beteekenen.[Inhoud]Hoofdstuk LIV.Hoofdstuk LIV.1. Hij, die goed weet te grondvesten, zal (zijn werk) niet ontworteld zien; hij, die goed weet vast te houden, zal niet laten ontglippen.2. Zijn zonen en kleinzonen zullen voor hem offeren zonder ophouden.1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i. hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius, Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.3. Als de mensch Het betracht in zich zelven, zal zijn deugd reëel worden. Als hij Het betracht in zijne familie zal zijn deugd overvloedig worden. Als hij Het in zijn dorp betracht zal zijn deugd (vèr) verspreid worden. Als hij Het in zijn staat betracht zal zijn deugd rijk-bloeiend[174]worden. Als hij Het in het Rijk betracht zal zijn deugd universeel worden.4. Daarom, naar zich zelf oordeelt men anderen, naar zijne familie oordeelt men andere familieën; naar zijn dorp oordeelt men andere dorpen; naar zijn staat oordeelt men andere staten; naar zijn Rijk oordeelt men andere (toekomstige) Rijken.3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie, zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6, blz. 148.Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a.[175]„Hij, die Het in zijn dorp betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.5. Hoe weet ik dat het aldus met het Rijk is? (Juist) door Dit.5. „Door Dit”, d.i. door Tao.[Inhoud]Hoofdstuk LV.Hoofdstuk LV.1. Hij die een intenze deugd heeft gelijkt op een pasgeboren kind, dat de steken van venijnige insecten niet vreest, noch de klauwen van wilde beesten, noch den greep van roofvogels.2. Zijn beenderen zijn zwak, zijn pezen zijn week, en (toch) houdt het (de dingen) stevig vast.3. Het weet nog niet de gemeenschap der beide seksen en (toch) is er (al) wat actie in zijn geslachtsdeel. Dit is door de volmaaktheid van het semen.1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.4. Het schreeuwt den ganschen dag en (toch) wordt zijn keel niet schor. Dit is (door) de volmaaktheid van de harmonie.[176]4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de volkomen harmonie der vitale krachten.[177]5. Te weten wat harmonie is heet onveranderlijk (eeuwigdurend) zijn. Te weten wat onveranderlijk is heet verlicht zijn. Vermeerdering van leven heet zaligheid. De geest het lichaam besturende heet kracht.5. Zie Hfdst.XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat er „het hart de vitale energie besturende”.6. Vanaf het toppunt van kracht worden de dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.6. Zie Hfdst.XXX.[Inhoud]Hoofdstuk LVI.1. Zij die (Tao) weten spreken er niet over; zij die er over spreken weten Het niet.Hoofdstuk LVI.2. De Wijze doet zijn mond dicht, sluit oogen en ooren, haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het (verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem ik eene mystieke gelijkenis (met Tao).2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.3. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, geëerdheid noch verachting kunnen hem treffen.4. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel.[178]3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar letterlijk staat er, als in Hfdst.IV: „Het verstompt zijn scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst.IV, waar Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de gelijkenis nog sterker.[179][Inhoud]Hoofdstuk LVII.Hoofdstuk LVII.1. Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met Wu Wei wint men het Rijk.2. Hoe weet ik, dat het zoo met het Rijk is? Door dit:1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde, dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.3. Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te armer wordt het volk; hoe meer middelen tot productie van weelde het volk heeft, des te verwarder wordt de staat; hoe bekwamer en vernuftiger het volk is, des te meerartificiëeledingen worden er gemaakt; hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen.3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van Staatsbladen, die een ambtenaar inNed.-Indiëmoet kennen?4. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei en dan zal het volk zich vanzelf hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht worden. Ik doe geen werk, en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig worden.4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”. Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote ondernemingen”, enz.[Inhoud]Hoofdstuk LVIII.Hoofdstuk LVIII.1. Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de regeering overal den neus[180]in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de wet maken.1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd,[181]die een ander klassenhoofd voor het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.2. Falen is de basis van slagen; slagen is de basis van falen. Wie weet (van die twee) het uiterste?2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.3. Voor den ongerechte lijkt gerechtigheid als vreemd, en goedheid als verdorvenheid.4. Waarlijk, de menschheid is gedompeld in dwaling, sinds menigen dag!5. Daarom, de Wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend zonder te verblinden.3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.[Inhoud]Hoofdstuk LIX.1. Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat niets boven de gematigdheid.Hoofdstuk LIX.2. Gematigdheid is het allereerst noodige voor den mensch.3. Dit allereerst noodige noem ik eene zware opeenstapeling van deugd. Met eene zware opeenstapeling van deugd is er niets, wat hij niet verwezenlijken kan. Als er niets is, wat hij niet verwezenlijken kan, kent niemand de grenzen (van[182]zijn macht). Als niemand de grenzen kent (van zijn macht) is hij geschikt om het rijk te regeeren.2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan „Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.[183]4. Die het oer-principe van het rijk bezit, zal lang blijven (regeeren). Dit is wat men noemt „een krachtigen en diep geplanten wortel hebben”. Dit is de leer van lang te leven.4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.[Inhoud]Hoofdstuk LX.Hoofdstuk LX.1. Om een groot rijk te regeeren moet men even zoo voorzichtig zijn als in ’t bakken van een klein vischje.1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de bedoeling te doen uitkomen.2. Als men het rijk regeert met Tao zijn de kwade invloeden tot inactie gedwongen; niet dat zij hun macht verloren hebben, maar zij kwetsen de menschen niet. Niet alleen dat zij de menschen niet kunnen kwetsen, maar zelfs de Wijze kwetst de menschen niet.3. Noch de Wijze, noch de kwade invloeden kwetsen hen, daarom zullen hunne deugden samen ineenvloeien.2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade invloeden”.[185]4. Dit is niet erg duidelijk.[Inhoud]Hoofdstuk LXI.1. Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke zich de wateren van het rijk uitstorten.[184]2. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is eene vernedering.3. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen.4. Daarom, de een vernedert zich om te krijgen, de ander om gekregen te worden.5. Wat een groote staat enkel moet willen is zich te vergrooten en uit te breiden, wat een kleine staat enkel moet willen is protectie, dan krijgen beide wat zij noodig hebben.6. Maar de grooten behooren zich te vernederen![Inhoud]Hoofdstuk LXII.Hoofdstuk LXII.1. Tao is de veilige schuilplaats van alle dingen, de schat van de goeden, de steun van de slechten.2. Goede woorden kunnen ons tot voordeel zijn, en een eerwaardig gedrag kan ons boven de anderen verheffen.1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op kunnen steunen om goed te worden.3. Hoe kan men het wegmaken, dat er slechte menschen zijn?[186]3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking[187]in het chineesch. Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si un homme n’est pas vertueux,pourrait-onle repousser avec mépris?” Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a mans vileness?”4. Daarom heeft men een keizerschap gegrondvest en drie ministers ingesteld.4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor te zorgen dat de slechten beter worden en5. Al houdt men in beide handen een jaspisstaf en gaat men vóór met een vierspan, het is beter te blijven zitten en vooruit te gaan in Tao.6. Hoe is het, dat de ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men Het vanzelf vindt zonder den ganschen dag te zoeken, en omdat Het de misdaden vergeeft?7. Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel.5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der hooge mandarijnen) en vierspannen.[Inhoud]Hoofdstuk LXIII.1. De Wijze doet Wu Wei, werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder smaak is.Hoofdstuk LXIII.2. Het groote en het kleine, het vele en het weinige zijn even gewichtig voor hem.[188]2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites,[189]nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat volgt.3. Hij wreekt kwaad met goed.4. Als hij moeilijke dingen ontwerpt, begint hij met de gemakkelijke, als hij groote dingen wil doen, begint hij met de kleine.3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.5. De moeilijke dingen onder den Hemel zijn stellig uit de gemakkelijke gemaakt, de groote dingen onder den Hemel zijn stellig uit de kleine gemaakt.6. Daarom, de Wijze zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote dingen.7. Lichtvaardig gedane beloften worden stellig zelden gehouden, en wie veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt dat veel moeilijk is.8. Daarom, de Wijze vindt alsof alles moeilijk is, en daarom juist ondervindt hij nooit moeilijkheden.5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.[Inhoud]Hoofdstuk LXIV.Hoofdstuk LXIV.Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet verklaren, niet in te durven staan voor de[191]juistheid van de vertaling op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.1. Dat, wat in rust is, is gemakkelijk te behouden in zijn toestand; dat wat nog niet verschenen[190]is, is gemakkelijk te voorkomen; dat wat broos is, is gemakkelijk te breken; dat wat klein is, is gemakkelijk te verspreiden.1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt nog al wat!2. Houdt het kwaad tegen vóór het bestaat, regeer wanorde vóór zij uitbarst.3. Een boom dien gij met beide armen (nauwelijks) kunt omvatten is gegroeid uit een vezeltje zoo fijn als een haar; een toren van negen verdiepingen is uit een klein hoopje aarde opgericht, en een reis van duizend li’s begint met een enkelen voetstap.2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.4. Wie „doet”faalt, wie grijpt verliest (wat hij grijpt).5. Daarom, de Wijze is Wu Wei en faalt daarom niet, de Wijze grijpt niet en verliest daarom niet.6. Als het volk iets doet faalt het altijd als het op het punt is om te slagen.[192]7. Zorg voor het einde zoowel als voor het begin, dan zult gij niet falen.4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding, door mij aangegeven.[193]8. Vandaar, de Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen; zijn studie is géén studie en daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen. Hij laat alle dingen hun natuurlijken gang gaan, en komt niet tusschenbeide.8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft: „And you (hier dushe) will revert to a condition which mankind in general have lost”.[Inhoud]Hoofdstuk LXV.1. De Ouden, die Tao betrachtten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te maken, maar om het simpel te houden.2. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet.Hoofdstuk LXV.3. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij die niet met al dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk.4. Hij die deze beide dingen weet, is ook een voorbeeld (voor het rijk). Altijd een voorbeeld weten te zijn, noem ik de mystieke deugd (hebben). (Deze deugd) is diep, en vèr-reikend, en tegenovergesteld aan de (materieele) dingen!3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.5. En daarna komt men tot den grooten vrede.[194]5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid, volgzaamheid”.[195][Inhoud]Hoofdstuk LXVI.1. Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, daarom kunnen zij de koningen aller stroomen zijn.2. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond houden.3. Daardoor staat hij boven allen, en weegt (toch) niet zwaar op het volk, staat hij voor allen uit en kwetst (toch) het volk niet. Daardoor gehoorzaamt het rijk hem met vreugde, en wordt hem niet moede.4. Omdat hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die met hem strijden kan.[Inhoud]Hoofdstuk LXVII.Hoofdstuk LXVII.1. Allen in het rijk noemen mij groot, maar ik ben als gedegenereerd. Juist omdát ik groot ben, ben ik als gedegenereerd.2. Als ik daaraan (d.i. aan groot) gelijk ware.… reeds lang, naar ik meen, weet ik daar het kleine van.[196]1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met „niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst.II.[197]3. Welnu, ik heb drie schatten, die ik vasthoud en in eere houd. De eene heet Liefde. De tweede heet Zuinigheid. De derde heet Nederigheid.4. Door mijn liefde kan ik dapper zijn, door mijn zuinigheid kan ik veel geven, door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.5. Tegenwoordig verwerpt men de liefde en is (toch) dapper, verwerpt men de zuinigheid, en geeft (toch) veel uit, en verwerpt men de laatste plaats om (toch) de eerste te zijn.Dit leidt tot den dood, naar ik meen.3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet durven de eerste in het rijk zijn”.6. Welnu, als men strijdt vervuld van liefde, overwint men, en als men iets verdedigt vervuld van liefde, zal men het behouden.7. De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil.6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.[199][Inhoud]Hoofdstuk LXVIII.1. Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig. Hij, die een goed strijder is, is niet toornig. Hij, die een goed overwinnaar is, worstelt niet. Hij, die goed menschen (weet te) gebruiken, stelt zich onder hen.2. Dit noem ik de deugd die niet strijdt. Dit[198]noem ik de kracht die de menschen weet te gebruiken. Dit noem ik met den Hemel samen één zijn.3. Dit was het opperste, waartoe de Ouden kwamen.[Inhoud]Hoofdstuk LXIX.1. Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te vallen); ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit te gaan; ik ga liever een voet terug.Hoofdstuk LXIX.2. Dit noem ik vorderingen maken zonder vooruit te gaan, terugslaan zonder de armen uit te strekken, vervolgen zonder dat er een vijand is, grijpen zonder wapenen.3. Er is geen grooter ramp dan den vijand (te) gering te achten. Den vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.4. Als twee legers van gelijke kracht strijden, overwint dat leger dat de liefde heeft.4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien er in „de liefde voor het vaderland”.[201][Inhoud]Hoofdstuk LXX.1. Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze betrachten.[200]2. Mijne woorden hebben een’ Oorsprong, mijne daden hebben een’ Meester (Tao). Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen ze mij niet.3. Zij, die mij kennen, zijn zeldzaam. Dat is (juist) mijne eerwaardigheid, naar ik meen.4. Daarom, de Wijze trekt grove wollen kleederen aan, en verbergt zijn edelsteenen in zijn boezem.[Inhoud]Hoofdstuk LXXI.1. Te weten dat wij niet weten is superieur. Niet te weten en denken te weten is de ziekte der menschen.2. Als men om deze ziekte lijdt zal men haar ontkomen.3. De Wijze heeft deze ziekte niet, (juist) omdat hij er het lijden van weet. Dáárom is hij er niet ziek van.Hoofdstuk LXXI.De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn” beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik, duidelijk genoeg.Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet weten (is) superieur”.Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te verkiezen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXII.Hoofdstuk LXXII.1. Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal dat, wat te vreezen is, tot hem komen.[202]2. Vindt uwe woning niet te nauw, walg niet van uw levenslot.3. Nu, ik walg niet van het mijne, daarom boezemt het mij geen walging in.1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.[203]4. Daarom, de Wijze kent zichzelf, maar zonder gezien te willen worden; hij heeft zich zelf lief, maar zonder zich hoog te stellen. Hij verwerpt het eene, en langt naar het andere.4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIII.Hoofdstuk LXXIII.1. Hij, die zijn moed aanwendt om te durven, vindt den dood, maar hij, die moed (genoeg) heeft om niet te durven, zal leven.2. Van deze twee dingen is het eene nuttig, het andere schadelijk.1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander: „He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in whom it is tempered with discretion, will save it”.Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt dezelfde.3. Wie weet de reden als de Hemel iets haat?3. Het verband is mij hier niet duidelijk.4. Daarom, de Wijze is alsof hij alles moeilijk vindt.4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met Hfdst.LXIII.5. De Tao van den Hemel is niet te strijden en (toch) goed te overwinnen, niet te spreken, en (toch) goed geantwoord te worden, niet op te roepen en (toch) de menschen vanzelf te doen komen.[204]5.M.a.w.: De Tao vanden Hemelis Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook „gehoorzaamd”.[205]6. Hij lijkt stil, maar maakt goed plannen.7. Het net van den Hemel is (eindeloos) groot; zijn mazen zijn ver van elkaar, maar niemand ontsnapt er aan.6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen zin als niets doend, bijna lui.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIV.Hoofdstuk LXXIV.1. Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen met den dood?2. Als het volk voortdurend den dood vreesde, en er waren slechten, dan zou ik die grijpen en ter dood brengen, en wie zou dan nog durven?1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.3. Er is altijd een Opperrechter om den doodstraf op te leggen. Hij, die in plaats van dien Opperrechter wil dooden, is als een, die in plaats van den timmerman hout gaat kappen.3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf snijden, d.i. ten onder brengen.4. Onder hen, die in plaats van den timmerman hout gaan kappen, zijn er maar weinigen, die niet hun vingers snijden.4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden, waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!![207][Inhoud]Hoofdstuk LXXV.1. Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom heeft het honger.[206]Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren. Het volk schat den dood gering, omdat het te intens zoekt te leven.2. Maar hij, die niets doet om te leven, is wijzer dan hij die het leven (bovenmatig) hoogschat.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVI.1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij soepel enteêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal.2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en zwakheid zijn de volgelingen van het leven.3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk is wordt hij omgehakt.4. Wat sterk en groot is, is inferieur, wat zacht en zwak is, is superieur.