Elfde Hoofdstuk.De Nederlanden. Onderhandelingen tusschen Oranje en Requesens. Elbertus Leoninus. Het vredescongres te Breda. Unie tusschen Holland en Zeeland. Vergadering te Delft. Afzetting van den koning. Dirk Sonoy en zijne wreedheden jegens de katholieken. Oranje’s huwelijk met Charlotte van Bourbon. Vruchtelooze onderhandelingen met vreemde mogendheden. Ongeluksdagen der Hollanders. Veldtocht van den heer van Hierges. Stoutmoedige aanslag der Spanjaarden op Schouwen. Belegering van Zierikzee. Wanhopige toestand der prinsgezinden. Requesens’ dood.Requesens bevond zich, terwijl de Spaansche troepen Leiden belegerden, in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. De aanwerving van Duitsche huurbenden tegen Lodewijk van Nassau had zijne kas tot den laatsten penning uitgeput, uit Spanje werd hem geen geld overgemaakt en evenmin kon hij de noodige gelden uit de overige provinciën trekken, daar deze kariger waren dan ooit. Al waagden deze het ook niet, op het voorbeeld van Holland en Zeeland openlijk de vaan van den opstand te ontplooien, toch drongen zij op de verwijdering van de Spaansche troepen aan en dewijl Requesens niet bij machte was om dezen eisch in te willigen, weigerden zij van hunnen kant eenig geld op te brengen.Zoolang Holland en Zeeland niet onderworpen waren, was alle uitzicht op een geregeld bestuur ijdel. Doch Requesens wanhoopte bijna aan de mogelijkheid om de oproerige Hollanders door kracht van wapenen tot gehoorzaamheid te dwingen. Noircarmes, die den 4enMaart 1574 te Utrecht, waarschijnlijk ten gevolge van vergif, gestorven was, had hem gezegd, dat de prins van Oranje gemakkelijk tot vrede en verzoening zou over te halen zijn, indien men hem voor zijn persoon volle vergiffenis toestond. De landvoogd besloot, dit te beproeven, want gelukte het hem, den prins voor zich te winnen, dan had hij den opstand der Hollanders en Zeeuwen van zijne ziel beroofd.St. Aldegonde, Oranje’s trouwste vriend, bevond zich nog altijd in gevangenschap; Mondragon had noch, overeenkomstig zijne belofte, diens invrijheidstelling bewerkt, noch zich vrijwillig weder in krijgsgevangenschap begeven. Niemand was beter geschikt tot het voeren van onderhandelingen met Willem van Oranje dan St. Aldegonde. Requesens ontsloeg hem daarom uit zijne gevangenschap op zijn woord, dat hij terugkeeren zou, en zond hem als bemiddelaar tot den prins en de Staten van Holland.Willem van Oranje ontving zijn vriend met groote hartelijkheid; hij verklaarde, dat hij gaarne het land verlaten zou, om den vrede te herstellen,doch hij wilde daaromtrent niets beslissen, maar zich geheel naar den wensch der Staten schikken. Voor zich zelven verzekerde hij verder, verlangde hij niets, allerminst des konings vergiffenis, die hij niet van noode had, daar hij steeds zijn plicht jegens zijn vorst en het land had vervuld.Niet gunstiger was het antwoord der Staten. Zij overhandigden Aldegonde een brief aan den koning, waarin zij hunne oude eischen: verwijdering van de Spaansche krijgsmacht uit het land, afschaffing van de inquisitie en herstelling van volkomene godsdienstvrijheid in fiere, manlijke taal handhaafden.Aldegonde, die niets had kunnen uitwerken, keerde, getrouwer aan zijn woord dan Mondragon, in zijne gevangenschap terug, waaruit hij door Requesens eerst den 15enOctober 1574 ontslagen werd.Na deze mislukte poging van Aldegonde was de verzoening moeilijker dan ooit. Na het ontzet van Leiden was Oranje’s invloed, zoo mogelijk, nog grooter geworden. De Staten hadden hem eene schier onbeperkte macht onder den titel van gouverneur of regent opgedragen en, hoewel eerst na eenige aarzeling, maandelijks eene som van 40.000 gulden tot voortzetting van den oorlog ter zijner beschikking gesteld, eene som, die wel niet aanzienlijk was, maar toch den regent eene zekere vrijheid van handelen gunde. Na dit alles was de verzoening van den gevaarlijken man in Requesens’ oog nog wenschelijker dan vroeger. Hij liet tot bereiking van dit doel niets onbeproefd, doch al zijne pogingen waren vruchteloos, zelfs de geleerde professor der Leuvensche Hoogeschool, Elbertus Leoninus, een man, die in ’s prinsen achting hoog stond aangeschreven en die in persoon de onderhandelingen leidde, kon niets uitrichten.Even vruchteloos bleef een vredes-congres, dat op aandringen van keizer Maximiliaan, die gaarne door zijne tusschenkomst de oproerige Nederlanders met Philips II verzoend zou hebben, den 3enMaart 1575 te Breda geopend werd. Leoninus spande al zijne krachten in om eene verzoening tot stand te brengen, doch hoe ware dit mogelijk geweest?Wel wenschte Philips II, die in groote geldverlegenheid verkeerde, naar den vrede, maar hij had vast besloten daarvoor ook niet het geringste offer te brengen. Hij had Requesens in dien geest de noodige instructies gegeven. De Hollanders volhardden van hunnen kant even onverzettelijk in de handhaving van hunne rechten en in hun wensch naar godsdienstige vrijheid; eene verzoening tusschen de beide partijen was dus onmogelijk.De afgevaardigden der Staten van Holland eischten te Breda de verwijdering van de Spaansche troepen en de bijeenroeping van de Staten-Generaal der Nederlanden, wien alles wat de godsdienst betrof moest worden overgelaten. De koning daarentegen liet verklaren, dat de opstandelingen eerst tot gehoorzaamheid terugkeeren, al hunne steden, hunne versterkte sloten en hunne schepen met het volle geschut overgeven en overal de katholieke godsdienst herstellen moesten, dan zou de koning de Spaansche troepen slechts zoo lang in het land houden als noodig was en ook den raad van de Staten-Generaal inwinnen, maar zich zelven de beslissing voorbehouden.Bij zulk een strijd der belangen konden alle bemoeiingen van Leoninus geene overeenstemming tot stand brengen; de strijd duurde onafgebroken voort.Tot dusver had Willem van Oranje nog altijd als plaatsvervanger des konings in Holland geregeerd. Ook toen in Juni 1575 de Unie tusschenZeeland en Holland gesloten en den prinsvanOranje het bewind over deze beide verbonden gewesten opgedragen werd, had men nog altijd dezen schijn in acht genomen. Doch nadat het vredescongres te Breda zoo geheel vruchteloos afgeloopen was, gevoelden de vereenigde gewesten de dringendste behoefte om zich geheel aan de Spaansche heerschappij te onttrekken en zich bij eene der andere groote mogendheden van Europa aan te sluiten. In October 1575 spraken ridderschap en steden in eene vergadering te Delft eenparig de afzetting van den koning en de noodzakelijkheid uit om een anderen souverein te verkiezen. Aan de vestiging van eene republiek dachten zij nog niet, alleen aan de verkiezing van een anderen vorst en zij droegen den prins van Oranje, onder goedkeuring der Staten, de noodige onderhandelingen op.De keuze van zulk een nieuwen vorst was geene gemakkelijke zaak. Het natuurlijkst zou zijn geweest, zich aan het Duitsche rijk aan te sluiten; doch dit bestond eigenlijk slechts in naam en was inderdaad geene groote mogendheid. Ten nadeele van Frankrijk getuigden de daar heerschende onlusten, tegen Engeland de vrees, welke koningin Elisabeth in den laatsten tijd aan den dag had gelegd om door ondersteuning van de Nederlanders met Philips II in openbare vijandschap te geraken.In alle opzichten leverde de aansluiting aan eene der vreemde mogendheden groote moeilijkheden op, die nog vermeerderd werden door de omstandigheid, dat in de laatste jaren het aanzien der opgestane gewesten tengevolge van meer dan ééne oorzaak ondermijnd was, terwijl de prins van Oranje zich door een onstaatkundigen stap vele vijanden gemaakt had.Reeds vroeger hadden de geuzen tegen de katholieke inwoners der provinciën vele wreedheden gepleegd; den prins was het, in weerwil van de uiterste krachtsinspanning, niet gelukt dit te verhoeden. Menigmaal had hij de misdadigers streng gestraft en zelfs den woesten Lumey uit zijn dienst ontslagen, maar toch kon hij den katholieken niet die verdraagzaamheid verzekeren, waarop zij ook in zijn oog recht hadden.Een der ijverigste aanhangers van den prins was Dirk Sonoy, die om zijne schitterende verdiensten tot gouverneur van Noord-Holland benoemd was. Deze bracht door zijne onmenschelijke wreedheid aan de zaak der vrijheid, voor welke hij streed, eene diepe wonde toe.Hij meende eene samenzwering op het spoor te zijn gekomen; terstond stelde hij, Alba’s voorbeeld volgend, eene soort van bloedraad in, die in last ontving, de saamgezworenen op te sporen en te straffen. Acht vagebonden werden gegrepen; door middel der pijnbank dwong men hen tot de bekentenis, dat zij door eenige rijke katholieken omgekocht waren om eenige steden en dorpen ten dienste der Spanjaarden in brand te steken; vervolgens werden zij levend verbrand, hoewel men hun, tot belooning voor hunne bekentenissen, lijfsbehoud voorgespiegeld had. Op weg naar den brandstapel herriepen zij al hunne bekentenissen, maar toch werden allen, die zij beschuldigd hadden, in hechtenis genomen en aan den nieuwen bloedraad overgeleverd.Thans toonde Sonoy, dat het mogelijk was, zelfs den gehaten Alba en de inquisitie in wreedheid te overtreffen. De gevangenen, die geene enkele misdaad begaan hadden, die slechts door de afgeperste en later herroepene bekentenissen van landloopers in staat van beschuldiging waren gesteld, wien men niets anders dan hunne trouw aan het katholiek geloof verwijten kon, werden, om hen tot bekentenis te brengen, aan folteringenonderworpen, zoo wreed, dat geen demon zelfs ze gruwelijker uitdenken kon.Een hunner, dien men lang te vergeefs gefolterd had, zonder hem eene bekentenis te kunnen afpersen, wierp men op een bed en zette hem op het naakte lijf een grooten omgekeerden ketel, waarin zich eenige groote ratten bevonden. Vervolgens legde men gloeiende kolen op den ketel en dwong daardoor de woedende ratten om het lichaam van den ongelukkige te verscheuren.Standvastig verdroeg de gefolterde deze en andere martelingen, welke de pen weigert te beschrijven, en eerst toen hem volledige vergiffenis beloofd werd, noemde hij zijne gewaande medeplichtigen, d. i. klaagde hij onschuldigen aan. Het bloedgericht hield jegens hem evenmin woord als jegens de landloopers; het veroordeelde hem tot een afgrijselijken dood; het hart moest hem uit het lichaam gereten worden, daarna zou zijn lichaam worden onthoofd en gevierendeeld.Op den weg naar het schavot herriep de veroordeelde de hem afgeperste bekentenis, doch zijne stem werd verdoofd door die van den priester, die hem vergezelde, en die zijne gebeden zóó luide opzeide, dat men de woorden der herroeping niet duidelijk verstaan kon. Woedend over deze handelwijze daagde de ter dood veroordeelde den onwaardigen dienaar van Christus binnen drie dagen voor Gods rechterstoel; daarop onderging hij de vreeselijke straf.Welk eene macht het bijgeloof in die dagen uitoefende, leert ons het voorbeeld des priesters. De bedreiging van den stervende joeg hem zulk een doodelijken schrik aan, dat hij ernstig ziek werd en werkelijk den derden dag stierf. Zijn dood gaf natuurlijk nieuw voedsel aan het wondergeloof des volks.Een aantal inhechtenisnemingen volgde op dit doodvonnis; gelukkig had Willem van Oranje intusschen bericht gekregen van Sonoy’s wreede handelwijze; hij verbood, de gevangenen te folteren en ter dood te brengen; doch den wensch van vele zijner vrienden, die over die bloedige tooneelen diep verontwaardigd waren en daarom op de afzetting van den wreeden gouverneur aandrongen, kon hij niet vervullen. Dirk Sonoy had hem te schitterende diensten bewezen en hij had zijne verdere hulp te dringend noodig, dan dat de prins hem had kunnen ontslaan. Hij spoorde hem slechts tot grootere zachtmoedigheid aan en maakte zich daardoor in de oogen der wereld medeplichtig aan de wreedheden, welke Sonoy nog verder beging. Bovendien verschafte hij daardoor den vijanden der Hollandsche vrijheid een welkom voorwendsel om de geuzen voor een hoop wild, wreed en misdadig gespuis uit te maken.Ook door zijn persoonlijk gedrag had Willem van Oranje zich meer dan een machtigen vijand gemaakt en vroegere vrienden van zich vervreemd; vooral door een huwelijk, dat hij in Juni 1575 sloot.Zijn echt met Anna van Saksen was verre van gelukkig geweest, naar het schijnt, buiten zijne schuld. Het karakter dier vorstin wordt ons althans door hare tijdgenooten eenstemmig afgeschilderd op eene wijze, die terstond elke gedachte aan de mogelijkheid van een gelukkig huwelijksleven moet verbannen.Anna van Saksen had reeds van den eersten tijd haars huwelijks af eene woeste hartstochtelijkheid aan den dag gelegd, die aanhoudend toenam en eindelijk schier in waanzin ontaardde. Zij vierde in zulke mate bot aanhare lust tot het gebruik van bedwelmende dranken, dat zij eindelijk noch staan, noch gaan kon; haar geheele leven was één openlijk schandaal. Dat de prins zich van zijne waanzinnige gemalin scheiden liet, zou hem zeker nooit tot verwijt zijn gemaakt, daar de keurvorst van Saksen zelf de gescheidene als eene dolle achter de traliën zetten liet, doch wel werd des prinsen keus, toen hij op nieuw in het huwelijk wilde treden, scherp berispt.Charlotte van Bourbon, de dochter van den hertog van Montpensier, was