Een en twintigste Hoofdstuk.

Een en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. Onderhandelingen met Engeland. Elisabeth weigert de souvereiniteit. Verbond met Engeland. Voorwaarden. Bezorgdheid der Hollandsche patriotten. Johan van Oldenbarneveld. Leicester, door de Staten-Generaal tot algemeen stadhouder verkozen. Graaf Maurits van Nassau, stadhouder en kapitein-generaal van Holland. Ontstaan der partijen. Blijde ontvangst van Leicester. Leicester te Utrecht. Zijne staatkundige misslagen. Reingoud, Prouninck en Burggraaf. Hunne willekeur. Het verbod van uitvoer. Voordeelen door Parma behaald. Grave en Venlo. Oorlog op Duitsch grondgebied. Leicester’s eervolle ontvangst in den Haag. Leicester vertrekt naar Engeland. Zijn geheime kabinetsorder. Verraad van York en Stanley. Gisting in Holland. Partijstrijd. Leicester’s terugkomst. Vruchtelooze pogingen om zijne macht uit te breiden. Hij verlaat de Nederlanden enlegtde landvoogdij neder.Reeds staande de onderhandelingen met Frankrijk, waren ook in Engeland Nederlandsche agenten werkzaam geweest om van koningin Elisabeth krachtige hulp tegen Spanje te verwerven, doch de koningin had eene vrij groote onverschilligheid aan den dag gelegd. Bracht Engeland’s belang aan den éénen kant mede, de Nederlanders te ondersteunen en daardoor de macht van Spanje te ondermijnen, toch was Elisabeth aan den anderen kant niet geneigd om zich in een ernstigen oorlog met Spanje te wikkelen; bovendien streed het tegen haren koninklijken trots, met opstandelingen tegen een door God gezalfden koning een bondgenootschap aan te gaan, hoe rechtvaardig hun strijd tegen de Spaansche dwingelandij ook mocht zijn.De ondersteuning, welke Elisabeth tot dusver den Nederlanders had verleend, had ten gevolge daarvan weinig beteekend en eerst toen na den val van Antwerpen het gevaar, dat de opstand geheel onderdrukt zou worden, dreigender werd dan ooit, begreep de koningin, dat zij krachtiger dan tot heden voor de Nederlanders in de bres moest springen. Doch nog altijd kon zij niet besluiten, den wensch te vervullen, dien een plechtig Nederlandsch gezantschap haar overbracht, om de souvereiniteit over de provinciën te aanvaarden. Zij wees de haar aangeboden kroon van de hand en weigerde ook een eeuwig aanvallend en verdedigend verbond te sluiten, maar zij verklaarde zich bereid om den Nederlanders een leger van 5000 man voetvolk en 1000 ruiters onder een uitstekend veldheer ter hulp te zenden, wanneer haar de vestingen Vlissingen en Rammekens in Zeeland en de Briel in Holland als onderpanden voor de terugbetaling van de gemaakte oorlogskosten werden ingeruimd. Buitendien eischte dekoningin, dat de door haar te benoemen landvoogd, de bevelhebbers der verpande steden en twee andere Engelschen in den Raad van State zouden worden opgenomen.De Algemeene Staten namen deze voorwaarden aan en de koningin droeg nu aan haren gunsteling, Robert Dudley, graaf van Leicester, het opperbevel over het Engelsche leger op.Hoe algemeen in de Nederlanden de behoefte aan het bondgenootschap met Engeland ook gevoeld werd, toch bestond er eene aanzienlijke partij, die met de ingewilligde voorwaarden niet volkomen vrede had en die vreesde, dat de eerzuchtige gunsteling der koningin zijne invloedrijke waardigheid in de Nederlanden—even als eens de hertog van Anjou—misbruiken zou om de vrijheden en rechten der provinciën te verkorten. Aan het hoofd dezer partij stond Johan van Oldenbarneveld.Oldenbarneveld was een scherpzinnig, in alle staatszaken doorkneed en hooggeacht man, die nadat hij met het zwaard in de vuist voor zijn vaderland gestreden had, zijnen landgenooten nog grootere diensten had bewezen door zijne diplomatieke en staatkundige werkzaamheid. Hij was tot dusver pensionaris van Rotterdam geweest, doch thans door de Hollandsche Staten tot advocaat van Holland1benoemd. Toen in de algemeene Staten, na het sluiten van het verbond met Engeland het besluit genomen werd om den graaf van Leicester aan het hoofd van het geheele staatsbestuur te plaatsen en hem de waardigheid van gouverneur-generaal met de meest uitgebreide macht op te dragen, bewerkte Oldenbarneveld, dat Holland en Zeeland van hunne zijde den jeugdigen graaf Maurits van Nassau tot hunnen stadhouder benoemden en hem de waardigheid van Kapitein-Generaal over de geheele land- en zeemacht der beide provinciën opdroegen.Door dat besluit werd Leicester’s macht, eer hij nog in de Nederlanden was verschenen, zeer beperkt, doch tevens de grond gelegd tot het ontstaan van twee partijen, waarvan de kiemen reeds voorhanden waren.Reeds toen bestond er eene zekere spanning tusschen de ijverige Calvinisten, die eischten, dat de kerk den staat beheerschen zou, tusschen de aanhangers van de eigenaardige democratische kerkinrichting, welke Calvijn vroeger te Genève had ingevoerd, en de meer bezonnen staatslieden, die den staat boven de kerk stelden en de geestelijken slechts als dienaars van den staat beschouwden. De leden der Staten van Holland en Zeeland, de aristocratie des lands met Johan van Oldenbarneveld en in dien tijd ook met den jeugdigen Maurits van Nassau aan het hoofd, behoorden tot laatstgenoemde richting, terwijl zij, die in grooten getale om der godsdienst wil uit Brabant en Vlaanderen naar Holland waren uitgeweken, schier zonder uitzondering de zijde der eerstgenoemde partij kozen, welke bovendien door de groote massa des volks werd gesteund. Nog was de partijtwist niet openlijk uitgebarsten, doch die uitbarsting werd verhaast door de poging van Oldenbarneveld om Leicester’s macht te beperken, want de partij der dweepzieke Calvinisten beschouwde Leicester als haar natuurlijken leider.Den 19enDecember 1585 kwam Leicester met een gevolg van 500 edellieden te Vlissingen aan. Hij werd door het volk met blij gejuich verwelkomd en door Maurits van Nassau, Willem Lodewijk van Nassau, den graaf van Hohenlohe en de overige hoogste waardigheidsbekleders in de Nederlanden schitterend ontvangen. Voor het uiterlijke bestond er dus de beste verstandhouding, doch het zaad der tweedracht was reeds uitgestrooid, want Leicester gevoelde zich door de verheffing van den jeugdigen Maurits van Nassau tot stadhouder van Holland en Zeeland in zijne eerzucht diep gekrenkt.De eerste stappen, welke Leicester deed, verzekerden hem van veler ingenomenheid; hij bewerkte, dat de verdienstelijke Treslong uit zijne onwaardige gevangenschap ontslagen en dat Oldenbarneveld in zijn ambt als advocaat van Holland en Zeeland bevestigd werd, hij betoonde zich een krachtig beschermer van de Calvinisten en verwierf zich daardoor vele vrienden, die luide hunne blijdschap uitspraken, toen de Algemeene Staten hem de waardigheid van algemeen landvoogd opdroegen met zulk eene uitgebreide macht, dat koningin Elisabeth daarover vertoornd werd en zich bezwaard maakte over de macht, haren gunsteling geschonken, die toch ook haar vasal was en dien zij niet tot een onafhankelijk vorst wilde verheven zien.Doch die blijdschap en die eensgezindheid duurden niet lang, want Leicester was noch als krijgsman noch als staatsman bij machte om de hooggespannen verwachting, welke men van hem koesterde, te vervullen. Als veldheer behaalde hij geene enkele overwinning op den hertog van Parma en als staatsman beging hij noodlottige misslagen; door de partij der Vlaamsche Calvinisten te omhelzen en steun te zoeken bij de lagere volksklasse maakte hij zich de Nederlandsche aristocratie tot vijand en het was voor hem slechts eene schrale vergoeding, dat de uit de zuidelijke gewesten herwaarts verhuisde Nederlanders hem als een God vereerden.Leicester vestigde zijne residentie te Utrecht; reeds hierdoor krenkte hij de Hollanders, doch nog meer door de keuze van zijne raadslieden, en door de luchthartigheid, waarmede hij zich over de in Nederland heerschende denkbeelden en de geldende wetten heenzette. In zijn geheimen raad riep hij drie mannen, die deels wegens hun bezoedelden naam wantrouwen verwekten, deels als buitenlanders geen recht hadden om de hun opgedragen ambten te bekleeden.Reingoud, een Vlaming, was een bankbreukig koopman, die vroeger in dienst was geweest van den onthoofden Lamoraal van Egmond, doch zijnen weldoener verraden en zich later tot een werktuig van Granvelle, Alba en Requesens verlaagd had. Na de pacificatie van Gent was hij in dienst der Staten getreden, hij had het gezantschap naar Engeland vergezeld en zich daar Leicester’s gunst verworven. Hij deed zich nu voor als een van ijver blakend Calvinist; later ging hij weder tot het katholicisme over. In die dagen was hij de ijverigste dienaar van Leicester en het hoofd der Calvinistische Brabantsche uitgewekenen.Gerard Prouninck, genaamd Deventer, was om de godsdienst uit ’s Hertogenbosch gevlucht, toen deze stad op nieuw in de macht der Spanjaarden was gekomen. Op zijn zedelijk leven viel niets te zeggen, alleen zijne onverzadelijke, voor niets terugdeinzende eerzucht werd berispt; als geboren Brabander mocht hij geen staatsambt bekleeden; toch maakte Leicester hem burgemeester van Utrecht.Daniël de Burgraaf uit Vlaanderen had zich van een eenvoudig handwerksman tot procureur-generaal van Vlaanderen weten te verheffen. Hij was een schrander, maar gewetenloos mensch, die zich grooten invloed op Leicester had verworven. Deze bediende zich van hem des te liever als raadsman, omdat Burgraaf Engelsch sprak, wat toen slechts weinig Nederlanders verstonden, terwijl Leicester buiten zijn moedertaal slechts het Italiaansch machtig was. „Burgraaf is de trouwste, eerlijkste dienaar,” schreef Leicester over hem, „ik kan den man niet hoog genoeg prijzen, hij is de eenige steun, dien ik onder de lieden van dit volk gevonden heb.” Zoo gunstig dachten echter de Hollanders niet over den man, dien zij voor een omkoopbaar wezen, voor een spion hielden.Reingoud, Prouninck en Burgraaf waren de hoofden der Leicestersche partij. De graaf verleende hun zulk eene macht, dat zij ongestraft de wetten schenden, hunne vijanden en vele invloedrijke burgers zonder vorm van proces uit Utrecht bannen en de opengevallen ambten met hunne aanhangers bezetten konden. Reingoud maakte zich zelfs aan schandelijke handelingen schuldig; hij werd in hechtenis genomen, doch door Leicester’s tusschenkomst in vrijheid gesteld, zoodat hij naar België kon vluchten, waar hij, de ijverige Calvinist, terstond weer katholiek werd.De onrechtvaardigheden, door Leicester’s creaturen gepleegd, werden hem natuurlijk ten laste gelegd; zij verhoogden de ontevredenheid, die reeds tegen hem bestond, dewijl hij staatkundige maatregelen nam, welke op zich zelven wel verstandig, maar niet met het in de Nederlanden geldende gewoonterecht in overeenstemming waren. Niets schijnt natuurlijker dan Leicester’s streng verbod om den zuidelijken gewesten oorlogs- en mondbehoeften toe te voeren. Deze provinciën waren in de macht des vijands, elke aanvoer kwam ten bate van de Spanjaarden, die reeds groot gebrek leden en die Leicester door honger hoopte te bedwingen. Dat hij ook den onzijdigen mogendheden verbood, den vijand wapenen en levensmiddelen toe te voeren, dat de Engelsche bezetting in den Briel de schepen, welke de Maas opvoeren, aanhield en onderzocht, was een onvermijdelijk gevolg van den oorlog. De Hollandsche kooplieden dachten daar echter anders over, deze waren van oordeel, dat de Hollandsche handel door Leicester’s verbod benadeeld werd. Mochten de Hollanders den vijand niet de benoodigde krijgs- en levensmiddelen toevoeren, dan zouden andere volken goede zaken maken. Juist omdat de oorlog zware offers van het volk eischte, mocht men het de middelen niet ontnemen om geld te verdienen, mocht men den handel, ook met de zuidelijke gewesten, niet belemmeren. In elk geval was het beter, indien Hollandsche kooplieden dan wanneer vreemdelingen de winst, uit eene goede handelszaak met den vijand voortgesproten, in den zak staken.Zulk eene redeneering is, aan onze denkbeelden getoetst, zoo valsch mogelijk. Doch in het oog der Hollandsche kooplieden, handwerkslieden en boeren was zij volkomen juist en zij oefende zulk een invloed uit, dat Leicester het uitgevaardigde verbod in het jaar 1587 weer intrekken moest.Dit alles zou men den graaf wellicht vergeven hebben, indien hij ten minste had beantwoord aan de verwachtingen, welke het volk op zijn veldheerstalent en op Engeland’s hulp in den oorlog gebouwd had. Doch ook dit was niet het geval. De hertog van Parma behaalde onophoudelijk nieuwe voordeelen. Hij veroverde de beide vestingen Grave in Noord-Brabant en Venlo in Boven-Gelderland. Hierdoor was hij meester vanden geheelen loop der Maas tot aan de Hollandsche grenzen toe. Ook toen de oorlog op Duitsch grondgebied overgebracht werd, toen de Hollanders voor den tot het protestantisme toegetreden keurvorst Gebhard Truchsess van Waldburg, Parma daarentegen voor de katholieke vijanden van den keurvorst partij kozen, bleef de overwinning den Spanjaarden getrouw. Parma veroverde de sterke vesting Neusz en liet de bezetting over de kling jagen.Leicester had te vergeefs beproefd Neusz te ontzetten. Evenmin was het hem gelukt Zutfen, dat hij belegerde, weer aan den vijand te ontnemen. De verovering van eenige schansen aan den linkeroever van den IJssel, die de Veluwe dekten, was bijna de eenige vrucht, welke de met zooveel vertrouwen verbeide Engelsche hulp den Nederlanders opleverde.Hoewel de ontevredenheid over den landvoogd, wien men zulke groote voorrechten verleend had, in de Nederlanden reeds zeer groot was, bewaarde men toch nog den uiterlijken schijn van vriendschap. Toen Leicester na dien weinig roemrijken veldtocht in den Haag aankwam, ontving hij kostbare geschenken, doch tevens vernam hij vele ernstige klachten over zijn bestuur. Hij was zijne landvoogdij, die hem weinig vreugd en volstrekt geen roem aanbracht, reeds van ganscher harte moede: wel wilde hij die waardigheid niet geheel laten varen, maar hij verlangde sterk naar Engeland terug, waar juist toen het rechtsgeding der ongelukkige Maria Stuart zijne tegenwoordigheid zeer gewenscht maakte.Nadat hij aan de klachten der Staten zooveel mogelijk gehoor gegeven en den Raad van State het bewind overgedragen had, vertrok hij den 25enNovember 1586 naar Engeland. Voor zijn vertrek liet hij echter een geheime kabinetsorder achter, volgens welken de Raad van State gedurende zijne afwezigheid geen enkelen belangrijken maatregel nemen mocht; hij behield zich die na zijne terugkomst voor.Reeds dit geheime bevel, dat intusschen spoedig bekend werd, gaf Leicester’s vijanden rechtmatige oorzaak tot klachten, want in dit gevaarlijk tijdsgewricht werd daardoor de werkzaamheid van den Raad van State geheel verlamd; spoedig zagen zij zich eene nog gegronder reden voor hunne ontevredenheid geschonken. Het bleek namelijk, dat de Engelsche bevelhebbers niet minder omkoopbaar en trouweloos waren dan vele katholieke Nederlandsche edelen, die voor een handvol geld hun vaderland aan Spanje verraden hadden.In Januari 1587 gaven twee katholieke Engelschen, York en Stanley, Deventer en eene belangrijke schans aan de Spanjaarden over. De verontwaardiging over dit verraad was vooral in Holland en Zeeland zeer groot, men schreef het gebeurde aan geheime bevelen van Leicester toe, en toen nu zelfs koningin Elisabeth een nieuw gezantschap, dat haar op nieuw de heerschappij over de Nederlanden aanbood en haar om eene krachtiger ondersteuning verzocht, dan zij tot dusver had verleend, een alles behalve vriendelijk antwoord gaf, waarin zij zich over de snoode ondankhaarheid der provinciën beklaagde, klom in Holland de ontevredenheid over het bondgenootschap met Engeland tot zulk eene hoogte, dat de Staten aan prins Maurits de geheele leiding der oorlogszaken opdroegen en het leger een nieuwen eed afnamen, waarin niet van gehoorzaamheid aan Leicester en den Staatsraad, maar alleen van trouw aan de Staten-Generaal sprake was.Door deze krachtige houding der Staten van Holland, die de onafhankelijkheid en de rechten der Nederlanders tot elken prijs wilden handhavenen dus ook niet duldden, dat Prouninck, de burgemeester van Utrecht, zitting nam in de vergadering der Staten—waartoe hij als vreemdeling niet gerechtigd was—werden wel aan den éénen kant Leicester’s tegenstanders onder ééne banier vereenigd, maar evenzeer het ontstaan van eene verderfelijke partijschap bevorderd. Niet geheel tenonrechteverweet men den Hollanders, dat zij zich een onbehoorlijken invloed op de Staten-Generaal wilden aanmatigen, dat zij maar al te geneigd waren om de vrijheid der overige gewesten te onderdrukken en eene heerschappij uit te oefenen, waarop zij geen recht hadden. Naijver porde de overige provinciën tot verzet tegen Holland. Hierbij kwam, dat het bij elke omwenteling onvermijdelijke verschijnsel zich ook in de Nederlanden voordeed: de groote volksmenigte, die tot dusver geene staatkundige rechten had bezeten, werd zich van hare kracht bewust en eischte gelijkstelling met den tot dusver begunstigden adel en burgerstand. Ook de afzonderlijke gemeenten wilden zich onttrekken aan het gezag der Staten-Generaal en eischten eene mate van onafhankelijkheid, welke men haar wellicht in kalmer, vreedzamer tijden had kunnen toestaan, doch die in oorlogstijd alle aaneensluiting en dus alle krachtig verzet tegen de Spanjaarden onmogelijk zou gemaakt hebben.De verbreiding van het Calvinisme, dat uit zijn aard de democratische beginselen bij het volk versterkte, droeg er niet weinig toe bij om deze partijschap aan te vuren. De vurige Calvinisten waren reeds daarom tegenstanders der Staten van Holland, dewijl deze de kerk onder het staatsgezag plaatsen en de uitspattingen der dweepzucht beteugelen wilden; dewijl de Staten bovendien de vertegenwoordigers der aristocratische richting waren, verzette het volk zich nog krachtiger tegen hun invloed. Leicester’s vrienden wisten met groote sluwheid partij te trekken van deze vijandige stemming des volks jegens de regeerende partij. De geestelijken predikten tegen de onderdrukkers van het volk en van de godsdienst; uit Utrecht, waar Leicester’s partij het sterkst was, gingen gezanten naar Engeland, om zich over den treurigen toestand der kerk te beklagen. Een adres werd tot de bevolking van Holland gericht, ten einde de erkenning der volkssouvereiniteit als den laatsten grond van het staatsgezag te bewerken. Wilkes, het Engelsche lid van den Staatsraad, werkte deze pogingen in de hand door de verklaring, dat niet bij de Staten, maar bij de gemeenten de souvereiniteit berustte, dat de Staten niets dan vertegenwoordigers en dienaars van het volk waren.Ook meer dan één man van invloed en aanzien verzette zich tegen de krachtige houding, door de Staten van Holland tegenover Leicester aangenomen. Onder anderen deed dit de dappere Sonoy, die ronduit verklaarde, dat hij den gevorderden eed niet zou afleggen, en toen Maurits van Nassau en de graaf van Hohenlohe hem daartoe in persoon wilden overhalen, vonden zij de poorten van Medemblik gesloten.De gisting der gemoederen werd met elken dag heviger; de heillooze partijschap nam dagelijks toe; ook den baron van Buckhorst, een gematigd man, dien koningin Elisabeth naar de Nederlanden zond, om vrede te stichten, gelukte dit niet; Leicester’s partij drong onstuimig op des graven terugkeer aan.Het was een groot geluk voor de Nederlanders, dat ook de hertog van Parma zich juist in dien tijd in een zeer hachelijken toestand bevond; anders zou hij ongetwijfeld van de verdeeldheid der provinciën krachtiger partij hebben getrokken dan thans het geval was.Den hertog ontbraken in dien tijd schier alle middelen om den oorlog met goed gevolg voort te zetten. Door Spanje slechts flauw ondersteund, kon hij uit de door hem bezette Nederlandsche gewesten noch geld, noch levensmiddelen tot onderhoud van zijn leger trekken, want in de Spaansche Nederlanden, wanneer wij ons reeds van deze uitdrukking mogen bedienen, had de langdurige oorlog eene inderdaad onuitsprekelijke ellende te weeg gebracht. Velen der rijkste en aanzienlijkste burgers waren uit het land geweken en hadden hun vermogen in de noordelijke gewesten in veiligheid gebracht, dewijl zij hunne godsdienst niet wilden verloochenen. Hierdoor waren handel en verkeer aan het kwijnen geraakt en toen nu bovendien de oogst mislukte en Leicester’s verbod van uitvoer den toevoer van koren en andere levensmiddelen verhinderde, was een vreeselijke hongersnood uitgebroken. Vele dorpen stierven geheel uit. Eene onbeschrijfelijke ellende heerschte overal.Alleen de voor geen gevaar terugdeinzende, met alle hinderpalen spottende geestkracht van Alexander Farnese was in staat om onder zulke omstandigheden den strijd vol te houden en zelfs nog meer dan één voordeel te behalen. Hij sloeg het beleg voor Sluis, de beroemde havenstad van Brugge, die door jonker Arend van Groeneveld dapper verdedigd werd.In het begin van Juli 1587 keerde Leicester op de dringende beden zijner aanhangers uit Engeland terug. Hij wilde Sluis ontzetten, maar de Staten ondersteunden hem niet, zij zonden hem noch de gevraagde troepen, noch het noodige geschut en geld en ten gevolge hiervan viel de belangrijke stad in Parma’s handen. De geestkracht van Farnese had eene nieuwe zegepraal behaald, de treurige verdeeldheid der Nederlanders eene nieuwe nederlaag te weeg gebracht.Na Leicester’s terugkomst kwam wel voorshands eene schijnbare verzoening tot stand, maar terstond daarop brak het vuur der partijschap op nieuw uit. Leicester riep de Staten-Generaal te Dordrecht bijeen, maar de Hollanders weigerden te verschijnen; terecht beklaagde Leicester zich, dat de Nederlanders hem de middelen weigerden, om den oorlog krachtig door te zetten; hij eischte geld, troepen en uitbreiding van zijne macht. Daarentegen beklaagde de andere partij zich evenzeer terecht, wijl Engeland’s vriendschap zoo koel was, wijl koningin Elisabeth en zelfs Leicester heimelijk met den vijand onderhandelde, wijl de graaf zijne aanhangers in hun verzet tegen de Staten versterkte en allerlei slinksche middelen aanwendde om zich eene macht te verschaffen, waarop hij geen aanspraak had.Men koesterde omtrent hem het zeker niet geheel ongegrond vermoeden, dat hij van plan was, zich—evenals vroeger don Juan van Oostenrijk en de hertog van Anjou—door verraad in het bezit van versterkte plaatsen te stellen. Het kwam in verschillende steden tot onstuimige tooneelen, zelfs tot bloedige botsingen. Onder anderen was dit het geval te Amsterdam, te Utrecht en te Leiden.Leicester begreep eindelijk, dat hij niet bij machte was om den tegenstand te fnuiken, dien zijne heerschappij in de Nederlanden ontmoette. Hier kon hij geene lauweren plukken. Ontstemd, misnoegd, die onaangename twisten moede, besloot hij het land te verlaten. In December 1587 begaf hij zich naar Vlissingen, van hier keerde hij naar Engeland terug en kort daarop legde hij de landvoogdij neder.1Deze waardigheid van advocaat was hoogst belangrijk en schonk hem, die haar bekleedde, een grooten invloed. De advocaat bekleedde eenigermate de plaats van eersten staatsdienaar en minister. Hij was niet alleen, gelijk de naam schijnt aan te duiden, de rechtskundige raadsman der Staten, maar alle zaken, zelfs de onderhandelingen met het buitenland, gingen door zijne handen.Twee en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. Regeeringloosheid. Soldaten-oproeren. Oldenbarneveld’s verdiensten. Haat van Philips II tegen Engeland. De oorlog aan Engeland verklaard. De onoverwinlijke vloot. Parma’s krijgstoerustingen. Zijne plannen door de Nederlanders verijdeld. Gunstige keer der omstandigheden. Hachelijke toestand van Parma. Maurits van Nassau, tot stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel benoemd. Maurits als veldheer. Zijne hervorming van het krijgswezen. Maurits’ overwinningen gedurende de jaren 1590, 91 en 92. Parma’s beklagenswaardige toestand. Zijn dood.Waren de Nederlanders reeds gedurende Leicester’s bewind door innerlijke tweespalt verdeeld, die treurige toestand verergerde nog na des graven vertrek. Zijne aanhangers hoopten nog altijd op zijne terugkomst. Zij beschouwden hem als den wettig benoemden landvoogd en wilden hem alleen gehoorzamen. Dit althans gaven zij voor, maar inderdaad bedienden zij zich van zijnen naam slechts als van eene leuze, om aan hun verzet tegen de aristocratische Staten van Holland een schijn van recht te geven.De dweepzieke Calvinisten en de met hen vereenigde volkspartij, die het zwaartepunt der regeering naar de gemeenten wilde verplaatsen, ijverden tegen de Staten. In vele steden kwam het tot oproerige bewegingen, in het geheele land heerschte de treurigste verdeeldheid, die alle krachtige regeeringsmaatregelen onmogelijk maakte.Hierbij kwam de geest van muiterij, die zich onder het leger openbaarde. De soldaten wilden niet langer dulden, dat hunne soldij voor twee derden in geld en voor een derde in papier uitbetaald werd. Ook hen begunstigde de omstandigheid, dat Leicester wel de Nederlanden verlaten, maar niet zijne landvoogdij vormelijk neergelegd had. Zij volgden daarbij het voorbeeld van Sonoy, die nog altijd Medemblik voor Leicester bezet hield en eerst het hoofd in den schoot legde, toen de graaf in April 1588 plechtig van zijne waardigheid afstand deed.Het was een treurige, een onbeschrijfelijk treurige tijd! De Nederlandsche omwenteling scheen haar einde nabij, ja zij zou zeker geheel onderdrukt zijn geworden, indien niet de Staten van Holland in dezen tijd van den hoogsten nood onwrikbaar aan de zaak der vrijheid hadden vastgehouden.Oldenbarneveld was het die zijnen moed, zijne geestkracht en zijne standvastigheid aan de Staten mededeelde, die ook de zwakkere, meer vreesachtige gemoederen onwederstaanbaar medesleepte. Hij was het die,toen Elisabeth van Engeland met Philips II van Spanje over den vrede onderhandelde, de Staten noopte tot de verklaring, dat zij liever wilden ondergaan dan vrede sluiten; hij bood ook aan den aandrang der voorvechters van de volkssouvereiniteit krachtig het hoofd, wijl hij overtuigd was, dat de onafhankelijkheid der gemeenten de krachten der natie versnipperen en haar tot verderen tegenstand onbekwaam maken zou. Indien Oldenbarneveld in zijne ingenomenheid met aristocratische instellingen menigmaal te ver ging en zelfs rechtmatige eischen der volkspartij van de hand wees, dan mogen wij toch, bij al onze liefde voor de ontwikkeling der volksvrijheid, hem niet veroordeelen, dewijl hij alleen in overeenstemming met den geest van zijnen tijd handelde.De eerste drie maanden van het jaar 1588 waren—zegt een beroemd Nederlandsch schrijver—de gevaarlijkste voor het bestaan der Nederlandsche republiek sinds 20 jaren. Had Parma toen alle hem ten dienste staande middelen tot onderdrukking van den opstand aangewend, dan zou hij hierin ongetwijfeld geslaagd zijn. Tot geluk voor de Nederlanders waren den hertog echter de handen gebonden; hij kon niet naar eigen goeddunken handelen, maar moest de bevelen opvolgen, welke hij uit Spanje ontving: deze verboden hem een plan ten uitvoer te leggen, dat, zoo hij de handen vrij had gehad, zeker de onderdrukking van den Nederlandschen opstand zou hebben te weeg gebracht.Sinds vele jaren ging Philips II zwanger van den wensch om aan de kettersche koningin Elisabeth van Engeland den oorlog te verklaren. De rooftochten van de Engelsche scheepsbevelhebbers Drake en Cavendish tegen de Spaansch-Americaansche koopvaarders, de onderdrukking van de katholieke godsdienst in Engeland, Elisabeth’s vriendschap voor de Fransche en Nederlandsche ketters, dit alles deed den koning nog vuriger naar dien krijg wenschen, en toen Elisabeth nu zelfs openlijk voor de Nederlanders partij koos, toen zij haren gunsteling, den graaf van Leicester, de landvoogdij aanvaarden liet, en hem, zij het dan ook niet zeer krachtig, ondersteunde, werd de oorlog voor den koning van Spanje schier onvermijdelijk.Philips II was—gelijk wij reeds meermalen gezien hebben—geen vriend van snelle besluiten, doch met de hardnekkigheid, hem eigen, bereidde hij zich op een beslissenden slag voor; de uitvoering van zijn plan werd door het aan Maria Stuart voltrokken doodvonnis nog bespoedigd.In de aanzienlijkste havens van Spanje was men sinds lang bezig met het uitrusten van eene vloot, wier gelijke de wereld nog nooit aanschouwd had. Zij telde ongeveer honderd dertig schepen, met ruim 3000 vuurmonden en eene bemanning van bijna 30.000 koppen, de matrozen en de galeislaven er onder gerekend. Bovendien trof men aan boord eene schaar vrijwilligers, uit de aanzienlijkste geslachten van Spanje gesproten, en bijna driehonderd bedelmonniken, priesters en gerechtsdienaars aan. Onder die schepen bevonden zich omstreeks zestig galjoenen, vier galjassen en even vele galeien, alle reusachtige zeekasteelen, waarvan enkele met torenhooge bolwerken aan den voor- en achtersteven en van binnen met statiezalen, hutten, kapellen en kansels voorzien waren. Bovendien waren zij rijkelijk met tenten, wimpels, standaards, heiligenbeelden, enz. versierd.Ook in de Nederlanden had de hertog van Parma zich krachtig ten strijde toegerust en een leger van 30.000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Italië, Duitschland en Bourgondië bijeengetrokken. Deze troepen moesten zich in de onder de Spaansche heerschappij teruggebrachte havens vanSluis, Duinkerken en Nieuwpoort inschepen. Ook een aanzienlijk getal koopvaarders had de hertog verzameld en gedeeltelijk in oorlogschepen veranderd.Parma wenschte de onder zijne bevelen staande macht in de eerste plaats aan te wenden om de Nederlanders te onderwerpen. Hij hield den koning voor, dat het thans mogelijk was de muiters ten onder te brengen, dat een aanval op Engeland juist na het onderwerpen van de Nederlanden met de beste kans van slagen ondernomen kon worden en dat het in elk geval noodzakelijk was, zich vóór het begin van den oorlog van de Hollandsche en Zeeuwsche havens te verzekeren, opdat de Spaansche vloot, bij een ongelukkigen afloop van den strijd, een veilig toevluchtsoord mocht bezitten.Koning Philips was intusschen te zeer verbitterd over den dood van Maria Stuart, om aan zulke voorslagen, hoe juist ook, het oor te leenen, hij meende bovendien alle maatregelen zoo goed genomen te hebben, dat de overwinning hem niet ontgaan kon. Hij hield zich overtuigd, dat eene door Parma ondersteunde landing op Engeland’s onbeschermde kusten zeker gelukken en der kettersche koningin den troon kosten moest. Hij brak daarom de nog altijd hangende onderhandelingen met Engeland af en gaf Parma bevel, al zijne strijdkrachten tot ondersteuning van de Armada aan te wenden.Nadat de vloot, die door Philips reeds bij voorbaat de „onoverwinnelijke” genoemd werd, onder bevel van den hertog van Medina Sidonia, in de laatste dagen van Mei verzameld en onder zeil gegaan was, werd zij bij kaap Finisterre door een hevigen storm overvallen, die haar noodzaakte om in de haven van Corunna binnen te loopen, ten einde de geleden schade te herstellen. Den 22enJuli daaraanvolgende koos zij op nieuw zee en den 29enkreeg zij het eerst het doel van haren tocht, de Engelsche kusten, in het gezicht.Hier had men echter niet stil gezeten. Eene vloot van 67 zeilen—later tot ongeveer 150 schepen van grooter en kleiner afmeting aangegroeid—wachtte in het kanaal den vijand af. Zij werd aangevoerd door uitstekende bevelhebbers als Howard, Drake, Hawkins en Frobisher. Reeds bij het eerste treffen, den 30enJuli, bleek het, dat de Engelsche zeelieden in zeemanschap en de Engelsche vaartuigen in bruikbaarheid voor het zeegevecht de Spaansche even ver overtroffen als hunne vloot wat het aantal, de grootte en bewapening der schepen betrof, voor de Armada moest onderdoen. Aanhoudend bestookt door de Engelschen, die den overmachtigen vijand gevoelige afbreuk deden, maar zich niet in een beslissend treffen met hem inlieten, bereikte de Spaansche scheepsmacht den 6enAugustus de reede van Calais, waar zij het anker liet vallen, om hier den hertog van Parma met zijne landingstroepen af te wachten, opdat zij gezamenlijk de verovering van Engeland zouden ondernemen. De Engelschen lieten de vijandelijke vloot hier echter evenmin met rust; zij zonden gedurende den volgenden nacht branders op haar af, die twee schepen in vlammen deden opgaan en onder de overige zulk eene verwarring aanrichtten, dat vele vaartuigen ontredderd werden. De Armada verliet nu hare stelling en zette noordwaarts koers, steeds gevolgd door de Engelschen, die haar bij het Grevelingsche zand zoo duchtig aantastten, dat Medina Sidonia zijne vereeniging met Parma en de landing in Engeland opgaf en zijn heil in de vlucht zocht. De Engelschen zetten