Vierde Hoofdstuk.De Nederlanden. Aangroeiende macht der geuzen. Brederode te Antwerpen. Moderatie, moorderatie. Montigny en Bergen tot Philips II gezonden. De hagepreeken. Uitbreiding der hervorming. Oranje’s houding. Bijeenkomst der edelen te St. Truien. Oranje’s pogingen tot bemiddeling. Lodewijk van Nassau en zijne 12 apostelen voor de hertogin. De beeldstorm. Margaretha’s schrik en voorgenomen vlucht. Hare beloften. Hare trouwloosheid. Oordeel van Oranje. Brederode en Egmond over den beeldstorm. Halve beloften van Philips II. Zijne plannen. Reactie. Egmond’s wreedheid jegens de ketters. Gematigdheid van Oranje. Hoorne te Doornik. Ontbinding van het verbond. Woordbreuk der hertogin. Oranje en zijne vrienden te Dendermonde. Vervalschte brieven? Egmond als trouw dienaar des konings. De nieuwe eed. Oranje’s verzoek om ontslag.Belegering van Valenciennes. Brederode’s plannen. Het gevecht bij Austruweel. Oranje’s verstandige houding te Antwerpen. Noircarmes in Valenciennes. Oranje’s laatste samenkomst met Egmond. Vergeefsche waarschuwing. Oranje’s vertrek naar Duitschland. Brederode’s vlucht en dood. De laatste dagen van Margaretha’s regeering. Groot aantal uitgewekenen.De door den overmoedigen Brederode uitgevonden partijnaam vond een ongemeenen bijval. Weldra weergalmde door al de Nederlandsche gewesten de kreet: „Leven de geuzen!”. De jonge edellieden, die tot dus ver fluweelen, rijk met goud bestikte wambuizen gedragen hadden, kleedden zich nu in grijze kleederen van grof laken en droegen mantels van dezelfde kleur. Op straat verschenen zij met een hoed van gewoon vilt, de bedelzak en bedelnap waren hunne eenige sieradiën. Er werden penningen geslagen, die op de voorzijde het beeld van Philips II,op de keerzijde twee ineengeslagen handen vertoonden met de zinspreuk: „Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak toe.” Deze penningen bevestigden de edelen en de burgers aan hun hoed, gelijk eene kokarde, of zij droegen die als een ordeteeken om den hals.Terstond na het feestmaal verlieten de edelen de hoofdstad, om naar hunne woonplaatsen terug te keeren. Brederode reed aan het hoofd van een stoet adellijke ruiters de poort van Brussel uit. De tallooze toeschouwers begroetten hem met luide bijvalskreten. Door 43 edelen vergezeld kwam hij in Antwerpen aan, waar hij overnachtte.De groote geus—zoo werd hij reeds genoemd—was het voorwerp van de levendigste belangstelling der geheele bevolking. Zijn logement werd door 4 à 5000 burgers letterlijk belegerd. Toen hij voor het venster verscheen, met den bedelzak aan de zijde en den met wijn gevulden nap in de hand, ging er onder de menigte een donderend gejuich op. Hij verklaarde, dat hij bereid was om zich voor de rechten des volks in de bres te stellen en dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds tegen de plakaten en de inquisitie verzetten zou. Vervolgens dronk hij op de gezondheid des volks en verzocht hij allen die bereid waren om, evenals hij, de inquisitie te bestrijden, de handen op te steken.De goede Antwerpenaars schepten in dat ongewone tooneel groot behagen, zij staken als één man de handen op en terwijl Brederode zijn nap in één teug ledigde, kwam er geen eind aan de vreugdekreten.Verdere onlusten kwamen er uit dit tooneel niet voort; Brederode verliet Antwerpen weer, zonder dat het, gelijk de hertogin gevreesd had, tot ergerlijke voorvallen was gekomen. Ook de overige edellieden werden door het volk als zijne bevrijders van het Spaansche juk beschouwd en overal met eerbewijzen ontvangen. Inderdaad scheen het ook, dat het smeekschrift der edelen een krachtigen invloed had uitgeoefend: men hoorde, dat de plakaten gematigd, de inquisitie afgeschaft, de gewetensvrijheid gewaarborgd zouden worden. Toen dit gerucht zich meer en meer verbreidde, ging er door het geheele land een luide juichtoon op. Vele vluchtelingen en ballingen keerden naar de Nederlanden terug. Zij, die zich tot dusver uit vrees voor vervolging schuil gehouden hadden, staken stoutmoedig het hoofd op en vertoonden zich weer in het openbaar.Het bevel, door Margaretha Van Parma den inquisiteurs gegeven, om hunnen ijver te matigen, had de meest gewenschte uitwerking. Men hoopte, dat het den aanvang van een nieuwen en beteren tijd aankondigde, dat door vaste wetten aan het woelen der inquisitie paal en perk zou worden gesteld, want men had vernomen dat de landvoogdes in een geheimen raad, waarin zij de ridders van het gulden vlies had doen verschijnen, ernstig over zulk eene wet beraadslaagde.Deze wet kwam inderdaad tot stand: Viglius had haar in 53 artikelen samengevat. Dewijl zij eene matiging in het vervolgen der ketters te weeg brengen moest, werd zij de moderatie genoemd. Doch zij beantwoordde reeds niet langer aan de eischen der in den laatsten tijd sterk toegenomen beweging. Zij verbood het aanhangen van eenige andere godsdienst dan de Roomsch-katholieke; geene godsdienstoefening der protestanten, hetzij in ’t geheim of openbaar, werd veroorloofd, alle kettersche geschriften moesten, evenals vroeger, onderdrukt worden. Deze wet verdeelde de ketters in twee klassen: verleiders en verleiden, zij nam den schijn aan, alsof zij den verleiden genade wilde bewijzen; voor de verleiders bleef zij de doodstrafvaststellen, alleen zouden zij in plaats van op den brandstapel aan de galg sterven.Doch ook deze schijnbare zachtmoedigheid was niet oprecht gemeend; de bepalingen der wet waren zóó onduidelijk, dat bijna elke ketter als een verleider beschouwd kon worden. Bovendien waren er nog een groot aantal uitzonderingen; met den dood werd nog steeds een ieder bedreigd, die het waagde over godsdienstige vraagstukken te redetwisten, den bijbel uit te leggen, in zijn huis eene godsdienstige handeling toe te laten, kettersche predikers te verbergen, enz. Zulke misdadigers moesten ter dood gebracht worden, om het even of zij berouw aan den dag legden of niet. Volgens de moderatiewet kon elke ketter, evenals te voren, om het leven gebracht worden. Dat zulk eene wet niet in staat was om de bestaande gisting te doen ophouden, spreekt van zelf. Het vernuft des volks noemde haar dan ook veelbeteekenend moorderatie in plaats van moderatie.Met het uitvaardigen van de moderatie meende de landvoogdes hare belofte, dat zij de koninklijke plakaten met matiging ten uitvoer leggen zou, vervuld te hebben. Op grond van deze wet ontvingen de gezanten, die tot Philips II gezonden werden, dan ook hunne instructiën.Op nieuw had men Egmond met dit gezantschap willen belasten, maar hij had geweigerd, deze taak op zich te nemen. De baron van Montigny en de markgraaf van Bergen namen de taak op zich, de vertoogen van den staatsraad naar Spanje over te brengen.Montigny verliet Brussel den 29stenMei; hij reisde over Parijs. Hier werd hij tegen het voortzetten van zijne reis gewaarschuwd. Philips II—zoo verzekerde hem de Spaansche gezant—was zóó woedend op de Nederlanders, dat zelfs het leven der gezanten gevaar liep. Toch liet Montigny zich door deze waarschuwing niet van zijn stuk brengen; hij achtte het zijn plicht, de taak, die hij aanvaard had, te volvoeren. Kort daarna volgde hem ook de markgraaf van Bergen, die tot dusver door ziekte terug gehouden was. Beiden zouden hun vaderland niet wederzien. Zij vermoedden niet, dat, terwijl zij op weg waren om van Philips II de afschaffing der inquisitie en verzachting van de plakaten te verwerven, tusschen den koning en de hertogin eene geheime briefwisseling gevoerd werd, waarin de eerste der hertogin beval, zoowel de inquisitie als de plakaten zoo spoedig mogelijk weer in volle gestrengheid in werking te doen treden.Voorshands kon Margaretha het ontvangen bevel niet opvolgen, daar de hervorming eensklaps in de Nederlanden eene ongedachte vlucht genomen had. Het volk trotseerde de inquisitie en de plakaten; een groot aantal stoutmoedige predikers waagde het, hoewel door de landvoogdes een prijs op hun hoofd gesteld was, openlijk de leer van Luther en Calvijn te verkondigen. Niet langer in de beperkte ruimte van een gesloten huis, niet langer voor eene vergadering van trouwe geloofsgenooten, neen, in groote volksvergaderingen, die onder den blooten hemel gehouden werden en waartoe duizenden samenstroomden, traden die predikers op.Eene wacht omringde den geïmproviseerden kansel, die nu eens uit een wagen, dan weer uit eene verhevenheid van aarde of zoden bestond; de overige gewapenden plaatsten zich in een wijden kring rondom de vrouwen en kinderen, opdat deze tegen een mogelijken overval beveiligd zouden zijn.Zulke volksvergaderingen, hagepreeken genoemd, dewijl ze liefst achterheggen of struiken, gehouden werden, hadden overal in de Nederlanden plaats. In Holland werd de eerste te Overveen, in de nabijheid van Haarlem, gehouden; een voormalig monnik, Peter Gabriël, predikte hier voor vele duizenden toehoorders, die van heinde en ver waren samengestroomd, om zijn woord te hooren.In het midden van het jaar 1566 hadden dergelijke bijeenkomsten in de nabijheid van alle aanzienlijke steden plaats. Bij Antwerpen, waar zij nu en dan uit 10.000 menschen bestonden, vormde zich als ’t ware eene vaste legerplaats; hetzelfde geschiedde ook in andere streken.Het aantal der ketters groeide met eene ongeloofelijke snelheid aan. De rijkste en aanzienlijkste mannen schroomden thans niet meer, dien tot dusver verafschuwden naam te dragen. De meeste protestanten helden tot de leer van Calvijn over, die ook om hare staatkundige strekking in de Nederlanden den grootsten bijval vond en des te eerder verbreid werd, omdat de meeste kettersche predikers uit Frankrijk kwamen. Behalve de Calvinisten trof men er echter ook vele Lutherschen en Wederdoopers aan.De aanzienlijke Nederlandsche heeren verkeerden tegenover deze steeds verder rondom zich grijpende godsdienstige beweging in eene uiterst moeilijke houding: zij konden zich evenmin daarbij aansluiten als haar tegenwerken. De meeste stadhouders, ridders van het Gulden Vlies en hoogere staatsbeambten waren en bleven goede katholieken. Zij zagen de uitbreiding der hervorming met leede oogen aan, doch zij waren niet in staat om er iets tegen te doen.In den moeilijksten toestand verkeerde de prins van Oranje. Door zijne spionnen te Madrid was hij onderricht, dat de landvoogdes hem bij Philips II den raddraaier der geheele beweging genoemd had, ja dat in geheime brieven de verdenking te zijnen aanzien werd uitgesproken, dat hij en zijne vrienden zich van het gezag over de Nederlanden wilden meester maken. Hij zag zich dus gewantrouwd door Margaretha, die in haren omgang met hem de grootste vriendschap voor hem huichelde.Reeds toen was het hem ongetwijfeld klaar als de dag, dat een volkomen breuk met den koning onvermijdelijk moest heeten; hij moest er daarom op bedacht zijn, zich bondgenooten te verwerven. Waar zou hij die eerder vinden dan onder de protestantsche vorsten van Duitschland?Dewijl de Duitsche vorsten echter het Calvinisme haatten, helde Oranje natuurlijk meer tot het Lutheranisme over. Hij verborg zijn afkeer van de Calvinisten en van de Wederdoopers niet.Tengevolge van de hagepreeken nam de gisting in het land met elken dag toe. Eensklaps verbreidde zich het gerucht, dat de hertogin troepen bijeengetrokken had, om daarmede de hervormden, wanneer zij in het open veld ter godsdienstoefening bijeen waren, te overvallen. Terstond groeide het getal van hen, die aan deze bijeenkomsten deelnamen, nog aan. Niemand verscheen daar langer ongewapend. Dikwijls kwamen daar 10–12.000, somtijds zelfs 25.000 menschen bijeen.Ook de adel zat intusschen niet stil. De geuzen hielden in Juli 1566 eene groote vergadering te St. Truien in het Luiksche. Den 13endier maand kwamen zij daar samen en zij bleven tot het begin van Augustus bijeen.Ongeveer 1500 edelen, allen door hunne schildknapen en gewapende manschappen vergezeld, hielden eene vergadering, die veel te talrijk voor geregelde beraadslagingen, maar volkomen geschikt was om kleine en groote feesten naar den smaak van Brederode te vieren.De edelen, die alle huizen en herbergen bezet hadden,—sommigen moesten zich zelfs op het open veld legeren—hielden woeste drinkgelagen. Eene menigte lediggangers sloot zich bij hen aan, zelfs landloopers en bedelaars mengden zich onder het aanzienlijk gezelschap en schreeuwden met hen: „Leven de Geuzen!”De indruk, door zulk eene vergadering te weeg gebracht, kon niet gunstig zijn. Ook de besluiten, die in beperkter kringen genomen, doch door allen goedgekeurd werden, waren niet geschikt om der hertogin vertrouwen op de verbondenen in te boezemen. Dezen toch verklaarden openlijk, dat zij geene vervolging ter zake der godsdienst meerdulddenen, zoo noodig, ter hunner bescherming Duitsche troepen, tot 1000 ruiters en 40 compagniën voetvolk aanwerven zouden.In het oog van de landvoogdes was de vergadering van St. Truien zóó onrustbarend, dat zij den prins van Oranje dringend om zijne tusschenkomst smeekte. Hij beloofde die en begaf zich naar de vergadering, die hem met luid gejuich ontving.Te Duffel, een dorp nabij Mechelen, had Oranje een onderhoud met de leiders der vergadering; hij trachtte hen neer te zetten en verzocht hen, zich ten minste zoolang van verdere stappen te onthouden, totdat de naar Spanje afgevaardigde gezanten uit Madrid bericht omtrent hun wedervaren zouden overgezonden hebben. Doch zijne woorden vonden geen ingang: de aanvoerders der geuzen beklaagden zich over de arglist der landvoogdes en over de moderatie, die niets dan een valstrik voor de protestanten was. Zij besloten, nog eens door Lodewijk van Nassau eene boodschap naar Brussel te zenden, om Margaretha van Parma ernstige vertoogen te doen.Dit geschiedde, Lodewijk van Nassau ontving met 12 edelen, die men schertsend zijne 12 apostelen noemde, gehoor bij de landvoogdes. De taal, door hem gevoerd, was reeds veel krachtiger en veel minder ootmoedig dan die van de onderteekenaars van het compromis. Wel hielden de geuzen nog altijd vast aan de verzekering van hunne trouw jegens den koning, wel verbonden zij zich om den vrede te bewaren en naar hun beste vermogen het volk tot kalmte te brengen, maar zij stelden daartoe voorwaarden, die niet gemakkelijk waren te vervullen. De hertogin moest hun—zoo luidde hun eisch—verzekeren, dat zij zich wegens het vroeger voorgevallene niet wreken zou, dat zij niets zonder den raad van Oranje, Egmond en Hoorne zou doen en dat zij eindelijk de Staten-Generaal bijeenroepen zou. Ja de afgezanten der geuzen gingen zoo ver, te verzekeren, dat zij buiten ’s lands hulp zouden zoeken, indien zij door geweld tot wettige zelfverdediging geroepen werden.De hertogin gaf op deze eischen een scherp antwoord, zij gevoelde zich daardoor zwaar beleedigd. Men kon het niet eens worden en Lodewijk van Nassau en zijne medeafgevaardigden ontvingen op eene alles behalve vriendelijke wijze hun afscheid.De vergadering te St. Truien ging uiteen, zonder iets anders dan verhooging van de spanning uitgewerkt te hebben. Deze gaf zich in die dagen in betreurenswaardige tooneelen van vandaalsche vernielzucht lucht.Evenals in Duitschland, ontaardde ook in de Nederlanden de haat der hervormden tegen het pausdom, helaas! in blinde woede tegen de oude heiligdommen, tegen de kerken en de kloosters.De dweepzieke ijveraars verkregen voor een korten tijd de overhandover de rustige, bezonnen belijders van het nieuwe geloof en zij trokken van hunne overmacht partij om een woesten beeldstorm aan te richten.Waar dit oproer, dat zich in het midden van Augustus over al de Nederlanden, met uitzondering van de provinciën Limburg, Luxemburg en Namen en van enkele steden, uitbreidde, eigenlijk ontstaan is, laat zich niet met zekerheid aanwijzen. De brand brak ter zelfder tijd en met dezelfde hevigheid op de meest verschillende plaatsen uit.Het was een allertreurigst schouwspel, dat zich voordeed! Kerken en kloosters werden verwoest, de altaren werden omvergehaald, zoowel 2000 kunstgewrochten van allerlei aard, en daaronder van onschatbare waarde, als een aantal kostbare boekverzamelingen werden vernietigd. Dit alles geschiedde in een tijdsverloop van 10 tot 12 dagen. Alleen in Vlaanderen werden 400 kerken verbrand of omvergehaald.Het onbeschaafde gemeen, de heffe des volks, was voor een korten tijd heer en meester in de Nederlanden en trok van zijne macht partij, om aan zijne vernielingswoede bot te vieren.Diep betreurenswaardig was voorzeker die beeldstorm, welke den vijanden van godsdienstige en staatkundige vrijheid rechtmatigen grond opleverde om hunne stem tegen zulk een vandalisme te verheffen. Doch zelfs te midden van deze treurige tooneelen doet zich een verkwikkend verschijnsel aan ons voor, dat krachtig getuigt voor het hooge standpunt van verstandelijke en zedelijke beschaving, waarop het Nederlandsche volk in die dagen stond.De heffe des volks had alle breidels afgeworpen, zij vernielde, om te vernielen, maar zij roofde en moordde niet. Zij gaf aan hare woede niet lucht in het dooden van hare vijanden; zij spaarde zelfs het leven der gehate inquisiteurs en van zulke priesters, die steeds het verbranden van de ketters als een godewelgevallig werk hadden aangeprezen.De goederen der kerken werden vernield, maar niet geroofd. Deze beeldstormers, die bijna zonder uitzondering tot de laagste klasse der maatschappij behoorden, die bijna allen aan het dagelijksch brood gebrek hadden, lieten toch de kostbaarste kleinodiën, het gouden en zilveren vaatwerk, de edelgesteenten, waarmee de kerksieraden prijkten, onaangeroerd op den grond liggen. Zij vernielden de schatten der kerk, zonder zich die toe te eigenen. Zij gaven lucht aan hun afkeer van hetgeen in hun oog doemwaardige afgoderij was, maar zij lieten zich niet door den lagen drijfveer der roofzucht besturen. Ja, indien een hunner het ongeluk had, zich door den aanblik van die gouden en zilveren voorwerpen tot diefstal te laten verleiden, dan oefenden zijne gezellen op staanden voet en zonder genade gericht over hem. In Vlaanderen werd een jongman ter dood gebracht, dewijl hij het gewaagd had, een voorwerp ter waarde van 5 francs te stelen. Te Valenciennes wilde de geestelijkheid den beeldstorm voor aanzienlijke sommen afkoopen, maar met verachting wezen de arme dweepers het goud van de hand.Alle waarheidlievende katholieke schrijvers van dien tijd stemmen in de vermelding van dit merkwaardig feit overeen.De eerste gevolgen van den beeldstorm waren schijnbaar gunstig voor de protestanten. De landvoogdes, door een hevigen schrik voor den opstand bevangen, verloor bijna het hoofd, en had men haar vroeger voor eene heldin gehouden, thans bleek het, dat zij niets dan eene zwakke, vreesachtige vrouw was.Den 22enAugustus, des nachts te 3 uur, ontbood zij Oranje, Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en andere leden van den staatsraad aan haar paleis; zij deelde hun mede, dat zij gereed stond om uit Brussel te vluchten, dat hare goederen reeds gepakt en de leden van haar hofgezin reisvaardig waren. Zij wilde naar Bergen gaan, om zich daar tegen het oproerige volk in veiligheid te stellen, dewijl men haar meegedeeld had, dat de protestanten van plan waren om Brussel te veroveren, alle daar woonachtige katholieken te vermoorden en de regeering omver te werpen.De prins van Oranje, Egmond en Hoorne smeekten de hertogin dringend, zulk een noodlottig plan te laten varen; zij hielden haar voor oogen, dat eerst door hare vlucht de woeste beweging, waaraan slechts een klein deel des volks medeplichtig was, tot een werkelijken opstand aangroeien zou. Zij zwoeren, de landvoogdes des noods ten koste van hun leven te zullen verdedigen, maar verzekerden haar tevens, dat zij voorshands niet het minste gevaar liep. Eindelijk gelukte het hun door die beden en redeneeringen Margaretha tot blijven te bewegen. Toch was ze niet gerust, en toen haar opnieuw werd bericht, dat het volk van plan was het paleis te bestormen, besloot zij aan den avond van dien dag toch te vluchten.Op nieuw gelukte het den graaf van Hoorne en den prins van Oranje haar van dit besluit te doen afzien; ja zij haalden haar over om een belangrijken stap te doen, ten einde het oproerige volk tot bedaren te brengen. Zij stond toe, dat voortaan de protestantsche eeredienst uitgeoefend mocht worden op alle plaatsen, waar dit reeds vóór den 25enAugustus geschied was en dat de hervormden volle vrijheid van belijdenis zouden genieten.Lodewijk van Nassau ontving eene schriftelijke oorkonde, een tolerantie-edict, waarin de hertogin verklaarde, dat de inquisitie afgeschaft was en dat de koning binnen kort een nieuw edict zou uitvaardigen, waarbij eene algemeene vergiffenis zou worden afgekondigd. Daarentegen onderteekende Lodewijk van Nassau met 15 andere geuzen een stuk, waarin de geuzen beloofden, zoolang hun verbond als opgelost te beschouwen en het koninklijk gezag uit alle macht te zullen steunen, als de hertogin hare beloften hield.De nieuwe beloften van Margaretha werden in alle steden des lands openbaar gemaakt. Alleen door vrees had de landvoogdes zich tot deze toegevendheid jegens den volkswensch laten overhalen; zij verklaarde dit zelve in een brief, dien zij terstond aan Philips II schreef; zij nam God tot getuige, dat zij daartegen zich zoolang mogelijk verzet had, en dat zij eerst, toen zij door het volk in haar paleis belegerd en schier eene gevangene was, toen zij, ziek naar lichaam en geest, niet meer wist wat zij doen moest, den geuzen vergiffenis en den ketters vrijheid van godsdienst toegestaan had; dat al deze beloften echter niet de minste waarde hadden, voordat ze door den koning bekrachtigd waren, dewijl zij slechts in haren eigenen, niet in des konings naam gehandeld had; dat Philips dus door niets gebonden was en dat zij van ganscher harte hoopte, dat Philips zich om het door haar gegeven woord niet bekommeren, maar in persoon naar de Nederlanden komen zou, om de beleedigingen, der heilige kerk door de ketters aangedaan, bloedig te wreken; slechts