door haren vader voor het klooster, bestemd. Zij had den sluier aangenomen en het ambt van abdis in het klooster, waartoe zij behoorde, reeds aanvaard; doch het kloosterleven beviel haar niet, zij ontvluchtte het gesticht, ging tot de protestantsche godsdienst over en vond als zoodanig eene toevluchtsoord aan het hof van de Paltz.De prins van Oranje koos Charlotte van Bourbon tot zijne gemalin; dat hij tegen den raad zijner vrienden de voormalige non huwde, haalde hem de vijandschap van vele vorsten op den hals. De keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen waren woedend, zelfs ’s prinsen broeder, Jan van Nassau, die trouw aan hem gehecht was, sprak een afkeurend oordeel over dit huwelijk uit en het Fransche hof verkoelde sinds dien tijd meer en meer in zijne gezindheid jegens den onwelkomen bloedverwant.Bij de onderhandelingen, welke Willem van Oranje ten behoeve van de aansluiting der Nederlanden aan eene vreemde mogendheid te voeren had, ondervond hij op eene smartelijke wijze, dat vele vroegere vrienden hem ontrouw waren geworden. Een gezantschap naar Engeland, waaraan ook St. Aldegonde deelnam, bleef geheel zonder vrucht. Koningin Elisabeth hield de gezanten met allerlei plichtplegingen en met halve beloften bezig, doch liet zich tot geene bindende belofte overhalen. Even weinig vrucht droegen voorshands de onderhandelingen met Frankrijk, hoewel de hertog van Alençon veel lust had om in de Nederlanden een zelfstandig rijk te stichten; ook van de protestantsche vorsten van Duitschland, die woedend waren over des prinsen huwelijk, was niets te hopen, en zoo moesten de opgestane gewesten zich in den strijd met Philips II uitsluitend op hunne eigen krachten verlaten.En toch hadden zij in dien tijd die buitenlandsche hulp zoo dringend noodig!Op de kortstondige blijdschap van het ontzet van Leiden volgde weldra een treurige tijd, waarin de Hollanders zeer ongelukkig streden. De heer van Hierges, een der vier dappere zonen van Barlaimont, ondernam in het jaar 1575 een strooptocht in Holland. Nadat hij de Geldersche stad Buren, die zich bij Holland had aangesloten, ingenomen had, veroverde hij Oudewater, waar hij het bloedbad van Naarden herhaalde.Nog gevaarlijker dan de tocht van den heer van Hierges was voor de opstandelingen eene stoutmoedige onderneming, die door de Spanjaarden in den nacht van den 24enSeptember 1575 werd uitgevoerd.Het eiland Schouwen, het noordelijkste der Zeeuwsche eilanden, vormde de verbinding van het eiland Walcheren met Holland. Dit eiland weer in hunne macht te krijgen, was voor de Spanjaarden eene zaak van het hoogste gewicht; gelukte hun dit, dan konden zij de verbinding tusschen Holland en Zeeland verbreken.Tholen en Zuid-Beveland waren nog in de macht der Spanjaarden; van hier uit kon een aanslag op Schouwen ondernomen worden, wanneerhet mogelijk was, den ondiepen rivierarm, die de eilanden van elkaar scheidde, over te steken. Doch hiertoe ontbrak het aan de noodige schepen en de geuzenvloot was oorzaak, dat deze niet aangevoerd konden worden.Een Zeeuwsch verrader deed den Spanjaarden een middel aan de hand om hun plan tot overrompeling van Schouwen uit te voeren; hij wees hun eene lange smalle bank, die gedurende de eb zóó hoog onder den waterspiegel lag, dat zij der geuzenvloot het naderen belette. Deze bank bood den Spaanschen soldaten bovendien een middel aan om, al was het dan ook niet zonder levensgevaar, het eiland Schouwen te bereiken.Requesens volgde met blijdschap de aanwijzing des verraders. Vrijwilligers werden opgeroepen en 1700 man boden zich aan om het waagstuk te ondernemen. Zij ontvingen een zak met buskruit en levensmiddelen voor drie dagen, dien zij om den hals bevestigden, en daalden daarop in den nacht van den 24enSeptember onder aanvoering van den dapperen Osorio d’Ulloa in de zee af, om den overtocht te beproeven.Het was een vreeselijke tocht! Dikwijls steeg het water den Spaanschen soldaten tot boven de schouders; in het glibberige zand konden zij den voet niet met de noodige vastheid nederzetten en toch bedreigde elke mistred hen met een zekeren dood, want de zandbank was zeer smal en daalde aan beide zijden steil in de zee af.Slechts langzaam konden de Spanjaarden voorwaarts gaan en onophoudelijk zagen zij zich bestookt door de waakzame geuzen, die wel met hunne schepen niet dicht genoeg konden naderen, om den overtocht te beletten, doch die onafgebroken op den voortrukkenden vijand vuurden en ook met hunne harpoenen menigen Spanjaard doodden.Groot was het aantal slachtoffers, dat de golven in dien nacht verzwolgen, want elke gewonde was reddeloos verloren. Maar de fortuin helpt de dapperen, de vermetele tocht gelukte: 1200 man bereikten den overkant en slechts de achterhoede moest terugkeeren; anders zou de vloed hen bereikt en verzwolgen hebben.Nog stond den Spanjaarden een hevige strijd voor de deur. Karel van Boisot, de broeder van den beroemden admiraal, wachtte hen af met eene schaar Fransche, Engelsche en Schotsche huurtroepen.Was het toeval of een vooraf beraamd verraad? De huurtroepen vermoordden hun dapperen generaal en vluchtten daarop lafhartig voor de uit de zee opklimmende vijanden.Het bezit van het eiland Schouwen was de vrucht dezer stoute onderneming en thans konden de Spanjaarden, nadat zij zich versterkt hadden, tot de belegering van Zierikzee, de goed bevestigde hoofdstad van het eiland, overgaan. Doch hier wachtte hen niet zulk eene gemakkelijke zegepraal, want Zierikzee werd door de inwoners met de grootste dapperheid verdedigd.Door de verovering van Schouwen en de belegering van Zierikzee hadden de Spanjaarden eene sterke stelling aan de kust ingenomen; Holland was van Zeeland gescheiden en daar ook Haarlem nog altijd in de macht der Spanjaarden was, waren de strijdkrachten der Nederlanders in drie deelen gesplitst.De prins van Oranje wanhoopte in dezen treurigen toestand bijna aan de mogelijkheid der overwinning. Zonder hulp van buiten scheen hetondenkbaar, dat de zoo verzwakte opstandelingen nog langer aan de Spaansche overmacht het hoofdzoudenkunnen bieden, en op buitenlandsche hulp viel niet te rekenen. Men verhaalt, dat de prins in dien wanhopigen toestand het besluit had opgevat om de geheele bevolking des lands op de vloot in te schepen en zich naar de nieuwe wereld te begeven, ten einde daar een protestantschen staat te vestigen, doch vooraf alle sluizen open te zetten, alle dijken door te steken en het rijke land aan den oceaan prijs te geven.Indien dit plan werkelijk ooit is opgevat, werd het toch niet uitgevoerd, want eene nieuwe straal van hoop blonk eensklaps den Hollanders weer in de oogen. Requesens stierf, na eene ziekte van weinige dagen, den 5enMaart 1576, zonder dat het hem mogelijk was geweest een opvolger te benoemen.Twaalfde Hoofdstuk.De Nederlanden. Treurige toestand der provinciën. Bevestiging van de Unie tusschen Holland en Zeeland. Mislukte poging tot ontzet van Zierikzee. Dood van Lodewijk van Boisot. Val van Zierikzee. Opstand der Spanjaarden. Zwak bewind van den Staatsraad. De Spaansche muiters te Aalst. Opstand van het geheele Spaansche leger. De Roda. De Staatsraad in hechtenis genomen. Vergadering der Staten te Gent. Moeilijkheden bij de onderhandelingen. Maastricht en Antwerpen door de Spaansche muiters geplunderd. Gevolgen van het bloedbad te Antwerpen. De pacificatie van Gent.Indien wij ons den toestand der in opstand verkeerende provinciën voor den geest roepen, dan bieden zij ons een hoogst treurig schouwspel aan.Het land verkeerde in den uitersten nood. De lange, hardnekkige strijd had zelfs den meest welvarende bijna arm gemaakt, de velden lagen braak, bijna overal had men gebrek aan zaaikoren, aan vee en aan geld om het aan te koopen. Het doorsteken van de dijken had aan het bouwland onnoemlijke schade toegebracht. Nog had men de dijken niet weder geheel kunnen dicht maken bij gebrek aan geld en aan werkkrachten, bij elken storm werd dus het land bedreigd met eene zeer ongewenschte overstrooming, die het geheel aan den ondergang prijsgeven kon.Voeg hierbij de treurige gebeurtenissen op het oorlogstooneel: Noord- en Zuid-Holland van elkaar gescheiden door de vesting Haarlem, die nog in het bezit der Spanjaarden was; Amsterdam, de hoofdstad van het kleine land, insgelijks in handen van den vijand; Zierikzee belegerd en zelfs de tot dusver onbetwiste heerschappij ter zee door de laatste gebeurtenissen in de waagschaal gesteld. Inderdaad, de toestand der Hollanders was bijna wanhopig en wij gevoelen eene innige bewondering voor die koene verdedigers van de Nederlandsche vrijheid, die in weerwil van aldeze tegenspoeden den moed niet verloren, ja die juist in dezen treurigen tijd het waagden, de Unie tusschen Holland en Zeeland door eene nieuwe bondsacte den 25enApril 1576 te Delft te bevestigen en den prins van Oranje eene schier onbeperkte macht op te dragen.Oranje’s eerste zorg moest nu zijn, Zierikzee te ontzetten. Deze plaats was belangrijk als hoofdstad van het eiland Schouwen en als sleutel van half Zeeland. Lodewijk van Boisot, de dappere admiraal, die zich door het ontzet van Leiden zulk een hoogen roem verworven had, ontving bevel om de Spaansche belegeraars aan te tasten. Hij aanvaardde die onderneming tegen het einde van Mei, maar het geluk was hem niet gunstig. De geuzen werden teruggeslagen en Lodewijk van Boisot verloor het leven bij dezen mislukten aanslag.De belegerden moesten alle hoop op ontzet opgeven: den 21enJuni sloten zij met den Spaanschen bevelhebber Mondragon, die het beleg bestuurde, eene eervolle capitulatie, welker voorwaarden ditmaal bij uitzondering door de Spanjaarden nagekomen werden.De val dezer belangrijke vesting scheen het ongeluk der prinsgezinden ten top te voeren, maar ziet, wat niemand verwacht had, geschiedde: juist van deze gebeurtenis dagteekende eene gunstiger wending der zaken voor de Nederlanders.De Spaansche soldaten hadden juist op dit oorlogstooneel zulke schitterende bewijzen van hunne dapperheid geleverd, dat zij zich thans meer dan ooit gerechtigd achtten om eindelijk op betaling van hunne achterstallige soldij aan te dringen. Toen deze eisch door de officieren niet vervuld werd, dewijl hij uit gebrek aan geld niet vervuld kon worden, kwamen zij in opstand. Te vergeefs poogde de anders zoo hoog door hen vereerde Mondragon hen tot gehoorzaamheid terug te brengen, zij verklaarden, dat zij geene woorden maar geld verlangden en toen dit hun niet uitbetaald werd, kozen zij volgens hunne gewoonte een eletto en trokken, dewijl zij in het arme door den oorlog uitgeputte land hun gelddorst niet konden bevredigen door het uitplunderen van de inwoners, naar het rijke Brabant, met het plan om zich van de eene of andere groote stad meester te maken.Welke gewichtige gevolgen deze soldatenopstand voor de ontwikkeling der Nederlandsche vrijheid gehad heeft, zullen wij straks zien.Requesens was zoo onverwacht gestorven, dat hij geen tijd had gehad om een opvolger te benoemen; volgens het gewoonterecht nam derhalve de Staatsraad de teugels van het bewind in handen, voorshands oogenschijnlijk met gunstig gevolg, dewijl hij nergens eenigen tegenstand ontmoette en ook de Spaansche soldaten zijne bevelen gehoorzaamden.Ook Philips II keurde deze handeling goed, daar hij nog niet wist, wien hij tot opvolger van Requesens benoemen zou, en nu tijd had om daarover rustig na te denken. Zijne raadslieden waren het daarover niet eens. Granvelle ried, de hertogin van Parma terug te roepen, anderen stemden voor Don Juan d’Austria. Joachim Hopper, de vriend van Viglius, was van oordeel, dat de Nederlanden het best tot onderwerping gebracht zouden worden, indien men aan den Staatsraad, die thans bijna uitsluitend uit Nederlanders was samengesteld, voorloopig de regeering overliet, en Philips II volgde dezen raad.In weerwil van den aanvankelijk goeden uitslag zijner pogingen was de Staatsraad toch volstrekt niet geschikt om de Nederlanden te besturen.De Spaansche officieren mistrouwden hem, omdat slechts een enkele Spanjaard, Hieronymus de Roda, daarin zitting en stem had; de Nederlanders van hunnen kant schatten hunne landgenooten niet hooger dan de Spanjaarden, omdat het lieden waren, die zich eenmaal tot blinde werktuigen van Alba hadden verlaagd. Welke achting konden zij ook voor Barlaimont en Viglius koesteren? Ook de hertog van Aerschot, het aanzienlijkst lid van den Staatsraad, die uit het vorstelijke huis van Croy afstamde, boezemde noch door zijn verleden, noch door zijn karakter vertrouwen in.Zoo lang er geene bijzondere voorvallen plaats grepen, kon de Staatsraad wel het bewind voeren, doch bij den eersten storm den besten moest zijne onmacht, die door oneenigheid in eigen boezem nog vermeerderd werd, aan den dag komen.Een zoo scherpzinnig staatsman als Willem van Oranje kon zulk eene gelegenheid om zijn doelwit nader te komen, niet ongebruikt laten. Hij knoopte verstandhouding met al die invloedrijke edelen aan, van wie hij geloofde, dat zij nog eenig gevoel voor de vrijheid van hun vaderland hadden overgehouden, hij schreef aan hen, zoowel aan katholieken als aan protestanten, en spoorde hen aan om van dezen gunstigen oogenblik tot