den vijand tot den 12enAugustus na;zij namen eene snoevende houding aan, om hem schrik aan te jagen, hoewel zij noch kruit, noch levensmiddelen meer hadden. De Spanjaarden poogden langs het noorden van Schotland de Spaansche havens weer te bereiken. Op dien tocht hadden zij met aanhoudende en hevige stormen te kampen, die het vernielingswerk der Engelschen duchtig voortzetten. Van de 134 schepen, die in Juli de haven Corunna verlaten hadden, keerden niet meer dan 53 vaartuigen in Spanje terug, doch deze waren zoo deerlijk gehavend, dat zij niet meer geschikt waren om zee te bouwen. Van de 30.000 man, die zich op de vloot hadden bevonden, zag ongeveer een derde hun vaderland weer. Een groot aantal bevelhebbers was gesneuveld of krijgsgevangen; anderen stierven na hunne thuiskomst, tengevolge van de doorgestane vermoeienissen.Waarom was Parma niet opgedaagd? Wat hadden de Hollanders en Zeeuwen uitgericht, terwijl de Engelsche vloot met de Armada slaags was?Zoodra de tijding, dat Philips zich ernstig tot een inval in Engeland toerustte, om daarna den oproerigen Nederlanders den kop te vermorselen, in Holland bekend werd, had men daar maatregelen van tegenweer genomen. Alles kwam er op aan, Parma’s landing te beletten door hem met zijne transportschepen in de havens van Sluis, Nieuwpoort en Duinkerken op te sluiten. Eene Hollandsch-Zeeuwsche vloot werd daartoe onder de bevelen van Justinus van Nassau, van der Does, Warmond en Joost de Moor gesteld. Zij hadden hunne eer verpand, dat zij den hertog niet zouden laten ontsnappen. En zij hielden woord! Zelfs geen sloep had een der genoemde havens kunnen verlaten, zoo waakzaam bespiedden zij alle zeegaten. Meer dan eens lokten zij zelfs Parma uit om in zee te steken, van begeerte brandende om ook met de Spanjaarden aan den dans te gaan. Maar Parma liet zich hiertoe niet verleiden. Hij wist maar al te goed, dat zulk een strijd den ondergang van zijn geheele leger na zich slepen moest.Komt dus aan de Engelsche zeelieden alle eere toe voor het beleid en de onversaagdheid, in het bestrijden van de Armada ten toon gespreid, de Nederlandsche vloot heeft aanspraak op gelijken lof. Indien het Parma gelukt was, den 6enof 7enAugustus naar Engeland over te steken, terwijl de Engelsche en Spaansche vloten slaags waren, dan zou de geschiedenis van het Britsche rijk, ja van gansch Europa wellicht een geheel anderen loop genomen hebben.Met den ondergang der Armada vangt voor de Nederlanders een tijdperk van overwinning en voorspoed aan; als door een tooverslag was eensklaps de stand van zaken te hunnen gunste veranderd. Het bondgenootschap met Engeland, dat tot dusver weinig had beteekend, was door de gemeenschappelijk behaalde overwinning steviger dan ooit bevestigd. De veerkracht, de moed en de hulpmiddelen der Nederlanders waren aangegroeid, terwijl Philips’ hulpbronnen aan geld en manschappen tengevolge van het ontzettende verlies, dat hij geleden had, bijna geheel waren uitgeput. Hierbij kwam nog, dat ook in Frankrijk tengevolge van de troonsbestijging van Hendrik IV weldra de zaken voor de Nederlanders eene gunstige wending namen. Toen Philips II de ligue tegen Hendrik IV ondersteunde, zag Parma zich genoodzaakt om zijn leger te verdeelen en daardoor zijne kracht te versnipperen. Op de oproerige Nederlanders alleen had hij wellicht nog meer dan eene overwinning kunnen behalen, maar de Nederlanders en Hendrik IV tegelijk te bevechten, dat ging boven zijnemacht. Bovendien werd Parma in het jaar 1589 ziek en kreeg hij nooit zijne volle kracht terug; zijne werkzaamheid werd verlamd door kuiperijen, welke zijne vijanden aan het Spaansche hof tegen hem smeedden; de krijgstucht onder de Spaansche troepen verdween bijna geheel, tengevolge van de onregelmatige betaling van hunne soldij, en zelfs des hertogs geestkracht was niet bij machte om die volkomen te herstellen.Onder zulke omstandigheden was het den Nederlanders mogelijk, van een verdedigingskrijg tot een aanvallenden oorlog over te gaan. Zij konden er aan denken, de belangrijkste, hun ontnomen steden te heroveren en de uitkomst bekroonde hunne pogingen. Zij dankten dit in de eerste plaats aan den jeugdigen Maurits van Nassau.Maurits, graaf van Nassau, de tweede zoon van den overleden Willem van Oranje, had tot het tijdstip, waarop Leicester zijne waardigheid als landvoogd nederlegde, meer eene schijnbare dan eene werkelijke macht bezeten. Wel was hij stadhouder van Holland en Zeeland en kapitein-generaal der land- en zeemacht, doch zijn invloed bleef in weerwil van die titels zeer beperkt, dewijl de oudere staats- en krijgslieden zich wel gaarne van den beroemden naam van Willem’s zoon bedienden, maar in den nog zoo jongen man—die tot dus ver geene gelegenheid had gevonden om zich te onderscheiden—niet genoeg vertrouwen stelden om zich geheel aan hem te onderwerpen.De jonge vorst zag zijne macht aanzienlijk uitgebreid, toen de graaf van Nieuwenaar en Meurs, de stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel, stierf. De graaf, vroeger een ijverig aanhanger van Leicester, had geheel met diens partij gebroken en deze, door wier invloed de burgemeester Prouninck te Utrecht regeerde, met de hulp der patriciërs ten val gebracht. Prouninck werd uit Utrecht gebannen en de stadhouder voerde op nieuw de patricische regeering in. In het jaar 1590 stierf Nieuwenaar. Maurits werd eenigen tijd daarna met diens waardigheid bekleed en verkreeg daardoor eene hoogst belangrijke en invloedrijke plaats in het bestuur der republiek.Maurits had de taak om de Nederlanders van de Spaansche heerschappij te verlossen als een heilig erfdeel zijns vaders aanvaard en zich voortreflijk toegerust tot hare vervulling. In die dagen hadden de Nederlanders meer behoefte aan een uitstekend veldheer dan aan een scherpzinnig staatsman, en juist voor veldheer was Maurits bovenal geschikt.Met een stalen vlijt had hij zich op de studie der oude krijgskunst en der wiskunde toegelegd. De in den wapenhandel vergrijsde bevelhebbers lachten aanvankelijk wel dikwijls om den onervaren jongeling, die naar het voorbeeld der Grieken en Romeinen oorlog dacht te voeren en het hoofd vol had van wiskunstige figuren en berekeningen; zij vermoedden volstrekt niet, dat Maurits spoedig in zekeren zin de schepper van eene nieuwe krijgskunst zou worden.Kalm en koelbloedig, gelijk zijne lievelingswetenschap de wiskunde, ging Maurits ten strijde, de oorlog was voor hem eene zaak van berekening, een schaakspel in het groot, gelijk hij daarvan ook in het klein een vurig minnaar was. Hoewel bezield door eene groote persoonlijke dapperheid, die hem menigmaal verleidde om zijn leven meer in gevaar te stellen dan den veldheer past, was hij toch volstrekt geen vriend van vermetele, dolzinnige ondernemingen. De roem, dien anderen door schitterende wapenfeiten trachten te verwerven, liet hem geheel onverschillig,de avontuurlijke ridderlijkheid van don Juan Van Oostenrijk ontbrak hem ten eenemale. Nooit was hij geneigd tot gewaagde plannen, waarbij het geluk den moed ter hulp komen moest, om ze te doen gelukken; slechts aarzelend en alleen dan, wanneer hij daartoe genoodzaakt werd, stelde hij zich aan de wisselvallige kansen van een veldslag bloot. Bij de verdediging en belegering van vestingen zocht hij zijn heil nooit in woedende aanvallen en onverhoedsche bestormingen, waarbij de kansen van welslagen en mislukken tamelijk gelijk stonden.Hij voerde den oorlog niet om den oorlog zelven en ook niet om den roem, en daarom vatte hij altijd slechts één doelwit in het oog, namelijk met zoo weinig mogelijk offers zooveel mogelijk voordeel te behalen. Geheel in strijd met de gewoonte van andere veldheeren zijner dagen, was hij uiterst spaarzaam met menschenlevens, die hij nooit voor eene schitterende, maar in de gevolgen onvruchtbare onderneming op het spel zette. Het oorlogstooneel was—gelijk we reeds zeiden—in zijne schatting een reusachtig schaakbord, waarop hij met een kalm hoofd en een scherpen blik zijne eigene zetten en die zijner tegenpartij vooruit berekende. Volgens vooraf rijp overwogen plannen bracht hij zijne ondernemingen ten uitvoer, zonder zich ooit door hartstocht tot overijling te laten vervoeren. Indien hij zijn leven meermalen op het spel zette, deed hij dat alleen om in persoon de uitvoering van zijne plannen te bewaken en te besturen, dewijl van de kalmte en juistheid, waarmede dit geschiedde, de uitslag zijner berekeningen afhing.De eerste vrucht van Maurits’ krijgskundige studiën was de overtuiging, dat men op een klein, goed gewapend en geoefend, aan eene strenge tucht gewend leger beter vertrouwen kan, dan op talrijke, maar ongeregelde benden.Het leger der republiek telde, na aftrekking van de voor de bezetting der steden vereischte manschappen, niet veel meer dan 10.000 man voetvolk en 2000 ruiters. Meer dan de helft der soldaten waren vreemdelingen, Duitschers, Engelschen, Schotten en Franschen, dappere maar roofgierige huurlingen, die slechts zoo lang trouw bleven als hunne soldij uitbetaald werd, die buitendien elke gelegenheid tot plunderen ook van bevriende plaatsen aangrepen en steeds geneigd waren tot muiterij, zoodra men hunne roofzucht beteugelen wilde.Deze benden aan orde en tucht te gewennen, beschouwde Maurits als zijne eerste en belangrijkste taak. Hij zorgde voor eene regelmatige uitbetaling van de soldij, doch tevens voerde hij eene strenge krijgstucht in. Zelfs geringe vergrijpen tegen de tucht strafte hij zonder genade met den dood. Elk soldaat, die het waagde, slechts eene kleinigheid te rooven, werd zonder omwegen neergestooten of opgehangen. Slechts door zulke doortastende maatregelen was het mogelijk, de roofzucht der soldaten te beteugelen, daar deze alleen door vrees te regeeren waren.Tot dusver waren bij de verdediging en belegering van vestingen de schanswerken tot stand gebracht door burgers of boeren, die men tot dezen gehaten arbeid preste, de soldaten wilden zulk slavenwerk niet verrichten, hun trots verbood hun dit; ook vonden zij het veel aangenamer een lui en gemakkelijk leventje te leiden, wanneer zij niet moesten vechten.Reeds meer dan eens had deze gewoonte de wrangste vruchten gedragen. De leegloopende soldaten sloegen elk oogenblik tot groote uitspattingen,tot mishandeling en berooving van burgers en boeren en tot muiterij over, terwijl de gepreste schanswerkers den hun opgedrongen arbeid niet dan slecht en langzaam verrichtten.Maurits brak zonder aarzelen met die oude gewoonte; hij dwong zijne soldaten tot arbeiden; in den beginne morden zij wel, doch daar hij den schanswerkers boven hunne gewone soldij een niet onaanzienlijke toelage schonk, schikten zij zich in hun lot; zij deden dit des te eerder, omdat het rooven en stelen hun door de strenge krijgstucht toch onmogelijk gemaakt werd.Ook in de indeeling en de wapening van het leger voerde Maurits belangrijke wijzigingen in, waarover zijne oude officieren aanvankelijk het hoofd schudden; doch weldra zagen zij in, dat de jonge man, met zijne aan de Grieken en Romeinen ontleende theoriën toch gelijk had en dat hij bovendien de kunst verstond om ook de beginselen der nieuwe wetenschap, der wiskunde praktisch op het oorlogvoeren toe te passen. Zij kregen achting voor dien praktischen vriend van oude en nieuwe theoriën en gehoorzaamden hem gewillig.Zonder al te uitvoerig te worden, kunnen wij de oorlogen, door Maurits in de jaren 1590, 1591 en 1592 gevoerd, niet in alle bijzonderheden beschrijven. Wij merken alleen op, dat de jonge veldheer met eene bewonderenswaardige juistheid zijne plannen ontwierp en uitvoerde, dat hij een aantal belangrijke vestingen, als Breda, Zutfen, Deventer, Nijmegen, enz. den Spanjaarden ontrukte en ook in een open veldslag den Spaanschen veldheer Verdugo eene nederlaag toebracht.Parma was niet in staat om Maurits die overwinningen te betwisten. Genoodzaakt om nu eens in Frankrijk, dan weer in de Nederlanden oorlog te voeren, zonder toch over de noodige manschappen en geldmiddelen te kunnen beschikken, in zijne bewegingen belemmerd door de kuiperijen zijner vijanden aan het Spaansche hof, door ziekte uitgeput en schier tot wanhoop gebracht door de gedachte, dat de overwinning van zijne vanen was geweken, zag hij den roem tanen, dien hij zich door zijne vroegere wapenfeiten verworven had.Hij was vóór den tijd een grijsaard, ja de schaduw geworden van hetgeen hij vroeger was. Zijne sombere gemoedsstemming verergerde de ziekte, waaraan hij ten gevolge van slecht genezen wonden leed, en den 3enDecember 1592 stierf hij, toen hij juist op het punt stond om op ’s konings bevel een nieuwen tocht naar Frankrijk te ondernemen. Hij liet den roem na, dat hij de bekwaamste van al de Spaansche landvoogden in de Nederlanden was geweest en zelfs zijne vijanden stemmen toe, dat hij niet alleen als veldheer, maar ook als staatsman rechtmatige hulde verdient, maar aan den anderen kant kunnen ook zijne vereerders niet ontkennen, dat deze goede hoedanigheden ontsierd en ten deele weer uitgewischt worden door zijne echt Italiaansche trouwloosheid en door de lichtzinnigheid, waarmede hij de geldzaken placht te behandelen. Hij stond toe dat zijne gunstelingen, zijne bijzit Franselina en zijne kamerdienaars zich ten koste van het land verrijkten.Drie en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. Peter Ernst van Mansfeld, Parma’s opvolger. Wreede wijze van oorlogvoeren. Merkwaardige belegering van Geertruidenberg. De Nederlanders mengen zich in de Fransche geschillen. De landvoogd aartshertog Ernst van Oostenrijk. Zijne onbekwaamheid. Groningen veroverd en tot de Unie teruggebracht. Aerschot’s einde. Dood van aartshertog Ernst. De graaf van Fuentes. Aartshertog Albertus van Oostenrijk. Zijn karakter. Philips Willem van Oranje keert naar de Nederlanden terug. Voordeelen, door Albertus op Frankrijk behaald. Amiens veroverd door de Spanjaarden en heroverd door Hendrik IV. Vrede van Vervins. De Nederlanden afgestaan aan Isabella Clara Eugenia en aartshertog Albertus. Vruchtelooze vredesonderhandelingen met de oproerige Nederlanden. Ziekte en dood van Philips II.De oude graaf Peter Ernst van Mansfeld was Parma’s opvolger. Hij was nog minder dan zijn bekwame voorganger in staat om op de thans met elken dag sterker wordende opstandelingen eenig voordeel te behalen. Door wreede gestrengheid meende hij, overeenkomstig den raad van den Spaanschen graaf de Fuentes, die op hem een onbeperkten invloed uitoefende, den muiters schrik te kunnen inboezemen. Hij vaardigde in den aanvang van het jaar 1593 het bevel uit, dat in ’t vervolg geene gevangenen meer uitgewisseld of losgekocht mochten worden, maar dat zij allen moesten worden gedood. Doch hij werkte daardoor niets anders uit, dan dat de Nederlanders van hunnen kant maatregelen van weerwraak namen. Afgrijselijke moordtooneelen, van beide zijden aangericht, waren het eenige gevolg van dit onzinnig bevel, dat weldra ingetrokken moest worden.Maurits trok van Mansfeld’s zwakheid partij, om nadat hij Friesland voldoende gedekt had, zich tegen Geertruidenberg te wenden en deze belangrijke vesting te belegeren. Bij deze gelegenheid gaf hij schitterende proeven van zijn veldheerstalent.Met een legertje van niet meer dan 5000 man ondernam hij het beleg. Dewijl hij alle oogenblikken kon verwachten, dat Mansfeld met groote overmacht tot ontzet der stad zou aanrukken, wierp hij rondom de vesting eene versterkte legerplaats op, die hij van wallen en grachten voorzag. Hij bereikte volkomen zijn doel, want toen Mansfeld nu werkelijk met 12000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Frankrijk, waar hij tegen Hendrik IV gestreden had, toesnelde, vond hij Maurits voor Geertruidenberg zoo sterk verschanst, dat hij niets ten bate der belegerden kon uitrichten.De oude graaf was hierover woedend en hij gaf aan zijne ergernis lucht, toen Maurits hem, naar aanleiding van eene weinig beteekenende onderhandeling, een trompetter toezond. „Wat beduidt het,”—zeide hij—„dat uw heer achter schansen wegkruipt? Het zou hem als een jong en moedig veldheer beter passen, in het open veld te verschijnen en een slag te wagen.”„Het is waar,” antwoordde de trompetter gevat, „mijn heer is nog een jong veldheer, maar juist omdat hij gaarne zulk een oud veldheer zou willen worden als Uwe Excellentie, stelt hij zich niet zonder noodzakelijkheid bloot.”De omstanders lachten, maar de graaf van Mansfeld beet zich op de lippen en wist op het treffend antwoord geen gepast wederwoord te vinden. Maar evenmin wist hij gepaste maatregelen te nemen tot het ontzet van Geertruidenberg; hij moest de belegerde veste aan haar lot overlaten, daar de levensmiddelen hem begonnen te ontbreken, terwijl in de vijandelijke legerplaats overvloed heerschte.Den 24enJuni 1593 gaf Geertruidenberg zich over. Maurits benoemde zijn jeugdigen, negenjarigen broeder Frederik Hendrik tot bevelhebber der stad, doch stelde hem natuurlijk een bekwaam officier ter zijde.Andere belangrijke voordeelen werden in dezen veldtocht noch aan de eene, noch aan de andere zijde behaald. Beide partijen versnipperden hare krachten door zich te mengen in den Franschen burgeroorlog; de Nederlanders ondersteunden Hendrik IV, de Spanjaarden kozen de zijde van zijne tegenstanders.Intusschen had Philips II in de hoop, dat het een vorst uit het huis Habsburg gelukken zou, de Nederlanders op nieuw te onderwerpen, den aartshertog Ernst van Oostenrijk, den tweeden zoon van keizer Maximiliaan II en broeder van keizer Rudolf II, tot landvoogd over de Nederlanden benoemd. In het begin van het jaar 1594 hield Ernst zijn plechtigen intocht binnen Brussel. Zijne komst wekte in de zuidelijke Nederlanden blijde en grootsche verwachtingen, maar weldra bleek het, dat hij volstrekt niet de man was om die te verwezenlijken. Hij was evenmin een veldheer als een staatsman. Vadsig en zwak van karakter was hij bovendien zedeloos en wreed: binnen korten tijd maakte hij zich bij alle partijen gehaat en veracht, het meest bij de Spaansche soldaten zelven.Nauwelijks had hij het bestuur aanvaard, of hij knoopte onderhandelingen tot herstel van den vrede aan; hij eischte, dat de Staten in onderwerping zouden komen en poogde hen tevens door algemeene, niets beteekenende beloften te winnen. Zijne voorslagen werden natuurlijk afgewezen.Evenmin als in deze onderhandelingen slaagde aartshertog Ernst in het aanwenden van een ander middel tot herstel van den vrede. Hij wilde de Nederlanders van hunne hoofden en aanvoerders berooven. Gelijk eens Willem van Oranje door de hand eens sluipmoordenaars gevallen was, moesten thans volgens des landvoogds plan prins Maurits, Oldenbarneveld, de kanselier Leoninus en andere hoofden der omwenteling vermoord worden, doch de samenzwering, met des aartshertogs hulp tot bereiking van dit doel gesmeed, werd ontdekt en werkte niets anders uit, dan dat in de noordelijke gewesten de landvoogd Ernst, ja het geheele Oostenrijksche huis nog inniger dan vroeger gehaat werd.In het veld was de aartshertog even ongelukkig als in de staatkunde. Hij kon niet verhinderen, dat Maurits Groningen belegerde en deze stadna eene dappere verdediging van twee maanden, den 22enJuli 1594 innam. Zoo werd Groningen met de Ommelanden op nieuw tot de Unie teruggebracht en deze bestond thans uit zeven vereenigde gewesten.Met elken dag werd de toestand van den aartshertog hachelijker. In zijn leger brak telkens muiterij uit. De Italiaansche huurbenden sloegen de handen ineen en sloten op eigen gezag met Maurits eene soort van wapenstilstand. Ook de Spanjaarden gehoorzaamden hem niet langer. Zij trokken plunderend door de zuidelijke Nederlanden en weigerden te vechten, voordat hunne soldij stipt uitbetaald was.In zijne wanhoop riep Ernst den adel en de geestelijkheid, de beide eerste standen van Brabant, in het begin van het jaar 1595 te Brussel bijeen. Doch ook deze stap baatte hem niets; hij was niet in staat om den vrede, waarop men algemeen aandrong, tot stand te brengen, daar de vijand dien niet wilde, en evenmin kon hij den wensch van den hertog van Aerschot,1verwijdering van al de Spaansche troepen, om zoo eene verzoening met de vereenigde provinciën te bewerken, inwilligen.De aartshertog Ernst werd spoedig van den zwaren last zijner waardigheid ontheven; hij stierf den 20enFebruari 1595; zijn opvolger was voorloopig, tot groot misnoegen der Nederlanders, de Spaansche graaf Fuentes, die in den veldtocht van het jaar 1595 eenige voordeelen behaalde, eenige steden in Picardië en zelfs het belangrijke, tot dusver door Fransche troepen bezette Kamerijk veroverde.Philips II had intusschen voor de landvoogdij in de Nederlanden weer een vorst uit het Habsburgsche huis verkozen, namelijk den aartshertog Albertus, den jongeren broeder van den overleden Ernst.Albertus was in Spanje opgevoed en had de waardigheid van kardinaal ontvangen. Als ijverig katholiek scheen hij de rechte man om de heilige katholieke kerk in de zuidelijke Nederlanden te beschermen. Bovendien had hij zich gedurende den veldtocht in Portugal een bekwaam krijgsman betoond en ook als stadhouder van Portugal vrij groote bekwaamheden als regent aan den dag gelegd. Zijn karakter wordt door geschiedschrijvers, die zijne tijdgenooten waren, geroemd; men zegt, dat hij rechtschapen, rechtvaardig, matig en werkzaam was. Ook zijne vroomheid wordt gehuldigd en daarbij opgemerkt, dat hij toch niet dweepziek was; wellicht was hij het niet volgens de begrippen van dien tijd, maar wij kunnen, omtrent zijne verdraagzaamheid geene hooge gedachten koesteren, wanneer we zien, dat hij eene Brusselsche dienstmaagd wegens ketterij verbranden liet.Den 29enJuni 1596 kwam aartshertog Albertus met 3000 man Spaansche troepen in de Nederlanden aan. Hij werd in de zuidelijke gewesten met blijdschap ontvangen, wijl de inwoners hoopten, nu althans van den gehaten graaf Fuentes ontslagen te zullen worden. Al werd deze wensch vervuld, al werd Fuentes, de om zijne wreedheid gevreesde en gehate veldheer teruggeroepen, toch plukten de koningsgezinde Nederlanders daarvan niet de minste vruchten. In de plaats van Fuentes kwam als Spaansch veldheer de admiraal van Arragon, don Francisco de Mendozaen evenals voorheen, werden de hoogste en invloedrijkste ambten, zoo in het leger als in den staat, aan Spanjaarden geschonken.Met den aartshertog Albertus kwam ook een man in de Nederlanden, die een hoog vereerden naam droeg, en van wiens werkzaamheid tot onderdrukking van den opstand koning Philips II zich gouden bergen beloofde. Philips Willem, de oudste zoon van den prins van Oranje, zag eindelijk, na eene drie en dertigjarige afwezigheid zijn vaderland weder.Op eene andere plaats hebben wij reeds verhaald, dat Philips Willem van Oranje geheel en al een Spanjaard geworden was. Hij was een ijverig aanhanger der katholieke kerkleer. Op zijne reis naar zijn vaderland toch had hij eerst Rome bezocht en daar den heiligen vader de voeten gekust. Hij stond in nauwe vriendschapsbetrekking met den aartshertog Albertus en was bezield met den vurigen wensch, dat zoowel de vrede tusschen Spanje en de Nederlanden als de heerschappij der katholieke kerk in de laatstgenoemde gewesten hersteld mocht worden.Philips II had Philips Willem jaren lang met een wantrouwend oog gadegeslagen; thans meende hij echter van zijne gehechtheid zeker te zijn. Hij hoopte, dat de Nederlanders hem, om den wil van zijns vaders nagedachtenis, met luide toejuichingen zouden ontvangen, doch tevens hoopte hij, dat er tusschen Philips Willem en zijn jongeren broeder Maurits over beider aanspraken op de vaderlijke nalatenschap een heftige twist ontstaan zou, waardoor de macht en de invloed van prins Maurits natuurlijk gefnuikt zouden worden.Hoe fijn Philips’ berekening ook was, toch had hij zich ditmaal verrekend: Philips Willem weigerde de rol te spelen, welke men hem in de Nederlanden had toegedacht. Toen de Staten-Generaal hem bij zijne terugkomst wel met een gelukwensen begroetten, ja hem uit de opbrengst zijner goederen de som van 10.000 gulden overzonden, maar tevens den wensch uitspraken, dat hij, ten einde geene ontevredenheid te verwekken, niet in de noordelijke Nederlanden verschijnen zou, willigde hij dien wensch in. Kalm en waardig antwoordde hij, dat elk opzet om der vrijheid van zijn vaderland te schaden, ver van hem verwijderd was, dat hij niets anders begeerde dan den staat van dienst te zijn en de welvaart van zijn land te bevorderen. Aan den aartshertog Albertus verklaarde hij, dat hij volkomen bereid was om het zwaard voor den koning van Spanje te voeren, maar nooit tegen de Nederlanders. Hij nam dan ook dapper deel aan den veldtocht tegen Frankrijk, maar niet aan den strijd tegen zijn vaderland, waartegen hij, in weerwil van zijne gehechtheid aan Philips en aan de katholieke godsdienst, niet vijandig wilde overstaan.De wapenen van den aartshertog waren in het begin zijner regeering, vooral in den oorlog tegen Frankrijk, zeer gelukkig. Meer dan ééne belangrijke stad viel in de macht der Spanjaarden; o. a. werd Calais stormenderhand ingenomen en ook Amiens veroverd. Doch weldra keerde de kans.Nadat reeds eene vereenigde Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel van Howard, Essex en den heer van Warmond, Cadix ingenomen en in brand gestoken en de Spaansche vloot van 60 oorlogschepen vernietigd had, streed prins Maurits in het jaar 1597 met goed gevolg tegen de Spanjaarden en bevrijdde hij, vergezeld door zijn eerst 13jarigen, krijgshaftigen broeder Frederik Hendrik, de provinciën ten noorden van den Rijn van de Spanjaarden. Ook Hendrik IV van Frankrijk maakte een eind aan dewerkeloosheid, waarin hij een tijd lang verzonken was geweest, hij belegerde Amiens. Alle pogingen der Spanjaarden om de stad te ontzetten, waren vruchteloos: den 25enSeptember 1597 moest de vesting zich overgeven. Zooveel tegenspoed deed eindelijk den halstarrigen Philips II zwichten. Dagelijks toch zag de Spaansche koning zijn toestand verergeren. Al zijne middelen tot voortzetting van den oorlog waren uitgeput. Alle schatten uit de koloniën waren niet toereikende geweest om weer nieuwe legers aan te werven en uit te rusten. Even spoedig als het goud uit Peru en Mexico in Spanje aankwam, even spoedig verdween het weder. De koning had schulden op schulden gemaakt, de Spaansche inkomsten waren voor vele jaren verpand, de rente der schuld, ten bedrage van 140 millioen ducaten, kon door het uitgeputte land niet meer opgebracht worden. Reeds in het jaar 1575 had Philips II eene poging gewaagd om door het verlagen van de rente verbetering in zijn geldelijken toestand aan te brengen: doch in het jaar 1596 was hij nog verder gegaan: hij had een schandelijk bankroet gemaakt, door te verklaren dat hij voor het welzijn der christenheid zijne schuldeischers niet betalen kon; doch ook door dit afkeurenswaardig middel had hij zijn geldelijken toestand niet verbeterd.Hij was den oorlog moede, zoowel dien tegen Frankrijk als tegen de Nederlanders, hij verlangde naar vrede en knoopte daarom met Hendrik IV onderhandelingen aan, die weldra tot het gewenschte doel leidden, dewijl ook de Fransche koning vurig naar het einde van den oorlog wenschte.Voor de vereenigde Nederlanden waren deze vredesonderhandelingen een zware slag. De Staten-Generaal hadden besloten, den strijd voor de vrijheid met de uiterste krachtsinspanning voort te zetten; alle aansporingen om vrede te sluiten, die in het jaar 1597 van verschillende zijden—o. a. door den keizer, door Denemarken en Polen—tot hen gericht werden, hadden zij dan ook met eene weigering beantwoord; doch tot voortzetting van den krijg was het Fransche bondgenootschap voor hen van het hoogste belang. Zij zonden derhalve Justinus van Nassau—een onwettigen spruit van het beroemde geslacht—met Oldenbarneveld naar Frankrijk en boden Hendrik IV geld en manschappen aan tot voortzetting van den krijg, doch hunne moeite was vergeefsch. Wel verzekerde Hendrik IV hun, dat hij steeds de trouwe vriend der Nederlanders zou blijven, doch hij sloot, in weerwil hiervan, den vrede van Vervins den 2enMei 1598.Ten einde ook den vrede met de Nederlanders tot stand te brengen, nam Philips II de toevlucht tot een nieuw middel. Hij huwde zijne 32-jarige dochter Isabella Clara Eugenia uit aan den aartshertog Albertus en stond haar den 6enMei 1598 de Nederlanden met Franche Comté af, alleen onder voorwaarde, dat het land, in geval het huwelijk kinderloos bleef, weer aan de Spaansche kroon zou vervallen.De staten der zuidelijke provinciën hadden, toen Philips II hun zijn plan mededeelde, zeer onderdanig geantwoord, dat het hun wel diep smartte, aan de regeering van hun genadigen en grooten koning onttrokken te worden, maar dat zij overeenkomstig hunnen plicht zijn evenbeeld zouden huldigen. Van deze zijde alzoo werd aan Philips’ plan geen hinderpaal in den weg gelegd, doch tot den vrede met de noordelijke gewesten leidde het niet.Deze hadden hun haat tegen Spanje ook op den Duitschen tak vanhet vorstenhuis overgedragen, zij wilden in ’t geheel niet meer onder de heerschappij van een zijner afstammelingen staan. Te dikwijls waren zij bedrogen om thans geloof te slaan aan eenige beloften, slechts in hunne eigene kracht zagen zij den waarborg voor hunne vrijheid. Hoewel Albertus hun de schitterendste beloften deed,—de geheele regeeringsvorm zou blijven bestaan, prins Maurits zou zijne waardigheid behouden en bovendien met het opperbevel in een oorlog tegen de Turken bekleed worden—hoewel hij volle godsdienstvrijheid toezegde, waren de Staten noch tot den vrede, noch tot een wapenstilstand te bewegen. Door Oldenbarneveld’s tusschenkomst sloten zij een nieuw verdrag met koningin Elisabeth van Engeland en de oorlog werd voortgezet.Zoo zag Philips II al zijne pogingen om de in opstand verkeerende Nederlanden op nieuw aan de macht van zijn huis te onderwerpen, mislukken. Na zulk een langdurigen strijd had hij niets gewonnen. De ketterij had in zijne erflanden over alle vervolgingen gezegevierd en dit was wellicht het grootste verdriet, dat hem kwelde, toen hij op een langdurig en smartelijk ziekbed geworpen werd.Von Raumer schildert ons des konings laatste levensdagen met de volgende treffende woorden:„Reeds gedurende twee jaren was Philips sterk door het podagra gekweld, doch thans nam zijn lijden op eene vreeselijke wijze toe. Zweren ontstonden op een aantal plaatsen van zijn lichaam, open wonden aan het been en de knie. Nu eens werd hij hier, dan daar gebrand en gesneden en hem onder anderen een vinger der rechterhand afgezet, zonder dat dit alles eene noemenswaardige verbetering aanbracht. Integendeel, op vier plaatsen ging zijne borst open en zulk een onnoemlijk aantal luizen en wormen kroop daaruit te voorschijn, dat geene middelen bij machte waren om ze te verdelgen en vele menschen onophoudelijk bezig waren ze weg te vangen. Hierbij kwam een uitputtend bloedverlies en zulk een ondragelijke stank, dat men het bijna niet bij hem volhouden kon. Drie en vijftig dagen moest hij, dewijl elke beweging hem de ondragelijkste pijnen veroorzaakte, onbewegelijk op zijn rug liggen; tengevolge hiervan kleefde het linnen aan zijn lichaam zoo vast, dat men het slechts met de grootste moeite kon losweeken. Gedurende al dezen tijd legde hij het grootste geduld en een bewonderenswaardige kalmte en gelatenheid aan den dag; tot zijne vertroosting liet hij zich de lijdensgeschiedenis van Jezus voorlezen. „Al deze smarten,” sprak hij, „zijn niet zoo groot als die, welke ik over mijne zonden gevoel.” Op zijn sterfbed waarschuwde hij zijn zoon, geene groote, eerzuchtige plannen te vormen; „langs dezen weg,”voegde hij er bij, „heb ik 600 millioen ducaten en de levens van 20 millioen menschen zonder eenige vrucht verspild.”Den 13enSeptember 1598 stierf Philips II in het Escurial, zijn geliefkoosd verblijf, dat hij in de nabijheid van Madrid gebouwd had, in het 71stejaar zijns levens. Zijne regeering was een vloek voor alle aan zijn schepter onderworpen landen geweest en toch is zij voor de ontwikkeling der volksvrijheid in Europa een zegen geworden, dewijl zij door overmaat van wreedheid en dwingelandij den Nederlandschen opstand veroorzaakt en daardoor den eersten stoot aan de beweging tot verdediging der vrijheid in ons werelddeel gegeven heeft.1Aerschot’s rol was uitgespeeld. Door zijne trouwloosheid en zijne wankelmoedigheid had de hertog al den invloed verloren, waarop hij door zijn rang aanspraak had kunnen maken. Na het mislukken van deze laatste poging om vrede te sluiten, begaf hij zich naar Venetië, om daar ten minste—gelijk hij zeide—als een vrij man te sterven. Niemand betreurde zijn vertrek. Kort daarop stierf hij in Italië.