deze hoop—zoo eindigde zij—hield haar in het leven en behoedde haar voor vertwijfeling.In een volgenden brief bracht zij bittere klachten in tegen Oranje, Egmond en Hoorne, dezelfde mannen, die zij even te voren met blijkenvan vertrouwen overladen had. Zij verzekerde, dat Hoorne van plan was, alle priesters en monniken in het geheele land te laten vermoorden; dat Egmond openlijk de geuzen begunstigde en reeds in Duitschland troepen voor hen aanwierf; dat Oranje vast besloten had, zich tot heer van het geheele land te verheffen en de regeering omver te werpen.Eene gewetensvrijheid, die uitsluitend op de beloften van Margaretha berustte, beteekende waarlijk niet veel, en toch was zij het eenige nut, hetwelk de beeldstorm het Nederlandsche volk aanbracht. In weerwil hiervan waren de protestanten zoo verblind, dat zij zich overgelukkig gevoelden; zij hoopten, dat nu de inquisitie en met haar de geloofshaat en de geloofsvervolgingen voor goed afgeschaft waren. Zij zagen niet, dat reeds in de eerstvolgende dagen dreigende onweerswolken zich samenpakten.Al de aanzienlijke edelen, ook zij die tot dusver de protestantsche beweging ondersteund hadden, waren diep verontwaardigd over de schandelijke tooneelen, door de beeldstormers aangericht, en vele bezonnen aanhangers der hervorming waren het met hen eens. De prins van Oranje liet zich openlijk zeer ongunstig uit over de dweepzucht van een hoop ellendelingen, die het geheele schandaal hadden teweeg gebracht. Hij beklaagde de muiters en veroordeelde de raddraaiers. Zelfs de woeste Brederode noemde de beeldstormers waanzinnigen en den geheelen opstand onverantwoordelijk.Egmond legde onverholen zijn afkeer aan den dag van allen, die door hunne handelwijze de katholieke kerk zoo gruwelijk beleedigd hadden. Vele hoofden der geuzen waren van oordeel, dat zij met dergelijke lieden niet langer hand aan hand konden gaan; wellicht waren sommigen hunner reeds sinds lang het verbond moede en was de beeldstorm voor hen een welkom voorwendsel om zich van hen af te scheiden.Hetzelfde deden ook vele strenge katholieken, die zich van nu af op hunne landgoederen gedroegen als besliste tegenstanders van de hervormden, welke zij tot dusver beschermd hadden.Aan koning Philips II bood de beeldstorm eene gewenschte gelegenheid aan om strenger maatregelen tegen de ketters te nemen. Hij had de Nederlandsche gezanten, Montigny en Bergen, met gehuichelde vriendelijkheid ontvangen en hunne wenschen aangehoord, welke inhielden, dat de inquisitie afgeschaft, de koninklijke plakaten verzacht en volle vergiffenis voor alles wat tot dusver in de Nederlanden gebeurd was, verleend zou worden. Philips had in schijn deze eischen ingewilligd; zonder bepaalde beloften te doen, had hij toch op eene gedeeltelijke vervulling van de volkswenschen hoop gegeven en verklaard, dat hij zelf naar de Nederlanden dacht te gaan, om orde op de verwarde zaken aldaar te stellen. Aan Margaretha had hij geschreven, dat de verlangde amnestie onder zekere voorwaarden verleend kon worden en ook de afschaffing van de pauselijke inquisitie kon worden toegestaan, dewijl immers de bisschoppen thans in staat waren om in hunne bisdommen eene bisschoppelijke inquisitie in te voeren en met kracht door te zetten.Doch zelfs deze halve beloften was de koning niet van plan te houden; het sterkste bewijs hiervoor leverde hij door, terstond nadat hij den brief geschreven had, een notaris te ontbieden en in tegenwoordigheid van Alba en van twee andere vertrouwde getuigen te verklaren, dat zijne belofte van eene algemeene vergiffenis hem alleen door de troebelen in de Nederlanden afgeperst, maar niet vrijwillig, niet in volle vrijheid gedaan endaarom ook niet geldig was, en dat hij zich alzoo het recht voorbehield om alle schuldigen, wanneer het hem noodzakelijk scheen, te straffen.Tegelijk spoorde Philips de landvoogdes aan om den Nederlanders de schoonste uitzichten voor te spiegelen en zelfs de hoop op de bijeenroeping van de Staten-Generaal bij hen op te wekken, hoewel hij vast besloten had, dit nooit te doen.Was de koning reeds heftig vertoornd over de uitbreiding van de ketterij in de provinciën, hij geraakte in de grootste woede, toen hij het bericht van den beeldstorm ontving; „Dat zalhenduur te staan komen,” riep hij, zich den baard uitrukkend, „ik zweer het bij de ziel mijns vaders!” Van dezen oogenblik af legde hij zich met den grootsten ijver toe op het nemen van maatregelen tot de vreeselijke wraak, welke hij oefenen wilde.In de Nederlanden waren de omstandigheden intusschen grootelijks veranderd; de blijdschap over de inwilligingen der landvoogdes duurde niet lang; de protestanten moesten weldra leeren inzien, dat de beeldstormhenveel meer schade dan voordeel had aangebracht. Op Egmond, den beroemden veldheer, hadden zij gerekend; wanneer hij zich aan hun hoofd plaatste, was geene macht ter wereld meer in staat om de protestantsche beweging te onderdrukken. Alleen in Vlaanderen toch telde men niet minder dan 6000 gewapende mannen, die bereid waren om voor de godsdienstvrijheid in de bres te springen; slechts aanvoerders ontbraken hun. Wanneer Egmond hun hoofd werd, vormden zij een leger, waarmee de beroemde veldheer in staat zou geweest zijn om het land tegen elken aanval van Spaansche troepen te verdedigen.De verwachtingen, welke de hervormden op den lieveling des volks, den graaf van Egmond, gebouwd hadden, werden jammerlijk teleurgesteld. Egmond verscheen in Vlaanderen, niet als de aanvoerder der protestanten, maar als hun verbitterde vijand, als de ijverigste aanhanger der regeering, die zelfs, buiten de bevelen der hertogin om, allen strafte, op wie slechts de minste verdenking van medeplichtigheid aan den beeldstorm rustte.Hij gaf terstond bevelen om een groot aantal beeldstormers en zelfs vele andere ketters ter dood te brengen.De Vlaamsche protestanten sidderden voor den toorn van den machtigen man. Wel waren zij sterk genoeg om tegen hem op te staan, want de troepen, die hij ter zijner beschikking had, waren niet talrijk, maar tegen den overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen durfde niemand een vinger verroeren.Met vreeselijke strengheid zette hij de vervolging van de ketters voort. Een niet gering aantal meer of minder schuldigen, zelfs louter verdachten, werd zonder genade opgehangen. Te vergeefs spoorde Oranje zijn vriend tot zachtmoedigheid aan, te vergeefs voegde Lodewijk van Nassau zijne beden bij de wenken zijns broeders, Egmond luisterde niet. Hij was eensklaps zulk een ijverig aanhanger van de landvoogdes en van de katholieke kerk geworden, dat hij niet eens de door Margaretha den hervormden verleende voorrechten eerbiedigde, maar den protestantschen eeredienst ook daar verbood, waar hij reeds vóór den 25enAugustus ingevoerd en dus geoorloofd was.Geheel anders was de houding van den prins van Oranje, dien de landvoogdes naar Antwerpen gezonden had, om daar de rust te herstellen. Wel liet hij toe, dat de stedelijke overheid een aantal beeldstormersvoor het gericht daagde en ter dood deed brengen, doch in persoon nam hij aan de vervolgingen geen deel. De voorrechten, den protestanten door de hertogin toegestaan, eerbiedigde hij stipt, hij liethendrie kerken in Antwerpen inruimen en wist het door zijne wijze gematigdheid weldra zóó ver te brengen, dat de rust in de machtige handelsstad terugkeerde.De graaf van Hoorne, die naar Doornik gezonden was, behandelde de protestanten volstrekt niet zoo zacht als Oranje: hij liet de raddraaiers van den beeldstorm vatten en ter dood brengen. Ook stond hij binnen de stad zelve geene kettersche godsdienstoefeningen toe; alleen vergunde hij den hervormden, buiten de muren kerken voor hunne godsdienstige bijeenkomsten te bouwen. Hoewel hij hierdoor de bepalingen van het edict van tolerantie nog niet eens vervulde,—ook te Doornik hadden vóór den 25enAugustus protestantsche godsdienstoefeningen plaats gehad—werd zijne houding door de landvoogdes toch scherp berispt en hij zelf als een begunstiger der ketterij beschouwd.Margaretha van Parma had zich spoedig hersteld van den schrik, haar door den beeldstorm ingeboezemd; zij zag de drie mannen, die zij voor hare meest geduchte tegenstanders hield, Oranje, Egmond en Hoorne, volgens zeer verschillende beginselen handelen.Zoolang deze drie eensgezind waren, schenen zij haar gevaarlijk; maar thans, nu Egmond geheel weder de zijde der regeering gekozen had, waren zij volstrekt niet meer te vreezen. Het verbond der geuzen was uiteengespat, zijne katholieke leden waren daarvan afgevallen en zelfs gedeeltelijk ijverige vervolgers van de ketters geworden. Deze konden, in weerwil van hun groot aantal, ter nauwernood aan verzet tegen de regeering denken, zoolang hethenaan geschikte, invloedrijke aanvoerders ontbrak.Zoodra Margaretha zich weer eenigszins op haar gemak voelde, schroomde zij niet, haar in tijd van nood gegeven woord te verbreken. Alle beschikbare middelen wendde zij aan om vreemde troepen aan te werven, ten einde daarmee, zoo noodig, de wederspannige protestanten te onderdrukken. Egmond was haar hierin behulpzaam en de stadhouder van Henegouwen, de heer van Noircarmes, leende zich gaarne tot het verdelgen van de ketters.Aan het edict van tolerantie gaf Margaretha thans eene willekeurige uitlegging door te beweren, dat zij wel de vrijheid tot prediken, maar niet het verlof tot het uitoefenen van eeredienst en tot het houden van twistreden over de godsdienst verleend had. Hierdoor opende zij voor de geloofsvervolging op nieuw een onafzienbaar veld.De prins van Oranje, die tot dusver nog altijd had gehoopt, in vereeniging met Egmond, Hoorne en andere aanzienlijke Nederlandsche edelen, de regentes tot vervulling van hare beloften te zullen bewegen, ontving tegen het einde van het jaar 1566 berichten, welke hem het bewijs leverden, dat Philips II en de landvoogdes vastelijk besloten hadden, hem en zijne vrienden ten val te brengen.De prins gevoelde volstrekt geene roeping om zich weerloos aan de wraak van den vertoornden koning bloot te stellen; gelukte het hem, Egmond en Hoorne over te halen om met hem de handen ineen te slaan, dan kon hij de landvoogdes dwingen om de Staten-Generaal bijeen te roepen. Zelfs den mogelijken inval van een Spaansch leger had hij dan niet te duchten, want de Nederlanders waren, wanneer zij slechts eendrachtig bleven, sterk genoeg om elken aanval der Spanjaarden het hoofd te bieden.In eene bijeenkomst, welke Oranje met Egmond, Hoorne, Hoogstraetenen zijn broeder Lodewijk van Nassau te Dendermonde in Vlaanderen hield, legde hij de afschriften van twee brieven over, welke de Spaansche gezant te Parijs, don Francis d’Alava, aan Margaretha van Parma geschreven had. Waren deze brieven echt, dan leverden zij het bewijs, dat Philips II een schandelijk verraderlijk spel speelde met mannen, die hem tot dusver trouw gediend hadden.De gezant verklaarde daarin, dat de koning reeds sinds lang wist, hoe vijandig Oranje, Egmond en Hoorne jegens hem gezind waren, doch dat hij de landvoogdes aanbeval, in haren omgang met hen de grootste hartelijkheid aan den dag te leggen, dewijl Zijne Majesteit van voornemen was, zich zoo lang mogelijk van de genoemde mannen te bedienen, doch hen dan te straffen, en dat het de plicht der landvoogdes was, den koning in de uitvoering van zijn plan behulpzaam te zijn. De troebelen in de Nederlanden—ging de gezant voort—zouden nooit plaats gehad hebben, zonder de geheime deelneming der verbondene heeren; deze moesten zoo spoedig mogelijk gestraft worden, doch vooraf mocht de hertogin hen op geenerlei wijze doen bemerken, welk een gevaar hen bedreigde; integendeel, zij moest hen in den waan brengen, dat Zijne Majesteit die verraders voor Hare trouwste dienaars hield. Wanneer Oranje, Egmond en Hoorne in dit geloof voortleefden, zouden zij in den dienst des konings, zoolang men hen gebruikte, nuttig kunnen zijn. Der hertogin werd dus gelast, dezelfde houding jegens dit drietal aan te nemen, als de koning jegens de Nederlandsche gezanten, Bergen en Montigny, aangenomen had, wien hij de meeste voorkomendheid bewees, doch die hij onophoudelijk liet bewaken en die hij zeker niet levend uit Spanje zou laten ontsnappen.Dit was ongeveer de inhoud der brieven, welker afschrift Oranje zijnen vrienden overlegde. Maar waren zij inderdaad echt? Had don Francis d’Alava ze werkelijk geschreven?Vele nieuwere geschiedschrijvers en onder hen ook de verdienstelijke Motley beantwoorden die vragen ontkennend, terwijl de Hollandsche schrijvers uit die dagen omtrent die echtheid niet den minsten twijfel koesteren. Zeker is het, dat de mededeelingen, in dien brief vervat, volkomen overeenstemmen met het karakter van Philips II en dat zij alle reeds na korten tijd door de uitkomst bevestigd werden. Doch, al is dat zoo, aan den anderen kant ontbreekt het niet aan duchtige redenen, die ons nopen om de brieven voor ondergeschoven te houden. Dat Margaretha van Parma later tegenover Egmond de echtheid dier brieven loochende, zou ons slechts te eer aan die echtheid doen gelooven. Maar zij herhaalde diezelfde ontkenning ook in hare geheime briefwisseling met Philips II, in eene briefwisseling, waarin zij anders gewoonlijk der waarheid getrouw placht te zijn, en deze omstandigheid noodzaakt ons dus om de brieven als ondergeschoven te beschouwen, tenzij Margaretha er om de eene of andere reden belang bij heeft gehad, die briefwisseling met den spaanschen gezant voor den koning te verbergen.Waren de brieven werkelijk ondergeschoven, wie had dit dan gedaan? Het vermoeden, dat Oranje zich aan die vervalsching schuldig had gemaakt, om Egmond zoowel tot verzet tegen Philips en de landvoogdes als tot eene vaste verbintenis met hemzelven over te halen, ligt in dat geval voor de hand en wordt niet wederlegd door de overdreven loftuigingen, waarmede Motley het karakter van zijn held overlaadt.Geen vorst schroomde in die dagen, tot bereiking van een staatkundigdoel, middelen aan te wenden, die met de eischen der zedelijkheid niet altijd waren overeen te brengen. Ook Willem van Oranje was een kind van zijnen tijd; hoewel hij dien tijd in vele opzichten verre vooruit was, hoewel zijn zedelijk karakter in later dagen zich zeer gelukkig heeft ontwikkeld, mogen wij hem niet tot een halven heilige maken. Ook waar zijne gebreken erkend worden, blijven er in hem genoeg voortreflijke hoedanigheid over om ons den diepsten eerbied voor zijne beginselen en geestkracht af dwingen. Maar achtte hij het niet beneden zich, de dienaars van Philips om te koopen, ten einde des konings geheimen uit te vorschen, dan laat het zich ternauwernood denken, dat hij te nauwgezet geweest zou zijn om, wanneer hij het noodig achtte, van een ondergeschoven brief gebruik te maken, te meer, wanneer die brief den bestaanden toestand volkomen juist in het licht stelde en dus, wat den inhoud betrof, geene enkele onwaarheid behelsde. Zulk een kunstgreep is zeker nooit te rechtvaardigen, maar in den gevaarlijken toestand, waarin Oranje zich bevond, wellicht des te eerder te verontschuldigen, én dewijl daarin niets voorkwam wat niet, getuige de uitkomst, met de waarheid overeenkwam én dewijl de denkbeelden omtrent de voorschriften der zedelijkheid in die dagen geheel anders en veel minder zuiver waren dan tegenwoordig.Reeds in de bijeenkomst te Dendermonde rees er twijfel ten aanzien van de echtheid der brieven. Egmond sloeg daaraan geen geloof: hij had juist in den laatsten tijd den koning en der landvoogdes belangrijke diensten bewezen, hij was door de laatste met verzekeringen van dankbaarheid, hoogachting en vriendschap overladen; hij had zelfs van Philips meer dan één zeer vleiend en vriendelijk schrijven ontvangen. Daarom kwam het hem volslagen onmogelijk voor, dat ook hij moest vallen als het slachtoffer eener koninklijke wraak, die hij—naar zijne meening—volstrekt niet verdiend had.Hij weigerde Oranje’s plannen goed te keuren. De aansporing van den vurigen Lodewijk van Nassau om terstond de wapenen op te vatten, beantwoordde hij met eene koele weigering, hij wilde niet deelnemen aan eenige onderneming, die tegen de hertogin of den koning gericht was. Ook Hoorne sloot zich bij hem aan en zoo leverde het onderhoud te Dendermonde niet de minste vruchten op.Egmond nam de brieven mede en hij was volkomen tevreden gesteld, toen de hertogin ze op den toon der diepste verontwaardiging voor onecht verklaarde. Van dit tijdstip af verdubbelde hij zijn ijver in des konings dienst en in de vervolging van de ketters, die maar in eenig opzicht de bevelen der hertogin overtraden.Hoorne was niet zóó lichtgeloovig, hij gevoelde zich beleedigd, wijl Margaretha de door hem te Doornik uitgevaardigde hervormingen herriep en door den heer van Noircarmes de stad bezetten en den hervormden eeredienst verbieden liet. Hij wilde niets tegen de landvoogdes ondernemen, maar trok zich wrevelig uit den staatsdienst op zijne landgoederen terug.Oranje stond na het onderhoud te Dendermonde geheel alleen, hij kon thans alleen nog op Brederode en eenige andere dweepzieke geuzen rekenen, maar niet meer op den geheelen verbonden adel, dewijl het verbond uiteengespat was en zelfs vele zijner voormalige leden thans zijne verbitterde tegenstanders waren geworden. Ook op den bijstand der protestantsche vorsten van Duitschland hoopte hij niet. Hij wist dat deze, schoon hun belang zou hebben medegebracht de Nederlanders te ondersteunen,als ijverige Lutheranen, geene hulp zouden verleenen aan hervormden, die grootendeels tot de aanhangers van Calvijn behoorden.Waarschijnlijk was het hem niet onaangenaam, dat Margaretha, zoodra zij hare macht voelde aangroeien, op nieuw tot beslissende en gestrenge maatregelen overging. Van al de beloften, in het edict van tolerantie gedaan, vervulde zij geene enkele; zij vermeerderde het aantal der vreemde huurtroepen en, ten einde ook in al de staatsbeambten een geheel aan haren wil onderworpen legermacht te bezitten, vorderde zij van hen—van den hoogste tot den laagste—een nieuwen eed, waarbij zij zich verbonden om de bevelen der regeering ten allen tijde, overal en tegenover een ieder, wie het ook wezen mocht, zonder eenige uitzondering of voorwaarde uit te voeren.Vele beambten, die vroeger tot de geuzen behoord hadden, gehoorzaamden volvaardig; het eerst van allen de graaf van Mansfeld, die thans bij de hertogin reeds in blakende gunst stond. Ook Egmond legde den eed af, hoewel eerst na eenig beraad. Oranje daarentegen weigerde dien. Hij verklaarde, dat hij zich niet verbinden kon om zonder eenig nadenken een bevel op te volgen, dat wellicht even nadeelig kon zijn voor de kroon als voor het land of voor zijne eigene eer. Dewijl hij op grond hiervan de hertogin niet gehoorzamen kon, verzocht hij haar, hem van zijne ambten te ontslaan.De koning nam dit verzoek om ontslag niet aan, Oranje moest dus nog in dienst blijven, maar hij had vast besloten dien zoo spoedig mogelijk te verlaten en zich naar Duitschland terug te trekken.Margaretha van Parma had, dank zij de ontevredenheid der katholieken en zelfs van alle gematigde protestanten over den beeldstorm, binnen ongeloofelijk korten tijd zoo veel macht herwonnen, dat zij het edict van tolerantie geheel vernietigen en de geloofsvervolging hervatten konde. Doch geheel zonder weerstand te ontmoeten, was dit haar toch niet gelukt.Op verscheidene plaatsen grepen de protestanten naar de wapenen. Vele steden weigerden bezettingen in te nemen of de ingevoerden evangelische godsdienst weer af te schaffen. De meeste zwichtten, zonder het tot een opstand te laten komen, maar te Valenciennes sloten de burgers de poorten, zich beroepende op hunne oude rechten en op het edict van tolerantie.De heer van Noircarmes werd uitgekozen om de weerspannigen te tuchtigen. Met eene aanzienlijke krijgsmacht trok hij tegen de stad op. De burgers verdedigden zich dapper; zij hoopten op ontzet; ook nadat twee samengeraapte benden protestanten door Noircarmes zonder moeite overwonnen en uit elkander gejaagd waren, bleven zij toch nog gelooven, dat van eene andere zijde hulp zou komen opdagen. Zij wisten immers, dat Brederode ijverig bezig was met het aanwerven van troepen, waarmede hij hun ter hulp komen zou.Brederode had nog eens gepoogd, door middel van een smeekschrift op de hertogin te werken. Hij had om vrijgeleide naar Brussel gevraagd, ten einde het verzoekschrift te kunnen overhandigen, doch zijn verzoek was met verachting van de hand gewezen. De landvoogdes had hem zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat alle in Augustus door haar verleende voorrechten ingetrokken waren, en had van hem geëischt dat hij zich onvoorwaardelijk aan de wet en aan de koninklijke macht zou onderwerpen.Thans achtte Brederode den tijd gekomen om naar de wapenen tegrijpen. Gedurende de geheele maand Februari hield hij zich te Antwerpen op, hier wierf hij heimelijk troepen aan. Hij was van plan in de eerste plaats te beproeven, zich door een handgreep van het eiland Walcheren meester te maken;gelukte het hem, zulke belangrijke steden als Vlissingen en Middelburg te bemachtigen, dan twijfelde hij niet of het zou hem mogelijk zijn, zelfs aan den inval van een Spaansch leger het hoofd te bieden.Vervolgens wilde hij Valenciennes ontzetten en tegen Brussel oprukken, om der hertogin de vredesvoorwaarden voor te schrijven. De prins van Oranje droeg kennis van Brederode’s plannen en had hij vroeger meermalen gepoogd den overmoedigen man tot gematigdheid te bewegen, thans liet hij hem zijn gang gaan, ja begunstigde hij zijne ontwerpen. Wellicht was het toch mogelijk, dat Brederode slaagde en dan bestond er altijd nog kans om Nederland te bewaren voor de jammeren, die het dreigden te overstelpen.Toen de hertogin den prins beval, aan Brederode’s drijven paal en perk te stellen, gebood hij wel dat de wervingen gestaakt moesten worden, doch hij liet toe dat Brederode uit Antwerpen vertrok, om elders zijne troepen te verzamelen.Te