verdrijving van de Spanjaarden partij te trekken. Nu of nooit was het daartoe de rechte tijd. Hij verzekerde plechtig, dat het den Hollanders en Zeeuwen nooit in den zin gekomen was, de katholieke godsdienst als zoodanig te bestrijden, dat hun eenig doel was geweest hunne eigene gewetensvrijheid te verdedigen, zich van de inquisitie te ontslaan en de oude bezworen privilegiën des lands te handhaven.Deze aansporingen bleven niet zonder gevolg. De edelen, ook in de overwegend katholieke provinciën, helden meer en meer tot de zijde van den prins van Oranje over en zij werden jegens hem nog gunstiger gestemd, toen eensklaps een opstand der Spaansche soldaten alle Nederlanders op nieuw met een gemeenschappelijk gevaar bedreigde.De muiters waren van het eiland Schouwen naar Brabant vertrokken, hun aantal was onderweg nog aangegroeid, zoodat zij reeds over eene aanzienlijke macht beschikten. Hun plan was, zich van de stad Mechelen meester te maken, doch dit gelukte hun niet. Plunderend trokken zij het land door, tot voor de poorten van Brussel; doch dewijl zij zich te zwak gevoelden om de hoofdstad aan te grijpen, wendden zij zich tegen Aalst, halverwege tusschen Brussel en Gent. Hier sloegen zij hun hoofdkwartier op en brandschatten van hier uit Brabant en Vlaanderen.Zij hielden huis, alsof zij zich in vijandelijk land bevonden; 170 dorpen werden door hen in de eerstvolgende dagen geplunderd. De bevelen van den Staatsraad om tot gehoorzaamheid terug te keeren, beantwoordden zij met smaad en hoon.Groot was de verontwaardiging binnen Brussel over de schandelijke handelingen der vreemde soldaten. De burgers grepen naar de wapens om zich te verdedigen, zij eischten van den Staatsraad gestrenge maatregelen tegen de muiters en zij zetten hunnen wil door.Den 26enJuli 1576 werden de muiters door den Staatsraad als verraders en moordenaars vogelvrij verklaard en de burgers opgeroepen om zich tegen hen te verdedigen, ja hen, hetzij afzonderlijk, hetzij in massa, te dooden, waar zij hen aantroffen. Dit edict werd in alle steden en dorpen van Brabant en Vlaanderen afgekondigd.Hadden de aanzienlijkste Spaansche officieren tot dusver geen deel aan den soldatenopstand genomen, thans namen zij eene andere houding aan. Zij konden het niet dulden, dat een burgerlijk bestuur, hetwelk zij minachtten, het Spaansche leger vogelvrij verklaard had. Zij bemerkten bovendien maar al te goed, dat de haat der Nederlanders niet alleen de oproerige soldaten, maar alle Spanjaarden gold; zij achtten zich onder de vijanden hunner natie niet langer veilig en niets was natuurlijker dan dat zij zich tengevolge van dit alles zelven bij den opstand aansloten, die zich hierdoor over het geheele Spaansche leger in de Nederlanden verbreidde.Eindelijk werd aan den opstand een schijn van recht bijgezet, toen ook het eenige Spaansche lid van den Staatsraad, de Roda, uit Brussel naar de citadel van Antwerpen vluchtte. De Roda had het edict tegen de muiters mede onderteekend, doch toen hij bespeurde, dat de Nederlanders alle Spanjaarden met de moordende en plunderende soldaten vereenzelfdigden, achtte hij zich in de hoofdstad niet langer veilig. Na zijn vlucht vaardigde hij bevelschriften uit, waarin hij zich als den eenig rechtmatigen plaatsvervanger des konings in de Nederlanden voordeed en niet geheel ten onrechte, want het viel niet te ontkennen, dat de Staatsraad te Brussel volkomen machteloos was: de Staten van Brabant en de Brusselsche burgers hadden de teugels des bewinds aan zijne zwakke hand ontrukt, zelfs den schijn van macht kon hij niet langer bewaren. Den 5enSeptember werden de leden van den Staatsraad, waarschijnlijk op geheime aansporing van den prins van Oranje, door de Heeren van Heze en van Glimes gevangengenomen. Men stelde hen wel spoedig in vrijheid, maar hun aanzien en invloed waren geheel verdwenen.Reeds vóór de inhechtenisneming van den Staatsraad had eene andere revolutionaire handeling in de Nederlanden haar beslag gekregen: de Staten der meeste provinciën hadden geheime onderhandelingen aangeknoopt met den prins van Oranje, die ernstig bij hen er op aandrong, dat zij zich met Holland en Zeeland tot een vast bondgenootschap tegen de Spaansche dwingelandij zouden vereenigen. Hij stelde den Staten voor, een algemeene vergadering bijeen te roepen, die over dat bondgenootschap beraadslagen en daaromtrent een besluit nemen zou.Al waren de Staten der 15 provinciën aanvankelijk ook niet geneigd om de voorstellen van den prins van Oranje aan te nemen, toch zagen zij spoedig in, hoe dringend noodzakelijk eene vereeniging van de Nederlanders tegen de Spanjaarden was, dewijl de rooverijen der Spaansche soldaten aan het land diepe wonden sloegen.Doch zulk eene vereeniging der gewesten zou thans niet langer uitsluitend tegen muitende soldaten, maar tegen de Spaansche regeering zelve gericht zijn, dewijl alle Spaansche legerhoofden zich bij de oproerlingen hadden aangesloten en de Roda in naam des konings in zekeren zin aan hun hoofd stond.In het midden der maand October 1576 kwam een groot aantal afgevaardigden uit de verschillende gewesten te Gent bijeen, om het door den prins van Oranje voorgestelde congres te houden. Het deelnemen aan de onderhandelingen was voor de leden der vergadering niet zonder gevaar, dewijl de citadel der stad nog in handen der Spanjaarden was, die thans alle Nederlanders zonder onderscheid als vijanden behandelden. Indien het congres in rust en veiligheid beraadslagen wilde, dan moest in de eerste plaats de belangrijke citadel den vijand ontrukt worden. Metdit doel wendden de staten van Vlaanderen zich tot den prins van Oranje met de bede om zijne hulp, welke hij gaarne verleende, hoewel door Brabant en Henegouwen een protest tegen dezen stap werd ingediend.Evenmin als vroeger was het ook thans gemakkelijk, de zeventien gewesten tot eendrachtig handelen te bewegen, dewijl hunne belangen inderdaad zeer verschillend, ja tegenstrijdig waren.Terwijl in Holland en Zeeland de hervorming zóó krachtig om zich gegrepen had, dat daar het Katholicisme bijna geheel verdrongen, ja, tegen de bedoelingen en bevelen van den prins van Oranje in, dikwijls bloedig vervolgd was, voerde de katholieke godsdienst in de overige provinciën nog altijd den boventoon en natuurlijk vreesden zelfs zulke katholieken, die onverzoenlijke tegenstanders der inquisitie waren, toch de heerschappij der protestanten, dewijl de katholieken in protestantsche landen dikwijls wreed vervolgd werden. In de 15 provinciën trof men bovendien nog een machtigen adel aan, die warme sympathie koesterde voor de monarchie, zelfs voor die van Philips II, en die de democratische richting van het Calvinisme uit den grond des harten haatte; bovendien was er daar eene talrijke bevolking van Waalschen stam, die een zekeren afkeer koesterde van de Germaansche Hollanders en Zeeuwen, wier taal en zeden hun vreemd waren. Aan den anderen kant waren alle Nederlandsche provinciën één, zoowel in hun haat tegen de overmoedige en bloeddorstige Spanjaarden, als in den wensch om de aloude vrijheden des lands te herkrijgen, en hare eensgezindheid werd nog versterkt door de Spanjaarden zelven, die zich met elken dag aan grooter gewelddadigheden schuldig maakten.Den 20enOctober namen de Spanjaarden de stad Maastricht, waaruit zij door de met de burgerij verbondene Duitsche troepen verdreven waren, weder in. Bij het bestormen van de stad hadden zij een goed middel uitgevonden om zich tegen de uitwerking van de vuurwapens der burgerij te beveiligen. Elke Spanjaard greep eene der in den omtrek en in de voorstad gevangen genomen vrouwen en meisjes en hield die als schild voor zich, terwijl hij op de Maasbrug aanrukte. Door dit laaghartig middel was het den Spanjaarden gelukt, de verdedigers schier weerloos te maken, zij heroverden de stad en richtten daar een inderdaad ontzettend bloedbad aan.De plundering van Maastricht was slechts het voorspel van eene nog afschuwelijker daad, van de plundering van Antwerpen.Antwerpen was in die dagen eene der rijkste en belangrijkste handelssteden der wereld, de daar opgestapelde schatten prikkelden natuurlijk de roofzucht der op buit beluste Spanjaarden.De Staten van Brabant en de burgerij van Antwerpen waren met reden beducht, dat de stad het doelwit van een aanslag worden zou. Wel had de graaf van Oberstein, de bevelhebber der Duitsche huurtroepen, met Sancho d’Avila, den kommandant der citadel, eene overeenkomst gesloten, waarbij beide partijen beloofd hadden, onzijdig te blijven, maar het was te voorzien, dat dit verdrag door de Spanjaarden geschonden zou worden, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. De Staten van Brabant zonden daarom eene kleine hulpbende naar Antwerpen onder bevel van den jongen graaf van Egmond en den markgraaf van Havrech, den broeder van den hertog van Aerschot.Sancho d’Avila versterkte zich van zijnen kant met Spaansche hulptroepen, die hij van alle zijden tot zich trok; ook uit de legerplaats dermuiters te Aalst riep hij 2000 man; deze kwamen onder aanvoering van hunnen eletto, bezield door den vurigen wensch om de rijke handelsstad te plunderen.Den 4enNovember 1576 begon de bloedige strijd tusschen de Spanjaarden en de zwakke bezetting der stad. De burgerij nam daaraan moedig deel, doch daar van hare verdedigers velen tot den vijand overliepen, bezweek zij weldra voor de overmacht der geoefende Spanjaarden, die door de beste generaals, zooals Juliaan Romero en anderen, aangevoerd werden.Antwerpen werd door de Spanjaarden ingenomen. Na de overwinning vierden deze onbeteugeld hun zucht tot moorden en blakeren bot. De rijke, bloeiende stad werd op eene inderdaad barbaarsche wijze verwoest. Ongeveer 1000 gebouwen gingen in vlammen op, niet minder dan 800 inwoners van Antwerpen verloren, voor een klein gedeelte gedurende het gevecht, doch verreweg de meesten onder de plundering, het leven. Met kanibaalsche woede stelden de Spanjaarden hunne weerlooze gevangenen, vrouwen en kinderen, aan de vreeselijkste martelingen bloot, ten einde hen tot het aanwijzen van verborgen schatten te dwingen.De pen weigert de onmenschelijke wreedheden te beschrijven, waaraan de bloeddorstige overwinnaars zich in den nacht na den strijd en gedurende den daarop volgenden dag schuldig maakten; zij hielden hier nog vreeselijker huis dan zij in eene stormenderhand veroverde stad plachten te doen. Onnoemlijke sommen vielen den plunderaars in handen; menig gemeen soldaat raapte in die dagen aanzienlijke schatten bijeen, welke hij binnen ongeloofelijk korten tijd weer bij kroes en spel verkwistte. Nog grooter schatten werden een prooi der vlammen. Zoo vreeselijk was de verwoesting, dat de bloei der rijke handelsstad, die nooit weer haar vroegeren trap van welvaart bereikte, van dezen tijd af geknakt was. De naam „Spaansche furie”, door het volk aan deze gebeurtenis gegeven, was waarlijk niet onverdiend.De staatsraad de Roda, die, gelijk wij verhaalden, na zijne vlucht uit Brussel zich alle gezag in de Nederlanden in naam van den afwezigen koning aangematigd had, juichte over de verwoesting van Antwerpen en over de schitterende overwinning, door zijne landgenooten behaald. Hij prees Sancho d’Avila, Juliaan Romero en de overige aanvoerders der plunderaars en aan koning Philips II schreef hij: „Ik breng Uwe Majesteit mijn warmsten gelukwensch over deze zegepraal, zij is waarlijk groot. Het der stad overkomen onheil is onoverzienbaar.”Weinig vermoedde hij, dat de schandelijke overwinning de oorzaak van een niet minder schandelijke nederlaag worden zou.Hadden tot dusver op het congres te Gent de afgevaardigden der verschillende Staten het niet eens kunnen worden over een verbond met Holland en Zeeland, de in opstand verkeerende provinciën, thans werden zij door de macht der omstandigheden daartoe gedwongen. Dewijl de Spanjaarden elken Nederlander als hun geboren vijand beschouwden, dewijl zij zonder te letten op godsdienstige belijdenis of stand, zoowel de katholieken, ja zelfs de katholieke geestelijken als de protestanten, zoowel de edelen als de burgers en boeren vermoordden, moesten wel alle Nederlanders de handen tegen hunne gezworen vijanden ineenslaan. Het bloedbad van Antwerpen, de wijze toegevendheid van den prins van Oranje en de welsprekendheid van Aldegonde ruimden alle hinderpalen uit denweg en den 8enNovember werd het verbond, de beroemde pacificatie van Gent, gesloten.De 17 gewesten verbonden zich daarbij om de vreemde troepen van den Nederlandschen bodem te verdrijven. Verder werd bepaald dat de Staten-Generaal bijeen zouden geroepen worden, om orde op alle zaken te stellen. In afwachting van hunne beslissing zou in alle gewesten, met uitzondering van Holland en Zeeland, de katholieke godsdienst de heerschende blijven, doch den protestanten vrijheid van geweten worden toegestaan. Eene algemeene amnestie, vrijheid voor de uitgewekenen om terug te keeren, erkenning van den prins van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland, terugbetaling van de sommen, door den prins ter bevrijding van het land voorgeschoten, ziedaar de voornaamste punten van het belangrijke verdrag, dat in naam van den prins van Oranje door