Derde Hoofdstuk.

Derde Hoofdstuk.De Nederlanden. Oranje’s hervormingsplannen. Omkoopbaarheid der beambten. Oranje’s eerzucht. Egmond als hoveling. De kardinalisten. Oproer te Antwerpen. De Trentsche besluiten. Oranje’s redevoering in den staatsraad. Egmond als gezant in Spanje. Treurige uitslag van die zending. Egmond’s ijdelheid en zwakheid. Stormachtige beraadslagingen in den staatsraad. De Trentsche besluiten afgekondigd. Het compromis. Marnix van St. Aldegonde. Lodewijk van Nassau. Nicolaas de Hammes. Inhoud der oorkonde van het compromis. Verandering in de godsdienstige denkbeelden van den prins van Oranje. Zijn huwelijk met Anna van Saksen. Verhouding van Oranje en Egmond tot het compromis. De onderteekenaars. Aangroeiend getal der onderteekenaars, ook onder de burgers. Geheime politie van den prins van Oranje. Moeilijke toestand van de landvoogdes. Treurig lot des volks. Hongersnood. Vrijwillige ballingschap. De bijeenkomst te Hoogstraten. Vergadering van notabelen. Intocht van Brederode in Brussel. Ontvangst der edelen bij Margaretha. De staatsraad Barlaimont. »Ce ne sont que des gueux.” Antwoord op het verzoekschrift. Het afscheidsmaal. »Leven de Geuzen!”Onmiddellijk na Granvelle’s vertrek schreven Oranje, Egmond en Hoorne aan den koning, om hem te verzekeren, dat hunne gehoorzaamheid jegens hem onwankelbaar was, en dat zij met blijdschap hunne plaatsen in den staatsraad weder zouden innemen. Doch te gelijk deelden zij der landvoogdes mede, dat zij, zoodra de kardinaal terugkeerde, hun ambt zouden nederleggen. Van nu af werden zij nooit in den raad gemist; waar zij met den grootsten ijver, soms tot laat in den nacht, arbeidden.Oranje had zich ten doel gesteld, drie belangrijke hervormingsmaatregelen in te voeren: vooreerst, de samenroeping van de Staten-Generaal; ten tweede verzachting of liever nog afschaffing van de plakaten ten aanzien van de godsdienst; ten derde opheffing van den geheimen raad en van den raad van finantiën, wier werkzaamheden in het vervolg aan den staatsraad zouden worden opgedragen.De opheffing van deze beide lichamen scheen inderdaad dringend noodzakelijk, zij maakten het regeeringswerktuig zóó traag van gang en zóó moeilijk te besturen, dat het schier onmogelijk was, over het heirleger van beambten een zorgvuldig toezicht te houden. Door deze beide raadscollegiën werd eene ziekte, waaraan de Nederlandsche staat sterk leed, de omkoopbaarheid der beambten, ongeneeslijk gemaakt.Het was zóó ver gekomen, dat zelfs de hoogst geplaatsten zonder schroom zich de weldaden, bij de wet den burgers verzekerd, lieten afkoopen. Voor den arme bestond er geen recht meer; hij werd zonder genade wegens het geringste vergrijp in de gevangenis geworpen en, wanneerhij verdacht was van ketterij, dikwijls zonder vonnis ter dood gebracht. Voor den rijke daarentegen was niets onbereikbaar; hij kon zich door middel van zijn geld voor de schandelijkste misdaden genade verwerven. Zelfs rijke ketters wisten den brandstapel soms te ontgaan, door de rechters om te koopen.Tegen deze omkoopbaarheid van den ambtenaarsstand bond Oranje moedig den strijd aan. Van zijne pogingen om die beide schadelijke raadscollegiën ter zijde te stellen en de geheele regeering aan den staatsraad op te dragen, hebben zijne vijanden hem een scherp verwijt gemaakt. Op grond hiervan beschuldigden zij hem van eene schandelijke eerzucht. Zij geloofden, dat hij daarmee niets anders beoogde, dan zelf de geheele macht in handen te krijgen, dewijl hij thans in den staatsraad den boventoon voerde. Inderdaad scheen dit verwijt niet uit de lucht gegrepen. Willem van Oranje was in de laatste jaren een geheel ander mensch geworden. De levenslust, waarvan hij vroeger tintelde, was geweken; zijn oog stond somber, zijne wang was bleek. Niet in lustige feesten, slechts in ernstigen arbeid schepte hij behagen. Ja, eerzucht had geheel zijne ziel ingenomen; maar het was eene eerzucht van den edelsten aard, zij spiegelde hem als zijn levensdoel niets minder voor dan de bevrijding van het verdrukte volk uit de boeien, waarin Philips II het geslagen had, de afschaffing van de bloedige inquisitie en de handhaving van de rechten en vrijheden des lands.Minder lofwaardig was de eerzucht, welke Egmond duidelijk genoeg aan den dag legde. De trotsche graaf poogde zijn invloed te verhoogen door tegenover de landvoogdes Margaretha den hoveling te spelen, terwijl hij tegelijk om de volksgunst boelde. Hij schertste met de burgers van Brussel, nam deel aan hunne feesten en noemde een ieder vertrouwelijk bij zijnen naam.Voor het Nederlandsche volk was de in den staatsraad voorgevallen verandering van het grootste belang. De geloofsvervolging was, sinds Granvelle vertrokken was, veel minder scherp dan vroeger. Toch hield zij nog niet geheel op; daarvoor zorgden de kardinalisten—zóó werden Granvelle’s aanhangers in het bewind genoemd. Al hadden deze, Viglius, Barlaimont en anderen, het grootste deel van hun invloed op de landvoogdes verloren, toch konden zij zich beroepen op de bevelen van Philips II, waaraan ook Margaretha zich onderwerpen moest.Zij kon niet beletten dat Titelman en andere inquisiteurs met het vervolgen van de ketters voortgingen; wellicht lag dit ook niet in haar plan. Gevoelde zij aan den eenen kant geene genegenheid, maar eerder eene soort van afkeer van de kardinalisten, nog minder ingenomen was zij met hunne tegenstanders. Was de overdreven vervolgingswoede der eersten in haar oog gevaarlijk, nog bedenkelijker achtte zij godsdienstige verdraagzaamheid jegens de afvalligen van de moederkerk.De tegenstand, die zich reeds gedurende het bewind des kardinaals tegen de vervolging van de ketters onder het volk geopenbaard had, nam thans hand over hand toe. In Antwerpen kwam het tot een openlijken opstand. Daar werd een karmelieter monnik Fabricius, die Calvinist geworden was en met ijver het evangelie predikte, gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Gedurende de dagen zijner gevangenschap verdrong het volk zich voor de vensters van zijn kerker. Slechts met moeite kon Fabricius het van een opstand terughouden. Ook toen hij door de stratenvan Antwerpen naar den brandstapel gevoerd werd, smeekte hij de volksmenigte, die hem in dichte drommen volgde, in warme bewoordingen, dat zij toch om zijnentwil geen oproer zou verwekken, maar hem rustig voor zijne overtuiging laten sterven. Hij vermaande allen, die hem hooren konden, aan de waarheid getrouw te blijven, maar ook den koning trouw en der overheid onderdanig te zijn. Zóó sprak hij nog op het schavot, doch toen de beul hem nu aan den paal kluisteren wilde, barstte de volkswoede eensklaps los. Een hagelbui van steenen werd naar de wachten geslingerd, deze moesten terugwijken; de beul en de hoogere beambten, die de terechtstelling bijwoonden, volgden hen op hunne vlucht.De menigte stormde op den houtmijt los, maar zij kwam te laat. De beul had, eer hij de vlucht nam, met een dolk den martelaar doorboord en hem met zijn hamer den schedel verbrijzeld.De woede der menigte gaf zich lucht in een woesten kreet; het volk keerde naar de stad terug, doch dewijl het den geliefden prediker toch niet in het leven kon terugroepen, kwam het eindelijk weer tot rust.Des nachts werd een met bloed geschreven plakaat aan de muren van het stadhuis gehecht, waarin de moordenaars met eene vreeselijke straf bedreigd werden.Op andere plaatsen openbaarde de afkeer van de geloofsvervolging zich wel niet in oproer, maar in verzoekschriften aan de landvoogdes. De raad van Brugge, die uitsluitend uit goede katholieken bestond, beklaagde zich bitter over Titelman. Zulke stappen werkten intusschen niets uit, want de kardinalisten in den staatsraad beriepen zich op het bevel des konings, dat steeds strenger vervolging van de protestanten voorschreef.Het Concilie van Trente was in dien tijd afgeloopen. Zijne besluiten, waarin de leerstukken der katholieke kerk in hunne tegenstelling met het protestantisme zoo scherp mogelijk uitgedrukt waren, waarin de uitroeiing van de ketters met de grootste strengheid bevolen werd en deze van het maatschappelijk leven geheel werden uitgesloten, moesten volgens Philips’ bevel ook in de Nederlanden als wet afgekondigd worden. Margaretha van Parma verkeerde tegenover dit bevel in eene pijnlijke verlegenheid.De Trentsche besluiten waren in meer dan ééne bepaling lijnrecht in strijd met de privilegiën des lands. In weerwil hiervan drongen Viglius en de overige kardinalisten op hunne afkondiging aan, dewijl de koning het zoo wilde, terwijl Oranje opmerkzaam maakte op de noodlottige gevolgen, die daaruit konden voortvloeien.De landvoogdes besloot een gezant naar Spanje te zenden, ten einde rechtstreeks met den koning te onderhandelen, en zij koos voor dezen eerepost den graaf van Egmond, die zich in den laatsten tijd in hare gunst had weten te dringen. Egmond verklaarde zich bereid om deze taak te aanvaarden; de staatsraad beraadslaagde derhalve over de instructie, welke men hem medegeven zou.Nu stond Willem van Oranje op, hij voerde in den staatsraad niet dikwijls het woord, maar wanneer hij het deed, spreidde hij eene schitterende welsprekendheid ten toon. Hij drong er op aan, dat Egmond in last ontvangen zou, den koning de geheele waarheid te zeggen. Hij moest Philips meedeelen, dat het eindelijk hoog tijd was om een einde te maken aan de kettervervolgingen en de inquisiteurs en ketterjagers ter zijde te zetten; dat de Nederlanden een vrij land waren, omringd door anderevrije landen, waarin zulke gruwelen niet meer plaats vinden mochten. Zijne Majesteit moest eindelijk bekend gemaakt worden met de schandelijke omkoopbaarheid, waardoor zoowel de leden der rechterlijke macht als de overige beambten aangetast waren; zij moest weten, dat omkoopbaarheid bij hen regel, rechtschapenheid eene zeldzame uitzondering was.In scherpe bewoordingen rukte Oranje al den hoogen waardigheidsbekleders der kroon het masker van het gelaat, ja, hij toonde aan, hoe juist de hoogste beambten de omkoopbaarste van allen waren. Hij eischte, dat de koning onderricht zou worden van de noodzakelijkheid om den geheimen raad en dien van finantiën te ontslaan en den staatsraad in beider plaats te stellen. Bovendien moest aan Zijne Majesteit vrijmoedig verklaard worden, dat de Trentsche besluiten, die door de geheele wereld, zelfs door de katholieke vorsten van Duitschland afgewezen waren, in de Nederlanden nooit tot wet konden verheven worden en dat, indien men dit doordreef,daaruit de treurigste gevolgen zouden voortvloeien.Oranje besloot zijne rede met de verklaring, dat hij een goed katholiek was en bleef, maar dat hij het niet zonder afgrijzen kon aanzien, wanneer de vorsten pogingen aanwendden om jegens hunne onderdanen in zaken des gewetens en der godsdienst dwang uit te oefenen.Des prinsen taal maakte een diepen indruk op de landvoogdes, maar nog dieper op Viglius, die daarvan zoo verschrikt was, dat hij geen woord er tegen in kon brengen en den volgenden morgen na een slapeloozen nacht door eene beroerte getroffen werd. Joachim Hopper, een geleerde Fries, die wegens zijne slaafschheid den bijnaam „de ja-broer van madame”, ontvangen had, nam voorloopig de zaken op zich. Viglius herstelde slechts langzaam; zijne volle kracht kreeg hij nooit terug.Egmond was intusschen vertrokken met instructies, die wel niet zóó krachtig en duidelijk waren als Oranje gewenscht had, maar over het geheel met zijne denkbeelden overeenkwamen.Vele edele heeren, onder anderen Brederode, de graaf van Kuilenburg en Mansfeld vergezelden hem tot Kamerijk. Hier onderteekenden zij met hun bloed eene oorkonde, waarin zij zich op hunne eer als edellieden verbonden om, zoo den gezant in Spanje iets kwaads overkwam, dat op den kardinaal Granvelle te wreken.Tot afscheid gaven de edelen den graaf van Egmond een groot feest, waartoe ook de aartsbisschop van Kamerijk uitgenoodigd werd. Overal, waar Brederode zich bevond, kon men er op rekenen, dat een feest in een woest drinkgelag ontaardde. Dit had ook nu plaats. Brederode, die veel gedronken had, geraakte in twist met den aartsbisschop; de graaf van Mansfeld mengde zich daarin en vergat zich eindelijk zoover, dat hij den kerkvorst een slag in het aangezicht gaf.Dewijl deze twist in de tegenwoordigheid der dienaars voorviel, werd het gerucht van die mishandeling, den aartsbisschop aangedaan, spoedig door de stad verbreid. Het verwekte onder het volk eene groote blijdschap, want de aartsbisschop was wegens zijne wreedheid en trouwloosheid algemeen gehaat. Verdere gevolgen had dit schandaal echter niet, dewijl de kerkvorst, uit bezorgdheid voor zijn eigenen naam, geene aanklacht tegen Brederode en Mansfeld durfde indienen.Egmond werd te Madrid met de meeste onderscheiding ontvangen. Toen hij de eerste maal voor den koning verscheen, trad deze hem te gemoet en eer de graaf nog den tijd had om de knie te buigen en zijnvorst de hand te kussen, omarmde Philips hem met meesterlijk nagebootste hartelijkheid. Gedurende den geheelen tijd van Egmond’s verblijf te Madrid werd hij met vleierijen overladen; hij at aan des konings tafel, eene eer, welke Philips II slechts zelden aan de hoogste dienaren der kroon en aan vorstelijke personen bewees. Philips putte zich uit inbeleefdheden; hij overlaadde Egmond met geschenken en met betuigingen van zijne gunst. Hij wist den ijdelen en zwakken man zoo zeer voor zich in te nemen, dat deze den eigenlijken inhoud zijner instructie bijna vergat. Hij kleedde althans zijne woorden zoo in, dat zij den koning niet toornig konden maken.Dit had Philips juist bedoeld; Egmond werd door hem geheel om den tuin geleid en hoewel deze volstrekt niets kon uitrichten, verklaarde hij zich ten slotte hoogst voldaan. Door halve beloften en vleierijen had hij zich laten begoochelen. Bij zijn vertrek ontving hij van Philips een brief met instructies voor de hertogin. Buitendien werd hem mondeling gelast, in den staatsraad uit te spreken, welk eene diepe smart de koning gevoelde, wijl de ketterij in de Nederlanden nog altijd nieuwe vorderingen maakte, dat het zijn onherroepelijk besluit was, in zijne staten geene verandering in de godsdienst te gedoogen en dat hij zelf, indien hij om dit besluit door te zetten duizend dooden moest sterven, daarvoor niet terugdeinzen zou.De koning liet de hertogin verzoeken, terstond den staatsraad tot eene buitengewone zitting bijeen te roepen, die ook door een aantal bisschoppen, godgeleerden en priesters van onverdachte rechtzinnigheid bijgewoond moest worden. Deze vergadering moest dan beraadslagen over de beste wijze om de ketters ter dood te brengen, niet door hunne smarten te verminderen—dit kon noch Gode welgevallig, noch voor de godsdienst heilzaam zijn—maar op zulk eene wijze, dat de ketters niet langer in het oog des volks de martelaarskroon droegen. Ten aanzien van eene hervorming der staatsregeling en van eene samensmelting van den geheimen raad en den raad van finantiën met den staatsraad zou de koning later een besluit nemen, wanneer hij van de landvoogdes nog nadere inlichtingen ontvangen had.Dit was de treurige uitkomst van Egmond’s zending; zij was zoo onbeduidend mogelijk, en toch droeg Egmond grooten roem op hetgeen hij verricht had. Hij verklaarde, na zijne terugkomst in zijn vaderland, dat de koning de genadigste vorst ter wereld was, die het zoo goed en trouw als geen ander met zijn volk meende. Zijn blijdschap werd echter spoedig getemperd, toen hij vernam, dat er brieven van den koning aangekomen waren, waarin deze zich zeer scherp over hem uitgelaten had, en toen hij van Willem van Oranje bittere verwijten over zijne dwaze handelwijze in Spanje moest hooren.Dewijl Philips van nu af in zijne brieven herhaaldelijk op de afkondiging van de Trentsche besluiten aandrong, gehoorzaamde Margaretha; maar reeds de eerste afkondiging verwekte in de Nederlanden eene algemeene verontwaardiging, die nog klom, toen ook een ander bevel des konings ten uitvoer gelegd werd. De ketters werden niet meer in het openbaar verbrand, maar in het holle van den nacht in de gevangenis verdronken en wel op eene afschuwelijke wijze. Men bond hun het hoofd tusschen de knieën en liet hen langzaam in eene waterkuip neerzakken.Zulk een dood kon den slachtoffers geen ijdelen roem verwerven, dewijl niemand langer zag, hoe zij in hun doodstrijd aan hun geloof getrouw bleven.Egmond ontwaakte thans uit zijn korten droom omtrent des koningsgenadige gezindheid. Hij sloot zich op nieuw bij Oranje en Hoorne aan, die beiden de afschuwelijke staatkunde des konings onvermoeid en onversaagd bestreden. Er vielen langdurige en heftige beraadslagingen voor.De kampioenen van de Nederlandsche vrijheid vonden steun bij het volk. Meermalen vond men aan de deuren der paleizen van Oranje, Egmond en Hoorne geschriften aangeplakt, waarin deze aangespoord werden om den strijd voor de godsdienstvrijheid vol te houden, dewijl het volk op hen alleen vertrouwde. Dagelijks vierde de adel feesten, waarop menig scherp woord tegen de landvoogdes en de kardinalisten viel, en deze openlijk met eene gewelddadige uitbarsting der volkswoede bedreigd werden. Door dit alles liet Margaretha zich echter niet afbrengen van den weg, dien zij na Egmond’s terugkomst ingeslagen had. Zij schonk al haar vertrouwen aan den geheimen raad, die alle uit Madrid gezonden stukken ontving en thans er op aandrong, dat de bevelen des konings onverwijld uitgevoerd zouden worden.Toen Margaretha dit in den staatsraad mededeelde, ontstond er op nieuw een heftige strijd. Zelfs Viglius, die thans hersteld was, deinsde voor beslissende stappen terug en ried tot matiging. De landvoogdes verklaarde, dat zij zich aan de verordeningen des konings onderwerpen moest. Er werd eene proclamatie ontworpen, die voorschreef, dat de besluiten van het Trentsche Concilie, de uitgevaardigde plakaten en de inquisitie in elke stad en in ieder dorp der verschillende gewesten onverwijld ten uitvoer gelegd moesten worden en dat deze afkondiging alle zes maanden herhaald worden moest.Toen dit besluit genomen was, wendde de prins van Oranje zich tot zijn buurman, die naast hem aan de raadstafel zat, en fluisterde hem zachtkens in het oor: „Met dit besluit begint het treurigste schouwspel, dat men ooit gezien heeft.” Hij had maar al te juist voorspeld!Toen de proclamatie afgekondigd werd, ging een kreet van ontzetting door het geheele land op, een ieder gevoelde dat hier de grenzen stonden der gehoorzaamheid, door onderdanen aan hun vorst verschuldigd, dat uit zulk een toestand niets anders dan een burgeroorlog geboren worden kon.En inderdaad, reeds deden de eerste kenteekenen van dien strijd zich op.Terwijl te Brussel tegen het einde van het jaar 1565 schitterende feesten ter eere van het huwelijk van den jeugdigen prins Alexander Farnese, de zoon der landvoogdes, met Maria van Portugal gevierd werden, ontstond dat belangrijke verbond der edelen, hetwelk weldra aanleiding zou geven tot den opstand der Nederlanden.In het huis van Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, hadden zich gedurende de huwelijksfeesten meer dan 20 edelen verzameld, om heimelijk een calvinistischen prediker, Franciscus Junius (François du Jon), te hooren. Na de prediking overlegden zij, welke stappen zij tegen de inquisitie konden doen. Deze samenspreking gaf waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het beroemde compromis. Een bepaalden vorm verkreeg het verbond in eene kort daarop in de badplaats Spa gehouden bijeenkomst van een groot aantal edelen, waaraan Lodewijk van Nassau, de broeder van Willem van Oranje, Nicolaas de Hammes, de heraut der orde van het Gulden Vlies, en anderen deel namen. Voor goed gevestigd werd het compromis in de eerste maanden van 1566, door eene oorkonde, welke door Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, werd opgesteld en die Lodewijk van Nassau, Karel van Mansfeld, en Hendrik van Brederode onder hare eerste onderteekenaars telde.Aldegonde was een trouwe vriend van Willem van Oranje en een der merkwaardigste mannen van zijn tijd. Hij was een beroemd schrijver, die zoowel in proza als in poezie veel schoons geleverd heeft, een grondig geleerde, een diepzinnig staatsman en tegelijk een onverschrokken krijgsman. Als leerling van Calvijn, wiens onverdraagzaamheid hij, helaas! ook had overgenomen, was hij een onverzoenlijk vijand van de inquisitie.Aan zijne zijde stond Lodewijk van Nassau, Oranje’s broeder, die van heeler harte het pausdom en zijne bloeddorstige verdedigers haatte. Hij was een voortreflijk en dapper soldaat,even vroolijk, ja somtijds even uitgelaten als de dolle Hendrik van Brederode, maar niet, gelijk deze, aan de dronkenschap