Brussel had de staatsraad intusschen ijverig beraadslaagd over de stappen, welke men doen moest tegen Brederode en de overige oproermakers, die naar de wapenen gegrepen hadden. Egmond had zelfs 700 à 800 Walsche veteranen bijeengebracht, die hij in Vlaanderen te zijner beschikking hield en hij verzekerde de landvoogdes, dat hij volkomen bereid was om met hen de opstandelingen te verpletteren.Margaretha dankte hem met vriendelijke woorden voor zijne trouwe gehechtheid, maar zij vertrouwde hem toch niet en wees zijn aanbod van de hand. Inderdaad scheen alle ernstige bezorgdheid ook bijna belachelijk, want de rebellen, die gepoogd hadden zich te scheep naar Vlissingen te begeven, waren in de eerste dagen van Maart daar afgeslagen. Zij hadden het plan om zich van het eiland Walcheren meester te maken, opgegeven en waren in de nabijheid van Antwerpen teruggekeerd, waar zij niet ver van de stad, bij een dorpje Austruweel (Oosterweel) eene versterkte legerplaats betrokken.Brederode bevond zich niet bij hen, zij werden aangevoerd door Marnix van Tholouse, den broeder van Aldegonde, een jong en vurig Calvinist, die echter geene ervaring van den oorlog had en geen ander recht op den veldheerstitel kon doen gelden dan zijn onversaagden moed. Zijne troepen bestonden uit een hoop samengeraapt gespuis.Te Austruweel groeide het aantal der rebellen intusschen onophoudelijk aan; dagelijks kwamen de ontevredenen uit den omtrek, om zich in Tholouse’s gelederen te laten inlijven. Spoedig had hij meer dan 3000 man onder zijne bevelen. De toestand werd voor de landvoogdes thans reeds onrustbarend, dewijl ook Brederode in Holland troepen aanwierf en beloofde, binnen kort met 6000 man tot ontzet van Valenciennes te zullen oprukken.Dewijl de landvoogdes niets liever wenschte dan de omwenteling in de kiem te smoren, nam zij het aanbod van den bevelhebber harer garde, Philips van Lannoy, heer van Beauvoir, aan, die zich verbond om onverwijld het rebellennest uit te roeien. Lannoy snelde met de helft zijner garde, waarbij Egmond buitendien nog 400 man Walsche veteranen voegde,in ’t geheel alzoo met ongeveer 800 man goed gewapende en voortreflijk geoefende troepen, naar Antwerpen. Hoewel de soldaten der hertogin veel kleiner in getal waren dan de protestanten, overtroffen zij deze toch verre in oefening en krijgstucht. Met onstuimig geweld tastten zij de verschansingen aan, waardoor Tholouse zijne legerplaats tegen elken aanval beveiligd achtte, en zij behaalden reeds bij den eersten aanloop eene beslissende zegepraal. Tholouse zelf, die met den grootsten heldenmoed vocht, sneuvelde, zijne manschappen verstrooiden zich, doch zij werden vervolgd en bijna tot den laatsten man toe neergehouwen.De uitslag van het gevecht bij Austruweel zou wellicht geheel anders zijn geweest, indien de hervormden in de naburige stad Antwerpen hunnen geloofsgenooten ter hulp waren gesneld; hiertoe echter besloten zij eerst, toen het te laat was, toen Tholouse’s ordelooze benden reeds uit elkaar gejaagd waren en thans door de hertogelijken met verbittering vervolgd werden.Het volk liep op de straten van Antwerpen te hoop; eene schaar van wel 10.000 hervormden wilde uittrekken om hunne geloofsgenooten te helpen.Oranje hoorde dit, hij voorzag, dat de Antwerpsche burgers even goed verslagen zouden worden als Tholouse’s manschappen, dewijl ze geene aanvoerders en zelfs geene wapenen hadden. Een treurig lot hing der rijke handelstad, die door Margaretha van Parma als een broeinest van ketters beschouwd werd, boven het hoofd, indien hare burgers aan den strijd deelnamen.Oranje besloot dit voor te komen; hij wierp zich den burgers, die juist op het punt stonden, naar het slagveld te trekken, in den weg. Hij, wien men lafhartigheid verweten heeft, waagde zich alleen onder de woedende menigte, die hem ontving met den kreet: „Weg met den papist, weg met den verrader!”Zijn leven werd bedreigd, hij sloeg er geen acht op: met kalme waardigheid trad hij der opgewonden menigte te gemoet. Hij drong haar om naar hem te luisteren en het gelukte hem inderdaad, haar van haar voornemen af te brengen, door haar te doen inzien, dat hare tusschenkomst niets meer baten en slechts aanleiding tot nutteloos bloedvergieten geven zou.Zoo wist Oranje de burgerij tot rust te brengen, gelijk hij ook een oproer, dat kort daarna uitbrak, door even krachtige als verstandige maatregelen zonder bloedvergieten onderdrukte.Na de overwinning van Lannoy moesten de burgers van Valenciennes alle hoop om hunne stad nog langer tegen de overmacht der hertogin te verdedigen, wel opgeven. Zij besloten eindelijk tot de overgave; Noircarmes beloofde hun, dat zoowel het leven als de bezittingen der burgerij gespaard zouden worden. Doch deze belofte was slechts gedaan, om verbroken te worden. Nauwelijks was Noircarmes de stad binnengedrongen, of hij liet de poorten sluiten, de rijkste inwoners gevangen nemen en de soldaten, die niet openlijk mochten plunderen, bij de burgers inkwartieren. Hier veroorloofde men hun, te rooven en te moorden, zonder dat zij voor hunne misdaden de geringste straf ontvingen.Noircarmes had, naar zijne meening, wel beloofd, dat hij de inwoners, maar niet, dat hij de misdadigers sparen zou, en misdadigers waren alle rijken. Een groot aantal van deze werd ter dood gebracht, hunne goederen werden verbeurd verklaard: Noircarmes zelf maakte zich tot hun erfgenaam.Dat buitendien eenige honderden Calvinisten verbrand of opgehangen werden, spreekt van zelf; ook zij waren immers allen misdadigers.Na den val van Valenciennes werd nergens meer tegenstand geboden; Margaretha was op nieuw meesteres in de Nederlanden. Zij regeerde waarlijk streng en wreed genoeg, doch in weerwil hiervan voer toch eene kille huivering door het geheele land, toen men hoorde, dat Alba door den koning uitverkoren was om met een leger de rust geheel te herstellen en allen te straffen, die het ooit gewaagd hadden, den koning ongehoorzaam te zijn.Thans begreep ook Oranje, dat het voor hem hoog tijd werd om op zijne eigene veiligheid bedacht te zijn; hij wilde Alba’s komst niet afwachten. Nog eens waarschuwde hij zijn vriend Egmond. Te Willebroek, tusschen Brussel en Antwerpen, had hij met dezen nog eene laatste bijeenkomst, die ook door Mansfeld bijgewoond werd. Hij trachtte Egmond over te halen om de Nederlanden te verlaten en veilig en rustig in Duitschland te gaan leven. Oranje wist namelijk, dat Egmond’s dood even goed door den koning besloten was als de zijne. Hij waarschuwde zijn ouden vriend ernstig.Maar deze antwoordde, dat die vrees een ijdele hersenschim was, dat de koning goed was en genadig en niets zou ondernemen tegen een man, die hem steeds trouw gediend had.„Waarlijk, Egmond,” hernam Oranje, „die goedheid des konings, welke gij zoo hoogelijk roemt, zal u in het verderf storten. Ik wenschte wel, dat ik mij bedroog, maar ik voorzie, dat gij de brug zijn zult, welke de Spanjaarden, zoodra zij er overgetrokken zijn om ons land te overstroomen, zullen afbreken.”Egmond sloeg deze waarschuwende woorden in den wind, hij bleef bij zijn besluit om de Nederlanden niet te verlaten. Voor de laatste maal omarmde de prins hem; daarop scheidden zij, om elkaar nooit weder te zien.Door vele geschiedschrijvers wordt aan deze laatste samenkomst van den prins met Egmond eene anecdote vastgeknoopt, die echter alle geschiedkundige waarheid, alle waarschijnlijkheid zelfs mist. „Vaarwel, prins zonder hoed,” zou Egmond bij het afscheid hebben uitgeroepen: „Vaarwel, graaf zonder hoofd!” zou Oranje’s antwoord zijn geweest.Hoe onwaarschijnlijk het is, dat in zulk een ernstig oogenblik van scheiden de beide vrienden zulke platte aardigheden verkocht zouden hebben, behoeven wij wel niet uiteen te zetten.Eenige dagen later schreef Oranje een brief aan den koning, waarin hij dezen aankondigde, dat hij zijn ambt had nedergelegd en naar Duitschland vertrokken was. Hij gaf gehoor aan den raad van den landgraaf Philips van Hessen, die hem smeekte spoedig te komen, dewijl de hertog van Alba, dien hij kende, zeker booze plannen koesterde.Den 11enApril verliet Oranje Antwerpen, den 22envertrok hij naar Dillenburg en waarlijk, hij ging op het rechte tijdstip, want nauwelijks was hij in Duitschland aangekomen, of hij ontving van den door hem omgekochten geheimschrijver van Philips II het afschrift van een brief, dien de koning aan Alba geschreven had, en waarin hij dezen streng beval, den prins, zoodra hij zich van hem meester maken kon, gevangen te nemen en diens rechtsgeding binnen 24 uren ten einde te brengen.Oranje was niet de eenige, die het land verliet: ook Brederode achtte het geraden, zich naar Duitschland terug te trekken. Hier leefde hijnog een jaar; door onmatig gebruik van wijn wilde hij zijn leed verzachten; hierdoor ondermijnde hij zijne gezondheid zoo zeer, dat hij aan de gevolgen zijner buitensporigheden op het slot Hardenberg stierf.Zoo groot was in de Nederlanden de vrees voor nieuwe geloofsvervolgingen, dat alle inwoners, die maar eenigszins van ketterij verdacht werden, of die wisten, dat zij in de laatste troebelen betrokken waren geweest, poogden te ontvluchten. Wie maar eenigszins de middelen er toe bezat, verliet het land; bij geheele scharen trokken de landverhuizers over de grenzen. En waarlijk, de hervormden hadden gelijk, dat ze hun heil in de vlucht zochten, want de landvoogdes legde thans weder eene schrikverwekkende hardheid tegen de ketters aan den dag; zij liet hen naar hartelust ophangen en onthoofden. De met hare toestemming onlangs gebouwde kerken werden omvergehaald, van hare balken bediende men zich om galgen op te richten; de edele hertogin vond het zeer grappig, dat de ketters aan het hout hunner eigene kerken werden opgehangen.De goederen der vluchtelingen en der ter dood gebrachten werden verbeurd verklaard. Zij, wien het onmogelijk was te vluchten, trachtten de verdenking zoo goed het kon van zich af te weren. Velen, die vroeger tot de ijverigste protestanten behoord hadden, legden thans een schier dweepzieken ijver voor het katholicisme aan den dag; zij bezochten meermalen daags de kerk. Anderen bewezen hunne rechtzinnigheid door hunne vroegere vrienden en geloofsgenooten als ketters aan te klagen.Den 24stenMei vaardigde de landvoogdes een nieuw plakaat uit, welks strengheid niets te wenschen overliet: alle aanhangers van de kettersche leer werden daarin met den dood bedreigd. Ten gevolge van dit plakaat nam de landverhuizing in zulk eene mate toe, dat Margaretha het noodzakelijk achtte, een ieder het overschrijden van de grenzen te verbieden. Met den dood werd iedere voerman en elke schipper bedreigd, die het zou durven wagen een ketter in zijne vlucht behulpzaam te zijn.Zoo stonden de zaken in de Nederlanden, toen de hertog van Alba in aantocht was, om met nog grooter gestrengheid tegen het kettersche volk te werk te gaan, dewijl Margaretha van Parma naar Philips’ oordeel als landvoogdes op verre na niet krachtig genoeg geregeerd had.
Vierde Hoofdstuk.De Nederlanden. Aangroeiende macht der geuzen. Brederode te Antwerpen. Moderatie, moorderatie. Montigny en Bergen tot Philips II gezonden. De hagepreeken. Uitbreiding der hervorming. Oranje’s houding. Bijeenkomst der edelen te St. Truien. Oranje’s pogingen tot bemiddeling. Lodewijk van Nassau en zijne 12 apostelen voor de hertogin. De beeldstorm. Margaretha’s schrik en voorgenomen vlucht. Hare beloften. Hare trouwloosheid. Oordeel van Oranje. Brederode en Egmond over den beeldstorm. Halve beloften van Philips II. Zijne plannen. Reactie. Egmond’s wreedheid jegens de ketters. Gematigdheid van Oranje. Hoorne te Doornik. Ontbinding van het verbond. Woordbreuk der hertogin. Oranje en zijne vrienden te Dendermonde. Vervalschte brieven? Egmond als trouw dienaar des konings. De nieuwe eed. Oranje’s verzoek om ontslag.Belegering van Valenciennes. Brederode’s plannen. Het gevecht bij Austruweel. Oranje’s verstandige houding te Antwerpen. Noircarmes in Valenciennes. Oranje’s laatste samenkomst met Egmond. Vergeefsche waarschuwing. Oranje’s vertrek naar Duitschland. Brederode’s vlucht en dood. De laatste dagen van Margaretha’s regeering. Groot aantal uitgewekenen.De door den overmoedigen Brederode uitgevonden partijnaam vond een ongemeenen bijval. Weldra weergalmde door al de Nederlandsche gewesten de kreet: „Leven de geuzen!”. De jonge edellieden, die tot dus ver fluweelen, rijk met goud bestikte wambuizen gedragen hadden, kleedden zich nu in grijze kleederen van grof laken en droegen mantels van dezelfde kleur. Op straat verschenen zij met een hoed van gewoon vilt, de bedelzak en bedelnap waren hunne eenige sieradiën. Er werden penningen geslagen, die op de voorzijde het beeld van Philips II,op de keerzijde twee ineengeslagen handen vertoonden met de zinspreuk: „Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak toe.” Deze penningen bevestigden de edelen en de burgers aan hun hoed, gelijk eene kokarde, of zij droegen die als een ordeteeken om den hals.Terstond na het feestmaal verlieten de edelen de hoofdstad, om naar hunne woonplaatsen terug te keeren. Brederode reed aan het hoofd van een stoet adellijke ruiters de poort van Brussel uit. De tallooze toeschouwers begroetten hem met luide bijvalskreten. Door 43 edelen vergezeld kwam hij in Antwerpen aan, waar hij overnachtte.De groote geus—zoo werd hij reeds genoemd—was het voorwerp van de levendigste belangstelling der geheele bevolking. Zijn logement werd door 4 à 5000 burgers letterlijk belegerd. Toen hij voor het venster verscheen, met den bedelzak aan de zijde en den met wijn gevulden nap in de hand, ging er onder de menigte een donderend gejuich op. Hij verklaarde, dat hij bereid was om zich voor de rechten des volks in de bres te stellen en dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds tegen de plakaten en de inquisitie verzetten zou. Vervolgens dronk hij op de gezondheid des volks en verzocht hij allen die bereid waren om, evenals hij, de inquisitie te bestrijden, de handen op te steken.De goede Antwerpenaars schepten in dat ongewone tooneel groot behagen, zij staken als één man de handen op en terwijl Brederode zijn nap in één teug ledigde, kwam er geen eind aan de vreugdekreten.Verdere onlusten kwamen er uit dit tooneel niet voort; Brederode verliet Antwerpen weer, zonder dat het, gelijk de hertogin gevreesd had, tot ergerlijke voorvallen was gekomen. Ook de overige edellieden werden door het volk als zijne bevrijders van het Spaansche juk beschouwd en overal met eerbewijzen ontvangen. Inderdaad scheen het ook, dat het smeekschrift der edelen een krachtigen invloed had uitgeoefend: men hoorde, dat de plakaten gematigd, de inquisitie afgeschaft, de gewetensvrijheid gewaarborgd zouden worden. Toen dit gerucht zich meer en meer verbreidde, ging er door het geheele land een luide juichtoon op. Vele vluchtelingen en ballingen keerden naar de Nederlanden terug. Zij, die zich tot dusver uit vrees voor vervolging schuil gehouden hadden, staken stoutmoedig het hoofd op en vertoonden zich weer in het openbaar.Het bevel, door Margaretha Van Parma den inquisiteurs gegeven, om hunnen ijver te matigen, had de meest gewenschte uitwerking. Men hoopte, dat het den aanvang van een nieuwen en beteren tijd aankondigde, dat door vaste wetten aan het woelen der inquisitie paal en perk zou worden gesteld, want men had vernomen dat de landvoogdes in een geheimen raad, waarin zij de ridders van het gulden vlies had doen verschijnen, ernstig over zulk eene wet beraadslaagde.Deze wet kwam inderdaad tot stand: Viglius had haar in 53 artikelen samengevat. Dewijl zij eene matiging in het vervolgen der ketters te weeg brengen moest, werd zij de moderatie genoemd. Doch zij beantwoordde reeds niet langer aan de eischen der in den laatsten tijd sterk toegenomen beweging. Zij verbood het aanhangen van eenige andere godsdienst dan de Roomsch-katholieke; geene godsdienstoefening der protestanten, hetzij in ’t geheim of openbaar, werd veroorloofd, alle kettersche geschriften moesten, evenals vroeger, onderdrukt worden. Deze wet verdeelde de ketters in twee klassen: verleiders en verleiden, zij nam den schijn aan, alsof zij den verleiden genade wilde bewijzen; voor de verleiders bleef zij de doodstrafvaststellen, alleen zouden zij in plaats van op den brandstapel aan de galg sterven.Doch ook deze schijnbare zachtmoedigheid was niet oprecht gemeend; de bepalingen der wet waren zóó onduidelijk, dat bijna elke ketter als een verleider beschouwd kon worden. Bovendien waren er nog een groot aantal uitzonderingen; met den dood werd nog steeds een ieder bedreigd, die het waagde over godsdienstige vraagstukken te redetwisten, den bijbel uit te leggen, in zijn huis eene godsdienstige handeling toe te laten, kettersche predikers te verbergen, enz. Zulke misdadigers moesten ter dood gebracht worden, om het even of zij berouw aan den dag legden of niet. Volgens de moderatiewet kon elke ketter, evenals te voren, om het leven gebracht worden. Dat zulk eene wet niet in staat was om de bestaande gisting te doen ophouden, spreekt van zelf. Het vernuft des volks noemde haar dan ook veelbeteekenend moorderatie in plaats van moderatie.Met het uitvaardigen van de moderatie meende de landvoogdes hare belofte, dat zij de koninklijke plakaten met matiging ten uitvoer leggen zou, vervuld te hebben. Op grond van deze wet ontvingen de gezanten, die tot Philips II gezonden werden, dan ook hunne instructiën.Op nieuw had men Egmond met dit gezantschap willen belasten, maar hij had geweigerd, deze taak op zich te nemen. De baron van Montigny en de markgraaf van Bergen namen de taak op zich, de vertoogen van den staatsraad naar Spanje over te brengen.Montigny verliet Brussel den 29stenMei; hij reisde over Parijs. Hier werd hij tegen het voortzetten van zijne reis gewaarschuwd. Philips II—zoo verzekerde hem de Spaansche gezant—was zóó woedend op de Nederlanders, dat zelfs het leven der gezanten gevaar liep. Toch liet Montigny zich door deze waarschuwing niet van zijn stuk brengen; hij achtte het zijn plicht, de taak, die hij aanvaard had, te volvoeren. Kort daarna volgde hem ook de markgraaf van Bergen, die tot dusver door ziekte terug gehouden was. Beiden zouden hun vaderland niet wederzien. Zij vermoedden niet, dat, terwijl zij op weg waren om van Philips II de afschaffing der inquisitie en verzachting van de plakaten te verwerven, tusschen den koning en de hertogin eene geheime briefwisseling gevoerd werd, waarin de eerste der hertogin beval, zoowel de inquisitie als de plakaten zoo spoedig mogelijk weer in volle gestrengheid in werking te doen treden.Voorshands kon Margaretha het ontvangen bevel niet opvolgen, daar de hervorming eensklaps in de Nederlanden eene ongedachte vlucht genomen had. Het volk trotseerde de inquisitie en de plakaten; een groot aantal stoutmoedige predikers waagde het, hoewel door de landvoogdes een prijs op hun hoofd gesteld was, openlijk de leer van Luther en Calvijn te verkondigen. Niet langer in de beperkte ruimte van een gesloten huis, niet langer voor eene vergadering van trouwe geloofsgenooten, neen, in groote volksvergaderingen, die onder den blooten hemel gehouden werden en waartoe duizenden samenstroomden, traden die predikers op.Eene wacht omringde den geïmproviseerden kansel, die nu eens uit een wagen, dan weer uit eene verhevenheid van aarde of zoden bestond; de overige gewapenden plaatsten zich in een wijden kring rondom de vrouwen en kinderen, opdat deze tegen een mogelijken overval beveiligd zouden zijn.Zulke volksvergaderingen, hagepreeken genoemd, dewijl ze liefst achterheggen of struiken, gehouden werden, hadden overal in de Nederlanden plaats. In Holland werd de eerste te Overveen, in de nabijheid van Haarlem, gehouden; een voormalig monnik, Peter Gabriël, predikte hier voor vele duizenden toehoorders, die van heinde en ver waren samengestroomd, om zijn woord te hooren.In het midden van het jaar 1566 hadden dergelijke bijeenkomsten in de nabijheid van alle aanzienlijke steden plaats. Bij Antwerpen, waar zij nu en dan uit 10.000 menschen bestonden, vormde zich als ’t ware eene vaste legerplaats; hetzelfde geschiedde ook in andere streken.Het aantal der ketters groeide met eene ongeloofelijke snelheid aan. De rijkste en aanzienlijkste mannen schroomden thans niet meer, dien tot dusver verafschuwden naam te dragen. De meeste protestanten helden tot de leer van Calvijn over, die ook om hare staatkundige strekking in de Nederlanden den grootsten bijval vond en des te eerder verbreid werd, omdat de meeste kettersche predikers uit Frankrijk kwamen. Behalve de Calvinisten trof men er echter ook vele Lutherschen en Wederdoopers aan.De aanzienlijke Nederlandsche heeren verkeerden tegenover deze steeds verder rondom zich grijpende godsdienstige beweging in eene uiterst moeilijke houding: zij konden zich evenmin daarbij aansluiten als haar tegenwerken. De meeste stadhouders, ridders van het Gulden Vlies en hoogere staatsbeambten waren en bleven goede katholieken. Zij zagen de uitbreiding der hervorming met leede oogen aan, doch zij waren niet in staat om er iets tegen te doen.In den moeilijksten toestand verkeerde de prins van Oranje. Door zijne spionnen te Madrid was hij onderricht, dat de landvoogdes hem bij Philips II den raddraaier der geheele beweging genoemd had, ja dat in geheime brieven de verdenking te zijnen aanzien werd uitgesproken, dat hij en zijne vrienden zich van het gezag over de Nederlanden wilden meester maken. Hij zag zich dus gewantrouwd door Margaretha, die in haren omgang met hem de grootste vriendschap voor hem huichelde.Reeds toen was het hem ongetwijfeld klaar als de dag, dat een volkomen breuk met den koning onvermijdelijk moest heeten; hij moest er daarom op bedacht zijn, zich bondgenooten te verwerven. Waar zou hij die eerder vinden dan onder de protestantsche vorsten van Duitschland?Dewijl de Duitsche vorsten echter het Calvinisme haatten, helde Oranje natuurlijk meer