Aldegonde en voor de 15 provinciën door Elbertus Leoninus en andere afgevaardigden onderteekend werd.De pacificatie van Gent werd door het geheele land, in alle steden en dorpen afgekondigd. Groot was de blijdschap, welke zij verwekte en de vreugde werd nog verhoogd door de tijding, dat Zierikzee door de prinsgezinden hernomen was! Mondragon had zich na den aftocht der muitende troepen niet langer in de vesting kunnen staande houden.Dertiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Benoeming van don Juan van Oostenrijk tot Gouverneur-Generaal der Nederlanden. Zijne avontuurlijke reis. Zijne aankomst te Luxemburg. Stormachtige onderhandelingen met de Staten. De Unie van Brussel. Don Juan’s toegevendheid.Het eeuwig edict. Weigering van den prins van Oranje om het eeuwig edict te erkennen. Don Juan’s kunst om zich bemind te maken. Zijne vruchtelooze pogingen om Willem van Oranje voor zich te winnen. Verwijdering van de Spaansche troepen. Erkenning van don Juan als Gouverneur-Generaal. Zijn plechtige intocht binnen Brussel. Vruchtelooze onderhandelingen van don Juan met den prins van Oranje. Nieuwe vervolging van de ketters. De Johannisten. Namen door don Juan bezet. Verijdelde overrompeling van Antwerpen. Het volk staat tegen don Juan op. De citadel van Antwerpen verwoest. Zegetocht van Willem van Oranje naar Brussel. Kuiperijen van den hertog van Aerschot en de katholieke edelen. De aartshertog Matthias in het land geroepen. Wijze staatkunde van Oranje. Zijne benoeming tot Ruwaard van Brabant.Philips II had lang met de benoeming van een landvoogd over de Nederlanden getalmd, doch eindelijk, toen door de zwakheid van den Staatsraad de koninklijke macht meer en meer ondermijnd werd, had hijwel een besluit moeten nemen: de overwinnaar van Granada, de held van Lepanto, don Juan d’ Austria (of van Oostenrijk, gelijk hij in de Nederlandsche geschiedenis heet en ook wij hem voortaan zullen noemen) werd uitverkoren om het opgestane land tot onderwerping te brengen, met den last om den vrede tot elken prijs te herstellen, doch natuurlijk zonder aan de koninklijke macht of aan de heerschappij der katholieke kerk eenige afbreuk te doen.Toen don Juan het bericht van zijne benoeming tot Gouverneur-Generaal der Nederlanden ontving, bevond hij zich in Italië. Den op avonturen belusten keizerszoon was deze nieuwe waardigheid hoogst welkom, dewijl hij daarin een middel zag om zijne eerzuchtige plannen te verwezenlijken. Uit de Nederlanden kon hij eene landing in Engeland beproeven, tot bereiking van dit doel stond een dapper en geoefend leger tot zijne beschikking,—eene gouden koningskroon wenkte hem in het verschiet.Aan de hinderpalen en bezwaren, welke hij nog te overwinnen zou hebben, dacht hij niet; hij achtte het eene lichte zaak, de Nederlanders òf door goedheid te winnen òf met geweld ten onder te brengen; met al den blijden moed en met al de vermetele zucht naar avonturen, den jeugdigen leeftijd eigen, aanvaardde hij het hem opgedragen werk.Hij brandde zoozeer van begeerte om zijn ambt te aanvaarden, dat hij niet besluiten kon, den omweg over Spanje te maken, ten einde nauwkeuriger instructies te bekomen. Hij reisde onmiddellijk door Frankrijk naar de Nederlanden, slechts door zijn vriend Octavio Gonzaga en zes gewapende dienaars vergezeld.De reis was niet zonder gevaar. Don Juan moest vreezen door de Fransche Hugenooten herkend en aangehouden te worden: daarom maakte hij zich door eene vermomming onkenbaar. Als een Moorsche slaaf van Gonzaga uitgedost trok hij door Frankrijk, en zoo kwam hij den 3enNovember 1576, kort voor het bloedbad te Antwerpen, te Luxemburg aan, waar hij zijne vermomming afwierp.Voor den prins van Oranje was de aankomst van den nieuwen gouverneur-generaal een harde slag. Hij vreesde, dat Don Juan, de zoon des keizers, wiens aandenken bij een groot deel der katholieke bevolking in eere gehouden werd, zich weldra een ongewenschten invloed verwerven en den lossen, ter nauwernood om de provinciën geslingerden band der vereeniging weer ontsnoeren zou. Juist Don Juan van Oostenrijk scheen bijzonder geschikt om zich de liefde der katholieke bevolking te verwerven. Zijn roem als zegevierend veldheer en als voorvechter der katholieke godsdienst tegen de vijanden der Christenheid, zijne hooge afkomst en zijne schoonheid en beminlijkheid maakten hem ongetwijfeld tot den gevaarlijksten vijand der Nederlandsche vrijheid.Zoodra Willem van Oranje het bericht van Don Juan’s aankomst te Luxemburg ontving, wendde hij onverwijld al de gaven zijner welsprekendheid aan om den nieuwen gouverneur-generaal tegen te werken. Hij waarschuwde de Staten-Generaal tegen eene dwaze toegevendheid; door bedriegelijke beloften, door gehuichelde welwillendheid—zeide hij—zou Don Juan trachten de Nederlanders om den tuin te leiden. Ontbrak hem voorshands de macht om de eischen des konings met geweld door te zetten, dan zou hij zoolang de toevlucht nemen tot leugen en huichelarij, totdat hij de Nederlanders in slaap gewiegd had, om hun dan eensklaps op het lijf te vallen. Veel bloed zou er gespaard worden, indien men Don Juangevangen nam en als gijzelaar behield, ten einde Philips II hierdoor tot inwilliging van de eischen der Nederlanders te dwingen. Doch in elk geval moesten de Staten-Generaal aan de pacificatie van Gent trouw blijven en zoolang weigeren den gouverneur-generaal te huldigen, totdat alle Spaansche soldaten uit het land verdreven en zoowel de rechten en vrijheden der Nederlanders als de pacificatie van Gent door don Juan erkend waren. Aan beloften en schoone woorden, die zeker in overvloed ten beste zouden gegeven worden, mochten zij geen geloof slaan.Zoover als de prins van Oranje wenschte, gingen de Staten niet. Zij konden niet besluiten, den nieuwen gouverneur-generaal te overvallen en gevangen te nemen, doch zij waren wel bereid om overigens bij de onderhandelingen met don Juan den raad van Oranje te volgen, en zonden met dat doel afgevaardigden naar Luxemburg.De afgevaardigden spraken, toen zij bij don Juan waren toegelaten, in niet zeer eerbiedige bewoordingen hun afkeer van de Spaansche heerschappij uit. Eén hunner ging zóó ver te verklaren, dat de Nederlanders niets meer van de regeering van Philips II wilden weten, doch dat don Juan, indien hij op eigen gezag de regeering aanvaardde, de rechten en vrijheden der provinciën en de pacificatie van Gent bekrachtigde, door het geheele volk met blijdschap als vorst begroet zou worden.Don Juan was zoo verontwaardigd over het denkbeeld, dat men hem tot zulk een verraad jegens zijn broeder en koning in staat achtte, dat hij zijn dolk trok en den gezant vermoord zou hebben, wanneer zijn gevolg die daad niet verhinderd had.Na dit onstuimig tooneel werden de onderhandelingen voortgezet, doch zij leidden niet tot eenige uitkomst, hoewel don Juan zich meer geneigd betoonde om den volkswensch tegemoet te komen dan een der vroegere vertegenwoordigers des konings gedaan had. Hij verklaarde zich bereid om de Spaansche soldaten uit het land te verwijderen (hij wenschte immers zelf deze tot verwezenlijking van zijne plannen aan te wenden), ook de pacificatie van Gent wilde hij erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat men voldoende waarborgen gaf voor de heerschappij der katholieke kerk in het geheele land en voor de handhaving van het gezag Zijner Majesteit den koning van Spanje. Desgelijks beloofde hij, de Staten-Generaal officieel bijeen te roepen, maar eerst nadat hij zekerheid zou hebben verkregen, dat zij niets tegen de heilige katholieke kerk of tegen den koning besluiten zouden.Niets dan beloften en schoone woorden! Willem van Oranje had niet ten onrechte daarvoor gewaarschuwd. De Staten wilden, dat don Juan onvoorwaardelijk hunne eischen zou inwilligen, alleen dan zouden zij bereid zijn om hem als gouverneur-generaal te erkennen: de onderhandelingen vorderden dus niet.De overtuiging, dat het voor de welvaart der Nederlanders dringend noodzakelijk was, zich waarborgen tegen de gewelddadigheden der Spanjaarden te verschaffen, had reeds in den boezem van het geheele volk diepe wortelen geschoten. Zelfs de hertog van Aerschot, Barlaimont en andere ijverige katholieken en vroeger trouwe aanhangers van Philips II zagen dit in en drongen op de onvoorwaardelijke handhaving der Gentsche pacificatie aan. Ten einde bij het volk een hechter steun te vinden, sloten zij in het begin van Januari 1577 de beroemde Unie van Brussel, eene oorkonde, waarin de onderteekenaars zich verbonden om te bewerken, dat de Spaansche krijgsmachtuit het land verdreven, de pacificatie van Gent bevestigd, dat de katholieke godsdienst en het recht des konings, maar ook de vrijheid van het vaderland gehandhaafd zou worden.Dit stuk werd in het geheele land verspreid en met duizenden handteekeningen bedekt; edelen, priesters en burgers onderteekenden het bereidwillig.Don Juan van Oostenrijk verkeerde tegenover deze eendrachtige gezindheid der geheele bevolking in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. Alleen door toegevendheid kon hij het zoover brengen, dat de Nederlanders hem als gouverneur-generaal erkenden, dewijl hem de macht ontbrak om hen hiertoe met geweld te noodzaken. Hij knoopte nieuwe onderhandelingen met een gezantschap der Staten-Generaal aan.Weer had er eene stormachtige bijeenkomst plaats, waarin Don Juan in hevigen toorn opstoof en de afgezanten voor verraders schold, dewijl zij onwrikbaar en met zeer weinig eerbied voor het koninklijk gezag de eischen des volks handhaafden. Reeds maakte het gezantschap zich tot vertrekken gereed, toen don Juan—waarschijnlijk door den hertog van Aerschot en den bisschop van Luik zachter gestemd—gedurende den nacht van meening veranderde. Hij verklaarde, dat hij de pacificatie van Gent wilde goedkeuren, wanneer door mannen van gezag in kerk en staat bewezen werd, dat zij geene nadeelige bepalingen voor de katholieke kerk en den koning bevatte.Het viel den afgevaardigden der Staten niet moeilijk, dit aan te toonen en nadat dit geschied was, onderteekende don Juan in Februari 1577 het „eeuwig edict”, hetwelk in de hoofdzaak met de bepalingen der Brusselsche Unie overeenstemde. Hij erkende daarin de pacificatie van Gent, beloofde, dat de vreemde troepen verwijderd zouden worden (de Spanjaarden binnen 40 dagen, de Duitsche huurbenden, nadat hunne soldij uitbetaald zou zijn), dat alle gevangenen in vrijheid gesteld en dat alle rechten en vrijheden des lands zouden worden geëerbiedigd.Aan den anderen kant legde het „eeuwig edict” den Staten-Generaal de verplichting op om de katholieke godsdienst te beschermen, en don Juan als gouverneur-generaal te erkennen, zoodra de Spaansche troepen het land zouden verlaten hebben.De prins van Oranje was over die onverwachte toegevendheid van don Juan alles behalve verheugd; indien hij daarop verdacht was geweest, dan zou hij den Staten wellicht nog meer omvattende eischen aangeraden hebben. Hij hield zich overtuigd, dat don Juan slechts een schandelijk spel met het goed vertrouwen en de lichtgeloovigheid der Nederlanders speelde en dat hij zijne beloften schenden zou, zoodra hij zich daartoe machtig genoeg voelde. Ook de bekrachtiging van het eeuwig edict door Philips II kon zijne op eene nauwkeurige kennis van het trouwloos karakter des konings gegronde denkbeelden niet wijzigen. Hij weigerde derhalve, het eeuwig edict aan te nemen en het in Holland en Zeeland af te kondigen.Op dit tijdstip had het intusschen allen schijn, dat het wantrouwen van Willem van Oranje overdreven was en dat don Juan werkelijk van plan was, niet alleen het edict in geheel zijn omvang na te leven, maar ook zijne heerschappij in de Nederlanden niet op geweld, maar op de liefde en het vertrouwen des volks te gronden. Hij gedroeg zich jegens de Nederlanden hoogst genadig en beminlijk. Te Leuven waarheen hij zich na deopenbaarmaking van het edict begaf, bewoog hij zich in het midden der bevolking, zonder bescherming van eene gewapende macht. Hij nam van goeder harte deel aan de volksfeesten, schoot met de burgers naar den vogel en werd zelf schutterkoning. Alle Nederlanders, die tot hem kwamen, werden met opene armen ontvangen en velen kwamen tot hem: de adel verdrong zich om hem heen. Deze wenschte een staatsambt, gene een titel, ieder eene andere onderscheiding te verwerven. Don Juan was jegens allen mild met beloften en betuigingen van zijne gunst. Hij zou gaarne allen door voorkomendheid en omkooping voor zich gewonnen hebben en het liefst van allen den prins van Oranje. „Want deze”—zoo schreef hij aan Philips—„is de loods, die het schip stuurt; hij alleen kan het redden of doen vergaan;—-van hem hangt zoowel de herstelling des vredes als het behoud der katholieke godsdienst en van de gehoorzaamheid jegens uwe majesteit in deze provinciën af.”Den prins van Oranje, wiens beteekenis don Juan in zijn brief aan den koning zoo juist toonde te waardeeren, voor den nieuwen landvoogd te winnen, was voor dezen eene zaak van het hoogste gewicht, ja tot bereiking van dat doel was hem geen offer te groot. Maar Oranje verscheen niet te Leuven, om den keizerszoon het hof te maken, hij knoopte zelfs niet de minste betrekking