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVII.Hoofdstuk LXXVII.1. De Tao van den Hemel is als het spannen van een boog, dat het hooge naar de laagte brengt, en het lage verheft, dat afneemt van wat te veel, en toevoegt aan wat te weinig is.[208]1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te maken naarmate het doel lager of hooger is.[209]2. De Tao van den Hemel is om af te nemen van wat te veel, om toe te voegen aan wat te weinig is.3. Maar de Tao van de menschen is om af te nemen van wie (al) niet genoeg hebben, en toe te voegen aan wie (al) te veel hebben.4. Wie is in staat om wat hij over heeft aan de wereld te schenken? Alleen hij, die Tao heeft.5. Daarom, de Wijze doet (goed) maar steunt er niet op; als zijn werk volbracht is hecht hij er zich niet aan, en hij wenscht niet zijn eigen eerwaardigheid te doen uitkomen.2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVIII.HoofdstukLXXVIII.1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.2. Er is niemand in de wereld, die dit niet weet, maar niemand kan het in toepassing brengen.1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan vervangen”.3. Daarom zegt de Wijze: Hij, die de schande van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) Heer van het rijk (te zijn); hij, die de rampen van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) koning van het rijk te zijn.[210]3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren zonder morren en beklag.[211]4. Dit zijn ware woorden, die contradicties schijnen.4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIX.1. Als een groote twist beslecht is, blijft er stellig (altijd) nog wat vijandigheid over. De kwestie is, hoe dit nu goed te maken.Hoofdstuk LXXIX.2. Daarom, de Wijze bewaart de linkerzijde van het contract, en eischt niets van de anderen.2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen, moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden (Pue Yeou Thsing, Julien).3. Wie deugd heeft zorgt voor geven, wie geen deugd heeft zorgt voor eischen.3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.[213]4. De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, maar is toch altijd mild voor de goeden.4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXX.1. Als ik over een kleinen staat regeerde met een weinig volk zou ik, al waren er wapenen[212]voor tientallen of honderdtallen, die (toch) niet gebruiken.2. Ik zou maken, dat het volk den dood vreesde, en niet emigreerde.3. Al waren er schepen en wagenen, men zou er niet ingaan.Al waren er kurassen en wapenen, men zou ze niet aandoen.4. Ik zou maken dat het volk terugkeerde tot het gebruik der geknoopte koorden.5. Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijn kleederen mooi maken, rust hebben in zijn woning, en vreugde scheppen in zijn simpele zeden.6. Al lag een naburige staat vlak over den mijnen, zoodat de honden en hanen aan weerszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en sterven zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.[Inhoud]Hoofdstuk LXXXI.Hoofdstuk LXXXI.1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet goed.[214]3. Zij, die (Tao) kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen (Tao) niet.4. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.5. De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen, maar niet te strijden.[75]1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil., deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)[215]Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de welsprekendheid.” (Hfdst. V.)[216]
[Inhoud]Tweede Deel: Teh.[Inhoud]Hoofdstuk XXXVIII.Hoofdstuk XXXVIII.Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh” verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet. Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is. Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk is geen geluk” correspondeert er mede.1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen Deugd.2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit, den naam voor het ding zelf.3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht” bijkomt, wordt het al onzuiver.4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er[146]is geen antwoord op. Zij wordt erkend door een beweging van den arm.4. Hier ga ik mede met de van alle anderen afwijkende[147]vertaling van Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en zichtbare gebaren.”5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid verloren is komt daarna het decorum.6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en het begin van verwarring.5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ) is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een boom.7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij verwerpt het eene en langt naar het andere.7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen, zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.[Inhoud]Hoofdstuk XXXIX.Hoofdstuk XXXIX.1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:[148]de Hemel, die puur is door de Eénheid.de Aarde, die in rust is door de Eénheid.de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun Eénheid.Dát heeft de Eénheid voortgebracht.2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te scheuren.Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te barsten.Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen van optehouden te bestaan.Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te verdrogen.Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te sterven.Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te worden gestooten.1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens en dingen hunne verschillende naturen[149]hebben te danken aan één ding, Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn, de Aarde niet in rust, enz. enz.3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het hooge heeft zijne grondvesten in het lage.[150]Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het ordinaire, en terecht?3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit bescheidenheid die lage titels[151]om te doen uitkomen, dat zij hun oorsprong hebben gehad in het volk.4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet veracht als (gewone) steen.4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.[Inhoud]Hoofdstuk XL.Hoofdstuk XL.1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).Zachtheid is Zijne functie.2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l. dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste levenswijsheid, is Wu Wei zijn.2. ZieInleidingen Hfdst.I.[153]2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz. enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen, zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige, slaat weer op Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XLI.1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk) ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren, lachen zij er[152]hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet zijn.2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui; zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao verborgen, en heeft geen naam.4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.[Inhoud]Hoofdstuk XLII.Hoofdstuk XLII.1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle dingen.Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur.[154]1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee, en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang (mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King”[155]leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo (als met een eerenaam).3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft zal vernederd worden.4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is een tekst apart.[Inhoud]Hoofdstuk XLIII.Hoofdstuk XLIII.1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan vernietigen.2. Hetimmaterieeledringt binnen in het ondoordringbare.[156]2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is”.[157]3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die niet uit de zuivere ziel komt.[Inhoud]Hoofdstuk XLIV.1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?Hoofdstuk XLIV.3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed verkwisten.[159]2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken, en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en daardoor kan ook niets hém overwinnen.3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de wereld”.[Inhoud]Hoofdstuk XLV.1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk[158]recht en lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en lijkt een stamelaar.2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.3. Hij die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van het rijk.[Inhoud]Hoofdstuk XLVI.Hoofdstuk XLVI.1. Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op het land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de krijgsrossen gefokt op de grenzen.2. Er is géén zoo groote misdaad als zich veel begeerten toe te staan; er isgéénzoo groot ongeluk als niet genoeg weten te hebben; er is géén zoo groote ramp als (altijd) maar te willen krijgen.3. Daarom, hij die genoeg weet te hebben, is altijd tevreden, naar ik meen.[160]1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.[161][Inhoud]Hoofdstuk XLVII.1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.2. Hoe verder gij uitgaat, hoe minder gij zult weten.3. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie.Hoofdstuk XLVII.Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen ziel”.[Inhoud]Hoofdstuk XLVIII.Hoofdstuk XLVIII.1. Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder en minder, tot Wu Wei bereikt is.1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens, begeerten, aardsche dingen krijgen.”2. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets wat men niet kan doen, naar ik meen.3. Door altijd niets te doen kan men over het Rijk meester worden. Maar door te doen is men niet in staat, meester te worden van het Rijk.[162]2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei (doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie, indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch gedoe van begeerten en verlangens”.[163][Inhoud]Hoofdstuk XLIX.Hoofdstuk XLIX.1. De Wijze heeft geen buitengewoon hart. Hij beschouwt het hart van het volk als het zijne.1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier ook in den zin van „gevoelens”.2. Ik ben voor de goeden goed. Voor de niet-goeden ben ik ook goed, om ze goed te maken. Ik geloof de oprechten. De niet-oprechten geloof ik ook, om ze oprecht te maken.2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh” verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel voorkomt, en die ook o.a. Gilese.a.en veel chineesche commentators maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.3. De wijze in de wereld is voortdurend in vreeze dat de wereld zijn hart in verwarring zal brengen.[164]3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward, vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme etsincère” voor „tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.[165]4. De ooren en oogen der honderd families zijn op hem gericht, en hij beschouwt hen als kinderen.4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.[Inhoud]Hoofdstuk L.1. De mensch komt uit het leven en gaat in den dood.Hoofdstuk L.2. Er zijn dertien dienaren van het leven en dertien dienaren van den dood.3. Als de mensch geboren is, bewegen hem ook al de dertien dienaren van den dood.2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen „oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid, zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en 13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ) zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond, de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de dertien zijn.4. Wat is hier toch wel de reden van? Dat hij te intens wil leven, en te veel vitaliteit verspilt.4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo zijn levenskracht verspillen”.5. Ik heb hooren zeggen, dat hij, die zijn leven weet te regeeren, zonder gevaar langs een weg kan gaan, waar rhinocerossen en tijgers zijn,[166]en in het leger kan treden zonder harnas of wapenen, want de rhinoceros zou geen plek kunnen vinden om zijn hoorn in te boren, de tijger geen plek om zijn klauwen in te slaan, de krijgsman geen plek om zijn zwaard in te steken.6. En hoe komt dat dan wel? Omdat hij niet blootgesteld is aan den dood.5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden, het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t spiritueele leeft, heeft[167]als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson vergelijkt deze regelen terecht metMarkus XVI, 18: „Slangen zullen zij (die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden”.[Inhoud]Hoofdstuk LI.Hoofdstuk LI.1. Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Teh (Zijne manifestatie in hen). Het vormt ze door Zijne substantie. Het volmaakt ze door Zijne impulsie.2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh hoogacht.3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.4. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze.1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als gemanifesteerd zijnde in de creatie.Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog eens goed te doen uitkomen wat Teh is.5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.[168]5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.[169]Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the supreme Soul”.[Inhoud]Hoofdstuk LII.Hoofdstuk LII.1. De wereld heeft een begin, dat werd de Moeder der wereld.1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.2. Als men de moeder bezit kent men daardoor hare kinderen. Als men hare kinderen kent en daarna de moeder behoudt, al sterft het lichaam weg, men heeft dan geen gevaar te duchten.2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.3. Hij, die zijn mond sluit, en zijne oogen en ooren dichtdoet, zal zijn geheele leven lang niet (behoeven te) tobben. Hij, die zijn mond opendoet, en zich druk gaat maken, is niet (meer) te redden.3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.4. Het kleine te zien heet verlicht zijn, zwakheid te handhaven heet sterk zijn.4. Het kleine, d.i. het subtiele.5. Als men gebruik maakt van de afschittering van Tao om daarna tot Zijn licht terug te keeren, heeft het lichaam geen ramp meer te vreezen.6. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.[170]5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar dubieus blijft het.[171][Inhoud]Hoofdstuk LIII.Hoofdstuk LIII.1. Als ik, bij toeval, eens een beetje kennis had, zou ik den grooten Weg bewandelen.1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.2. Mijn vrees zou zijn, of ik (deze leer) wel zou kunnen verspreiden.2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees, is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het volgende.3. (Want) de groote Weg is zeer vlak, maar het volk houdt van de zijpaden.3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.4. Als de paleizen veel treden hebben, zijn de velden vol onkruid, en zijn de graanschuren ganschelijk ledig.5. De prinsen kleeden zich in schitterende gewaden, dragende een scherp zwaard; zij verzadigen zich aan (lekker) eten en drinken, en hebben schatten en goederen te over.4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig zijn.6. Dit noem ik het voorbeeld geven van diefstal. Dit is niet zich toeleggen op Tao![172]6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier, zooals hij in zijn beroemd „Khang[173]Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg. Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet beteekenen.[Inhoud]Hoofdstuk LIV.Hoofdstuk LIV.1. Hij, die goed weet te grondvesten, zal (zijn werk) niet ontworteld zien; hij, die goed weet vast te houden, zal niet laten ontglippen.2. Zijn zonen en kleinzonen zullen voor hem offeren zonder ophouden.1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i. hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius, Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.3. Als de mensch Het betracht in zich zelven, zal zijn deugd reëel worden. Als hij Het betracht in zijne familie zal zijn deugd overvloedig worden. Als hij Het in zijn dorp betracht zal zijn deugd (vèr) verspreid worden. Als hij Het in zijn staat betracht zal zijn deugd rijk-bloeiend[174]worden. Als hij Het in het Rijk betracht zal zijn deugd universeel worden.4. Daarom, naar zich zelf oordeelt men anderen, naar zijne familie oordeelt men andere familieën; naar zijn dorp oordeelt men andere dorpen; naar zijn staat oordeelt men andere staten; naar zijn Rijk oordeelt men andere (toekomstige) Rijken.3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie, zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6, blz. 148.Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a.[175]„Hij, die Het in zijn dorp betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.5. Hoe weet ik dat het aldus met het Rijk is? (Juist) door Dit.5. „Door Dit”, d.i. door Tao.[Inhoud]Hoofdstuk LV.Hoofdstuk LV.1. Hij die een intenze deugd heeft gelijkt op een pasgeboren kind, dat de steken van venijnige insecten niet vreest, noch de klauwen van wilde beesten, noch den greep van roofvogels.2. Zijn beenderen zijn zwak, zijn pezen zijn week, en (toch) houdt het (de dingen) stevig vast.3. Het weet nog niet de gemeenschap der beide seksen en (toch) is er (al) wat actie in zijn geslachtsdeel. Dit is door de volmaaktheid van het semen.1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.4. Het schreeuwt den ganschen dag en (toch) wordt zijn keel niet schor. Dit is (door) de volmaaktheid van de harmonie.[176]4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de volkomen harmonie der vitale krachten.[177]5. Te weten wat harmonie is heet onveranderlijk (eeuwigdurend) zijn. Te weten wat onveranderlijk is heet verlicht zijn. Vermeerdering van leven heet zaligheid. De geest het lichaam besturende heet kracht.5. Zie Hfdst.XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat er „het hart de vitale energie besturende”.6. Vanaf het toppunt van kracht worden de dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.6. Zie Hfdst.XXX.[Inhoud]Hoofdstuk LVI.1. Zij die (Tao) weten spreken er niet over; zij die er over spreken weten Het niet.Hoofdstuk LVI.2. De Wijze doet zijn mond dicht, sluit oogen en ooren, haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het (verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem ik eene mystieke gelijkenis (met Tao).2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.3. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, geëerdheid noch verachting kunnen hem treffen.4. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel.[178]3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar letterlijk staat er, als in Hfdst.IV: „Het verstompt zijn scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst.IV, waar Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de gelijkenis nog sterker.[179][Inhoud]Hoofdstuk LVII.Hoofdstuk LVII.1. Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met Wu Wei wint men het Rijk.2. Hoe weet ik, dat het zoo met het Rijk is? Door dit:1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde, dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.3. Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te armer wordt het volk; hoe meer middelen tot productie van weelde het volk heeft, des te verwarder wordt de staat; hoe bekwamer en vernuftiger het volk is, des te meerartificiëeledingen worden er gemaakt; hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen.3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van Staatsbladen, die een ambtenaar inNed.-Indiëmoet kennen?4. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei en dan zal het volk zich vanzelf hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht worden. Ik doe geen werk, en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig worden.4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”. Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote ondernemingen”, enz.[Inhoud]Hoofdstuk LVIII.Hoofdstuk LVIII.1. Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de regeering overal den neus[180]in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de wet maken.1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd,[181]die een ander klassenhoofd voor het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.2. Falen is de basis van slagen; slagen is de basis van falen. Wie weet (van die twee) het uiterste?2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.3. Voor den ongerechte lijkt gerechtigheid als vreemd, en goedheid als verdorvenheid.4. Waarlijk, de menschheid is gedompeld in dwaling, sinds menigen dag!5. Daarom, de Wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend zonder te verblinden.3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.[Inhoud]Hoofdstuk LIX.1. Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat niets boven de gematigdheid.Hoofdstuk LIX.2. Gematigdheid is het allereerst noodige voor den mensch.3. Dit allereerst noodige noem ik eene zware opeenstapeling van deugd. Met eene zware opeenstapeling van deugd is er niets, wat hij niet verwezenlijken kan. Als er niets is, wat hij niet verwezenlijken kan, kent niemand de grenzen (van[182]zijn macht). Als niemand de grenzen kent (van zijn macht) is hij geschikt om het rijk te regeeren.2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan „Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.[183]4. Die het oer-principe van het rijk bezit, zal lang blijven (regeeren). Dit is wat men noemt „een krachtigen en diep geplanten wortel hebben”. Dit is de leer van lang te leven.4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.[Inhoud]Hoofdstuk LX.Hoofdstuk LX.1. Om een groot rijk te regeeren moet men even zoo voorzichtig zijn als in ’t bakken van een klein vischje.1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de bedoeling te doen uitkomen.2. Als men het rijk regeert met Tao zijn de kwade invloeden tot inactie gedwongen; niet dat zij hun macht verloren hebben, maar zij kwetsen de menschen niet. Niet alleen dat zij de menschen niet kunnen kwetsen, maar zelfs de Wijze kwetst de menschen niet.3. Noch de Wijze, noch de kwade invloeden kwetsen hen, daarom zullen hunne deugden samen ineenvloeien.2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade invloeden”.[185]4. Dit is niet erg duidelijk.[Inhoud]Hoofdstuk LXI.1. Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke zich de wateren van het rijk uitstorten.[184]2. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is eene vernedering.3. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen.4. Daarom, de een vernedert zich om te krijgen, de ander om gekregen te worden.5. Wat een groote staat enkel moet willen is zich te vergrooten en uit te breiden, wat een kleine staat enkel moet willen is protectie, dan krijgen beide wat zij noodig hebben.6. Maar de grooten behooren zich te vernederen![Inhoud]Hoofdstuk LXII.Hoofdstuk LXII.1. Tao is de veilige schuilplaats van alle dingen, de schat van de goeden, de steun van de slechten.2. Goede woorden kunnen ons tot voordeel zijn, en een eerwaardig gedrag kan ons boven de anderen verheffen.1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op kunnen steunen om goed te worden.3. Hoe kan men het wegmaken, dat er slechte menschen zijn?[186]3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking[187]in het chineesch. Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si un homme n’est pas vertueux,pourrait-onle repousser avec mépris?” Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a mans vileness?”4. Daarom heeft men een keizerschap gegrondvest en drie ministers ingesteld.4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor te zorgen dat de slechten beter worden en5. Al houdt men in beide handen een jaspisstaf en gaat men vóór met een vierspan, het is beter te blijven zitten en vooruit te gaan in Tao.6. Hoe is het, dat de ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men Het vanzelf vindt zonder den ganschen dag te zoeken, en omdat Het de misdaden vergeeft?7. Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel.5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der hooge mandarijnen) en vierspannen.[Inhoud]Hoofdstuk LXIII.1. De Wijze doet Wu Wei, werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder smaak is.Hoofdstuk LXIII.2. Het groote en het kleine, het vele en het weinige zijn even gewichtig voor hem.[188]2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites,[189]nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat volgt.3. Hij wreekt kwaad met goed.4. Als hij moeilijke dingen ontwerpt, begint hij met de gemakkelijke, als hij groote dingen wil doen, begint hij met de kleine.3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.5. De moeilijke dingen onder den Hemel zijn stellig uit de gemakkelijke gemaakt, de groote dingen onder den Hemel zijn stellig uit de kleine gemaakt.6. Daarom, de Wijze zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote dingen.7. Lichtvaardig gedane beloften worden stellig zelden gehouden, en wie veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt dat veel moeilijk is.8. Daarom, de Wijze vindt alsof alles moeilijk is, en daarom juist ondervindt hij nooit moeilijkheden.5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.[Inhoud]Hoofdstuk LXIV.Hoofdstuk LXIV.Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet verklaren, niet in te durven staan voor de[191]juistheid van de vertaling op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.1. Dat, wat in rust is, is gemakkelijk te behouden in zijn toestand; dat wat nog niet verschenen[190]is, is gemakkelijk te voorkomen; dat wat broos is, is gemakkelijk te breken; dat wat klein is, is gemakkelijk te verspreiden.1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt nog al wat!2. Houdt het kwaad tegen vóór het bestaat, regeer wanorde vóór zij uitbarst.3. Een boom dien gij met beide armen (nauwelijks) kunt omvatten is gegroeid uit een vezeltje zoo fijn als een haar; een toren van negen verdiepingen is uit een klein hoopje aarde opgericht, en een reis van duizend li’s begint met een enkelen voetstap.2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.4. Wie „doet”faalt, wie grijpt verliest (wat hij grijpt).5. Daarom, de Wijze is Wu Wei en faalt daarom niet, de Wijze grijpt niet en verliest daarom niet.6. Als het volk iets doet faalt het altijd als het op het punt is om te slagen.[192]7. Zorg voor het einde zoowel als voor het begin, dan zult gij niet falen.4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding, door mij aangegeven.[193]8. Vandaar, de Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen; zijn studie is géén studie en daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen. Hij laat alle dingen hun natuurlijken gang gaan, en komt niet tusschenbeide.8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft: „And you (hier dushe) will revert to a condition which mankind in general have lost”.[Inhoud]Hoofdstuk LXV.1. De Ouden, die Tao betrachtten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te maken, maar om het simpel te houden.2. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet.Hoofdstuk LXV.3. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij die niet met al dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk.4. Hij die deze beide dingen weet, is ook een voorbeeld (voor het rijk). Altijd een voorbeeld weten te zijn, noem ik de mystieke deugd (hebben). (Deze deugd) is diep, en vèr-reikend, en tegenovergesteld aan de (materieele) dingen!3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.5. En daarna komt men tot den grooten vrede.[194]5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid, volgzaamheid”.[195][Inhoud]Hoofdstuk LXVI.1. Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, daarom kunnen zij de koningen aller stroomen zijn.2. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond houden.3. Daardoor staat hij boven allen, en weegt (toch) niet zwaar op het volk, staat hij voor allen uit en kwetst (toch) het volk niet. Daardoor gehoorzaamt het rijk hem met vreugde, en wordt hem niet moede.4. Omdat hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die met hem strijden kan.[Inhoud]Hoofdstuk LXVII.Hoofdstuk LXVII.1. Allen in het rijk noemen mij groot, maar ik ben als gedegenereerd. Juist omdát ik groot ben, ben ik als gedegenereerd.2. Als ik daaraan (d.i. aan groot) gelijk ware.… reeds lang, naar ik meen, weet ik daar het kleine van.[196]1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met „niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst.II.[197]3. Welnu, ik heb drie schatten, die ik vasthoud en in eere houd. De eene heet Liefde. De tweede heet Zuinigheid. De derde heet Nederigheid.4. Door mijn liefde kan ik dapper zijn, door mijn zuinigheid kan ik veel geven, door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.5. Tegenwoordig verwerpt men de liefde en is (toch) dapper, verwerpt men de zuinigheid, en geeft (toch) veel uit, en verwerpt men de laatste plaats om (toch) de eerste te zijn.Dit leidt tot den dood, naar ik meen.3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet durven de eerste in het rijk zijn”.6. Welnu, als men strijdt vervuld van liefde, overwint men, en als men iets verdedigt vervuld van liefde, zal men het behouden.7. De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil.6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.[199][Inhoud]Hoofdstuk LXVIII.1. Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig. Hij, die een goed strijder is, is niet toornig. Hij, die een goed overwinnaar is, worstelt niet. Hij, die goed menschen (weet te) gebruiken, stelt zich onder hen.2. Dit noem ik de deugd die niet strijdt. Dit[198]noem ik de kracht die de menschen weet te gebruiken. Dit noem ik met den Hemel samen één zijn.3. Dit was het opperste, waartoe de Ouden kwamen.[Inhoud]Hoofdstuk LXIX.1. Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te vallen); ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit te gaan; ik ga liever een voet terug.Hoofdstuk LXIX.2. Dit noem ik vorderingen maken zonder vooruit te gaan, terugslaan zonder de armen uit te strekken, vervolgen zonder dat er een vijand is, grijpen zonder wapenen.3. Er is geen grooter ramp dan den vijand (te) gering te achten. Den vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.4. Als twee legers van gelijke kracht strijden, overwint dat leger dat de liefde heeft.4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien er in „de liefde voor het vaderland”.[201][Inhoud]Hoofdstuk LXX.1. Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze betrachten.[200]2. Mijne woorden hebben een’ Oorsprong, mijne daden hebben een’ Meester (Tao). Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen ze mij niet.3. Zij, die mij kennen, zijn zeldzaam. Dat is (juist) mijne eerwaardigheid, naar ik meen.4. Daarom, de Wijze trekt grove wollen kleederen aan, en verbergt zijn edelsteenen in zijn boezem.[Inhoud]Hoofdstuk LXXI.1. Te weten dat wij niet weten is superieur. Niet te weten en denken te weten is de ziekte der menschen.2. Als men om deze ziekte lijdt zal men haar ontkomen.3. De Wijze heeft deze ziekte niet, (juist) omdat hij er het lijden van weet. Dáárom is hij er niet ziek van.Hoofdstuk LXXI.De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn” beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik, duidelijk genoeg.Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet weten (is) superieur”.Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te verkiezen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXII.Hoofdstuk LXXII.1. Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal dat, wat te vreezen is, tot hem komen.[202]2. Vindt uwe woning niet te nauw, walg niet van uw levenslot.3. Nu, ik walg niet van het mijne, daarom boezemt het mij geen walging in.1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.[203]4. Daarom, de Wijze kent zichzelf, maar zonder gezien te willen worden; hij heeft zich zelf lief, maar zonder zich hoog te stellen. Hij verwerpt het eene, en langt naar het andere.4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIII.Hoofdstuk LXXIII.1. Hij, die zijn moed aanwendt om te durven, vindt den dood, maar hij, die moed (genoeg) heeft om niet te durven, zal leven.2. Van deze twee dingen is het eene nuttig, het andere schadelijk.1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander: „He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in whom it is tempered with discretion, will save it”.Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt dezelfde.3. Wie weet de reden als de Hemel iets haat?3. Het verband is mij hier niet duidelijk.4. Daarom, de Wijze is alsof hij alles moeilijk vindt.4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met Hfdst.LXIII.5. De Tao van den Hemel is niet te strijden en (toch) goed te overwinnen, niet te spreken, en (toch) goed geantwoord te worden, niet op te roepen en (toch) de menschen vanzelf te doen komen.[204]5.M.a.w.: De Tao vanden Hemelis Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook „gehoorzaamd”.[205]6. Hij lijkt stil, maar maakt goed plannen.7. Het net van den Hemel is (eindeloos) groot; zijn mazen zijn ver van elkaar, maar niemand ontsnapt er aan.6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen zin als niets doend, bijna lui.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIV.Hoofdstuk LXXIV.1. Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen met den dood?2. Als het volk voortdurend den dood vreesde, en er waren slechten, dan zou ik die grijpen en ter dood brengen, en wie zou dan nog durven?1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.3. Er is altijd een Opperrechter om den doodstraf op te leggen. Hij, die in plaats van dien Opperrechter wil dooden, is als een, die in plaats van den timmerman hout gaat kappen.3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf snijden, d.i. ten onder brengen.4. Onder hen, die in plaats van den timmerman hout gaan kappen, zijn er maar weinigen, die niet hun vingers snijden.4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden, waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!![207][Inhoud]Hoofdstuk LXXV.1. Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom heeft het honger.[206]Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren. Het volk schat den dood gering, omdat het te intens zoekt te leven.2. Maar hij, die niets doet om te leven, is wijzer dan hij die het leven (bovenmatig) hoogschat.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVI.1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij soepel enteêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal.2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en zwakheid zijn de volgelingen van het leven.3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk is wordt hij omgehakt.4. Wat sterk en groot is, is inferieur, wat zacht en zwak is, is superieur.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVII.Hoofdstuk LXXVII.1. De Tao van den Hemel is als het spannen van een boog, dat het hooge naar de laagte brengt, en het lage verheft, dat afneemt van wat te veel, en toevoegt aan wat te weinig is.[208]1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te maken naarmate het doel lager of hooger is.[209]2. De Tao van den Hemel is om af te nemen van wat te veel, om toe te voegen aan wat te weinig is.3. Maar de Tao van de menschen is om af te nemen van wie (al) niet genoeg hebben, en toe te voegen aan wie (al) te veel hebben.4. Wie is in staat om wat hij over heeft aan de wereld te schenken? Alleen hij, die Tao heeft.5. Daarom, de Wijze doet (goed) maar steunt er niet op; als zijn werk volbracht is hecht hij er zich niet aan, en hij wenscht niet zijn eigen eerwaardigheid te doen uitkomen.2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVIII.HoofdstukLXXVIII.1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.2. Er is niemand in de wereld, die dit niet weet, maar niemand kan het in toepassing brengen.1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan vervangen”.3. Daarom zegt de Wijze: Hij, die de schande van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) Heer van het rijk (te zijn); hij, die de rampen van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) koning van het rijk te zijn.[210]3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren zonder morren en beklag.[211]4. Dit zijn ware woorden, die contradicties schijnen.4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIX.1. Als een groote twist beslecht is, blijft er stellig (altijd) nog wat vijandigheid over. De kwestie is, hoe dit nu goed te maken.Hoofdstuk LXXIX.2. Daarom, de Wijze bewaart de linkerzijde van het contract, en eischt niets van de anderen.2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen, moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden (Pue Yeou Thsing, Julien).3. Wie deugd heeft zorgt voor geven, wie geen deugd heeft zorgt voor eischen.3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.[213]4. De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, maar is toch altijd mild voor de goeden.4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXX.1. Als ik over een kleinen staat regeerde met een weinig volk zou ik, al waren er wapenen[212]voor tientallen of honderdtallen, die (toch) niet gebruiken.2. Ik zou maken, dat het volk den dood vreesde, en niet emigreerde.3. Al waren er schepen en wagenen, men zou er niet ingaan.Al waren er kurassen en wapenen, men zou ze niet aandoen.4. Ik zou maken dat het volk terugkeerde tot het gebruik der geknoopte koorden.5. Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijn kleederen mooi maken, rust hebben in zijn woning, en vreugde scheppen in zijn simpele zeden.6. Al lag een naburige staat vlak over den mijnen, zoodat de honden en hanen aan weerszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en sterven zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.[Inhoud]Hoofdstuk LXXXI.Hoofdstuk LXXXI.1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet goed.[214]3. Zij, die (Tao) kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen (Tao) niet.4. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.5. De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen, maar niet te strijden.[75]1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil., deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)[215]Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de welsprekendheid.” (Hfdst. V.)[216]
Tweede Deel: Teh.