Een en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. Onderhandelingen met Engeland. Elisabeth weigert de souvereiniteit. Verbond met Engeland. Voorwaarden. Bezorgdheid der Hollandsche patriotten. Johan van Oldenbarneveld. Leicester, door de Staten-Generaal tot algemeen stadhouder verkozen. Graaf Maurits van Nassau, stadhouder en kapitein-generaal van Holland. Ontstaan der partijen. Blijde ontvangst van Leicester. Leicester te Utrecht. Zijne staatkundige misslagen. Reingoud, Prouninck en Burggraaf. Hunne willekeur. Het verbod van uitvoer. Voordeelen door Parma behaald. Grave en Venlo. Oorlog op Duitsch grondgebied. Leicester’s eervolle ontvangst in den Haag. Leicester vertrekt naar Engeland. Zijn geheime kabinetsorder. Verraad van York en Stanley. Gisting in Holland. Partijstrijd. Leicester’s terugkomst. Vruchtelooze pogingen om zijne macht uit te breiden. Hij verlaat de Nederlanden enlegtde landvoogdij neder.Reeds staande de onderhandelingen met Frankrijk, waren ook in Engeland Nederlandsche agenten werkzaam geweest om van koningin Elisabeth krachtige hulp tegen Spanje te verwerven, doch de koningin had eene vrij groote onverschilligheid aan den dag gelegd. Bracht Engeland’s belang aan den éénen kant mede, de Nederlanders te ondersteunen en daardoor de macht van Spanje te ondermijnen, toch was Elisabeth aan den anderen kant niet geneigd om zich in een ernstigen oorlog met Spanje te wikkelen; bovendien streed het tegen haren koninklijken trots, met opstandelingen tegen een door God gezalfden koning een bondgenootschap aan te gaan, hoe rechtvaardig hun strijd tegen de Spaansche dwingelandij ook mocht zijn.De ondersteuning, welke Elisabeth tot dusver den Nederlanders had verleend, had ten gevolge daarvan weinig beteekend en eerst toen na den val van Antwerpen het gevaar, dat de opstand geheel onderdrukt zou worden, dreigender werd dan ooit, begreep de koningin, dat zij krachtiger dan tot heden voor de Nederlanders in de bres moest springen. Doch nog altijd kon zij niet besluiten, den wensch te vervullen, dien een plechtig Nederlandsch gezantschap haar overbracht, om de souvereiniteit over de provinciën te aanvaarden. Zij wees de haar aangeboden kroon van de hand en weigerde ook een eeuwig aanvallend en verdedigend verbond te sluiten, maar zij verklaarde zich bereid om den Nederlanders een leger van 5000 man voetvolk en 1000 ruiters onder een uitstekend veldheer ter hulp te zenden, wanneer haar de vestingen Vlissingen en Rammekens in Zeeland en de Briel in Holland als onderpanden voor de terugbetaling van de gemaakte oorlogskosten werden ingeruimd. Buitendien eischte dekoningin, dat de door haar te benoemen landvoogd, de bevelhebbers der verpande steden en twee andere Engelschen in den Raad van State zouden worden opgenomen.De Algemeene Staten namen deze voorwaarden aan en de koningin droeg nu aan haren gunsteling, Robert Dudley, graaf van Leicester, het opperbevel over het Engelsche leger op.Hoe algemeen in de Nederlanden de behoefte aan het bondgenootschap met Engeland ook gevoeld werd, toch bestond er eene aanzienlijke partij, die met de ingewilligde voorwaarden niet volkomen vrede had en die vreesde, dat de eerzuchtige gunsteling der koningin zijne invloedrijke waardigheid in de Nederlanden—even als eens de hertog van Anjou—misbruiken zou om de vrijheden en rechten der provinciën te verkorten. Aan het hoofd dezer partij stond Johan van Oldenbarneveld.Oldenbarneveld was een scherpzinnig, in alle staatszaken doorkneed en hooggeacht man, die nadat hij met het zwaard in de vuist voor zijn vaderland gestreden had, zijnen landgenooten nog grootere diensten had bewezen door zijne diplomatieke en staatkundige werkzaamheid. Hij was tot dusver pensionaris van Rotterdam geweest, doch thans door de Hollandsche Staten tot advocaat van Holland1benoemd. Toen in de algemeene Staten, na het sluiten van het verbond met Engeland het besluit genomen werd om den graaf van Leicester aan het hoofd van het geheele staatsbestuur te plaatsen en hem de waardigheid van gouverneur-generaal met de meest uitgebreide macht op te dragen, bewerkte Oldenbarneveld, dat Holland en Zeeland van hunne zijde den jeugdigen graaf Maurits van Nassau tot hunnen stadhouder benoemden en hem de waardigheid van Kapitein-Generaal over de geheele land- en zeemacht der beide provinciën opdroegen.Door dat besluit werd Leicester’s macht, eer hij nog in de Nederlanden was verschenen, zeer beperkt, doch tevens de grond gelegd tot het ontstaan van twee partijen, waarvan de kiemen reeds voorhanden waren.Reeds toen bestond er eene zekere spanning tusschen de ijverige Calvinisten, die eischten, dat de kerk den staat beheerschen zou, tusschen de aanhangers van de eigenaardige democratische kerkinrichting, welke Calvijn vroeger te Genève had ingevoerd, en de meer bezonnen staatslieden, die den staat boven de kerk stelden en de geestelijken slechts als dienaars van den staat beschouwden. De leden der Staten van Holland en Zeeland, de aristocratie des lands met Johan van Oldenbarneveld en in dien tijd ook met den jeugdigen Maurits van Nassau aan het hoofd, behoorden tot laatstgenoemde richting, terwijl zij, die in grooten getale om der godsdienst wil uit Brabant en Vlaanderen naar Holland waren uitgeweken, schier zonder uitzondering de zijde der eerstgenoemde partij kozen, welke bovendien door de groote massa des volks werd gesteund. Nog was de partijtwist niet openlijk uitgebarsten, doch die uitbarsting werd verhaast door de poging van Oldenbarneveld om Leicester’s macht te beperken, want de partij der dweepzieke Calvinisten beschouwde Leicester als haar natuurlijken leider.Den 19enDecember 1585 kwam Leicester met een gevolg van 500 edellieden te Vlissingen aan. Hij werd door het volk met blij gejuich verwelkomd en door Maurits van Nassau, Willem Lodewijk van Nassau, den graaf van Hohenlohe en de overige hoogste waardigheidsbekleders in de Nederlanden schitterend ontvangen. Voor het uiterlijke bestond er dus de beste verstandhouding, doch het zaad der tweedracht was reeds uitgestrooid, want Leicester gevoelde zich door de verheffing van den jeugdigen Maurits van Nassau tot stadhouder van Holland en Zeeland in zijne eerzucht diep gekrenkt.De eerste stappen, welke Leicester deed, verzekerden hem van veler ingenomenheid; hij bewerkte, dat de verdienstelijke Treslong uit zijne onwaardige gevangenschap ontslagen en dat Oldenbarneveld in zijn ambt als advocaat van Holland en Zeeland bevestigd werd, hij betoonde zich een krachtig beschermer van de Calvinisten en verwierf zich daardoor vele vrienden, die luide hunne blijdschap uitspraken, toen de Algemeene Staten hem de waardigheid van algemeen landvoogd opdroegen met zulk eene uitgebreide macht, dat koningin Elisabeth daarover vertoornd werd en zich bezwaard maakte over de macht, haren gunsteling geschonken, die toch ook haar vasal was en dien zij niet tot een onafhankelijk vorst wilde verheven zien.Doch die blijdschap en die eensgezindheid duurden niet lang, want Leicester was noch als krijgsman noch als staatsman bij machte om de hooggespannen verwachting, welke men van hem koesterde, te vervullen. Als veldheer behaalde hij geene enkele overwinning op den hertog van Parma en als staatsman beging hij noodlottige misslagen; door de partij der Vlaamsche Calvinisten te omhelzen en steun te zoeken bij de lagere volksklasse maakte hij zich de Nederlandsche aristocratie tot vijand en het was voor hem slechts eene schrale vergoeding, dat de uit de zuidelijke gewesten herwaarts verhuisde Nederlanders hem als een God vereerden.Leicester vestigde zijne residentie te Utrecht; reeds hierdoor krenkte hij de Hollanders, doch nog meer door de keuze van zijne raadslieden, en door de luchthartigheid, waarmede hij zich over de in Nederland heerschende denkbeelden en de geldende wetten heenzette. In zijn geheimen raad riep hij drie mannen, die deels wegens hun bezoedelden naam wantrouwen verwekten, deels als buitenlanders geen recht hadden om de hun opgedragen ambten te bekleeden.Reingoud, een Vlaming, was een bankbreukig koopman, die vroeger in dienst was geweest van den onthoofden Lamoraal van Egmond, doch zijnen weldoener verraden en zich later tot een werktuig van Granvelle, Alba en Requesens verlaagd had. Na de pacificatie van Gent was hij in dienst der Staten getreden, hij had het gezantschap naar Engeland vergezeld en zich daar Leicester’s gunst verworven. Hij deed zich nu voor als een van ijver blakend Calvinist; later ging hij weder tot het katholicisme over. In die dagen was hij de ijverigste dienaar van Leicester en het hoofd der Calvinistische Brabantsche uitgewekenen.Gerard Prouninck, genaamd Deventer, was om de godsdienst uit ’s Hertogenbosch gevlucht, toen deze stad op nieuw in de macht der Spanjaarden was gekomen. Op zijn zedelijk leven viel niets te zeggen, alleen zijne onverzadelijke, voor niets terugdeinzende eerzucht werd berispt; als geboren Brabander mocht hij geen staatsambt bekleeden; toch maakte Leicester hem burgemeester van Utrecht.Daniël de Burgraaf uit Vlaanderen had zich van een eenvoudig handwerksman tot procureur-generaal van Vlaanderen weten te verheffen. Hij was een schrander, maar gewetenloos mensch, die zich grooten invloed op Leicester had verworven. Deze bediende zich van hem des te liever als raadsman, omdat Burgraaf Engelsch sprak, wat toen slechts weinig Nederlanders verstonden, terwijl Leicester buiten zijn moedertaal slechts het Italiaansch machtig was. „Burgraaf is de trouwste, eerlijkste dienaar,” schreef Leicester over hem, „ik kan den man niet hoog genoeg prijzen, hij is de eenige steun, dien ik onder de lieden van dit volk gevonden heb.” Zoo gunstig dachten echter de Hollanders niet over den man, dien zij voor een omkoopbaar wezen, voor een spion hielden.Reingoud, Prouninck en Burgraaf waren de hoofden der Leicestersche partij. De graaf verleende hun zulk eene macht, dat zij ongestraft de wetten schenden, hunne vijanden en vele invloedrijke burgers zonder vorm van proces uit Utrecht bannen en de opengevallen ambten met hunne aanhangers bezetten konden. Reingoud maakte zich zelfs aan schandelijke handelingen schuldig; hij werd in hechtenis genomen, doch door Leicester’s tusschenkomst in vrijheid gesteld, zoodat hij naar België kon vluchten, waar hij, de ijverige Calvinist, terstond weer katholiek werd.De onrechtvaardigheden, door Leicester’s creaturen gepleegd, werden hem natuurlijk ten laste gelegd; zij verhoogden de ontevredenheid, die reeds tegen hem bestond, dewijl hij staatkundige maatregelen nam, welke op zich zelven wel verstandig, maar niet met het in de Nederlanden geldende gewoonterecht in overeenstemming waren. Niets schijnt natuurlijker dan Leicester’s streng verbod om den zuidelijken gewesten oorlogs- en mondbehoeften toe te voeren. Deze provinciën waren in de macht des vijands, elke aanvoer kwam ten bate van de Spanjaarden, die reeds groot gebrek leden en die Leicester door honger hoopte te bedwingen. Dat hij ook den onzijdigen mogendheden verbood, den vijand wapenen en levensmiddelen toe te voeren, dat de Engelsche bezetting in den Briel de schepen, welke de Maas opvoeren, aanhield en onderzocht, was een onvermijdelijk gevolg van den oorlog. De Hollandsche kooplieden dachten daar echter anders over, deze waren van oordeel, dat de Hollandsche handel door Leicester’s verbod benadeeld werd. Mochten de Hollanders den vijand niet de benoodigde krijgs- en levensmiddelen toevoeren, dan zouden andere volken goede zaken maken. Juist omdat de oorlog zware offers van het volk eischte, mocht men het de middelen niet ontnemen om geld te verdienen, mocht men den handel, ook met de zuidelijke gewesten, niet belemmeren. In elk geval was het beter, indien Hollandsche kooplieden dan wanneer vreemdelingen de winst, uit eene goede handelszaak met den vijand voortgesproten, in den zak staken.Zulk eene redeneering is, aan onze denkbeelden getoetst, zoo valsch mogelijk. Doch in het oog der Hollandsche kooplieden, handwerkslieden en boeren was zij volkomen juist en zij oefende zulk een invloed uit, dat Leicester het uitgevaardigde verbod in het jaar 1587 weer intrekken moest.Dit alles zou men den graaf wellicht vergeven hebben, indien hij ten minste had beantwoord aan de verwachtingen, welke het volk op zijn veldheerstalent en op Engeland’s hulp in den oorlog gebouwd had. Doch ook dit was niet het geval. De hertog van Parma behaalde onophoudelijk nieuwe voordeelen. Hij veroverde de beide vestingen Grave in Noord-Brabant en Venlo in Boven-Gelderland. Hierdoor was hij meester vanden geheelen loop der Maas tot aan de Hollandsche grenzen toe. Ook toen de oorlog op Duitsch grondgebied overgebracht werd, toen de Hollanders voor den tot het protestantisme toegetreden keurvorst Gebhard Truchsess van Waldburg, Parma daarentegen voor de katholieke vijanden van den keurvorst partij kozen, bleef de overwinning den Spanjaarden getrouw. Parma veroverde de sterke vesting Neusz en liet de bezetting over de kling jagen.Leicester had te vergeefs beproefd Neusz te ontzetten. Evenmin was het hem gelukt Zutfen, dat hij belegerde, weer aan den vijand te ontnemen. De verovering van eenige schansen aan den linkeroever van den IJssel, die de Veluwe dekten, was bijna de eenige vrucht, welke de met zooveel vertrouwen verbeide Engelsche hulp den Nederlanders opleverde.Hoewel de ontevredenheid over den landvoogd, wien men zulke groote voorrechten verleend had, in de Nederlanden reeds zeer groot was, bewaarde men toch nog den uiterlijken schijn van vriendschap. Toen Leicester na dien weinig roemrijken veldtocht in den Haag aankwam, ontving hij kostbare geschenken, doch tevens vernam hij vele ernstige klachten over zijn bestuur. Hij was zijne landvoogdij, die hem weinig vreugd en volstrekt geen roem aanbracht, reeds van ganscher harte moede: wel wilde hij die waardigheid niet geheel laten varen, maar hij verlangde sterk naar Engeland terug, waar juist toen het rechtsgeding der ongelukkige Maria Stuart zijne tegenwoordigheid zeer gewenscht maakte.Nadat hij aan de klachten der Staten zooveel mogelijk gehoor gegeven en den Raad van State het bewind overgedragen had, vertrok hij den 25enNovember 1586 naar Engeland. Voor zijn vertrek liet hij echter een geheime kabinetsorder achter, volgens welken de Raad van State gedurende zijne afwezigheid geen enkelen belangrijken maatregel nemen mocht; hij behield zich die na zijne terugkomst voor.Reeds dit geheime bevel, dat intusschen spoedig bekend werd, gaf Leicester’s vijanden rechtmatige oorzaak tot klachten, want in dit gevaarlijk tijdsgewricht werd daardoor de werkzaamheid van den Raad van State geheel verlamd; spoedig zagen zij zich eene nog gegronder reden voor hunne ontevredenheid geschonken. Het bleek namelijk, dat de Engelsche bevelhebbers niet minder omkoopbaar en trouweloos waren dan vele katholieke Nederlandsche edelen, die voor een handvol geld hun vaderland aan Spanje verraden hadden.In Januari 1587 gaven twee katholieke Engelschen, York en Stanley, Deventer en eene belangrijke schans aan de Spanjaarden over. De verontwaardiging over dit verraad was vooral in Holland en Zeeland zeer groot, men schreef het gebeurde aan geheime bevelen van Leicester toe, en toen nu zelfs koningin Elisabeth een nieuw gezantschap, dat haar op nieuw de heerschappij over de Nederlanden aanbood en haar om eene krachtiger ondersteuning verzocht, dan zij tot dusver had verleend, een alles behalve vriendelijk antwoord gaf, waarin zij zich over de snoode ondankhaarheid der provinciën beklaagde, klom in Holland de ontevredenheid over het bondgenootschap met Engeland tot zulk eene hoogte, dat de Staten aan prins Maurits de geheele leiding der oorlogszaken opdroegen en het leger een nieuwen eed afnamen, waarin niet van gehoorzaamheid aan Leicester en den Staatsraad, maar alleen van trouw aan de Staten-Generaal sprake was.Door deze krachtige houding der Staten van Holland, die de onafhankelijkheid en de rechten der Nederlanders tot elken prijs wilden handhavenen dus ook niet duldden, dat Prouninck, de burgemeester van Utrecht, zitting nam in de vergadering der Staten—waartoe hij als vreemdeling niet gerechtigd was—werden wel aan den éénen kant Leicester’s tegenstanders onder ééne banier vereenigd, maar evenzeer het ontstaan van eene verderfelijke partijschap bevorderd. Niet geheel tenonrechteverweet men den Hollanders, dat zij zich een onbehoorlijken invloed op de Staten-Generaal wilden aanmatigen, dat zij maar al te geneigd waren om de vrijheid der overige gewesten te onderdrukken en eene heerschappij uit te oefenen, waarop zij geen recht hadden. Naijver porde de overige provinciën tot verzet tegen Holland. Hierbij kwam, dat het bij elke omwenteling onvermijdelijke verschijnsel zich ook in de Nederlanden voordeed: de groote volksmenigte, die tot dusver geene staatkundige rechten had bezeten, werd zich van hare kracht bewust en eischte gelijkstelling met den tot dusver begunstigden adel en burgerstand. Ook de afzonderlijke gemeenten wilden zich onttrekken aan het gezag der Staten-Generaal en eischten eene mate van onafhankelijkheid, welke men haar wellicht in kalmer, vreedzamer tijden had kunnen toestaan, doch die in oorlogstijd alle aaneensluiting en dus alle krachtig verzet tegen de Spanjaarden onmogelijk zou gemaakt hebben.De verbreiding van het Calvinisme, dat uit zijn aard de democratische beginselen bij het volk versterkte, droeg er niet weinig toe bij om deze partijschap aan te vuren. De vurige Calvinisten waren reeds daarom tegenstanders der Staten van Holland, dewijl deze de kerk onder het staatsgezag plaatsen en de uitspattingen der dweepzucht beteugelen wilden; dewijl de Staten bovendien de vertegenwoordigers der aristocratische richting waren, verzette het volk zich nog krachtiger tegen hun invloed. Leicester’s vrienden wisten met groote sluwheid partij te trekken van deze vijandige stemming des volks jegens de regeerende partij. De geestelijken predikten tegen de onderdrukkers van het volk en van de godsdienst; uit Utrecht, waar Leicester’s partij het sterkst was, gingen gezanten naar Engeland, om zich over den treurigen toestand der kerk te beklagen. Een adres werd tot de bevolking van Holland gericht, ten einde de erkenning der volkssouvereiniteit als den laatsten grond van het staatsgezag te bewerken. Wilkes, het Engelsche lid van den Staatsraad, werkte deze pogingen in de hand door de verklaring, dat niet bij de Staten, maar bij de gemeenten de souvereiniteit berustte, dat de Staten niets dan vertegenwoordigers en dienaars van het volk waren.Ook meer dan één man van invloed en aanzien verzette zich tegen de krachtige houding, door de Staten van Holland tegenover Leicester aangenomen. Onder anderen deed dit de dappere Sonoy, die ronduit verklaarde, dat hij den gevorderden eed niet zou afleggen, en toen Maurits van Nassau en de graaf van Hohenlohe hem daartoe in persoon wilden overhalen, vonden zij de poorten van Medemblik gesloten.De gisting der gemoederen werd met elken dag heviger; de heillooze partijschap nam dagelijks toe; ook den baron van Buckhorst, een gematigd man, dien koningin Elisabeth naar de Nederlanden zond, om vrede te stichten, gelukte dit niet; Leicester’s partij drong onstuimig op des graven terugkeer aan.Het was een groot geluk voor de Nederlanders, dat ook de hertog van Parma zich juist in dien tijd in een zeer hachelijken toestand bevond; anders zou hij ongetwijfeld van de verdeeldheid der provinciën krachtiger partij hebben getrokken dan thans het geval was.Den hertog ontbraken in dien tijd schier alle middelen om den oorlog met goed gevolg voort te zetten. Door Spanje slechts flauw ondersteund, kon hij uit de door hem bezette Nederlandsche gewesten noch geld, noch levensmiddelen tot onderhoud van zijn leger trekken, want in de Spaansche Nederlanden, wanneer wij ons reeds van deze uitdrukking mogen bedienen, had de langdurige oorlog eene inderdaad onuitsprekelijke ellende te weeg gebracht. Velen der rijkste en aanzienlijkste burgers waren uit het land geweken en hadden hun vermogen in de noordelijke gewesten in veiligheid gebracht, dewijl zij hunne godsdienst niet wilden verloochenen. Hierdoor waren handel en verkeer aan het kwijnen geraakt en toen nu bovendien de oogst mislukte en Leicester’s verbod van uitvoer den toevoer van koren en andere levensmiddelen verhinderde, was een vreeselijke hongersnood uitgebroken. Vele dorpen stierven geheel uit. Eene onbeschrijfelijke ellende heerschte overal.Alleen de voor geen gevaar terugdeinzende, met alle hinderpalen spottende geestkracht van Alexander Farnese was in staat om onder zulke omstandigheden den strijd vol te houden en zelfs nog meer dan één voordeel te behalen. Hij sloeg het beleg voor Sluis, de beroemde havenstad van Brugge, die door jonker Arend van Groeneveld dapper verdedigd werd.In het begin van Juli 1587 keerde Leicester op de dringende beden zijner aanhangers uit Engeland terug. Hij wilde Sluis ontzetten, maar de Staten ondersteunden hem niet, zij zonden hem noch de gevraagde troepen, noch het noodige geschut en geld en ten gevolge hiervan viel de belangrijke stad in Parma’s handen. De geestkracht van Farnese had eene nieuwe zegepraal behaald, de treurige verdeeldheid der Nederlanders eene nieuwe nederlaag te weeg gebracht.Na Leicester’s terugkomst kwam wel voorshands eene schijnbare verzoening tot stand, maar terstond daarop brak het vuur der partijschap op nieuw uit. Leicester riep de Staten-Generaal te Dordrecht bijeen, maar de Hollanders weigerden te verschijnen; terecht beklaagde Leicester zich, dat de Nederlanders hem de middelen weigerden, om den oorlog krachtig door te zetten; hij eischte geld, troepen en uitbreiding van zijne macht. Daarentegen beklaagde de andere partij zich evenzeer terecht, wijl Engeland’s vriendschap zoo koel was, wijl koningin Elisabeth en zelfs Leicester heimelijk met den vijand onderhandelde, wijl de graaf zijne aanhangers in hun verzet tegen de Staten versterkte en allerlei slinksche middelen aanwendde om zich eene macht te verschaffen, waarop hij geen aanspraak had.Men koesterde omtrent hem het zeker niet geheel ongegrond vermoeden, dat hij van plan was, zich—evenals vroeger don Juan van Oostenrijk en de hertog van Anjou—door verraad in het bezit van versterkte plaatsen te stellen. Het kwam in verschillende steden tot onstuimige tooneelen, zelfs tot bloedige botsingen. Onder anderen was dit het geval te Amsterdam, te Utrecht en te Leiden.Leicester begreep eindelijk, dat hij niet bij machte was om den tegenstand te fnuiken, dien zijne heerschappij in de Nederlanden ontmoette. Hier kon hij geene lauweren plukken. Ontstemd, misnoegd, die onaangename twisten moede, besloot hij het land te verlaten. In December 1587 begaf hij zich naar Vlissingen, van hier keerde hij naar Engeland terug en kort daarop legde hij de landvoogdij neder.1Deze waardigheid van advocaat was hoogst belangrijk en schonk hem, die haar bekleedde, een grooten invloed. De advocaat bekleedde eenigermate de plaats van eersten staatsdienaar en minister. Hij was niet alleen, gelijk de naam schijnt aan te duiden, de rechtskundige raadsman der Staten, maar alle zaken, zelfs de onderhandelingen met het buitenland, gingen door zijne handen.