verslaafd.Nicolaas de Hammes was de vurigste voorstander van het nieuwe verbond, onafgebroken reisde hij het land door, om onderteekenaars aan te werven. Ook Karel van Mansfeld, die later ontrouw werd, gaf zich daarvoor in den beginne veel moeite.De oorkonde, die eerst slechts de drie ons bekende handteekeningen droeg, doch in den loop van twee maanden door ongeveer 2000 edelen onderteekend werd, was door Sint Aldegonde met zooveel beleid opgesteld, dat zoowel vaderlandslievende katholieken als vurige protestanten daaronder hunne namen konden plaatsen. Zij hield in, dat de edelen zich onderling verdedigen zouden tegen de aanslagen van eenige vreemdelingen, die den koning in strijd met zijnen eed tot het verscherpen van de godsdienstplakaten en tot de invoering van de inquisitie aangespoord hadden.De onderteekenaars beloofden niet te zullen rusten eer zij de geheele afschaffing van de inquisitie bewerkt hadden; zij verklaarden dat zij de macht des konings en de staatsregeling des lands ongeschonden wilden handhaven, zij beloofden, elkaar tot bereiking van dit doel met goed en bloed te zullen bijstaan en bekrachtigden deze belofte met een eed.Het compromis was aanvankelijk niets anders dan een verbond van edelen, tegen den vreemden, in de Nederlanden heerschenden invloed en tegen elke soort van inquisitie gericht. De aanzienlijkste heeren des lands hadden daaraan geen deel genomen, ook Oranje niet; men wist, dat hij op den vorm van het compromis meer dan eene aanmerking had, doch dat hij met de zaak zelve ongetwijfeld ingenomen was. Of had hij niet geweigerd, de Trentsche besluiten en de nieuwste edikten in zijn stadhouderschap af te kondigen en zich ook ten aanzien van de inquisitie in een brief aan de landvoogdes zeer beslissend uitgelaten? In dezen brief had hij gezegd, dat het Nederlandsche volk zich alleen een weinig getroost had met de hoop, dat de inquisitie niet voor altijd ingevoerd zou worden, dat, indien het deze hoop niet gekoesterd had, handel en nijverheid door het vertrek van duizenden reeds geheel vernietigd zouden zijn. Hij had daarin verklaard, dat wanneer de plakaten met alle gestrengheid toegepast werden, een opstand bij het tot wanhoop gebrachte volk niet kon uitblijven, en dat de koning hierbij niets winnen, maar wel de liefde zijner onderdanen verliezen kon. Aan het slot van zijn brief had de prins verklaard, dat hij de bevelen van Zijne Majesteit zou opvolgen, zooals dit de plicht van een goed christen was.Veelbeteekenend ten aanzien van de denkbeelden van den prins was deze laatste uitdrukking. Een jaar vroeger zou hij gezegd hebben: „Gelijk het de plicht van een goed katholiek is”, doch in het laatste jaar waren zijne denkbeelden in menig opzicht veranderd. Hij was niet meer zoo onverschilligomtrent godsdienstige zaken als vroeger; reeds had de vraag, of de hervorming niet evenzeer op godsdienstig als op staatkundig gebied eene dringende behoefte was, zich ernstig aan zijnen geest voorgedaan. Het is niet onwaarschijnlijk, dat tot dezen ommekeer in zijne geloofsovertuiging ook het tweede huwelijk des prinsen bijgedragen heeft.Sedert den 24enAugustus 1561 was hij namelijk de echtgenoot eener protestantsche vorstin, Anna van Saksen, de dochter van den beroemden keurvorst Maurits.Nog bij de onderhandelingen over dit huwelijk had Oranje zich een goed katholiek betoond en beslist geweigerd, eene overeenkomst aan te gaan, waarbij bepaald werd, dat het der vorstin na haar huwelijk vergund zou zijn, bij haar geloof te blijven, en dat zij daarvan noch door overreding noch door bedreiging afgetrokken zou worden; dat zij het recht zou hebben om protestantsche boeken te lezen en elk jaar, zoo dikwijls zij dat begeerde, de Nederlanden te verlaten, om zich te begeven naar eene plaats, waar zij het avondmaal volgens de Augsburgsche geloofsbelijdenis vieren kon; dat de prins, ingeval van ernstige ziekte of van eene moeilijke verlossing zijner gemalin, wanneer er noodzakelijkheid toe bestond, een evangelisch prediker roepen zou, om haar in hare woning het avondmaal toe te dienen, en dat de kinderen, uit het huwelijk geboren, in de leer der Augsburgsche geloofsbelijdenis opgevoed zouden worden.Vele lastige onderhandelingen waren er gevoerd, eer de oom der vorstin, de keurvorst August van Saksen, en haar grootvader, de oude landgraaf Philips van Hessen, zich lieten overhalen om hunne toestemming tot het huwelijk te geven, nadat de prins geweigerd had, de gestelde voorwaarden aan te nemen. Het huwelijk was intusschen gesloten en de vorstin had beloofd, zonder haar geloof ontrouw te worden, toch voor het uiterlijk als eene katholieke te zullen leven. Dit geschiedde dan ook inderdaad.Niet alleen het eerste kind, dat geboren werd, maar ook zij, die volgden, werden door katholieke priesters met alle katholieke plechtigheden gedoopt. Hoewel de prins ook na zijn huwelijk nog geene bijzondere ingenomenheid met de protestanten aan den dag legde, kwam hij daardoor toch in eene nieuwe vriendschappelijke betrekking met de ketters, welke niet zonder invloed op hem blijven kon.In weerwil hiervan beviel het compromis hem toch niet; hoofdzakelijk wijl aan het hoofd der verbondenen de dolle Brederode stond, die altijd geneigd was tot onbezonnen streken. In zijnen broeder en in Sint Aldegonde stelde Oranje wel een onbepaald vertrouwen, maar hij betwijfelde hunnen invloed en kon daarom niet besluiten, zich met het compromis in te laten. Vele aanzienlijke Nederlanders, de stadhouders en ridders van het gulden Vlies volgden zijn voorbeeld; Egmond, Hoorne, Montigny en anderen traden niet tot het verbond toe.De verbondenen—zoo noemden zich de onderteekenaars van het compromis—versterkten hunne gelederen aanvankelijk dan ook met zulke edelen, die geene hooge betrekkingen bekleedden. Eenige der onderteekenaars waren goede katholieken, die alleen de inquisitie en den Spaanschen invloed haatten; anderen waren ijverige Calvinisten of vurige Lutheranen; anderen weder bekommerden zich weinig om de godsdienstige beginselen hunner bondgenooten; het waren edellieden, die hun vermogen verkwist hadden en die nu, begrijpende, dat de kerkelijke goederen voor hen een goede buit zouden zijn, gunstig jegens de hervorming gezind waren.Men heeft later gezegd en geschiedschrijvers van naam hebben het den vijanden van de Nederlandsche vrijheid, den aanbidders van Philips II naverteld, dat het grootste getal der verbondene edelen alleen door den drijfveer van het laagste eigenbelang bestuurd werd en dat de Nederlandsche omwenteling dus niet het gevolg der dwingelandij van Philips II maar alleen de vrucht der roofzucht van een door zijne verkwisting aan lager wal geraakten adel geweest is.Met zulke beschuldigingen zijn de penvoerders, die in dienst der reactie staan, altijd spoedig gereed en hunne woorden hebben maar al te dikwijls geloof gevonden, dewijl inderdaad een groot deel dezer edelen het voorbeeld van Brederode volgde en door woeste slemppartijen de goede zaak, welke zij voorstonden, onteerde. Een ander en aanzienlijk gedeelte sloot zich echter bij Lodewijk van Nassau en Sint Aldegonde aan, wien niemand een dergelijk verwijt voor de voeten kan werpen.Hoewel het compromis naar de letter eene verbintenis tusschen edellieden moest zijn, werden echter ook burgers en kooplieden tot de onderteekening uitgenoodigd en het vond ook onder deze een groot aantal onderteekenaars. Ook hier zeggen de vijanden der omwenteling, dat dit geschiedde, dewijl de ijdele burgers het zich tot eene eere rekenden hunne namen tusschen die der edelen geplaatst te zien. Al heeft wellicht deze of gene zich door zulk een kleingeestigen drijfveer laten besturen, toch bewijst de heldenmoed, waarmede de Nederlandsche burgers in dien tijd den marteldood voor hun geloof ondergingen, dat verreweg de meesten hunner zich uit volle overtuiging met den adel tot bestrijding van de inquisitie verbonden hebben.Met het aangroeien van het getal der onderteekenaars klom ook hun moed. Bij de feesten, die toenmaals in alle deelen des lands tot de leefwijze van een edelman behoorden, werd eene hoe langer zoo stouter taal gevoerd.De prins vernam dit met groote bezorgdheid, hij wist maar al te goed, dat elk daar gesproken woord terstond door Spaansche spionnen naar Madrid overgebracht en den koning meegedeeld werd. Sinds lang was Oranje doordrongen van de overtuiging, dat het tusschen den koning en het Nederlandsche volk eindelijk tot eene hevige botsing komen moest. Hij had daarom gezorgd zich op de hoogte te stellen van hetgeen er aan het hof van Madrid omging. Het middel, door hem gekozen, was zeker niet in overeenstemming met de strengste eischen der zedelijkheid, maar wel met den geest dier tijden.Evenals Philips II in de Nederlanden, zoo had Willem van Oranje in Spanje zijne spionnen, die hem uitmuntende diensten bewezen. Wanneer de koning des avonds de ontvangen brieven zorgvuldig wegsloot, dan vermoedde hij zeker niet, dat onzichtbare handen ze reeds voor den volgenden morgen afgeschreven en de afschriften aan Willem van Oranje gezonden hadden. Deze wist daardoor zeker, dat alle plannen der verbondenen den koning bekend waren en dat Philips op wraak zon.De landvoogdes Margaretha verkeerde, terwijl het getal der onderteekenaars van het compromis met elken dag aangroeide, in de grootste verlegenheid. De bevelen des konings drongen haar om de plakaten ten uitvoer te leggen; zij wilde gaarne gehoorzamen, maar zij kon niet.Bijna alle gouverneurs der provinciën verklaarden, dat het hun onmogelijk was den wil des konings op te volgen, en ten minste 50 of 60.000 inwoners des lands naar den brandstapel te verwijzen.Margaretha werd door die koninklijke bevelschriften bijna tot wanhoop gebracht, niet wijl zij eenig medelijden voor de slachtoffers der inquisitie gevoelde, maar omdat zij wist, welk gevaar haar bedreigde, indien zij den koning gehoorzaamde. Wel rustte Philips zich allengs ten strijde toe en was hij bezig met het aanwerven van soldaten, maar eer deze in de Nederlanden konden verschijnen, zou de macht der verbondenen zeker nog in groote mate toenemen.Ook het volk bevond zich in een schier wanhopigen toestand. Een hongersnood heerschte en de ellende werd nog vermeerderd, dewijl steeds meerderen uit vrees voor de inquisitie vrijwillig het land verlieten. Reeds waren ongeveer 30.000 burgers naar Engeland gevlucht, waar zij door koningin Elisabeth gastvrij werden ontvangen.In den aanvang van de maand Maart besloten de verbondene edelen, steunende op hun aantal, tot een nieuwen stap over te gaan; zij spraken af, dat door een aantal edelen in persoon een verzoekschrift aan de landvoogdes overgebracht zou worden. De prins van Oranje werd van dit plan onderricht; hij kon zich niet ontveinzen, dat die stap noodlottige gevolgen kon hebben. Dien verhinderen kon en wilde hij niet, maar hij achtte het zijn plicht, aan de demonstratie haar dreigend karakter zoo mogelijk te ontnemen. Met dit doel riep hij eene vergadering van hooggeplaatste en invloedrijke mannen te Hoogstraten bijeen. Egmond, Hoorne, Hoogstraten, Montigny en, van de andere zijde, Brederode en eenige andere hoofden der verbondene edelen waren uitgenoodigd om die bij te wonen. Men kon het echter niet eens worden. Vele aanzienlijke heeren achtten een nieuw verzoekschrift niet alleen gevaarlijk, maar zelfs misdadig, terwijl Brederode en zijne vrienden veel onstuimiger te werk wilden gaan dan zelfs vele tegenstanders der inquisitie, die anders zijne zijde hielden, konden goedkeuren. Zoo liep de bijeenkomst te Hoogstraten vruchteloos af. Toch rekende Oranje zich verplicht om zijne pogingen niet op te geven en het gelukte hem, tengevolge van zijn persoonlijken invloed, in de bedoelde petitie, die reeds opgesteld was, menige wijziging te doen aanbrengen. Haar toon werd merkelijk verzacht.Eenige dagen daarna hield Margaretha van Parma eene vergadering van den staatsraad, waarbij ook Oranje en Egmond tegenwoordig waren. Hier verhaalde een der heeren, dat hij mededeeling ontvangen had van het bestaan eener kettersche samenzwering. Reeds waren 30.000 man heimelijk gewapend en gereed om den opstand te beginnen. Het teeken daartoe zou een verzoekschrift zijn, dat door 1500 gewapende edelen der landvoogdes aangeboden zou worden. Egmond was hierover zoo verschrikt, dat ook hij zich verleiden liet tot het doen van eene mededeeling; hij verklaarde, dat ook hij dergelijke berichten ontvangen had, dat namelijk de verbondene edelen van plan waren om de regeering te veranderen. Hij bracht zelfs een exemplaar van het compromis als bewijs voor het bestaan van de samenzwering ter tafel.Margaretha van Parma was radeloos: het scheen haar even gevaarlijk, geweld tegen de verbondenen te gebruiken als hen hun gang te laten gaan. De kardinalisten in den raad wilden, dat zij het verzoekschrift wel aannemen maar maatregelen nemen zou om de overbrengers gezamenlijk gevangen te nemen en ter dood te brengen. Hiertegen kwam Oranje met kracht op. De verbondenen, zeide hij, waren mannen van eer en rang, velen van hen waren zijne bloedverwanten en vrienden, voor wier eer hij kon instaan;zij hadden recht op eene eervolle behandeling. Egmond, die steeds weifelde, stemde met dit gevoelen in.Dewijl de hertogin niet besluiten kon, op eigen gezag een beslissenden stap te doen, riep zij eene groote vergadering van notabelen bijeen, waartoe alle leden van den staatsraad en den geheimen raad, de gouverneurs der provinciën en de ridders van het Gulden Vlies uitgenoodigd werden. Doch ook in deze vergadering kwam men niet tot een besluit.Den 3enApril 1566, des avonds omstreeks 6 uur, trok Hendrik van Brederode aan het hoofd van 200 gewapende edelen te paard de stad Brussel binnen. Hij werd door het volk, dat sedert lang dezen stap der verbondenen verwacht had, met groot gejuich begroet. Den volgenden dag verscheen de graaf van Kuilenburg met nog ongeveer 100 ruiters. In den morgen van den 6enApril verzamelden al de edelen zich in het paleis van Kuilenburg. Van hier trokken zij kort voor den middag te voet naar het paleis der hertogin. Het waren bijna allen jonge lieden uit de edelste geslachten des lands; zij werden door de dicht opeengedrongen volksmenigte met luide kreten van bijval begroet: de burgers zagen in hen hunne bevrijders van de inquisitie en van het Spaansche juk. Lodewijk van Nassau en Brederode, die den langen trein sloten, waren de voorwerpen van de warmste hulde.De hertogin Margaretha ontving de edelen, gezeten op haren troon,en omringd van de grootwaardigheidsbekleeders des lands. Toen zij de rijen der verbondenen overzag, bemerkte zij onder hen met schrik vele bloedverwanten en aanhangers van den prins, van Egmond en van Hoorne.Brederode naderde met eene diepe buiging den troon; hij verklaarde, dat hij met allen, die hem vergezelden, hier gekomen was, om Hare Hoogheid een ootmoedig verzoekschrift te overhandigen, dat hij wel gehoord had, hoe de wakkere edellieden, die hier stonden, als verraders en oproermakers belasterd waren, doch dat hij zulke leugens met verachting van zich wierp. Hierop reikte hij het smeekschrift over, hetwelk daarop met luider stemme voorgelezen werd.De toon van het smeekschrift was zoo zacht mogelijk; de edelen betuigden daarin hunne onwankelbare trouw jegens den koning en de hertogin, zij smeekten slechts om opheffing van de inquisitie of tenminste, bij de groote gisting, die in het geheele land heerschte, om tijdelijke schorsing van de koninklijke plakaten, totdat de koning in overleg met de Staten-Generaal nadere beschikkingen zou genomen hebben. Het smeekschrift was kalm, ja ootmoedig gesteld; toch joeg het der landvoogdes schrik aan. Men bemerkte, dat tranen langs hare wangen vloeiden, terwijl zij naar de voorlezing luisterde. Toen deze geëindigd was, zweeg zij nog een tijd lang en eerst toen zij hare aandoening overmeesterd had,antwoorddezij met enkele woorden, dat zij de zaak met hare raadslieden bespreken en later antwoord geven zou. Hiermede werden de verbondenen uit hare tegenwoordigheid ontslagen.Na hun vertrek had terstond eene zitting van den staatsraad plaats. Oranje trachtte de landvoogdes tot kalmte te brengen. Hij verklaarde, dat de verbondenen geene rebellen, maar loyale edellieden waren, wier bedoeling allen lof verdiende; dat zij niets anders beoogden dan het land voor een dreigend gevaar te behoeden. Egmond durfde hem niet ondersteunen; hij verkeerde klaarblijkelijk in de grootste verlegenheid; hij wilde noch voor noch tegen de verbondenen spreken. Ten einde zich uit diemoeilijkheid te redden, verklaarde hij, dat hij binnen kort het land verlaten moest, om eene badplaats te bezoeken, dewijl zijne gezondheid al te zeer geschokt was.Men sprak door elkaar, totdat Barlaimont het woord nam en zich tot de hertogin wendde met de vraag: „Hoe kan Uwe Hoogheid bevreesd zijn voor een troep bedelaars (gueux); willen deze menschen, die niet eens hun eigen vermogen beheeren kunnen, den koning en Uwe Hoogheid leeren, hoe men een land besturen moet? Bij den eeuwigen God, wanneer men mijnen raad wilde volgen, dan zou men op hun smeekschrift met een dracht slagen antwoorden. Ik zou hen de trappen spoediger afjagen dan zij ze opgeklommen zijn.”Het woord van Barlaimont is historisch geworden. De scheldnaam „bedelaars” (gueux), door hem den verbondenen gegeven, zou weldra in een eernaam worden herschapen.Den 6enApril verscheen Brederode met een groot aantal zijner bondgenooten op nieuw in het paleis, om het antwoord van Margaretha te vernemen. De landvoogdes beloofde, dat er een gezantschap naar den koning gezonden worden zou. Gedurende den tijd, welke tot aan zijne terugkomst moest verloopen, zou den inquisiteurs gelast worden, in de uitoefening van hun ambt zoo zacht mogelijk te werk te gaan, zoodat niemand reden tot klagen zou hebben. Daarentegen hoopte de hertogin, dat ook de edelen niets doen zouden wat in strijd was met de oude godsdienst des lands.Twee dagen later, den 8enApril, werd Brederode nog eens ten gehoore toegelaten. De verbondenen dankten de hertogin voor haar antwoord; zij betreurden het, dat de inquisitie, tot de verwachte beslissing des konings, niet volkomen opgeheven werd, maar zij spraken te gelijk hun vertrouwen uit, dat de landvoogdes tot dat tijdstip althans de vervolging zou schorsen.Denzelfden dag werd in het paleis van Kuilenburg een schitterend feest gevierd, waarbij Brederode 300 gasten had uitgenoodigd. De wijn stroomde bij beken, de hoofden waren reeds verhit, toen de gastheer eensklaps opstond: zijne krachtige stem klonk boven het woeste geraas uit, hij wist voor een oogenblik gehoor te krijgen en nu verhaalde hij wat Barlaimont der hertogin had aangeraden en dat hij al de edelen bedelaars (geuzen) had genoemd.Een luide kreet van verontwaardiging ging op. Doch Brederode wist spoedig de rust te herstellen. „Zij noemen ons bedelaars,” riep hij, „welaan, wij willen dezen titel aannemen; wij zullen de inquisitie bestrijden, maar den koning getrouw blijven, ook al moeten wij tot den bedelstaf geraken.” Bij deze woorden gaf hij een zijner pages een teeken, deze bracht een lederen zak, gelijk de bedelaars van beroep toen droegen, en een houten nap, waarin deze gewoonlijk de hun geschonken spijzen ontvingen. Den bedelzak hing Brederode zich om het lijf, daarop vulde hij den nap met wijn, hief dien met beide handen omhoog en ledigde dien in éénen teug. „Vivent les gueux, leve de geuzen!” riep hij en juichend herhaalden zijne gasten dien kreet.Brederode’s scherts werd met de grootste bijvalsbetuigingen begroet; de bedelzak ging rond; de eene gast na den ander hing dien om en allen ledigden op hunne beurt den met wijn gevulden nap op de gezondheid der geuzen. Van dezen dag af noemden de verbondenen zich bedelaars, gueux, geuzen.Het feestmaal was nog niet ten einde, aan den bedelzak en den nap werd eene eereplaats aan een der pijlers van de zaal toegewezen. Vervolgens gingen de gasten voort met drinken en praten; zoowel door den wijn als door hunne staatkundige gesprekken werden ze meer en meer opgewonden. Juist terwijl het geraas het sterkst was, trad de prins van Oranje met de graven van Egmond en Hoorne de zaal binnen. Terstond werden zij door een aantal geuzen omringd en met den kreet: „Leven de koning en de geuzen!” drong men hen om een beker wijn te ledigen.Zij konden zich tegen de beschonkenen niet verzetten, doch weigerden in hun midden plaats te nemen. Spoedig verlieten zij de zaal, nadat zij de leiders van het feest aangespoord hadden om aan het rumoer een einde te maken. Zij begaven zich rechtstreeks naar den staatsraad, waar de landvoogdes hun haren dank betuigde, omdat zij door hunne tusschenkomst nog ergerlijker tooneelen verhoed hadden.