tot het Lutheranisme over. Hij verborg zijn afkeer van de Calvinisten en van de Wederdoopers niet.Tengevolge van de hagepreeken nam de gisting in het land met elken dag toe. Eensklaps verbreidde zich het gerucht, dat de hertogin troepen bijeengetrokken had, om daarmede de hervormden, wanneer zij in het open veld ter godsdienstoefening bijeen waren, te overvallen. Terstond groeide het getal van hen, die aan deze bijeenkomsten deelnamen, nog aan. Niemand verscheen daar langer ongewapend. Dikwijls kwamen daar 10–12.000, somtijds zelfs 25.000 menschen bijeen.Ook de adel zat intusschen niet stil. De geuzen hielden in Juli 1566 eene groote vergadering te St. Truien in het Luiksche. Den 13endier maand kwamen zij daar samen en zij bleven tot het begin van Augustus bijeen.Ongeveer 1500 edelen, allen door hunne schildknapen en gewapende manschappen vergezeld, hielden eene vergadering, die veel te talrijk voor geregelde beraadslagingen, maar volkomen geschikt was om kleine en groote feesten naar den smaak van Brederode te vieren.De edelen, die alle huizen en herbergen bezet hadden,—sommigen moesten zich zelfs op het open veld legeren—hielden woeste drinkgelagen. Eene menigte lediggangers sloot zich bij hen aan, zelfs landloopers en bedelaars mengden zich onder het aanzienlijk gezelschap en schreeuwden met hen: „Leven de Geuzen!”De indruk, door zulk eene vergadering te weeg gebracht, kon niet gunstig zijn. Ook de besluiten, die in beperkter kringen genomen, doch door allen goedgekeurd werden, waren niet geschikt om der hertogin vertrouwen op de verbondenen in te boezemen. Dezen toch verklaarden openlijk, dat zij geene vervolging ter zake der godsdienst meerdulddenen, zoo noodig, ter hunner bescherming Duitsche troepen, tot 1000 ruiters en 40 compagniën voetvolk aanwerven zouden.In het oog van de landvoogdes was de vergadering van St. Truien zóó onrustbarend, dat zij den prins van Oranje dringend om zijne tusschenkomst smeekte. Hij beloofde die en begaf zich naar de vergadering, die hem met luid gejuich ontving.Te Duffel, een dorp nabij Mechelen, had Oranje een onderhoud met de leiders der vergadering; hij trachtte hen neer te zetten en verzocht hen, zich ten minste zoolang van verdere stappen te onthouden, totdat de naar Spanje afgevaardigde gezanten uit Madrid bericht omtrent hun wedervaren zouden overgezonden hebben. Doch zijne woorden vonden geen ingang: de aanvoerders der geuzen beklaagden zich over de arglist der landvoogdes en over de moderatie, die niets dan een valstrik voor de protestanten was. Zij besloten, nog eens door Lodewijk van Nassau eene boodschap naar Brussel te zenden, om Margaretha van Parma ernstige vertoogen te doen.Dit geschiedde, Lodewijk van Nassau ontving met 12 edelen, die men schertsend zijne 12 apostelen noemde, gehoor bij de landvoogdes. De taal, door hem gevoerd, was reeds veel krachtiger en veel minder ootmoedig dan die van de onderteekenaars van het compromis. Wel hielden de geuzen nog altijd vast aan de verzekering van hunne trouw jegens den koning, wel verbonden zij zich om den vrede te bewaren en naar hun beste vermogen het volk tot kalmte te brengen, maar zij stelden daartoe voorwaarden, die niet gemakkelijk waren te vervullen. De hertogin moest hun—zoo luidde hun eisch—verzekeren, dat zij zich wegens het vroeger voorgevallene niet wreken zou, dat zij niets zonder den raad van Oranje, Egmond en Hoorne zou doen en dat zij eindelijk de Staten-Generaal bijeenroepen zou. Ja de afgezanten der geuzen gingen zoo ver, te verzekeren, dat zij buiten ’s lands hulp zouden zoeken, indien zij door geweld tot wettige zelfverdediging geroepen werden.De hertogin gaf op deze eischen een scherp antwoord, zij gevoelde zich daardoor zwaar beleedigd. Men kon het niet eens worden en Lodewijk van Nassau en zijne medeafgevaardigden ontvingen op eene alles behalve vriendelijke wijze hun afscheid.De vergadering te St. Truien ging uiteen, zonder iets anders dan verhooging van de spanning uitgewerkt te hebben. Deze gaf zich in die dagen in betreurenswaardige tooneelen van vandaalsche vernielzucht lucht.Evenals in Duitschland, ontaardde ook in de Nederlanden de haat der hervormden tegen het pausdom, helaas! in blinde woede tegen de oude heiligdommen, tegen de kerken en de kloosters.De dweepzieke ijveraars verkregen voor een korten tijd de overhandover de rustige, bezonnen belijders van het nieuwe geloof en zij trokken van hunne overmacht partij om een woesten beeldstorm aan te richten.Waar dit oproer, dat zich in het midden van Augustus over al de Nederlanden, met uitzondering van de provinciën Limburg, Luxemburg en Namen en van enkele steden, uitbreidde, eigenlijk ontstaan is, laat zich niet met zekerheid aanwijzen. De brand brak ter zelfder tijd en met dezelfde hevigheid op de meest verschillende plaatsen uit.Het was een allertreurigst schouwspel, dat zich voordeed! Kerken en kloosters werden verwoest, de altaren werden omvergehaald, zoowel 2000 kunstgewrochten van allerlei aard, en daaronder van onschatbare waarde, als een aantal kostbare boekverzamelingen werden vernietigd. Dit alles geschiedde in een tijdsverloop van 10 tot 12 dagen. Alleen in Vlaanderen werden 400 kerken verbrand of omvergehaald.Het onbeschaafde gemeen, de heffe des volks, was voor een korten tijd heer en meester in de Nederlanden en trok van zijne macht partij, om aan zijne vernielingswoede bot te vieren.Diep betreurenswaardig was voorzeker die beeldstorm, welke den vijanden van godsdienstige en staatkundige vrijheid rechtmatigen grond opleverde om hunne stem tegen zulk een vandalisme te verheffen. Doch zelfs te midden van deze treurige tooneelen doet zich een verkwikkend verschijnsel aan ons voor, dat krachtig getuigt voor het hooge standpunt van verstandelijke en zedelijke beschaving, waarop het Nederlandsche volk in die dagen stond.De heffe des volks had alle breidels afgeworpen, zij vernielde, om te vernielen, maar zij roofde en moordde niet. Zij gaf aan hare woede niet lucht in het dooden van hare vijanden; zij spaarde zelfs het leven der gehate inquisiteurs en van zulke priesters, die steeds het verbranden van de ketters als een godewelgevallig werk hadden aangeprezen.De goederen der kerken werden vernield, maar niet geroofd. Deze beeldstormers, die bijna zonder uitzondering tot de laagste klasse der maatschappij behoorden, die bijna allen aan het dagelijksch brood gebrek hadden, lieten toch de kostbaarste kleinodiën, het gouden en zilveren vaatwerk, de edelgesteenten, waarmee de kerksieraden prijkten, onaangeroerd op den grond liggen. Zij vernielden de schatten der kerk, zonder zich die toe te eigenen. Zij gaven lucht aan hun afkeer van hetgeen in hun oog doemwaardige afgoderij was, maar zij lieten zich niet door den lagen drijfveer der roofzucht besturen. Ja, indien een hunner het ongeluk had, zich door den aanblik van die gouden en zilveren voorwerpen tot diefstal te laten verleiden, dan oefenden zijne gezellen op staanden voet en zonder genade gericht over hem. In Vlaanderen werd een jongman ter dood gebracht, dewijl hij het gewaagd had, een voorwerp ter waarde van 5 francs te stelen. Te Valenciennes wilde de geestelijkheid den beeldstorm voor aanzienlijke sommen afkoopen, maar met verachting wezen de arme dweepers het goud van de hand.Alle waarheidlievende katholieke schrijvers van dien tijd stemmen in de vermelding van dit merkwaardig feit overeen.De eerste gevolgen van den beeldstorm waren schijnbaar gunstig voor de protestanten. De landvoogdes, door een hevigen schrik voor den opstand bevangen, verloor bijna het hoofd, en had men haar vroeger voor eene heldin gehouden, thans bleek het, dat zij niets dan eene zwakke, vreesachtige vrouw was.Den 22enAugustus, des nachts te 3 uur, ontbood zij Oranje, Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en andere leden van den staatsraad aan haar paleis; zij deelde hun mede, dat zij gereed stond om uit Brussel te vluchten, dat hare goederen reeds gepakt en de leden van haar hofgezin reisvaardig waren. Zij wilde naar Bergen gaan, om zich daar tegen het oproerige volk in veiligheid te stellen, dewijl men haar meegedeeld had, dat de protestanten van plan waren om Brussel te veroveren, alle daar woonachtige katholieken te vermoorden en de regeering omver te werpen.De prins van Oranje, Egmond en Hoorne smeekten de hertogin dringend, zulk een noodlottig plan te laten varen; zij hielden haar voor oogen, dat eerst door hare vlucht de woeste beweging, waaraan slechts een klein deel des volks medeplichtig was, tot een werkelijken opstand aangroeien zou. Zij zwoeren, de landvoogdes des noods ten koste van hun leven te zullen verdedigen, maar verzekerden haar tevens, dat zij voorshands niet het minste gevaar liep. Eindelijk gelukte het hun door die beden en redeneeringen Margaretha tot blijven te bewegen. Toch was ze niet gerust, en toen haar opnieuw werd bericht, dat het volk van plan was het paleis te bestormen, besloot zij aan den avond van dien dag toch te vluchten.Op nieuw gelukte het den graaf van Hoorne en den prins van Oranje haar van dit besluit te doen afzien; ja zij haalden haar over om een belangrijken stap te doen, ten einde het oproerige volk tot bedaren te brengen. Zij stond toe, dat voortaan de protestantsche eeredienst uitgeoefend mocht worden op alle plaatsen, waar dit reeds vóór den 25enAugustus geschied was en dat de hervormden volle vrijheid van belijdenis zouden genieten.Lodewijk van Nassau ontving eene schriftelijke oorkonde, een tolerantie-edict, waarin de hertogin verklaarde, dat de inquisitie afgeschaft was en dat de koning binnen kort een nieuw edict zou uitvaardigen, waarbij eene algemeene vergiffenis zou worden afgekondigd. Daarentegen onderteekende Lodewijk van Nassau met 15 andere geuzen een stuk, waarin de geuzen beloofden, zoolang hun verbond als opgelost te beschouwen en het koninklijk gezag uit alle macht te zullen steunen, als de hertogin hare beloften hield.De nieuwe beloften van Margaretha werden in alle steden des lands openbaar gemaakt. Alleen door vrees had de landvoogdes zich tot deze toegevendheid jegens den volkswensch laten overhalen; zij verklaarde dit zelve in een brief, dien zij terstond aan Philips II schreef; zij nam God tot getuige, dat zij daartegen zich zoolang mogelijk verzet had, en dat zij eerst, toen zij door het volk in haar paleis belegerd en schier eene gevangene was, toen zij, ziek naar lichaam en geest, niet meer wist wat zij doen moest, den geuzen vergiffenis en den ketters vrijheid van godsdienst toegestaan had; dat al deze beloften echter niet de minste waarde hadden, voordat ze door den koning bekrachtigd waren, dewijl zij slechts in haren eigenen, niet in des konings naam gehandeld had; dat Philips dus door niets gebonden was en dat zij van ganscher harte hoopte, dat Philips zich om het door haar gegeven woord niet bekommeren, maar in persoon naar de Nederlanden komen zou, om de beleedigingen, der heilige kerk door de ketters aangedaan, bloedig te wreken; slechts deze hoop—zoo eindigde zij—hield haar in het leven en behoedde haar voor vertwijfeling.In een volgenden brief bracht zij bittere klachten in tegen Oranje, Egmond en Hoorne, dezelfde mannen, die zij even te voren met blijkenvan vertrouwen overladen had. Zij verzekerde, dat Hoorne van plan was, alle priesters en monniken in het geheele land te laten vermoorden; dat Egmond openlijk de geuzen begunstigde en reeds in Duitschland troepen voor hen aanwierf; dat Oranje vast besloten had, zich tot heer van het geheele land te verheffen en de regeering omver te werpen.Eene gewetensvrijheid, die uitsluitend op de beloften van Margaretha berustte, beteekende waarlijk niet veel, en toch was zij het eenige nut, hetwelk de beeldstorm het Nederlandsche volk aanbracht. In weerwil hiervan waren de protestanten zoo verblind, dat zij zich overgelukkig gevoelden; zij hoopten, dat nu de inquisitie en met haar de geloofshaat en de geloofsvervolgingen voor goed afgeschaft waren. Zij zagen niet, dat reeds in de eerstvolgende dagen dreigende onweerswolken zich samenpakten.Al de aanzienlijke edelen, ook zij die tot dusver de protestantsche beweging ondersteund hadden, waren diep verontwaardigd over de schandelijke tooneelen, door de beeldstormers aangericht, en vele bezonnen aanhangers der hervorming waren het met hen eens. De prins van Oranje liet zich openlijk zeer ongunstig uit over de dweepzucht van een hoop ellendelingen, die het geheele schandaal hadden teweeg gebracht. Hij beklaagde de muiters en veroordeelde de raddraaiers. Zelfs de woeste Brederode noemde de beeldstormers waanzinnigen en den geheelen opstand onverantwoordelijk.Egmond legde onverholen zijn afkeer aan den dag van allen, die door hunne handelwijze de katholieke kerk zoo gruwelijk beleedigd hadden. Vele hoofden der geuzen waren van oordeel, dat zij met dergelijke lieden niet langer hand aan hand konden gaan; wellicht waren sommigen hunner reeds sinds lang het verbond moede en was de beeldstorm voor hen een welkom voorwendsel om zich van hen af te scheiden.Hetzelfde deden ook vele strenge katholieken, die zich van nu af op hunne landgoederen gedroegen als besliste tegenstanders van de hervormden, welke zij tot dusver beschermd hadden.Aan koning Philips II bood de beeldstorm eene gewenschte gelegenheid aan om strenger maatregelen tegen de ketters te nemen. Hij had de Nederlandsche gezanten, Montigny en Bergen, met gehuichelde vriendelijkheid ontvangen en hunne wenschen aangehoord, welke inhielden, dat de inquisitie afgeschaft, de koninklijke plakaten verzacht en volle vergiffenis voor alles wat tot dusver in de Nederlanden gebeurd was, verleend zou worden. Philips had in schijn deze eischen ingewilligd; zonder bepaalde beloften te doen, had hij toch op eene gedeeltelijke vervulling van de volkswenschen hoop gegeven en verklaard, dat hij zelf naar de Nederlanden dacht te gaan, om orde op de verwarde zaken aldaar te stellen. Aan Margaretha had hij geschreven, dat de verlangde amnestie onder zekere voorwaarden verleend kon worden en ook de afschaffing van de pauselijke inquisitie kon worden toegestaan, dewijl immers de bisschoppen thans in staat waren om in hunne bisdommen eene bisschoppelijke inquisitie in te voeren en met kracht door te zetten.Doch zelfs deze halve beloften was de koning niet van plan te houden; het sterkste bewijs hiervoor leverde hij door, terstond nadat hij den brief geschreven had, een notaris te ontbieden en in tegenwoordigheid van Alba en van twee andere vertrouwde getuigen te verklaren, dat zijne belofte van eene algemeene vergiffenis hem alleen door de troebelen in de Nederlanden afgeperst, maar niet vrijwillig, niet in volle vrijheid gedaan endaarom ook niet geldig was, en dat hij zich alzoo het recht voorbehield om alle schuldigen, wanneer het hem noodzakelijk scheen, te straffen.Tegelijk spoorde Philips de landvoogdes aan om den Nederlanders de schoonste uitzichten voor te spiegelen en zelfs de hoop op de bijeenroeping van de Staten-Generaal bij hen op te wekken, hoewel hij vast besloten had, dit nooit te doen.Was de koning reeds heftig vertoornd over de uitbreiding van de ketterij in de provinciën, hij geraakte in de grootste woede, toen hij het bericht van den beeldstorm ontving; „Dat zalhenduur te staan komen,” riep hij, zich den baard uitrukkend, „ik zweer het bij de ziel mijns vaders!” Van dezen oogenblik af legde hij zich met den grootsten ijver toe op het nemen van maatregelen tot de vreeselijke wraak, welke hij oefenen wilde.In de Nederlanden waren de omstandigheden intusschen grootelijks veranderd; de blijdschap over de inwilligingen der landvoogdes duurde niet lang; de protestanten moesten weldra leeren inzien, dat de beeldstormhenveel meer schade dan voordeel had aangebracht. Op Egmond, den beroemden veldheer, hadden zij gerekend; wanneer hij zich aan hun hoofd plaatste, was geene macht ter wereld meer in staat om de protestantsche beweging te onderdrukken. Alleen in Vlaanderen toch telde men niet minder dan 6000 gewapende mannen, die bereid waren om voor de godsdienstvrijheid in de bres te springen; slechts aanvoerders ontbraken hun. Wanneer Egmond hun hoofd werd, vormden zij een leger, waarmee de beroemde veldheer in staat zou geweest zijn om het land tegen elken aanval van Spaansche troepen te verdedigen.De verwachtingen, welke de hervormden op den lieveling des volks, den graaf van Egmond, gebouwd hadden, werden jammerlijk teleurgesteld. Egmond verscheen in Vlaanderen, niet als de aanvoerder der protestanten, maar als hun verbitterde vijand, als de ijverigste aanhanger der regeering, die zelfs, buiten de bevelen der hertogin om, allen strafte, op wie slechts de minste verdenking van medeplichtigheid aan den beeldstorm rustte.Hij gaf terstond bevelen om een groot aantal beeldstormers en zelfs vele andere ketters ter dood te brengen.De Vlaamsche protestanten sidderden voor den toorn van den machtigen man. Wel waren zij sterk genoeg om tegen hem op te staan, want de troepen, die hij ter zijner beschikking had, waren niet talrijk, maar tegen den overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen durfde niemand een vinger verroeren.Met vreeselijke strengheid zette hij de vervolging van de ketters voort. Een niet gering aantal meer of minder schuldigen, zelfs louter verdachten, werd zonder genade opgehangen. Te vergeefs spoorde Oranje zijn vriend tot zachtmoedigheid aan, te vergeefs voegde Lodewijk van Nassau zijne beden bij de wenken zijns broeders, Egmond luisterde niet. Hij was eensklaps zulk een ijverig aanhanger van de landvoogdes en van de katholieke kerk geworden, dat hij niet eens de door Margaretha den hervormden verleende voorrechten eerbiedigde, maar den protestantschen eeredienst ook daar verbood, waar hij reeds vóór den 25enAugustus ingevoerd en dus geoorloofd was.Geheel anders was de houding van den prins van Oranje, dien de landvoogdes naar Antwerpen gezonden had, om daar de rust te herstellen. Wel liet hij toe, dat de stedelijke overheid een aantal beeldstormersvoor het gericht daagde en ter dood deed brengen, doch in persoon nam hij aan de vervolgingen geen deel. De voorrechten, den protestanten door de hertogin toegestaan, eerbiedigde hij stipt, hij liethendrie kerken in Antwerpen inruimen en wist het door zijne wijze gematigdheid weldra zóó ver te brengen, dat de rust in de machtige handelsstad terugkeerde.De graaf van Hoorne, die naar Doornik gezonden was, behandelde de protestanten volstrekt niet zoo zacht als Oranje: hij liet de raddraaiers van den beeldstorm vatten en ter dood brengen. Ook stond hij binnen de stad zelve geene kettersche godsdienstoefeningen toe; alleen vergunde hij den hervormden, buiten de muren kerken voor hunne godsdienstige bijeenkomsten te bouwen. Hoewel hij hierdoor de bepalingen van het edict van tolerantie nog niet eens vervulde,—ook te Doornik hadden vóór den 25enAugustus protestantsche godsdienstoefeningen plaats gehad—werd zijne houding door de landvoogdes toch scherp berispt en hij zelf als een begunstiger der ketterij beschouwd.Margaretha van Parma had zich spoedig hersteld van den schrik, haar door den beeldstorm ingeboezemd; zij zag de drie mannen, die zij voor hare meest geduchte tegenstanders hield, Oranje, Egmond en Hoorne, volgens zeer verschillende beginselen handelen.Zoolang deze drie eensgezind waren, schenen zij haar gevaarlijk; maar thans, nu Egmond geheel weder de zijde der regeering gekozen had, waren zij volstrekt niet meer te vreezen. Het verbond der geuzen was uiteengespat, zijne katholieke leden waren daarvan afgevallen en zelfs gedeeltelijk ijverige vervolgers van de ketters geworden. Deze konden, in weerwil van hun groot aantal, ter nauwernood aan verzet tegen de regeering denken, zoolang hethenaan geschikte, invloedrijke aanvoerders ontbrak.Zoodra Margaretha zich weer eenigszins op haar gemak voelde, schroomde zij niet, haar in tijd van nood gegeven woord te verbreken. Alle beschikbare middelen wendde zij aan om vreemde troepen aan te werven, ten einde daarmee, zoo noodig, de wederspannige protestanten te onderdrukken. Egmond was haar hierin behulpzaam en de stadhouder van Henegouwen, de heer van Noircarmes, leende zich gaarne tot het verdelgen van de ketters.Aan het edict van tolerantie gaf Margaretha thans eene willekeurige uitlegging door te beweren, dat zij wel de vrijheid tot prediken, maar niet het verlof tot het uitoefenen van eeredienst en tot het houden van twistreden over de godsdienst verleend had. Hierdoor opende zij voor de geloofsvervolging op nieuw een onafzienbaar veld.De prins van Oranje, die tot dusver nog altijd had gehoopt, in vereeniging met Egmond, Hoorne en andere aanzienlijke Nederlandsche edelen, de regentes tot vervulling van hare beloften te zullen bewegen, ontving tegen het einde van het jaar 1566 berichten, welke hem het bewijs leverden, dat Philips II en de landvoogdes vastelijk besloten hadden, hem en zijne vrienden ten val te brengen.De prins gevoelde volstrekt geene roeping om zich weerloos aan de wraak van den vertoornden koning bloot te stellen; gelukte het hem, Egmond en Hoorne over te halen om met hem de handen ineen te slaan, dan kon hij de landvoogdes dwingen om de Staten-Generaal bijeen te roepen. Zelfs den mogelijken inval van een Spaansch leger had hij dan niet te duchten, want de Nederlanders waren, wanneer zij slechts eendrachtig bleven, sterk genoeg om elken aanval der Spanjaarden het hoofd te bieden.In eene bijeenkomst, welke Oranje met Egmond, Hoorne, Hoogstraetenen zijn broeder Lodewijk van Nassau te Dendermonde in Vlaanderen hield, legde hij de afschriften van twee brieven over, welke de Spaansche gezant te Parijs, don Francis d’Alava, aan Margaretha van Parma geschreven had. Waren deze brieven echt, dan leverden zij het bewijs, dat Philips II een schandelijk verraderlijk spel speelde met mannen, die hem tot dusver trouw gediend hadden.De gezant verklaarde daarin, dat de koning reeds sinds lang wist, hoe vijandig Oranje, Egmond en Hoorne