[Inhoud]Hoofdstuk XXXVIII.Hoofdstuk XXXVIII.Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh” verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet. Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is. Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk is geen geluk” correspondeert er mede.1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen Deugd.2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit, den naam voor het ding zelf.3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht” bijkomt, wordt het al onzuiver.4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er[146]is geen antwoord op. Zij wordt erkend door een beweging van den arm.4. Hier ga ik mede met de van alle anderen afwijkende[147]vertaling van Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en zichtbare gebaren.”5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid verloren is komt daarna het decorum.6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en het begin van verwarring.5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ) is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een boom.7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij verwerpt het eene en langt naar het andere.7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen, zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.[Inhoud]Hoofdstuk XXXIX.Hoofdstuk XXXIX.1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:[148]de Hemel, die puur is door de Eénheid.de Aarde, die in rust is door de Eénheid.de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun Eénheid.Dát heeft de Eénheid voortgebracht.2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te scheuren.Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te barsten.Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen van optehouden te bestaan.Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te verdrogen.Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te sterven.Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te worden gestooten.1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens en dingen hunne verschillende naturen[149]hebben te danken aan één ding, Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn, de Aarde niet in rust, enz. enz.3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het hooge heeft zijne grondvesten in het lage.[150]Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het ordinaire, en terecht?3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit bescheidenheid die lage titels[151]om te doen uitkomen, dat zij hun oorsprong hebben gehad in het volk.4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet veracht als (gewone) steen.4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.[Inhoud]Hoofdstuk XL.Hoofdstuk XL.1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).Zachtheid is Zijne functie.2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l. dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste levenswijsheid, is Wu Wei zijn.2. ZieInleidingen Hfdst.I.[153]2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz. enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen, zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige, slaat weer op Tao.[Inhoud]Hoofdstuk XLI.1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk) ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren, lachen zij er[152]hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet zijn.2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui; zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao verborgen, en heeft geen naam.4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.[Inhoud]Hoofdstuk XLII.Hoofdstuk XLII.1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle dingen.Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur.[154]1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee, en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang (mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King”[155]leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo (als met een eerenaam).3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft zal vernederd worden.4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is een tekst apart.[Inhoud]Hoofdstuk XLIII.Hoofdstuk XLIII.1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan vernietigen.2. Hetimmaterieeledringt binnen in het ondoordringbare.[156]2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is”.[157]3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die niet uit de zuivere ziel komt.[Inhoud]Hoofdstuk XLIV.1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?Hoofdstuk XLIV.3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed verkwisten.[159]2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken, en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en daardoor kan ook niets hém overwinnen.3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de wereld”.[Inhoud]Hoofdstuk XLV.1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk[158]recht en lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en lijkt een stamelaar.2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.3. Hij die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van het rijk.[Inhoud]Hoofdstuk XLVI.Hoofdstuk XLVI.1. Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op het land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de krijgsrossen gefokt op de grenzen.2. Er is géén zoo groote misdaad als zich veel begeerten toe te staan; er isgéénzoo groot ongeluk als niet genoeg weten te hebben; er is géén zoo groote ramp als (altijd) maar te willen krijgen.3. Daarom, hij die genoeg weet te hebben, is altijd tevreden, naar ik meen.[160]1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.[161][Inhoud]Hoofdstuk XLVII.1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.2. Hoe verder gij uitgaat, hoe minder gij zult weten.3. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie.Hoofdstuk XLVII.Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen ziel”.[Inhoud]Hoofdstuk XLVIII.Hoofdstuk XLVIII.1. Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder en minder, tot Wu Wei bereikt is.1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens, begeerten, aardsche dingen krijgen.”2. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets wat men niet kan doen, naar ik meen.3. Door altijd niets te doen kan men over het Rijk meester worden. Maar door te doen is men niet in staat, meester te worden van het Rijk.[162]2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei (doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie, indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch gedoe van begeerten en verlangens”.[163][Inhoud]Hoofdstuk XLIX.Hoofdstuk XLIX.1. De Wijze heeft geen buitengewoon hart. Hij beschouwt het hart van het volk als het zijne.1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier ook in den zin van „gevoelens”.2. Ik ben voor de goeden goed. Voor de niet-goeden ben ik ook goed, om ze goed te maken. Ik geloof de oprechten. De niet-oprechten geloof ik ook, om ze oprecht te maken.2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh” verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel voorkomt, en die ook o.a. Gilese.a.en veel chineesche commentators maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.3. De wijze in de wereld is voortdurend in vreeze dat de wereld zijn hart in verwarring zal brengen.[164]3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward, vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme etsincère” voor „tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.[165]4. De ooren en oogen der honderd families zijn op hem gericht, en hij beschouwt hen als kinderen.4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.[Inhoud]Hoofdstuk L.1. De mensch komt uit het leven en gaat in den dood.Hoofdstuk L.2. Er zijn dertien dienaren van het leven en dertien dienaren van den dood.3. Als de mensch geboren is, bewegen hem ook al de dertien dienaren van den dood.2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen „oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid, zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en 13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ) zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond, de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de dertien zijn.4. Wat is hier toch wel de reden van? Dat hij te intens wil leven, en te veel vitaliteit verspilt.4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo zijn levenskracht verspillen”.5. Ik heb hooren zeggen, dat hij, die zijn leven weet te regeeren, zonder gevaar langs een weg kan gaan, waar rhinocerossen en tijgers zijn,[166]en in het leger kan treden zonder harnas of wapenen, want de rhinoceros zou geen plek kunnen vinden om zijn hoorn in te boren, de tijger geen plek om zijn klauwen in te slaan, de krijgsman geen plek om zijn zwaard in te steken.6. En hoe komt dat dan wel? Omdat hij niet blootgesteld is aan den dood.5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden, het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t spiritueele leeft, heeft[167]als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson vergelijkt deze regelen terecht metMarkus XVI, 18: „Slangen zullen zij (die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden”.[Inhoud]Hoofdstuk LI.Hoofdstuk LI.1. Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Teh (Zijne manifestatie in hen). Het vormt ze door Zijne substantie. Het volmaakt ze door Zijne impulsie.2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh hoogacht.3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.4. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze.1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als gemanifesteerd zijnde in de creatie.Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog eens goed te doen uitkomen wat Teh is.5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.[168]5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.[169]Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the supreme Soul”.[Inhoud]Hoofdstuk LII.Hoofdstuk LII.1. De wereld heeft een begin, dat werd de Moeder der wereld.1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.2. Als men de moeder bezit kent men daardoor hare kinderen. Als men hare kinderen kent en daarna de moeder behoudt, al sterft het lichaam weg, men heeft dan geen gevaar te duchten.2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.3. Hij, die zijn mond sluit, en zijne oogen en ooren dichtdoet, zal zijn geheele leven lang niet (behoeven te) tobben. Hij, die zijn mond opendoet, en zich druk gaat maken, is niet (meer) te redden.3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.4. Het kleine te zien heet verlicht zijn, zwakheid te handhaven heet sterk zijn.4. Het kleine, d.i. het subtiele.5. Als men gebruik maakt van de afschittering van Tao om daarna tot Zijn licht terug te keeren, heeft het lichaam geen ramp meer te vreezen.6. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.[170]5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar dubieus blijft het.[171][Inhoud]Hoofdstuk LIII.Hoofdstuk LIII.1. Als ik, bij toeval, eens een beetje kennis had, zou ik den grooten Weg bewandelen.1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.2. Mijn vrees zou zijn, of ik (deze leer) wel zou kunnen verspreiden.2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees, is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het volgende.3. (Want) de groote Weg is zeer vlak, maar het volk houdt van de zijpaden.3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.4. Als de paleizen veel treden hebben, zijn de velden vol onkruid, en zijn de graanschuren ganschelijk ledig.5. De prinsen kleeden zich in schitterende gewaden, dragende een scherp zwaard; zij verzadigen zich aan (lekker) eten en drinken, en hebben schatten en goederen te over.4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig zijn.6. Dit noem ik het voorbeeld geven van diefstal. Dit is niet zich toeleggen op Tao![172]6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier, zooals hij in zijn beroemd „Khang[173]Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg. Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet beteekenen.[Inhoud]Hoofdstuk LIV.Hoofdstuk LIV.1. Hij, die goed weet te grondvesten, zal (zijn werk) niet ontworteld zien; hij, die goed weet vast te houden, zal niet laten ontglippen.2. Zijn zonen en kleinzonen zullen voor hem offeren zonder ophouden.1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i. hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius, Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.3. Als de mensch Het betracht in zich zelven, zal zijn deugd reëel worden. Als hij Het betracht in zijne familie zal zijn deugd overvloedig worden. Als hij Het in zijn dorp betracht zal zijn deugd (vèr) verspreid worden. Als hij Het in zijn staat betracht zal zijn deugd rijk-bloeiend[174]worden. Als hij Het in het Rijk betracht zal zijn deugd universeel worden.4. Daarom, naar zich zelf oordeelt men anderen, naar zijne familie oordeelt men andere familieën; naar zijn dorp oordeelt men andere dorpen; naar zijn staat oordeelt men andere staten; naar zijn Rijk oordeelt men andere (toekomstige) Rijken.3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie, zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6, blz. 148.Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a.[175]„Hij, die Het in zijn dorp betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.5. Hoe weet ik dat het aldus met het Rijk is? (Juist) door Dit.5. „Door Dit”, d.i. door Tao.[Inhoud]Hoofdstuk LV.Hoofdstuk LV.1. Hij die een intenze deugd heeft gelijkt op een pasgeboren kind, dat de steken van venijnige insecten niet vreest, noch de klauwen van wilde beesten, noch den greep van roofvogels.2. Zijn beenderen zijn zwak, zijn pezen zijn week, en (toch) houdt het (de dingen) stevig vast.3. Het weet nog niet de gemeenschap der beide seksen en (toch) is er (al) wat actie in zijn geslachtsdeel. Dit is door de volmaaktheid van het semen.1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.4. Het schreeuwt den ganschen dag en (toch) wordt zijn keel niet schor. Dit is (door) de volmaaktheid van de harmonie.[176]4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de volkomen harmonie der vitale krachten.[177]5. Te weten wat harmonie is heet onveranderlijk (eeuwigdurend) zijn. Te weten wat onveranderlijk is heet verlicht zijn. Vermeerdering van leven heet zaligheid. De geest het lichaam besturende heet kracht.5. Zie Hfdst.XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat er „het hart de vitale energie besturende”.6. Vanaf het toppunt van kracht worden de dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.6. Zie Hfdst.XXX.[Inhoud]Hoofdstuk LVI.1. Zij die (Tao) weten spreken er niet over; zij die er over spreken weten Het niet.Hoofdstuk LVI.2. De Wijze doet zijn mond dicht, sluit oogen en ooren, haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het (verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem ik eene mystieke gelijkenis (met Tao).2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.3. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, geëerdheid noch verachting kunnen hem treffen.4. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel.[178]3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar letterlijk staat er, als in Hfdst.IV: „Het verstompt zijn scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst.IV, waar Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de gelijkenis nog sterker.[179][Inhoud]Hoofdstuk LVII.Hoofdstuk LVII.1. Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met Wu Wei wint men het Rijk.2. Hoe weet ik, dat het zoo met het Rijk is? Door dit:1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde, dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.3. Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te armer wordt het volk; hoe meer middelen tot productie van weelde het volk heeft, des te verwarder wordt de staat; hoe bekwamer en vernuftiger het volk is, des te meerartificiëeledingen worden er gemaakt; hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen.3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van Staatsbladen, die een ambtenaar inNed.-Indiëmoet kennen?4. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei en dan zal het volk zich vanzelf hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht worden. Ik doe geen werk, en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig worden.4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”. Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote ondernemingen”, enz.[Inhoud]Hoofdstuk LVIII.Hoofdstuk LVIII.1. Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de regeering overal den neus[180]in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de wet maken.1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd,[181]die een ander klassenhoofd voor het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.2. Falen is de basis van slagen; slagen is de basis van falen. Wie weet (van die twee) het uiterste?2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.3. Voor den ongerechte lijkt gerechtigheid als vreemd, en goedheid als verdorvenheid.4. Waarlijk, de menschheid is gedompeld in dwaling, sinds menigen dag!5. Daarom, de Wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend zonder te verblinden.3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.[Inhoud]Hoofdstuk LIX.1. Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat niets boven de gematigdheid.Hoofdstuk LIX.2. Gematigdheid is het allereerst noodige voor den mensch.3. Dit allereerst noodige noem ik eene zware opeenstapeling van deugd. Met eene zware opeenstapeling van deugd is er niets, wat hij niet verwezenlijken kan. Als er niets is, wat hij niet verwezenlijken kan, kent niemand de grenzen (van[182]zijn macht). Als niemand de grenzen kent (van zijn macht) is hij geschikt om het rijk te regeeren.2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan „Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.[183]4. Die het oer-principe van het rijk bezit, zal lang blijven (regeeren). Dit is wat men noemt „een krachtigen en diep geplanten wortel hebben”. Dit is de leer van lang te leven.4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.[Inhoud]Hoofdstuk LX.Hoofdstuk LX.1. Om een groot rijk te regeeren moet men even zoo voorzichtig zijn als in ’t bakken van een klein vischje.1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de bedoeling te doen uitkomen.2. Als men het rijk regeert met Tao zijn de kwade invloeden tot inactie gedwongen; niet dat zij hun macht verloren hebben, maar zij kwetsen de menschen niet. Niet alleen dat zij de menschen niet kunnen kwetsen, maar zelfs de Wijze kwetst de menschen niet.3. Noch de Wijze, noch de kwade invloeden kwetsen hen, daarom zullen hunne deugden samen ineenvloeien.2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade invloeden”.[185]4. Dit is niet erg duidelijk.[Inhoud]Hoofdstuk LXI.1. Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke zich de wateren van het rijk uitstorten.[184]2. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is eene vernedering.3. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen.4. Daarom, de een vernedert zich om te krijgen, de ander om gekregen te worden.5. Wat een groote staat enkel moet willen is zich te vergrooten en uit te breiden, wat een kleine staat enkel moet willen is protectie, dan krijgen beide wat zij noodig hebben.6. Maar de grooten behooren zich te vernederen![Inhoud]Hoofdstuk LXII.Hoofdstuk LXII.1. Tao is de veilige schuilplaats van alle dingen, de schat van de goeden, de steun van de slechten.2. Goede woorden kunnen ons tot voordeel zijn, en een eerwaardig gedrag kan ons boven de anderen verheffen.1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op kunnen steunen om goed te worden.3. Hoe kan men het wegmaken, dat er slechte menschen zijn?[186]3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking[187]in het chineesch. Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si un homme n’est pas vertueux,pourrait-onle repousser avec mépris?” Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a mans vileness?”4. Daarom heeft men een keizerschap gegrondvest en drie ministers ingesteld.4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor te zorgen dat de slechten beter worden en5. Al houdt men in beide handen een jaspisstaf en gaat men vóór met een vierspan, het is beter te blijven zitten en vooruit te gaan in Tao.6. Hoe is het, dat de ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men Het vanzelf vindt zonder den ganschen dag te zoeken, en omdat Het de misdaden vergeeft?7. Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel.5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der hooge mandarijnen) en vierspannen.[Inhoud]Hoofdstuk LXIII.1. De Wijze doet Wu Wei, werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder smaak is.Hoofdstuk LXIII.2. Het groote en het kleine, het vele en het weinige zijn even gewichtig voor hem.[188]2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites,[189]nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat volgt.3. Hij wreekt kwaad met goed.4. Als hij moeilijke dingen ontwerpt, begint hij met de gemakkelijke, als hij groote dingen wil doen, begint hij met de kleine.3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.5. De moeilijke dingen onder den Hemel zijn stellig uit de gemakkelijke gemaakt, de groote dingen onder den Hemel zijn stellig uit de kleine gemaakt.6. Daarom, de Wijze zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote dingen.7. Lichtvaardig gedane beloften worden stellig zelden gehouden, en wie veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt dat veel moeilijk is.8. Daarom, de Wijze vindt alsof alles moeilijk is, en daarom juist ondervindt hij nooit moeilijkheden.5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.[Inhoud]Hoofdstuk LXIV.Hoofdstuk LXIV.Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet verklaren, niet in te durven staan voor de[191]juistheid van de vertaling op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.1. Dat, wat in rust is, is gemakkelijk te behouden in zijn toestand; dat wat nog niet verschenen[190]is, is gemakkelijk te voorkomen; dat wat broos is, is gemakkelijk te breken; dat wat klein is, is gemakkelijk te verspreiden.1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt nog al wat!2. Houdt het kwaad tegen vóór het bestaat, regeer wanorde vóór zij uitbarst.3. Een boom dien gij met beide armen (nauwelijks) kunt omvatten is gegroeid uit een vezeltje zoo fijn als een haar; een toren van negen verdiepingen is uit een klein hoopje aarde opgericht, en een reis van duizend li’s begint met een enkelen voetstap.2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.4. Wie „doet”faalt, wie grijpt verliest (wat hij grijpt).5. Daarom, de Wijze is Wu Wei en faalt daarom niet, de Wijze grijpt niet en verliest daarom niet.6. Als het volk iets doet faalt het altijd als het op het punt is om te slagen.[192]7. Zorg voor het einde zoowel als voor het begin, dan zult gij niet falen.4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding, door mij aangegeven.