Derde Hoofdstuk.De Nederlanden. Oranje’s hervormingsplannen. Omkoopbaarheid der beambten. Oranje’s eerzucht. Egmond als hoveling. De kardinalisten. Oproer te Antwerpen. De Trentsche besluiten. Oranje’s redevoering in den staatsraad. Egmond als gezant in Spanje. Treurige uitslag van die zending. Egmond’s ijdelheid en zwakheid. Stormachtige beraadslagingen in den staatsraad. De Trentsche besluiten afgekondigd. Het compromis. Marnix van St. Aldegonde. Lodewijk van Nassau. Nicolaas de Hammes. Inhoud der oorkonde van het compromis. Verandering in de godsdienstige denkbeelden van den prins van Oranje. Zijn huwelijk met Anna van Saksen. Verhouding van Oranje en Egmond tot het compromis. De onderteekenaars. Aangroeiend getal der onderteekenaars, ook onder de burgers. Geheime politie van den prins van Oranje. Moeilijke toestand van de landvoogdes. Treurig lot des volks. Hongersnood. Vrijwillige ballingschap. De bijeenkomst te Hoogstraten. Vergadering van notabelen. Intocht van Brederode in Brussel. Ontvangst der edelen bij Margaretha. De staatsraad Barlaimont. »Ce ne sont que des gueux.” Antwoord op het verzoekschrift. Het afscheidsmaal. »Leven de Geuzen!”Onmiddellijk na Granvelle’s vertrek schreven Oranje, Egmond en Hoorne aan den koning, om hem te verzekeren, dat hunne gehoorzaamheid jegens hem onwankelbaar was, en dat zij met blijdschap hunne plaatsen in den staatsraad weder zouden innemen. Doch te gelijk deelden zij der landvoogdes mede, dat zij, zoodra de kardinaal terugkeerde, hun ambt zouden nederleggen. Van nu af werden zij nooit in den raad gemist; waar zij met den grootsten ijver, soms tot laat in den nacht, arbeidden.Oranje had zich ten doel gesteld, drie belangrijke hervormingsmaatregelen in te voeren: vooreerst, de samenroeping van de Staten-Generaal; ten tweede verzachting of liever nog afschaffing van de plakaten ten aanzien van de godsdienst; ten derde opheffing van den geheimen raad en van den raad van finantiën, wier werkzaamheden in het vervolg aan den staatsraad zouden worden opgedragen.De opheffing van deze beide lichamen scheen inderdaad dringend noodzakelijk, zij maakten het regeeringswerktuig zóó traag van gang en zóó moeilijk te besturen, dat het schier onmogelijk was, over het heirleger van beambten een zorgvuldig toezicht te houden. Door deze beide raadscollegiën werd eene ziekte, waaraan de Nederlandsche staat sterk leed, de omkoopbaarheid der beambten, ongeneeslijk gemaakt.Het was zóó ver gekomen, dat zelfs de hoogst geplaatsten zonder schroom zich de weldaden, bij de wet den burgers verzekerd, lieten afkoopen. Voor den arme bestond er geen recht meer; hij werd zonder genade wegens het geringste vergrijp in de gevangenis geworpen en, wanneerhij verdacht was van ketterij, dikwijls zonder vonnis ter dood gebracht. Voor den rijke daarentegen was niets onbereikbaar; hij kon zich door middel van zijn geld voor de schandelijkste misdaden genade verwerven. Zelfs rijke ketters wisten den brandstapel soms te ontgaan, door de rechters om te koopen.Tegen deze omkoopbaarheid van den ambtenaarsstand bond Oranje moedig den strijd aan. Van zijne pogingen om die beide schadelijke raadscollegiën ter zijde te stellen en de geheele regeering aan den staatsraad op te dragen, hebben zijne vijanden hem een scherp verwijt gemaakt. Op grond hiervan beschuldigden zij hem van eene schandelijke eerzucht. Zij geloofden, dat hij daarmee niets anders beoogde, dan zelf de geheele macht in handen te krijgen, dewijl hij thans in den staatsraad den boventoon voerde. Inderdaad scheen dit verwijt niet uit de lucht gegrepen. Willem van Oranje was in de laatste jaren een geheel ander mensch geworden. De levenslust, waarvan hij vroeger tintelde, was geweken; zijn oog stond somber, zijne wang was bleek. Niet in lustige feesten, slechts in ernstigen arbeid schepte hij behagen. Ja, eerzucht had geheel zijne ziel ingenomen; maar het was eene eerzucht van den edelsten aard, zij spiegelde hem als zijn levensdoel niets minder voor dan de bevrijding van het verdrukte volk uit de boeien, waarin Philips II het geslagen had, de afschaffing van de bloedige inquisitie en de handhaving van de rechten en vrijheden des lands.Minder lofwaardig was de eerzucht, welke Egmond duidelijk genoeg aan den dag legde. De trotsche graaf poogde zijn invloed te verhoogen door tegenover de landvoogdes Margaretha den hoveling te spelen, terwijl hij tegelijk om de volksgunst boelde. Hij schertste met de burgers van Brussel, nam deel aan hunne feesten en noemde een ieder vertrouwelijk bij zijnen naam.Voor het Nederlandsche volk was de in den staatsraad voorgevallen verandering van het grootste belang. De geloofsvervolging was, sinds Granvelle vertrokken was, veel minder scherp dan vroeger. Toch hield zij nog niet geheel op; daarvoor zorgden de kardinalisten—zóó werden Granvelle’s aanhangers in het bewind genoemd. Al hadden deze, Viglius, Barlaimont en anderen, het grootste deel van hun invloed op de landvoogdes verloren, toch konden zij zich beroepen op de bevelen van Philips II, waaraan ook Margaretha zich onderwerpen moest.Zij kon niet beletten dat Titelman en andere inquisiteurs met het vervolgen van de ketters voortgingen; wellicht lag dit ook niet in haar plan. Gevoelde zij aan den eenen kant geene genegenheid, maar eerder eene soort van afkeer van de kardinalisten, nog minder ingenomen was zij met hunne tegenstanders. Was de overdreven vervolgingswoede der eersten in haar oog gevaarlijk, nog bedenkelijker achtte zij godsdienstige verdraagzaamheid jegens de afvalligen van de moederkerk.De tegenstand, die zich reeds gedurende het bewind des kardinaals tegen de vervolging van de ketters onder het volk geopenbaard had, nam thans hand over hand toe. In Antwerpen kwam het tot een openlijken opstand. Daar werd een karmelieter monnik Fabricius, die Calvinist geworden was en met ijver het evangelie predikte, gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Gedurende de dagen zijner gevangenschap verdrong het volk zich voor de vensters van zijn kerker. Slechts met moeite kon Fabricius het van een opstand terughouden. Ook toen hij door de stratenvan Antwerpen naar den brandstapel gevoerd werd, smeekte hij de volksmenigte, die hem in dichte drommen volgde, in warme bewoordingen, dat zij toch om zijnentwil geen oproer zou verwekken, maar hem rustig voor zijne overtuiging laten sterven. Hij vermaande allen, die hem hooren konden, aan de waarheid getrouw te blijven, maar ook den koning trouw en der overheid onderdanig te zijn. Zóó sprak hij nog op het schavot, doch toen de beul hem nu aan den paal kluisteren wilde, barstte de volkswoede eensklaps los. Een hagelbui van steenen werd naar de wachten geslingerd, deze moesten terugwijken; de beul en de hoogere beambten, die de terechtstelling bijwoonden, volgden hen op hunne vlucht.De menigte stormde op den houtmijt los, maar zij kwam te laat. De beul had, eer hij de vlucht nam, met een dolk den martelaar doorboord en hem met zijn hamer den schedel verbrijzeld.De woede der menigte gaf zich lucht in een woesten kreet; het volk keerde naar de stad terug, doch dewijl het den geliefden prediker toch niet in het leven kon terugroepen, kwam het eindelijk weer tot rust.Des nachts werd een met bloed geschreven plakaat aan de muren van het stadhuis gehecht, waarin de moordenaars met eene vreeselijke straf bedreigd werden.Op andere plaatsen openbaarde de afkeer van de geloofsvervolging zich wel niet in oproer, maar in verzoekschriften aan de landvoogdes. De raad van Brugge, die uitsluitend uit goede katholieken bestond, beklaagde zich bitter over Titelman. Zulke stappen werkten intusschen niets uit, want de kardinalisten in den staatsraad beriepen zich op het bevel des konings, dat steeds strenger vervolging van de protestanten voorschreef.Het Concilie van Trente was in dien tijd afgeloopen. Zijne besluiten, waarin de leerstukken der katholieke kerk in hunne tegenstelling met het protestantisme zoo scherp mogelijk uitgedrukt waren, waarin de uitroeiing van de ketters met de grootste strengheid bevolen werd en deze van het maatschappelijk leven geheel werden uitgesloten, moesten volgens Philips’ bevel ook in de Nederlanden als wet afgekondigd worden. Margaretha van Parma verkeerde tegenover dit bevel in eene pijnlijke verlegenheid.De Trentsche besluiten waren in meer dan ééne bepaling lijnrecht in strijd met de privilegiën des lands. In weerwil hiervan drongen Viglius en de overige kardinalisten op hunne afkondiging aan, dewijl de koning het zoo wilde, terwijl Oranje opmerkzaam maakte op de noodlottige gevolgen, die daaruit konden voortvloeien.De landvoogdes besloot een gezant naar Spanje te zenden, ten einde rechtstreeks met den koning te onderhandelen, en zij koos voor dezen eerepost den graaf van Egmond, die zich in den laatsten tijd in hare gunst had weten te dringen. Egmond verklaarde zich bereid om deze taak te aanvaarden; de staatsraad beraadslaagde derhalve over de instructie, welke men hem medegeven zou.Nu stond Willem van Oranje op, hij voerde in den staatsraad niet dikwijls het woord, maar wanneer hij het deed, spreidde hij eene schitterende welsprekendheid ten toon. Hij drong er op aan, dat Egmond in last ontvangen zou, den koning de geheele waarheid te zeggen. Hij moest Philips meedeelen, dat het eindelijk hoog tijd was om een einde te maken aan de kettervervolgingen en de inquisiteurs en ketterjagers ter zijde te zetten; dat de Nederlanden een vrij land waren, omringd door anderevrije landen, waarin zulke gruwelen niet meer plaats vinden mochten. Zijne Majesteit moest eindelijk bekend gemaakt worden met de schandelijke omkoopbaarheid, waardoor zoowel de leden der rechterlijke macht als de overige beambten aangetast waren; zij moest weten, dat omkoopbaarheid bij hen regel, rechtschapenheid eene zeldzame uitzondering was.In scherpe bewoordingen rukte Oranje al den hoogen waardigheidsbekleders der kroon het masker van het gelaat, ja, hij toonde aan, hoe juist de hoogste beambten de omkoopbaarste van allen waren. Hij eischte, dat de koning onderricht zou worden van de noodzakelijkheid om den geheimen raad en dien van finantiën te ontslaan en den staatsraad in beider plaats te stellen. Bovendien moest aan Zijne Majesteit vrijmoedig verklaard worden, dat de Trentsche besluiten, die door de geheele wereld, zelfs door de katholieke vorsten van Duitschland afgewezen waren, in de Nederlanden nooit tot wet konden verheven worden en dat, indien men dit doordreef,daaruit de treurigste gevolgen zouden voortvloeien.Oranje besloot zijne rede met de verklaring, dat hij een goed katholiek was en bleef, maar dat hij het niet zonder afgrijzen kon aanzien, wanneer de vorsten pogingen aanwendden om jegens hunne onderdanen in zaken des gewetens en der godsdienst dwang uit te oefenen.Des prinsen taal maakte een diepen indruk op de landvoogdes, maar nog dieper op Viglius, die daarvan zoo verschrikt was, dat hij geen woord er tegen in kon brengen en den volgenden morgen na een slapeloozen nacht door eene beroerte getroffen werd. Joachim Hopper, een geleerde Fries, die wegens zijne slaafschheid den bijnaam „de ja-broer van madame”, ontvangen had, nam voorloopig de zaken op zich. Viglius herstelde slechts langzaam; zijne volle kracht kreeg hij nooit terug.Egmond was intusschen vertrokken met instructies, die wel niet zóó krachtig en duidelijk waren als Oranje gewenscht had, maar over het geheel met zijne denkbeelden overeenkwamen.Vele edele heeren, onder anderen Brederode, de graaf van Kuilenburg en Mansfeld vergezelden hem tot Kamerijk. Hier onderteekenden zij met hun bloed eene oorkonde, waarin zij zich op hunne eer als edellieden verbonden om, zoo den gezant in Spanje iets kwaads overkwam, dat op den kardinaal Granvelle te wreken.Tot afscheid gaven de edelen den graaf van Egmond een groot feest, waartoe ook de aartsbisschop van Kamerijk uitgenoodigd werd. Overal, waar Brederode zich bevond, kon men er op rekenen, dat een feest in een woest drinkgelag ontaardde. Dit had ook nu plaats. Brederode, die veel gedronken had, geraakte in twist met den aartsbisschop; de graaf van Mansfeld mengde zich daarin en vergat zich eindelijk zoover, dat hij den kerkvorst een slag in het aangezicht gaf.Dewijl deze twist in de tegenwoordigheid der dienaars voorviel, werd het gerucht van die mishandeling, den aartsbisschop aangedaan, spoedig door de stad verbreid. Het verwekte onder het volk eene groote blijdschap, want de aartsbisschop was wegens zijne wreedheid en trouwloosheid algemeen gehaat. Verdere gevolgen had dit schandaal echter niet, dewijl de kerkvorst, uit bezorgdheid voor zijn eigenen naam, geene aanklacht tegen Brederode en Mansfeld durfde indienen.Egmond werd te Madrid met de meeste onderscheiding ontvangen. Toen hij de eerste maal voor den koning verscheen, trad deze hem te gemoet en eer de graaf nog den tijd had om de knie te buigen en zijnvorst de hand te kussen, omarmde Philips hem met meesterlijk nagebootste hartelijkheid. Gedurende den geheelen tijd van Egmond’s verblijf te Madrid werd hij met vleierijen overladen; hij at aan des konings tafel, eene eer, welke Philips II slechts zelden aan de hoogste dienaren der kroon en aan vorstelijke personen bewees. Philips putte zich uit inbeleefdheden; hij overlaadde Egmond met geschenken en met betuigingen van zijne gunst. Hij wist den ijdelen en zwakken man zoo zeer voor zich in te nemen, dat deze den eigenlijken inhoud zijner instructie bijna vergat. Hij kleedde althans zijne woorden zoo in, dat zij den koning niet toornig konden maken.Dit had Philips juist bedoeld; Egmond werd door hem geheel om den tuin geleid en hoewel deze volstrekt niets kon uitrichten, verklaarde hij zich ten slotte hoogst voldaan. Door halve beloften en vleierijen had hij zich laten begoochelen. Bij zijn vertrek ontving hij van Philips een brief met instructies voor de hertogin. Buitendien werd hem mondeling gelast, in den staatsraad uit te spreken, welk eene diepe smart de koning gevoelde, wijl de ketterij in de Nederlanden nog altijd nieuwe vorderingen maakte, dat het zijn onherroepelijk besluit was, in zijne staten geene verandering in de godsdienst te gedoogen en dat hij zelf, indien hij om dit besluit door te zetten duizend dooden moest sterven, daarvoor niet terugdeinzen zou.De koning liet de hertogin verzoeken, terstond den staatsraad tot eene buitengewone zitting bijeen te roepen, die ook door een aantal bisschoppen, godgeleerden en priesters van onverdachte rechtzinnigheid bijgewoond moest worden. Deze vergadering moest dan beraadslagen over de beste wijze om de ketters ter dood te brengen, niet door hunne smarten te verminderen—dit kon noch Gode welgevallig, noch voor de godsdienst heilzaam zijn—maar op zulk eene wijze, dat de ketters niet langer in het oog des volks de martelaarskroon droegen. Ten aanzien van eene hervorming der staatsregeling en van eene samensmelting van den geheimen raad en den raad van finantiën met den staatsraad zou de koning later een besluit nemen, wanneer hij van de landvoogdes nog nadere inlichtingen ontvangen had.Dit was de treurige uitkomst van Egmond’s zending; zij was zoo onbeduidend mogelijk, en toch droeg Egmond grooten roem op hetgeen hij verricht had. Hij verklaarde, na zijne terugkomst in zijn vaderland, dat de koning de genadigste vorst ter wereld was, die het zoo goed en trouw als geen ander met zijn volk meende. Zijn blijdschap werd echter spoedig getemperd, toen hij vernam, dat er brieven van den koning aangekomen waren, waarin deze zich zeer scherp over hem uitgelaten had, en toen hij van Willem van Oranje bittere verwijten over zijne dwaze handelwijze in Spanje moest hooren.Dewijl Philips van nu af in zijne brieven herhaaldelijk op de afkondiging van de Trentsche besluiten aandrong, gehoorzaamde Margaretha; maar reeds de eerste afkondiging verwekte in de Nederlanden eene algemeene verontwaardiging, die nog klom, toen ook een ander bevel des konings ten uitvoer gelegd werd. De ketters werden niet meer in het openbaar verbrand, maar in het holle van den nacht in de gevangenis verdronken en wel op eene afschuwelijke wijze. Men bond hun het hoofd tusschen de knieën en liet hen langzaam in eene waterkuip neerzakken.Zulk een dood kon den slachtoffers geen ijdelen roem verwerven, dewijl niemand langer zag, hoe zij in hun doodstrijd aan hun geloof getrouw bleven.Egmond ontwaakte thans uit zijn korten droom omtrent des koningsgenadige gezindheid. Hij sloot zich op nieuw bij Oranje en Hoorne aan, die beiden de afschuwelijke staatkunde des konings onvermoeid en onversaagd bestreden. Er vielen langdurige en heftige beraadslagingen voor.De kampioenen van de Nederlandsche vrijheid vonden steun bij het volk. Meermalen vond men aan de deuren der paleizen van Oranje, Egmond en Hoorne geschriften aangeplakt, waarin deze aangespoord werden om den strijd voor de godsdienstvrijheid vol te houden, dewijl het volk op hen alleen vertrouwde. Dagelijks vierde de adel feesten, waarop menig scherp woord tegen de landvoogdes en de kardinalisten viel, en deze openlijk met eene gewelddadige uitbarsting der volkswoede bedreigd werden. Door dit alles liet Margaretha zich echter niet afbrengen van den weg, dien zij na Egmond’s terugkomst ingeslagen had. Zij schonk al haar vertrouwen aan den geheimen raad, die alle uit Madrid gezonden stukken ontving en thans er op aandrong, dat de bevelen des konings onverwijld uitgevoerd zouden worden.Toen Margaretha dit in den staatsraad mededeelde, ontstond er op nieuw een heftige strijd. Zelfs Viglius, die thans hersteld was, deinsde voor beslissende stappen terug en ried tot matiging. De landvoogdes verklaarde, dat zij zich aan de verordeningen des konings onderwerpen moest. Er werd eene proclamatie ontworpen, die voorschreef, dat de besluiten van het Trentsche Concilie, de uitgevaardigde plakaten en de inquisitie in elke stad en in ieder dorp der verschillende gewesten onverwijld ten uitvoer gelegd moesten worden en dat deze afkondiging alle zes maanden herhaald worden moest.Toen dit besluit genomen was, wendde de prins van Oranje zich tot zijn buurman, die naast hem aan de raadstafel zat, en fluisterde hem zachtkens in het oor: „Met dit besluit begint het treurigste schouwspel, dat men ooit gezien heeft.” Hij had maar al te juist voorspeld!Toen de proclamatie afgekondigd werd, ging een kreet van ontzetting door het geheele land op, een ieder gevoelde dat hier de grenzen stonden der gehoorzaamheid, door onderdanen aan hun vorst verschuldigd, dat uit zulk een toestand niets anders dan een burgeroorlog geboren worden kon.En inderdaad, reeds deden de eerste kenteekenen van dien strijd zich op.Terwijl te Brussel tegen het einde van het jaar 1565 schitterende feesten ter eere van het huwelijk van den jeugdigen prins Alexander Farnese, de zoon der landvoogdes, met Maria van Portugal gevierd werden, ontstond dat belangrijke verbond der edelen, hetwelk weldra aanleiding zou geven tot den opstand der Nederlanden.In het huis van Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, hadden zich gedurende de huwelijksfeesten meer dan 20 edelen verzameld, om heimelijk een calvinistischen prediker, Franciscus Junius (François du Jon), te hooren. Na de prediking overlegden zij, welke stappen zij tegen de inquisitie konden doen. Deze samenspreking gaf waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het beroemde compromis. Een bepaalden vorm verkreeg het verbond in eene kort daarop in de badplaats Spa gehouden bijeenkomst van een groot aantal edelen, waaraan Lodewijk van Nassau, de broeder van Willem van Oranje, Nicolaas de Hammes, de heraut der orde van het Gulden Vlies, en anderen deel namen. Voor goed gevestigd werd het compromis in de eerste maanden van 1566, door eene oorkonde, welke door Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, werd opgesteld en die Lodewijk van Nassau, Karel van Mansfeld, en Hendrik van Brederode onder hare eerste onderteekenaars telde.Aldegonde was een trouwe vriend van Willem van Oranje en een der merkwaardigste mannen van zijn tijd. Hij was een beroemd schrijver, die zoowel in proza als in poezie veel schoons geleverd heeft, een grondig geleerde, een diepzinnig staatsman en tegelijk een onverschrokken krijgsman. Als leerling van Calvijn, wiens onverdraagzaamheid hij, helaas! ook had overgenomen, was hij een onverzoenlijk vijand van de inquisitie.Aan zijne zijde stond Lodewijk van Nassau, Oranje’s broeder, die van heeler harte het pausdom en zijne bloeddorstige verdedigers haatte. Hij was een voortreflijk en dapper soldaat,even vroolijk, ja somtijds even uitgelaten als de dolle Hendrik van Brederode, maar niet, gelijk deze, aan de dronkenschap verslaafd.Nicolaas de Hammes was de vurigste voorstander van het nieuwe verbond, onafgebroken reisde hij het land door, om onderteekenaars aan te werven. Ook Karel van Mansfeld, die later ontrouw werd, gaf zich daarvoor in den beginne veel moeite.De oorkonde, die eerst slechts de drie ons bekende handteekeningen droeg, doch in den loop van twee maanden door ongeveer 2000 edelen onderteekend werd, was door Sint Aldegonde met zooveel beleid opgesteld, dat zoowel vaderlandslievende katholieken als vurige protestanten daaronder hunne namen konden plaatsen. Zij hield in, dat de edelen zich onderling verdedigen zouden tegen de aanslagen van eenige vreemdelingen, die den koning in strijd met zijnen eed tot het verscherpen van de godsdienstplakaten en tot de invoering van de inquisitie aangespoord hadden.De onderteekenaars beloofden niet te zullen rusten eer zij de geheele afschaffing van de inquisitie bewerkt hadden; zij verklaarden dat zij de macht des konings en de staatsregeling des lands ongeschonden wilden handhaven, zij beloofden, elkaar tot bereiking van dit doel met goed en bloed te zullen bijstaan en bekrachtigden deze belofte met een eed.Het compromis was aanvankelijk niets anders dan een verbond van edelen, tegen den vreemden, in de Nederlanden heerschenden invloed en tegen elke soort van inquisitie gericht. De aanzienlijkste heeren des lands hadden daaraan geen deel genomen, ook Oranje niet; men wist, dat hij op den vorm van het compromis meer dan eene aanmerking had, doch dat hij met de zaak zelve ongetwijfeld ingenomen was. Of had hij niet geweigerd, de Trentsche besluiten en de nieuwste edikten in zijn stadhouderschap af te kondigen en zich ook ten aanzien van de inquisitie in een brief aan de landvoogdes zeer beslissend uitgelaten? In dezen brief had hij gezegd, dat het Nederlandsche volk zich alleen een weinig getroost had met de hoop, dat de inquisitie niet voor altijd ingevoerd zou worden, dat, indien het deze hoop niet gekoesterd had, handel en nijverheid door het vertrek van duizenden reeds geheel vernietigd zouden zijn. Hij had daarin verklaard, dat wanneer de plakaten met alle gestrengheid toegepast werden, een opstand bij het tot wanhoop gebrachte volk niet kon uitblijven, en dat de koning hierbij niets winnen, maar wel de liefde zijner onderdanen verliezen kon. Aan het slot van zijn brief had de prins verklaard, dat hij de bevelen van Zijne Majesteit zou opvolgen, zooals dit de plicht van een goed christen was.Veelbeteekenend ten aanzien van de denkbeelden van den prins was deze laatste uitdrukking. Een jaar vroeger zou hij gezegd hebben: „Gelijk het de plicht van een goed katholiek is”, doch in het laatste jaar waren zijne denkbeelden in menig opzicht veranderd. Hij was niet meer zoo onverschilligomtrent godsdienstige zaken als vroeger; reeds had de vraag, of de hervorming niet evenzeer op godsdienstig als op staatkundig gebied eene dringende behoefte was, zich ernstig aan zijnen geest voorgedaan. Het is niet onwaarschijnlijk, dat tot dezen ommekeer in zijne geloofsovertuiging ook het tweede huwelijk des prinsen bijgedragen heeft.Sedert den 24enAugustus 1561 was hij namelijk de echtgenoot eener protestantsche vorstin, Anna van Saksen, de dochter van den beroemden keurvorst Maurits.Nog bij de onderhandelingen over dit huwelijk had Oranje zich een goed katholiek betoond en beslist geweigerd, eene overeenkomst aan te gaan, waarbij bepaald werd, dat het der vorstin na haar huwelijk vergund zou zijn, bij haar geloof te blijven, en dat zij daarvan noch door overreding noch door bedreiging afgetrokken zou worden; dat zij het recht zou hebben om protestantsche boeken te lezen en elk jaar, zoo dikwijls zij dat begeerde, de Nederlanden te verlaten, om zich te begeven naar eene plaats, waar zij het avondmaal volgens de Augsburgsche geloofsbelijdenis vieren kon; dat de prins, ingeval van ernstige ziekte of van eene moeilijke verlossing zijner gemalin, wanneer er noodzakelijkheid toe bestond, een evangelisch prediker roepen zou, om haar in hare woning het avondmaal toe te dienen, en dat de kinderen, uit het huwelijk geboren, in de leer der Augsburgsche geloofsbelijdenis opgevoed zouden worden.Vele lastige onderhandelingen waren er gevoerd, eer de oom der vorstin, de keurvorst August van Saksen, en haar grootvader, de oude landgraaf Philips van Hessen, zich lieten overhalen om hunne toestemming tot het huwelijk te geven, nadat de prins geweigerd had, de gestelde voorwaarden aan te nemen. Het huwelijk was intusschen gesloten en de vorstin had beloofd, zonder haar geloof ontrouw te worden, toch voor het uiterlijk als eene katholieke te zullen leven. Dit geschiedde dan ook inderdaad.Niet alleen het eerste kind, dat geboren werd, maar ook zij, die volgden, werden door katholieke priesters met alle katholieke plechtigheden gedoopt. Hoewel de prins ook na zijn huwelijk nog geene bijzondere ingenomenheid met de protestanten aan den dag legde, kwam hij daardoor toch in eene nieuwe vriendschappelijke betrekking met de ketters, welke niet zonder invloed op hem blijven kon.In weerwil hiervan beviel het compromis hem toch niet; hoofdzakelijk wijl aan het hoofd der verbondenen de dolle Brederode stond, die altijd geneigd was tot onbezonnen streken. In zijnen broeder en in Sint Aldegonde stelde Oranje wel een onbepaald vertrouwen, maar hij betwijfelde hunnen invloed en kon daarom niet besluiten, zich met het compromis in te laten. Vele aanzienlijke Nederlanders, de stadhouders en ridders van het gulden Vlies volgden zijn voorbeeld; Egmond, Hoorne, Montigny en anderen traden niet tot het verbond toe.De verbondenen—zoo noemden zich de onderteekenaars van het compromis—versterkten hunne gelederen aanvankelijk dan ook met zulke edelen, die geene hooge betrekkingen bekleedden. Eenige der onderteekenaars waren goede katholieken, die alleen de inquisitie en den Spaanschen invloed haatten; anderen waren ijverige Calvinisten of vurige Lutheranen; anderen weder bekommerden zich weinig om de godsdienstige beginselen hunner bondgenooten; het waren edellieden, die hun vermogen verkwist hadden en die nu, begrijpende, dat de kerkelijke goederen voor hen een goede buit zouden zijn, gunstig jegens de hervorming gezind waren.Men heeft later gezegd en geschiedschrijvers van naam hebben het den vijanden van de Nederlandsche vrijheid, den aanbidders van Philips II naverteld, dat het grootste getal der verbondene edelen alleen door den drijfveer van het laagste eigenbelang bestuurd werd en dat de Nederlandsche omwenteling dus niet het gevolg der dwingelandij van Philips II maar alleen de vrucht der roofzucht van een door zijne verkwisting aan lager wal geraakten adel geweest is.Met zulke beschuldigingen zijn de penvoerders, die in dienst der reactie staan, altijd spoedig gereed en hunne woorden hebben maar al te dikwijls geloof gevonden, dewijl inderdaad een groot deel dezer edelen het voorbeeld van Brederode volgde en door woeste slemppartijen de goede zaak, welke zij voorstonden, onteerde. Een ander en aanzienlijk gedeelte sloot zich echter bij Lodewijk van Nassau en Sint Aldegonde aan, wien niemand een dergelijk verwijt voor de voeten kan werpen.Hoewel het compromis naar de letter eene verbintenis tusschen edellieden moest zijn, werden echter ook burgers en kooplieden tot de onderteekening uitgenoodigd en het vond ook onder deze een groot aantal onderteekenaars. Ook hier zeggen de vijanden der omwenteling, dat dit geschiedde, dewijl de ijdele burgers het zich tot eene eere rekenden hunne namen tusschen die der edelen geplaatst te zien. Al heeft wellicht deze of gene zich door zulk een kleingeestigen drijfveer laten besturen, toch bewijst de heldenmoed, waarmede de Nederlandsche burgers in dien tijd den marteldood voor hun geloof ondergingen, dat verreweg de meesten hunner zich uit volle overtuiging met den adel tot bestrijding van de inquisitie verbonden hebben.Met het aangroeien van het getal der onderteekenaars klom ook hun moed. Bij de feesten, die toenmaals in alle deelen des lands tot de leefwijze van een edelman behoorden, werd eene hoe langer zoo stouter taal gevoerd.De prins vernam dit met groote bezorgdheid, hij wist maar al te goed, dat elk daar gesproken woord terstond door Spaansche spionnen naar Madrid overgebracht en den koning meegedeeld werd. Sinds lang was Oranje doordrongen van de overtuiging, dat het tusschen den koning en het Nederlandsche volk eindelijk tot eene hevige botsing komen moest. Hij had daarom gezorgd zich op de hoogte te stellen van hetgeen er aan het hof van Madrid omging. Het middel, door hem gekozen, was zeker niet in overeenstemming met de strengste eischen der zedelijkheid, maar wel met den geest dier tijden.Evenals Philips II in de Nederlanden, zoo had Willem van Oranje in Spanje zijne spionnen, die hem uitmuntende diensten bewezen. Wanneer de koning des avonds de ontvangen brieven zorgvuldig wegsloot, dan vermoedde hij zeker niet, dat onzichtbare handen ze reeds voor den volgenden morgen afgeschreven en de afschriften aan Willem van Oranje gezonden hadden. Deze wist daardoor zeker, dat alle plannen der verbondenen den koning bekend waren en dat Philips op wraak zon.De landvoogdes Margaretha verkeerde, terwijl het getal der onderteekenaars van het compromis met elken dag aangroeide, in de grootste verlegenheid. De bevelen des konings drongen haar om de plakaten ten uitvoer te leggen; zij wilde gaarne gehoorzamen, maar zij kon niet.Bijna alle gouverneurs der provinciën verklaarden, dat het hun onmogelijk was den wil des konings op te volgen, en ten minste 50 of 60.000 inwoners des lands naar den brandstapel te verwijzen.Margaretha werd door die koninklijke bevelschriften bijna tot wanhoop gebracht, niet wijl zij eenig medelijden voor de slachtoffers der inquisitie gevoelde, maar omdat zij wist, welk gevaar haar bedreigde, indien zij den koning gehoorzaamde. Wel rustte Philips zich allengs ten strijde toe en was hij bezig met het aanwerven van soldaten, maar eer deze in de Nederlanden konden verschijnen, zou de macht der verbondenen zeker nog in groote mate toenemen.Ook het volk bevond zich in een schier wanhopigen toestand. Een hongersnood heerschte en de ellende werd nog vermeerderd, dewijl steeds meerderen uit vrees voor de inquisitie vrijwillig het land verlieten. Reeds waren ongeveer 30.000 burgers naar Engeland gevlucht, waar zij door koningin Elisabeth gastvrij werden ontvangen.In den aanvang van de maand Maart besloten de verbondene edelen, steunende op hun aantal, tot een nieuwen stap over te gaan; zij spraken af, dat door een aantal edelen in persoon een verzoekschrift aan de landvoogdes overgebracht zou worden. De prins van Oranje werd van dit plan onderricht; hij kon zich niet ontveinzen, dat die stap noodlottige gevolgen kon hebben. Dien verhinderen kon en wilde hij niet, maar hij achtte het zijn plicht, aan de demonstratie haar dreigend karakter zoo mogelijk te ontnemen. Met dit doel riep hij eene vergadering van hooggeplaatste en invloedrijke mannen te Hoogstraten bijeen. Egmond, Hoorne, Hoogstraten, Montigny en, van de andere zijde, Brederode en eenige andere hoofden der verbondene edelen waren uitgenoodigd om die bij te wonen. Men kon het echter niet eens worden. Vele aanzienlijke heeren achtten een nieuw verzoekschrift niet alleen gevaarlijk, maar zelfs misdadig, terwijl Brederode en zijne vrienden veel onstuimiger te werk wilden gaan dan zelfs vele tegenstanders der inquisitie, die anders zijne zijde hielden, konden goedkeuren. Zoo liep de bijeenkomst te Hoogstraten vruchteloos af. Toch rekende Oranje zich verplicht om zijne pogingen niet op te geven en het gelukte hem, tengevolge van zijn persoonlijken invloed, in de bedoelde petitie, die reeds opgesteld was, menige wijziging te doen aanbrengen. Haar toon werd merkelijk verzacht.Eenige dagen daarna hield Margaretha van Parma eene vergadering van den staatsraad, waarbij ook Oranje en Egmond tegenwoordig waren. Hier verhaalde een der heeren, dat hij mededeeling ontvangen had van het bestaan eener kettersche samenzwering. Reeds waren 30.000 man heimelijk gewapend en gereed om den opstand te beginnen. Het teeken daartoe zou een verzoekschrift zijn, dat door 1500 gewapende edelen der landvoogdes aangeboden zou worden. Egmond was hierover zoo verschrikt, dat ook hij zich verleiden liet tot het doen van eene mededeeling; hij verklaarde, dat ook hij dergelijke berichten ontvangen had, dat namelijk de verbondene edelen van plan waren om de regeering te veranderen. Hij bracht zelfs een exemplaar van het compromis als bewijs voor het bestaan van de samenzwering ter tafel.Margaretha van Parma was radeloos: het scheen haar even gevaarlijk, geweld tegen de verbondenen te gebruiken als hen hun gang te laten gaan. De kardinalisten in den raad wilden, dat zij het verzoekschrift wel aannemen maar maatregelen nemen zou om de overbrengers gezamenlijk gevangen te nemen en ter dood te brengen. Hiertegen kwam Oranje met kracht op. De verbondenen, zeide hij, waren mannen van eer en rang, velen van hen waren zijne bloedverwanten en vrienden, voor wier eer hij kon instaan;zij hadden recht op eene eervolle behandeling. Egmond, die steeds weifelde, stemde met dit gevoelen in.Dewijl de hertogin niet besluiten kon, op eigen gezag een beslissenden stap te doen, riep zij eene groote vergadering van notabelen bijeen, waartoe alle leden van den staatsraad en den geheimen raad, de gouverneurs der provinciën en de ridders van het Gulden Vlies uitgenoodigd werden. Doch ook in deze vergadering kwam men niet tot een besluit.Den 3enApril 1566, des avonds omstreeks 6 uur, trok Hendrik van Brederode aan het hoofd van 200 gewapende edelen te paard de stad Brussel binnen. Hij werd door het volk, dat sedert lang dezen stap der verbondenen verwacht had, met groot gejuich begroet. Den volgenden dag verscheen de graaf van Kuilenburg met nog ongeveer 100 ruiters. In den morgen van den 6enApril verzamelden al de edelen zich in het paleis van Kuilenburg. Van hier trokken zij kort voor den middag te voet naar het paleis der hertogin. Het waren bijna allen jonge lieden uit de edelste geslachten des lands; zij werden door de dicht opeengedrongen volksmenigte met luide kreten van bijval begroet: de burgers zagen in hen hunne bevrijders van de inquisitie en van het Spaansche juk. Lodewijk van Nassau en Brederode, die den langen trein sloten, waren de voorwerpen van de warmste hulde.De hertogin Margaretha ontving de edelen, gezeten op haren troon,en omringd van de grootwaardigheidsbekleeders des lands. Toen zij de rijen der verbondenen overzag, bemerkte zij onder hen met schrik vele bloedverwanten en aanhangers van den prins, van Egmond en van Hoorne.Brederode naderde met eene diepe buiging den troon; hij verklaarde, dat hij met allen, die hem vergezelden, hier gekomen was, om Hare Hoogheid een ootmoedig verzoekschrift te overhandigen, dat hij wel gehoord had, hoe de wakkere edellieden, die hier stonden, als verraders en oproermakers belasterd waren, doch dat hij zulke leugens met verachting van zich wierp. Hierop reikte hij het smeekschrift over, hetwelk daarop met luider stemme voorgelezen werd.De toon van het smeekschrift was zoo zacht mogelijk; de edelen betuigden daarin hunne onwankelbare trouw jegens den koning en de hertogin, zij smeekten slechts om opheffing van de inquisitie of tenminste, bij de groote gisting, die in het geheele land heerschte, om tijdelijke schorsing van de koninklijke plakaten, totdat de koning in overleg met de Staten-Generaal nadere beschikkingen zou genomen hebben. Het smeekschrift was kalm, ja ootmoedig gesteld; toch joeg het der landvoogdes schrik aan. Men bemerkte, dat tranen langs hare wangen vloeiden, terwijl zij naar de voorlezing luisterde. Toen deze geëindigd was, zweeg zij nog een tijd lang en eerst toen zij hare aandoening overmeesterd had,antwoorddezij met enkele woorden, dat zij de zaak met hare raadslieden bespreken en later antwoord geven zou. Hiermede werden de verbondenen uit hare tegenwoordigheid ontslagen.Na hun vertrek had terstond eene zitting van den staatsraad plaats. Oranje trachtte de landvoogdes tot kalmte te brengen. Hij verklaarde, dat de verbondenen geene rebellen, maar loyale edellieden waren, wier bedoeling allen lof verdiende; dat zij niets anders beoogden dan het land voor een dreigend gevaar te behoeden. Egmond durfde hem niet ondersteunen; hij verkeerde klaarblijkelijk in de grootste verlegenheid; hij wilde noch voor noch tegen de verbondenen spreken. Ten einde zich uit diemoeilijkheid te redden, verklaarde hij, dat hij binnen kort het land verlaten moest, om eene badplaats te bezoeken, dewijl zijne gezondheid al te zeer geschokt was.Men sprak door elkaar, totdat Barlaimont het woord nam en zich tot de hertogin wendde met de vraag: „Hoe kan Uwe Hoogheid bevreesd zijn voor een troep bedelaars (gueux); willen deze menschen, die niet eens hun eigen vermogen beheeren kunnen, den koning en Uwe Hoogheid leeren, hoe men een land besturen moet? Bij den eeuwigen God, wanneer men mijnen raad wilde volgen, dan zou men op hun smeekschrift met een dracht slagen antwoorden. Ik zou hen de trappen spoediger afjagen dan zij ze opgeklommen zijn.”Het woord van Barlaimont is historisch geworden. De scheldnaam „bedelaars” (gueux), door hem den verbondenen gegeven, zou weldra in een eernaam worden herschapen.Den 6enApril verscheen Brederode met een groot aantal zijner bondgenooten op nieuw in het paleis, om het antwoord van Margaretha te vernemen. De landvoogdes beloofde, dat er een gezantschap naar den koning gezonden worden zou. Gedurende den tijd, welke tot aan zijne terugkomst moest verloopen, zou den inquisiteurs gelast worden, in de uitoefening van hun ambt zoo zacht mogelijk te werk te gaan, zoodat niemand reden tot klagen zou hebben. Daarentegen hoopte de hertogin, dat ook de edelen niets doen zouden wat in strijd was met de oude godsdienst des lands.Twee dagen later, den 8enApril, werd Brederode nog eens ten gehoore toegelaten. De verbondenen dankten de hertogin voor haar antwoord; zij betreurden het, dat de inquisitie, tot de verwachte beslissing des konings, niet volkomen opgeheven werd, maar zij spraken te gelijk hun vertrouwen uit, dat de landvoogdes tot dat tijdstip althans de vervolging zou schorsen.Denzelfden dag werd in het paleis van Kuilenburg een schitterend feest gevierd, waarbij Brederode 300 gasten had uitgenoodigd. De wijn stroomde bij beken, de hoofden waren reeds verhit, toen de gastheer eensklaps opstond: zijne krachtige stem klonk boven het woeste geraas uit, hij wist voor een oogenblik gehoor te krijgen en nu verhaalde hij wat Barlaimont der hertogin had aangeraden en dat hij al de edelen bedelaars (geuzen) had genoemd.Een luide kreet van verontwaardiging ging op. Doch Brederode wist spoedig de rust te herstellen. „Zij noemen ons bedelaars,” riep hij, „welaan, wij willen dezen titel aannemen; wij zullen de inquisitie bestrijden, maar den koning getrouw blijven, ook al moeten wij tot den bedelstaf geraken.” Bij deze woorden gaf hij een zijner pages een teeken, deze bracht een lederen zak, gelijk de bedelaars van beroep toen droegen, en een houten nap, waarin deze gewoonlijk de hun geschonken spijzen ontvingen. Den bedelzak hing Brederode zich om het lijf, daarop vulde hij den nap met wijn, hief dien met beide handen omhoog en ledigde dien in éénen teug. „Vivent les gueux, leve de geuzen!” riep hij en juichend herhaalden zijne gasten dien kreet.Brederode’s scherts werd met de grootste bijvalsbetuigingen begroet; de bedelzak ging rond; de eene gast na den ander hing dien om en allen ledigden op hunne beurt den met wijn gevulden nap op de gezondheid der geuzen. Van dezen dag af noemden de verbondenen zich bedelaars, gueux, geuzen.Het feestmaal was nog niet ten einde, aan den bedelzak en den nap werd eene eereplaats aan een der pijlers van de zaal toegewezen. Vervolgens gingen de gasten voort met drinken en praten; zoowel door den wijn als door hunne staatkundige gesprekken werden ze meer en meer opgewonden. Juist terwijl het geraas het sterkst was, trad de prins van Oranje met de graven van Egmond en Hoorne de zaal binnen. Terstond werden zij door een aantal geuzen omringd en met den kreet: „Leven de koning en de geuzen!” drong men hen om een beker wijn te ledigen.Zij konden zich tegen de beschonkenen niet verzetten, doch weigerden in hun midden plaats te nemen. Spoedig verlieten zij de zaal, nadat zij de leiders van het feest aangespoord hadden om aan het rumoer een einde te maken. Zij begaven zich rechtstreeks naar den staatsraad, waar de landvoogdes hun haren dank betuigde, omdat zij door hunne tusschenkomst nog ergerlijker tooneelen verhoed hadden.