jegens hem gezind waren, doch dat hij de landvoogdes aanbeval, in haren omgang met hen de grootste hartelijkheid aan den dag te leggen, dewijl Zijne Majesteit van voornemen was, zich zoo lang mogelijk van de genoemde mannen te bedienen, doch hen dan te straffen, en dat het de plicht der landvoogdes was, den koning in de uitvoering van zijn plan behulpzaam te zijn. De troebelen in de Nederlanden—ging de gezant voort—zouden nooit plaats gehad hebben, zonder de geheime deelneming der verbondene heeren; deze moesten zoo spoedig mogelijk gestraft worden, doch vooraf mocht de hertogin hen op geenerlei wijze doen bemerken, welk een gevaar hen bedreigde; integendeel, zij moest hen in den waan brengen, dat Zijne Majesteit die verraders voor Hare trouwste dienaars hield. Wanneer Oranje, Egmond en Hoorne in dit geloof voortleefden, zouden zij in den dienst des konings, zoolang men hen gebruikte, nuttig kunnen zijn. Der hertogin werd dus gelast, dezelfde houding jegens dit drietal aan te nemen, als de koning jegens de Nederlandsche gezanten, Bergen en Montigny, aangenomen had, wien hij de meeste voorkomendheid bewees, doch die hij onophoudelijk liet bewaken en die hij zeker niet levend uit Spanje zou laten ontsnappen.Dit was ongeveer de inhoud der brieven, welker afschrift Oranje zijnen vrienden overlegde. Maar waren zij inderdaad echt? Had don Francis d’Alava ze werkelijk geschreven?Vele nieuwere geschiedschrijvers en onder hen ook de verdienstelijke Motley beantwoorden die vragen ontkennend, terwijl de Hollandsche schrijvers uit die dagen omtrent die echtheid niet den minsten twijfel koesteren. Zeker is het, dat de mededeelingen, in dien brief vervat, volkomen overeenstemmen met het karakter van Philips II en dat zij alle reeds na korten tijd door de uitkomst bevestigd werden. Doch, al is dat zoo, aan den anderen kant ontbreekt het niet aan duchtige redenen, die ons nopen om de brieven voor ondergeschoven te houden. Dat Margaretha van Parma later tegenover Egmond de echtheid dier brieven loochende, zou ons slechts te eer aan die echtheid doen gelooven. Maar zij herhaalde diezelfde ontkenning ook in hare geheime briefwisseling met Philips II, in eene briefwisseling, waarin zij anders gewoonlijk der waarheid getrouw placht te zijn, en deze omstandigheid noodzaakt ons dus om de brieven als ondergeschoven te beschouwen, tenzij Margaretha er om de eene of andere reden belang bij heeft gehad, die briefwisseling met den spaanschen gezant voor den koning te verbergen.Waren de brieven werkelijk ondergeschoven, wie had dit dan gedaan? Het vermoeden, dat Oranje zich aan die vervalsching schuldig had gemaakt, om Egmond zoowel tot verzet tegen Philips en de landvoogdes als tot eene vaste verbintenis met hemzelven over te halen, ligt in dat geval voor de hand en wordt niet wederlegd door de overdreven loftuigingen, waarmede Motley het karakter van zijn held overlaadt.Geen vorst schroomde in die dagen, tot bereiking van een staatkundigdoel, middelen aan te wenden, die met de eischen der zedelijkheid niet altijd waren overeen te brengen. Ook Willem van Oranje was een kind van zijnen tijd; hoewel hij dien tijd in vele opzichten verre vooruit was, hoewel zijn zedelijk karakter in later dagen zich zeer gelukkig heeft ontwikkeld, mogen wij hem niet tot een halven heilige maken. Ook waar zijne gebreken erkend worden, blijven er in hem genoeg voortreflijke hoedanigheid over om ons den diepsten eerbied voor zijne beginselen en geestkracht af dwingen. Maar achtte hij het niet beneden zich, de dienaars van Philips om te koopen, ten einde des konings geheimen uit te vorschen, dan laat het zich ternauwernood denken, dat hij te nauwgezet geweest zou zijn om, wanneer hij het noodig achtte, van een ondergeschoven brief gebruik te maken, te meer, wanneer die brief den bestaanden toestand volkomen juist in het licht stelde en dus, wat den inhoud betrof, geene enkele onwaarheid behelsde. Zulk een kunstgreep is zeker nooit te rechtvaardigen, maar in den gevaarlijken toestand, waarin Oranje zich bevond, wellicht des te eerder te verontschuldigen, én dewijl daarin niets voorkwam wat niet, getuige de uitkomst, met de waarheid overeenkwam én dewijl de denkbeelden omtrent de voorschriften der zedelijkheid in die dagen geheel anders en veel minder zuiver waren dan tegenwoordig.Reeds in de bijeenkomst te Dendermonde rees er twijfel ten aanzien van de echtheid der brieven. Egmond sloeg daaraan geen geloof: hij had juist in den laatsten tijd den koning en der landvoogdes belangrijke diensten bewezen, hij was door de laatste met verzekeringen van dankbaarheid, hoogachting en vriendschap overladen; hij had zelfs van Philips meer dan één zeer vleiend en vriendelijk schrijven ontvangen. Daarom kwam het hem volslagen onmogelijk voor, dat ook hij moest vallen als het slachtoffer eener koninklijke wraak, die hij—naar zijne meening—volstrekt niet verdiend had.Hij weigerde Oranje’s plannen goed te keuren. De aansporing van den vurigen Lodewijk van Nassau om terstond de wapenen op te vatten, beantwoordde hij met eene koele weigering, hij wilde niet deelnemen aan eenige onderneming, die tegen de hertogin of den koning gericht was. Ook Hoorne sloot zich bij hem aan en zoo leverde het onderhoud te Dendermonde niet de minste vruchten op.Egmond nam de brieven mede en hij was volkomen tevreden gesteld, toen de hertogin ze op den toon der diepste verontwaardiging voor onecht verklaarde. Van dit tijdstip af verdubbelde hij zijn ijver in des konings dienst en in de vervolging van de ketters, die maar in eenig opzicht de bevelen der hertogin overtraden.Hoorne was niet zóó lichtgeloovig, hij gevoelde zich beleedigd, wijl Margaretha de door hem te Doornik uitgevaardigde hervormingen herriep en door den heer van Noircarmes de stad bezetten en den hervormden eeredienst verbieden liet. Hij wilde niets tegen de landvoogdes ondernemen, maar trok zich wrevelig uit den staatsdienst op zijne landgoederen terug.Oranje stond na het onderhoud te Dendermonde geheel alleen, hij kon thans alleen nog op Brederode en eenige andere dweepzieke geuzen rekenen, maar niet meer op den geheelen verbonden adel, dewijl het verbond uiteengespat was en zelfs vele zijner voormalige leden thans zijne verbitterde tegenstanders waren geworden. Ook op den bijstand der protestantsche vorsten van Duitschland hoopte hij niet. Hij wist dat deze, schoon hun belang zou hebben medegebracht de Nederlanders te ondersteunen,als ijverige Lutheranen, geene hulp zouden verleenen aan hervormden, die grootendeels tot de aanhangers van Calvijn behoorden.Waarschijnlijk was het hem niet onaangenaam, dat Margaretha, zoodra zij hare macht voelde aangroeien, op nieuw tot beslissende en gestrenge maatregelen overging. Van al de beloften, in het edict van tolerantie gedaan, vervulde zij geene enkele; zij vermeerderde het aantal der vreemde huurtroepen en, ten einde ook in al de staatsbeambten een geheel aan haren wil onderworpen legermacht te bezitten, vorderde zij van hen—van den hoogste tot den laagste—een nieuwen eed, waarbij zij zich verbonden om de bevelen der regeering ten allen tijde, overal en tegenover een ieder, wie het ook wezen mocht, zonder eenige uitzondering of voorwaarde uit te voeren.Vele beambten, die vroeger tot de geuzen behoord hadden, gehoorzaamden volvaardig; het eerst van allen de graaf van Mansfeld, die thans bij de hertogin reeds in blakende gunst stond. Ook Egmond legde den eed af, hoewel eerst na eenig beraad. Oranje daarentegen weigerde dien. Hij verklaarde, dat hij zich niet verbinden kon om zonder eenig nadenken een bevel op te volgen, dat wellicht even nadeelig kon zijn voor de kroon als voor het land of voor zijne eigene eer. Dewijl hij op grond hiervan de hertogin niet gehoorzamen kon, verzocht hij haar, hem van zijne ambten te ontslaan.De koning nam dit verzoek om ontslag niet aan, Oranje moest dus nog in dienst blijven, maar hij had vast besloten dien zoo spoedig mogelijk te verlaten en zich naar Duitschland terug te trekken.Margaretha van Parma had, dank zij de ontevredenheid der katholieken en zelfs van alle gematigde protestanten over den beeldstorm, binnen ongeloofelijk korten tijd zoo veel macht herwonnen, dat zij het edict van tolerantie geheel vernietigen en de geloofsvervolging hervatten konde. Doch geheel zonder weerstand te ontmoeten, was dit haar toch niet gelukt.Op verscheidene plaatsen grepen de protestanten naar de wapenen. Vele steden weigerden bezettingen in te nemen of de ingevoerden evangelische godsdienst weer af te schaffen. De meeste zwichtten, zonder het tot een opstand te laten komen, maar te Valenciennes sloten de burgers de poorten, zich beroepende op hunne oude rechten en op het edict van tolerantie.De heer van Noircarmes werd uitgekozen om de weerspannigen te tuchtigen. Met eene aanzienlijke krijgsmacht trok hij tegen de stad op. De burgers verdedigden zich dapper; zij hoopten op ontzet; ook nadat twee samengeraapte benden protestanten door Noircarmes zonder moeite overwonnen en uit elkander gejaagd waren, bleven zij toch nog gelooven, dat van eene andere zijde hulp zou komen opdagen. Zij wisten immers, dat Brederode ijverig bezig was met het aanwerven van troepen, waarmede hij hun ter hulp komen zou.Brederode had nog eens gepoogd, door middel van een smeekschrift op de hertogin te werken. Hij had om vrijgeleide naar Brussel gevraagd, ten einde het verzoekschrift te kunnen overhandigen, doch zijn verzoek was met verachting van de hand gewezen. De landvoogdes had hem zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat alle in Augustus door haar verleende voorrechten ingetrokken waren, en had van hem geëischt dat hij zich onvoorwaardelijk aan de wet en aan de koninklijke macht zou onderwerpen.Thans achtte Brederode den tijd gekomen om naar de wapenen tegrijpen. Gedurende de geheele maand Februari hield hij zich te Antwerpen op, hier wierf hij heimelijk troepen aan. Hij was van plan in de eerste plaats te beproeven, zich door een handgreep van het eiland Walcheren meester te maken;gelukte het hem, zulke belangrijke steden als Vlissingen en Middelburg te bemachtigen, dan twijfelde hij niet of het zou hem mogelijk zijn, zelfs aan den inval van een Spaansch leger het hoofd te bieden.Vervolgens wilde hij Valenciennes ontzetten en tegen Brussel oprukken, om der hertogin de vredesvoorwaarden voor te schrijven. De prins van Oranje droeg kennis van Brederode’s plannen en had hij vroeger meermalen gepoogd den overmoedigen man tot gematigdheid te bewegen, thans liet hij hem zijn gang gaan, ja begunstigde hij zijne ontwerpen. Wellicht was het toch mogelijk, dat Brederode slaagde en dan bestond er altijd nog kans om Nederland te bewaren voor de jammeren, die het dreigden te overstelpen.Toen de hertogin den prins beval, aan Brederode’s drijven paal en perk te stellen, gebood hij wel dat de wervingen gestaakt moesten worden, doch hij liet toe dat Brederode uit Antwerpen vertrok, om elders zijne troepen te verzamelen.Te Brussel had de staatsraad intusschen ijverig beraadslaagd over de stappen, welke men doen moest tegen Brederode en de overige oproermakers, die naar de wapenen gegrepen hadden. Egmond had zelfs 700 à 800 Walsche veteranen bijeengebracht, die hij in Vlaanderen te zijner beschikking hield en hij verzekerde de landvoogdes, dat hij volkomen bereid was om met hen de opstandelingen te verpletteren.Margaretha dankte hem met vriendelijke woorden voor zijne trouwe gehechtheid, maar zij vertrouwde hem toch niet en wees zijn aanbod van de hand. Inderdaad scheen alle ernstige bezorgdheid ook bijna belachelijk, want de rebellen, die gepoogd hadden zich te scheep naar Vlissingen te begeven, waren in de eerste dagen van Maart daar afgeslagen. Zij hadden het plan om zich van het eiland Walcheren meester te maken, opgegeven en waren in de nabijheid van Antwerpen teruggekeerd, waar zij niet ver van de stad, bij een dorpje Austruweel (Oosterweel) eene versterkte legerplaats betrokken.Brederode bevond zich niet bij hen, zij werden aangevoerd door Marnix van Tholouse, den broeder van Aldegonde, een jong en vurig Calvinist, die echter geene ervaring van den oorlog had en geen ander recht op den veldheerstitel kon doen gelden dan zijn onversaagden moed. Zijne troepen bestonden uit een hoop samengeraapt gespuis.Te Austruweel groeide het aantal der rebellen intusschen onophoudelijk aan; dagelijks kwamen de ontevredenen uit den omtrek, om zich in Tholouse’s gelederen te laten inlijven. Spoedig had hij meer dan 3000 man onder zijne bevelen. De toestand werd voor de landvoogdes thans reeds onrustbarend, dewijl ook Brederode in Holland troepen aanwierf en beloofde, binnen kort met 6000 man tot ontzet van Valenciennes te zullen oprukken.Dewijl de landvoogdes niets liever wenschte dan de omwenteling in de kiem te smoren, nam zij het aanbod van den bevelhebber harer garde, Philips van Lannoy, heer van Beauvoir, aan, die zich verbond om onverwijld het rebellennest uit te roeien. Lannoy snelde met de helft zijner garde, waarbij Egmond buitendien nog 400 man Walsche veteranen voegde,in ’t geheel alzoo met ongeveer 800 man goed gewapende en voortreflijk geoefende troepen, naar Antwerpen. Hoewel de soldaten der hertogin veel kleiner in getal waren dan de protestanten, overtroffen zij deze toch verre in oefening en krijgstucht. Met onstuimig geweld tastten zij de verschansingen aan, waardoor Tholouse zijne legerplaats tegen elken aanval beveiligd achtte, en zij behaalden reeds bij den eersten aanloop eene beslissende zegepraal. Tholouse zelf, die met den grootsten heldenmoed vocht, sneuvelde, zijne manschappen verstrooiden zich, doch zij werden vervolgd en bijna tot den laatsten man toe neergehouwen.De uitslag van het gevecht bij Austruweel zou wellicht geheel anders zijn geweest, indien de hervormden in de naburige stad Antwerpen hunnen geloofsgenooten ter hulp waren gesneld; hiertoe echter besloten zij eerst, toen het te laat was, toen Tholouse’s ordelooze benden reeds uit elkaar gejaagd waren en thans door de hertogelijken met verbittering vervolgd werden.Het volk liep op de straten van Antwerpen te hoop; eene schaar van wel 10.000 hervormden wilde uittrekken om hunne geloofsgenooten te helpen.Oranje hoorde dit, hij voorzag, dat de Antwerpsche burgers even goed verslagen zouden worden als Tholouse’s manschappen, dewijl ze geene aanvoerders en zelfs geene wapenen hadden. Een treurig lot hing der rijke handelstad, die door Margaretha van Parma als een broeinest van ketters beschouwd werd, boven het hoofd, indien hare burgers aan den strijd deelnamen.Oranje besloot dit voor te komen; hij wierp zich den burgers, die juist op het punt stonden, naar het slagveld te trekken, in den weg. Hij, wien men lafhartigheid verweten heeft, waagde zich alleen onder de woedende menigte, die hem ontving met den kreet: „Weg met den papist, weg met den verrader!”Zijn leven werd bedreigd, hij sloeg er geen acht op: met kalme waardigheid trad hij der opgewonden menigte te gemoet. Hij drong haar om naar hem te luisteren en het gelukte hem inderdaad, haar van haar voornemen af te brengen, door haar te doen inzien, dat hare tusschenkomst niets meer baten en slechts aanleiding tot nutteloos bloedvergieten geven zou.Zoo wist Oranje de burgerij tot rust te brengen, gelijk hij ook een oproer, dat kort daarna uitbrak, door even krachtige als verstandige maatregelen zonder bloedvergieten onderdrukte.Na de overwinning van Lannoy moesten de burgers van Valenciennes alle hoop om hunne stad nog langer tegen de overmacht der hertogin te verdedigen, wel opgeven. Zij besloten eindelijk tot de overgave; Noircarmes beloofde hun, dat zoowel het leven als de bezittingen der burgerij gespaard zouden worden. Doch deze belofte was slechts gedaan, om verbroken te worden. Nauwelijks was Noircarmes de stad binnengedrongen, of hij liet de poorten sluiten, de rijkste inwoners gevangen nemen en de soldaten, die niet openlijk mochten plunderen, bij de burgers inkwartieren. Hier veroorloofde men hun, te rooven en te moorden, zonder dat zij voor hunne misdaden de geringste straf ontvingen.Noircarmes had, naar zijne meening, wel beloofd, dat hij de inwoners, maar niet, dat hij de misdadigers sparen zou, en misdadigers waren alle rijken. Een groot aantal van deze werd ter dood gebracht, hunne goederen werden verbeurd verklaard: Noircarmes zelf maakte zich tot hun erfgenaam.Dat buitendien eenige honderden Calvinisten verbrand of opgehangen werden, spreekt van zelf; ook zij waren immers allen misdadigers.Na den val van Valenciennes werd nergens meer tegenstand geboden; Margaretha was op nieuw meesteres in de Nederlanden. Zij regeerde waarlijk streng en wreed genoeg, doch in weerwil hiervan voer toch eene kille huivering door het geheele land, toen men hoorde, dat Alba door den koning uitverkoren was om met een leger de rust geheel te herstellen en allen te straffen, die het ooit gewaagd hadden, den koning ongehoorzaam te zijn.Thans begreep ook Oranje, dat het voor hem hoog tijd werd om op zijne eigene veiligheid bedacht te zijn; hij wilde Alba’s komst niet afwachten. Nog eens waarschuwde hij zijn vriend Egmond. Te Willebroek, tusschen Brussel en Antwerpen, had hij met dezen nog eene laatste bijeenkomst, die ook door Mansfeld bijgewoond werd. Hij trachtte Egmond over te halen om de Nederlanden te verlaten en veilig en rustig in Duitschland te gaan leven. Oranje wist namelijk, dat Egmond’s dood even goed door den koning besloten was als de zijne. Hij waarschuwde zijn ouden vriend ernstig.Maar deze antwoordde, dat die vrees een ijdele hersenschim was, dat de koning goed was en genadig en niets zou ondernemen tegen een man, die hem steeds trouw gediend had.„Waarlijk, Egmond,” hernam Oranje, „die goedheid des konings, welke gij zoo hoogelijk roemt, zal u in het verderf storten. Ik wenschte wel, dat ik mij bedroog, maar ik voorzie, dat gij de brug zijn zult, welke de Spanjaarden, zoodra zij er overgetrokken zijn om ons land te overstroomen, zullen afbreken.”Egmond sloeg deze waarschuwende woorden in den wind, hij bleef bij zijn besluit om de Nederlanden niet te verlaten. Voor de laatste maal omarmde de prins hem; daarop scheidden zij, om elkaar nooit weder te zien.Door vele geschiedschrijvers wordt aan deze laatste samenkomst van den prins met Egmond eene anecdote vastgeknoopt, die echter alle geschiedkundige waarheid, alle waarschijnlijkheid zelfs mist. „Vaarwel, prins zonder hoed,” zou Egmond bij het afscheid hebben uitgeroepen: „Vaarwel, graaf zonder hoofd!” zou Oranje’s antwoord zijn geweest.Hoe onwaarschijnlijk het is, dat in zulk een ernstig oogenblik van scheiden de beide vrienden zulke platte aardigheden verkocht zouden hebben, behoeven wij wel niet uiteen te zetten.Eenige dagen later schreef Oranje een brief aan den koning, waarin hij dezen aankondigde, dat hij zijn ambt had nedergelegd en naar Duitschland vertrokken was. Hij gaf gehoor aan den raad van den landgraaf Philips van Hessen, die hem smeekte spoedig te komen, dewijl de hertog van Alba, dien hij kende, zeker booze plannen koesterde.Den 11enApril verliet Oranje Antwerpen, den 22envertrok hij naar Dillenburg en waarlijk, hij ging op het rechte tijdstip, want nauwelijks was hij in Duitschland aangekomen, of hij ontving van den door hem omgekochten geheimschrijver van Philips II het afschrift van een brief, dien de koning aan Alba geschreven had, en waarin hij dezen streng beval, den prins, zoodra hij zich van hem meester maken kon, gevangen te nemen en diens rechtsgeding binnen 24 uren ten einde te brengen.Oranje was niet de eenige, die het land verliet: ook Brederode achtte het geraden, zich naar Duitschland terug te trekken. Hier leefde hijnog een jaar; door onmatig gebruik van wijn wilde hij zijn leed verzachten; hierdoor ondermijnde hij zijne gezondheid zoo zeer, dat hij aan de gevolgen zijner buitensporigheden op het slot Hardenberg stierf.Zoo groot was in de Nederlanden de vrees voor nieuwe geloofsvervolgingen, dat alle inwoners, die maar eenigszins van ketterij verdacht werden, of die wisten, dat zij in de laatste troebelen betrokken waren geweest, poogden te ontvluchten. Wie maar eenigszins de middelen er toe bezat, verliet het land; bij geheele scharen trokken de landverhuizers over de grenzen. En waarlijk, de hervormden hadden gelijk, dat ze hun heil in de vlucht zochten, want de landvoogdes legde thans weder eene schrikverwekkende hardheid tegen de ketters aan den dag; zij liet hen naar hartelust ophangen en onthoofden. De met hare toestemming onlangs gebouwde kerken werden omvergehaald, van hare balken bediende men zich om galgen op te richten; de edele hertogin vond het zeer grappig, dat de ketters aan het hout hunner eigene kerken werden opgehangen.De goederen der vluchtelingen en der ter dood gebrachten werden verbeurd verklaard. Zij, wien het onmogelijk was te vluchten, trachtten de verdenking zoo goed het kon van zich af te weren. Velen, die vroeger tot de ijverigste protestanten behoord hadden, legden thans een schier dweepzieken ijver voor het katholicisme aan den dag; zij bezochten meermalen daags de kerk. Anderen bewezen hunne rechtzinnigheid door hunne vroegere vrienden en geloofsgenooten als ketters aan te klagen.Den 24stenMei vaardigde de landvoogdes een nieuw plakaat uit, welks strengheid niets te wenschen overliet: alle aanhangers van de kettersche leer werden daarin met den dood bedreigd. Ten gevolge van dit plakaat nam de landverhuizing in zulk eene mate toe, dat Margaretha het noodzakelijk achtte, een ieder het overschrijden van de grenzen te verbieden. Met den dood werd iedere voerman en elke schipper bedreigd, die het zou durven wagen een ketter in zijne vlucht behulpzaam te zijn.Zoo stonden de zaken in de Nederlanden, toen de hertog van Alba in aantocht was, om met nog grooter gestrengheid tegen het kettersche volk te werk te gaan, dewijl Margaretha van Parma naar Philips’ oordeel als landvoogdes op verre na niet krachtig genoeg geregeerd had.