met dezen aan. Op raad van den hertog van Aerschot zond don Juan derhalve den beroemden doctor Elbertus Leoninus tot den prins, om diens vriendschap door middel van beloften te koopen en hem te verzekeren dat het edict stipt nageleefd worden zou.Vergeefsche moeite! Willem van Oranje liet zich noch door beloften omkoopen, noch zich door betuigingen van vriendschap in slaap sussen. Hij herinnerde Leoninus het lot van Egmond en Hoorne, zoovele geschondene eeden en beloften van eene Margaretha van Parma, van een Alba en van een Philips II. Oranje hield zich derhalve voorzichtig schuil, hij wierp een profetischen blik in de toekomst en zijne overtuiging wankelde niet, zelfs toen don Juan zijne belofte hield, door in de laatste dagen van April 1577 de Spaansche soldaten, onder de luide toejuiching des volks, uit het land te doen vertrekken, en den hertog van Aerschot, die thans voor een ijverig patriot doorging, tot bevelhebber der citadel van Antwerpen benoemde.Nadat don Juan op deze wijze getoond had, dat het hem ernst was met de vervulling van zijne beloften, werd hij als gouverneur-generaal gehuldigd. Den 1enMei 1577 trok hij onder de toejuiching des volks Brussel binnen. De stad was tot zijne ontvangst feestelijk versierd, tallooze eerepoorten waren er opgericht, de overheden en de burgers wedijverden in eerbiedbetuigingen voor des konings plaatsvervanger, die eindelijk in tegenstelling met een Alba en een Requesens gekomen was om in vrede over de Nederlanden te regeeren.Schoone handen wuifden uit alle vensters den vorst een hartelijk welkom toe en strooiden bloemen op zijn weg, eene schaar bekoorlijke jonge meisjes, de dochters van oude en hoog aanzienlijke geslachten, reikten den overwinnaar van Lepanto een lauwerkrans toe.Don Juan ontving al deze bewijzen van hoogachting en liefde met innemende vriendelijkheid. Hij scheen daardoor diep getroffen.De algemeene vreugde was groot, maar—kort van duur!De vriendelijkheid, welke don Juan ten toon spreidde, was niets dan een masker; hij gevoelde zich volstrekt niet gelukkig en vereerd door deze feestelijke ontvangst, welke hij had moeten koopen voor eene toegevendheid,waarover hij zich schaamde, in zijn hart haatte hij de Nederlanders, jegens wie hij zich zoo vriendelijk en beminlijk voordeed.In de zekere overtuiging, dat hij, overwinnaar van Lepanto, de bedwinger van de Mooren, alleen door zijn verschijnen de oproerige provinciën tot onderwerping zou brengen, was hij vol hoop naar de Nederlanden gesneld, om daar—niets dan teleurstellingen te vinden. Te vergeefs had hij al de macht zijner verleidelijke beminlijkheid aangewend, slechts eenige edelen waren voor hem gewonnen, maar geheel de overige bevolking was onwrikbaar op haar stuk blijven staan en had hem eerst nadat door de verwijdering van de Spaansche troepen en de uitvaardiging van het eeuwig edict hare eischen vervuld waren, als vertegenwoordiger des konings gehuldigd.Uit de Nederlanden had don Juan gehoopt, eene landing in Engeland te ondernemen, om Maria Stuart uit hare gevangenschap te verlossen en haar te plaatsen op den troon, dien hij met haar deelen wilde. Daartoe hadden de Spaansche troepen hem moeten dienen, die hij dan inschepen en naar Engeland overvoeren wilde. Doch ook dit plan was verijdeld door den aandrang der Staten, die onverzettelijk de verwijdering van die krijgsmacht over land geëischt en doorgedreven hadden.Don Juan schaamde zich diep over de treurige rol, welke hij, overeenkomstig des konings instructies, in de Nederlanden had moeten spelen, hij brandde van begeerte om in het bloed der gehate Nederlanders den smaad uit te wisschen, welken zijne toegevendheid in zijn eigen oog op hem deed kleven, ja eindelijk langs den weg van openbaar geweld te verkrijgen, wat hij—dat begreep hij zeer goed—van het stijfhoofdige volk nooit door zachtheid verwerven zou: de hernieuwde onderwerping van het geheele volk aan den despotischen wil des konings. Hij smachtte naar den oogenblik, waarin het hem vergund zou zijn, de hem afgedwongene beloften te verbreken.De briefwisseling, door don Juan en zijn vertrouwden raadsman Escovedo met Philips II en diens geheimschrijver Antonie Perez gevoerd, is voor een deel bewaard gebleven. Zij werpt een helder en verrassend licht op het karakter en de gezindheid van den door velen bewonderden don Juan van Oostenrijk. Hij noemt daarin de Nederlanden een afschuwelijk land van dronkaards, verraders en muiters, hij verlangt, terwijl hij zich jegens hen zoo vriendelijk gedraagt, aanhoudend geld uit Spanje, om hen te tuchtigen.Escovedo, die zonder don Juan’s toestemming geen letter op het papier zette, schrijft aan Perez, dat men de Spaansche troepen niet te ver verwijderen moest, dat het ’t beste zou zijn hen in Frankrijk te gebruiken tot verdediging van het katholieke geloof, opdat ze bij de hand zouden zijn, wanneer het er op aan kwam, de dronken Nederlanders te straffen.Don Juan vroeg geld, altijd geld, veel geld, om eene bende spionnen te betalen, die noodiger dan ooit voor den dienst Zijner Majesteit waren.Perez schrijft aan Escovedo; hij uit den wensch, dat de laatste toch zijn best zou doen om des konings gevaarlijksten vijand, den prins van Oranje, te laten vermoorden, dewijl men zich op eene andere wijze van hem niet ontslaan kon, en Escovedo antwoordt, dat hij al het mogelijke zal doen om den prins uit den weg te ruimen, dat hij zelf hierin het hoogste belang stelde, maar dat men zich niet overhaasten moest, omdat het niet gemakkelijk was, een mensch te vinden, die zich aan de met zulk een aanslag verbondene gevaren wilde blootstellen.Ons bestek verbiedt ons, langer bij deze hoogst belangrijke briefwisseling stil te staan; het aangehaalde is dan ook voldoende om te bewijzen, aan welk eene schandelijke trouwloosheid don Juan zich schuldig maakte, jegens de Nederlanders, wien hij werkelijk voor een korten tijd de oogen verblindde.Eén man liet zich echter niet om den tuin leiden, Willem van Oranje: hij doorzag het spel van don Juan en was op zijne hoede.Nog eens beproefde don Juan, den prins door onderhandelingen voor zich te winnen; hij vaardigde daartoe een gezantschap naar Middelburg af. Elbertus Leoninus, die de erfgenaam van Viglius’ ambten geworden was, de hertog van Aerschot en andere aanzienlijke mannen waren leden van dit gezantschap, dat in last had, den prins van Oranje tot inschikkelijkheid, tot erkenning van den goeverneur-generaal en tot onderwerping aan het eeuwig edict te bewegen. Doch de prins was doof voor alle smeekingen en schoonschijnende redeneeringen. Hij deed de onderhandelaars opmerken, dat don Juan nog volstrekt geene onbetwijfelbare bewijzen van zijne vredelievende gezindheid gegeven had, dewijl wel de Spaansche, maar nog niet de Duitsche huurtroepen uit de Nederlanden verwijderd waren, dat het Philips’ beginsel was: jegens ketters behoeft men zijn woord niet te houden; dat de huidige verdraagzaamheid op godsdienstig gebied niets was dan een bedriegelijke schijn, die verdwijnen zou, zoodra de koning de gelegenheid tot geloofsvervolging gunstig zag; dat Holland en Zeeland protestantsch waren en het zouden blijven en dat deze beide gewesten zich dus niet aan het gevaar van nieuwen geloofsdwang mochten blootstellen.De onderhandelingen sprongen af; onverrichter zake keerde het gezantschap naar Brussel terug en reeds kort daarna bleek het, hoe wel gegrond Oranje’s argwaan ten aanzien van don Juan’s godsdienstige verdraagzaamheid was geweest: de katholieke bisschoppen van de 15 provinciën vaardigden een edict uit, waarin zij met toestemming van don Juan, de uitvoering van de Trentsche besluiten gelastten, en zelfs de vervolging van de ketters ving op nieuw aan. Te Mechelen werd den 15enJuni een arme kleermaker onthoofd, dewijl hij eene vergadering, waarin eene kettersche predikatie gehouden was, had bijgewoond, zonder den prediker aan te brengen! Don Juan luisterde de plechtigheid door zijne tegenwoordigheid op.Thans wierp de gouverneur-generaal allengs het masker af. Het verdroot hem, langer toegevend en zachtmoedig jegens de muiters te zijn; daarom onderhandelde hij heimelijk met de bevelhebbers der Duitsche huurtroepen, die nog altijd de belangrijkste vaste plaatsen bezet hielden, hoewel hare kommandanten door de Staten waren aangesteld.Zoolang don Juan zich te Brussel bevond, kon hij niet aan maatregelen van geweld denken. Hier was hij geheel machteloos, want slechts enkelen der aanzienlijke heeren, die steeds met de Spanjaarden geheuld hadden en voor korten tijd tot de volkspartij waren overgegaan, gelijk Barlaimont en zijne zonen, stonden hem ter zijde. Men noemde hen „de Johannisten”, doch hun aantal was niet groot, daar het grootste deel des adels, ook de katholieken onder hen, de Spaansche heerschappij verafschuwde, zonder echter de volksheerschappij te wenschen.Don Juan begreep, dat hij zich in de eerste plaats aan de macht der Staten onttrekken en zich voor zijne verdere ondernemingen een vast steunpunt verzekeren moest. Hij besloot twee versterkte plaatsen, de citadellen van Namen en van Antwerpen, te bemachtigen. Barlaimont stond hem bij de uitvoering van zijne plannen trouw ter zijde.Onder voorwendsel, dat hij de koningin Margaretha van Navarre, die op eene reis naar de badplaats Spa door Namen komen moest, wilde begroeten, begaf hij zich, o. a. door den hertog van Aerschot, Barlaimont en zijne zonen en een talrijk gevolg vergezeld, naar Namen. Werkelijk ontving hij de schoone Margaretha met eene koninklijke gastvrijheid, doch nauwelijks was zij vertrokken, of hij maakte zich eensklaps met Barlaimont’s hulp van de citadel van Namen meester en nam haren bevelhebber, den heer van Froymont, gevangen. Het garnizoen, dat hij niet vertrouwen kon, verving hij door geheel aan hem verknochte lieden.Namen was een hoogst belangrijk strategisch punt tusschen de Sambre en de Maas, zeer geschikt om van hier uit verbintenissen aan te knoopen met den hertog van Guise, met wien don Juan in geheime onderhandelingen stond. Dewijl het den gouverneur-generaal ook gelukte, zich van de sterke vesting Charlemont, bij Givet, meester temaken, bezat hij thans reeds twee gewichtige plaatsen: de derde zou de citadel van Antwerpen zijn. Hij rekende vast op hare overrompeling, dewijl hij haren kommandant, den hertog van Aerschot, naar Namen had medegenomen.Toch mislukte het welaangelegde plan, in weerwil van al de voorzorgen, door don Juan genomen. De Duitsche huurtroepen, die zich den 1enAugustus 1577 van de citadel van Antwerpen moesten meester maken, gaven den aanval op, ja zij vluchtten, door een panischen schrik bevangen, de stad uit met den kreet: „de Geuzen, de Geuzen!” toen juist op het rechte tijdstip een escader van den prins van Oranje met gunstigen wind de Schelde kwam opzeilen.Door zijn aanslag op Namen had don Juan te vroeg het masker afgeworpen. Wel poogde hij nog de Staten te blinddoeken en van zijne vredelievende gezindheid te verzekeren door de betuiging, dat hij het eeuwig edict stipt naleven zou en dat hij zich slechts van het kasteel van Namen meester had gemaakt, om zijn leven te beveiligen, daar hij de onomstootelijke bewijzen van eene samenzwering tegen zijn persoon ontvangen had, doch niemand geloofde dit: de nimmer sluimerende, alle teekenen der tijden met scherpen blik bespiedende Oranje zorgde, dat niemand zich om den tuin leiden liet.Het was den prins gelukt, brieven van don Juan en Escovedo te onderscheppen, waardoor de trouwloosheid van den gouverneur-generaal en zijne verstandhouding met de aanvoerders der Duitsche huurtroepen duidelijk bewezen werd.Oranje zond deze brieven aan de Staten en maakte ze buitendien openbaar.Thans ging er een kreet van verontwaardiging tegen den landvoogd uit den boezem van het geheele volk op. De Duitsche huurtroepen werden verdreven uit een aantal vaste plaatsen, die zij nog bezet hielden, zooals Bergen op Zoom, ’s Hertogenbosch en Breda, en de bolwerken der Spaansche dwingelandij, de citadellen der belangrijkste steden, werden vernield.Te Antwerpen werkten meer dan 10.000 menschen van allerlei stand, edelen en burgers, aanzienlijke dames en bedelaars dag en nacht, om de gehate, met zooveel kunst opgetrokken muren omver te halen. Bij deze gelegenheid vond men ook het metalen standbeeld van Alba, dat Requesens ter zijde had gesteld. Het volk verbrijzelde het met ongelooflijke krachtsinspanning in kleine stukken. De burgers van Gent en anderen volgden door de verwoesting van de citadellen het voorbeeld der Antwerpenaars.Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan, woedend over het mislukkenzijner welaangelegde plannen, binnen Namen. De hertog van Aerschot, die na de inneming van Namen zeer vriendelijk jegens hem was geweest, was hem spoedig weer ontrouw geworden, toen de kans keerde en de aanslag op Antwerpen mislukte. Alleen Barlaimont en zijne zonen bleven den gouverneur-generaal trouw ter zijde staan.Met de Staten voerde don Juan nog altijd onderhandelingen; deze konden echter niet tot eene uitkomst leiden, dewijl zijne trouweloosheid door de onderschepte brieven al te duidelijk bewezen was. Hij achtte het thans dan ook niet meer de moeite waard, zich zoo zachtmoedig en toegevend te betoonen als vroeger. Reeds den 7enAugustus 1577 stelde hij, het masker geheel afwerpende, de voorwaarden op, waaronder hij den vrede wilde toestaan: zij luidden geheel anders als zijne vroegere verzekeringen! Alle strijdkrachten der provinciën moesten onder zijn onmiddellijk bevel geplaatst worden; de burgerij van Brussel moest worden ontwapend, de citadel van Antwerpen hersteld. De ketters in Vlaanderen en Brabant moesten worden gestraft en de prins van Oranje moest gedwongen worden om den protestantschen eeredienst te verbieden en de pacificatie van Gent na te leven. Weigerde hij, dan moesten de Staten de wapenen tegen hem opvatten.Zulke eischen had vroeger een Alba wel kunnen stellen, toen hij aan het hoofd van een zegevierend leger de Nederlanders dwingen kon om zich aan zijn ijzeren wil te onderwerpen, maar dat don Juan, die de Spaansche troepen ontslagen had, wiens aanslag op Antwerpen juist mislukt was, dergelijke dingen eischte, dit was schier belachelijk. De Staten gaven hem dan ook een trotsch, beleedigend antwoord. Zij eischten van hunnen kant, dat hij alle troepen onverwijld ontslaan, alle vreemde beambten wegzenden, van elke verbintenis met den hertog van Guise afzien en zich voortaan in de regeering geheel aan de toestemming van den Staatsraad onderwerpen zou.De Staten hielden zich overtuigd, dat don Juan dit verlangen niet inwilligen zou, zij trachtten daarom eene nauwere verbintenis dan tot dusver met Willem van Oranje te sluiten; deze werd derhalve door een gezantschap, waartoe o. a. Leoninus en Champigny—de broeder van Granvelle, een vurig katholiek, maar een heftig vijand der Spanjaarden—behoorden, uitgenoodigd om naar Brussel te komen. Aan het aannemen van die uitnoodiging waren voor den prins ernstige bezwaren verbonden. De staten van Holland en Zeeland gaven niet dan aarzelend hunne toestemming tot deze reis, zijne vrienden waarschuwden hem voor verraad; zijne gemalin weende en vreesde het ergste. Doch hij had besloten, alle gevaar te trotseeren, ja zijn leven tot heil des lands ten offer te brengen, indien het wezen moest.Hij wist, dat hij onder de aanzienlijke heeren der 15 provinciën slechts weinige vrienden en vele verbitterde vijanden telde, die hem nauwelijks minder haatten dan de Spanjaarden, maar hij vertrouwde op de liefde des volks.Hij vertrok; den 17enSeptember kwam hij te Antwerpen en den 23ente Brussel aan. Zijne reis was een ware zegetocht. Overal werd hij begroet met den kreet: „Leve Vader Willem!”Het was hoog tijd, dat Oranje te Brussel kwam. Reeds hadden eenige besluitelooze lieden op nieuw onderhandelingen met don Juan aangeknoopt. De katholieke edelen vreesden den aangroeienden invloed van den prins, zij zouden gaarne met don Juan vrede hebben gesloten, en toen dit niet gelukte, dewijl Oranje de meerderheid der Staten tot volharding bijhunne vroegere eischen wist te bewegen, zochten zij naar een middel om het hoofd der protestanten onschadelijk te maken.Aan het hoofd van deze katholieke edelen stond de hertog van Aerschot. Hij was een ijdel, eerzuchtig man, die steeds eene weifelende staatkunde had gevolgd. Was don Juan’s aanslag op Antwerpen gelukt, had hij de Duitsche huurbenden om zich kunnen vereenigen en eene ontzag inboezemende stelling innemen, dan zou Aerschot waarschijnlijk zijn trouwe aanhanger gebleven zijn. Doch thans had hij de zijde van den gouverneur-generaal verlaten. Voor het uiterlijke deed hij zich als een getrouw vriend van Oranje voor, doch in stilte poogde hij diens invloed te ondermijnen. De prins van Oranje mocht in geen geval met de hoogste macht in de Nederlanden bekleed worden, daarover waren Aerschot en zijne geestverwanten het eens. Ten einde hun doel te bereiken, hadden zij in stilte een staatsgreep voorbereid.Zij hadden den 20jarigen aartshertog Matthias, den broeder van den regeerenden Duitschen keizer Rudolf II, uitgenoodigd om als algemeen stadhouder van koning Philips naar de Nederlanden te komen en voor zijn bloedverwant het bewind te voeren.De maatregel was sluw bedacht. Matthias was een wettige afstammeling van het Oostenrijksche huis, maar geen Spanjaard. De aanhangers van het wettige koningschap en van de katholieke godsdienst konden zich rondom hem scharen en de haat des volks tegen de Spanjaarden kon hem, den Duitscher, niet treffen. Bovendien mocht Aerschot hopen, dat hij zich op den jeugdigen, onervaren aartshertog weldra een overwegenden invloed verwerven zou, terwijl hij dien van den ketterschen prins van Oranje zonder moeite zou kunnen fnuiken. Te gelijk werd door de benoeming van aartshertog Matthias het gevaar afgewend, dat aan de koningin van Engeland of den hertog van Alençon—gelijk eene Engelsch- en eene Franschgezinde partij in het land wenschten—het beschermheerschap over de Nederlanden zou worden opgedragen.De jeugdige hertog liet zich zonder moeite overhalen om de hem toegedachte rol op zich te nemen. Den 3enOctober 1577 verliet hij heimelijk Weenen,—of dit met toestemming des keizers, dan wel tegen diens wil geschiedde, is niet met zekerheid te bepalen—ten einde zich naar de Nederlanden te begeven.Oranje’s houding was door dit optreden van den aartshertog Matthias alles behalve gemakkelijk gemaakt. Wellicht zou het hem gelukken, den aartshertog met geweld uit de Nederlanden verwijderd te houden,doch in dat geval beleedigde hij niet alleen den keizer en de Duitsche vorsten, maar ook de geheele katholieke en legitimistische partij in het land en gaf hij zijnen vijanden de meest gereede aanleiding om hem van eene grenzenlooze eerzucht en van het streven naar verhooging van zijne eigene macht te beschuldigen.Met wijze gematigdheid besloot de prins zich naar den loop der omstandigheden te schikken. Hij reisde zelf naar Antwerpen, om daar den aartshertog te begroeten, en voegde zich alzoo in dezen geheel naar de wenschen van Aerschot en van den katholieken adel. De vrucht van deze verstandige handelwijze was, dat de Staten zich nog nauwer dan vroeger aan hem aansloten, dat zij hem als den eigenlijken vertegenwoordiger van hunne rechten en vrijheden beschouwden en dat hij den 22enOctober onder de luide toejuiching der bevolking tot Ruwaard van Brabant geproclameerdwerd en daardoor in een der gewichtigste gewesten van de Nederlanden eene bijna onbeperkte macht ontving, want de bevoegdheid van een ruwaard was altijd onbepaald en niet door vaste wetten omschreven.
Elfde Hoofdstuk.De Nederlanden. Onderhandelingen tusschen Oranje en Requesens. Elbertus Leoninus. Het vredescongres te Breda. Unie tusschen Holland en Zeeland. Vergadering te Delft. Afzetting van den koning. Dirk Sonoy en zijne wreedheden jegens de katholieken. Oranje’s huwelijk met Charlotte van Bourbon. Vruchtelooze onderhandelingen met vreemde mogendheden. Ongeluksdagen der Hollanders. Veldtocht van den heer van Hierges. Stoutmoedige aanslag der Spanjaarden op Schouwen. Belegering van Zierikzee. Wanhopige toestand der prinsgezinden. Requesens’ dood.Requesens bevond zich, terwijl de Spaansche troepen Leiden belegerden, in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. De aanwerving van Duitsche huurbenden tegen Lodewijk van Nassau had zijne kas tot den laatsten penning uitgeput, uit Spanje werd hem geen geld overgemaakt en evenmin kon hij de noodige gelden uit de overige provinciën trekken, daar deze kariger waren dan ooit. Al waagden deze het ook niet, op het voorbeeld van Holland en Zeeland openlijk de vaan van den opstand te ontplooien, toch drongen zij op de verwijdering van de Spaansche troepen aan en dewijl Requesens niet bij machte was om dezen eisch in te willigen, weigerden zij van hunnen kant eenig geld op te brengen.Zoolang Holland en Zeeland niet onderworpen waren, was alle uitzicht op een geregeld bestuur ijdel. Doch Requesens wanhoopte bijna aan de mogelijkheid om de oproerige Hollanders door kracht van wapenen tot gehoorzaamheid te dwingen. Noircarmes, die den 4enMaart 1574 te Utrecht, waarschijnlijk ten gevolge van vergif, gestorven was, had hem gezegd, dat de prins van Oranje gemakkelijk tot vrede en verzoening zou over te halen zijn, indien men hem voor zijn persoon volle vergiffenis toestond. De landvoogd besloot, dit te beproeven, want gelukte het hem, den prins voor zich te winnen, dan had hij den opstand der Hollanders en Zeeuwen van zijne ziel beroofd.St. Aldegonde, Oranje’s trouwste vriend, bevond zich nog altijd in gevangenschap; Mondragon had noch, overeenkomstig zijne belofte, diens invrijheidstelling bewerkt, noch zich vrijwillig weder in krijgsgevangenschap begeven. Niemand was beter geschikt tot het voeren van onderhandelingen met Willem van Oranje dan St. Aldegonde. Requesens ontsloeg hem daarom uit zijne gevangenschap op zijn woord, dat hij terugkeeren zou, en zond hem als bemiddelaar tot den prins en de Staten van Holland.Willem van Oranje ontving zijn vriend met groote hartelijkheid; hij verklaarde, dat hij gaarne het land verlaten zou, om den vrede te herstellen,doch hij wilde daaromtrent niets beslissen, maar zich geheel naar den wensch der Staten schikken. Voor zich zelven verzekerde hij verder, verlangde hij niets, allerminst des konings vergiffenis, die hij niet van noode had, daar hij steeds zijn plicht jegens zijn vorst en het land had vervuld.Niet gunstiger was het antwoord der Staten. Zij overhandigden Aldegonde een brief aan den koning, waarin zij hunne oude eischen: verwijdering van de Spaansche krijgsmacht uit het land, afschaffing van de inquisitie en herstelling van volkomene godsdienstvrijheid in fiere, manlijke taal handhaafden.Aldegonde, die niets had kunnen uitwerken, keerde, getrouwer aan zijn woord dan Mondragon, in zijne gevangenschap terug, waaruit hij door Requesens eerst den 15enOctober 1574 ontslagen werd.Na deze mislukte poging van Aldegonde was de verzoening moeilijker dan ooit. Na het ontzet van Leiden was Oranje’s invloed, zoo mogelijk, nog grooter geworden. De Staten hadden hem eene schier onbeperkte macht onder den titel van gouverneur of regent opgedragen en, hoewel eerst na eenige aarzeling, maandelijks eene som van 40.000 gulden tot voortzetting van den oorlog ter zijner beschikking gesteld, eene som, die wel niet aanzienlijk was, maar toch den regent eene zekere vrijheid van handelen gunde. Na dit alles was de verzoening van den gevaarlijken man in Requesens’ oog nog wenschelijker dan vroeger. Hij liet tot bereiking van dit doel niets onbeproefd, doch al zijne pogingen waren vruchteloos, zelfs de geleerde professor der Leuvensche Hoogeschool, Elbertus Leoninus, een man, die in ’s prinsen achting hoog stond aangeschreven en die in persoon de onderhandelingen leidde, kon niets uitrichten.Even vruchteloos bleef een vredes-congres, dat op aandringen van keizer Maximiliaan, die gaarne door zijne tusschenkomst de oproerige Nederlanders met Philips II verzoend zou hebben, den 3enMaart 1575 te Breda geopend werd. Leoninus spande al zijne krachten in om eene verzoening tot stand te brengen, doch hoe ware dit mogelijk geweest?Wel wenschte Philips II, die in groote geldverlegenheid verkeerde, naar den vrede, maar hij had vast besloten daarvoor ook niet het geringste offer te brengen. Hij had Requesens in dien geest de noodige instructies gegeven. De Hollanders volhardden van hunnen kant even onverzettelijk in de handhaving van hunne rechten en in hun wensch naar godsdienstige vrijheid; eene verzoening tusschen de beide partijen was dus onmogelijk.De afgevaardigden der Staten van Holland eischten te Breda de verwijdering van de Spaansche troepen en de bijeenroeping van de Staten-Generaal der Nederlanden, wien alles wat de godsdienst betrof moest worden overgelaten. De koning daarentegen liet verklaren, dat de opstandelingen eerst tot gehoorzaamheid terugkeeren, al hunne steden, hunne versterkte sloten en hunne schepen met het volle geschut overgeven en overal de katholieke godsdienst herstellen moesten, dan zou de koning de Spaansche troepen slechts zoo lang in het land houden als noodig was en ook den raad van de Staten-Generaal inwinnen, maar zich zelven de beslissing voorbehouden.Bij zulk een strijd der belangen konden alle bemoeiingen van Leoninus geene overeenstemming tot stand brengen; de strijd duurde onafgebroken voort.Tot dusver had Willem van Oranje nog altijd als plaatsvervanger des konings in Holland geregeerd. Ook toen in Juni 1575 de Unie tusschenZeeland en Holland gesloten en den prinsvanOranje het bewind over deze beide verbonden gewesten opgedragen werd, had men nog altijd dezen schijn in acht genomen. Doch nadat het vredescongres te Breda zoo geheel vruchteloos afgeloopen was, gevoelden de vereenigde gewesten de dringendste behoefte om zich geheel aan de Spaansche heerschappij te onttrekken en zich bij eene der andere groote mogendheden van Europa aan te sluiten. In October 1575 spraken ridderschap en steden in eene vergadering te Delft eenparig de afzetting van den koning en de noodzakelijkheid uit om een anderen souverein te verkiezen. Aan de vestiging van eene republiek dachten zij nog niet, alleen aan de verkiezing van een anderen vorst en zij droegen den prins van Oranje, onder goedkeuring der Staten, de noodige onderhandelingen op.De keuze van