[193]8. Vandaar, de Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen; zijn studie is géén studie en daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen. Hij laat alle dingen hun natuurlijken gang gaan, en komt niet tusschenbeide.8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft: „And you (hier dushe) will revert to a condition which mankind in general have lost”.[Inhoud]Hoofdstuk LXV.1. De Ouden, die Tao betrachtten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te maken, maar om het simpel te houden.2. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet.Hoofdstuk LXV.3. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij die niet met al dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk.4. Hij die deze beide dingen weet, is ook een voorbeeld (voor het rijk). Altijd een voorbeeld weten te zijn, noem ik de mystieke deugd (hebben). (Deze deugd) is diep, en vèr-reikend, en tegenovergesteld aan de (materieele) dingen!3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.5. En daarna komt men tot den grooten vrede.[194]5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid, volgzaamheid”.[195][Inhoud]Hoofdstuk LXVI.1. Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, daarom kunnen zij de koningen aller stroomen zijn.2. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond houden.3. Daardoor staat hij boven allen, en weegt (toch) niet zwaar op het volk, staat hij voor allen uit en kwetst (toch) het volk niet. Daardoor gehoorzaamt het rijk hem met vreugde, en wordt hem niet moede.4. Omdat hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die met hem strijden kan.[Inhoud]Hoofdstuk LXVII.Hoofdstuk LXVII.1. Allen in het rijk noemen mij groot, maar ik ben als gedegenereerd. Juist omdát ik groot ben, ben ik als gedegenereerd.2. Als ik daaraan (d.i. aan groot) gelijk ware.… reeds lang, naar ik meen, weet ik daar het kleine van.[196]1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met „niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst.II.[197]3. Welnu, ik heb drie schatten, die ik vasthoud en in eere houd. De eene heet Liefde. De tweede heet Zuinigheid. De derde heet Nederigheid.4. Door mijn liefde kan ik dapper zijn, door mijn zuinigheid kan ik veel geven, door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.5. Tegenwoordig verwerpt men de liefde en is (toch) dapper, verwerpt men de zuinigheid, en geeft (toch) veel uit, en verwerpt men de laatste plaats om (toch) de eerste te zijn.Dit leidt tot den dood, naar ik meen.3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet durven de eerste in het rijk zijn”.6. Welnu, als men strijdt vervuld van liefde, overwint men, en als men iets verdedigt vervuld van liefde, zal men het behouden.7. De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil.6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.[199][Inhoud]Hoofdstuk LXVIII.1. Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig. Hij, die een goed strijder is, is niet toornig. Hij, die een goed overwinnaar is, worstelt niet. Hij, die goed menschen (weet te) gebruiken, stelt zich onder hen.2. Dit noem ik de deugd die niet strijdt. Dit[198]noem ik de kracht die de menschen weet te gebruiken. Dit noem ik met den Hemel samen één zijn.3. Dit was het opperste, waartoe de Ouden kwamen.[Inhoud]Hoofdstuk LXIX.1. Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te vallen); ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit te gaan; ik ga liever een voet terug.Hoofdstuk LXIX.2. Dit noem ik vorderingen maken zonder vooruit te gaan, terugslaan zonder de armen uit te strekken, vervolgen zonder dat er een vijand is, grijpen zonder wapenen.3. Er is geen grooter ramp dan den vijand (te) gering te achten. Den vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.4. Als twee legers van gelijke kracht strijden, overwint dat leger dat de liefde heeft.4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien er in „de liefde voor het vaderland”.[201][Inhoud]Hoofdstuk LXX.1. Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze betrachten.[200]2. Mijne woorden hebben een’ Oorsprong, mijne daden hebben een’ Meester (Tao). Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen ze mij niet.3. Zij, die mij kennen, zijn zeldzaam. Dat is (juist) mijne eerwaardigheid, naar ik meen.4. Daarom, de Wijze trekt grove wollen kleederen aan, en verbergt zijn edelsteenen in zijn boezem.[Inhoud]Hoofdstuk LXXI.1. Te weten dat wij niet weten is superieur. Niet te weten en denken te weten is de ziekte der menschen.2. Als men om deze ziekte lijdt zal men haar ontkomen.3. De Wijze heeft deze ziekte niet, (juist) omdat hij er het lijden van weet. Dáárom is hij er niet ziek van.Hoofdstuk LXXI.De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn” beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik, duidelijk genoeg.Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet weten (is) superieur”.Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te verkiezen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXII.Hoofdstuk LXXII.1. Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal dat, wat te vreezen is, tot hem komen.[202]2. Vindt uwe woning niet te nauw, walg niet van uw levenslot.3. Nu, ik walg niet van het mijne, daarom boezemt het mij geen walging in.1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.[203]4. Daarom, de Wijze kent zichzelf, maar zonder gezien te willen worden; hij heeft zich zelf lief, maar zonder zich hoog te stellen. Hij verwerpt het eene, en langt naar het andere.4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIII.Hoofdstuk LXXIII.1. Hij, die zijn moed aanwendt om te durven, vindt den dood, maar hij, die moed (genoeg) heeft om niet te durven, zal leven.2. Van deze twee dingen is het eene nuttig, het andere schadelijk.1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander: „He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in whom it is tempered with discretion, will save it”.Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt dezelfde.3. Wie weet de reden als de Hemel iets haat?3. Het verband is mij hier niet duidelijk.4. Daarom, de Wijze is alsof hij alles moeilijk vindt.4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met Hfdst.LXIII.5. De Tao van den Hemel is niet te strijden en (toch) goed te overwinnen, niet te spreken, en (toch) goed geantwoord te worden, niet op te roepen en (toch) de menschen vanzelf te doen komen.[204]5.M.a.w.: De Tao vanden Hemelis Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook „gehoorzaamd”.[205]6. Hij lijkt stil, maar maakt goed plannen.7. Het net van den Hemel is (eindeloos) groot; zijn mazen zijn ver van elkaar, maar niemand ontsnapt er aan.6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen zin als niets doend, bijna lui.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIV.Hoofdstuk LXXIV.1. Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen met den dood?2. Als het volk voortdurend den dood vreesde, en er waren slechten, dan zou ik die grijpen en ter dood brengen, en wie zou dan nog durven?1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.3. Er is altijd een Opperrechter om den doodstraf op te leggen. Hij, die in plaats van dien Opperrechter wil dooden, is als een, die in plaats van den timmerman hout gaat kappen.3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf snijden, d.i. ten onder brengen.4. Onder hen, die in plaats van den timmerman hout gaan kappen, zijn er maar weinigen, die niet hun vingers snijden.4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden, waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!![207][Inhoud]Hoofdstuk LXXV.1. Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom heeft het honger.[206]Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren. Het volk schat den dood gering, omdat het te intens zoekt te leven.2. Maar hij, die niets doet om te leven, is wijzer dan hij die het leven (bovenmatig) hoogschat.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVI.1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij soepel enteêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal.2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en zwakheid zijn de volgelingen van het leven.3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk is wordt hij omgehakt.4. Wat sterk en groot is, is inferieur, wat zacht en zwak is, is superieur.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVII.Hoofdstuk LXXVII.1. De Tao van den Hemel is als het spannen van een boog, dat het hooge naar de laagte brengt, en het lage verheft, dat afneemt van wat te veel, en toevoegt aan wat te weinig is.[208]1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te maken naarmate het doel lager of hooger is.[209]2. De Tao van den Hemel is om af te nemen van wat te veel, om toe te voegen aan wat te weinig is.3. Maar de Tao van de menschen is om af te nemen van wie (al) niet genoeg hebben, en toe te voegen aan wie (al) te veel hebben.4. Wie is in staat om wat hij over heeft aan de wereld te schenken? Alleen hij, die Tao heeft.5. Daarom, de Wijze doet (goed) maar steunt er niet op; als zijn werk volbracht is hecht hij er zich niet aan, en hij wenscht niet zijn eigen eerwaardigheid te doen uitkomen.2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXVIII.HoofdstukLXXVIII.1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.2. Er is niemand in de wereld, die dit niet weet, maar niemand kan het in toepassing brengen.1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan vervangen”.3. Daarom zegt de Wijze: Hij, die de schande van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) Heer van het rijk (te zijn); hij, die de rampen van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) koning van het rijk te zijn.[210]3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren zonder morren en beklag.[211]4. Dit zijn ware woorden, die contradicties schijnen.4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXIX.1. Als een groote twist beslecht is, blijft er stellig (altijd) nog wat vijandigheid over. De kwestie is, hoe dit nu goed te maken.Hoofdstuk LXXIX.2. Daarom, de Wijze bewaart de linkerzijde van het contract, en eischt niets van de anderen.2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen, moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden (Pue Yeou Thsing, Julien).3. Wie deugd heeft zorgt voor geven, wie geen deugd heeft zorgt voor eischen.3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.[213]4. De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, maar is toch altijd mild voor de goeden.4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen.[Inhoud]Hoofdstuk LXXX.1. Als ik over een kleinen staat regeerde met een weinig volk zou ik, al waren er wapenen[212]voor tientallen of honderdtallen, die (toch) niet gebruiken.2. Ik zou maken, dat het volk den dood vreesde, en niet emigreerde.3. Al waren er schepen en wagenen, men zou er niet ingaan.Al waren er kurassen en wapenen, men zou ze niet aandoen.4. Ik zou maken dat het volk terugkeerde tot het gebruik der geknoopte koorden.5. Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijn kleederen mooi maken, rust hebben in zijn woning, en vreugde scheppen in zijn simpele zeden.6. Al lag een naburige staat vlak over den mijnen, zoodat de honden en hanen aan weerszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en sterven zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.[Inhoud]Hoofdstuk LXXXI.Hoofdstuk LXXXI.1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet goed.[214]3. Zij, die (Tao) kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen (Tao) niet.4. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.5. De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen, maar niet te strijden.[75]1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil., deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)[215]Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de welsprekendheid.” (Hfdst. V.)[216]
[Inhoud]Hoofdstuk XXXVIII.Hoofdstuk XXXVIII.Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh” verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet. Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is. Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk is geen geluk” correspondeert er mede.1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen Deugd.2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit, den naam voor het ding zelf.3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht” bijkomt, wordt het al onzuiver.4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er[146]is geen antwoord op. Zij wordt erkend door een beweging van den arm.4. Hier ga ik mede met de van alle anderen afwijkende[147]vertaling van Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en zichtbare gebaren.”5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid verloren is komt daarna het decorum.6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en het begin van verwarring.5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ) is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een boom.7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij verwerpt het eene en langt naar het andere.7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen, zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.
Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh” verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet. Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is. Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk is geen geluk” correspondeert er mede.
1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen Deugd.
2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.
1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit, den naam voor het ding zelf.
3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.
3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht” bijkomt, wordt het al onzuiver.
4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er[146]is geen antwoord op. Zij wordt erkend door een beweging van den arm.
4. Hier ga ik mede met de van alle anderen afwijkende[147]vertaling van Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en zichtbare gebaren.”
5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid verloren is komt daarna het decorum.
6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en het begin van verwarring.
5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ) is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een boom.
7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.
8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij verwerpt het eene en langt naar het andere.
7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen, zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.
[Inhoud]Hoofdstuk XXXIX.Hoofdstuk XXXIX.1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:[148]de Hemel, die puur is door de Eénheid.de Aarde, die in rust is door de Eénheid.de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun Eénheid.Dát heeft de Eénheid voortgebracht.2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te scheuren.Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te barsten.Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen van optehouden te bestaan.Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te verdrogen.Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te sterven.Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te worden gestooten.1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens en dingen hunne verschillende naturen[149]hebben te danken aan één ding, Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn, de Aarde niet in rust, enz. enz.3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het hooge heeft zijne grondvesten in het lage.[150]Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het ordinaire, en terecht?3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit bescheidenheid die lage titels[151]om te doen uitkomen, dat zij hun oorsprong hebben gehad in het volk.4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet veracht als (gewone) steen.4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.
1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:[148]
de Hemel, die puur is door de Eénheid.
de Aarde, die in rust is door de Eénheid.
de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.
de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.
de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.
de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun Eénheid.
Dát heeft de Eénheid voortgebracht.
2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te scheuren.
Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te barsten.
Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen van optehouden te bestaan.
Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te verdrogen.
Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te sterven.
Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te worden gestooten.
1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens en dingen hunne verschillende naturen[149]hebben te danken aan één ding, Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn, de Aarde niet in rust, enz. enz.
3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het hooge heeft zijne grondvesten in het lage.[150]
Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het ordinaire, en terecht?
3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit bescheidenheid die lage titels[151]om te doen uitkomen, dat zij hun oorsprong hebben gehad in het volk.
4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.
5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet veracht als (gewone) steen.
4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.
[Inhoud]Hoofdstuk XL.Hoofdstuk XL.1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).Zachtheid is Zijne functie.2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l. dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste levenswijsheid, is Wu Wei zijn.2. ZieInleidingen Hfdst.I.[153]2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz. enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen, zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige, slaat weer op Tao.
1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).
Zachtheid is Zijne functie.
2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.
1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l. dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste levenswijsheid, is Wu Wei zijn.
2. ZieInleidingen Hfdst.I.[153]
2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz. enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen, zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.
3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige, slaat weer op Tao.
[Inhoud]Hoofdstuk XLI.1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk) ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren, lachen zij er[152]hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet zijn.2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui; zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao verborgen, en heeft geen naam.4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.
1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk) ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren, lachen zij er[152]hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet zijn.
2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui; zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.
3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao verborgen, en heeft geen naam.
4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.
[Inhoud]Hoofdstuk XLII.Hoofdstuk XLII.1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle dingen.Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur.[154]1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee, en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang (mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King”[155]leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo (als met een eerenaam).3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft zal vernederd worden.4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is een tekst apart.
1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle dingen.
Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur.[154]
1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee, en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang (mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King”[155]leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.
Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!
2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo (als met een eerenaam).
3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft zal vernederd worden.
4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.
5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.
6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.
2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is een tekst apart.
[Inhoud]Hoofdstuk XLIII.Hoofdstuk XLIII.1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan vernietigen.2. Hetimmaterieeledringt binnen in het ondoordringbare.[156]2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is”.[157]3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die niet uit de zuivere ziel komt.
1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.
1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan vernietigen.
2. Hetimmaterieeledringt binnen in het ondoordringbare.[156]
2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is”.[157]
3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.
Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.
3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die niet uit de zuivere ziel komt.
[Inhoud]Hoofdstuk XLIV.1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?Hoofdstuk XLIV.3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed verkwisten.[159]2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken, en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en daardoor kan ook niets hém overwinnen.3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de wereld”.
1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?
Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?
3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed verkwisten.[159]
2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?
3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.
Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.
Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.
2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken, en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en daardoor kan ook niets hém overwinnen.
3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de wereld”.
[Inhoud]Hoofdstuk XLV.1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk[158]recht en lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en lijkt een stamelaar.2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.3. Hij die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van het rijk.
1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk[158]recht en lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en lijkt een stamelaar.
2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.