De Nederlanden. Onderhandelingen met Engeland. Elisabeth weigert de souvereiniteit. Verbond met Engeland. Voorwaarden. Bezorgdheid der Hollandsche patriotten. Johan van Oldenbarneveld. Leicester, door de Staten-Generaal tot algemeen stadhouder verkozen. Graaf Maurits van Nassau, stadhouder en kapitein-generaal van Holland. Ontstaan der partijen. Blijde ontvangst van Leicester. Leicester te Utrecht. Zijne staatkundige misslagen. Reingoud, Prouninck en Burggraaf. Hunne willekeur. Het verbod van uitvoer. Voordeelen door Parma behaald. Grave en Venlo. Oorlog op Duitsch grondgebied. Leicester’s eervolle ontvangst in den Haag. Leicester vertrekt naar Engeland. Zijn geheime kabinetsorder. Verraad van York en Stanley. Gisting in Holland. Partijstrijd. Leicester’s terugkomst. Vruchtelooze pogingen om zijne macht uit te breiden. Hij verlaat de Nederlanden enlegtde landvoogdij neder.

De Nederlanden. Onderhandelingen met Engeland. Elisabeth weigert de souvereiniteit. Verbond met Engeland. Voorwaarden. Bezorgdheid der Hollandsche patriotten. Johan van Oldenbarneveld. Leicester, door de Staten-Generaal tot algemeen stadhouder verkozen. Graaf Maurits van Nassau, stadhouder en kapitein-generaal van Holland. Ontstaan der partijen. Blijde ontvangst van Leicester. Leicester te Utrecht. Zijne staatkundige misslagen. Reingoud, Prouninck en Burggraaf. Hunne willekeur. Het verbod van uitvoer. Voordeelen door Parma behaald. Grave en Venlo. Oorlog op Duitsch grondgebied. Leicester’s eervolle ontvangst in den Haag. Leicester vertrekt naar Engeland. Zijn geheime kabinetsorder. Verraad van York en Stanley. Gisting in Holland. Partijstrijd. Leicester’s terugkomst. Vruchtelooze pogingen om zijne macht uit te breiden. Hij verlaat de Nederlanden enlegtde landvoogdij neder.

Reeds staande de onderhandelingen met Frankrijk, waren ook in Engeland Nederlandsche agenten werkzaam geweest om van koningin Elisabeth krachtige hulp tegen Spanje te verwerven, doch de koningin had eene vrij groote onverschilligheid aan den dag gelegd. Bracht Engeland’s belang aan den éénen kant mede, de Nederlanders te ondersteunen en daardoor de macht van Spanje te ondermijnen, toch was Elisabeth aan den anderen kant niet geneigd om zich in een ernstigen oorlog met Spanje te wikkelen; bovendien streed het tegen haren koninklijken trots, met opstandelingen tegen een door God gezalfden koning een bondgenootschap aan te gaan, hoe rechtvaardig hun strijd tegen de Spaansche dwingelandij ook mocht zijn.

De ondersteuning, welke Elisabeth tot dusver den Nederlanders had verleend, had ten gevolge daarvan weinig beteekend en eerst toen na den val van Antwerpen het gevaar, dat de opstand geheel onderdrukt zou worden, dreigender werd dan ooit, begreep de koningin, dat zij krachtiger dan tot heden voor de Nederlanders in de bres moest springen. Doch nog altijd kon zij niet besluiten, den wensch te vervullen, dien een plechtig Nederlandsch gezantschap haar overbracht, om de souvereiniteit over de provinciën te aanvaarden. Zij wees de haar aangeboden kroon van de hand en weigerde ook een eeuwig aanvallend en verdedigend verbond te sluiten, maar zij verklaarde zich bereid om den Nederlanders een leger van 5000 man voetvolk en 1000 ruiters onder een uitstekend veldheer ter hulp te zenden, wanneer haar de vestingen Vlissingen en Rammekens in Zeeland en de Briel in Holland als onderpanden voor de terugbetaling van de gemaakte oorlogskosten werden ingeruimd. Buitendien eischte dekoningin, dat de door haar te benoemen landvoogd, de bevelhebbers der verpande steden en twee andere Engelschen in den Raad van State zouden worden opgenomen.

De Algemeene Staten namen deze voorwaarden aan en de koningin droeg nu aan haren gunsteling, Robert Dudley, graaf van Leicester, het opperbevel over het Engelsche leger op.

Hoe algemeen in de Nederlanden de behoefte aan het bondgenootschap met Engeland ook gevoeld werd, toch bestond er eene aanzienlijke partij, die met de ingewilligde voorwaarden niet volkomen vrede had en die vreesde, dat de eerzuchtige gunsteling der koningin zijne invloedrijke waardigheid in de Nederlanden—even als eens de hertog van Anjou—misbruiken zou om de vrijheden en rechten der provinciën te verkorten. Aan het hoofd dezer partij stond Johan van Oldenbarneveld.

Oldenbarneveld was een scherpzinnig, in alle staatszaken doorkneed en hooggeacht man, die nadat hij met het zwaard in de vuist voor zijn vaderland gestreden had, zijnen landgenooten nog grootere diensten had bewezen door zijne diplomatieke en staatkundige werkzaamheid. Hij was tot dusver pensionaris van Rotterdam geweest, doch thans door de Hollandsche Staten tot advocaat van Holland1benoemd. Toen in de algemeene Staten, na het sluiten van het verbond met Engeland het besluit genomen werd om den graaf van Leicester aan het hoofd van het geheele staatsbestuur te plaatsen en hem de waardigheid van gouverneur-generaal met de meest uitgebreide macht op te dragen, bewerkte Oldenbarneveld, dat Holland en Zeeland van hunne zijde den jeugdigen graaf Maurits van Nassau tot hunnen stadhouder benoemden en hem de waardigheid van Kapitein-Generaal over de geheele land- en zeemacht der beide provinciën opdroegen.

Door dat besluit werd Leicester’s macht, eer hij nog in de Nederlanden was verschenen, zeer beperkt, doch tevens de grond gelegd tot het ontstaan van twee partijen, waarvan de kiemen reeds voorhanden waren.

Reeds toen bestond er eene zekere spanning tusschen de ijverige Calvinisten, die eischten, dat de kerk den staat beheerschen zou, tusschen de aanhangers van de eigenaardige democratische kerkinrichting, welke Calvijn vroeger te Genève had ingevoerd, en de meer bezonnen staatslieden, die den staat boven de kerk stelden en de geestelijken slechts als dienaars van den staat beschouwden. De leden der Staten van Holland en Zeeland, de aristocratie des lands met Johan van Oldenbarneveld en in dien tijd ook met den jeugdigen Maurits van Nassau aan het hoofd, behoorden tot laatstgenoemde richting, terwijl zij, die in grooten getale om der godsdienst wil uit Brabant en Vlaanderen naar Holland waren uitgeweken, schier zonder uitzondering de zijde der eerstgenoemde partij kozen, welke bovendien door de groote massa des volks werd gesteund. Nog was de partijtwist niet openlijk uitgebarsten, doch die uitbarsting werd verhaast door de poging van Oldenbarneveld om Leicester’s macht te beperken, want de partij der dweepzieke Calvinisten beschouwde Leicester als haar natuurlijken leider.

Den 19enDecember 1585 kwam Leicester met een gevolg van 500 edellieden te Vlissingen aan. Hij werd door het volk met blij gejuich verwelkomd en door Maurits van Nassau, Willem Lodewijk van Nassau, den graaf van Hohenlohe en de overige hoogste waardigheidsbekleders in de Nederlanden schitterend ontvangen. Voor het uiterlijke bestond er dus de beste verstandhouding, doch het zaad der tweedracht was reeds uitgestrooid, want Leicester gevoelde zich door de verheffing van den jeugdigen Maurits van Nassau tot stadhouder van Holland en Zeeland in zijne eerzucht diep gekrenkt.

De eerste stappen, welke Leicester deed, verzekerden hem van veler ingenomenheid; hij bewerkte, dat de verdienstelijke Treslong uit zijne onwaardige gevangenschap ontslagen en dat Oldenbarneveld in zijn ambt als advocaat van Holland en Zeeland bevestigd werd, hij betoonde zich een krachtig beschermer van de Calvinisten en verwierf zich daardoor vele vrienden, die luide hunne blijdschap uitspraken, toen de Algemeene Staten hem de waardigheid van algemeen landvoogd opdroegen met zulk eene uitgebreide macht, dat koningin Elisabeth daarover vertoornd werd en zich bezwaard maakte over de macht, haren gunsteling geschonken, die toch ook haar vasal was en dien zij niet tot een onafhankelijk vorst wilde verheven zien.

Doch die blijdschap en die eensgezindheid duurden niet lang, want Leicester was noch als krijgsman noch als staatsman bij machte om de hooggespannen verwachting, welke men van hem koesterde, te vervullen. Als veldheer behaalde hij geene enkele overwinning op den hertog van Parma en als staatsman beging hij noodlottige misslagen; door de partij der Vlaamsche Calvinisten te omhelzen en steun te zoeken bij de lagere volksklasse maakte hij zich de Nederlandsche aristocratie tot vijand en het was voor hem slechts eene schrale vergoeding, dat de uit de zuidelijke gewesten herwaarts verhuisde Nederlanders hem als een God vereerden.

Leicester vestigde zijne residentie te Utrecht; reeds hierdoor krenkte hij de Hollanders, doch nog meer door de keuze van zijne raadslieden, en door de luchthartigheid, waarmede hij zich over de in Nederland heerschende denkbeelden en de geldende wetten heenzette. In zijn geheimen raad riep hij drie mannen, die deels wegens hun bezoedelden naam wantrouwen verwekten, deels als buitenlanders geen recht hadden om de hun opgedragen ambten te bekleeden.

Reingoud, een Vlaming, was een bankbreukig koopman, die vroeger in dienst was geweest van den onthoofden Lamoraal van Egmond, doch zijnen weldoener verraden en zich later tot een werktuig van Granvelle, Alba en Requesens verlaagd had. Na de pacificatie van Gent was hij in dienst der Staten getreden, hij had het gezantschap naar Engeland vergezeld en zich daar Leicester’s gunst verworven. Hij deed zich nu voor als een van ijver blakend Calvinist; later ging hij weder tot het katholicisme over. In die dagen was hij de ijverigste dienaar van Leicester en het hoofd der Calvinistische Brabantsche uitgewekenen.

Gerard Prouninck, genaamd Deventer, was om de godsdienst uit ’s Hertogenbosch gevlucht, toen deze stad op nieuw in de macht der Spanjaarden was gekomen. Op zijn zedelijk leven viel niets te zeggen, alleen zijne onverzadelijke, voor niets terugdeinzende eerzucht werd berispt; als geboren Brabander mocht hij geen staatsambt bekleeden; toch maakte Leicester hem burgemeester van Utrecht.

Daniël de Burgraaf uit Vlaanderen had zich van een eenvoudig handwerksman tot procureur-generaal van Vlaanderen weten te verheffen. Hij was een schrander, maar gewetenloos mensch, die zich grooten invloed op Leicester had verworven. Deze bediende zich van hem des te liever als raadsman, omdat Burgraaf Engelsch sprak, wat toen slechts weinig Nederlanders verstonden, terwijl Leicester buiten zijn moedertaal slechts het Italiaansch machtig was. „Burgraaf is de trouwste, eerlijkste dienaar,” schreef Leicester over hem, „ik kan den man niet hoog genoeg prijzen, hij is de eenige steun, dien ik onder de lieden van dit volk gevonden heb.” Zoo gunstig dachten echter de Hollanders niet over den man, dien zij voor een omkoopbaar wezen, voor een spion hielden.

Reingoud, Prouninck en Burgraaf waren de hoofden der Leicestersche partij. De graaf verleende hun zulk eene macht, dat zij ongestraft de wetten schenden, hunne vijanden en vele invloedrijke burgers zonder vorm van proces uit Utrecht bannen en de opengevallen ambten met hunne aanhangers bezetten konden. Reingoud maakte zich zelfs aan schandelijke handelingen schuldig; hij werd in hechtenis genomen, doch door Leicester’s tusschenkomst in vrijheid gesteld, zoodat hij naar België kon vluchten, waar hij, de ijverige Calvinist, terstond weer katholiek werd.