De Nederlanden. Aangroeiende macht der geuzen. Brederode te Antwerpen. Moderatie, moorderatie. Montigny en Bergen tot Philips II gezonden. De hagepreeken. Uitbreiding der hervorming. Oranje’s houding. Bijeenkomst der edelen te St. Truien. Oranje’s pogingen tot bemiddeling. Lodewijk van Nassau en zijne 12 apostelen voor de hertogin. De beeldstorm. Margaretha’s schrik en voorgenomen vlucht. Hare beloften. Hare trouwloosheid. Oordeel van Oranje. Brederode en Egmond over den beeldstorm. Halve beloften van Philips II. Zijne plannen. Reactie. Egmond’s wreedheid jegens de ketters. Gematigdheid van Oranje. Hoorne te Doornik. Ontbinding van het verbond. Woordbreuk der hertogin. Oranje en zijne vrienden te Dendermonde. Vervalschte brieven? Egmond als trouw dienaar des konings. De nieuwe eed. Oranje’s verzoek om ontslag.Belegering van Valenciennes. Brederode’s plannen. Het gevecht bij Austruweel. Oranje’s verstandige houding te Antwerpen. Noircarmes in Valenciennes. Oranje’s laatste samenkomst met Egmond. Vergeefsche waarschuwing. Oranje’s vertrek naar Duitschland. Brederode’s vlucht en dood. De laatste dagen van Margaretha’s regeering. Groot aantal uitgewekenen.
De Nederlanden. Aangroeiende macht der geuzen. Brederode te Antwerpen. Moderatie, moorderatie. Montigny en Bergen tot Philips II gezonden. De hagepreeken. Uitbreiding der hervorming. Oranje’s houding. Bijeenkomst der edelen te St. Truien. Oranje’s pogingen tot bemiddeling. Lodewijk van Nassau en zijne 12 apostelen voor de hertogin. De beeldstorm. Margaretha’s schrik en voorgenomen vlucht. Hare beloften. Hare trouwloosheid. Oordeel van Oranje. Brederode en Egmond over den beeldstorm. Halve beloften van Philips II. Zijne plannen. Reactie. Egmond’s wreedheid jegens de ketters. Gematigdheid van Oranje. Hoorne te Doornik. Ontbinding van het verbond. Woordbreuk der hertogin. Oranje en zijne vrienden te Dendermonde. Vervalschte brieven? Egmond als trouw dienaar des konings. De nieuwe eed. Oranje’s verzoek om ontslag.Belegering van Valenciennes. Brederode’s plannen. Het gevecht bij Austruweel. Oranje’s verstandige houding te Antwerpen. Noircarmes in Valenciennes. Oranje’s laatste samenkomst met Egmond. Vergeefsche waarschuwing. Oranje’s vertrek naar Duitschland. Brederode’s vlucht en dood. De laatste dagen van Margaretha’s regeering. Groot aantal uitgewekenen.
De door den overmoedigen Brederode uitgevonden partijnaam vond een ongemeenen bijval. Weldra weergalmde door al de Nederlandsche gewesten de kreet: „Leven de geuzen!”. De jonge edellieden, die tot dus ver fluweelen, rijk met goud bestikte wambuizen gedragen hadden, kleedden zich nu in grijze kleederen van grof laken en droegen mantels van dezelfde kleur. Op straat verschenen zij met een hoed van gewoon vilt, de bedelzak en bedelnap waren hunne eenige sieradiën. Er werden penningen geslagen, die op de voorzijde het beeld van Philips II,op de keerzijde twee ineengeslagen handen vertoonden met de zinspreuk: „Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak toe.” Deze penningen bevestigden de edelen en de burgers aan hun hoed, gelijk eene kokarde, of zij droegen die als een ordeteeken om den hals.
Terstond na het feestmaal verlieten de edelen de hoofdstad, om naar hunne woonplaatsen terug te keeren. Brederode reed aan het hoofd van een stoet adellijke ruiters de poort van Brussel uit. De tallooze toeschouwers begroetten hem met luide bijvalskreten. Door 43 edelen vergezeld kwam hij in Antwerpen aan, waar hij overnachtte.
De groote geus—zoo werd hij reeds genoemd—was het voorwerp van de levendigste belangstelling der geheele bevolking. Zijn logement werd door 4 à 5000 burgers letterlijk belegerd. Toen hij voor het venster verscheen, met den bedelzak aan de zijde en den met wijn gevulden nap in de hand, ging er onder de menigte een donderend gejuich op. Hij verklaarde, dat hij bereid was om zich voor de rechten des volks in de bres te stellen en dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds tegen de plakaten en de inquisitie verzetten zou. Vervolgens dronk hij op de gezondheid des volks en verzocht hij allen die bereid waren om, evenals hij, de inquisitie te bestrijden, de handen op te steken.
De goede Antwerpenaars schepten in dat ongewone tooneel groot behagen, zij staken als één man de handen op en terwijl Brederode zijn nap in één teug ledigde, kwam er geen eind aan de vreugdekreten.
Verdere onlusten kwamen er uit dit tooneel niet voort; Brederode verliet Antwerpen weer, zonder dat het, gelijk de hertogin gevreesd had, tot ergerlijke voorvallen was gekomen. Ook de overige edellieden werden door het volk als zijne bevrijders van het Spaansche juk beschouwd en overal met eerbewijzen ontvangen. Inderdaad scheen het ook, dat het smeekschrift der edelen een krachtigen invloed had uitgeoefend: men hoorde, dat de plakaten gematigd, de inquisitie afgeschaft, de gewetensvrijheid gewaarborgd zouden worden. Toen dit gerucht zich meer en meer verbreidde, ging er door het geheele land een luide juichtoon op. Vele vluchtelingen en ballingen keerden naar de Nederlanden terug. Zij, die zich tot dusver uit vrees voor vervolging schuil gehouden hadden, staken stoutmoedig het hoofd op en vertoonden zich weer in het openbaar.
Het bevel, door Margaretha Van Parma den inquisiteurs gegeven, om hunnen ijver te matigen, had de meest gewenschte uitwerking. Men hoopte, dat het den aanvang van een nieuwen en beteren tijd aankondigde, dat door vaste wetten aan het woelen der inquisitie paal en perk zou worden gesteld, want men had vernomen dat de landvoogdes in een geheimen raad, waarin zij de ridders van het gulden vlies had doen verschijnen, ernstig over zulk eene wet beraadslaagde.
Deze wet kwam inderdaad tot stand: Viglius had haar in 53 artikelen samengevat. Dewijl zij eene matiging in het vervolgen der ketters te weeg brengen moest, werd zij de moderatie genoemd. Doch zij beantwoordde reeds niet langer aan de eischen der in den laatsten tijd sterk toegenomen beweging. Zij verbood het aanhangen van eenige andere godsdienst dan de Roomsch-katholieke; geene godsdienstoefening der protestanten, hetzij in ’t geheim of openbaar, werd veroorloofd, alle kettersche geschriften moesten, evenals vroeger, onderdrukt worden. Deze wet verdeelde de ketters in twee klassen: verleiders en verleiden, zij nam den schijn aan, alsof zij den verleiden genade wilde bewijzen; voor de verleiders bleef zij de doodstrafvaststellen, alleen zouden zij in plaats van op den brandstapel aan de galg sterven.
Doch ook deze schijnbare zachtmoedigheid was niet oprecht gemeend; de bepalingen der wet waren zóó onduidelijk, dat bijna elke ketter als een verleider beschouwd kon worden. Bovendien waren er nog een groot aantal uitzonderingen; met den dood werd nog steeds een ieder bedreigd, die het waagde over godsdienstige vraagstukken te redetwisten, den bijbel uit te leggen, in zijn huis eene godsdienstige handeling toe te laten, kettersche predikers te verbergen, enz. Zulke misdadigers moesten ter dood gebracht worden, om het even of zij berouw aan den dag legden of niet. Volgens de moderatiewet kon elke ketter, evenals te voren, om het leven gebracht worden. Dat zulk eene wet niet in staat was om de bestaande gisting te doen ophouden, spreekt van zelf. Het vernuft des volks noemde haar dan ook veelbeteekenend moorderatie in plaats van moderatie.
Met het uitvaardigen van de moderatie meende de landvoogdes hare belofte, dat zij de koninklijke plakaten met matiging ten uitvoer leggen zou, vervuld te hebben. Op grond van deze wet ontvingen de gezanten, die tot Philips II gezonden werden, dan ook hunne instructiën.
Op nieuw had men Egmond met dit gezantschap willen belasten, maar hij had geweigerd, deze taak op zich te nemen. De baron van Montigny en de markgraaf van Bergen namen de taak op zich, de vertoogen van den staatsraad naar Spanje over te brengen.
Montigny verliet Brussel den 29stenMei; hij reisde over Parijs. Hier werd hij tegen het voortzetten van zijne reis gewaarschuwd. Philips II—zoo verzekerde hem de Spaansche gezant—was zóó woedend op de Nederlanders, dat zelfs het leven der gezanten gevaar liep. Toch liet Montigny zich door deze waarschuwing niet van zijn stuk brengen; hij achtte het zijn plicht, de taak, die hij aanvaard had, te volvoeren. Kort daarna volgde hem ook de markgraaf van Bergen, die tot dusver door ziekte terug gehouden was. Beiden zouden hun vaderland niet wederzien. Zij vermoedden niet, dat, terwijl zij op weg waren om van Philips II de afschaffing der inquisitie en verzachting van de plakaten te verwerven, tusschen den koning en de hertogin eene geheime briefwisseling gevoerd werd, waarin de eerste der hertogin beval, zoowel de inquisitie als de plakaten zoo spoedig mogelijk weer in volle gestrengheid in werking te doen treden.
Voorshands kon Margaretha het ontvangen bevel niet opvolgen, daar de hervorming eensklaps in de Nederlanden eene ongedachte vlucht genomen had. Het volk trotseerde de inquisitie en de plakaten; een groot aantal stoutmoedige predikers waagde het, hoewel door de landvoogdes een prijs op hun hoofd gesteld was, openlijk de leer van Luther en Calvijn te verkondigen. Niet langer in de beperkte ruimte van een gesloten huis, niet langer voor eene vergadering van trouwe geloofsgenooten, neen, in groote volksvergaderingen, die onder den blooten hemel gehouden werden en waartoe duizenden samenstroomden, traden die predikers op.
Eene wacht omringde den geïmproviseerden kansel, die nu eens uit een wagen, dan weer uit eene verhevenheid van aarde of zoden bestond; de overige gewapenden plaatsten zich in een wijden kring rondom de vrouwen en kinderen, opdat deze tegen een mogelijken overval beveiligd zouden zijn.
Zulke volksvergaderingen, hagepreeken genoemd, dewijl ze liefst achterheggen of struiken, gehouden werden, hadden overal in de Nederlanden plaats. In Holland werd de eerste te Overveen, in de nabijheid van Haarlem, gehouden; een voormalig monnik, Peter Gabriël, predikte hier voor vele duizenden toehoorders, die van heinde en ver waren samengestroomd, om zijn woord te hooren.
In het midden van het jaar 1566 hadden dergelijke bijeenkomsten in de nabijheid van alle aanzienlijke steden plaats. Bij Antwerpen, waar zij nu en dan uit 10.000 menschen bestonden, vormde zich als ’t ware eene vaste legerplaats; hetzelfde geschiedde ook in andere streken.
Het aantal der ketters groeide met eene ongeloofelijke snelheid aan. De rijkste en aanzienlijkste mannen schroomden thans niet meer, dien tot dusver verafschuwden naam te dragen. De meeste protestanten helden tot de leer van Calvijn over, die ook om hare staatkundige strekking in de Nederlanden den grootsten bijval vond en des te eerder verbreid werd, omdat de meeste kettersche predikers uit Frankrijk kwamen. Behalve de Calvinisten trof men er echter ook vele Lutherschen en Wederdoopers aan.
De aanzienlijke Nederlandsche heeren verkeerden tegenover deze steeds verder rondom zich grijpende godsdienstige beweging in eene uiterst moeilijke houding: zij konden zich evenmin daarbij aansluiten als haar tegenwerken. De meeste stadhouders, ridders van het Gulden Vlies en hoogere staatsbeambten waren en bleven goede katholieken. Zij zagen de uitbreiding der hervorming met leede oogen aan, doch zij waren niet in staat om er iets tegen te doen.
In den moeilijksten toestand verkeerde de prins van Oranje. Door zijne spionnen te Madrid was hij onderricht, dat de landvoogdes hem bij Philips II den raddraaier der geheele beweging genoemd had, ja dat in geheime brieven de verdenking te zijnen aanzien werd uitgesproken, dat hij en zijne vrienden zich van het gezag over de Nederlanden wilden meester maken. Hij zag zich dus gewantrouwd door Margaretha, die in haren omgang met hem de grootste vriendschap voor hem huichelde.
Reeds toen was het hem ongetwijfeld klaar als de dag, dat een volkomen breuk met den koning onvermijdelijk moest heeten; hij moest er daarom op bedacht zijn, zich bondgenooten te verwerven. Waar zou hij die eerder vinden dan onder de protestantsche vorsten van Duitschland?
Dewijl de Duitsche vorsten echter het Calvinisme haatten, helde Oranje natuurlijk meer tot het Lutheranisme over. Hij verborg zijn afkeer van de Calvinisten en van de Wederdoopers niet.
Tengevolge van de hagepreeken nam de gisting in het land met elken dag toe. Eensklaps verbreidde zich het gerucht, dat de hertogin troepen bijeengetrokken had, om daarmede de hervormden, wanneer zij in het open veld ter godsdienstoefening bijeen waren, te overvallen. Terstond groeide het getal van hen, die aan deze bijeenkomsten deelnamen, nog aan. Niemand verscheen daar langer ongewapend. Dikwijls kwamen daar 10–12.000, somtijds zelfs 25.000 menschen bijeen.
Ook de adel zat intusschen niet stil. De geuzen hielden in Juli 1566 eene groote vergadering te St. Truien in het Luiksche. Den 13endier maand kwamen zij daar samen en zij bleven tot het begin van Augustus bijeen.
Ongeveer 1500 edelen, allen door hunne schildknapen en gewapende manschappen vergezeld, hielden eene vergadering, die veel te talrijk voor geregelde beraadslagingen, maar volkomen geschikt was om kleine en groote feesten naar den smaak van Brederode te vieren.
De edelen, die alle huizen en herbergen bezet hadden,—sommigen moesten zich zelfs op het open veld legeren—hielden woeste drinkgelagen. Eene menigte lediggangers sloot zich bij hen aan, zelfs landloopers en bedelaars mengden zich onder het aanzienlijk gezelschap en schreeuwden met hen: „Leven de Geuzen!”
De indruk, door zulk eene vergadering te weeg gebracht, kon niet gunstig zijn. Ook de besluiten, die in beperkter kringen genomen, doch door allen goedgekeurd werden, waren niet geschikt om der hertogin vertrouwen op de verbondenen in te boezemen. Dezen toch verklaarden openlijk, dat zij geene vervolging ter zake der godsdienst meerdulddenen, zoo noodig, ter hunner bescherming Duitsche troepen, tot 1000 ruiters en 40 compagniën voetvolk aanwerven zouden.
In het oog van de landvoogdes was de vergadering van St. Truien zóó onrustbarend, dat zij den prins van Oranje dringend om zijne tusschenkomst smeekte. Hij beloofde die en begaf zich naar de vergadering, die hem met luid gejuich ontving.
Te Duffel, een dorp nabij Mechelen, had Oranje een onderhoud met de leiders der vergadering; hij trachtte hen neer te zetten en verzocht hen, zich ten minste zoolang van verdere stappen te onthouden, totdat de naar Spanje afgevaardigde gezanten uit Madrid bericht omtrent hun wedervaren zouden overgezonden hebben. Doch zijne woorden vonden geen ingang: de aanvoerders der geuzen beklaagden zich over de arglist der landvoogdes en over de moderatie, die niets dan een valstrik voor de protestanten was. Zij besloten, nog eens door Lodewijk van Nassau eene boodschap naar Brussel te zenden, om Margaretha van Parma ernstige vertoogen te doen.