3. Hij die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van het rijk.
[Inhoud]Hoofdstuk XLVI.Hoofdstuk XLVI.1. Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op het land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de krijgsrossen gefokt op de grenzen.2. Er is géén zoo groote misdaad als zich veel begeerten toe te staan; er isgéénzoo groot ongeluk als niet genoeg weten te hebben; er is géén zoo groote ramp als (altijd) maar te willen krijgen.3. Daarom, hij die genoeg weet te hebben, is altijd tevreden, naar ik meen.[160]1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.[161]
1. Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op het land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de krijgsrossen gefokt op de grenzen.
2. Er is géén zoo groote misdaad als zich veel begeerten toe te staan; er isgéénzoo groot ongeluk als niet genoeg weten te hebben; er is géén zoo groote ramp als (altijd) maar te willen krijgen.
3. Daarom, hij die genoeg weet te hebben, is altijd tevreden, naar ik meen.[160]
1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.[161]
[Inhoud]Hoofdstuk XLVII.1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.2. Hoe verder gij uitgaat, hoe minder gij zult weten.3. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie.Hoofdstuk XLVII.Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen ziel”.
1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.
2. Hoe verder gij uitgaat, hoe minder gij zult weten.
3. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie.
Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen ziel”.
[Inhoud]Hoofdstuk XLVIII.Hoofdstuk XLVIII.1. Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder en minder, tot Wu Wei bereikt is.1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens, begeerten, aardsche dingen krijgen.”2. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets wat men niet kan doen, naar ik meen.3. Door altijd niets te doen kan men over het Rijk meester worden. Maar door te doen is men niet in staat, meester te worden van het Rijk.[162]2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei (doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie, indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch gedoe van begeerten en verlangens”.[163]
1. Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder en minder, tot Wu Wei bereikt is.
1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens, begeerten, aardsche dingen krijgen.”
2. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets wat men niet kan doen, naar ik meen.
3. Door altijd niets te doen kan men over het Rijk meester worden. Maar door te doen is men niet in staat, meester te worden van het Rijk.[162]
2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei (doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie, indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch gedoe van begeerten en verlangens”.[163]
[Inhoud]Hoofdstuk XLIX.Hoofdstuk XLIX.1. De Wijze heeft geen buitengewoon hart. Hij beschouwt het hart van het volk als het zijne.1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier ook in den zin van „gevoelens”.2. Ik ben voor de goeden goed. Voor de niet-goeden ben ik ook goed, om ze goed te maken. Ik geloof de oprechten. De niet-oprechten geloof ik ook, om ze oprecht te maken.2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh” verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel voorkomt, en die ook o.a. Gilese.a.en veel chineesche commentators maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.3. De wijze in de wereld is voortdurend in vreeze dat de wereld zijn hart in verwarring zal brengen.[164]3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward, vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme etsincère” voor „tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.[165]4. De ooren en oogen der honderd families zijn op hem gericht, en hij beschouwt hen als kinderen.4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.
1. De Wijze heeft geen buitengewoon hart. Hij beschouwt het hart van het volk als het zijne.
1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier ook in den zin van „gevoelens”.
2. Ik ben voor de goeden goed. Voor de niet-goeden ben ik ook goed, om ze goed te maken. Ik geloof de oprechten. De niet-oprechten geloof ik ook, om ze oprecht te maken.
2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh” verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel voorkomt, en die ook o.a. Gilese.a.en veel chineesche commentators maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.
3. De wijze in de wereld is voortdurend in vreeze dat de wereld zijn hart in verwarring zal brengen.[164]
3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward, vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme etsincère” voor „tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.[165]
4. De ooren en oogen der honderd families zijn op hem gericht, en hij beschouwt hen als kinderen.
4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.
[Inhoud]Hoofdstuk L.1. De mensch komt uit het leven en gaat in den dood.Hoofdstuk L.2. Er zijn dertien dienaren van het leven en dertien dienaren van den dood.3. Als de mensch geboren is, bewegen hem ook al de dertien dienaren van den dood.2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen „oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid, zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en 13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ) zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond, de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de dertien zijn.4. Wat is hier toch wel de reden van? Dat hij te intens wil leven, en te veel vitaliteit verspilt.4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo zijn levenskracht verspillen”.5. Ik heb hooren zeggen, dat hij, die zijn leven weet te regeeren, zonder gevaar langs een weg kan gaan, waar rhinocerossen en tijgers zijn,[166]en in het leger kan treden zonder harnas of wapenen, want de rhinoceros zou geen plek kunnen vinden om zijn hoorn in te boren, de tijger geen plek om zijn klauwen in te slaan, de krijgsman geen plek om zijn zwaard in te steken.6. En hoe komt dat dan wel? Omdat hij niet blootgesteld is aan den dood.5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden, het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t spiritueele leeft, heeft[167]als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson vergelijkt deze regelen terecht metMarkus XVI, 18: „Slangen zullen zij (die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden”.
1. De mensch komt uit het leven en gaat in den dood.
2. Er zijn dertien dienaren van het leven en dertien dienaren van den dood.
3. Als de mensch geboren is, bewegen hem ook al de dertien dienaren van den dood.
2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen „oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid, zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en 13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ) zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond, de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de dertien zijn.
4. Wat is hier toch wel de reden van? Dat hij te intens wil leven, en te veel vitaliteit verspilt.
4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo zijn levenskracht verspillen”.
5. Ik heb hooren zeggen, dat hij, die zijn leven weet te regeeren, zonder gevaar langs een weg kan gaan, waar rhinocerossen en tijgers zijn,[166]en in het leger kan treden zonder harnas of wapenen, want de rhinoceros zou geen plek kunnen vinden om zijn hoorn in te boren, de tijger geen plek om zijn klauwen in te slaan, de krijgsman geen plek om zijn zwaard in te steken.
6. En hoe komt dat dan wel? Omdat hij niet blootgesteld is aan den dood.
5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden, het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t spiritueele leeft, heeft[167]als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson vergelijkt deze regelen terecht metMarkus XVI, 18: „Slangen zullen zij (die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden”.
[Inhoud]Hoofdstuk LI.Hoofdstuk LI.1. Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Teh (Zijne manifestatie in hen). Het vormt ze door Zijne substantie. Het volmaakt ze door Zijne impulsie.2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh hoogacht.3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.4. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze.1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als gemanifesteerd zijnde in de creatie.Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog eens goed te doen uitkomen wat Teh is.5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.[168]5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.[169]Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the supreme Soul”.
1. Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Teh (Zijne manifestatie in hen). Het vormt ze door Zijne substantie. Het volmaakt ze door Zijne impulsie.
2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh hoogacht.
3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.
4. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze.
1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als gemanifesteerd zijnde in de creatie.
Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog eens goed te doen uitkomen wat Teh is.
5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.[168]
5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.[169]
Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.
Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the supreme Soul”.
[Inhoud]Hoofdstuk LII.Hoofdstuk LII.1. De wereld heeft een begin, dat werd de Moeder der wereld.1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.2. Als men de moeder bezit kent men daardoor hare kinderen. Als men hare kinderen kent en daarna de moeder behoudt, al sterft het lichaam weg, men heeft dan geen gevaar te duchten.2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.3. Hij, die zijn mond sluit, en zijne oogen en ooren dichtdoet, zal zijn geheele leven lang niet (behoeven te) tobben. Hij, die zijn mond opendoet, en zich druk gaat maken, is niet (meer) te redden.3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.4. Het kleine te zien heet verlicht zijn, zwakheid te handhaven heet sterk zijn.4. Het kleine, d.i. het subtiele.5. Als men gebruik maakt van de afschittering van Tao om daarna tot Zijn licht terug te keeren, heeft het lichaam geen ramp meer te vreezen.6. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.[170]5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar dubieus blijft het.[171]
1. De wereld heeft een begin, dat werd de Moeder der wereld.
1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.
2. Als men de moeder bezit kent men daardoor hare kinderen. Als men hare kinderen kent en daarna de moeder behoudt, al sterft het lichaam weg, men heeft dan geen gevaar te duchten.
2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.
3. Hij, die zijn mond sluit, en zijne oogen en ooren dichtdoet, zal zijn geheele leven lang niet (behoeven te) tobben. Hij, die zijn mond opendoet, en zich druk gaat maken, is niet (meer) te redden.
3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.
4. Het kleine te zien heet verlicht zijn, zwakheid te handhaven heet sterk zijn.
4. Het kleine, d.i. het subtiele.
5. Als men gebruik maakt van de afschittering van Tao om daarna tot Zijn licht terug te keeren, heeft het lichaam geen ramp meer te vreezen.
6. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.[170]
5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar dubieus blijft het.[171]
[Inhoud]Hoofdstuk LIII.Hoofdstuk LIII.1. Als ik, bij toeval, eens een beetje kennis had, zou ik den grooten Weg bewandelen.1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.2. Mijn vrees zou zijn, of ik (deze leer) wel zou kunnen verspreiden.2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees, is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het volgende.3. (Want) de groote Weg is zeer vlak, maar het volk houdt van de zijpaden.3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.4. Als de paleizen veel treden hebben, zijn de velden vol onkruid, en zijn de graanschuren ganschelijk ledig.5. De prinsen kleeden zich in schitterende gewaden, dragende een scherp zwaard; zij verzadigen zich aan (lekker) eten en drinken, en hebben schatten en goederen te over.4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig zijn.6. Dit noem ik het voorbeeld geven van diefstal. Dit is niet zich toeleggen op Tao![172]6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier, zooals hij in zijn beroemd „Khang[173]Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg. Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet beteekenen.
1. Als ik, bij toeval, eens een beetje kennis had, zou ik den grooten Weg bewandelen.
1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.
2. Mijn vrees zou zijn, of ik (deze leer) wel zou kunnen verspreiden.
2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees, is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het volgende.
3. (Want) de groote Weg is zeer vlak, maar het volk houdt van de zijpaden.
3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.
4. Als de paleizen veel treden hebben, zijn de velden vol onkruid, en zijn de graanschuren ganschelijk ledig.
5. De prinsen kleeden zich in schitterende gewaden, dragende een scherp zwaard; zij verzadigen zich aan (lekker) eten en drinken, en hebben schatten en goederen te over.
4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig zijn.
6. Dit noem ik het voorbeeld geven van diefstal. Dit is niet zich toeleggen op Tao![172]
6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier, zooals hij in zijn beroemd „Khang[173]Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg. Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.
Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet beteekenen.
[Inhoud]Hoofdstuk LIV.Hoofdstuk LIV.1. Hij, die goed weet te grondvesten, zal (zijn werk) niet ontworteld zien; hij, die goed weet vast te houden, zal niet laten ontglippen.2. Zijn zonen en kleinzonen zullen voor hem offeren zonder ophouden.1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i. hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius, Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.3. Als de mensch Het betracht in zich zelven, zal zijn deugd reëel worden. Als hij Het betracht in zijne familie zal zijn deugd overvloedig worden. Als hij Het in zijn dorp betracht zal zijn deugd (vèr) verspreid worden. Als hij Het in zijn staat betracht zal zijn deugd rijk-bloeiend[174]worden. Als hij Het in het Rijk betracht zal zijn deugd universeel worden.4. Daarom, naar zich zelf oordeelt men anderen, naar zijne familie oordeelt men andere familieën; naar zijn dorp oordeelt men andere dorpen; naar zijn staat oordeelt men andere staten; naar zijn Rijk oordeelt men andere (toekomstige) Rijken.3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie, zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6, blz. 148.Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a.[175]„Hij, die Het in zijn dorp betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.5. Hoe weet ik dat het aldus met het Rijk is? (Juist) door Dit.5. „Door Dit”, d.i. door Tao.
1. Hij, die goed weet te grondvesten, zal (zijn werk) niet ontworteld zien; hij, die goed weet vast te houden, zal niet laten ontglippen.
2. Zijn zonen en kleinzonen zullen voor hem offeren zonder ophouden.
1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i. hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius, Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.
3. Als de mensch Het betracht in zich zelven, zal zijn deugd reëel worden. Als hij Het betracht in zijne familie zal zijn deugd overvloedig worden. Als hij Het in zijn dorp betracht zal zijn deugd (vèr) verspreid worden. Als hij Het in zijn staat betracht zal zijn deugd rijk-bloeiend[174]worden. Als hij Het in het Rijk betracht zal zijn deugd universeel worden.
4. Daarom, naar zich zelf oordeelt men anderen, naar zijne familie oordeelt men andere familieën; naar zijn dorp oordeelt men andere dorpen; naar zijn staat oordeelt men andere staten; naar zijn Rijk oordeelt men andere (toekomstige) Rijken.
3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie, zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6, blz. 148.
Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a.[175]„Hij, die Het in zijn dorp betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.
5. Hoe weet ik dat het aldus met het Rijk is? (Juist) door Dit.
5. „Door Dit”, d.i. door Tao.
[Inhoud]Hoofdstuk LV.Hoofdstuk LV.1. Hij die een intenze deugd heeft gelijkt op een pasgeboren kind, dat de steken van venijnige insecten niet vreest, noch de klauwen van wilde beesten, noch den greep van roofvogels.2. Zijn beenderen zijn zwak, zijn pezen zijn week, en (toch) houdt het (de dingen) stevig vast.3. Het weet nog niet de gemeenschap der beide seksen en (toch) is er (al) wat actie in zijn geslachtsdeel. Dit is door de volmaaktheid van het semen.1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.4. Het schreeuwt den ganschen dag en (toch) wordt zijn keel niet schor. Dit is (door) de volmaaktheid van de harmonie.[176]4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de volkomen harmonie der vitale krachten.[177]5. Te weten wat harmonie is heet onveranderlijk (eeuwigdurend) zijn. Te weten wat onveranderlijk is heet verlicht zijn. Vermeerdering van leven heet zaligheid. De geest het lichaam besturende heet kracht.5. Zie Hfdst.XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat er „het hart de vitale energie besturende”.6. Vanaf het toppunt van kracht worden de dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.6. Zie Hfdst.XXX.
1. Hij die een intenze deugd heeft gelijkt op een pasgeboren kind, dat de steken van venijnige insecten niet vreest, noch de klauwen van wilde beesten, noch den greep van roofvogels.
2. Zijn beenderen zijn zwak, zijn pezen zijn week, en (toch) houdt het (de dingen) stevig vast.
3. Het weet nog niet de gemeenschap der beide seksen en (toch) is er (al) wat actie in zijn geslachtsdeel. Dit is door de volmaaktheid van het semen.
1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.
4. Het schreeuwt den ganschen dag en (toch) wordt zijn keel niet schor. Dit is (door) de volmaaktheid van de harmonie.[176]
4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de volkomen harmonie der vitale krachten.[177]
5. Te weten wat harmonie is heet onveranderlijk (eeuwigdurend) zijn. Te weten wat onveranderlijk is heet verlicht zijn. Vermeerdering van leven heet zaligheid. De geest het lichaam besturende heet kracht.
5. Zie Hfdst.XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat er „het hart de vitale energie besturende”.
6. Vanaf het toppunt van kracht worden de dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.
6. Zie Hfdst.XXX.
[Inhoud]Hoofdstuk LVI.1. Zij die (Tao) weten spreken er niet over; zij die er over spreken weten Het niet.Hoofdstuk LVI.2. De Wijze doet zijn mond dicht, sluit oogen en ooren, haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het (verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem ik eene mystieke gelijkenis (met Tao).2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.3. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, geëerdheid noch verachting kunnen hem treffen.4. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel.[178]3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar letterlijk staat er, als in Hfdst.IV: „Het verstompt zijn scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst.IV, waar Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de gelijkenis nog sterker.[179]
1. Zij die (Tao) weten spreken er niet over; zij die er over spreken weten Het niet.
2. De Wijze doet zijn mond dicht, sluit oogen en ooren, haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het (verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem ik eene mystieke gelijkenis (met Tao).
2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.
3. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, geëerdheid noch verachting kunnen hem treffen.
4. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel.[178]
3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar letterlijk staat er, als in Hfdst.IV: „Het verstompt zijn scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst.IV, waar Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de gelijkenis nog sterker.[179]
[Inhoud]Hoofdstuk LVII.Hoofdstuk LVII.1. Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met Wu Wei wint men het Rijk.2. Hoe weet ik, dat het zoo met het Rijk is? Door dit:1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde, dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.3. Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te armer wordt het volk; hoe meer middelen tot productie van weelde het volk heeft, des te verwarder wordt de staat; hoe bekwamer en vernuftiger het volk is, des te meerartificiëeledingen worden er gemaakt; hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen.3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van Staatsbladen, die een ambtenaar inNed.-Indiëmoet kennen?4. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei en dan zal het volk zich vanzelf hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht worden. Ik doe geen werk, en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig worden.4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”. Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote ondernemingen”, enz.
1. Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met Wu Wei wint men het Rijk.
2. Hoe weet ik, dat het zoo met het Rijk is? Door dit:
1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde, dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.
3. Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te armer wordt het volk; hoe meer middelen tot productie van weelde het volk heeft, des te verwarder wordt de staat; hoe bekwamer en vernuftiger het volk is, des te meerartificiëeledingen worden er gemaakt; hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen.
3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van Staatsbladen, die een ambtenaar inNed.-Indiëmoet kennen?
4. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei en dan zal het volk zich vanzelf hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht worden. Ik doe geen werk, en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig worden.
4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”. Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote ondernemingen”, enz.
[Inhoud]Hoofdstuk LVIII.Hoofdstuk LVIII.1. Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de regeering overal den neus[180]in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de wet maken.1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd,[181]die een ander klassenhoofd voor het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.2. Falen is de basis van slagen; slagen is de basis van falen. Wie weet (van die twee) het uiterste?2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.3. Voor den ongerechte lijkt gerechtigheid als vreemd, en goedheid als verdorvenheid.4. Waarlijk, de menschheid is gedompeld in dwaling, sinds menigen dag!5. Daarom, de Wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend zonder te verblinden.3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.
1. Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de regeering overal den neus[180]in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de wet maken.
1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd,[181]die een ander klassenhoofd voor het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.
2. Falen is de basis van slagen; slagen is de basis van falen. Wie weet (van die twee) het uiterste?
2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.
3. Voor den ongerechte lijkt gerechtigheid als vreemd, en goedheid als verdorvenheid.
4. Waarlijk, de menschheid is gedompeld in dwaling, sinds menigen dag!
5. Daarom, de Wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend zonder te verblinden.
3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.
[Inhoud]Hoofdstuk LIX.1. Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat niets boven de gematigdheid.Hoofdstuk LIX.2. Gematigdheid is het allereerst noodige voor den mensch.3. Dit allereerst noodige noem ik eene zware opeenstapeling van deugd. Met eene zware opeenstapeling van deugd is er niets, wat hij niet verwezenlijken kan. Als er niets is, wat hij niet verwezenlijken kan, kent niemand de grenzen (van[182]zijn macht). Als niemand de grenzen kent (van zijn macht) is hij geschikt om het rijk te regeeren.2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan „Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.[183]4. Die het oer-principe van het rijk bezit, zal lang blijven (regeeren). Dit is wat men noemt „een krachtigen en diep geplanten wortel hebben”. Dit is de leer van lang te leven.4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.
1. Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat niets boven de gematigdheid.
2. Gematigdheid is het allereerst noodige voor den mensch.
3. Dit allereerst noodige noem ik eene zware opeenstapeling van deugd. Met eene zware opeenstapeling van deugd is er niets, wat hij niet verwezenlijken kan. Als er niets is, wat hij niet verwezenlijken kan, kent niemand de grenzen (van[182]zijn macht). Als niemand de grenzen kent (van zijn macht) is hij geschikt om het rijk te regeeren.
2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan „Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.[183]
4. Die het oer-principe van het rijk bezit, zal lang blijven (regeeren). Dit is wat men noemt „een krachtigen en diep geplanten wortel hebben”. Dit is de leer van lang te leven.
4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.
In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.
[Inhoud]Hoofdstuk LX.Hoofdstuk LX.1. Om een groot rijk te regeeren moet men even zoo voorzichtig zijn als in ’t bakken van een klein vischje.1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de bedoeling te doen uitkomen.2. Als men het rijk regeert met Tao zijn de kwade invloeden tot inactie gedwongen; niet dat zij hun macht verloren hebben, maar zij kwetsen de menschen niet. Niet alleen dat zij de menschen niet kunnen kwetsen, maar zelfs de Wijze kwetst de menschen niet.3. Noch de Wijze, noch de kwade invloeden kwetsen hen, daarom zullen hunne deugden samen ineenvloeien.2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade invloeden”.[185]4. Dit is niet erg duidelijk.
1. Om een groot rijk te regeeren moet men even zoo voorzichtig zijn als in ’t bakken van een klein vischje.
1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de bedoeling te doen uitkomen.
2. Als men het rijk regeert met Tao zijn de kwade invloeden tot inactie gedwongen; niet dat zij hun macht verloren hebben, maar zij kwetsen de menschen niet. Niet alleen dat zij de menschen niet kunnen kwetsen, maar zelfs de Wijze kwetst de menschen niet.
3. Noch de Wijze, noch de kwade invloeden kwetsen hen, daarom zullen hunne deugden samen ineenvloeien.
2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade invloeden”.[185]
4. Dit is niet erg duidelijk.
[Inhoud]Hoofdstuk LXI.1. Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke zich de wateren van het rijk uitstorten.[184]2. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is eene vernedering.3. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen.4. Daarom, de een vernedert zich om te krijgen, de ander om gekregen te worden.5. Wat een groote staat enkel moet willen is zich te vergrooten en uit te breiden, wat een kleine staat enkel moet willen is protectie, dan krijgen beide wat zij noodig hebben.6. Maar de grooten behooren zich te vernederen!
1. Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke zich de wateren van het rijk uitstorten.[184]
2. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is eene vernedering.
3. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen.
4. Daarom, de een vernedert zich om te krijgen, de ander om gekregen te worden.
5. Wat een groote staat enkel moet willen is zich te vergrooten en uit te breiden, wat een kleine staat enkel moet willen is protectie, dan krijgen beide wat zij noodig hebben.
6. Maar de grooten behooren zich te vernederen!
[Inhoud]Hoofdstuk LXII.Hoofdstuk LXII.1. Tao is de veilige schuilplaats van alle dingen, de schat van de goeden, de steun van de slechten.2. Goede woorden kunnen ons tot voordeel zijn, en een eerwaardig gedrag kan ons boven de anderen verheffen.1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op kunnen steunen om goed te worden.3. Hoe kan men het wegmaken, dat er slechte menschen zijn?[186]3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking[187]in het chineesch. Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si un homme n’est pas vertueux,pourrait-onle repousser avec mépris?” Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a mans vileness?”4. Daarom heeft men een keizerschap gegrondvest en drie ministers ingesteld.4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor te zorgen dat de slechten beter worden en5. Al houdt men in beide handen een jaspisstaf en gaat men vóór met een vierspan, het is beter te blijven zitten en vooruit te gaan in Tao.6. Hoe is het, dat de ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men Het vanzelf vindt zonder den ganschen dag te zoeken, en omdat Het de misdaden vergeeft?7. Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel.5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der hooge mandarijnen) en vierspannen.
1. Tao is de veilige schuilplaats van alle dingen, de schat van de goeden, de steun van de slechten.
2. Goede woorden kunnen ons tot voordeel zijn, en een eerwaardig gedrag kan ons boven de anderen verheffen.
1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op kunnen steunen om goed te worden.
3. Hoe kan men het wegmaken, dat er slechte menschen zijn?[186]
3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking[187]in het chineesch. Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si un homme n’est pas vertueux,pourrait-onle repousser avec mépris?” Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a mans vileness?”
4. Daarom heeft men een keizerschap gegrondvest en drie ministers ingesteld.
4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor te zorgen dat de slechten beter worden en
5. Al houdt men in beide handen een jaspisstaf en gaat men vóór met een vierspan, het is beter te blijven zitten en vooruit te gaan in Tao.
6. Hoe is het, dat de ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men Het vanzelf vindt zonder den ganschen dag te zoeken, en omdat Het de misdaden vergeeft?
7. Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel.
5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der hooge mandarijnen) en vierspannen.
[Inhoud]Hoofdstuk LXIII.1. De Wijze doet Wu Wei, werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder smaak is.Hoofdstuk LXIII.2. Het groote en het kleine, het vele en het weinige zijn even gewichtig voor hem.[188]2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites,[189]nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat volgt.3. Hij wreekt kwaad met goed.4. Als hij moeilijke dingen ontwerpt, begint hij met de gemakkelijke, als hij groote dingen wil doen, begint hij met de kleine.3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.5. De moeilijke dingen onder den Hemel zijn stellig uit de gemakkelijke gemaakt, de groote dingen onder den Hemel zijn stellig uit de kleine gemaakt.6. Daarom, de Wijze zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote dingen.7. Lichtvaardig gedane beloften worden stellig zelden gehouden, en wie veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt dat veel moeilijk is.8. Daarom, de Wijze vindt alsof alles moeilijk is, en daarom juist ondervindt hij nooit moeilijkheden.5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.
1. De Wijze doet Wu Wei, werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder smaak is.
2. Het groote en het kleine, het vele en het weinige zijn even gewichtig voor hem.[188]
2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites,[189]nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat volgt.
3. Hij wreekt kwaad met goed.
4. Als hij moeilijke dingen ontwerpt, begint hij met de gemakkelijke, als hij groote dingen wil doen, begint hij met de kleine.
3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.
5. De moeilijke dingen onder den Hemel zijn stellig uit de gemakkelijke gemaakt, de groote dingen onder den Hemel zijn stellig uit de kleine gemaakt.
6. Daarom, de Wijze zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote dingen.
7. Lichtvaardig gedane beloften worden stellig zelden gehouden, en wie veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt dat veel moeilijk is.
8. Daarom, de Wijze vindt alsof alles moeilijk is, en daarom juist ondervindt hij nooit moeilijkheden.
5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.
[Inhoud]Hoofdstuk LXIV.Hoofdstuk LXIV.Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet verklaren, niet in te durven staan voor de[191]juistheid van de vertaling op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.1. Dat, wat in rust is, is gemakkelijk te behouden in zijn toestand; dat wat nog niet verschenen[190]is, is gemakkelijk te voorkomen; dat wat broos is, is gemakkelijk te breken; dat wat klein is, is gemakkelijk te verspreiden.1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt nog al wat!2. Houdt het kwaad tegen vóór het bestaat, regeer wanorde vóór zij uitbarst.3. Een boom dien gij met beide armen (nauwelijks) kunt omvatten is gegroeid uit een vezeltje zoo fijn als een haar; een toren van negen verdiepingen is uit een klein hoopje aarde opgericht, en een reis van duizend li’s begint met een enkelen voetstap.2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.4. Wie „doet”faalt, wie grijpt verliest (wat hij grijpt).5. Daarom, de Wijze is Wu Wei en faalt daarom niet, de Wijze grijpt niet en verliest daarom niet.6. Als het volk iets doet faalt het altijd als het op het punt is om te slagen.[192]7. Zorg voor het einde zoowel als voor het begin, dan zult gij niet falen.4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding, door mij aangegeven.[193]8. Vandaar, de Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen; zijn studie is géén studie en daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen. Hij laat alle dingen hun natuurlijken gang gaan, en komt niet tusschenbeide.8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft: „And you (hier dushe) will revert to a condition which mankind in general have lost”.
Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet verklaren, niet in te durven staan voor de[191]juistheid van de vertaling op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.
1. Dat, wat in rust is, is gemakkelijk te behouden in zijn toestand; dat wat nog niet verschenen[190]is, is gemakkelijk te voorkomen; dat wat broos is, is gemakkelijk te breken; dat wat klein is, is gemakkelijk te verspreiden.
1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt nog al wat!
2. Houdt het kwaad tegen vóór het bestaat, regeer wanorde vóór zij uitbarst.
3. Een boom dien gij met beide armen (nauwelijks) kunt omvatten is gegroeid uit een vezeltje zoo fijn als een haar; een toren van negen verdiepingen is uit een klein hoopje aarde opgericht, en een reis van duizend li’s begint met een enkelen voetstap.
2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.
4. Wie „doet”faalt, wie grijpt verliest (wat hij grijpt).
5. Daarom, de Wijze is Wu Wei en faalt daarom niet, de Wijze grijpt niet en verliest daarom niet.
6. Als het volk iets doet faalt het altijd als het op het punt is om te slagen.[192]
7. Zorg voor het einde zoowel als voor het begin, dan zult gij niet falen.
4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding, door mij aangegeven.[193]
8. Vandaar, de Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen; zijn studie is géén studie en daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen. Hij laat alle dingen hun natuurlijken gang gaan, en komt niet tusschenbeide.
8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft: „And you (hier dushe) will revert to a condition which mankind in general have lost”.
[Inhoud]Hoofdstuk LXV.1. De Ouden, die Tao betrachtten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te maken, maar om het simpel te houden.2. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet.Hoofdstuk LXV.3. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij die niet met al dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk.4. Hij die deze beide dingen weet, is ook een voorbeeld (voor het rijk). Altijd een voorbeeld weten te zijn, noem ik de mystieke deugd (hebben). (Deze deugd) is diep, en vèr-reikend, en tegenovergesteld aan de (materieele) dingen!3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.5. En daarna komt men tot den grooten vrede.[194]5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid, volgzaamheid”.[195]
1. De Ouden, die Tao betrachtten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te maken, maar om het simpel te houden.
2. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet.
3. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij die niet met al dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk.
4. Hij die deze beide dingen weet, is ook een voorbeeld (voor het rijk). Altijd een voorbeeld weten te zijn, noem ik de mystieke deugd (hebben). (Deze deugd) is diep, en vèr-reikend, en tegenovergesteld aan de (materieele) dingen!
3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.
5. En daarna komt men tot den grooten vrede.[194]
5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid, volgzaamheid”.[195]
[Inhoud]Hoofdstuk LXVI.1. Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, daarom kunnen zij de koningen aller stroomen zijn.2. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond houden.3. Daardoor staat hij boven allen, en weegt (toch) niet zwaar op het volk, staat hij voor allen uit en kwetst (toch) het volk niet. Daardoor gehoorzaamt het rijk hem met vreugde, en wordt hem niet moede.4. Omdat hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die met hem strijden kan.
1. Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, daarom kunnen zij de koningen aller stroomen zijn.
2. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond houden.
3. Daardoor staat hij boven allen, en weegt (toch) niet zwaar op het volk, staat hij voor allen uit en kwetst (toch) het volk niet. Daardoor gehoorzaamt het rijk hem met vreugde, en wordt hem niet moede.
4. Omdat hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die met hem strijden kan.
[Inhoud]Hoofdstuk LXVII.Hoofdstuk LXVII.1. Allen in het rijk noemen mij groot, maar ik ben als gedegenereerd. Juist omdát ik groot ben, ben ik als gedegenereerd.2. Als ik daaraan (d.i. aan groot) gelijk ware.… reeds lang, naar ik meen, weet ik daar het kleine van.[196]1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met „niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst.II.[197]3. Welnu, ik heb drie schatten, die ik vasthoud en in eere houd. De eene heet Liefde. De tweede heet Zuinigheid. De derde heet Nederigheid.4. Door mijn liefde kan ik dapper zijn, door mijn zuinigheid kan ik veel geven, door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.5. Tegenwoordig verwerpt men de liefde en is (toch) dapper, verwerpt men de zuinigheid, en geeft (toch) veel uit, en verwerpt men de laatste plaats om (toch) de eerste te zijn.Dit leidt tot den dood, naar ik meen.3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet durven de eerste in het rijk zijn”.6. Welnu, als men strijdt vervuld van liefde, overwint men, en als men iets verdedigt vervuld van liefde, zal men het behouden.7. De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil.6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.[199]
1. Allen in het rijk noemen mij groot, maar ik ben als gedegenereerd. Juist omdát ik groot ben, ben ik als gedegenereerd.