De Nederlanden. Oranje’s hervormingsplannen. Omkoopbaarheid der beambten. Oranje’s eerzucht. Egmond als hoveling. De kardinalisten. Oproer te Antwerpen. De Trentsche besluiten. Oranje’s redevoering in den staatsraad. Egmond als gezant in Spanje. Treurige uitslag van die zending. Egmond’s ijdelheid en zwakheid. Stormachtige beraadslagingen in den staatsraad. De Trentsche besluiten afgekondigd. Het compromis. Marnix van St. Aldegonde. Lodewijk van Nassau. Nicolaas de Hammes. Inhoud der oorkonde van het compromis. Verandering in de godsdienstige denkbeelden van den prins van Oranje. Zijn huwelijk met Anna van Saksen. Verhouding van Oranje en Egmond tot het compromis. De onderteekenaars. Aangroeiend getal der onderteekenaars, ook onder de burgers. Geheime politie van den prins van Oranje. Moeilijke toestand van de landvoogdes. Treurig lot des volks. Hongersnood. Vrijwillige ballingschap. De bijeenkomst te Hoogstraten. Vergadering van notabelen. Intocht van Brederode in Brussel. Ontvangst der edelen bij Margaretha. De staatsraad Barlaimont. »Ce ne sont que des gueux.” Antwoord op het verzoekschrift. Het afscheidsmaal. »Leven de Geuzen!”