Dit geschiedde, Lodewijk van Nassau ontving met 12 edelen, die men schertsend zijne 12 apostelen noemde, gehoor bij de landvoogdes. De taal, door hem gevoerd, was reeds veel krachtiger en veel minder ootmoedig dan die van de onderteekenaars van het compromis. Wel hielden de geuzen nog altijd vast aan de verzekering van hunne trouw jegens den koning, wel verbonden zij zich om den vrede te bewaren en naar hun beste vermogen het volk tot kalmte te brengen, maar zij stelden daartoe voorwaarden, die niet gemakkelijk waren te vervullen. De hertogin moest hun—zoo luidde hun eisch—verzekeren, dat zij zich wegens het vroeger voorgevallene niet wreken zou, dat zij niets zonder den raad van Oranje, Egmond en Hoorne zou doen en dat zij eindelijk de Staten-Generaal bijeenroepen zou. Ja de afgezanten der geuzen gingen zoo ver, te verzekeren, dat zij buiten ’s lands hulp zouden zoeken, indien zij door geweld tot wettige zelfverdediging geroepen werden.
De hertogin gaf op deze eischen een scherp antwoord, zij gevoelde zich daardoor zwaar beleedigd. Men kon het niet eens worden en Lodewijk van Nassau en zijne medeafgevaardigden ontvingen op eene alles behalve vriendelijke wijze hun afscheid.
De vergadering te St. Truien ging uiteen, zonder iets anders dan verhooging van de spanning uitgewerkt te hebben. Deze gaf zich in die dagen in betreurenswaardige tooneelen van vandaalsche vernielzucht lucht.
Evenals in Duitschland, ontaardde ook in de Nederlanden de haat der hervormden tegen het pausdom, helaas! in blinde woede tegen de oude heiligdommen, tegen de kerken en de kloosters.
De dweepzieke ijveraars verkregen voor een korten tijd de overhandover de rustige, bezonnen belijders van het nieuwe geloof en zij trokken van hunne overmacht partij om een woesten beeldstorm aan te richten.
Waar dit oproer, dat zich in het midden van Augustus over al de Nederlanden, met uitzondering van de provinciën Limburg, Luxemburg en Namen en van enkele steden, uitbreidde, eigenlijk ontstaan is, laat zich niet met zekerheid aanwijzen. De brand brak ter zelfder tijd en met dezelfde hevigheid op de meest verschillende plaatsen uit.
Het was een allertreurigst schouwspel, dat zich voordeed! Kerken en kloosters werden verwoest, de altaren werden omvergehaald, zoowel 2000 kunstgewrochten van allerlei aard, en daaronder van onschatbare waarde, als een aantal kostbare boekverzamelingen werden vernietigd. Dit alles geschiedde in een tijdsverloop van 10 tot 12 dagen. Alleen in Vlaanderen werden 400 kerken verbrand of omvergehaald.
Het onbeschaafde gemeen, de heffe des volks, was voor een korten tijd heer en meester in de Nederlanden en trok van zijne macht partij, om aan zijne vernielingswoede bot te vieren.
Diep betreurenswaardig was voorzeker die beeldstorm, welke den vijanden van godsdienstige en staatkundige vrijheid rechtmatigen grond opleverde om hunne stem tegen zulk een vandalisme te verheffen. Doch zelfs te midden van deze treurige tooneelen doet zich een verkwikkend verschijnsel aan ons voor, dat krachtig getuigt voor het hooge standpunt van verstandelijke en zedelijke beschaving, waarop het Nederlandsche volk in die dagen stond.
De heffe des volks had alle breidels afgeworpen, zij vernielde, om te vernielen, maar zij roofde en moordde niet. Zij gaf aan hare woede niet lucht in het dooden van hare vijanden; zij spaarde zelfs het leven der gehate inquisiteurs en van zulke priesters, die steeds het verbranden van de ketters als een godewelgevallig werk hadden aangeprezen.
De goederen der kerken werden vernield, maar niet geroofd. Deze beeldstormers, die bijna zonder uitzondering tot de laagste klasse der maatschappij behoorden, die bijna allen aan het dagelijksch brood gebrek hadden, lieten toch de kostbaarste kleinodiën, het gouden en zilveren vaatwerk, de edelgesteenten, waarmee de kerksieraden prijkten, onaangeroerd op den grond liggen. Zij vernielden de schatten der kerk, zonder zich die toe te eigenen. Zij gaven lucht aan hun afkeer van hetgeen in hun oog doemwaardige afgoderij was, maar zij lieten zich niet door den lagen drijfveer der roofzucht besturen. Ja, indien een hunner het ongeluk had, zich door den aanblik van die gouden en zilveren voorwerpen tot diefstal te laten verleiden, dan oefenden zijne gezellen op staanden voet en zonder genade gericht over hem. In Vlaanderen werd een jongman ter dood gebracht, dewijl hij het gewaagd had, een voorwerp ter waarde van 5 francs te stelen. Te Valenciennes wilde de geestelijkheid den beeldstorm voor aanzienlijke sommen afkoopen, maar met verachting wezen de arme dweepers het goud van de hand.
Alle waarheidlievende katholieke schrijvers van dien tijd stemmen in de vermelding van dit merkwaardig feit overeen.
De eerste gevolgen van den beeldstorm waren schijnbaar gunstig voor de protestanten. De landvoogdes, door een hevigen schrik voor den opstand bevangen, verloor bijna het hoofd, en had men haar vroeger voor eene heldin gehouden, thans bleek het, dat zij niets dan eene zwakke, vreesachtige vrouw was.
Den 22enAugustus, des nachts te 3 uur, ontbood zij Oranje, Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en andere leden van den staatsraad aan haar paleis; zij deelde hun mede, dat zij gereed stond om uit Brussel te vluchten, dat hare goederen reeds gepakt en de leden van haar hofgezin reisvaardig waren. Zij wilde naar Bergen gaan, om zich daar tegen het oproerige volk in veiligheid te stellen, dewijl men haar meegedeeld had, dat de protestanten van plan waren om Brussel te veroveren, alle daar woonachtige katholieken te vermoorden en de regeering omver te werpen.
De prins van Oranje, Egmond en Hoorne smeekten de hertogin dringend, zulk een noodlottig plan te laten varen; zij hielden haar voor oogen, dat eerst door hare vlucht de woeste beweging, waaraan slechts een klein deel des volks medeplichtig was, tot een werkelijken opstand aangroeien zou. Zij zwoeren, de landvoogdes des noods ten koste van hun leven te zullen verdedigen, maar verzekerden haar tevens, dat zij voorshands niet het minste gevaar liep. Eindelijk gelukte het hun door die beden en redeneeringen Margaretha tot blijven te bewegen. Toch was ze niet gerust, en toen haar opnieuw werd bericht, dat het volk van plan was het paleis te bestormen, besloot zij aan den avond van dien dag toch te vluchten.
Op nieuw gelukte het den graaf van Hoorne en den prins van Oranje haar van dit besluit te doen afzien; ja zij haalden haar over om een belangrijken stap te doen, ten einde het oproerige volk tot bedaren te brengen. Zij stond toe, dat voortaan de protestantsche eeredienst uitgeoefend mocht worden op alle plaatsen, waar dit reeds vóór den 25enAugustus geschied was en dat de hervormden volle vrijheid van belijdenis zouden genieten.
Lodewijk van Nassau ontving eene schriftelijke oorkonde, een tolerantie-edict, waarin de hertogin verklaarde, dat de inquisitie afgeschaft was en dat de koning binnen kort een nieuw edict zou uitvaardigen, waarbij eene algemeene vergiffenis zou worden afgekondigd. Daarentegen onderteekende Lodewijk van Nassau met 15 andere geuzen een stuk, waarin de geuzen beloofden, zoolang hun verbond als opgelost te beschouwen en het koninklijk gezag uit alle macht te zullen steunen, als de hertogin hare beloften hield.
De nieuwe beloften van Margaretha werden in alle steden des lands openbaar gemaakt. Alleen door vrees had de landvoogdes zich tot deze toegevendheid jegens den volkswensch laten overhalen; zij verklaarde dit zelve in een brief, dien zij terstond aan Philips II schreef; zij nam God tot getuige, dat zij daartegen zich zoolang mogelijk verzet had, en dat zij eerst, toen zij door het volk in haar paleis belegerd en schier eene gevangene was, toen zij, ziek naar lichaam en geest, niet meer wist wat zij doen moest, den geuzen vergiffenis en den ketters vrijheid van godsdienst toegestaan had; dat al deze beloften echter niet de minste waarde hadden, voordat ze door den koning bekrachtigd waren, dewijl zij slechts in haren eigenen, niet in des konings naam gehandeld had; dat Philips dus door niets gebonden was en dat zij van ganscher harte hoopte, dat Philips zich om het door haar gegeven woord niet bekommeren, maar in persoon naar de Nederlanden komen zou, om de beleedigingen, der heilige kerk door de ketters aangedaan, bloedig te wreken; slechts deze hoop—zoo eindigde zij—hield haar in het leven en behoedde haar voor vertwijfeling.
In een volgenden brief bracht zij bittere klachten in tegen Oranje, Egmond en Hoorne, dezelfde mannen, die zij even te voren met blijkenvan vertrouwen overladen had. Zij verzekerde, dat Hoorne van plan was, alle priesters en monniken in het geheele land te laten vermoorden; dat Egmond openlijk de geuzen begunstigde en reeds in Duitschland troepen voor hen aanwierf; dat Oranje vast besloten had, zich tot heer van het geheele land te verheffen en de regeering omver te werpen.
Eene gewetensvrijheid, die uitsluitend op de beloften van Margaretha berustte, beteekende waarlijk niet veel, en toch was zij het eenige nut, hetwelk de beeldstorm het Nederlandsche volk aanbracht. In weerwil hiervan waren de protestanten zoo verblind, dat zij zich overgelukkig gevoelden; zij hoopten, dat nu de inquisitie en met haar de geloofshaat en de geloofsvervolgingen voor goed afgeschaft waren. Zij zagen niet, dat reeds in de eerstvolgende dagen dreigende onweerswolken zich samenpakten.
Al de aanzienlijke edelen, ook zij die tot dusver de protestantsche beweging ondersteund hadden, waren diep verontwaardigd over de schandelijke tooneelen, door de beeldstormers aangericht, en vele bezonnen aanhangers der hervorming waren het met hen eens. De prins van Oranje liet zich openlijk zeer ongunstig uit over de dweepzucht van een hoop ellendelingen, die het geheele schandaal hadden teweeg gebracht. Hij beklaagde de muiters en veroordeelde de raddraaiers. Zelfs de woeste Brederode noemde de beeldstormers waanzinnigen en den geheelen opstand onverantwoordelijk.
Egmond legde onverholen zijn afkeer aan den dag van allen, die door hunne handelwijze de katholieke kerk zoo gruwelijk beleedigd hadden. Vele hoofden der geuzen waren van oordeel, dat zij met dergelijke lieden niet langer hand aan hand konden gaan; wellicht waren sommigen hunner reeds sinds lang het verbond moede en was de beeldstorm voor hen een welkom voorwendsel om zich van hen af te scheiden.
Hetzelfde deden ook vele strenge katholieken, die zich van nu af op hunne landgoederen gedroegen als besliste tegenstanders van de hervormden, welke zij tot dusver beschermd hadden.
Aan koning Philips II bood de beeldstorm eene gewenschte gelegenheid aan om strenger maatregelen tegen de ketters te nemen. Hij had de Nederlandsche gezanten, Montigny en Bergen, met gehuichelde vriendelijkheid ontvangen en hunne wenschen aangehoord, welke inhielden, dat de inquisitie afgeschaft, de koninklijke plakaten verzacht en volle vergiffenis voor alles wat tot dusver in de Nederlanden gebeurd was, verleend zou worden. Philips had in schijn deze eischen ingewilligd; zonder bepaalde beloften te doen, had hij toch op eene gedeeltelijke vervulling van de volkswenschen hoop gegeven en verklaard, dat hij zelf naar de Nederlanden dacht te gaan, om orde op de verwarde zaken aldaar te stellen. Aan Margaretha had hij geschreven, dat de verlangde amnestie onder zekere voorwaarden verleend kon worden en ook de afschaffing van de pauselijke inquisitie kon worden toegestaan, dewijl immers de bisschoppen thans in staat waren om in hunne bisdommen eene bisschoppelijke inquisitie in te voeren en met kracht door te zetten.
Doch zelfs deze halve beloften was de koning niet van plan te houden; het sterkste bewijs hiervoor leverde hij door, terstond nadat hij den brief geschreven had, een notaris te ontbieden en in tegenwoordigheid van Alba en van twee andere vertrouwde getuigen te verklaren, dat zijne belofte van eene algemeene vergiffenis hem alleen door de troebelen in de Nederlanden afgeperst, maar niet vrijwillig, niet in volle vrijheid gedaan endaarom ook niet geldig was, en dat hij zich alzoo het recht voorbehield om alle schuldigen, wanneer het hem noodzakelijk scheen, te straffen.
Tegelijk spoorde Philips de landvoogdes aan om den Nederlanders de schoonste uitzichten voor te spiegelen en zelfs de hoop op de bijeenroeping van de Staten-Generaal bij hen op te wekken, hoewel hij vast besloten had, dit nooit te doen.
Was de koning reeds heftig vertoornd over de uitbreiding van de ketterij in de provinciën, hij geraakte in de grootste woede, toen hij het bericht van den beeldstorm ontving; „Dat zalhenduur te staan komen,” riep hij, zich den baard uitrukkend, „ik zweer het bij de ziel mijns vaders!” Van dezen oogenblik af legde hij zich met den grootsten ijver toe op het nemen van maatregelen tot de vreeselijke wraak, welke hij oefenen wilde.
In de Nederlanden waren de omstandigheden intusschen grootelijks veranderd; de blijdschap over de inwilligingen der landvoogdes duurde niet lang; de protestanten moesten weldra leeren inzien, dat de beeldstormhenveel meer schade dan voordeel had aangebracht. Op Egmond, den beroemden veldheer, hadden zij gerekend; wanneer hij zich aan hun hoofd plaatste, was geene macht ter wereld meer in staat om de protestantsche beweging te onderdrukken. Alleen in Vlaanderen toch telde men niet minder dan 6000 gewapende mannen, die bereid waren om voor de godsdienstvrijheid in de bres te springen; slechts aanvoerders ontbraken hun. Wanneer Egmond hun hoofd werd, vormden zij een leger, waarmee de beroemde veldheer in staat zou geweest zijn om het land tegen elken aanval van Spaansche troepen te verdedigen.
De verwachtingen, welke de hervormden op den lieveling des volks, den graaf van Egmond, gebouwd hadden, werden jammerlijk teleurgesteld. Egmond verscheen in Vlaanderen, niet als de aanvoerder der protestanten, maar als hun verbitterde vijand, als de ijverigste aanhanger der regeering, die zelfs, buiten de bevelen der hertogin om, allen strafte, op wie slechts de minste verdenking van medeplichtigheid aan den beeldstorm rustte.
Hij gaf terstond bevelen om een groot aantal beeldstormers en zelfs vele andere ketters ter dood te brengen.
De Vlaamsche protestanten sidderden voor den toorn van den machtigen man. Wel waren zij sterk genoeg om tegen hem op te staan, want de troepen, die hij ter zijner beschikking had, waren niet talrijk, maar tegen den overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen durfde niemand een vinger verroeren.
Met vreeselijke strengheid zette hij de vervolging van de ketters voort. Een niet gering aantal meer of minder schuldigen, zelfs louter verdachten, werd zonder genade opgehangen. Te vergeefs spoorde Oranje zijn vriend tot zachtmoedigheid aan, te vergeefs voegde Lodewijk van Nassau zijne beden bij de wenken zijns broeders, Egmond luisterde niet. Hij was eensklaps zulk een ijverig aanhanger van de landvoogdes en van de katholieke kerk geworden, dat hij niet eens de door Margaretha den hervormden verleende voorrechten eerbiedigde, maar den protestantschen eeredienst ook daar verbood, waar hij reeds vóór den 25enAugustus ingevoerd en dus geoorloofd was.
Geheel anders was de houding van den prins van Oranje, dien de landvoogdes naar Antwerpen gezonden had, om daar de rust te herstellen. Wel liet hij toe, dat de stedelijke overheid een aantal beeldstormersvoor het gericht daagde en ter dood deed brengen, doch in persoon nam hij aan de vervolgingen geen deel. De voorrechten, den protestanten door de hertogin toegestaan, eerbiedigde hij stipt, hij liethendrie kerken in Antwerpen inruimen en wist het door zijne wijze gematigdheid weldra zóó ver te brengen, dat de rust in de machtige handelsstad terugkeerde.
De graaf van Hoorne, die naar Doornik gezonden was, behandelde de protestanten volstrekt niet zoo zacht als Oranje: hij liet de raddraaiers van den beeldstorm vatten en ter dood brengen. Ook stond hij binnen de stad zelve geene kettersche godsdienstoefeningen toe; alleen vergunde hij den hervormden, buiten de muren kerken voor hunne godsdienstige bijeenkomsten te bouwen. Hoewel hij hierdoor de bepalingen van het edict van tolerantie nog niet eens vervulde,—ook te Doornik hadden vóór den 25enAugustus protestantsche godsdienstoefeningen plaats gehad—werd zijne houding door de landvoogdes toch scherp berispt en hij zelf als een begunstiger der ketterij beschouwd.
Margaretha van Parma had zich spoedig hersteld van den schrik, haar door den beeldstorm ingeboezemd; zij zag de drie mannen, die zij voor hare meest geduchte tegenstanders hield, Oranje, Egmond en Hoorne, volgens zeer verschillende beginselen handelen.
Zoolang deze drie eensgezind waren, schenen zij haar gevaarlijk; maar thans, nu Egmond geheel weder de zijde der regeering gekozen had, waren zij volstrekt niet meer te vreezen. Het verbond der geuzen was uiteengespat, zijne katholieke leden waren daarvan afgevallen en zelfs gedeeltelijk ijverige vervolgers van de ketters geworden. Deze konden, in weerwil van hun groot aantal, ter nauwernood aan verzet tegen de regeering denken, zoolang hethenaan geschikte, invloedrijke aanvoerders ontbrak.
Zoodra Margaretha zich weer eenigszins op haar gemak voelde, schroomde zij niet, haar in tijd van nood gegeven woord te verbreken. Alle beschikbare middelen wendde zij aan om vreemde troepen aan te werven, ten einde daarmee, zoo noodig, de wederspannige protestanten te onderdrukken. Egmond was haar hierin behulpzaam en de stadhouder van Henegouwen, de heer van Noircarmes, leende zich gaarne tot het verdelgen van de ketters.
Aan het edict van tolerantie gaf Margaretha thans eene willekeurige uitlegging door te beweren, dat zij wel de vrijheid tot prediken, maar niet het verlof tot het uitoefenen van eeredienst en tot het houden van twistreden over de godsdienst verleend had. Hierdoor opende zij voor de geloofsvervolging op nieuw een onafzienbaar veld.
De prins van Oranje, die tot dusver nog altijd had gehoopt, in vereeniging met Egmond, Hoorne en andere aanzienlijke Nederlandsche edelen, de regentes tot vervulling van hare beloften te zullen bewegen, ontving tegen het einde van het jaar 1566 berichten, welke hem het bewijs leverden, dat Philips II en de landvoogdes vastelijk besloten hadden, hem en zijne vrienden ten val te brengen.
De prins gevoelde volstrekt geene roeping om zich weerloos aan de wraak van den vertoornden koning bloot te stellen; gelukte het hem, Egmond en Hoorne over te halen om met hem de handen ineen te slaan, dan kon hij de landvoogdes dwingen om de Staten-Generaal bijeen te roepen. Zelfs den mogelijken inval van een Spaansch leger had hij dan niet te duchten, want de Nederlanders waren, wanneer zij slechts eendrachtig bleven, sterk genoeg om elken aanval der Spanjaarden het hoofd te bieden.
In eene bijeenkomst, welke Oranje met Egmond, Hoorne, Hoogstraetenen zijn broeder Lodewijk van Nassau te Dendermonde in Vlaanderen hield, legde hij de afschriften van twee brieven over, welke de Spaansche gezant te Parijs, don Francis d’Alava, aan Margaretha van Parma geschreven had. Waren deze brieven echt, dan leverden zij het bewijs, dat Philips II een schandelijk verraderlijk spel speelde met mannen, die hem tot dusver trouw gediend hadden.
De gezant verklaarde daarin, dat de koning reeds sinds lang wist, hoe vijandig Oranje, Egmond en Hoorne jegens hem gezind waren, doch dat hij de landvoogdes aanbeval, in haren omgang met hen de grootste hartelijkheid aan den dag te leggen, dewijl Zijne Majesteit van voornemen was, zich zoo lang mogelijk van de genoemde mannen te bedienen, doch hen dan te straffen, en dat het de plicht der landvoogdes was, den koning in de uitvoering van zijn plan behulpzaam te zijn. De troebelen in de Nederlanden—ging de gezant voort—zouden nooit plaats gehad hebben, zonder de geheime deelneming der verbondene heeren; deze moesten zoo spoedig mogelijk gestraft worden, doch vooraf mocht de hertogin hen op geenerlei wijze doen bemerken, welk een gevaar hen bedreigde; integendeel, zij moest hen in den waan brengen, dat Zijne Majesteit die verraders voor Hare trouwste dienaars hield. Wanneer Oranje, Egmond en Hoorne in dit geloof voortleefden, zouden zij in den dienst des konings, zoolang men hen gebruikte, nuttig kunnen zijn. Der hertogin werd dus gelast, dezelfde houding jegens dit drietal aan te nemen, als de koning jegens de Nederlandsche gezanten, Bergen en Montigny, aangenomen had, wien hij de meeste voorkomendheid bewees, doch die hij onophoudelijk liet bewaken en die hij zeker niet levend uit Spanje zou laten ontsnappen.
Dit was ongeveer de inhoud der brieven, welker afschrift Oranje zijnen vrienden overlegde. Maar waren zij inderdaad echt? Had don Francis d’Alava ze werkelijk geschreven?