zulk een nieuwen vorst was geene gemakkelijke zaak. Het natuurlijkst zou zijn geweest, zich aan het Duitsche rijk aan te sluiten; doch dit bestond eigenlijk slechts in naam en was inderdaad geene groote mogendheid. Ten nadeele van Frankrijk getuigden de daar heerschende onlusten, tegen Engeland de vrees, welke koningin Elisabeth in den laatsten tijd aan den dag had gelegd om door ondersteuning van de Nederlanders met Philips II in openbare vijandschap te geraken.In alle opzichten leverde de aansluiting aan eene der vreemde mogendheden groote moeilijkheden op, die nog vermeerderd werden door de omstandigheid, dat in de laatste jaren het aanzien der opgestane gewesten tengevolge van meer dan ééne oorzaak ondermijnd was, terwijl de prins van Oranje zich door een onstaatkundigen stap vele vijanden gemaakt had.Reeds vroeger hadden de geuzen tegen de katholieke inwoners der provinciën vele wreedheden gepleegd; den prins was het, in weerwil van de uiterste krachtsinspanning, niet gelukt dit te verhoeden. Menigmaal had hij de misdadigers streng gestraft en zelfs den woesten Lumey uit zijn dienst ontslagen, maar toch kon hij den katholieken niet die verdraagzaamheid verzekeren, waarop zij ook in zijn oog recht hadden.Een der ijverigste aanhangers van den prins was Dirk Sonoy, die om zijne schitterende verdiensten tot gouverneur van Noord-Holland benoemd was. Deze bracht door zijne onmenschelijke wreedheid aan de zaak der vrijheid, voor welke hij streed, eene diepe wonde toe.Hij meende eene samenzwering op het spoor te zijn gekomen; terstond stelde hij, Alba’s voorbeeld volgend, eene soort van bloedraad in, die in last ontving, de saamgezworenen op te sporen en te straffen. Acht vagebonden werden gegrepen; door middel der pijnbank dwong men hen tot de bekentenis, dat zij door eenige rijke katholieken omgekocht waren om eenige steden en dorpen ten dienste der Spanjaarden in brand te steken; vervolgens werden zij levend verbrand, hoewel men hun, tot belooning voor hunne bekentenissen, lijfsbehoud voorgespiegeld had. Op weg naar den brandstapel herriepen zij al hunne bekentenissen, maar toch werden allen, die zij beschuldigd hadden, in hechtenis genomen en aan den nieuwen bloedraad overgeleverd.Thans toonde Sonoy, dat het mogelijk was, zelfs den gehaten Alba en de inquisitie in wreedheid te overtreffen. De gevangenen, die geene enkele misdaad begaan hadden, die slechts door de afgeperste en later herroepene bekentenissen van landloopers in staat van beschuldiging waren gesteld, wien men niets anders dan hunne trouw aan het katholiek geloof verwijten kon, werden, om hen tot bekentenis te brengen, aan folteringenonderworpen, zoo wreed, dat geen demon zelfs ze gruwelijker uitdenken kon.Een hunner, dien men lang te vergeefs gefolterd had, zonder hem eene bekentenis te kunnen afpersen, wierp men op een bed en zette hem op het naakte lijf een grooten omgekeerden ketel, waarin zich eenige groote ratten bevonden. Vervolgens legde men gloeiende kolen op den ketel en dwong daardoor de woedende ratten om het lichaam van den ongelukkige te verscheuren.Standvastig verdroeg de gefolterde deze en andere martelingen, welke de pen weigert te beschrijven, en eerst toen hem volledige vergiffenis beloofd werd, noemde hij zijne gewaande medeplichtigen, d. i. klaagde hij onschuldigen aan. Het bloedgericht hield jegens hem evenmin woord als jegens de landloopers; het veroordeelde hem tot een afgrijselijken dood; het hart moest hem uit het lichaam gereten worden, daarna zou zijn lichaam worden onthoofd en gevierendeeld.Op den weg naar het schavot herriep de veroordeelde de hem afgeperste bekentenis, doch zijne stem werd verdoofd door die van den priester, die hem vergezelde, en die zijne gebeden zóó luide opzeide, dat men de woorden der herroeping niet duidelijk verstaan kon. Woedend over deze handelwijze daagde de ter dood veroordeelde den onwaardigen dienaar van Christus binnen drie dagen voor Gods rechterstoel; daarop onderging hij de vreeselijke straf.Welk eene macht het bijgeloof in die dagen uitoefende, leert ons het voorbeeld des priesters. De bedreiging van den stervende joeg hem zulk een doodelijken schrik aan, dat hij ernstig ziek werd en werkelijk den derden dag stierf. Zijn dood gaf natuurlijk nieuw voedsel aan het wondergeloof des volks.Een aantal inhechtenisnemingen volgde op dit doodvonnis; gelukkig had Willem van Oranje intusschen bericht gekregen van Sonoy’s wreede handelwijze; hij verbood, de gevangenen te folteren en ter dood te brengen; doch den wensch van vele zijner vrienden, die over die bloedige tooneelen diep verontwaardigd waren en daarom op de afzetting van den wreeden gouverneur aandrongen, kon hij niet vervullen. Dirk Sonoy had hem te schitterende diensten bewezen en hij had zijne verdere hulp te dringend noodig, dan dat de prins hem had kunnen ontslaan. Hij spoorde hem slechts tot grootere zachtmoedigheid aan en maakte zich daardoor in de oogen der wereld medeplichtig aan de wreedheden, welke Sonoy nog verder beging. Bovendien verschafte hij daardoor den vijanden der Hollandsche vrijheid een welkom voorwendsel om de geuzen voor een hoop wild, wreed en misdadig gespuis uit te maken.Ook door zijn persoonlijk gedrag had Willem van Oranje zich meer dan een machtigen vijand gemaakt en vroegere vrienden van zich vervreemd; vooral door een huwelijk, dat hij in Juni 1575 sloot.Zijn echt met Anna van Saksen was verre van gelukkig geweest, naar het schijnt, buiten zijne schuld. Het karakter dier vorstin wordt ons althans door hare tijdgenooten eenstemmig afgeschilderd op eene wijze, die terstond elke gedachte aan de mogelijkheid van een gelukkig huwelijksleven moet verbannen.Anna van Saksen had reeds van den eersten tijd haars huwelijks af eene woeste hartstochtelijkheid aan den dag gelegd, die aanhoudend toenam en eindelijk schier in waanzin ontaardde. Zij vierde in zulke mate bot aanhare lust tot het gebruik van bedwelmende dranken, dat zij eindelijk noch staan, noch gaan kon; haar geheele leven was één openlijk schandaal. Dat de prins zich van zijne waanzinnige gemalin scheiden liet, zou hem zeker nooit tot verwijt zijn gemaakt, daar de keurvorst van Saksen zelf de gescheidene als eene dolle achter de traliën zetten liet, doch wel werd des prinsen keus, toen hij op nieuw in het huwelijk wilde treden, scherp berispt.Charlotte van Bourbon, de dochter van den hertog van Montpensier, was door haren vader voor het klooster, bestemd. Zij had den sluier aangenomen en het ambt van abdis in het klooster, waartoe zij behoorde, reeds aanvaard; doch het kloosterleven beviel haar niet, zij ontvluchtte het gesticht, ging tot de protestantsche godsdienst over en vond als zoodanig eene toevluchtsoord aan het hof van de Paltz.De prins van Oranje koos Charlotte van Bourbon tot zijne gemalin; dat hij tegen den raad zijner vrienden de voormalige non huwde, haalde hem de vijandschap van vele vorsten op den hals. De keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen waren woedend, zelfs ’s prinsen broeder, Jan van Nassau, die trouw aan hem gehecht was, sprak een afkeurend oordeel over dit huwelijk uit en het Fransche hof verkoelde sinds dien tijd meer en meer in zijne gezindheid jegens den onwelkomen bloedverwant.Bij de onderhandelingen, welke Willem van Oranje ten behoeve van de aansluiting der Nederlanden aan eene vreemde mogendheid te voeren had, ondervond hij op eene smartelijke wijze, dat vele vroegere vrienden hem ontrouw waren geworden. Een gezantschap naar Engeland, waaraan ook St. Aldegonde deelnam, bleef geheel zonder vrucht. Koningin Elisabeth hield de gezanten met allerlei plichtplegingen en met halve beloften bezig, doch liet zich tot geene bindende belofte overhalen. Even weinig vrucht droegen voorshands de onderhandelingen met Frankrijk, hoewel de hertog van Alençon veel lust had om in de Nederlanden een zelfstandig rijk te stichten; ook van de protestantsche vorsten van Duitschland, die woedend waren over des prinsen huwelijk, was niets te hopen, en zoo moesten de opgestane gewesten zich in den strijd met Philips II uitsluitend op hunne eigen krachten verlaten.En toch hadden zij in dien tijd die buitenlandsche hulp zoo dringend noodig!Op de kortstondige blijdschap van het ontzet van Leiden volgde weldra een treurige tijd, waarin de Hollanders zeer ongelukkig streden. De heer van Hierges, een der vier dappere zonen van Barlaimont, ondernam in het jaar 1575 een strooptocht in Holland. Nadat hij de Geldersche stad Buren, die zich bij Holland had aangesloten, ingenomen had, veroverde hij Oudewater, waar hij het bloedbad van Naarden herhaalde.Nog gevaarlijker dan de tocht van den heer van Hierges was voor de opstandelingen eene stoutmoedige onderneming, die door de Spanjaarden in den nacht van den 24enSeptember 1575 werd uitgevoerd.Het eiland Schouwen, het noordelijkste der Zeeuwsche eilanden, vormde de verbinding van het eiland Walcheren met Holland. Dit eiland weer in hunne macht te krijgen, was voor de Spanjaarden eene zaak van het hoogste gewicht; gelukte hun dit, dan konden zij de verbinding tusschen Holland en Zeeland verbreken.Tholen en Zuid-Beveland waren nog in de macht der Spanjaarden; van hier uit kon een aanslag op Schouwen ondernomen worden, wanneerhet mogelijk was, den ondiepen rivierarm, die de eilanden van elkaar scheidde, over te steken. Doch hiertoe ontbrak het aan de noodige schepen en de geuzenvloot was oorzaak, dat deze niet aangevoerd konden worden.Een Zeeuwsch verrader deed den Spanjaarden een middel aan de hand om hun plan tot overrompeling van Schouwen uit te voeren; hij wees hun eene lange smalle bank, die gedurende de eb zóó hoog onder den waterspiegel lag, dat zij der geuzenvloot het naderen belette. Deze bank bood den Spaanschen soldaten bovendien een middel aan om, al was het dan ook niet zonder levensgevaar, het eiland Schouwen te bereiken.Requesens volgde met blijdschap de aanwijzing des verraders. Vrijwilligers werden opgeroepen en 1700 man boden zich aan om het waagstuk te ondernemen. Zij ontvingen een zak met buskruit en levensmiddelen voor drie dagen, dien zij om den hals bevestigden, en daalden daarop in den nacht van den 24enSeptember onder aanvoering van den dapperen Osorio d’Ulloa in de zee af, om den overtocht te beproeven.Het was een vreeselijke tocht! Dikwijls steeg het water den Spaanschen soldaten tot boven de schouders; in het glibberige zand konden zij den voet niet met de noodige vastheid nederzetten en toch bedreigde elke mistred hen met een zekeren dood, want de zandbank was zeer smal en daalde aan beide zijden steil in de zee af.Slechts langzaam konden de Spanjaarden voorwaarts gaan en onophoudelijk zagen zij zich bestookt door de waakzame geuzen, die wel met hunne schepen niet dicht genoeg konden naderen, om den overtocht te beletten, doch die onafgebroken op den voortrukkenden vijand vuurden en ook met hunne harpoenen menigen Spanjaard doodden.Groot was het aantal slachtoffers, dat de golven in dien nacht verzwolgen, want elke gewonde was reddeloos verloren. Maar de fortuin helpt de dapperen, de vermetele tocht gelukte: 1200 man bereikten den overkant en slechts de achterhoede moest terugkeeren; anders zou de vloed hen bereikt en verzwolgen hebben.Nog stond den Spanjaarden een hevige strijd voor de deur. Karel van Boisot, de broeder van den beroemden admiraal, wachtte hen af met eene schaar Fransche, Engelsche en Schotsche huurtroepen.Was het toeval of een vooraf beraamd verraad? De huurtroepen vermoordden hun dapperen generaal en vluchtten daarop lafhartig voor de uit de zee opklimmende vijanden.Het bezit van het eiland Schouwen was de vrucht dezer stoute onderneming en thans konden de Spanjaarden, nadat zij zich versterkt hadden, tot de belegering van Zierikzee, de goed bevestigde hoofdstad van het eiland, overgaan. Doch hier wachtte hen niet zulk eene gemakkelijke zegepraal, want Zierikzee werd door de inwoners met de grootste dapperheid verdedigd.Door de verovering van Schouwen en de belegering van Zierikzee hadden de Spanjaarden eene sterke stelling aan de kust ingenomen; Holland was van Zeeland gescheiden en daar ook Haarlem nog altijd in de macht der Spanjaarden was, waren de strijdkrachten der Nederlanders in drie deelen gesplitst.De prins van Oranje wanhoopte in dezen treurigen toestand bijna aan de mogelijkheid der overwinning. Zonder hulp van buiten scheen hetondenkbaar, dat de zoo verzwakte opstandelingen nog langer aan de Spaansche overmacht het hoofdzoudenkunnen bieden, en op buitenlandsche hulp viel niet te rekenen. Men verhaalt, dat de prins in dien wanhopigen toestand het besluit had opgevat om de geheele bevolking des lands op de vloot in te schepen en zich naar de nieuwe wereld te begeven, ten einde daar een protestantschen staat te vestigen, doch vooraf alle sluizen open te zetten, alle dijken door te steken en het rijke land aan den oceaan prijs te geven.Indien dit plan werkelijk ooit is opgevat, werd het toch niet uitgevoerd, want eene nieuwe straal van hoop blonk eensklaps den Hollanders weer in de oogen. Requesens stierf, na eene ziekte van weinige dagen, den 5enMaart 1576, zonder dat het hem mogelijk was geweest een opvolger te benoemen.