De Nederlanden. Oranje’s hervormingsplannen. Omkoopbaarheid der beambten. Oranje’s eerzucht. Egmond als hoveling. De kardinalisten. Oproer te Antwerpen. De Trentsche besluiten. Oranje’s redevoering in den staatsraad. Egmond als gezant in Spanje. Treurige uitslag van die zending. Egmond’s ijdelheid en zwakheid. Stormachtige beraadslagingen in den staatsraad. De Trentsche besluiten afgekondigd. Het compromis. Marnix van St. Aldegonde. Lodewijk van Nassau. Nicolaas de Hammes. Inhoud der oorkonde van het compromis. Verandering in de godsdienstige denkbeelden van den prins van Oranje. Zijn huwelijk met Anna van Saksen. Verhouding van Oranje en Egmond tot het compromis. De onderteekenaars. Aangroeiend getal der onderteekenaars, ook onder de burgers. Geheime politie van den prins van Oranje. Moeilijke toestand van de landvoogdes. Treurig lot des volks. Hongersnood. Vrijwillige ballingschap. De bijeenkomst te Hoogstraten. Vergadering van notabelen. Intocht van Brederode in Brussel. Ontvangst der edelen bij Margaretha. De staatsraad Barlaimont. »Ce ne sont que des gueux.” Antwoord op het verzoekschrift. Het afscheidsmaal. »Leven de Geuzen!”