De onrechtvaardigheden, door Leicester’s creaturen gepleegd, werden hem natuurlijk ten laste gelegd; zij verhoogden de ontevredenheid, die reeds tegen hem bestond, dewijl hij staatkundige maatregelen nam, welke op zich zelven wel verstandig, maar niet met het in de Nederlanden geldende gewoonterecht in overeenstemming waren. Niets schijnt natuurlijker dan Leicester’s streng verbod om den zuidelijken gewesten oorlogs- en mondbehoeften toe te voeren. Deze provinciën waren in de macht des vijands, elke aanvoer kwam ten bate van de Spanjaarden, die reeds groot gebrek leden en die Leicester door honger hoopte te bedwingen. Dat hij ook den onzijdigen mogendheden verbood, den vijand wapenen en levensmiddelen toe te voeren, dat de Engelsche bezetting in den Briel de schepen, welke de Maas opvoeren, aanhield en onderzocht, was een onvermijdelijk gevolg van den oorlog. De Hollandsche kooplieden dachten daar echter anders over, deze waren van oordeel, dat de Hollandsche handel door Leicester’s verbod benadeeld werd. Mochten de Hollanders den vijand niet de benoodigde krijgs- en levensmiddelen toevoeren, dan zouden andere volken goede zaken maken. Juist omdat de oorlog zware offers van het volk eischte, mocht men het de middelen niet ontnemen om geld te verdienen, mocht men den handel, ook met de zuidelijke gewesten, niet belemmeren. In elk geval was het beter, indien Hollandsche kooplieden dan wanneer vreemdelingen de winst, uit eene goede handelszaak met den vijand voortgesproten, in den zak staken.

Zulk eene redeneering is, aan onze denkbeelden getoetst, zoo valsch mogelijk. Doch in het oog der Hollandsche kooplieden, handwerkslieden en boeren was zij volkomen juist en zij oefende zulk een invloed uit, dat Leicester het uitgevaardigde verbod in het jaar 1587 weer intrekken moest.

Dit alles zou men den graaf wellicht vergeven hebben, indien hij ten minste had beantwoord aan de verwachtingen, welke het volk op zijn veldheerstalent en op Engeland’s hulp in den oorlog gebouwd had. Doch ook dit was niet het geval. De hertog van Parma behaalde onophoudelijk nieuwe voordeelen. Hij veroverde de beide vestingen Grave in Noord-Brabant en Venlo in Boven-Gelderland. Hierdoor was hij meester vanden geheelen loop der Maas tot aan de Hollandsche grenzen toe. Ook toen de oorlog op Duitsch grondgebied overgebracht werd, toen de Hollanders voor den tot het protestantisme toegetreden keurvorst Gebhard Truchsess van Waldburg, Parma daarentegen voor de katholieke vijanden van den keurvorst partij kozen, bleef de overwinning den Spanjaarden getrouw. Parma veroverde de sterke vesting Neusz en liet de bezetting over de kling jagen.

Leicester had te vergeefs beproefd Neusz te ontzetten. Evenmin was het hem gelukt Zutfen, dat hij belegerde, weer aan den vijand te ontnemen. De verovering van eenige schansen aan den linkeroever van den IJssel, die de Veluwe dekten, was bijna de eenige vrucht, welke de met zooveel vertrouwen verbeide Engelsche hulp den Nederlanders opleverde.

Hoewel de ontevredenheid over den landvoogd, wien men zulke groote voorrechten verleend had, in de Nederlanden reeds zeer groot was, bewaarde men toch nog den uiterlijken schijn van vriendschap. Toen Leicester na dien weinig roemrijken veldtocht in den Haag aankwam, ontving hij kostbare geschenken, doch tevens vernam hij vele ernstige klachten over zijn bestuur. Hij was zijne landvoogdij, die hem weinig vreugd en volstrekt geen roem aanbracht, reeds van ganscher harte moede: wel wilde hij die waardigheid niet geheel laten varen, maar hij verlangde sterk naar Engeland terug, waar juist toen het rechtsgeding der ongelukkige Maria Stuart zijne tegenwoordigheid zeer gewenscht maakte.

Nadat hij aan de klachten der Staten zooveel mogelijk gehoor gegeven en den Raad van State het bewind overgedragen had, vertrok hij den 25enNovember 1586 naar Engeland. Voor zijn vertrek liet hij echter een geheime kabinetsorder achter, volgens welken de Raad van State gedurende zijne afwezigheid geen enkelen belangrijken maatregel nemen mocht; hij behield zich die na zijne terugkomst voor.

Reeds dit geheime bevel, dat intusschen spoedig bekend werd, gaf Leicester’s vijanden rechtmatige oorzaak tot klachten, want in dit gevaarlijk tijdsgewricht werd daardoor de werkzaamheid van den Raad van State geheel verlamd; spoedig zagen zij zich eene nog gegronder reden voor hunne ontevredenheid geschonken. Het bleek namelijk, dat de Engelsche bevelhebbers niet minder omkoopbaar en trouweloos waren dan vele katholieke Nederlandsche edelen, die voor een handvol geld hun vaderland aan Spanje verraden hadden.

In Januari 1587 gaven twee katholieke Engelschen, York en Stanley, Deventer en eene belangrijke schans aan de Spanjaarden over. De verontwaardiging over dit verraad was vooral in Holland en Zeeland zeer groot, men schreef het gebeurde aan geheime bevelen van Leicester toe, en toen nu zelfs koningin Elisabeth een nieuw gezantschap, dat haar op nieuw de heerschappij over de Nederlanden aanbood en haar om eene krachtiger ondersteuning verzocht, dan zij tot dusver had verleend, een alles behalve vriendelijk antwoord gaf, waarin zij zich over de snoode ondankhaarheid der provinciën beklaagde, klom in Holland de ontevredenheid over het bondgenootschap met Engeland tot zulk eene hoogte, dat de Staten aan prins Maurits de geheele leiding der oorlogszaken opdroegen en het leger een nieuwen eed afnamen, waarin niet van gehoorzaamheid aan Leicester en den Staatsraad, maar alleen van trouw aan de Staten-Generaal sprake was.

Door deze krachtige houding der Staten van Holland, die de onafhankelijkheid en de rechten der Nederlanders tot elken prijs wilden handhavenen dus ook niet duldden, dat Prouninck, de burgemeester van Utrecht, zitting nam in de vergadering der Staten—waartoe hij als vreemdeling niet gerechtigd was—werden wel aan den éénen kant Leicester’s tegenstanders onder ééne banier vereenigd, maar evenzeer het ontstaan van eene verderfelijke partijschap bevorderd. Niet geheel tenonrechteverweet men den Hollanders, dat zij zich een onbehoorlijken invloed op de Staten-Generaal wilden aanmatigen, dat zij maar al te geneigd waren om de vrijheid der overige gewesten te onderdrukken en eene heerschappij uit te oefenen, waarop zij geen recht hadden. Naijver porde de overige provinciën tot verzet tegen Holland. Hierbij kwam, dat het bij elke omwenteling onvermijdelijke verschijnsel zich ook in de Nederlanden voordeed: de groote volksmenigte, die tot dusver geene staatkundige rechten had bezeten, werd zich van hare kracht bewust en eischte gelijkstelling met den tot dusver begunstigden adel en burgerstand. Ook de afzonderlijke gemeenten wilden zich onttrekken aan het gezag der Staten-Generaal en eischten eene mate van onafhankelijkheid, welke men haar wellicht in kalmer, vreedzamer tijden had kunnen toestaan, doch die in oorlogstijd alle aaneensluiting en dus alle krachtig verzet tegen de Spanjaarden onmogelijk zou gemaakt hebben.

De verbreiding van het Calvinisme, dat uit zijn aard de democratische beginselen bij het volk versterkte, droeg er niet weinig toe bij om deze partijschap aan te vuren. De vurige Calvinisten waren reeds daarom tegenstanders der Staten van Holland, dewijl deze de kerk onder het staatsgezag plaatsen en de uitspattingen der dweepzucht beteugelen wilden; dewijl de Staten bovendien de vertegenwoordigers der aristocratische richting waren, verzette het volk zich nog krachtiger tegen hun invloed. Leicester’s vrienden wisten met groote sluwheid partij te trekken van deze vijandige stemming des volks jegens de regeerende partij. De geestelijken predikten tegen de onderdrukkers van het volk en van de godsdienst; uit Utrecht, waar Leicester’s partij het sterkst was, gingen gezanten naar Engeland, om zich over den treurigen toestand der kerk te beklagen. Een adres werd tot de bevolking van Holland gericht, ten einde de erkenning der volkssouvereiniteit als den laatsten grond van het staatsgezag te bewerken. Wilkes, het Engelsche lid van den Staatsraad, werkte deze pogingen in de hand door de verklaring, dat niet bij de Staten, maar bij de gemeenten de souvereiniteit berustte, dat de Staten niets dan vertegenwoordigers en dienaars van het volk waren.

Ook meer dan één man van invloed en aanzien verzette zich tegen de krachtige houding, door de Staten van Holland tegenover Leicester aangenomen. Onder anderen deed dit de dappere Sonoy, die ronduit verklaarde, dat hij den gevorderden eed niet zou afleggen, en toen Maurits van Nassau en de graaf van Hohenlohe hem daartoe in persoon wilden overhalen, vonden zij de poorten van Medemblik gesloten.

De gisting der gemoederen werd met elken dag heviger; de heillooze partijschap nam dagelijks toe; ook den baron van Buckhorst, een gematigd man, dien koningin Elisabeth naar de Nederlanden zond, om vrede te stichten, gelukte dit niet; Leicester’s partij drong onstuimig op des graven terugkeer aan.

Het was een groot geluk voor de Nederlanders, dat ook de hertog van Parma zich juist in dien tijd in een zeer hachelijken toestand bevond; anders zou hij ongetwijfeld van de verdeeldheid der provinciën krachtiger partij hebben getrokken dan thans het geval was.

Den hertog ontbraken in dien tijd schier alle middelen om den oorlog met goed gevolg voort te zetten. Door Spanje slechts flauw ondersteund, kon hij uit de door hem bezette Nederlandsche gewesten noch geld, noch levensmiddelen tot onderhoud van zijn leger trekken, want in de Spaansche Nederlanden, wanneer wij ons reeds van deze uitdrukking mogen bedienen, had de langdurige oorlog eene inderdaad onuitsprekelijke ellende te weeg gebracht. Velen der rijkste en aanzienlijkste burgers waren uit het land geweken en hadden hun vermogen in de noordelijke gewesten in veiligheid gebracht, dewijl zij hunne godsdienst niet wilden verloochenen. Hierdoor waren handel en verkeer aan het kwijnen geraakt en toen nu bovendien de oogst mislukte en Leicester’s verbod van uitvoer den toevoer van koren en andere levensmiddelen verhinderde, was een vreeselijke hongersnood uitgebroken. Vele dorpen stierven geheel uit. Eene onbeschrijfelijke ellende heerschte overal.

Alleen de voor geen gevaar terugdeinzende, met alle hinderpalen spottende geestkracht van Alexander Farnese was in staat om onder zulke omstandigheden den strijd vol te houden en zelfs nog meer dan één voordeel te behalen. Hij sloeg het beleg voor Sluis, de beroemde havenstad van Brugge, die door jonker Arend van Groeneveld dapper verdedigd werd.

In het begin van Juli 1587 keerde Leicester op de dringende beden zijner aanhangers uit Engeland terug. Hij wilde Sluis ontzetten, maar de Staten ondersteunden hem niet, zij zonden hem noch de gevraagde troepen, noch het noodige geschut en geld en ten gevolge hiervan viel de belangrijke stad in Parma’s handen. De geestkracht van Farnese had eene nieuwe zegepraal behaald, de treurige verdeeldheid der Nederlanders eene nieuwe nederlaag te weeg gebracht.

Na Leicester’s terugkomst kwam wel voorshands eene schijnbare verzoening tot stand, maar terstond daarop brak het vuur der partijschap op nieuw uit. Leicester riep de Staten-Generaal te Dordrecht bijeen, maar de Hollanders weigerden te verschijnen; terecht beklaagde Leicester zich, dat de Nederlanders hem de middelen weigerden, om den oorlog krachtig door te zetten; hij eischte geld, troepen en uitbreiding van zijne macht. Daarentegen beklaagde de andere partij zich evenzeer terecht, wijl Engeland’s vriendschap zoo koel was, wijl koningin Elisabeth en zelfs Leicester heimelijk met den vijand onderhandelde, wijl de graaf zijne aanhangers in hun verzet tegen de Staten versterkte en allerlei slinksche middelen aanwendde om zich eene macht te verschaffen, waarop hij geen aanspraak had.

Men koesterde omtrent hem het zeker niet geheel ongegrond vermoeden, dat hij van plan was, zich—evenals vroeger don Juan van Oostenrijk en de hertog van Anjou—door verraad in het bezit van versterkte plaatsen te stellen. Het kwam in verschillende steden tot onstuimige tooneelen, zelfs tot bloedige botsingen. Onder anderen was dit het geval te Amsterdam, te Utrecht en te Leiden.

Leicester begreep eindelijk, dat hij niet bij machte was om den tegenstand te fnuiken, dien zijne heerschappij in de Nederlanden ontmoette. Hier kon hij geene lauweren plukken. Ontstemd, misnoegd, die onaangename twisten moede, besloot hij het land te verlaten. In December 1587 begaf hij zich naar Vlissingen, van hier keerde hij naar Engeland terug en kort daarop legde hij de landvoogdij neder.

1Deze waardigheid van advocaat was hoogst belangrijk en schonk hem, die haar bekleedde, een grooten invloed. De advocaat bekleedde eenigermate de plaats van eersten staatsdienaar en minister. Hij was niet alleen, gelijk de naam schijnt aan te duiden, de rechtskundige raadsman der Staten, maar alle zaken, zelfs de onderhandelingen met het buitenland, gingen door zijne handen.

1Deze waardigheid van advocaat was hoogst belangrijk en schonk hem, die haar bekleedde, een grooten invloed. De advocaat bekleedde eenigermate de plaats van eersten staatsdienaar en minister. Hij was niet alleen, gelijk de naam schijnt aan te duiden, de rechtskundige raadsman der Staten, maar alle zaken, zelfs de onderhandelingen met het buitenland, gingen door zijne handen.

Twee en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. Regeeringloosheid. Soldaten-oproeren. Oldenbarneveld’s verdiensten. Haat van Philips II tegen Engeland. De oorlog aan Engeland verklaard. De onoverwinlijke vloot. Parma’s krijgstoerustingen. Zijne plannen door de Nederlanders verijdeld. Gunstige keer der omstandigheden. Hachelijke toestand van Parma. Maurits van Nassau, tot stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel benoemd. Maurits als veldheer. Zijne hervorming van het krijgswezen. Maurits’ overwinningen gedurende de jaren 1590, 91 en 92. Parma’s beklagenswaardige toestand. Zijn dood.Waren de Nederlanders reeds gedurende Leicester’s bewind door innerlijke tweespalt verdeeld, die treurige toestand verergerde nog na des graven vertrek. Zijne aanhangers hoopten nog altijd op zijne terugkomst. Zij beschouwden hem als den wettig benoemden landvoogd en wilden hem alleen gehoorzamen. Dit althans gaven zij voor, maar inderdaad bedienden zij zich van zijnen naam slechts als van eene leuze, om aan hun verzet tegen de aristocratische Staten van Holland een schijn van recht te geven.De dweepzieke Calvinisten en de met hen vereenigde volkspartij, die het zwaartepunt der regeering naar de gemeenten wilde verplaatsen, ijverden tegen de Staten. In vele steden kwam het tot oproerige bewegingen, in het geheele land heerschte de treurigste verdeeldheid, die alle krachtige regeeringsmaatregelen onmogelijk maakte.Hierbij kwam de geest van muiterij, die zich onder het leger openbaarde. De soldaten wilden niet langer dulden, dat hunne soldij voor twee derden in geld en voor een derde in papier uitbetaald werd. Ook hen begunstigde de omstandigheid, dat Leicester wel de Nederlanden verlaten, maar niet zijne landvoogdij vormelijk neergelegd had. Zij volgden daarbij het voorbeeld van Sonoy, die nog altijd Medemblik voor Leicester bezet hield en eerst het hoofd in den schoot legde, toen de graaf in April 1588 plechtig van zijne waardigheid afstand deed.Het was een treurige, een onbeschrijfelijk treurige tijd! De Nederlandsche omwenteling scheen haar einde nabij, ja zij zou zeker geheel onderdrukt zijn geworden, indien niet de Staten van Holland in dezen tijd van den hoogsten nood onwrikbaar aan de zaak der vrijheid hadden vastgehouden.Oldenbarneveld was het die zijnen moed, zijne geestkracht en zijne standvastigheid aan de Staten mededeelde, die ook de zwakkere, meer vreesachtige gemoederen onwederstaanbaar medesleepte. Hij was het die,toen Elisabeth van Engeland met Philips II van Spanje over den vrede onderhandelde, de Staten noopte tot de verklaring, dat zij liever wilden ondergaan dan vrede sluiten; hij bood ook aan den aandrang der voorvechters van de volkssouvereiniteit krachtig het hoofd, wijl hij overtuigd was, dat de onafhankelijkheid der gemeenten de krachten der natie versnipperen en haar tot verderen tegenstand onbekwaam maken zou. Indien Oldenbarneveld in zijne ingenomenheid met aristocratische instellingen menigmaal te ver ging en zelfs rechtmatige eischen der volkspartij van de hand wees, dan mogen wij toch, bij al onze liefde voor de ontwikkeling der volksvrijheid, hem niet veroordeelen, dewijl hij alleen in overeenstemming met den geest van zijnen tijd handelde.De eerste drie maanden van het jaar 1588 waren—zegt een beroemd Nederlandsch schrijver—de gevaarlijkste voor het bestaan der Nederlandsche republiek sinds 20 jaren. Had Parma toen alle hem ten dienste staande middelen tot onderdrukking van den opstand aangewend, dan zou hij hierin ongetwijfeld geslaagd zijn. Tot geluk voor de Nederlanders waren den hertog echter de handen gebonden; hij kon niet naar eigen goeddunken handelen, maar moest de bevelen opvolgen, welke hij uit Spanje ontving: deze verboden hem een plan ten uitvoer te leggen, dat, zoo hij de handen vrij had gehad, zeker de onderdrukking van den Nederlandschen opstand zou hebben te weeg gebracht.Sinds vele jaren ging Philips II zwanger van den wensch om aan de kettersche koningin Elisabeth van Engeland den oorlog te verklaren. De rooftochten van de Engelsche scheepsbevelhebbers Drake en Cavendish tegen de Spaansch-Americaansche koopvaarders, de onderdrukking van de katholieke godsdienst in Engeland, Elisabeth’s vriendschap voor de Fransche en Nederlandsche ketters, dit alles deed den koning nog vuriger naar dien krijg wenschen, en toen Elisabeth nu zelfs openlijk voor de Nederlanders partij koos, toen zij haren gunsteling, den graaf van Leicester, de landvoogdij aanvaarden liet, en hem, zij het dan ook niet zeer krachtig, ondersteunde, werd de oorlog voor den koning van Spanje schier onvermijdelijk.Philips II was—gelijk wij reeds meermalen gezien hebben—geen vriend van snelle besluiten, doch met de hardnekkigheid, hem eigen, bereidde hij zich op een beslissenden slag voor; de uitvoering van zijn plan werd door het aan Maria Stuart voltrokken doodvonnis nog bespoedigd.In de aanzienlijkste havens van Spanje was men sinds lang bezig met het uitrusten van eene vloot, wier gelijke de wereld nog nooit aanschouwd had. Zij telde ongeveer honderd dertig schepen, met ruim 3000 vuurmonden en eene bemanning van bijna 30.000 koppen, de matrozen en de galeislaven er onder gerekend. Bovendien trof men aan boord eene schaar vrijwilligers, uit de aanzienlijkste geslachten van Spanje gesproten, en bijna driehonderd bedelmonniken, priesters en gerechtsdienaars aan. Onder die schepen bevonden zich omstreeks zestig galjoenen, vier galjassen en even vele galeien, alle reusachtige zeekasteelen, waarvan enkele met torenhooge bolwerken aan den voor- en achtersteven en van binnen met statiezalen, hutten, kapellen en kansels voorzien waren. Bovendien waren zij rijkelijk met tenten, wimpels, standaards, heiligenbeelden, enz. versierd.Ook in de Nederlanden had de hertog van Parma zich krachtig ten strijde toegerust en een leger van 30.000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Italië, Duitschland en Bourgondië bijeengetrokken. Deze troepen moesten zich in de onder de Spaansche heerschappij teruggebrachte havens vanSluis, Duinkerken en Nieuwpoort inschepen. Ook een aanzienlijk getal koopvaarders had de hertog verzameld en gedeeltelijk in oorlogschepen veranderd.Parma wenschte de onder zijne bevelen staande macht in de eerste plaats aan te wenden om de Nederlanders te onderwerpen. Hij hield den koning voor, dat het thans mogelijk was de muiters ten onder te brengen, dat een aanval op Engeland juist na het onderwerpen van de Nederlanden met de beste kans van slagen ondernomen kon worden en dat het in elk geval noodzakelijk was, zich vóór het begin van den oorlog van de Hollandsche en Zeeuwsche havens te verzekeren, opdat de Spaansche vloot, bij een ongelukkigen afloop van den strijd, een veilig toevluchtsoord mocht bezitten.Koning Philips was intusschen te zeer verbitterd over den dood van Maria Stuart, om aan zulke voorslagen, hoe juist ook, het oor te leenen, hij meende bovendien alle maatregelen zoo goed genomen te hebben, dat de overwinning hem niet ontgaan kon. Hij hield zich overtuigd, dat eene door Parma ondersteunde landing op Engeland’s onbeschermde kusten zeker gelukken en der kettersche koningin den troon kosten moest. Hij brak daarom de nog altijd hangende onderhandelingen met Engeland af en gaf Parma bevel, al zijne strijdkrachten tot ondersteuning van de Armada aan te wenden.Nadat de vloot, die door Philips reeds bij voorbaat de „onoverwinnelijke” genoemd werd, onder bevel van den hertog van Medina Sidonia, in de laatste dagen van Mei verzameld en onder zeil gegaan was, werd zij bij kaap Finisterre door een hevigen storm overvallen, die haar noodzaakte om in de haven van Corunna binnen te loopen, ten einde de geleden schade te herstellen. Den 22enJuli daaraanvolgende koos zij op nieuw zee en den 29enkreeg zij het eerst het doel van haren tocht, de Engelsche kusten, in het gezicht.Hier had men echter niet stil gezeten. Eene vloot van 67 zeilen—later tot ongeveer 150 schepen van grooter en kleiner afmeting aangegroeid—wachtte in het kanaal den vijand af. Zij werd aangevoerd door uitstekende bevelhebbers als Howard, Drake, Hawkins en Frobisher. Reeds bij het eerste treffen, den 30enJuli, bleek het, dat de Engelsche zeelieden in zeemanschap en de Engelsche vaartuigen in bruikbaarheid voor het zeegevecht de Spaansche even ver overtroffen als hunne vloot wat het aantal, de grootte en bewapening der schepen betrof, voor de Armada moest onderdoen. Aanhoudend bestookt door de Engelschen, die den overmachtigen vijand gevoelige afbreuk deden, maar zich niet in een beslissend treffen met hem inlieten, bereikte de Spaansche scheepsmacht den 6enAugustus de reede van Calais, waar zij het anker liet vallen, om hier den hertog van Parma met zijne landingstroepen af te wachten, opdat zij gezamenlijk de verovering van Engeland zouden ondernemen. De Engelschen lieten de vijandelijke vloot hier echter evenmin met rust; zij zonden gedurende den volgenden nacht branders op haar af, die twee schepen in vlammen deden opgaan en onder de overige zulk eene verwarring aanrichtten, dat vele vaartuigen ontredderd werden. De Armada verliet nu hare stelling en zette noordwaarts koers, steeds gevolgd door de Engelschen, die haar bij het Grevelingsche zand zoo duchtig aantastten, dat Medina Sidonia zijne vereeniging met Parma en de landing in Engeland opgaf en zijn heil in de vlucht zocht. De Engelschen zetten den vijand tot den 12enAugustus na;zij namen eene snoevende houding aan, om hem schrik aan te jagen, hoewel zij noch kruit, noch levensmiddelen meer hadden. De Spanjaarden poogden langs het noorden van Schotland de Spaansche havens weer te bereiken. Op dien tocht hadden zij met aanhoudende en hevige stormen te kampen, die het vernielingswerk der Engelschen duchtig voortzetten. Van de 134 schepen, die in Juli de haven Corunna verlaten hadden, keerden niet meer dan 53 vaartuigen in Spanje terug, doch deze waren zoo deerlijk gehavend, dat zij niet meer geschikt waren om zee te bouwen. Van de 30.000 man, die zich op de vloot hadden bevonden, zag ongeveer een derde hun vaderland weer. Een groot aantal bevelhebbers was gesneuveld of krijgsgevangen; anderen stierven na hunne thuiskomst, tengevolge van de doorgestane vermoeienissen.Waarom was Parma niet opgedaagd? Wat hadden de Hollanders en Zeeuwen uitgericht, terwijl de Engelsche vloot met de Armada slaags was?Zoodra de tijding, dat Philips zich ernstig tot een inval in Engeland toerustte, om daarna den oproerigen Nederlanders den kop te vermorselen, in Holland bekend werd, had men daar maatregelen van tegenweer genomen. Alles kwam er op aan, Parma’s landing te beletten door hem met zijne transportschepen in de havens van Sluis, Nieuwpoort en Duinkerken op te sluiten. Eene Hollandsch-Zeeuwsche vloot werd daartoe onder de bevelen van Justinus van Nassau, van der Does, Warmond en Joost de Moor gesteld. Zij hadden hunne eer verpand, dat zij den hertog niet zouden laten ontsnappen. En zij hielden woord! Zelfs geen sloep had een der genoemde havens kunnen verlaten, zoo waakzaam bespiedden zij alle zeegaten. Meer dan eens lokten zij zelfs Parma uit om in zee te steken, van begeerte brandende om ook met de Spanjaarden aan den dans te gaan. Maar Parma liet zich hiertoe niet verleiden. Hij wist maar al te goed, dat zulk een strijd den ondergang van zijn geheele leger na zich slepen moest.Komt dus aan de Engelsche zeelieden alle eere toe voor het beleid en de onversaagdheid, in het bestrijden van de Armada ten toon gespreid, de Nederlandsche vloot heeft aanspraak op gelijken lof. Indien het Parma gelukt was, den 6enof 7enAugustus naar Engeland over te steken, terwijl de Engelsche en Spaansche vloten slaags waren, dan zou de geschiedenis van het Britsche rijk, ja van gansch Europa wellicht een geheel anderen loop genomen hebben.Met den ondergang der Armada vangt voor de Nederlanders een tijdperk van overwinning en voorspoed aan; als door een tooverslag was eensklaps de stand van zaken te hunnen gunste veranderd. Het bondgenootschap met Engeland, dat tot dusver weinig had beteekend, was door de gemeenschappelijk behaalde overwinning steviger dan ooit bevestigd. De veerkracht, de moed en de hulpmiddelen der Nederlanders waren aangegroeid, terwijl Philips’ hulpbronnen aan geld en manschappen tengevolge van het ontzettende verlies, dat hij geleden had, bijna geheel waren uitgeput. Hierbij kwam nog, dat ook in Frankrijk tengevolge van de troonsbestijging van Hendrik IV weldra de zaken voor de Nederlanders eene gunstige wending namen. Toen Philips II de ligue tegen Hendrik IV ondersteunde, zag Parma zich genoodzaakt om zijn leger te verdeelen en daardoor zijne kracht te versnipperen. Op de oproerige Nederlanders alleen had hij wellicht nog meer dan eene overwinning kunnen behalen, maar de Nederlanders en Hendrik IV tegelijk te bevechten, dat ging boven zijnemacht. Bovendien werd Parma in het jaar 1589 ziek en kreeg hij nooit zijne volle kracht terug; zijne werkzaamheid werd verlamd door kuiperijen, welke zijne vijanden aan het Spaansche hof tegen hem smeedden; de krijgstucht onder de Spaansche troepen verdween bijna geheel, tengevolge van de onregelmatige betaling van hunne soldij, en zelfs des hertogs geestkracht was niet bij machte om die volkomen te herstellen.Onder zulke omstandigheden was het den Nederlanders mogelijk, van een verdedigingskrijg tot een aanvallenden oorlog over te gaan. Zij konden er aan denken, de belangrijkste, hun ontnomen steden te heroveren en de uitkomst bekroonde hunne pogingen. Zij dankten dit in de eerste plaats aan den jeugdigen Maurits van Nassau.Maurits, graaf van Nassau, de tweede zoon van den overleden Willem van Oranje, had tot het tijdstip, waarop Leicester zijne waardigheid als landvoogd nederlegde, meer eene schijnbare dan eene werkelijke macht bezeten. Wel was hij stadhouder van Holland en Zeeland en kapitein-generaal der land- en zeemacht, doch zijn invloed bleef in weerwil van die titels zeer beperkt, dewijl de oudere staats- en krijgslieden zich wel gaarne van den beroemden naam van Willem’s zoon bedienden, maar in den nog zoo jongen man—die tot dus ver geene gelegenheid had gevonden om zich te onderscheiden—niet genoeg vertrouwen stelden om zich geheel aan hem te onderwerpen.De jonge vorst zag zijne macht aanzienlijk uitgebreid, toen de graaf van Nieuwenaar en Meurs, de stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel, stierf. De graaf, vroeger een ijverig aanhanger van Leicester, had geheel met diens partij gebroken en deze, door wier invloed de burgemeester Prouninck te Utrecht regeerde, met de hulp der patriciërs ten val gebracht. Prouninck werd uit Utrecht gebannen en de stadhouder voerde op nieuw de patricische regeering in. In het jaar 1590 stierf Nieuwenaar. Maurits werd eenigen tijd daarna met diens waardigheid bekleed en verkreeg daardoor eene hoogst belangrijke en invloedrijke plaats in het bestuur der republiek.Maurits had de taak om de Nederlanders van de Spaansche heerschappij te verlossen als een heilig erfdeel zijns vaders aanvaard en zich voortreflijk toegerust tot hare vervulling. In die dagen hadden de Nederlanders meer behoefte aan een uitstekend veldheer dan aan een scherpzinnig staatsman, en juist voor veldheer was Maurits bovenal geschikt.Met een stalen vlijt had hij zich op de studie der oude krijgskunst en der wiskunde toegelegd. De in den wapenhandel vergrijsde bevelhebbers lachten aanvankelijk wel dikwijls om den onervaren jongeling, die naar het voorbeeld der Grieken en Romeinen oorlog dacht te voeren en het hoofd vol had van wiskunstige figuren en berekeningen; zij vermoedden volstrekt niet, dat Maurits spoedig in zekeren zin de schepper van eene nieuwe krijgskunst zou worden.Kalm en koelbloedig, gelijk zijne lievelingswetenschap de wiskunde, ging Maurits ten strijde, de oorlog was voor hem eene zaak van berekening, een schaakspel in het groot, gelijk hij daarvan ook in het klein een vurig minnaar was. Hoewel bezield door eene groote persoonlijke dapperheid, die hem menigmaal verleidde om zijn leven meer in gevaar te stellen dan den veldheer past, was hij toch volstrekt geen vriend van vermetele, dolzinnige ondernemingen. De roem, dien anderen door schitterende wapenfeiten trachten te verwerven, liet hem geheel onverschillig,de avontuurlijke ridderlijkheid van don Juan Van Oostenrijk ontbrak hem ten eenemale. Nooit was hij geneigd tot gewaagde plannen, waarbij het geluk den moed ter hulp komen moest, om ze te doen gelukken; slechts aarzelend en alleen dan, wanneer hij daartoe genoodzaakt werd, stelde hij zich aan de wisselvallige kansen van een veldslag bloot. Bij de verdediging en belegering van vestingen zocht hij zijn heil nooit in woedende aanvallen en onverhoedsche bestormingen, waarbij de kansen van welslagen en mislukken tamelijk gelijk stonden.Hij voerde den oorlog niet om den oorlog zelven en ook niet om den roem, en daarom vatte hij altijd slechts één doelwit in het oog, namelijk met zoo weinig mogelijk offers zooveel mogelijk voordeel te behalen. Geheel in strijd met de gewoonte van andere veldheeren zijner dagen, was hij uiterst spaarzaam met menschenlevens, die hij nooit voor eene schitterende, maar in de gevolgen onvruchtbare onderneming op het spel zette. Het oorlogstooneel was—gelijk we reeds zeiden—in zijne schatting een reusachtig schaakbord, waarop hij met een kalm hoofd en een scherpen blik zijne eigene zetten en die zijner tegenpartij vooruit berekende. Volgens vooraf rijp overwogen plannen bracht hij zijne ondernemingen ten uitvoer, zonder zich ooit door hartstocht tot overijling te laten vervoeren. Indien hij zijn leven meermalen op het spel zette, deed hij dat alleen om in persoon de uitvoering van zijne plannen te bewaken en te besturen, dewijl van de kalmte en juistheid, waarmede dit geschiedde, de uitslag zijner berekeningen afhing.De eerste vrucht van Maurits’ krijgskundige studiën was de overtuiging, dat men op een klein, goed gewapend en geoefend, aan eene strenge tucht gewend leger beter vertrouwen kan, dan op talrijke, maar ongeregelde benden.Het leger der republiek telde, na aftrekking van de voor de bezetting der steden vereischte manschappen, niet veel meer dan 10.000 man voetvolk en 2000 ruiters. Meer dan de helft der soldaten waren vreemdelingen, Duitschers, Engelschen, Schotten en Franschen, dappere maar roofgierige huurlingen, die slechts zoo lang trouw bleven als hunne soldij uitbetaald werd, die buitendien elke gelegenheid tot plunderen ook van bevriende plaatsen aangrepen en steeds geneigd waren tot muiterij, zoodra men hunne roofzucht beteugelen wilde.Deze benden aan orde en tucht te gewennen, beschouwde Maurits als zijne eerste en belangrijkste taak. Hij zorgde voor eene regelmatige uitbetaling van de soldij, doch tevens voerde hij eene strenge krijgstucht in. Zelfs geringe vergrijpen tegen de tucht strafte hij zonder genade met den dood. Elk soldaat, die het waagde, slechts eene kleinigheid te rooven, werd zonder omwegen neergestooten of opgehangen. Slechts door zulke doortastende maatregelen was het mogelijk, de roofzucht der soldaten te beteugelen, daar deze alleen door vrees te regeeren waren.Tot dusver waren bij de verdediging en belegering van vestingen de schanswerken tot stand gebracht door burgers of boeren, die men tot dezen gehaten arbeid preste, de soldaten wilden zulk slavenwerk niet verrichten, hun trots verbood hun dit; ook vonden zij het veel aangenamer een lui en gemakkelijk leventje te leiden, wanneer zij niet moesten vechten.Reeds meer dan eens had deze gewoonte de wrangste vruchten gedragen. De leegloopende soldaten sloegen elk oogenblik tot groote uitspattingen,tot mishandeling en berooving van burgers en boeren en tot muiterij over, terwijl de gepreste schanswerkers den hun opgedrongen arbeid niet dan slecht en langzaam verrichtten.Maurits brak zonder aarzelen met die oude gewoonte; hij dwong zijne soldaten tot arbeiden; in den beginne morden zij wel, doch daar hij den schanswerkers boven hunne gewone soldij een niet onaanzienlijke toelage schonk, schikten zij zich in hun lot; zij deden dit des te eerder, omdat het rooven en stelen hun door de strenge krijgstucht toch onmogelijk gemaakt werd.Ook in de indeeling en de wapening van het leger voerde Maurits belangrijke wijzigingen in, waarover zijne oude officieren aanvankelijk het hoofd schudden; doch weldra zagen zij in, dat de jonge man, met zijne aan de Grieken en Romeinen ontleende theoriën toch gelijk had en dat hij bovendien de kunst verstond om ook de beginselen der nieuwe wetenschap, der wiskunde praktisch op het oorlogvoeren toe te passen. Zij kregen achting voor dien praktischen vriend van oude en nieuwe theoriën en gehoorzaamden hem gewillig.Zonder al te uitvoerig te worden, kunnen wij de oorlogen, door Maurits in de jaren 1590, 1591 en 1592 gevoerd, niet in alle bijzonderheden beschrijven. Wij merken alleen op, dat de jonge veldheer met eene bewonderenswaardige juistheid zijne plannen ontwierp en uitvoerde, dat hij een aantal belangrijke vestingen, als Breda, Zutfen, Deventer, Nijmegen, enz. den Spanjaarden ontrukte en ook in een open veldslag den Spaanschen veldheer Verdugo eene nederlaag toebracht.Parma was niet in staat om Maurits die overwinningen te betwisten. Genoodzaakt om nu eens in Frankrijk, dan weer in de Nederlanden oorlog te voeren, zonder toch over de noodige manschappen en geldmiddelen te kunnen beschikken, in zijne bewegingen belemmerd door de kuiperijen zijner vijanden aan het Spaansche hof, door ziekte uitgeput en schier tot wanhoop gebracht door de gedachte, dat de overwinning van zijne vanen was geweken, zag hij den roem tanen, dien hij zich door zijne vroegere wapenfeiten verworven had.Hij was vóór den tijd een grijsaard, ja de schaduw geworden van hetgeen hij vroeger was. Zijne sombere gemoedsstemming verergerde de ziekte, waaraan hij ten gevolge van slecht genezen wonden leed, en den 3enDecember 1592 stierf hij, toen hij juist op het punt stond om op ’s konings bevel een nieuwen tocht naar Frankrijk te ondernemen. Hij liet den roem na, dat hij de bekwaamste van al de Spaansche landvoogden in de Nederlanden was geweest en zelfs zijne vijanden stemmen toe, dat hij niet alleen als veldheer, maar ook als staatsman rechtmatige hulde verdient, maar aan den anderen kant kunnen ook zijne vereerders niet ontkennen, dat deze goede hoedanigheden ontsierd en ten deele weer uitgewischt worden door zijne echt Italiaansche trouwloosheid en door de lichtzinnigheid, waarmede hij de geldzaken placht te behandelen. Hij stond toe dat zijne gunstelingen, zijne bijzit Franselina en zijne kamerdienaars zich ten koste van het land verrijkten.