2. Als ik daaraan (d.i. aan groot) gelijk ware.… reeds lang, naar ik meen, weet ik daar het kleine van.[196]
1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met „niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst.II.[197]
3. Welnu, ik heb drie schatten, die ik vasthoud en in eere houd. De eene heet Liefde. De tweede heet Zuinigheid. De derde heet Nederigheid.
4. Door mijn liefde kan ik dapper zijn, door mijn zuinigheid kan ik veel geven, door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.
5. Tegenwoordig verwerpt men de liefde en is (toch) dapper, verwerpt men de zuinigheid, en geeft (toch) veel uit, en verwerpt men de laatste plaats om (toch) de eerste te zijn.
Dit leidt tot den dood, naar ik meen.
3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet durven de eerste in het rijk zijn”.
6. Welnu, als men strijdt vervuld van liefde, overwint men, en als men iets verdedigt vervuld van liefde, zal men het behouden.
7. De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil.
6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.[199]
[Inhoud]Hoofdstuk LXVIII.1. Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig. Hij, die een goed strijder is, is niet toornig. Hij, die een goed overwinnaar is, worstelt niet. Hij, die goed menschen (weet te) gebruiken, stelt zich onder hen.2. Dit noem ik de deugd die niet strijdt. Dit[198]noem ik de kracht die de menschen weet te gebruiken. Dit noem ik met den Hemel samen één zijn.3. Dit was het opperste, waartoe de Ouden kwamen.
1. Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig. Hij, die een goed strijder is, is niet toornig. Hij, die een goed overwinnaar is, worstelt niet. Hij, die goed menschen (weet te) gebruiken, stelt zich onder hen.
2. Dit noem ik de deugd die niet strijdt. Dit[198]noem ik de kracht die de menschen weet te gebruiken. Dit noem ik met den Hemel samen één zijn.
3. Dit was het opperste, waartoe de Ouden kwamen.
[Inhoud]Hoofdstuk LXIX.1. Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te vallen); ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit te gaan; ik ga liever een voet terug.Hoofdstuk LXIX.2. Dit noem ik vorderingen maken zonder vooruit te gaan, terugslaan zonder de armen uit te strekken, vervolgen zonder dat er een vijand is, grijpen zonder wapenen.3. Er is geen grooter ramp dan den vijand (te) gering te achten. Den vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.4. Als twee legers van gelijke kracht strijden, overwint dat leger dat de liefde heeft.4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien er in „de liefde voor het vaderland”.[201]
1. Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te vallen); ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit te gaan; ik ga liever een voet terug.
2. Dit noem ik vorderingen maken zonder vooruit te gaan, terugslaan zonder de armen uit te strekken, vervolgen zonder dat er een vijand is, grijpen zonder wapenen.
3. Er is geen grooter ramp dan den vijand (te) gering te achten. Den vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.
2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.
4. Als twee legers van gelijke kracht strijden, overwint dat leger dat de liefde heeft.
4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien er in „de liefde voor het vaderland”.[201]
[Inhoud]Hoofdstuk LXX.1. Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze betrachten.[200]2. Mijne woorden hebben een’ Oorsprong, mijne daden hebben een’ Meester (Tao). Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen ze mij niet.3. Zij, die mij kennen, zijn zeldzaam. Dat is (juist) mijne eerwaardigheid, naar ik meen.4. Daarom, de Wijze trekt grove wollen kleederen aan, en verbergt zijn edelsteenen in zijn boezem.
1. Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze betrachten.[200]
2. Mijne woorden hebben een’ Oorsprong, mijne daden hebben een’ Meester (Tao). Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen ze mij niet.
3. Zij, die mij kennen, zijn zeldzaam. Dat is (juist) mijne eerwaardigheid, naar ik meen.
4. Daarom, de Wijze trekt grove wollen kleederen aan, en verbergt zijn edelsteenen in zijn boezem.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXI.1. Te weten dat wij niet weten is superieur. Niet te weten en denken te weten is de ziekte der menschen.2. Als men om deze ziekte lijdt zal men haar ontkomen.3. De Wijze heeft deze ziekte niet, (juist) omdat hij er het lijden van weet. Dáárom is hij er niet ziek van.Hoofdstuk LXXI.De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn” beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik, duidelijk genoeg.Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet weten (is) superieur”.Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te verkiezen.
1. Te weten dat wij niet weten is superieur. Niet te weten en denken te weten is de ziekte der menschen.
2. Als men om deze ziekte lijdt zal men haar ontkomen.
3. De Wijze heeft deze ziekte niet, (juist) omdat hij er het lijden van weet. Dáárom is hij er niet ziek van.
De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn” beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik, duidelijk genoeg.
Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet weten (is) superieur”.
Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te verkiezen.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXII.Hoofdstuk LXXII.1. Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal dat, wat te vreezen is, tot hem komen.[202]2. Vindt uwe woning niet te nauw, walg niet van uw levenslot.3. Nu, ik walg niet van het mijne, daarom boezemt het mij geen walging in.1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.[203]4. Daarom, de Wijze kent zichzelf, maar zonder gezien te willen worden; hij heeft zich zelf lief, maar zonder zich hoog te stellen. Hij verwerpt het eene, en langt naar het andere.4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.
1. Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal dat, wat te vreezen is, tot hem komen.[202]
2. Vindt uwe woning niet te nauw, walg niet van uw levenslot.
3. Nu, ik walg niet van het mijne, daarom boezemt het mij geen walging in.
1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.[203]
4. Daarom, de Wijze kent zichzelf, maar zonder gezien te willen worden; hij heeft zich zelf lief, maar zonder zich hoog te stellen. Hij verwerpt het eene, en langt naar het andere.
4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXIII.Hoofdstuk LXXIII.1. Hij, die zijn moed aanwendt om te durven, vindt den dood, maar hij, die moed (genoeg) heeft om niet te durven, zal leven.2. Van deze twee dingen is het eene nuttig, het andere schadelijk.1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander: „He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in whom it is tempered with discretion, will save it”.Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt dezelfde.3. Wie weet de reden als de Hemel iets haat?3. Het verband is mij hier niet duidelijk.4. Daarom, de Wijze is alsof hij alles moeilijk vindt.4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met Hfdst.LXIII.5. De Tao van den Hemel is niet te strijden en (toch) goed te overwinnen, niet te spreken, en (toch) goed geantwoord te worden, niet op te roepen en (toch) de menschen vanzelf te doen komen.[204]5.M.a.w.: De Tao vanden Hemelis Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook „gehoorzaamd”.[205]6. Hij lijkt stil, maar maakt goed plannen.7. Het net van den Hemel is (eindeloos) groot; zijn mazen zijn ver van elkaar, maar niemand ontsnapt er aan.6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen zin als niets doend, bijna lui.
1. Hij, die zijn moed aanwendt om te durven, vindt den dood, maar hij, die moed (genoeg) heeft om niet te durven, zal leven.
2. Van deze twee dingen is het eene nuttig, het andere schadelijk.
1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander: „He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in whom it is tempered with discretion, will save it”.
Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt dezelfde.
3. Wie weet de reden als de Hemel iets haat?
3. Het verband is mij hier niet duidelijk.
4. Daarom, de Wijze is alsof hij alles moeilijk vindt.
4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met Hfdst.LXIII.
5. De Tao van den Hemel is niet te strijden en (toch) goed te overwinnen, niet te spreken, en (toch) goed geantwoord te worden, niet op te roepen en (toch) de menschen vanzelf te doen komen.[204]
5.M.a.w.: De Tao vanden Hemelis Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook „gehoorzaamd”.[205]
6. Hij lijkt stil, maar maakt goed plannen.
7. Het net van den Hemel is (eindeloos) groot; zijn mazen zijn ver van elkaar, maar niemand ontsnapt er aan.
6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen zin als niets doend, bijna lui.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXIV.Hoofdstuk LXXIV.1. Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen met den dood?2. Als het volk voortdurend den dood vreesde, en er waren slechten, dan zou ik die grijpen en ter dood brengen, en wie zou dan nog durven?1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.3. Er is altijd een Opperrechter om den doodstraf op te leggen. Hij, die in plaats van dien Opperrechter wil dooden, is als een, die in plaats van den timmerman hout gaat kappen.3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf snijden, d.i. ten onder brengen.4. Onder hen, die in plaats van den timmerman hout gaan kappen, zijn er maar weinigen, die niet hun vingers snijden.4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden, waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!![207]
1. Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen met den dood?
2. Als het volk voortdurend den dood vreesde, en er waren slechten, dan zou ik die grijpen en ter dood brengen, en wie zou dan nog durven?
1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.
3. Er is altijd een Opperrechter om den doodstraf op te leggen. Hij, die in plaats van dien Opperrechter wil dooden, is als een, die in plaats van den timmerman hout gaat kappen.
3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf snijden, d.i. ten onder brengen.
4. Onder hen, die in plaats van den timmerman hout gaan kappen, zijn er maar weinigen, die niet hun vingers snijden.
4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden, waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!![207]
[Inhoud]Hoofdstuk LXXV.1. Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom heeft het honger.[206]Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren. Het volk schat den dood gering, omdat het te intens zoekt te leven.2. Maar hij, die niets doet om te leven, is wijzer dan hij die het leven (bovenmatig) hoogschat.
1. Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom heeft het honger.[206]Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren. Het volk schat den dood gering, omdat het te intens zoekt te leven.
2. Maar hij, die niets doet om te leven, is wijzer dan hij die het leven (bovenmatig) hoogschat.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXVI.1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij soepel enteêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal.2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en zwakheid zijn de volgelingen van het leven.3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk is wordt hij omgehakt.4. Wat sterk en groot is, is inferieur, wat zacht en zwak is, is superieur.
1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij soepel enteêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal.
2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en zwakheid zijn de volgelingen van het leven.
3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk is wordt hij omgehakt.
4. Wat sterk en groot is, is inferieur, wat zacht en zwak is, is superieur.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXVII.Hoofdstuk LXXVII.1. De Tao van den Hemel is als het spannen van een boog, dat het hooge naar de laagte brengt, en het lage verheft, dat afneemt van wat te veel, en toevoegt aan wat te weinig is.[208]1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te maken naarmate het doel lager of hooger is.[209]2. De Tao van den Hemel is om af te nemen van wat te veel, om toe te voegen aan wat te weinig is.3. Maar de Tao van de menschen is om af te nemen van wie (al) niet genoeg hebben, en toe te voegen aan wie (al) te veel hebben.4. Wie is in staat om wat hij over heeft aan de wereld te schenken? Alleen hij, die Tao heeft.5. Daarom, de Wijze doet (goed) maar steunt er niet op; als zijn werk volbracht is hecht hij er zich niet aan, en hij wenscht niet zijn eigen eerwaardigheid te doen uitkomen.2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.
1. De Tao van den Hemel is als het spannen van een boog, dat het hooge naar de laagte brengt, en het lage verheft, dat afneemt van wat te veel, en toevoegt aan wat te weinig is.[208]
1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te maken naarmate het doel lager of hooger is.[209]
2. De Tao van den Hemel is om af te nemen van wat te veel, om toe te voegen aan wat te weinig is.
3. Maar de Tao van de menschen is om af te nemen van wie (al) niet genoeg hebben, en toe te voegen aan wie (al) te veel hebben.
4. Wie is in staat om wat hij over heeft aan de wereld te schenken? Alleen hij, die Tao heeft.
5. Daarom, de Wijze doet (goed) maar steunt er niet op; als zijn werk volbracht is hecht hij er zich niet aan, en hij wenscht niet zijn eigen eerwaardigheid te doen uitkomen.
2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXVIII.HoofdstukLXXVIII.1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.2. Er is niemand in de wereld, die dit niet weet, maar niemand kan het in toepassing brengen.1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan vervangen”.3. Daarom zegt de Wijze: Hij, die de schande van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) Heer van het rijk (te zijn); hij, die de rampen van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) koning van het rijk te zijn.[210]3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren zonder morren en beklag.[211]4. Dit zijn ware woorden, die contradicties schijnen.4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.
1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.
2. Er is niemand in de wereld, die dit niet weet, maar niemand kan het in toepassing brengen.
1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan vervangen”.
3. Daarom zegt de Wijze: Hij, die de schande van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) Heer van het rijk (te zijn); hij, die de rampen van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) koning van het rijk te zijn.[210]
3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren zonder morren en beklag.[211]
4. Dit zijn ware woorden, die contradicties schijnen.
4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXIX.1. Als een groote twist beslecht is, blijft er stellig (altijd) nog wat vijandigheid over. De kwestie is, hoe dit nu goed te maken.Hoofdstuk LXXIX.2. Daarom, de Wijze bewaart de linkerzijde van het contract, en eischt niets van de anderen.2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen, moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden (Pue Yeou Thsing, Julien).3. Wie deugd heeft zorgt voor geven, wie geen deugd heeft zorgt voor eischen.3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.[213]4. De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, maar is toch altijd mild voor de goeden.4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen.
1. Als een groote twist beslecht is, blijft er stellig (altijd) nog wat vijandigheid over. De kwestie is, hoe dit nu goed te maken.
2. Daarom, de Wijze bewaart de linkerzijde van het contract, en eischt niets van de anderen.
2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen, moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden (Pue Yeou Thsing, Julien).
3. Wie deugd heeft zorgt voor geven, wie geen deugd heeft zorgt voor eischen.
3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.[213]
4. De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, maar is toch altijd mild voor de goeden.
4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXX.1. Als ik over een kleinen staat regeerde met een weinig volk zou ik, al waren er wapenen[212]voor tientallen of honderdtallen, die (toch) niet gebruiken.2. Ik zou maken, dat het volk den dood vreesde, en niet emigreerde.3. Al waren er schepen en wagenen, men zou er niet ingaan.Al waren er kurassen en wapenen, men zou ze niet aandoen.4. Ik zou maken dat het volk terugkeerde tot het gebruik der geknoopte koorden.5. Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijn kleederen mooi maken, rust hebben in zijn woning, en vreugde scheppen in zijn simpele zeden.6. Al lag een naburige staat vlak over den mijnen, zoodat de honden en hanen aan weerszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en sterven zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.
1. Als ik over een kleinen staat regeerde met een weinig volk zou ik, al waren er wapenen[212]voor tientallen of honderdtallen, die (toch) niet gebruiken.
2. Ik zou maken, dat het volk den dood vreesde, en niet emigreerde.
3. Al waren er schepen en wagenen, men zou er niet ingaan.
Al waren er kurassen en wapenen, men zou ze niet aandoen.
4. Ik zou maken dat het volk terugkeerde tot het gebruik der geknoopte koorden.
5. Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijn kleederen mooi maken, rust hebben in zijn woning, en vreugde scheppen in zijn simpele zeden.
6. Al lag een naburige staat vlak over den mijnen, zoodat de honden en hanen aan weerszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en sterven zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.
[Inhoud]Hoofdstuk LXXXI.Hoofdstuk LXXXI.1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet goed.[214]3. Zij, die (Tao) kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen (Tao) niet.4. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.5. De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen, maar niet te strijden.[75]1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil., deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)[215]Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de welsprekendheid.” (Hfdst. V.)[216]
1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.
2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet goed.[214]
3. Zij, die (Tao) kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen (Tao) niet.
4. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.
5. De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen, maar niet te strijden.[75]
1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil., deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)[215]
Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de welsprekendheid.” (Hfdst. V.)[216]