Onmiddellijk na Granvelle’s vertrek schreven Oranje, Egmond en Hoorne aan den koning, om hem te verzekeren, dat hunne gehoorzaamheid jegens hem onwankelbaar was, en dat zij met blijdschap hunne plaatsen in den staatsraad weder zouden innemen. Doch te gelijk deelden zij der landvoogdes mede, dat zij, zoodra de kardinaal terugkeerde, hun ambt zouden nederleggen. Van nu af werden zij nooit in den raad gemist; waar zij met den grootsten ijver, soms tot laat in den nacht, arbeidden.

Oranje had zich ten doel gesteld, drie belangrijke hervormingsmaatregelen in te voeren: vooreerst, de samenroeping van de Staten-Generaal; ten tweede verzachting of liever nog afschaffing van de plakaten ten aanzien van de godsdienst; ten derde opheffing van den geheimen raad en van den raad van finantiën, wier werkzaamheden in het vervolg aan den staatsraad zouden worden opgedragen.

De opheffing van deze beide lichamen scheen inderdaad dringend noodzakelijk, zij maakten het regeeringswerktuig zóó traag van gang en zóó moeilijk te besturen, dat het schier onmogelijk was, over het heirleger van beambten een zorgvuldig toezicht te houden. Door deze beide raadscollegiën werd eene ziekte, waaraan de Nederlandsche staat sterk leed, de omkoopbaarheid der beambten, ongeneeslijk gemaakt.

Het was zóó ver gekomen, dat zelfs de hoogst geplaatsten zonder schroom zich de weldaden, bij de wet den burgers verzekerd, lieten afkoopen. Voor den arme bestond er geen recht meer; hij werd zonder genade wegens het geringste vergrijp in de gevangenis geworpen en, wanneerhij verdacht was van ketterij, dikwijls zonder vonnis ter dood gebracht. Voor den rijke daarentegen was niets onbereikbaar; hij kon zich door middel van zijn geld voor de schandelijkste misdaden genade verwerven. Zelfs rijke ketters wisten den brandstapel soms te ontgaan, door de rechters om te koopen.

Tegen deze omkoopbaarheid van den ambtenaarsstand bond Oranje moedig den strijd aan. Van zijne pogingen om die beide schadelijke raadscollegiën ter zijde te stellen en de geheele regeering aan den staatsraad op te dragen, hebben zijne vijanden hem een scherp verwijt gemaakt. Op grond hiervan beschuldigden zij hem van eene schandelijke eerzucht. Zij geloofden, dat hij daarmee niets anders beoogde, dan zelf de geheele macht in handen te krijgen, dewijl hij thans in den staatsraad den boventoon voerde. Inderdaad scheen dit verwijt niet uit de lucht gegrepen. Willem van Oranje was in de laatste jaren een geheel ander mensch geworden. De levenslust, waarvan hij vroeger tintelde, was geweken; zijn oog stond somber, zijne wang was bleek. Niet in lustige feesten, slechts in ernstigen arbeid schepte hij behagen. Ja, eerzucht had geheel zijne ziel ingenomen; maar het was eene eerzucht van den edelsten aard, zij spiegelde hem als zijn levensdoel niets minder voor dan de bevrijding van het verdrukte volk uit de boeien, waarin Philips II het geslagen had, de afschaffing van de bloedige inquisitie en de handhaving van de rechten en vrijheden des lands.

Minder lofwaardig was de eerzucht, welke Egmond duidelijk genoeg aan den dag legde. De trotsche graaf poogde zijn invloed te verhoogen door tegenover de landvoogdes Margaretha den hoveling te spelen, terwijl hij tegelijk om de volksgunst boelde. Hij schertste met de burgers van Brussel, nam deel aan hunne feesten en noemde een ieder vertrouwelijk bij zijnen naam.

Voor het Nederlandsche volk was de in den staatsraad voorgevallen verandering van het grootste belang. De geloofsvervolging was, sinds Granvelle vertrokken was, veel minder scherp dan vroeger. Toch hield zij nog niet geheel op; daarvoor zorgden de kardinalisten—zóó werden Granvelle’s aanhangers in het bewind genoemd. Al hadden deze, Viglius, Barlaimont en anderen, het grootste deel van hun invloed op de landvoogdes verloren, toch konden zij zich beroepen op de bevelen van Philips II, waaraan ook Margaretha zich onderwerpen moest.

Zij kon niet beletten dat Titelman en andere inquisiteurs met het vervolgen van de ketters voortgingen; wellicht lag dit ook niet in haar plan. Gevoelde zij aan den eenen kant geene genegenheid, maar eerder eene soort van afkeer van de kardinalisten, nog minder ingenomen was zij met hunne tegenstanders. Was de overdreven vervolgingswoede der eersten in haar oog gevaarlijk, nog bedenkelijker achtte zij godsdienstige verdraagzaamheid jegens de afvalligen van de moederkerk.

De tegenstand, die zich reeds gedurende het bewind des kardinaals tegen de vervolging van de ketters onder het volk geopenbaard had, nam thans hand over hand toe. In Antwerpen kwam het tot een openlijken opstand. Daar werd een karmelieter monnik Fabricius, die Calvinist geworden was en met ijver het evangelie predikte, gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Gedurende de dagen zijner gevangenschap verdrong het volk zich voor de vensters van zijn kerker. Slechts met moeite kon Fabricius het van een opstand terughouden. Ook toen hij door de stratenvan Antwerpen naar den brandstapel gevoerd werd, smeekte hij de volksmenigte, die hem in dichte drommen volgde, in warme bewoordingen, dat zij toch om zijnentwil geen oproer zou verwekken, maar hem rustig voor zijne overtuiging laten sterven. Hij vermaande allen, die hem hooren konden, aan de waarheid getrouw te blijven, maar ook den koning trouw en der overheid onderdanig te zijn. Zóó sprak hij nog op het schavot, doch toen de beul hem nu aan den paal kluisteren wilde, barstte de volkswoede eensklaps los. Een hagelbui van steenen werd naar de wachten geslingerd, deze moesten terugwijken; de beul en de hoogere beambten, die de terechtstelling bijwoonden, volgden hen op hunne vlucht.

De menigte stormde op den houtmijt los, maar zij kwam te laat. De beul had, eer hij de vlucht nam, met een dolk den martelaar doorboord en hem met zijn hamer den schedel verbrijzeld.

De woede der menigte gaf zich lucht in een woesten kreet; het volk keerde naar de stad terug, doch dewijl het den geliefden prediker toch niet in het leven kon terugroepen, kwam het eindelijk weer tot rust.

Des nachts werd een met bloed geschreven plakaat aan de muren van het stadhuis gehecht, waarin de moordenaars met eene vreeselijke straf bedreigd werden.

Op andere plaatsen openbaarde de afkeer van de geloofsvervolging zich wel niet in oproer, maar in verzoekschriften aan de landvoogdes. De raad van Brugge, die uitsluitend uit goede katholieken bestond, beklaagde zich bitter over Titelman. Zulke stappen werkten intusschen niets uit, want de kardinalisten in den staatsraad beriepen zich op het bevel des konings, dat steeds strenger vervolging van de protestanten voorschreef.

Het Concilie van Trente was in dien tijd afgeloopen. Zijne besluiten, waarin de leerstukken der katholieke kerk in hunne tegenstelling met het protestantisme zoo scherp mogelijk uitgedrukt waren, waarin de uitroeiing van de ketters met de grootste strengheid bevolen werd en deze van het maatschappelijk leven geheel werden uitgesloten, moesten volgens Philips’ bevel ook in de Nederlanden als wet afgekondigd worden. Margaretha van Parma verkeerde tegenover dit bevel in eene pijnlijke verlegenheid.

De Trentsche besluiten waren in meer dan ééne bepaling lijnrecht in strijd met de privilegiën des lands. In weerwil hiervan drongen Viglius en de overige kardinalisten op hunne afkondiging aan, dewijl de koning het zoo wilde, terwijl Oranje opmerkzaam maakte op de noodlottige gevolgen, die daaruit konden voortvloeien.

De landvoogdes besloot een gezant naar Spanje te zenden, ten einde rechtstreeks met den koning te onderhandelen, en zij koos voor dezen eerepost den graaf van Egmond, die zich in den laatsten tijd in hare gunst had weten te dringen. Egmond verklaarde zich bereid om deze taak te aanvaarden; de staatsraad beraadslaagde derhalve over de instructie, welke men hem medegeven zou.

Nu stond Willem van Oranje op, hij voerde in den staatsraad niet dikwijls het woord, maar wanneer hij het deed, spreidde hij eene schitterende welsprekendheid ten toon. Hij drong er op aan, dat Egmond in last ontvangen zou, den koning de geheele waarheid te zeggen. Hij moest Philips meedeelen, dat het eindelijk hoog tijd was om een einde te maken aan de kettervervolgingen en de inquisiteurs en ketterjagers ter zijde te zetten; dat de Nederlanden een vrij land waren, omringd door anderevrije landen, waarin zulke gruwelen niet meer plaats vinden mochten. Zijne Majesteit moest eindelijk bekend gemaakt worden met de schandelijke omkoopbaarheid, waardoor zoowel de leden der rechterlijke macht als de overige beambten aangetast waren; zij moest weten, dat omkoopbaarheid bij hen regel, rechtschapenheid eene zeldzame uitzondering was.