De Nederlanden. Regeeringloosheid. Soldaten-oproeren. Oldenbarneveld’s verdiensten. Haat van Philips II tegen Engeland. De oorlog aan Engeland verklaard. De onoverwinlijke vloot. Parma’s krijgstoerustingen. Zijne plannen door de Nederlanders verijdeld. Gunstige keer der omstandigheden. Hachelijke toestand van Parma. Maurits van Nassau, tot stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel benoemd. Maurits als veldheer. Zijne hervorming van het krijgswezen. Maurits’ overwinningen gedurende de jaren 1590, 91 en 92. Parma’s beklagenswaardige toestand. Zijn dood.

De Nederlanden. Regeeringloosheid. Soldaten-oproeren. Oldenbarneveld’s verdiensten. Haat van Philips II tegen Engeland. De oorlog aan Engeland verklaard. De onoverwinlijke vloot. Parma’s krijgstoerustingen. Zijne plannen door de Nederlanders verijdeld. Gunstige keer der omstandigheden. Hachelijke toestand van Parma. Maurits van Nassau, tot stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel benoemd. Maurits als veldheer. Zijne hervorming van het krijgswezen. Maurits’ overwinningen gedurende de jaren 1590, 91 en 92. Parma’s beklagenswaardige toestand. Zijn dood.

Waren de Nederlanders reeds gedurende Leicester’s bewind door innerlijke tweespalt verdeeld, die treurige toestand verergerde nog na des graven vertrek. Zijne aanhangers hoopten nog altijd op zijne terugkomst. Zij beschouwden hem als den wettig benoemden landvoogd en wilden hem alleen gehoorzamen. Dit althans gaven zij voor, maar inderdaad bedienden zij zich van zijnen naam slechts als van eene leuze, om aan hun verzet tegen de aristocratische Staten van Holland een schijn van recht te geven.

De dweepzieke Calvinisten en de met hen vereenigde volkspartij, die het zwaartepunt der regeering naar de gemeenten wilde verplaatsen, ijverden tegen de Staten. In vele steden kwam het tot oproerige bewegingen, in het geheele land heerschte de treurigste verdeeldheid, die alle krachtige regeeringsmaatregelen onmogelijk maakte.

Hierbij kwam de geest van muiterij, die zich onder het leger openbaarde. De soldaten wilden niet langer dulden, dat hunne soldij voor twee derden in geld en voor een derde in papier uitbetaald werd. Ook hen begunstigde de omstandigheid, dat Leicester wel de Nederlanden verlaten, maar niet zijne landvoogdij vormelijk neergelegd had. Zij volgden daarbij het voorbeeld van Sonoy, die nog altijd Medemblik voor Leicester bezet hield en eerst het hoofd in den schoot legde, toen de graaf in April 1588 plechtig van zijne waardigheid afstand deed.

Het was een treurige, een onbeschrijfelijk treurige tijd! De Nederlandsche omwenteling scheen haar einde nabij, ja zij zou zeker geheel onderdrukt zijn geworden, indien niet de Staten van Holland in dezen tijd van den hoogsten nood onwrikbaar aan de zaak der vrijheid hadden vastgehouden.

Oldenbarneveld was het die zijnen moed, zijne geestkracht en zijne standvastigheid aan de Staten mededeelde, die ook de zwakkere, meer vreesachtige gemoederen onwederstaanbaar medesleepte. Hij was het die,toen Elisabeth van Engeland met Philips II van Spanje over den vrede onderhandelde, de Staten noopte tot de verklaring, dat zij liever wilden ondergaan dan vrede sluiten; hij bood ook aan den aandrang der voorvechters van de volkssouvereiniteit krachtig het hoofd, wijl hij overtuigd was, dat de onafhankelijkheid der gemeenten de krachten der natie versnipperen en haar tot verderen tegenstand onbekwaam maken zou. Indien Oldenbarneveld in zijne ingenomenheid met aristocratische instellingen menigmaal te ver ging en zelfs rechtmatige eischen der volkspartij van de hand wees, dan mogen wij toch, bij al onze liefde voor de ontwikkeling der volksvrijheid, hem niet veroordeelen, dewijl hij alleen in overeenstemming met den geest van zijnen tijd handelde.

De eerste drie maanden van het jaar 1588 waren—zegt een beroemd Nederlandsch schrijver—de gevaarlijkste voor het bestaan der Nederlandsche republiek sinds 20 jaren. Had Parma toen alle hem ten dienste staande middelen tot onderdrukking van den opstand aangewend, dan zou hij hierin ongetwijfeld geslaagd zijn. Tot geluk voor de Nederlanders waren den hertog echter de handen gebonden; hij kon niet naar eigen goeddunken handelen, maar moest de bevelen opvolgen, welke hij uit Spanje ontving: deze verboden hem een plan ten uitvoer te leggen, dat, zoo hij de handen vrij had gehad, zeker de onderdrukking van den Nederlandschen opstand zou hebben te weeg gebracht.

Sinds vele jaren ging Philips II zwanger van den wensch om aan de kettersche koningin Elisabeth van Engeland den oorlog te verklaren. De rooftochten van de Engelsche scheepsbevelhebbers Drake en Cavendish tegen de Spaansch-Americaansche koopvaarders, de onderdrukking van de katholieke godsdienst in Engeland, Elisabeth’s vriendschap voor de Fransche en Nederlandsche ketters, dit alles deed den koning nog vuriger naar dien krijg wenschen, en toen Elisabeth nu zelfs openlijk voor de Nederlanders partij koos, toen zij haren gunsteling, den graaf van Leicester, de landvoogdij aanvaarden liet, en hem, zij het dan ook niet zeer krachtig, ondersteunde, werd de oorlog voor den koning van Spanje schier onvermijdelijk.

Philips II was—gelijk wij reeds meermalen gezien hebben—geen vriend van snelle besluiten, doch met de hardnekkigheid, hem eigen, bereidde hij zich op een beslissenden slag voor; de uitvoering van zijn plan werd door het aan Maria Stuart voltrokken doodvonnis nog bespoedigd.

In de aanzienlijkste havens van Spanje was men sinds lang bezig met het uitrusten van eene vloot, wier gelijke de wereld nog nooit aanschouwd had. Zij telde ongeveer honderd dertig schepen, met ruim 3000 vuurmonden en eene bemanning van bijna 30.000 koppen, de matrozen en de galeislaven er onder gerekend. Bovendien trof men aan boord eene schaar vrijwilligers, uit de aanzienlijkste geslachten van Spanje gesproten, en bijna driehonderd bedelmonniken, priesters en gerechtsdienaars aan. Onder die schepen bevonden zich omstreeks zestig galjoenen, vier galjassen en even vele galeien, alle reusachtige zeekasteelen, waarvan enkele met torenhooge bolwerken aan den voor- en achtersteven en van binnen met statiezalen, hutten, kapellen en kansels voorzien waren. Bovendien waren zij rijkelijk met tenten, wimpels, standaards, heiligenbeelden, enz. versierd.

Ook in de Nederlanden had de hertog van Parma zich krachtig ten strijde toegerust en een leger van 30.000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Italië, Duitschland en Bourgondië bijeengetrokken. Deze troepen moesten zich in de onder de Spaansche heerschappij teruggebrachte havens vanSluis, Duinkerken en Nieuwpoort inschepen. Ook een aanzienlijk getal koopvaarders had de hertog verzameld en gedeeltelijk in oorlogschepen veranderd.

Parma wenschte de onder zijne bevelen staande macht in de eerste plaats aan te wenden om de Nederlanders te onderwerpen. Hij hield den koning voor, dat het thans mogelijk was de muiters ten onder te brengen, dat een aanval op Engeland juist na het onderwerpen van de Nederlanden met de beste kans van slagen ondernomen kon worden en dat het in elk geval noodzakelijk was, zich vóór het begin van den oorlog van de Hollandsche en Zeeuwsche havens te verzekeren, opdat de Spaansche vloot, bij een ongelukkigen afloop van den strijd, een veilig toevluchtsoord mocht bezitten.

Koning Philips was intusschen te zeer verbitterd over den dood van Maria Stuart, om aan zulke voorslagen, hoe juist ook, het oor te leenen, hij meende bovendien alle maatregelen zoo goed genomen te hebben, dat de overwinning hem niet ontgaan kon. Hij hield zich overtuigd, dat eene door Parma ondersteunde landing op Engeland’s onbeschermde kusten zeker gelukken en der kettersche koningin den troon kosten moest. Hij brak daarom de nog altijd hangende onderhandelingen met Engeland af en gaf Parma bevel, al zijne strijdkrachten tot ondersteuning van de Armada aan te wenden.

Nadat de vloot, die door Philips reeds bij voorbaat de „onoverwinnelijke” genoemd werd, onder bevel van den hertog van Medina Sidonia, in de laatste dagen van Mei verzameld en onder zeil gegaan was, werd zij bij kaap Finisterre door een hevigen storm overvallen, die haar noodzaakte om in de haven van Corunna binnen te loopen, ten einde de geleden schade te herstellen. Den 22enJuli daaraanvolgende koos zij op nieuw zee en den 29enkreeg zij het eerst het doel van haren tocht, de Engelsche kusten, in het gezicht.

Hier had men echter niet stil gezeten. Eene vloot van 67 zeilen—later tot ongeveer 150 schepen van grooter en kleiner afmeting aangegroeid—wachtte in het kanaal den vijand af. Zij werd aangevoerd door uitstekende bevelhebbers als Howard, Drake, Hawkins en Frobisher. Reeds bij het eerste treffen, den 30enJuli, bleek het, dat de Engelsche zeelieden in zeemanschap en de Engelsche vaartuigen in bruikbaarheid voor het zeegevecht de Spaansche even ver overtroffen als hunne vloot wat het aantal, de grootte en bewapening der schepen betrof, voor de Armada moest onderdoen. Aanhoudend bestookt door de Engelschen, die den overmachtigen vijand gevoelige afbreuk deden, maar zich niet in een beslissend treffen met hem inlieten, bereikte de Spaansche scheepsmacht den 6enAugustus de reede van Calais, waar zij het anker liet vallen, om hier den hertog van Parma met zijne landingstroepen af te wachten, opdat zij gezamenlijk de verovering van Engeland zouden ondernemen. De Engelschen lieten de vijandelijke vloot hier echter evenmin met rust; zij zonden gedurende den volgenden nacht branders op haar af, die twee schepen in vlammen deden opgaan en onder de overige zulk eene verwarring aanrichtten, dat vele vaartuigen ontredderd werden. De Armada verliet nu hare stelling en zette noordwaarts koers, steeds gevolgd door de Engelschen, die haar bij het Grevelingsche zand zoo duchtig aantastten, dat Medina Sidonia zijne vereeniging met Parma en de landing in Engeland opgaf en zijn heil in de vlucht zocht. De Engelschen zetten den vijand tot den 12enAugustus na;zij namen eene snoevende houding aan, om hem schrik aan te jagen, hoewel zij noch kruit, noch levensmiddelen meer hadden. De Spanjaarden poogden langs het noorden van Schotland de Spaansche havens weer te bereiken. Op dien tocht hadden zij met aanhoudende en hevige stormen te kampen, die het vernielingswerk der Engelschen duchtig voortzetten. Van de 134 schepen, die in Juli de haven Corunna verlaten hadden, keerden niet meer dan 53 vaartuigen in Spanje terug, doch deze waren zoo deerlijk gehavend, dat zij niet meer geschikt waren om zee te bouwen. Van de 30.000 man, die zich op de vloot hadden bevonden, zag ongeveer een derde hun vaderland weer. Een groot aantal bevelhebbers was gesneuveld of krijgsgevangen; anderen stierven na hunne thuiskomst, tengevolge van de doorgestane vermoeienissen.

Waarom was Parma niet opgedaagd? Wat hadden de Hollanders en Zeeuwen uitgericht, terwijl de Engelsche vloot met de Armada slaags was?

Zoodra de tijding, dat Philips zich ernstig tot een inval in Engeland toerustte, om daarna den oproerigen Nederlanders den kop te vermorselen, in Holland bekend werd, had men daar maatregelen van tegenweer genomen. Alles kwam er op aan, Parma’s landing te beletten door hem met zijne transportschepen in de havens van Sluis, Nieuwpoort en Duinkerken op te sluiten. Eene Hollandsch-Zeeuwsche vloot werd daartoe onder de bevelen van Justinus van Nassau, van der Does, Warmond en Joost de Moor gesteld. Zij hadden hunne eer verpand, dat zij den hertog niet zouden laten ontsnappen. En zij hielden woord! Zelfs geen sloep had een der genoemde havens kunnen verlaten, zoo waakzaam bespiedden zij alle zeegaten. Meer dan eens lokten zij zelfs Parma uit om in zee te steken, van begeerte brandende om ook met de Spanjaarden aan den dans te gaan. Maar Parma liet zich hiertoe niet verleiden. Hij wist maar al te goed, dat zulk een strijd den ondergang van zijn geheele leger na zich slepen moest.

Komt dus aan de Engelsche zeelieden alle eere toe voor het beleid en de onversaagdheid, in het bestrijden van de Armada ten toon gespreid, de Nederlandsche vloot heeft aanspraak op gelijken lof. Indien het Parma gelukt was, den 6enof 7enAugustus naar Engeland over te steken, terwijl de Engelsche en Spaansche vloten slaags waren, dan zou de geschiedenis van het Britsche rijk, ja van gansch Europa wellicht een geheel anderen loop genomen hebben.

Met den ondergang der Armada vangt voor de Nederlanders een tijdperk van overwinning en voorspoed aan; als door een tooverslag was eensklaps de stand van zaken te hunnen gunste veranderd. Het bondgenootschap met Engeland, dat tot dusver weinig had beteekend, was door de gemeenschappelijk behaalde overwinning steviger dan ooit bevestigd. De veerkracht, de moed en de hulpmiddelen der Nederlanders waren aangegroeid, terwijl Philips’ hulpbronnen aan geld en manschappen tengevolge van het ontzettende verlies, dat hij geleden had, bijna geheel waren uitgeput. Hierbij kwam nog, dat ook in Frankrijk tengevolge van de troonsbestijging van Hendrik IV weldra de zaken voor de Nederlanders eene gunstige wending namen. Toen Philips II de ligue tegen Hendrik IV ondersteunde, zag Parma zich genoodzaakt om zijn leger te verdeelen en daardoor zijne kracht te versnipperen. Op de oproerige Nederlanders alleen had hij wellicht nog meer dan eene overwinning kunnen behalen, maar de Nederlanders en Hendrik IV tegelijk te bevechten, dat ging boven zijnemacht. Bovendien werd Parma in het jaar 1589 ziek en kreeg hij nooit zijne volle kracht terug; zijne werkzaamheid werd verlamd door kuiperijen, welke zijne vijanden aan het Spaansche hof tegen hem smeedden; de krijgstucht onder de Spaansche troepen verdween bijna geheel, tengevolge van de onregelmatige betaling van hunne soldij, en zelfs des hertogs geestkracht was niet bij machte om die volkomen te herstellen.