Vele nieuwere geschiedschrijvers en onder hen ook de verdienstelijke Motley beantwoorden die vragen ontkennend, terwijl de Hollandsche schrijvers uit die dagen omtrent die echtheid niet den minsten twijfel koesteren. Zeker is het, dat de mededeelingen, in dien brief vervat, volkomen overeenstemmen met het karakter van Philips II en dat zij alle reeds na korten tijd door de uitkomst bevestigd werden. Doch, al is dat zoo, aan den anderen kant ontbreekt het niet aan duchtige redenen, die ons nopen om de brieven voor ondergeschoven te houden. Dat Margaretha van Parma later tegenover Egmond de echtheid dier brieven loochende, zou ons slechts te eer aan die echtheid doen gelooven. Maar zij herhaalde diezelfde ontkenning ook in hare geheime briefwisseling met Philips II, in eene briefwisseling, waarin zij anders gewoonlijk der waarheid getrouw placht te zijn, en deze omstandigheid noodzaakt ons dus om de brieven als ondergeschoven te beschouwen, tenzij Margaretha er om de eene of andere reden belang bij heeft gehad, die briefwisseling met den spaanschen gezant voor den koning te verbergen.
Waren de brieven werkelijk ondergeschoven, wie had dit dan gedaan? Het vermoeden, dat Oranje zich aan die vervalsching schuldig had gemaakt, om Egmond zoowel tot verzet tegen Philips en de landvoogdes als tot eene vaste verbintenis met hemzelven over te halen, ligt in dat geval voor de hand en wordt niet wederlegd door de overdreven loftuigingen, waarmede Motley het karakter van zijn held overlaadt.
Geen vorst schroomde in die dagen, tot bereiking van een staatkundigdoel, middelen aan te wenden, die met de eischen der zedelijkheid niet altijd waren overeen te brengen. Ook Willem van Oranje was een kind van zijnen tijd; hoewel hij dien tijd in vele opzichten verre vooruit was, hoewel zijn zedelijk karakter in later dagen zich zeer gelukkig heeft ontwikkeld, mogen wij hem niet tot een halven heilige maken. Ook waar zijne gebreken erkend worden, blijven er in hem genoeg voortreflijke hoedanigheid over om ons den diepsten eerbied voor zijne beginselen en geestkracht af dwingen. Maar achtte hij het niet beneden zich, de dienaars van Philips om te koopen, ten einde des konings geheimen uit te vorschen, dan laat het zich ternauwernood denken, dat hij te nauwgezet geweest zou zijn om, wanneer hij het noodig achtte, van een ondergeschoven brief gebruik te maken, te meer, wanneer die brief den bestaanden toestand volkomen juist in het licht stelde en dus, wat den inhoud betrof, geene enkele onwaarheid behelsde. Zulk een kunstgreep is zeker nooit te rechtvaardigen, maar in den gevaarlijken toestand, waarin Oranje zich bevond, wellicht des te eerder te verontschuldigen, én dewijl daarin niets voorkwam wat niet, getuige de uitkomst, met de waarheid overeenkwam én dewijl de denkbeelden omtrent de voorschriften der zedelijkheid in die dagen geheel anders en veel minder zuiver waren dan tegenwoordig.
Reeds in de bijeenkomst te Dendermonde rees er twijfel ten aanzien van de echtheid der brieven. Egmond sloeg daaraan geen geloof: hij had juist in den laatsten tijd den koning en der landvoogdes belangrijke diensten bewezen, hij was door de laatste met verzekeringen van dankbaarheid, hoogachting en vriendschap overladen; hij had zelfs van Philips meer dan één zeer vleiend en vriendelijk schrijven ontvangen. Daarom kwam het hem volslagen onmogelijk voor, dat ook hij moest vallen als het slachtoffer eener koninklijke wraak, die hij—naar zijne meening—volstrekt niet verdiend had.
Hij weigerde Oranje’s plannen goed te keuren. De aansporing van den vurigen Lodewijk van Nassau om terstond de wapenen op te vatten, beantwoordde hij met eene koele weigering, hij wilde niet deelnemen aan eenige onderneming, die tegen de hertogin of den koning gericht was. Ook Hoorne sloot zich bij hem aan en zoo leverde het onderhoud te Dendermonde niet de minste vruchten op.
Egmond nam de brieven mede en hij was volkomen tevreden gesteld, toen de hertogin ze op den toon der diepste verontwaardiging voor onecht verklaarde. Van dit tijdstip af verdubbelde hij zijn ijver in des konings dienst en in de vervolging van de ketters, die maar in eenig opzicht de bevelen der hertogin overtraden.
Hoorne was niet zóó lichtgeloovig, hij gevoelde zich beleedigd, wijl Margaretha de door hem te Doornik uitgevaardigde hervormingen herriep en door den heer van Noircarmes de stad bezetten en den hervormden eeredienst verbieden liet. Hij wilde niets tegen de landvoogdes ondernemen, maar trok zich wrevelig uit den staatsdienst op zijne landgoederen terug.
Oranje stond na het onderhoud te Dendermonde geheel alleen, hij kon thans alleen nog op Brederode en eenige andere dweepzieke geuzen rekenen, maar niet meer op den geheelen verbonden adel, dewijl het verbond uiteengespat was en zelfs vele zijner voormalige leden thans zijne verbitterde tegenstanders waren geworden. Ook op den bijstand der protestantsche vorsten van Duitschland hoopte hij niet. Hij wist dat deze, schoon hun belang zou hebben medegebracht de Nederlanders te ondersteunen,als ijverige Lutheranen, geene hulp zouden verleenen aan hervormden, die grootendeels tot de aanhangers van Calvijn behoorden.
Waarschijnlijk was het hem niet onaangenaam, dat Margaretha, zoodra zij hare macht voelde aangroeien, op nieuw tot beslissende en gestrenge maatregelen overging. Van al de beloften, in het edict van tolerantie gedaan, vervulde zij geene enkele; zij vermeerderde het aantal der vreemde huurtroepen en, ten einde ook in al de staatsbeambten een geheel aan haren wil onderworpen legermacht te bezitten, vorderde zij van hen—van den hoogste tot den laagste—een nieuwen eed, waarbij zij zich verbonden om de bevelen der regeering ten allen tijde, overal en tegenover een ieder, wie het ook wezen mocht, zonder eenige uitzondering of voorwaarde uit te voeren.
Vele beambten, die vroeger tot de geuzen behoord hadden, gehoorzaamden volvaardig; het eerst van allen de graaf van Mansfeld, die thans bij de hertogin reeds in blakende gunst stond. Ook Egmond legde den eed af, hoewel eerst na eenig beraad. Oranje daarentegen weigerde dien. Hij verklaarde, dat hij zich niet verbinden kon om zonder eenig nadenken een bevel op te volgen, dat wellicht even nadeelig kon zijn voor de kroon als voor het land of voor zijne eigene eer. Dewijl hij op grond hiervan de hertogin niet gehoorzamen kon, verzocht hij haar, hem van zijne ambten te ontslaan.
De koning nam dit verzoek om ontslag niet aan, Oranje moest dus nog in dienst blijven, maar hij had vast besloten dien zoo spoedig mogelijk te verlaten en zich naar Duitschland terug te trekken.
Margaretha van Parma had, dank zij de ontevredenheid der katholieken en zelfs van alle gematigde protestanten over den beeldstorm, binnen ongeloofelijk korten tijd zoo veel macht herwonnen, dat zij het edict van tolerantie geheel vernietigen en de geloofsvervolging hervatten konde. Doch geheel zonder weerstand te ontmoeten, was dit haar toch niet gelukt.
Op verscheidene plaatsen grepen de protestanten naar de wapenen. Vele steden weigerden bezettingen in te nemen of de ingevoerden evangelische godsdienst weer af te schaffen. De meeste zwichtten, zonder het tot een opstand te laten komen, maar te Valenciennes sloten de burgers de poorten, zich beroepende op hunne oude rechten en op het edict van tolerantie.
De heer van Noircarmes werd uitgekozen om de weerspannigen te tuchtigen. Met eene aanzienlijke krijgsmacht trok hij tegen de stad op. De burgers verdedigden zich dapper; zij hoopten op ontzet; ook nadat twee samengeraapte benden protestanten door Noircarmes zonder moeite overwonnen en uit elkander gejaagd waren, bleven zij toch nog gelooven, dat van eene andere zijde hulp zou komen opdagen. Zij wisten immers, dat Brederode ijverig bezig was met het aanwerven van troepen, waarmede hij hun ter hulp komen zou.
Brederode had nog eens gepoogd, door middel van een smeekschrift op de hertogin te werken. Hij had om vrijgeleide naar Brussel gevraagd, ten einde het verzoekschrift te kunnen overhandigen, doch zijn verzoek was met verachting van de hand gewezen. De landvoogdes had hem zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat alle in Augustus door haar verleende voorrechten ingetrokken waren, en had van hem geëischt dat hij zich onvoorwaardelijk aan de wet en aan de koninklijke macht zou onderwerpen.
Thans achtte Brederode den tijd gekomen om naar de wapenen tegrijpen. Gedurende de geheele maand Februari hield hij zich te Antwerpen op, hier wierf hij heimelijk troepen aan. Hij was van plan in de eerste plaats te beproeven, zich door een handgreep van het eiland Walcheren meester te maken;gelukte het hem, zulke belangrijke steden als Vlissingen en Middelburg te bemachtigen, dan twijfelde hij niet of het zou hem mogelijk zijn, zelfs aan den inval van een Spaansch leger het hoofd te bieden.
Vervolgens wilde hij Valenciennes ontzetten en tegen Brussel oprukken, om der hertogin de vredesvoorwaarden voor te schrijven. De prins van Oranje droeg kennis van Brederode’s plannen en had hij vroeger meermalen gepoogd den overmoedigen man tot gematigdheid te bewegen, thans liet hij hem zijn gang gaan, ja begunstigde hij zijne ontwerpen. Wellicht was het toch mogelijk, dat Brederode slaagde en dan bestond er altijd nog kans om Nederland te bewaren voor de jammeren, die het dreigden te overstelpen.
Toen de hertogin den prins beval, aan Brederode’s drijven paal en perk te stellen, gebood hij wel dat de wervingen gestaakt moesten worden, doch hij liet toe dat Brederode uit Antwerpen vertrok, om elders zijne troepen te verzamelen.
Te Brussel had de staatsraad intusschen ijverig beraadslaagd over de stappen, welke men doen moest tegen Brederode en de overige oproermakers, die naar de wapenen gegrepen hadden. Egmond had zelfs 700 à 800 Walsche veteranen bijeengebracht, die hij in Vlaanderen te zijner beschikking hield en hij verzekerde de landvoogdes, dat hij volkomen bereid was om met hen de opstandelingen te verpletteren.
Margaretha dankte hem met vriendelijke woorden voor zijne trouwe gehechtheid, maar zij vertrouwde hem toch niet en wees zijn aanbod van de hand. Inderdaad scheen alle ernstige bezorgdheid ook bijna belachelijk, want de rebellen, die gepoogd hadden zich te scheep naar Vlissingen te begeven, waren in de eerste dagen van Maart daar afgeslagen. Zij hadden het plan om zich van het eiland Walcheren meester te maken, opgegeven en waren in de nabijheid van Antwerpen teruggekeerd, waar zij niet ver van de stad, bij een dorpje Austruweel (Oosterweel) eene versterkte legerplaats betrokken.
Brederode bevond zich niet bij hen, zij werden aangevoerd door Marnix van Tholouse, den broeder van Aldegonde, een jong en vurig Calvinist, die echter geene ervaring van den oorlog had en geen ander recht op den veldheerstitel kon doen gelden dan zijn onversaagden moed. Zijne troepen bestonden uit een hoop samengeraapt gespuis.
Te Austruweel groeide het aantal der rebellen intusschen onophoudelijk aan; dagelijks kwamen de ontevredenen uit den omtrek, om zich in Tholouse’s gelederen te laten inlijven. Spoedig had hij meer dan 3000 man onder zijne bevelen. De toestand werd voor de landvoogdes thans reeds onrustbarend, dewijl ook Brederode in Holland troepen aanwierf en beloofde, binnen kort met 6000 man tot ontzet van Valenciennes te zullen oprukken.
Dewijl de landvoogdes niets liever wenschte dan de omwenteling in de kiem te smoren, nam zij het aanbod van den bevelhebber harer garde, Philips van Lannoy, heer van Beauvoir, aan, die zich verbond om onverwijld het rebellennest uit te roeien. Lannoy snelde met de helft zijner garde, waarbij Egmond buitendien nog 400 man Walsche veteranen voegde,in ’t geheel alzoo met ongeveer 800 man goed gewapende en voortreflijk geoefende troepen, naar Antwerpen. Hoewel de soldaten der hertogin veel kleiner in getal waren dan de protestanten, overtroffen zij deze toch verre in oefening en krijgstucht. Met onstuimig geweld tastten zij de verschansingen aan, waardoor Tholouse zijne legerplaats tegen elken aanval beveiligd achtte, en zij behaalden reeds bij den eersten aanloop eene beslissende zegepraal. Tholouse zelf, die met den grootsten heldenmoed vocht, sneuvelde, zijne manschappen verstrooiden zich, doch zij werden vervolgd en bijna tot den laatsten man toe neergehouwen.
De uitslag van het gevecht bij Austruweel zou wellicht geheel anders zijn geweest, indien de hervormden in de naburige stad Antwerpen hunnen geloofsgenooten ter hulp waren gesneld; hiertoe echter besloten zij eerst, toen het te laat was, toen Tholouse’s ordelooze benden reeds uit elkaar gejaagd waren en thans door de hertogelijken met verbittering vervolgd werden.
Het volk liep op de straten van Antwerpen te hoop; eene schaar van wel 10.000 hervormden wilde uittrekken om hunne geloofsgenooten te helpen.
Oranje hoorde dit, hij voorzag, dat de Antwerpsche burgers even goed verslagen zouden worden als Tholouse’s manschappen, dewijl ze geene aanvoerders en zelfs geene wapenen hadden. Een treurig lot hing der rijke handelstad, die door Margaretha van Parma als een broeinest van ketters beschouwd werd, boven het hoofd, indien hare burgers aan den strijd deelnamen.
Oranje besloot dit voor te komen; hij wierp zich den burgers, die juist op het punt stonden, naar het slagveld te trekken, in den weg. Hij, wien men lafhartigheid verweten heeft, waagde zich alleen onder de woedende menigte, die hem ontving met den kreet: „Weg met den papist, weg met den verrader!”
Zijn leven werd bedreigd, hij sloeg er geen acht op: met kalme waardigheid trad hij der opgewonden menigte te gemoet. Hij drong haar om naar hem te luisteren en het gelukte hem inderdaad, haar van haar voornemen af te brengen, door haar te doen inzien, dat hare tusschenkomst niets meer baten en slechts aanleiding tot nutteloos bloedvergieten geven zou.
Zoo wist Oranje de burgerij tot rust te brengen, gelijk hij ook een oproer, dat kort daarna uitbrak, door even krachtige als verstandige maatregelen zonder bloedvergieten onderdrukte.
Na de overwinning van Lannoy moesten de burgers van Valenciennes alle hoop om hunne stad nog langer tegen de overmacht der hertogin te verdedigen, wel opgeven. Zij besloten eindelijk tot de overgave; Noircarmes beloofde hun, dat zoowel het leven als de bezittingen der burgerij gespaard zouden worden. Doch deze belofte was slechts gedaan, om verbroken te worden. Nauwelijks was Noircarmes de stad binnengedrongen, of hij liet de poorten sluiten, de rijkste inwoners gevangen nemen en de soldaten, die niet openlijk mochten plunderen, bij de burgers inkwartieren. Hier veroorloofde men hun, te rooven en te moorden, zonder dat zij voor hunne misdaden de geringste straf ontvingen.
Noircarmes had, naar zijne meening, wel beloofd, dat hij de inwoners, maar niet, dat hij de misdadigers sparen zou, en misdadigers waren alle rijken. Een groot aantal van deze werd ter dood gebracht, hunne goederen werden verbeurd verklaard: Noircarmes zelf maakte zich tot hun erfgenaam.Dat buitendien eenige honderden Calvinisten verbrand of opgehangen werden, spreekt van zelf; ook zij waren immers allen misdadigers.
Na den val van Valenciennes werd nergens meer tegenstand geboden; Margaretha was op nieuw meesteres in de Nederlanden. Zij regeerde waarlijk streng en wreed genoeg, doch in weerwil hiervan voer toch eene kille huivering door het geheele land, toen men hoorde, dat Alba door den koning uitverkoren was om met een leger de rust geheel te herstellen en allen te straffen, die het ooit gewaagd hadden, den koning ongehoorzaam te zijn.
Thans begreep ook Oranje, dat het voor hem hoog tijd werd om op zijne eigene veiligheid bedacht te zijn; hij wilde Alba’s komst niet afwachten. Nog eens waarschuwde hij zijn vriend Egmond. Te Willebroek, tusschen Brussel en Antwerpen, had hij met dezen nog eene laatste bijeenkomst, die ook door Mansfeld bijgewoond werd. Hij trachtte Egmond over te halen om de Nederlanden te verlaten en veilig en rustig in Duitschland te gaan leven. Oranje wist namelijk, dat Egmond’s dood even goed door den koning besloten was als de zijne. Hij waarschuwde zijn ouden vriend ernstig.
Maar deze antwoordde, dat die vrees een ijdele hersenschim was, dat de koning goed was en genadig en niets zou ondernemen tegen een man, die hem steeds trouw gediend had.
„Waarlijk, Egmond,” hernam Oranje, „die goedheid des konings, welke gij zoo hoogelijk roemt, zal u in het verderf storten. Ik wenschte wel, dat ik mij bedroog, maar ik voorzie, dat gij de brug zijn zult, welke de Spanjaarden, zoodra zij er overgetrokken zijn om ons land te overstroomen, zullen afbreken.”
Egmond sloeg deze waarschuwende woorden in den wind, hij bleef bij zijn besluit om de Nederlanden niet te verlaten. Voor de laatste maal omarmde de prins hem; daarop scheidden zij, om elkaar nooit weder te zien.
Door vele geschiedschrijvers wordt aan deze laatste samenkomst van den prins met Egmond eene anecdote vastgeknoopt, die echter alle geschiedkundige waarheid, alle waarschijnlijkheid zelfs mist. „Vaarwel, prins zonder hoed,” zou Egmond bij het afscheid hebben uitgeroepen: „Vaarwel, graaf zonder hoofd!” zou Oranje’s antwoord zijn geweest.
Hoe onwaarschijnlijk het is, dat in zulk een ernstig oogenblik van scheiden de beide vrienden zulke platte aardigheden verkocht zouden hebben, behoeven wij wel niet uiteen te zetten.
Eenige dagen later schreef Oranje een brief aan den koning, waarin hij dezen aankondigde, dat hij zijn ambt had nedergelegd en naar Duitschland vertrokken was. Hij gaf gehoor aan den raad van den landgraaf Philips van Hessen, die hem smeekte spoedig te komen, dewijl de hertog van Alba, dien hij kende, zeker booze plannen koesterde.
Den 11enApril verliet Oranje Antwerpen, den 22envertrok hij naar Dillenburg en waarlijk, hij ging op het rechte tijdstip, want nauwelijks was hij in Duitschland aangekomen, of hij ontving van den door hem omgekochten geheimschrijver van Philips II het afschrift van een brief, dien de koning aan Alba geschreven had, en waarin hij dezen streng beval, den prins, zoodra hij zich van hem meester maken kon, gevangen te nemen en diens rechtsgeding binnen 24 uren ten einde te brengen.
Oranje was niet de eenige, die het land verliet: ook Brederode achtte het geraden, zich naar Duitschland terug te trekken. Hier leefde hijnog een jaar; door onmatig gebruik van wijn wilde hij zijn leed verzachten; hierdoor ondermijnde hij zijne gezondheid zoo zeer, dat hij aan de gevolgen zijner buitensporigheden op het slot Hardenberg stierf.
Zoo groot was in de Nederlanden de vrees voor nieuwe geloofsvervolgingen, dat alle inwoners, die maar eenigszins van ketterij verdacht werden, of die wisten, dat zij in de laatste troebelen betrokken waren geweest, poogden te ontvluchten. Wie maar eenigszins de middelen er toe bezat, verliet het land; bij geheele scharen trokken de landverhuizers over de grenzen. En waarlijk, de hervormden hadden gelijk, dat ze hun heil in de vlucht zochten, want de landvoogdes legde thans weder eene schrikverwekkende hardheid tegen de ketters aan den dag; zij liet hen naar hartelust ophangen en onthoofden. De met hare toestemming onlangs gebouwde kerken werden omvergehaald, van hare balken bediende men zich om galgen op te richten; de edele hertogin vond het zeer grappig, dat de ketters aan het hout hunner eigene kerken werden opgehangen.
De goederen der vluchtelingen en der ter dood gebrachten werden verbeurd verklaard. Zij, wien het onmogelijk was te vluchten, trachtten de verdenking zoo goed het kon van zich af te weren. Velen, die vroeger tot de ijverigste protestanten behoord hadden, legden thans een schier dweepzieken ijver voor het katholicisme aan den dag; zij bezochten meermalen daags de kerk. Anderen bewezen hunne rechtzinnigheid door hunne vroegere vrienden en geloofsgenooten als ketters aan te klagen.
Den 24stenMei vaardigde de landvoogdes een nieuw plakaat uit, welks strengheid niets te wenschen overliet: alle aanhangers van de kettersche leer werden daarin met den dood bedreigd. Ten gevolge van dit plakaat nam de landverhuizing in zulk eene mate toe, dat Margaretha het noodzakelijk achtte, een ieder het overschrijden van de grenzen te verbieden. Met den dood werd iedere voerman en elke schipper bedreigd, die het zou durven wagen een ketter in zijne vlucht behulpzaam te zijn.
Zoo stonden de zaken in de Nederlanden, toen de hertog van Alba in aantocht was, om met nog grooter gestrengheid tegen het kettersche volk te werk te gaan, dewijl Margaretha van Parma naar Philips’ oordeel als landvoogdes op verre na niet krachtig genoeg geregeerd had.