In scherpe bewoordingen rukte Oranje al den hoogen waardigheidsbekleders der kroon het masker van het gelaat, ja, hij toonde aan, hoe juist de hoogste beambten de omkoopbaarste van allen waren. Hij eischte, dat de koning onderricht zou worden van de noodzakelijkheid om den geheimen raad en dien van finantiën te ontslaan en den staatsraad in beider plaats te stellen. Bovendien moest aan Zijne Majesteit vrijmoedig verklaard worden, dat de Trentsche besluiten, die door de geheele wereld, zelfs door de katholieke vorsten van Duitschland afgewezen waren, in de Nederlanden nooit tot wet konden verheven worden en dat, indien men dit doordreef,daaruit de treurigste gevolgen zouden voortvloeien.

Oranje besloot zijne rede met de verklaring, dat hij een goed katholiek was en bleef, maar dat hij het niet zonder afgrijzen kon aanzien, wanneer de vorsten pogingen aanwendden om jegens hunne onderdanen in zaken des gewetens en der godsdienst dwang uit te oefenen.

Des prinsen taal maakte een diepen indruk op de landvoogdes, maar nog dieper op Viglius, die daarvan zoo verschrikt was, dat hij geen woord er tegen in kon brengen en den volgenden morgen na een slapeloozen nacht door eene beroerte getroffen werd. Joachim Hopper, een geleerde Fries, die wegens zijne slaafschheid den bijnaam „de ja-broer van madame”, ontvangen had, nam voorloopig de zaken op zich. Viglius herstelde slechts langzaam; zijne volle kracht kreeg hij nooit terug.

Egmond was intusschen vertrokken met instructies, die wel niet zóó krachtig en duidelijk waren als Oranje gewenscht had, maar over het geheel met zijne denkbeelden overeenkwamen.

Vele edele heeren, onder anderen Brederode, de graaf van Kuilenburg en Mansfeld vergezelden hem tot Kamerijk. Hier onderteekenden zij met hun bloed eene oorkonde, waarin zij zich op hunne eer als edellieden verbonden om, zoo den gezant in Spanje iets kwaads overkwam, dat op den kardinaal Granvelle te wreken.

Tot afscheid gaven de edelen den graaf van Egmond een groot feest, waartoe ook de aartsbisschop van Kamerijk uitgenoodigd werd. Overal, waar Brederode zich bevond, kon men er op rekenen, dat een feest in een woest drinkgelag ontaardde. Dit had ook nu plaats. Brederode, die veel gedronken had, geraakte in twist met den aartsbisschop; de graaf van Mansfeld mengde zich daarin en vergat zich eindelijk zoover, dat hij den kerkvorst een slag in het aangezicht gaf.

Dewijl deze twist in de tegenwoordigheid der dienaars voorviel, werd het gerucht van die mishandeling, den aartsbisschop aangedaan, spoedig door de stad verbreid. Het verwekte onder het volk eene groote blijdschap, want de aartsbisschop was wegens zijne wreedheid en trouwloosheid algemeen gehaat. Verdere gevolgen had dit schandaal echter niet, dewijl de kerkvorst, uit bezorgdheid voor zijn eigenen naam, geene aanklacht tegen Brederode en Mansfeld durfde indienen.

Egmond werd te Madrid met de meeste onderscheiding ontvangen. Toen hij de eerste maal voor den koning verscheen, trad deze hem te gemoet en eer de graaf nog den tijd had om de knie te buigen en zijnvorst de hand te kussen, omarmde Philips hem met meesterlijk nagebootste hartelijkheid. Gedurende den geheelen tijd van Egmond’s verblijf te Madrid werd hij met vleierijen overladen; hij at aan des konings tafel, eene eer, welke Philips II slechts zelden aan de hoogste dienaren der kroon en aan vorstelijke personen bewees. Philips putte zich uit inbeleefdheden; hij overlaadde Egmond met geschenken en met betuigingen van zijne gunst. Hij wist den ijdelen en zwakken man zoo zeer voor zich in te nemen, dat deze den eigenlijken inhoud zijner instructie bijna vergat. Hij kleedde althans zijne woorden zoo in, dat zij den koning niet toornig konden maken.

Dit had Philips juist bedoeld; Egmond werd door hem geheel om den tuin geleid en hoewel deze volstrekt niets kon uitrichten, verklaarde hij zich ten slotte hoogst voldaan. Door halve beloften en vleierijen had hij zich laten begoochelen. Bij zijn vertrek ontving hij van Philips een brief met instructies voor de hertogin. Buitendien werd hem mondeling gelast, in den staatsraad uit te spreken, welk eene diepe smart de koning gevoelde, wijl de ketterij in de Nederlanden nog altijd nieuwe vorderingen maakte, dat het zijn onherroepelijk besluit was, in zijne staten geene verandering in de godsdienst te gedoogen en dat hij zelf, indien hij om dit besluit door te zetten duizend dooden moest sterven, daarvoor niet terugdeinzen zou.

De koning liet de hertogin verzoeken, terstond den staatsraad tot eene buitengewone zitting bijeen te roepen, die ook door een aantal bisschoppen, godgeleerden en priesters van onverdachte rechtzinnigheid bijgewoond moest worden. Deze vergadering moest dan beraadslagen over de beste wijze om de ketters ter dood te brengen, niet door hunne smarten te verminderen—dit kon noch Gode welgevallig, noch voor de godsdienst heilzaam zijn—maar op zulk eene wijze, dat de ketters niet langer in het oog des volks de martelaarskroon droegen. Ten aanzien van eene hervorming der staatsregeling en van eene samensmelting van den geheimen raad en den raad van finantiën met den staatsraad zou de koning later een besluit nemen, wanneer hij van de landvoogdes nog nadere inlichtingen ontvangen had.

Dit was de treurige uitkomst van Egmond’s zending; zij was zoo onbeduidend mogelijk, en toch droeg Egmond grooten roem op hetgeen hij verricht had. Hij verklaarde, na zijne terugkomst in zijn vaderland, dat de koning de genadigste vorst ter wereld was, die het zoo goed en trouw als geen ander met zijn volk meende. Zijn blijdschap werd echter spoedig getemperd, toen hij vernam, dat er brieven van den koning aangekomen waren, waarin deze zich zeer scherp over hem uitgelaten had, en toen hij van Willem van Oranje bittere verwijten over zijne dwaze handelwijze in Spanje moest hooren.

Dewijl Philips van nu af in zijne brieven herhaaldelijk op de afkondiging van de Trentsche besluiten aandrong, gehoorzaamde Margaretha; maar reeds de eerste afkondiging verwekte in de Nederlanden eene algemeene verontwaardiging, die nog klom, toen ook een ander bevel des konings ten uitvoer gelegd werd. De ketters werden niet meer in het openbaar verbrand, maar in het holle van den nacht in de gevangenis verdronken en wel op eene afschuwelijke wijze. Men bond hun het hoofd tusschen de knieën en liet hen langzaam in eene waterkuip neerzakken.

Zulk een dood kon den slachtoffers geen ijdelen roem verwerven, dewijl niemand langer zag, hoe zij in hun doodstrijd aan hun geloof getrouw bleven.

Egmond ontwaakte thans uit zijn korten droom omtrent des koningsgenadige gezindheid. Hij sloot zich op nieuw bij Oranje en Hoorne aan, die beiden de afschuwelijke staatkunde des konings onvermoeid en onversaagd bestreden. Er vielen langdurige en heftige beraadslagingen voor.

De kampioenen van de Nederlandsche vrijheid vonden steun bij het volk. Meermalen vond men aan de deuren der paleizen van Oranje, Egmond en Hoorne geschriften aangeplakt, waarin deze aangespoord werden om den strijd voor de godsdienstvrijheid vol te houden, dewijl het volk op hen alleen vertrouwde. Dagelijks vierde de adel feesten, waarop menig scherp woord tegen de landvoogdes en de kardinalisten viel, en deze openlijk met eene gewelddadige uitbarsting der volkswoede bedreigd werden. Door dit alles liet Margaretha zich echter niet afbrengen van den weg, dien zij na Egmond’s terugkomst ingeslagen had. Zij schonk al haar vertrouwen aan den geheimen raad, die alle uit Madrid gezonden stukken ontving en thans er op aandrong, dat de bevelen des konings onverwijld uitgevoerd zouden worden.

Toen Margaretha dit in den staatsraad mededeelde, ontstond er op nieuw een heftige strijd. Zelfs Viglius, die thans hersteld was, deinsde voor beslissende stappen terug en ried tot matiging. De landvoogdes verklaarde, dat zij zich aan de verordeningen des konings onderwerpen moest. Er werd eene proclamatie ontworpen, die voorschreef, dat de besluiten van het Trentsche Concilie, de uitgevaardigde plakaten en de inquisitie in elke stad en in ieder dorp der verschillende gewesten onverwijld ten uitvoer gelegd moesten worden en dat deze afkondiging alle zes maanden herhaald worden moest.

Toen dit besluit genomen was, wendde de prins van Oranje zich tot zijn buurman, die naast hem aan de raadstafel zat, en fluisterde hem zachtkens in het oor: „Met dit besluit begint het treurigste schouwspel, dat men ooit gezien heeft.” Hij had maar al te juist voorspeld!

Toen de proclamatie afgekondigd werd, ging een kreet van ontzetting door het geheele land op, een ieder gevoelde dat hier de grenzen stonden der gehoorzaamheid, door onderdanen aan hun vorst verschuldigd, dat uit zulk een toestand niets anders dan een burgeroorlog geboren worden kon.

En inderdaad, reeds deden de eerste kenteekenen van dien strijd zich op.

Terwijl te Brussel tegen het einde van het jaar 1565 schitterende feesten ter eere van het huwelijk van den jeugdigen prins Alexander Farnese, de zoon der landvoogdes, met Maria van Portugal gevierd werden, ontstond dat belangrijke verbond der edelen, hetwelk weldra aanleiding zou geven tot den opstand der Nederlanden.

In het huis van Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, hadden zich gedurende de huwelijksfeesten meer dan 20 edelen verzameld, om heimelijk een calvinistischen prediker, Franciscus Junius (François du Jon), te hooren. Na de prediking overlegden zij, welke stappen zij tegen de inquisitie konden doen. Deze samenspreking gaf waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het beroemde compromis. Een bepaalden vorm verkreeg het verbond in eene kort daarop in de badplaats Spa gehouden bijeenkomst van een groot aantal edelen, waaraan Lodewijk van Nassau, de broeder van Willem van Oranje, Nicolaas de Hammes, de heraut der orde van het Gulden Vlies, en anderen deel namen. Voor goed gevestigd werd het compromis in de eerste maanden van 1566, door eene oorkonde, welke door Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, werd opgesteld en die Lodewijk van Nassau, Karel van Mansfeld, en Hendrik van Brederode onder hare eerste onderteekenaars telde.

Aldegonde was een trouwe vriend van Willem van Oranje en een der merkwaardigste mannen van zijn tijd. Hij was een beroemd schrijver, die zoowel in proza als in poezie veel schoons geleverd heeft, een grondig geleerde, een diepzinnig staatsman en tegelijk een onverschrokken krijgsman. Als leerling van Calvijn, wiens onverdraagzaamheid hij, helaas! ook had overgenomen, was hij een onverzoenlijk vijand van de inquisitie.

Aan zijne zijde stond Lodewijk van Nassau, Oranje’s broeder, die van heeler harte het pausdom en zijne bloeddorstige verdedigers haatte. Hij was een voortreflijk en dapper soldaat,even vroolijk, ja somtijds even uitgelaten als de dolle Hendrik van Brederode, maar niet, gelijk deze, aan de dronkenschap verslaafd.

Nicolaas de Hammes was de vurigste voorstander van het nieuwe verbond, onafgebroken reisde hij het land door, om onderteekenaars aan te werven. Ook Karel van Mansfeld, die later ontrouw werd, gaf zich daarvoor in den beginne veel moeite.

De oorkonde, die eerst slechts de drie ons bekende handteekeningen droeg, doch in den loop van twee maanden door ongeveer 2000 edelen onderteekend werd, was door Sint Aldegonde met zooveel beleid opgesteld, dat zoowel vaderlandslievende katholieken als vurige protestanten daaronder hunne namen konden plaatsen. Zij hield in, dat de edelen zich onderling verdedigen zouden tegen de aanslagen van eenige vreemdelingen, die den koning in strijd met zijnen eed tot het verscherpen van de godsdienstplakaten en tot de invoering van de inquisitie aangespoord hadden.

De onderteekenaars beloofden niet te zullen rusten eer zij de geheele afschaffing van de inquisitie bewerkt hadden; zij verklaarden dat zij de macht des konings en de staatsregeling des lands ongeschonden wilden handhaven, zij beloofden, elkaar tot bereiking van dit doel met goed en bloed te zullen bijstaan en bekrachtigden deze belofte met een eed.

Het compromis was aanvankelijk niets anders dan een verbond van edelen, tegen den vreemden, in de Nederlanden heerschenden invloed en tegen elke soort van inquisitie gericht. De aanzienlijkste heeren des lands hadden daaraan geen deel genomen, ook Oranje niet; men wist, dat hij op den vorm van het compromis meer dan eene aanmerking had, doch dat hij met de zaak zelve ongetwijfeld ingenomen was. Of had hij niet geweigerd, de Trentsche besluiten en de nieuwste edikten in zijn stadhouderschap af te kondigen en zich ook ten aanzien van de inquisitie in een brief aan de landvoogdes zeer beslissend uitgelaten? In dezen brief had hij gezegd, dat het Nederlandsche volk zich alleen een weinig getroost had met de hoop, dat de inquisitie niet voor altijd ingevoerd zou worden, dat, indien het deze hoop niet gekoesterd had, handel en nijverheid door het vertrek van duizenden reeds geheel vernietigd zouden zijn. Hij had daarin verklaard, dat wanneer de plakaten met alle gestrengheid toegepast werden, een opstand bij het tot wanhoop gebrachte volk niet kon uitblijven, en dat de koning hierbij niets winnen, maar wel de liefde zijner onderdanen verliezen kon. Aan het slot van zijn brief had de prins verklaard, dat hij de bevelen van Zijne Majesteit zou opvolgen, zooals dit de plicht van een goed christen was.

Veelbeteekenend ten aanzien van de denkbeelden van den prins was deze laatste uitdrukking. Een jaar vroeger zou hij gezegd hebben: „Gelijk het de plicht van een goed katholiek is”, doch in het laatste jaar waren zijne denkbeelden in menig opzicht veranderd. Hij was niet meer zoo onverschilligomtrent godsdienstige zaken als vroeger; reeds had de vraag, of de hervorming niet evenzeer op godsdienstig als op staatkundig gebied eene dringende behoefte was, zich ernstig aan zijnen geest voorgedaan. Het is niet onwaarschijnlijk, dat tot dezen ommekeer in zijne geloofsovertuiging ook het tweede huwelijk des prinsen bijgedragen heeft.

Sedert den 24enAugustus 1561 was hij namelijk de echtgenoot eener protestantsche vorstin, Anna van Saksen, de dochter van den beroemden keurvorst Maurits.

Nog bij de onderhandelingen over dit huwelijk had Oranje zich een goed katholiek betoond en beslist geweigerd, eene overeenkomst aan te gaan, waarbij bepaald werd, dat het der vorstin na haar huwelijk vergund zou zijn, bij haar geloof te blijven, en dat zij daarvan noch door overreding noch door bedreiging afgetrokken zou worden; dat zij het recht zou hebben om protestantsche boeken te lezen en elk jaar, zoo dikwijls zij dat begeerde, de Nederlanden te verlaten, om zich te begeven naar eene plaats, waar zij het avondmaal volgens de Augsburgsche geloofsbelijdenis vieren kon; dat de prins, ingeval van ernstige ziekte of van eene moeilijke verlossing zijner gemalin, wanneer er noodzakelijkheid toe bestond, een evangelisch prediker roepen zou, om haar in hare woning het avondmaal toe te dienen, en dat de kinderen, uit het huwelijk geboren, in de leer der Augsburgsche geloofsbelijdenis opgevoed zouden worden.

Vele lastige onderhandelingen waren er gevoerd, eer de oom der vorstin, de keurvorst August van Saksen, en haar grootvader, de oude landgraaf Philips van Hessen, zich lieten overhalen om hunne toestemming tot het huwelijk te geven, nadat de prins geweigerd had, de gestelde voorwaarden aan te nemen. Het huwelijk was intusschen gesloten en de vorstin had beloofd, zonder haar geloof ontrouw te worden, toch voor het uiterlijk als eene katholieke te zullen leven. Dit geschiedde dan ook inderdaad.

Niet alleen het eerste kind, dat geboren werd, maar ook zij, die volgden, werden door katholieke priesters met alle katholieke plechtigheden gedoopt. Hoewel de prins ook na zijn huwelijk nog geene bijzondere ingenomenheid met de protestanten aan den dag legde, kwam hij daardoor toch in eene nieuwe vriendschappelijke betrekking met de ketters, welke niet zonder invloed op hem blijven kon.