Onder zulke omstandigheden was het den Nederlanders mogelijk, van een verdedigingskrijg tot een aanvallenden oorlog over te gaan. Zij konden er aan denken, de belangrijkste, hun ontnomen steden te heroveren en de uitkomst bekroonde hunne pogingen. Zij dankten dit in de eerste plaats aan den jeugdigen Maurits van Nassau.

Maurits, graaf van Nassau, de tweede zoon van den overleden Willem van Oranje, had tot het tijdstip, waarop Leicester zijne waardigheid als landvoogd nederlegde, meer eene schijnbare dan eene werkelijke macht bezeten. Wel was hij stadhouder van Holland en Zeeland en kapitein-generaal der land- en zeemacht, doch zijn invloed bleef in weerwil van die titels zeer beperkt, dewijl de oudere staats- en krijgslieden zich wel gaarne van den beroemden naam van Willem’s zoon bedienden, maar in den nog zoo jongen man—die tot dus ver geene gelegenheid had gevonden om zich te onderscheiden—niet genoeg vertrouwen stelden om zich geheel aan hem te onderwerpen.

De jonge vorst zag zijne macht aanzienlijk uitgebreid, toen de graaf van Nieuwenaar en Meurs, de stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel, stierf. De graaf, vroeger een ijverig aanhanger van Leicester, had geheel met diens partij gebroken en deze, door wier invloed de burgemeester Prouninck te Utrecht regeerde, met de hulp der patriciërs ten val gebracht. Prouninck werd uit Utrecht gebannen en de stadhouder voerde op nieuw de patricische regeering in. In het jaar 1590 stierf Nieuwenaar. Maurits werd eenigen tijd daarna met diens waardigheid bekleed en verkreeg daardoor eene hoogst belangrijke en invloedrijke plaats in het bestuur der republiek.

Maurits had de taak om de Nederlanders van de Spaansche heerschappij te verlossen als een heilig erfdeel zijns vaders aanvaard en zich voortreflijk toegerust tot hare vervulling. In die dagen hadden de Nederlanders meer behoefte aan een uitstekend veldheer dan aan een scherpzinnig staatsman, en juist voor veldheer was Maurits bovenal geschikt.

Met een stalen vlijt had hij zich op de studie der oude krijgskunst en der wiskunde toegelegd. De in den wapenhandel vergrijsde bevelhebbers lachten aanvankelijk wel dikwijls om den onervaren jongeling, die naar het voorbeeld der Grieken en Romeinen oorlog dacht te voeren en het hoofd vol had van wiskunstige figuren en berekeningen; zij vermoedden volstrekt niet, dat Maurits spoedig in zekeren zin de schepper van eene nieuwe krijgskunst zou worden.

Kalm en koelbloedig, gelijk zijne lievelingswetenschap de wiskunde, ging Maurits ten strijde, de oorlog was voor hem eene zaak van berekening, een schaakspel in het groot, gelijk hij daarvan ook in het klein een vurig minnaar was. Hoewel bezield door eene groote persoonlijke dapperheid, die hem menigmaal verleidde om zijn leven meer in gevaar te stellen dan den veldheer past, was hij toch volstrekt geen vriend van vermetele, dolzinnige ondernemingen. De roem, dien anderen door schitterende wapenfeiten trachten te verwerven, liet hem geheel onverschillig,de avontuurlijke ridderlijkheid van don Juan Van Oostenrijk ontbrak hem ten eenemale. Nooit was hij geneigd tot gewaagde plannen, waarbij het geluk den moed ter hulp komen moest, om ze te doen gelukken; slechts aarzelend en alleen dan, wanneer hij daartoe genoodzaakt werd, stelde hij zich aan de wisselvallige kansen van een veldslag bloot. Bij de verdediging en belegering van vestingen zocht hij zijn heil nooit in woedende aanvallen en onverhoedsche bestormingen, waarbij de kansen van welslagen en mislukken tamelijk gelijk stonden.

Hij voerde den oorlog niet om den oorlog zelven en ook niet om den roem, en daarom vatte hij altijd slechts één doelwit in het oog, namelijk met zoo weinig mogelijk offers zooveel mogelijk voordeel te behalen. Geheel in strijd met de gewoonte van andere veldheeren zijner dagen, was hij uiterst spaarzaam met menschenlevens, die hij nooit voor eene schitterende, maar in de gevolgen onvruchtbare onderneming op het spel zette. Het oorlogstooneel was—gelijk we reeds zeiden—in zijne schatting een reusachtig schaakbord, waarop hij met een kalm hoofd en een scherpen blik zijne eigene zetten en die zijner tegenpartij vooruit berekende. Volgens vooraf rijp overwogen plannen bracht hij zijne ondernemingen ten uitvoer, zonder zich ooit door hartstocht tot overijling te laten vervoeren. Indien hij zijn leven meermalen op het spel zette, deed hij dat alleen om in persoon de uitvoering van zijne plannen te bewaken en te besturen, dewijl van de kalmte en juistheid, waarmede dit geschiedde, de uitslag zijner berekeningen afhing.

De eerste vrucht van Maurits’ krijgskundige studiën was de overtuiging, dat men op een klein, goed gewapend en geoefend, aan eene strenge tucht gewend leger beter vertrouwen kan, dan op talrijke, maar ongeregelde benden.

Het leger der republiek telde, na aftrekking van de voor de bezetting der steden vereischte manschappen, niet veel meer dan 10.000 man voetvolk en 2000 ruiters. Meer dan de helft der soldaten waren vreemdelingen, Duitschers, Engelschen, Schotten en Franschen, dappere maar roofgierige huurlingen, die slechts zoo lang trouw bleven als hunne soldij uitbetaald werd, die buitendien elke gelegenheid tot plunderen ook van bevriende plaatsen aangrepen en steeds geneigd waren tot muiterij, zoodra men hunne roofzucht beteugelen wilde.

Deze benden aan orde en tucht te gewennen, beschouwde Maurits als zijne eerste en belangrijkste taak. Hij zorgde voor eene regelmatige uitbetaling van de soldij, doch tevens voerde hij eene strenge krijgstucht in. Zelfs geringe vergrijpen tegen de tucht strafte hij zonder genade met den dood. Elk soldaat, die het waagde, slechts eene kleinigheid te rooven, werd zonder omwegen neergestooten of opgehangen. Slechts door zulke doortastende maatregelen was het mogelijk, de roofzucht der soldaten te beteugelen, daar deze alleen door vrees te regeeren waren.

Tot dusver waren bij de verdediging en belegering van vestingen de schanswerken tot stand gebracht door burgers of boeren, die men tot dezen gehaten arbeid preste, de soldaten wilden zulk slavenwerk niet verrichten, hun trots verbood hun dit; ook vonden zij het veel aangenamer een lui en gemakkelijk leventje te leiden, wanneer zij niet moesten vechten.

Reeds meer dan eens had deze gewoonte de wrangste vruchten gedragen. De leegloopende soldaten sloegen elk oogenblik tot groote uitspattingen,tot mishandeling en berooving van burgers en boeren en tot muiterij over, terwijl de gepreste schanswerkers den hun opgedrongen arbeid niet dan slecht en langzaam verrichtten.

Maurits brak zonder aarzelen met die oude gewoonte; hij dwong zijne soldaten tot arbeiden; in den beginne morden zij wel, doch daar hij den schanswerkers boven hunne gewone soldij een niet onaanzienlijke toelage schonk, schikten zij zich in hun lot; zij deden dit des te eerder, omdat het rooven en stelen hun door de strenge krijgstucht toch onmogelijk gemaakt werd.

Ook in de indeeling en de wapening van het leger voerde Maurits belangrijke wijzigingen in, waarover zijne oude officieren aanvankelijk het hoofd schudden; doch weldra zagen zij in, dat de jonge man, met zijne aan de Grieken en Romeinen ontleende theoriën toch gelijk had en dat hij bovendien de kunst verstond om ook de beginselen der nieuwe wetenschap, der wiskunde praktisch op het oorlogvoeren toe te passen. Zij kregen achting voor dien praktischen vriend van oude en nieuwe theoriën en gehoorzaamden hem gewillig.

Zonder al te uitvoerig te worden, kunnen wij de oorlogen, door Maurits in de jaren 1590, 1591 en 1592 gevoerd, niet in alle bijzonderheden beschrijven. Wij merken alleen op, dat de jonge veldheer met eene bewonderenswaardige juistheid zijne plannen ontwierp en uitvoerde, dat hij een aantal belangrijke vestingen, als Breda, Zutfen, Deventer, Nijmegen, enz. den Spanjaarden ontrukte en ook in een open veldslag den Spaanschen veldheer Verdugo eene nederlaag toebracht.

Parma was niet in staat om Maurits die overwinningen te betwisten. Genoodzaakt om nu eens in Frankrijk, dan weer in de Nederlanden oorlog te voeren, zonder toch over de noodige manschappen en geldmiddelen te kunnen beschikken, in zijne bewegingen belemmerd door de kuiperijen zijner vijanden aan het Spaansche hof, door ziekte uitgeput en schier tot wanhoop gebracht door de gedachte, dat de overwinning van zijne vanen was geweken, zag hij den roem tanen, dien hij zich door zijne vroegere wapenfeiten verworven had.

Hij was vóór den tijd een grijsaard, ja de schaduw geworden van hetgeen hij vroeger was. Zijne sombere gemoedsstemming verergerde de ziekte, waaraan hij ten gevolge van slecht genezen wonden leed, en den 3enDecember 1592 stierf hij, toen hij juist op het punt stond om op ’s konings bevel een nieuwen tocht naar Frankrijk te ondernemen. Hij liet den roem na, dat hij de bekwaamste van al de Spaansche landvoogden in de Nederlanden was geweest en zelfs zijne vijanden stemmen toe, dat hij niet alleen als veldheer, maar ook als staatsman rechtmatige hulde verdient, maar aan den anderen kant kunnen ook zijne vereerders niet ontkennen, dat deze goede hoedanigheden ontsierd en ten deele weer uitgewischt worden door zijne echt Italiaansche trouwloosheid en door de lichtzinnigheid, waarmede hij de geldzaken placht te behandelen. Hij stond toe dat zijne gunstelingen, zijne bijzit Franselina en zijne kamerdienaars zich ten koste van het land verrijkten.

Drie en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. Peter Ernst van Mansfeld, Parma’s opvolger. Wreede wijze van oorlogvoeren. Merkwaardige belegering van Geertruidenberg. De Nederlanders mengen zich in de Fransche geschillen. De landvoogd aartshertog Ernst van Oostenrijk. Zijne onbekwaamheid. Groningen veroverd en tot de Unie teruggebracht. Aerschot’s einde. Dood van aartshertog Ernst. De graaf van Fuentes. Aartshertog Albertus van Oostenrijk. Zijn karakter. Philips Willem van Oranje keert naar de Nederlanden terug. Voordeelen, door Albertus op Frankrijk behaald. Amiens veroverd door de Spanjaarden en heroverd door Hendrik IV. Vrede van Vervins. De Nederlanden afgestaan aan Isabella Clara Eugenia en aartshertog Albertus. Vruchtelooze vredesonderhandelingen met de oproerige Nederlanden. Ziekte en dood van Philips II.De oude graaf Peter Ernst van Mansfeld was Parma’s opvolger. Hij was nog minder dan zijn bekwame voorganger in staat om op de thans met elken dag sterker wordende opstandelingen eenig voordeel te behalen. Door wreede gestrengheid meende hij, overeenkomstig den raad van den Spaanschen graaf de Fuentes, die op hem een onbeperkten invloed uitoefende, den muiters schrik te kunnen inboezemen. Hij vaardigde in den aanvang van het jaar 1593 het bevel uit, dat in ’t vervolg geene gevangenen meer uitgewisseld of losgekocht mochten worden, maar dat zij allen moesten worden gedood. Doch hij werkte daardoor niets anders uit, dan dat de Nederlanders van hunnen kant maatregelen van weerwraak namen. Afgrijselijke moordtooneelen, van beide zijden aangericht, waren het eenige gevolg van dit onzinnig bevel, dat weldra ingetrokken moest worden.Maurits trok van Mansfeld’s zwakheid partij, om nadat hij Friesland voldoende gedekt had, zich tegen Geertruidenberg te wenden en deze belangrijke vesting te belegeren. Bij deze gelegenheid gaf hij schitterende proeven van zijn veldheerstalent.Met een legertje van niet meer dan 5000 man ondernam hij het beleg. Dewijl hij alle oogenblikken kon verwachten, dat Mansfeld met groote overmacht tot ontzet der stad zou aanrukken, wierp hij rondom de vesting eene versterkte legerplaats op, die hij van wallen en grachten voorzag. Hij bereikte volkomen zijn doel, want toen Mansfeld nu werkelijk met 12000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Frankrijk, waar hij tegen Hendrik IV gestreden had, toesnelde, vond hij Maurits voor Geertruidenberg zoo sterk verschanst, dat hij niets ten bate der belegerden kon uitrichten.De oude graaf was hierover woedend en hij gaf aan zijne ergernis lucht, toen Maurits hem, naar aanleiding van eene weinig beteekenende onderhandeling, een trompetter toezond. „Wat beduidt het,”—zeide hij—„dat uw heer achter schansen wegkruipt? Het zou hem als een jong en moedig veldheer beter passen, in het open veld te verschijnen en een slag te wagen.”„Het is waar,” antwoordde de trompetter gevat, „mijn heer is nog een jong veldheer, maar juist omdat hij gaarne zulk een oud veldheer zou willen worden als Uwe Excellentie, stelt hij zich niet zonder noodzakelijkheid bloot.”De omstanders lachten, maar de graaf van Mansfeld beet zich op de lippen en wist op het treffend antwoord geen gepast wederwoord te vinden. Maar evenmin wist hij gepaste maatregelen te nemen tot het ontzet van Geertruidenberg; hij moest de belegerde veste aan haar lot overlaten, daar de levensmiddelen hem begonnen te ontbreken, terwijl in de vijandelijke legerplaats overvloed heerschte.Den 24enJuni 1593 gaf Geertruidenberg zich over. Maurits benoemde zijn jeugdigen, negenjarigen broeder Frederik Hendrik tot bevelhebber der stad, doch stelde hem natuurlijk een bekwaam officier ter zijde.Andere belangrijke voordeelen werden in dezen veldtocht noch aan de eene, noch aan de andere zijde behaald. Beide partijen versnipperden hare krachten door zich te mengen in den Franschen burgeroorlog; de Nederlanders ondersteunden Hendrik IV, de Spanjaarden kozen de zijde van zijne tegenstanders.Intusschen had Philips II in de hoop, dat het een vorst uit het huis Habsburg gelukken zou, de Nederlanders op nieuw te onderwerpen, den aartshertog Ernst van Oostenrijk, den tweeden zoon van keizer Maximiliaan II en broeder van keizer Rudolf II, tot landvoogd over de Nederlanden benoemd. In het begin van het jaar 1594 hield Ernst zijn plechtigen intocht binnen Brussel. Zijne komst wekte in de zuidelijke Nederlanden blijde en grootsche verwachtingen, maar weldra bleek het, dat hij volstrekt niet de man was om die te verwezenlijken. Hij was evenmin een veldheer als een staatsman. Vadsig en zwak van karakter was hij bovendien zedeloos en wreed: binnen korten tijd maakte hij zich bij alle partijen gehaat en veracht, het meest bij de Spaansche soldaten zelven.Nauwelijks had hij het bestuur aanvaard, of hij knoopte onderhandelingen tot herstel van den vrede aan; hij eischte, dat de Staten in onderwerping zouden komen en poogde hen tevens door algemeene, niets beteekenende beloften te winnen. Zijne voorslagen werden natuurlijk afgewezen.Evenmin als in deze onderhandelingen slaagde aartshertog Ernst in het aanwenden van een ander middel tot herstel van den vrede. Hij wilde de Nederlanders van hunne hoofden en aanvoerders berooven. Gelijk eens Willem van Oranje door de hand eens sluipmoordenaars gevallen was, moesten thans volgens des landvoogds plan prins Maurits, Oldenbarneveld, de kanselier Leoninus en andere hoofden der omwenteling vermoord worden, doch de samenzwering, met des aartshertogs hulp tot bereiking van dit doel gesmeed, werd ontdekt en werkte niets anders uit, dan dat in de noordelijke gewesten de landvoogd Ernst, ja het geheele Oostenrijksche huis nog inniger dan vroeger gehaat werd.In het veld was de aartshertog even ongelukkig als in de staatkunde. Hij kon niet verhinderen, dat Maurits Groningen belegerde en deze stadna eene dappere verdediging van twee maanden, den 22enJuli 1594 innam. Zoo werd Groningen met de Ommelanden op nieuw tot de Unie teruggebracht en deze bestond thans uit zeven vereenigde gewesten.Met elken dag werd de toestand van den aartshertog hachelijker. In zijn leger brak telkens muiterij uit. De Italiaansche huurbenden sloegen de handen ineen en sloten op eigen gezag met Maurits eene soort van wapenstilstand. Ook de Spanjaarden gehoorzaamden hem niet langer. Zij trokken plunderend door de zuidelijke Nederlanden en weigerden te vechten, voordat hunne soldij stipt uitbetaald was.In zijne wanhoop riep Ernst den adel en de geestelijkheid, de beide eerste standen van Brabant, in het begin van het jaar 1595 te Brussel bijeen. Doch ook deze stap baatte hem niets; hij was niet in staat om den vrede, waarop men algemeen aandrong, tot stand te brengen, daar de vijand dien niet wilde, en evenmin kon hij den wensch van den hertog van Aerschot,1verwijdering van al de Spaansche troepen, om zoo eene verzoening met de vereenigde provinciën te bewerken, inwilligen.De aartshertog Ernst werd spoedig van den zwaren last zijner waardigheid ontheven; hij stierf den 20enFebruari 1595; zijn opvolger was voorloopig, tot groot misnoegen der Nederlanders, de Spaansche graaf Fuentes, die in den veldtocht van het jaar 1595 eenige voordeelen behaalde, eenige steden in Picardië en zelfs het belangrijke, tot dusver door Fransche troepen bezette Kamerijk veroverde.Philips II had intusschen voor de landvoogdij in de Nederlanden weer een vorst uit het Habsburgsche huis verkozen, namelijk den aartshertog Albertus, den jongeren broeder van den overleden Ernst.Albertus was in Spanje opgevoed en had de waardigheid van kardinaal ontvangen. Als ijverig katholiek scheen hij de rechte man om de heilige katholieke kerk in de zuidelijke Nederlanden te beschermen. Bovendien had hij zich gedurende den veldtocht in Portugal een bekwaam krijgsman betoond en ook als stadhouder van Portugal vrij groote bekwaamheden als regent aan den dag gelegd. Zijn karakter wordt door geschiedschrijvers, die zijne tijdgenooten waren, geroemd; men zegt, dat hij rechtschapen, rechtvaardig, matig en werkzaam was. Ook zijne vroomheid wordt gehuldigd en daarbij opgemerkt, dat hij toch niet dweepziek was; wellicht was hij het niet volgens de begrippen van dien tijd, maar wij kunnen, omtrent zijne verdraagzaamheid geene hooge gedachten koesteren, wanneer we zien, dat hij eene Brusselsche dienstmaagd wegens ketterij verbranden liet.Den 29enJuni 1596 kwam aartshertog Albertus met 3000 man Spaansche troepen in de Nederlanden aan. Hij werd in de zuidelijke gewesten met blijdschap ontvangen, wijl de inwoners hoopten, nu althans van den gehaten graaf Fuentes ontslagen te zullen worden. Al werd deze wensch vervuld, al werd Fuentes, de om zijne wreedheid gevreesde en gehate veldheer teruggeroepen, toch plukten de koningsgezinde Nederlanders daarvan niet de minste vruchten. In de plaats van Fuentes kwam als Spaansch veldheer de admiraal van Arragon, don Francisco de Mendozaen evenals voorheen, werden de hoogste en invloedrijkste ambten, zoo in het leger als in den staat, aan Spanjaarden geschonken.Met den aartshertog Albertus kwam ook een man in de Nederlanden, die een hoog vereerden naam droeg, en van wiens werkzaamheid tot onderdrukking van den opstand koning Philips II zich gouden bergen beloofde. Philips Willem, de oudste zoon van den prins van Oranje, zag eindelijk, na eene drie en dertigjarige afwezigheid zijn vaderland weder.Op eene andere plaats hebben wij reeds verhaald, dat Philips Willem van Oranje geheel en al een Spanjaard geworden was. Hij was een ijverig aanhanger der katholieke kerkleer. Op zijne reis naar zijn vaderland toch had hij eerst Rome bezocht en daar den heiligen vader de voeten gekust. Hij stond in nauwe vriendschapsbetrekking met den aartshertog Albertus en was bezield met den vurigen wensch, dat zoowel de vrede tusschen Spanje en de Nederlanden als de heerschappij der katholieke kerk in de laatstgenoemde gewesten hersteld mocht worden.Philips II had Philips Willem jaren lang met een wantrouwend oog gadegeslagen; thans meende hij echter van zijne gehechtheid zeker te zijn. Hij hoopte, dat de Nederlanders hem, om den wil van zijns vaders nagedachtenis, met luide toejuichingen zouden ontvangen, doch tevens hoopte hij, dat er tusschen Philips Willem en zijn jongeren broeder Maurits over beider aanspraken op de vaderlijke nalatenschap een heftige twist ontstaan zou, waardoor de macht en de invloed van prins Maurits natuurlijk gefnuikt zouden worden.Hoe fijn Philips’ berekening ook was, toch had hij zich ditmaal verrekend: Philips Willem weigerde de rol te spelen, welke men hem in de Nederlanden had toegedacht. Toen de Staten-Generaal hem bij zijne terugkomst wel met een gelukwensen begroetten, ja hem uit de opbrengst zijner goederen de som van 10.000 gulden overzonden, maar tevens den wensch uitspraken, dat hij, ten einde geene ontevredenheid te verwekken, niet in de noordelijke Nederlanden verschijnen zou, willigde hij dien wensch in. Kalm en waardig antwoordde hij, dat elk opzet om der vrijheid van zijn vaderland te schaden, ver van hem verwijderd was, dat hij niets anders begeerde dan den staat van dienst te zijn en de welvaart van zijn land te bevorderen. Aan den aartshertog Albertus verklaarde hij, dat hij volkomen bereid was om het zwaard voor den koning van Spanje te voeren, maar nooit tegen de Nederlanders. Hij nam dan ook dapper deel aan den veldtocht tegen Frankrijk, maar niet aan den strijd tegen zijn vaderland, waartegen hij, in weerwil van zijne gehechtheid aan Philips en aan de katholieke godsdienst, niet vijandig wilde overstaan.De wapenen van den aartshertog waren in het begin zijner regeering, vooral in den oorlog tegen Frankrijk, zeer gelukkig. Meer dan ééne belangrijke stad viel in de macht der Spanjaarden; o. a. werd Calais stormenderhand ingenomen en ook Amiens veroverd. Doch weldra keerde de kans.Nadat reeds eene vereenigde Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel van Howard, Essex en den heer van Warmond, Cadix ingenomen en in brand gestoken en de Spaansche vloot van 60 oorlogschepen vernietigd had, streed prins Maurits in het jaar 1597 met goed gevolg tegen de Spanjaarden en bevrijdde hij, vergezeld door zijn eerst 13jarigen, krijgshaftigen broeder Frederik Hendrik, de provinciën ten noorden van den Rijn van de Spanjaarden. Ook Hendrik IV van Frankrijk maakte een eind aan dewerkeloosheid, waarin hij een tijd lang verzonken was geweest, hij belegerde Amiens. Alle pogingen der Spanjaarden om de stad te ontzetten, waren vruchteloos: den 25enSeptember 1597 moest de vesting zich overgeven. Zooveel tegenspoed deed eindelijk den halstarrigen Philips II zwichten. Dagelijks toch zag de Spaansche koning zijn toestand verergeren. Al zijne middelen tot voortzetting van den oorlog waren uitgeput. Alle schatten uit de koloniën waren niet toereikende geweest om weer nieuwe legers aan te werven en uit te rusten. Even spoedig als het goud uit Peru en Mexico in Spanje aankwam, even spoedig verdween het weder. De koning had schulden op schulden gemaakt, de Spaansche inkomsten waren voor vele jaren verpand, de rente der schuld, ten bedrage van 140 millioen ducaten, kon door het uitgeputte land niet meer opgebracht worden. Reeds in het jaar 1575 had Philips II eene poging gewaagd om door het verlagen van de rente verbetering in zijn geldelijken toestand aan te brengen: doch in het jaar 1596 was hij nog verder gegaan: hij had een schandelijk bankroet gemaakt, door te verklaren dat hij voor het welzijn der christenheid zijne schuldeischers niet betalen kon; doch ook door dit afkeurenswaardig middel had hij zijn geldelijken toestand niet verbeterd.Hij was den oorlog moede, zoowel dien tegen Frankrijk als tegen de Nederlanders, hij verlangde naar vrede en knoopte daarom met Hendrik IV onderhandelingen aan, die weldra tot het gewenschte doel leidden, dewijl ook de Fransche koning vurig naar het einde van den oorlog wenschte.Voor de vereenigde Nederlanden waren deze vredesonderhandelingen een zware slag. De Staten-Generaal hadden besloten, den strijd voor de vrijheid met de uiterste krachtsinspanning voort te zetten; alle aansporingen om vrede te sluiten, die in het jaar 1597 van verschillende zijden—o. a. door den keizer, door Denemarken en Polen—tot hen gericht werden, hadden zij dan ook met eene weigering beantwoord; doch tot voortzetting van den krijg was het Fransche bondgenootschap voor hen van het hoogste belang. Zij zonden derhalve Justinus van Nassau—een onwettigen spruit van het beroemde geslacht—met Oldenbarneveld naar Frankrijk en boden Hendrik IV geld en manschappen aan tot voortzetting van den krijg, doch hunne moeite was vergeefsch. Wel verzekerde Hendrik IV hun, dat hij steeds de trouwe vriend der Nederlanders zou blijven, doch hij sloot, in weerwil hiervan, den vrede van Vervins den 2enMei 1598.Ten einde ook den vrede met de Nederlanders tot stand te brengen, nam Philips II de toevlucht tot een nieuw middel. Hij huwde zijne 32-jarige dochter Isabella Clara Eugenia uit aan den aartshertog Albertus en stond haar den 6enMei 1598 de Nederlanden met Franche Comté af, alleen onder voorwaarde, dat het land, in geval het huwelijk kinderloos bleef, weer aan de Spaansche kroon zou vervallen.De staten der zuidelijke provinciën hadden, toen Philips II hun zijn plan mededeelde, zeer onderdanig geantwoord, dat het hun wel diep smartte, aan de regeering van hun genadigen en grooten koning onttrokken te worden, maar dat zij overeenkomstig hunnen plicht zijn evenbeeld zouden huldigen. Van deze zijde alzoo werd aan Philips’ plan geen hinderpaal in den weg gelegd, doch tot den vrede met de noordelijke gewesten leidde het niet.Deze hadden hun haat tegen Spanje ook op den Duitschen tak vanhet vorstenhuis overgedragen, zij wilden in ’t geheel niet meer onder de heerschappij van een zijner afstammelingen staan. Te dikwijls waren zij bedrogen om thans geloof te slaan aan eenige beloften, slechts in hunne eigene kracht zagen zij den waarborg voor hunne vrijheid. Hoewel Albertus hun de schitterendste beloften deed,—de geheele regeeringsvorm zou blijven bestaan, prins Maurits zou zijne waardigheid behouden en bovendien met het opperbevel in een oorlog tegen de Turken bekleed worden—hoewel hij volle godsdienstvrijheid toezegde, waren de Staten noch tot den vrede, noch tot een wapenstilstand te bewegen. Door Oldenbarneveld’s tusschenkomst sloten zij een nieuw verdrag met koningin Elisabeth van Engeland en de oorlog werd voortgezet.Zoo zag Philips II al zijne pogingen om de in opstand verkeerende Nederlanden op nieuw aan de macht van zijn huis te onderwerpen, mislukken. Na zulk een langdurigen strijd had hij niets gewonnen. De ketterij had in zijne erflanden over alle vervolgingen gezegevierd en dit was wellicht het grootste verdriet, dat hem kwelde, toen hij op een langdurig en smartelijk ziekbed geworpen werd.Von Raumer schildert ons des konings laatste levensdagen met de volgende treffende woorden:„Reeds gedurende twee jaren was Philips sterk door het podagra gekweld, doch thans nam zijn lijden op eene vreeselijke wijze toe. Zweren ontstonden op een aantal plaatsen van zijn lichaam, open wonden aan het been en de knie. Nu eens werd hij hier, dan daar gebrand en gesneden en hem onder anderen een vinger der rechterhand afgezet, zonder dat dit alles eene noemenswaardige verbetering aanbracht. Integendeel, op vier plaatsen ging zijne borst open en zulk een onnoemlijk aantal luizen en wormen kroop daaruit te voorschijn, dat geene middelen bij machte waren om ze te verdelgen en vele menschen onophoudelijk bezig waren ze weg te vangen. Hierbij kwam een uitputtend bloedverlies en zulk een ondragelijke stank, dat men het bijna niet bij hem volhouden kon. Drie en vijftig dagen moest hij, dewijl elke beweging hem de ondragelijkste pijnen veroorzaakte, onbewegelijk op zijn rug liggen; tengevolge hiervan kleefde het linnen aan zijn lichaam zoo vast, dat men het slechts met de grootste moeite kon losweeken. Gedurende al dezen tijd legde hij het grootste geduld en een bewonderenswaardige kalmte en gelatenheid aan den dag; tot zijne vertroosting liet hij zich de lijdensgeschiedenis van Jezus voorlezen. „Al deze smarten,” sprak hij, „zijn niet zoo groot als die, welke ik over mijne zonden gevoel.” Op zijn sterfbed waarschuwde hij zijn zoon, geene groote, eerzuchtige plannen te vormen; „langs dezen weg,”voegde hij er bij, „heb ik 600 millioen ducaten en de levens van 20 millioen menschen zonder eenige vrucht verspild.”Den 13enSeptember 1598 stierf Philips II in het Escurial, zijn geliefkoosd verblijf, dat hij in de nabijheid van Madrid gebouwd had, in het 71stejaar zijns levens. Zijne regeering was een vloek voor alle aan zijn schepter onderworpen landen geweest en toch is zij voor de ontwikkeling der volksvrijheid in Europa een zegen geworden, dewijl zij door overmaat van wreedheid en dwingelandij den Nederlandschen opstand veroorzaakt en daardoor den eersten stoot aan de beweging tot verdediging der vrijheid in ons werelddeel gegeven heeft.1Aerschot’s rol was uitgespeeld. Door zijne trouwloosheid en zijne wankelmoedigheid had de hertog al den invloed verloren, waarop hij door zijn rang aanspraak had kunnen maken. Na het mislukken van deze laatste poging om vrede te sluiten, begaf hij zich naar Venetië, om daar ten minste—gelijk hij zeide—als een vrij man te sterven. Niemand betreurde zijn vertrek. Kort daarop stierf hij in Italië.