In weerwil hiervan beviel het compromis hem toch niet; hoofdzakelijk wijl aan het hoofd der verbondenen de dolle Brederode stond, die altijd geneigd was tot onbezonnen streken. In zijnen broeder en in Sint Aldegonde stelde Oranje wel een onbepaald vertrouwen, maar hij betwijfelde hunnen invloed en kon daarom niet besluiten, zich met het compromis in te laten. Vele aanzienlijke Nederlanders, de stadhouders en ridders van het gulden Vlies volgden zijn voorbeeld; Egmond, Hoorne, Montigny en anderen traden niet tot het verbond toe.

De verbondenen—zoo noemden zich de onderteekenaars van het compromis—versterkten hunne gelederen aanvankelijk dan ook met zulke edelen, die geene hooge betrekkingen bekleedden. Eenige der onderteekenaars waren goede katholieken, die alleen de inquisitie en den Spaanschen invloed haatten; anderen waren ijverige Calvinisten of vurige Lutheranen; anderen weder bekommerden zich weinig om de godsdienstige beginselen hunner bondgenooten; het waren edellieden, die hun vermogen verkwist hadden en die nu, begrijpende, dat de kerkelijke goederen voor hen een goede buit zouden zijn, gunstig jegens de hervorming gezind waren.

Men heeft later gezegd en geschiedschrijvers van naam hebben het den vijanden van de Nederlandsche vrijheid, den aanbidders van Philips II naverteld, dat het grootste getal der verbondene edelen alleen door den drijfveer van het laagste eigenbelang bestuurd werd en dat de Nederlandsche omwenteling dus niet het gevolg der dwingelandij van Philips II maar alleen de vrucht der roofzucht van een door zijne verkwisting aan lager wal geraakten adel geweest is.

Met zulke beschuldigingen zijn de penvoerders, die in dienst der reactie staan, altijd spoedig gereed en hunne woorden hebben maar al te dikwijls geloof gevonden, dewijl inderdaad een groot deel dezer edelen het voorbeeld van Brederode volgde en door woeste slemppartijen de goede zaak, welke zij voorstonden, onteerde. Een ander en aanzienlijk gedeelte sloot zich echter bij Lodewijk van Nassau en Sint Aldegonde aan, wien niemand een dergelijk verwijt voor de voeten kan werpen.

Hoewel het compromis naar de letter eene verbintenis tusschen edellieden moest zijn, werden echter ook burgers en kooplieden tot de onderteekening uitgenoodigd en het vond ook onder deze een groot aantal onderteekenaars. Ook hier zeggen de vijanden der omwenteling, dat dit geschiedde, dewijl de ijdele burgers het zich tot eene eere rekenden hunne namen tusschen die der edelen geplaatst te zien. Al heeft wellicht deze of gene zich door zulk een kleingeestigen drijfveer laten besturen, toch bewijst de heldenmoed, waarmede de Nederlandsche burgers in dien tijd den marteldood voor hun geloof ondergingen, dat verreweg de meesten hunner zich uit volle overtuiging met den adel tot bestrijding van de inquisitie verbonden hebben.

Met het aangroeien van het getal der onderteekenaars klom ook hun moed. Bij de feesten, die toenmaals in alle deelen des lands tot de leefwijze van een edelman behoorden, werd eene hoe langer zoo stouter taal gevoerd.

De prins vernam dit met groote bezorgdheid, hij wist maar al te goed, dat elk daar gesproken woord terstond door Spaansche spionnen naar Madrid overgebracht en den koning meegedeeld werd. Sinds lang was Oranje doordrongen van de overtuiging, dat het tusschen den koning en het Nederlandsche volk eindelijk tot eene hevige botsing komen moest. Hij had daarom gezorgd zich op de hoogte te stellen van hetgeen er aan het hof van Madrid omging. Het middel, door hem gekozen, was zeker niet in overeenstemming met de strengste eischen der zedelijkheid, maar wel met den geest dier tijden.

Evenals Philips II in de Nederlanden, zoo had Willem van Oranje in Spanje zijne spionnen, die hem uitmuntende diensten bewezen. Wanneer de koning des avonds de ontvangen brieven zorgvuldig wegsloot, dan vermoedde hij zeker niet, dat onzichtbare handen ze reeds voor den volgenden morgen afgeschreven en de afschriften aan Willem van Oranje gezonden hadden. Deze wist daardoor zeker, dat alle plannen der verbondenen den koning bekend waren en dat Philips op wraak zon.

De landvoogdes Margaretha verkeerde, terwijl het getal der onderteekenaars van het compromis met elken dag aangroeide, in de grootste verlegenheid. De bevelen des konings drongen haar om de plakaten ten uitvoer te leggen; zij wilde gaarne gehoorzamen, maar zij kon niet.

Bijna alle gouverneurs der provinciën verklaarden, dat het hun onmogelijk was den wil des konings op te volgen, en ten minste 50 of 60.000 inwoners des lands naar den brandstapel te verwijzen.

Margaretha werd door die koninklijke bevelschriften bijna tot wanhoop gebracht, niet wijl zij eenig medelijden voor de slachtoffers der inquisitie gevoelde, maar omdat zij wist, welk gevaar haar bedreigde, indien zij den koning gehoorzaamde. Wel rustte Philips zich allengs ten strijde toe en was hij bezig met het aanwerven van soldaten, maar eer deze in de Nederlanden konden verschijnen, zou de macht der verbondenen zeker nog in groote mate toenemen.

Ook het volk bevond zich in een schier wanhopigen toestand. Een hongersnood heerschte en de ellende werd nog vermeerderd, dewijl steeds meerderen uit vrees voor de inquisitie vrijwillig het land verlieten. Reeds waren ongeveer 30.000 burgers naar Engeland gevlucht, waar zij door koningin Elisabeth gastvrij werden ontvangen.

In den aanvang van de maand Maart besloten de verbondene edelen, steunende op hun aantal, tot een nieuwen stap over te gaan; zij spraken af, dat door een aantal edelen in persoon een verzoekschrift aan de landvoogdes overgebracht zou worden. De prins van Oranje werd van dit plan onderricht; hij kon zich niet ontveinzen, dat die stap noodlottige gevolgen kon hebben. Dien verhinderen kon en wilde hij niet, maar hij achtte het zijn plicht, aan de demonstratie haar dreigend karakter zoo mogelijk te ontnemen. Met dit doel riep hij eene vergadering van hooggeplaatste en invloedrijke mannen te Hoogstraten bijeen. Egmond, Hoorne, Hoogstraten, Montigny en, van de andere zijde, Brederode en eenige andere hoofden der verbondene edelen waren uitgenoodigd om die bij te wonen. Men kon het echter niet eens worden. Vele aanzienlijke heeren achtten een nieuw verzoekschrift niet alleen gevaarlijk, maar zelfs misdadig, terwijl Brederode en zijne vrienden veel onstuimiger te werk wilden gaan dan zelfs vele tegenstanders der inquisitie, die anders zijne zijde hielden, konden goedkeuren. Zoo liep de bijeenkomst te Hoogstraten vruchteloos af. Toch rekende Oranje zich verplicht om zijne pogingen niet op te geven en het gelukte hem, tengevolge van zijn persoonlijken invloed, in de bedoelde petitie, die reeds opgesteld was, menige wijziging te doen aanbrengen. Haar toon werd merkelijk verzacht.

Eenige dagen daarna hield Margaretha van Parma eene vergadering van den staatsraad, waarbij ook Oranje en Egmond tegenwoordig waren. Hier verhaalde een der heeren, dat hij mededeeling ontvangen had van het bestaan eener kettersche samenzwering. Reeds waren 30.000 man heimelijk gewapend en gereed om den opstand te beginnen. Het teeken daartoe zou een verzoekschrift zijn, dat door 1500 gewapende edelen der landvoogdes aangeboden zou worden. Egmond was hierover zoo verschrikt, dat ook hij zich verleiden liet tot het doen van eene mededeeling; hij verklaarde, dat ook hij dergelijke berichten ontvangen had, dat namelijk de verbondene edelen van plan waren om de regeering te veranderen. Hij bracht zelfs een exemplaar van het compromis als bewijs voor het bestaan van de samenzwering ter tafel.

Margaretha van Parma was radeloos: het scheen haar even gevaarlijk, geweld tegen de verbondenen te gebruiken als hen hun gang te laten gaan. De kardinalisten in den raad wilden, dat zij het verzoekschrift wel aannemen maar maatregelen nemen zou om de overbrengers gezamenlijk gevangen te nemen en ter dood te brengen. Hiertegen kwam Oranje met kracht op. De verbondenen, zeide hij, waren mannen van eer en rang, velen van hen waren zijne bloedverwanten en vrienden, voor wier eer hij kon instaan;zij hadden recht op eene eervolle behandeling. Egmond, die steeds weifelde, stemde met dit gevoelen in.

Dewijl de hertogin niet besluiten kon, op eigen gezag een beslissenden stap te doen, riep zij eene groote vergadering van notabelen bijeen, waartoe alle leden van den staatsraad en den geheimen raad, de gouverneurs der provinciën en de ridders van het Gulden Vlies uitgenoodigd werden. Doch ook in deze vergadering kwam men niet tot een besluit.

Den 3enApril 1566, des avonds omstreeks 6 uur, trok Hendrik van Brederode aan het hoofd van 200 gewapende edelen te paard de stad Brussel binnen. Hij werd door het volk, dat sedert lang dezen stap der verbondenen verwacht had, met groot gejuich begroet. Den volgenden dag verscheen de graaf van Kuilenburg met nog ongeveer 100 ruiters. In den morgen van den 6enApril verzamelden al de edelen zich in het paleis van Kuilenburg. Van hier trokken zij kort voor den middag te voet naar het paleis der hertogin. Het waren bijna allen jonge lieden uit de edelste geslachten des lands; zij werden door de dicht opeengedrongen volksmenigte met luide kreten van bijval begroet: de burgers zagen in hen hunne bevrijders van de inquisitie en van het Spaansche juk. Lodewijk van Nassau en Brederode, die den langen trein sloten, waren de voorwerpen van de warmste hulde.

De hertogin Margaretha ontving de edelen, gezeten op haren troon,en omringd van de grootwaardigheidsbekleeders des lands. Toen zij de rijen der verbondenen overzag, bemerkte zij onder hen met schrik vele bloedverwanten en aanhangers van den prins, van Egmond en van Hoorne.

Brederode naderde met eene diepe buiging den troon; hij verklaarde, dat hij met allen, die hem vergezelden, hier gekomen was, om Hare Hoogheid een ootmoedig verzoekschrift te overhandigen, dat hij wel gehoord had, hoe de wakkere edellieden, die hier stonden, als verraders en oproermakers belasterd waren, doch dat hij zulke leugens met verachting van zich wierp. Hierop reikte hij het smeekschrift over, hetwelk daarop met luider stemme voorgelezen werd.

De toon van het smeekschrift was zoo zacht mogelijk; de edelen betuigden daarin hunne onwankelbare trouw jegens den koning en de hertogin, zij smeekten slechts om opheffing van de inquisitie of tenminste, bij de groote gisting, die in het geheele land heerschte, om tijdelijke schorsing van de koninklijke plakaten, totdat de koning in overleg met de Staten-Generaal nadere beschikkingen zou genomen hebben. Het smeekschrift was kalm, ja ootmoedig gesteld; toch joeg het der landvoogdes schrik aan. Men bemerkte, dat tranen langs hare wangen vloeiden, terwijl zij naar de voorlezing luisterde. Toen deze geëindigd was, zweeg zij nog een tijd lang en eerst toen zij hare aandoening overmeesterd had,antwoorddezij met enkele woorden, dat zij de zaak met hare raadslieden bespreken en later antwoord geven zou. Hiermede werden de verbondenen uit hare tegenwoordigheid ontslagen.

Na hun vertrek had terstond eene zitting van den staatsraad plaats. Oranje trachtte de landvoogdes tot kalmte te brengen. Hij verklaarde, dat de verbondenen geene rebellen, maar loyale edellieden waren, wier bedoeling allen lof verdiende; dat zij niets anders beoogden dan het land voor een dreigend gevaar te behoeden. Egmond durfde hem niet ondersteunen; hij verkeerde klaarblijkelijk in de grootste verlegenheid; hij wilde noch voor noch tegen de verbondenen spreken. Ten einde zich uit diemoeilijkheid te redden, verklaarde hij, dat hij binnen kort het land verlaten moest, om eene badplaats te bezoeken, dewijl zijne gezondheid al te zeer geschokt was.

Men sprak door elkaar, totdat Barlaimont het woord nam en zich tot de hertogin wendde met de vraag: „Hoe kan Uwe Hoogheid bevreesd zijn voor een troep bedelaars (gueux); willen deze menschen, die niet eens hun eigen vermogen beheeren kunnen, den koning en Uwe Hoogheid leeren, hoe men een land besturen moet? Bij den eeuwigen God, wanneer men mijnen raad wilde volgen, dan zou men op hun smeekschrift met een dracht slagen antwoorden. Ik zou hen de trappen spoediger afjagen dan zij ze opgeklommen zijn.”

Het woord van Barlaimont is historisch geworden. De scheldnaam „bedelaars” (gueux), door hem den verbondenen gegeven, zou weldra in een eernaam worden herschapen.

Den 6enApril verscheen Brederode met een groot aantal zijner bondgenooten op nieuw in het paleis, om het antwoord van Margaretha te vernemen. De landvoogdes beloofde, dat er een gezantschap naar den koning gezonden worden zou. Gedurende den tijd, welke tot aan zijne terugkomst moest verloopen, zou den inquisiteurs gelast worden, in de uitoefening van hun ambt zoo zacht mogelijk te werk te gaan, zoodat niemand reden tot klagen zou hebben. Daarentegen hoopte de hertogin, dat ook de edelen niets doen zouden wat in strijd was met de oude godsdienst des lands.

Twee dagen later, den 8enApril, werd Brederode nog eens ten gehoore toegelaten. De verbondenen dankten de hertogin voor haar antwoord; zij betreurden het, dat de inquisitie, tot de verwachte beslissing des konings, niet volkomen opgeheven werd, maar zij spraken te gelijk hun vertrouwen uit, dat de landvoogdes tot dat tijdstip althans de vervolging zou schorsen.

Denzelfden dag werd in het paleis van Kuilenburg een schitterend feest gevierd, waarbij Brederode 300 gasten had uitgenoodigd. De wijn stroomde bij beken, de hoofden waren reeds verhit, toen de gastheer eensklaps opstond: zijne krachtige stem klonk boven het woeste geraas uit, hij wist voor een oogenblik gehoor te krijgen en nu verhaalde hij wat Barlaimont der hertogin had aangeraden en dat hij al de edelen bedelaars (geuzen) had genoemd.

Een luide kreet van verontwaardiging ging op. Doch Brederode wist spoedig de rust te herstellen. „Zij noemen ons bedelaars,” riep hij, „welaan, wij willen dezen titel aannemen; wij zullen de inquisitie bestrijden, maar den koning getrouw blijven, ook al moeten wij tot den bedelstaf geraken.” Bij deze woorden gaf hij een zijner pages een teeken, deze bracht een lederen zak, gelijk de bedelaars van beroep toen droegen, en een houten nap, waarin deze gewoonlijk de hun geschonken spijzen ontvingen. Den bedelzak hing Brederode zich om het lijf, daarop vulde hij den nap met wijn, hief dien met beide handen omhoog en ledigde dien in éénen teug. „Vivent les gueux, leve de geuzen!” riep hij en juichend herhaalden zijne gasten dien kreet.

Brederode’s scherts werd met de grootste bijvalsbetuigingen begroet; de bedelzak ging rond; de eene gast na den ander hing dien om en allen ledigden op hunne beurt den met wijn gevulden nap op de gezondheid der geuzen. Van dezen dag af noemden de verbondenen zich bedelaars, gueux, geuzen.

Het feestmaal was nog niet ten einde, aan den bedelzak en den nap werd eene eereplaats aan een der pijlers van de zaal toegewezen. Vervolgens gingen de gasten voort met drinken en praten; zoowel door den wijn als door hunne staatkundige gesprekken werden ze meer en meer opgewonden. Juist terwijl het geraas het sterkst was, trad de prins van Oranje met de graven van Egmond en Hoorne de zaal binnen. Terstond werden zij door een aantal geuzen omringd en met den kreet: „Leven de koning en de geuzen!” drong men hen om een beker wijn te ledigen.

Zij konden zich tegen de beschonkenen niet verzetten, doch weigerden in hun midden plaats te nemen. Spoedig verlieten zij de zaal, nadat zij de leiders van het feest aangespoord hadden om aan het rumoer een einde te maken. Zij begaven zich rechtstreeks naar den staatsraad, waar de landvoogdes hun haren dank betuigde, omdat zij door hunne tusschenkomst nog ergerlijker tooneelen verhoed hadden.


Back to IndexNext