De Nederlanden. Peter Ernst van Mansfeld, Parma’s opvolger. Wreede wijze van oorlogvoeren. Merkwaardige belegering van Geertruidenberg. De Nederlanders mengen zich in de Fransche geschillen. De landvoogd aartshertog Ernst van Oostenrijk. Zijne onbekwaamheid. Groningen veroverd en tot de Unie teruggebracht. Aerschot’s einde. Dood van aartshertog Ernst. De graaf van Fuentes. Aartshertog Albertus van Oostenrijk. Zijn karakter. Philips Willem van Oranje keert naar de Nederlanden terug. Voordeelen, door Albertus op Frankrijk behaald. Amiens veroverd door de Spanjaarden en heroverd door Hendrik IV. Vrede van Vervins. De Nederlanden afgestaan aan Isabella Clara Eugenia en aartshertog Albertus. Vruchtelooze vredesonderhandelingen met de oproerige Nederlanden. Ziekte en dood van Philips II.

De Nederlanden. Peter Ernst van Mansfeld, Parma’s opvolger. Wreede wijze van oorlogvoeren. Merkwaardige belegering van Geertruidenberg. De Nederlanders mengen zich in de Fransche geschillen. De landvoogd aartshertog Ernst van Oostenrijk. Zijne onbekwaamheid. Groningen veroverd en tot de Unie teruggebracht. Aerschot’s einde. Dood van aartshertog Ernst. De graaf van Fuentes. Aartshertog Albertus van Oostenrijk. Zijn karakter. Philips Willem van Oranje keert naar de Nederlanden terug. Voordeelen, door Albertus op Frankrijk behaald. Amiens veroverd door de Spanjaarden en heroverd door Hendrik IV. Vrede van Vervins. De Nederlanden afgestaan aan Isabella Clara Eugenia en aartshertog Albertus. Vruchtelooze vredesonderhandelingen met de oproerige Nederlanden. Ziekte en dood van Philips II.

De oude graaf Peter Ernst van Mansfeld was Parma’s opvolger. Hij was nog minder dan zijn bekwame voorganger in staat om op de thans met elken dag sterker wordende opstandelingen eenig voordeel te behalen. Door wreede gestrengheid meende hij, overeenkomstig den raad van den Spaanschen graaf de Fuentes, die op hem een onbeperkten invloed uitoefende, den muiters schrik te kunnen inboezemen. Hij vaardigde in den aanvang van het jaar 1593 het bevel uit, dat in ’t vervolg geene gevangenen meer uitgewisseld of losgekocht mochten worden, maar dat zij allen moesten worden gedood. Doch hij werkte daardoor niets anders uit, dan dat de Nederlanders van hunnen kant maatregelen van weerwraak namen. Afgrijselijke moordtooneelen, van beide zijden aangericht, waren het eenige gevolg van dit onzinnig bevel, dat weldra ingetrokken moest worden.

Maurits trok van Mansfeld’s zwakheid partij, om nadat hij Friesland voldoende gedekt had, zich tegen Geertruidenberg te wenden en deze belangrijke vesting te belegeren. Bij deze gelegenheid gaf hij schitterende proeven van zijn veldheerstalent.

Met een legertje van niet meer dan 5000 man ondernam hij het beleg. Dewijl hij alle oogenblikken kon verwachten, dat Mansfeld met groote overmacht tot ontzet der stad zou aanrukken, wierp hij rondom de vesting eene versterkte legerplaats op, die hij van wallen en grachten voorzag. Hij bereikte volkomen zijn doel, want toen Mansfeld nu werkelijk met 12000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Frankrijk, waar hij tegen Hendrik IV gestreden had, toesnelde, vond hij Maurits voor Geertruidenberg zoo sterk verschanst, dat hij niets ten bate der belegerden kon uitrichten.

De oude graaf was hierover woedend en hij gaf aan zijne ergernis lucht, toen Maurits hem, naar aanleiding van eene weinig beteekenende onderhandeling, een trompetter toezond. „Wat beduidt het,”—zeide hij—„dat uw heer achter schansen wegkruipt? Het zou hem als een jong en moedig veldheer beter passen, in het open veld te verschijnen en een slag te wagen.”

„Het is waar,” antwoordde de trompetter gevat, „mijn heer is nog een jong veldheer, maar juist omdat hij gaarne zulk een oud veldheer zou willen worden als Uwe Excellentie, stelt hij zich niet zonder noodzakelijkheid bloot.”

De omstanders lachten, maar de graaf van Mansfeld beet zich op de lippen en wist op het treffend antwoord geen gepast wederwoord te vinden. Maar evenmin wist hij gepaste maatregelen te nemen tot het ontzet van Geertruidenberg; hij moest de belegerde veste aan haar lot overlaten, daar de levensmiddelen hem begonnen te ontbreken, terwijl in de vijandelijke legerplaats overvloed heerschte.

Den 24enJuni 1593 gaf Geertruidenberg zich over. Maurits benoemde zijn jeugdigen, negenjarigen broeder Frederik Hendrik tot bevelhebber der stad, doch stelde hem natuurlijk een bekwaam officier ter zijde.

Andere belangrijke voordeelen werden in dezen veldtocht noch aan de eene, noch aan de andere zijde behaald. Beide partijen versnipperden hare krachten door zich te mengen in den Franschen burgeroorlog; de Nederlanders ondersteunden Hendrik IV, de Spanjaarden kozen de zijde van zijne tegenstanders.

Intusschen had Philips II in de hoop, dat het een vorst uit het huis Habsburg gelukken zou, de Nederlanders op nieuw te onderwerpen, den aartshertog Ernst van Oostenrijk, den tweeden zoon van keizer Maximiliaan II en broeder van keizer Rudolf II, tot landvoogd over de Nederlanden benoemd. In het begin van het jaar 1594 hield Ernst zijn plechtigen intocht binnen Brussel. Zijne komst wekte in de zuidelijke Nederlanden blijde en grootsche verwachtingen, maar weldra bleek het, dat hij volstrekt niet de man was om die te verwezenlijken. Hij was evenmin een veldheer als een staatsman. Vadsig en zwak van karakter was hij bovendien zedeloos en wreed: binnen korten tijd maakte hij zich bij alle partijen gehaat en veracht, het meest bij de Spaansche soldaten zelven.

Nauwelijks had hij het bestuur aanvaard, of hij knoopte onderhandelingen tot herstel van den vrede aan; hij eischte, dat de Staten in onderwerping zouden komen en poogde hen tevens door algemeene, niets beteekenende beloften te winnen. Zijne voorslagen werden natuurlijk afgewezen.

Evenmin als in deze onderhandelingen slaagde aartshertog Ernst in het aanwenden van een ander middel tot herstel van den vrede. Hij wilde de Nederlanders van hunne hoofden en aanvoerders berooven. Gelijk eens Willem van Oranje door de hand eens sluipmoordenaars gevallen was, moesten thans volgens des landvoogds plan prins Maurits, Oldenbarneveld, de kanselier Leoninus en andere hoofden der omwenteling vermoord worden, doch de samenzwering, met des aartshertogs hulp tot bereiking van dit doel gesmeed, werd ontdekt en werkte niets anders uit, dan dat in de noordelijke gewesten de landvoogd Ernst, ja het geheele Oostenrijksche huis nog inniger dan vroeger gehaat werd.

In het veld was de aartshertog even ongelukkig als in de staatkunde. Hij kon niet verhinderen, dat Maurits Groningen belegerde en deze stadna eene dappere verdediging van twee maanden, den 22enJuli 1594 innam. Zoo werd Groningen met de Ommelanden op nieuw tot de Unie teruggebracht en deze bestond thans uit zeven vereenigde gewesten.

Met elken dag werd de toestand van den aartshertog hachelijker. In zijn leger brak telkens muiterij uit. De Italiaansche huurbenden sloegen de handen ineen en sloten op eigen gezag met Maurits eene soort van wapenstilstand. Ook de Spanjaarden gehoorzaamden hem niet langer. Zij trokken plunderend door de zuidelijke Nederlanden en weigerden te vechten, voordat hunne soldij stipt uitbetaald was.

In zijne wanhoop riep Ernst den adel en de geestelijkheid, de beide eerste standen van Brabant, in het begin van het jaar 1595 te Brussel bijeen. Doch ook deze stap baatte hem niets; hij was niet in staat om den vrede, waarop men algemeen aandrong, tot stand te brengen, daar de vijand dien niet wilde, en evenmin kon hij den wensch van den hertog van Aerschot,1verwijdering van al de Spaansche troepen, om zoo eene verzoening met de vereenigde provinciën te bewerken, inwilligen.

De aartshertog Ernst werd spoedig van den zwaren last zijner waardigheid ontheven; hij stierf den 20enFebruari 1595; zijn opvolger was voorloopig, tot groot misnoegen der Nederlanders, de Spaansche graaf Fuentes, die in den veldtocht van het jaar 1595 eenige voordeelen behaalde, eenige steden in Picardië en zelfs het belangrijke, tot dusver door Fransche troepen bezette Kamerijk veroverde.

Philips II had intusschen voor de landvoogdij in de Nederlanden weer een vorst uit het Habsburgsche huis verkozen, namelijk den aartshertog Albertus, den jongeren broeder van den overleden Ernst.

Albertus was in Spanje opgevoed en had de waardigheid van kardinaal ontvangen. Als ijverig katholiek scheen hij de rechte man om de heilige katholieke kerk in de zuidelijke Nederlanden te beschermen. Bovendien had hij zich gedurende den veldtocht in Portugal een bekwaam krijgsman betoond en ook als stadhouder van Portugal vrij groote bekwaamheden als regent aan den dag gelegd. Zijn karakter wordt door geschiedschrijvers, die zijne tijdgenooten waren, geroemd; men zegt, dat hij rechtschapen, rechtvaardig, matig en werkzaam was. Ook zijne vroomheid wordt gehuldigd en daarbij opgemerkt, dat hij toch niet dweepziek was; wellicht was hij het niet volgens de begrippen van dien tijd, maar wij kunnen, omtrent zijne verdraagzaamheid geene hooge gedachten koesteren, wanneer we zien, dat hij eene Brusselsche dienstmaagd wegens ketterij verbranden liet.

Den 29enJuni 1596 kwam aartshertog Albertus met 3000 man Spaansche troepen in de Nederlanden aan. Hij werd in de zuidelijke gewesten met blijdschap ontvangen, wijl de inwoners hoopten, nu althans van den gehaten graaf Fuentes ontslagen te zullen worden. Al werd deze wensch vervuld, al werd Fuentes, de om zijne wreedheid gevreesde en gehate veldheer teruggeroepen, toch plukten de koningsgezinde Nederlanders daarvan niet de minste vruchten. In de plaats van Fuentes kwam als Spaansch veldheer de admiraal van Arragon, don Francisco de Mendozaen evenals voorheen, werden de hoogste en invloedrijkste ambten, zoo in het leger als in den staat, aan Spanjaarden geschonken.

Met den aartshertog Albertus kwam ook een man in de Nederlanden, die een hoog vereerden naam droeg, en van wiens werkzaamheid tot onderdrukking van den opstand koning Philips II zich gouden bergen beloofde. Philips Willem, de oudste zoon van den prins van Oranje, zag eindelijk, na eene drie en dertigjarige afwezigheid zijn vaderland weder.

Op eene andere plaats hebben wij reeds verhaald, dat Philips Willem van Oranje geheel en al een Spanjaard geworden was. Hij was een ijverig aanhanger der katholieke kerkleer. Op zijne reis naar zijn vaderland toch had hij eerst Rome bezocht en daar den heiligen vader de voeten gekust. Hij stond in nauwe vriendschapsbetrekking met den aartshertog Albertus en was bezield met den vurigen wensch, dat zoowel de vrede tusschen Spanje en de Nederlanden als de heerschappij der katholieke kerk in de laatstgenoemde gewesten hersteld mocht worden.

Philips II had Philips Willem jaren lang met een wantrouwend oog gadegeslagen; thans meende hij echter van zijne gehechtheid zeker te zijn. Hij hoopte, dat de Nederlanders hem, om den wil van zijns vaders nagedachtenis, met luide toejuichingen zouden ontvangen, doch tevens hoopte hij, dat er tusschen Philips Willem en zijn jongeren broeder Maurits over beider aanspraken op de vaderlijke nalatenschap een heftige twist ontstaan zou, waardoor de macht en de invloed van prins Maurits natuurlijk gefnuikt zouden worden.

Hoe fijn Philips’ berekening ook was, toch had hij zich ditmaal verrekend: Philips Willem weigerde de rol te spelen, welke men hem in de Nederlanden had toegedacht. Toen de Staten-Generaal hem bij zijne terugkomst wel met een gelukwensen begroetten, ja hem uit de opbrengst zijner goederen de som van 10.000 gulden overzonden, maar tevens den wensch uitspraken, dat hij, ten einde geene ontevredenheid te verwekken, niet in de noordelijke Nederlanden verschijnen zou, willigde hij dien wensch in. Kalm en waardig antwoordde hij, dat elk opzet om der vrijheid van zijn vaderland te schaden, ver van hem verwijderd was, dat hij niets anders begeerde dan den staat van dienst te zijn en de welvaart van zijn land te bevorderen. Aan den aartshertog Albertus verklaarde hij, dat hij volkomen bereid was om het zwaard voor den koning van Spanje te voeren, maar nooit tegen de Nederlanders. Hij nam dan ook dapper deel aan den veldtocht tegen Frankrijk, maar niet aan den strijd tegen zijn vaderland, waartegen hij, in weerwil van zijne gehechtheid aan Philips en aan de katholieke godsdienst, niet vijandig wilde overstaan.

De wapenen van den aartshertog waren in het begin zijner regeering, vooral in den oorlog tegen Frankrijk, zeer gelukkig. Meer dan ééne belangrijke stad viel in de macht der Spanjaarden; o. a. werd Calais stormenderhand ingenomen en ook Amiens veroverd. Doch weldra keerde de kans.

Nadat reeds eene vereenigde Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel van Howard, Essex en den heer van Warmond, Cadix ingenomen en in brand gestoken en de Spaansche vloot van 60 oorlogschepen vernietigd had, streed prins Maurits in het jaar 1597 met goed gevolg tegen de Spanjaarden en bevrijdde hij, vergezeld door zijn eerst 13jarigen, krijgshaftigen broeder Frederik Hendrik, de provinciën ten noorden van den Rijn van de Spanjaarden. Ook Hendrik IV van Frankrijk maakte een eind aan dewerkeloosheid, waarin hij een tijd lang verzonken was geweest, hij belegerde Amiens. Alle pogingen der Spanjaarden om de stad te ontzetten, waren vruchteloos: den 25enSeptember 1597 moest de vesting zich overgeven. Zooveel tegenspoed deed eindelijk den halstarrigen Philips II zwichten. Dagelijks toch zag de Spaansche koning zijn toestand verergeren. Al zijne middelen tot voortzetting van den oorlog waren uitgeput. Alle schatten uit de koloniën waren niet toereikende geweest om weer nieuwe legers aan te werven en uit te rusten. Even spoedig als het goud uit Peru en Mexico in Spanje aankwam, even spoedig verdween het weder. De koning had schulden op schulden gemaakt, de Spaansche inkomsten waren voor vele jaren verpand, de rente der schuld, ten bedrage van 140 millioen ducaten, kon door het uitgeputte land niet meer opgebracht worden. Reeds in het jaar 1575 had Philips II eene poging gewaagd om door het verlagen van de rente verbetering in zijn geldelijken toestand aan te brengen: doch in het jaar 1596 was hij nog verder gegaan: hij had een schandelijk bankroet gemaakt, door te verklaren dat hij voor het welzijn der christenheid zijne schuldeischers niet betalen kon; doch ook door dit afkeurenswaardig middel had hij zijn geldelijken toestand niet verbeterd.

Hij was den oorlog moede, zoowel dien tegen Frankrijk als tegen de Nederlanders, hij verlangde naar vrede en knoopte daarom met Hendrik IV onderhandelingen aan, die weldra tot het gewenschte doel leidden, dewijl ook de Fransche koning vurig naar het einde van den oorlog wenschte.

Voor de vereenigde Nederlanden waren deze vredesonderhandelingen een zware slag. De Staten-Generaal hadden besloten, den strijd voor de vrijheid met de uiterste krachtsinspanning voort te zetten; alle aansporingen om vrede te sluiten, die in het jaar 1597 van verschillende zijden—o. a. door den keizer, door Denemarken en Polen—tot hen gericht werden, hadden zij dan ook met eene weigering beantwoord; doch tot voortzetting van den krijg was het Fransche bondgenootschap voor hen van het hoogste belang. Zij zonden derhalve Justinus van Nassau—een onwettigen spruit van het beroemde geslacht—met Oldenbarneveld naar Frankrijk en boden Hendrik IV geld en manschappen aan tot voortzetting van den krijg, doch hunne moeite was vergeefsch. Wel verzekerde Hendrik IV hun, dat hij steeds de trouwe vriend der Nederlanders zou blijven, doch hij sloot, in weerwil hiervan, den vrede van Vervins den 2enMei 1598.

Ten einde ook den vrede met de Nederlanders tot stand te brengen, nam Philips II de toevlucht tot een nieuw middel. Hij huwde zijne 32-jarige dochter Isabella Clara Eugenia uit aan den aartshertog Albertus en stond haar den 6enMei 1598 de Nederlanden met Franche Comté af, alleen onder voorwaarde, dat het land, in geval het huwelijk kinderloos bleef, weer aan de Spaansche kroon zou vervallen.

De staten der zuidelijke provinciën hadden, toen Philips II hun zijn plan mededeelde, zeer onderdanig geantwoord, dat het hun wel diep smartte, aan de regeering van hun genadigen en grooten koning onttrokken te worden, maar dat zij overeenkomstig hunnen plicht zijn evenbeeld zouden huldigen. Van deze zijde alzoo werd aan Philips’ plan geen hinderpaal in den weg gelegd, doch tot den vrede met de noordelijke gewesten leidde het niet.

Deze hadden hun haat tegen Spanje ook op den Duitschen tak vanhet vorstenhuis overgedragen, zij wilden in ’t geheel niet meer onder de heerschappij van een zijner afstammelingen staan. Te dikwijls waren zij bedrogen om thans geloof te slaan aan eenige beloften, slechts in hunne eigene kracht zagen zij den waarborg voor hunne vrijheid. Hoewel Albertus hun de schitterendste beloften deed,—de geheele regeeringsvorm zou blijven bestaan, prins Maurits zou zijne waardigheid behouden en bovendien met het opperbevel in een oorlog tegen de Turken bekleed worden—hoewel hij volle godsdienstvrijheid toezegde, waren de Staten noch tot den vrede, noch tot een wapenstilstand te bewegen. Door Oldenbarneveld’s tusschenkomst sloten zij een nieuw verdrag met koningin Elisabeth van Engeland en de oorlog werd voortgezet.

Zoo zag Philips II al zijne pogingen om de in opstand verkeerende Nederlanden op nieuw aan de macht van zijn huis te onderwerpen, mislukken. Na zulk een langdurigen strijd had hij niets gewonnen. De ketterij had in zijne erflanden over alle vervolgingen gezegevierd en dit was wellicht het grootste verdriet, dat hem kwelde, toen hij op een langdurig en smartelijk ziekbed geworpen werd.

Von Raumer schildert ons des konings laatste levensdagen met de volgende treffende woorden:

„Reeds gedurende twee jaren was Philips sterk door het podagra gekweld, doch thans nam zijn lijden op eene vreeselijke wijze toe. Zweren ontstonden op een aantal plaatsen van zijn lichaam, open wonden aan het been en de knie. Nu eens werd hij hier, dan daar gebrand en gesneden en hem onder anderen een vinger der rechterhand afgezet, zonder dat dit alles eene noemenswaardige verbetering aanbracht. Integendeel, op vier plaatsen ging zijne borst open en zulk een onnoemlijk aantal luizen en wormen kroop daaruit te voorschijn, dat geene middelen bij machte waren om ze te verdelgen en vele menschen onophoudelijk bezig waren ze weg te vangen. Hierbij kwam een uitputtend bloedverlies en zulk een ondragelijke stank, dat men het bijna niet bij hem volhouden kon. Drie en vijftig dagen moest hij, dewijl elke beweging hem de ondragelijkste pijnen veroorzaakte, onbewegelijk op zijn rug liggen; tengevolge hiervan kleefde het linnen aan zijn lichaam zoo vast, dat men het slechts met de grootste moeite kon losweeken. Gedurende al dezen tijd legde hij het grootste geduld en een bewonderenswaardige kalmte en gelatenheid aan den dag; tot zijne vertroosting liet hij zich de lijdensgeschiedenis van Jezus voorlezen. „Al deze smarten,” sprak hij, „zijn niet zoo groot als die, welke ik over mijne zonden gevoel.” Op zijn sterfbed waarschuwde hij zijn zoon, geene groote, eerzuchtige plannen te vormen; „langs dezen weg,”voegde hij er bij, „heb ik 600 millioen ducaten en de levens van 20 millioen menschen zonder eenige vrucht verspild.”

Den 13enSeptember 1598 stierf Philips II in het Escurial, zijn geliefkoosd verblijf, dat hij in de nabijheid van Madrid gebouwd had, in het 71stejaar zijns levens. Zijne regeering was een vloek voor alle aan zijn schepter onderworpen landen geweest en toch is zij voor de ontwikkeling der volksvrijheid in Europa een zegen geworden, dewijl zij door overmaat van wreedheid en dwingelandij den Nederlandschen opstand veroorzaakt en daardoor den eersten stoot aan de beweging tot verdediging der vrijheid in ons werelddeel gegeven heeft.

1Aerschot’s rol was uitgespeeld. Door zijne trouwloosheid en zijne wankelmoedigheid had de hertog al den invloed verloren, waarop hij door zijn rang aanspraak had kunnen maken. Na het mislukken van deze laatste poging om vrede te sluiten, begaf hij zich naar Venetië, om daar ten minste—gelijk hij zeide—als een vrij man te sterven. Niemand betreurde zijn vertrek. Kort daarop stierf hij in Italië.

1Aerschot’s rol was uitgespeeld. Door zijne trouwloosheid en zijne wankelmoedigheid had de hertog al den invloed verloren, waarop hij door zijn rang aanspraak had kunnen maken. Na het mislukken van deze laatste poging om vrede te sluiten, begaf hij zich naar Venetië, om daar ten minste—gelijk hij zeide—als een vrij man te sterven. Niemand betreurde zijn vertrek. Kort daarop stierf hij in Italië.


Back to IndexNext