De Nederlanden. Onderhandelingen tusschen Oranje en Requesens. Elbertus Leoninus. Het vredescongres te Breda. Unie tusschen Holland en Zeeland. Vergadering te Delft. Afzetting van den koning. Dirk Sonoy en zijne wreedheden jegens de katholieken. Oranje’s huwelijk met Charlotte van Bourbon. Vruchtelooze onderhandelingen met vreemde mogendheden. Ongeluksdagen der Hollanders. Veldtocht van den heer van Hierges. Stoutmoedige aanslag der Spanjaarden op Schouwen. Belegering van Zierikzee. Wanhopige toestand der prinsgezinden. Requesens’ dood.
De Nederlanden. Onderhandelingen tusschen Oranje en Requesens. Elbertus Leoninus. Het vredescongres te Breda. Unie tusschen Holland en Zeeland. Vergadering te Delft. Afzetting van den koning. Dirk Sonoy en zijne wreedheden jegens de katholieken. Oranje’s huwelijk met Charlotte van Bourbon. Vruchtelooze onderhandelingen met vreemde mogendheden. Ongeluksdagen der Hollanders. Veldtocht van den heer van Hierges. Stoutmoedige aanslag der Spanjaarden op Schouwen. Belegering van Zierikzee. Wanhopige toestand der prinsgezinden. Requesens’ dood.
Requesens bevond zich, terwijl de Spaansche troepen Leiden belegerden, in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. De aanwerving van Duitsche huurbenden tegen Lodewijk van Nassau had zijne kas tot den laatsten penning uitgeput, uit Spanje werd hem geen geld overgemaakt en evenmin kon hij de noodige gelden uit de overige provinciën trekken, daar deze kariger waren dan ooit. Al waagden deze het ook niet, op het voorbeeld van Holland en Zeeland openlijk de vaan van den opstand te ontplooien, toch drongen zij op de verwijdering van de Spaansche troepen aan en dewijl Requesens niet bij machte was om dezen eisch in te willigen, weigerden zij van hunnen kant eenig geld op te brengen.
Zoolang Holland en Zeeland niet onderworpen waren, was alle uitzicht op een geregeld bestuur ijdel. Doch Requesens wanhoopte bijna aan de mogelijkheid om de oproerige Hollanders door kracht van wapenen tot gehoorzaamheid te dwingen. Noircarmes, die den 4enMaart 1574 te Utrecht, waarschijnlijk ten gevolge van vergif, gestorven was, had hem gezegd, dat de prins van Oranje gemakkelijk tot vrede en verzoening zou over te halen zijn, indien men hem voor zijn persoon volle vergiffenis toestond. De landvoogd besloot, dit te beproeven, want gelukte het hem, den prins voor zich te winnen, dan had hij den opstand der Hollanders en Zeeuwen van zijne ziel beroofd.
St. Aldegonde, Oranje’s trouwste vriend, bevond zich nog altijd in gevangenschap; Mondragon had noch, overeenkomstig zijne belofte, diens invrijheidstelling bewerkt, noch zich vrijwillig weder in krijgsgevangenschap begeven. Niemand was beter geschikt tot het voeren van onderhandelingen met Willem van Oranje dan St. Aldegonde. Requesens ontsloeg hem daarom uit zijne gevangenschap op zijn woord, dat hij terugkeeren zou, en zond hem als bemiddelaar tot den prins en de Staten van Holland.
Willem van Oranje ontving zijn vriend met groote hartelijkheid; hij verklaarde, dat hij gaarne het land verlaten zou, om den vrede te herstellen,doch hij wilde daaromtrent niets beslissen, maar zich geheel naar den wensch der Staten schikken. Voor zich zelven verzekerde hij verder, verlangde hij niets, allerminst des konings vergiffenis, die hij niet van noode had, daar hij steeds zijn plicht jegens zijn vorst en het land had vervuld.
Niet gunstiger was het antwoord der Staten. Zij overhandigden Aldegonde een brief aan den koning, waarin zij hunne oude eischen: verwijdering van de Spaansche krijgsmacht uit het land, afschaffing van de inquisitie en herstelling van volkomene godsdienstvrijheid in fiere, manlijke taal handhaafden.
Aldegonde, die niets had kunnen uitwerken, keerde, getrouwer aan zijn woord dan Mondragon, in zijne gevangenschap terug, waaruit hij door Requesens eerst den 15enOctober 1574 ontslagen werd.
Na deze mislukte poging van Aldegonde was de verzoening moeilijker dan ooit. Na het ontzet van Leiden was Oranje’s invloed, zoo mogelijk, nog grooter geworden. De Staten hadden hem eene schier onbeperkte macht onder den titel van gouverneur of regent opgedragen en, hoewel eerst na eenige aarzeling, maandelijks eene som van 40.000 gulden tot voortzetting van den oorlog ter zijner beschikking gesteld, eene som, die wel niet aanzienlijk was, maar toch den regent eene zekere vrijheid van handelen gunde. Na dit alles was de verzoening van den gevaarlijken man in Requesens’ oog nog wenschelijker dan vroeger. Hij liet tot bereiking van dit doel niets onbeproefd, doch al zijne pogingen waren vruchteloos, zelfs de geleerde professor der Leuvensche Hoogeschool, Elbertus Leoninus, een man, die in ’s prinsen achting hoog stond aangeschreven en die in persoon de onderhandelingen leidde, kon niets uitrichten.
Even vruchteloos bleef een vredes-congres, dat op aandringen van keizer Maximiliaan, die gaarne door zijne tusschenkomst de oproerige Nederlanders met Philips II verzoend zou hebben, den 3enMaart 1575 te Breda geopend werd. Leoninus spande al zijne krachten in om eene verzoening tot stand te brengen, doch hoe ware dit mogelijk geweest?
Wel wenschte Philips II, die in groote geldverlegenheid verkeerde, naar den vrede, maar hij had vast besloten daarvoor ook niet het geringste offer te brengen. Hij had Requesens in dien geest de noodige instructies gegeven. De Hollanders volhardden van hunnen kant even onverzettelijk in de handhaving van hunne rechten en in hun wensch naar godsdienstige vrijheid; eene verzoening tusschen de beide partijen was dus onmogelijk.
De afgevaardigden der Staten van Holland eischten te Breda de verwijdering van de Spaansche troepen en de bijeenroeping van de Staten-Generaal der Nederlanden, wien alles wat de godsdienst betrof moest worden overgelaten. De koning daarentegen liet verklaren, dat de opstandelingen eerst tot gehoorzaamheid terugkeeren, al hunne steden, hunne versterkte sloten en hunne schepen met het volle geschut overgeven en overal de katholieke godsdienst herstellen moesten, dan zou de koning de Spaansche troepen slechts zoo lang in het land houden als noodig was en ook den raad van de Staten-Generaal inwinnen, maar zich zelven de beslissing voorbehouden.
Bij zulk een strijd der belangen konden alle bemoeiingen van Leoninus geene overeenstemming tot stand brengen; de strijd duurde onafgebroken voort.
Tot dusver had Willem van Oranje nog altijd als plaatsvervanger des konings in Holland geregeerd. Ook toen in Juni 1575 de Unie tusschenZeeland en Holland gesloten en den prinsvanOranje het bewind over deze beide verbonden gewesten opgedragen werd, had men nog altijd dezen schijn in acht genomen. Doch nadat het vredescongres te Breda zoo geheel vruchteloos afgeloopen was, gevoelden de vereenigde gewesten de dringendste behoefte om zich geheel aan de Spaansche heerschappij te onttrekken en zich bij eene der andere groote mogendheden van Europa aan te sluiten. In October 1575 spraken ridderschap en steden in eene vergadering te Delft eenparig de afzetting van den koning en de noodzakelijkheid uit om een anderen souverein te verkiezen. Aan de vestiging van eene republiek dachten zij nog niet, alleen aan de verkiezing van een anderen vorst en zij droegen den prins van Oranje, onder goedkeuring der Staten, de noodige onderhandelingen op.
De keuze van zulk een nieuwen vorst was geene gemakkelijke zaak. Het natuurlijkst zou zijn geweest, zich aan het Duitsche rijk aan te sluiten; doch dit bestond eigenlijk slechts in naam en was inderdaad geene groote mogendheid. Ten nadeele van Frankrijk getuigden de daar heerschende onlusten, tegen Engeland de vrees, welke koningin Elisabeth in den laatsten tijd aan den dag had gelegd om door ondersteuning van de Nederlanders met Philips II in openbare vijandschap te geraken.
In alle opzichten leverde de aansluiting aan eene der vreemde mogendheden groote moeilijkheden op, die nog vermeerderd werden door de omstandigheid, dat in de laatste jaren het aanzien der opgestane gewesten tengevolge van meer dan ééne oorzaak ondermijnd was, terwijl de prins van Oranje zich door een onstaatkundigen stap vele vijanden gemaakt had.
Reeds vroeger hadden de geuzen tegen de katholieke inwoners der provinciën vele wreedheden gepleegd; den prins was het, in weerwil van de uiterste krachtsinspanning, niet gelukt dit te verhoeden. Menigmaal had hij de misdadigers streng gestraft en zelfs den woesten Lumey uit zijn dienst ontslagen, maar toch kon hij den katholieken niet die verdraagzaamheid verzekeren, waarop zij ook in zijn oog recht hadden.
Een der ijverigste aanhangers van den prins was Dirk Sonoy, die om zijne schitterende verdiensten tot gouverneur van Noord-Holland benoemd was. Deze bracht door zijne onmenschelijke wreedheid aan de zaak der vrijheid, voor welke hij streed, eene diepe wonde toe.
Hij meende eene samenzwering op het spoor te zijn gekomen; terstond stelde hij, Alba’s voorbeeld volgend, eene soort van bloedraad in, die in last ontving, de saamgezworenen op te sporen en te straffen. Acht vagebonden werden gegrepen; door middel der pijnbank dwong men hen tot de bekentenis, dat zij door eenige rijke katholieken omgekocht waren om eenige steden en dorpen ten dienste der Spanjaarden in brand te steken; vervolgens werden zij levend verbrand, hoewel men hun, tot belooning voor hunne bekentenissen, lijfsbehoud voorgespiegeld had. Op weg naar den brandstapel herriepen zij al hunne bekentenissen, maar toch werden allen, die zij beschuldigd hadden, in hechtenis genomen en aan den nieuwen bloedraad overgeleverd.
Thans toonde Sonoy, dat het mogelijk was, zelfs den gehaten Alba en de inquisitie in wreedheid te overtreffen. De gevangenen, die geene enkele misdaad begaan hadden, die slechts door de afgeperste en later herroepene bekentenissen van landloopers in staat van beschuldiging waren gesteld, wien men niets anders dan hunne trouw aan het katholiek geloof verwijten kon, werden, om hen tot bekentenis te brengen, aan folteringenonderworpen, zoo wreed, dat geen demon zelfs ze gruwelijker uitdenken kon.
Een hunner, dien men lang te vergeefs gefolterd had, zonder hem eene bekentenis te kunnen afpersen, wierp men op een bed en zette hem op het naakte lijf een grooten omgekeerden ketel, waarin zich eenige groote ratten bevonden. Vervolgens legde men gloeiende kolen op den ketel en dwong daardoor de woedende ratten om het lichaam van den ongelukkige te verscheuren.
Standvastig verdroeg de gefolterde deze en andere martelingen, welke de pen weigert te beschrijven, en eerst toen hem volledige vergiffenis beloofd werd, noemde hij zijne gewaande medeplichtigen, d. i. klaagde hij onschuldigen aan. Het bloedgericht hield jegens hem evenmin woord als jegens de landloopers; het veroordeelde hem tot een afgrijselijken dood; het hart moest hem uit het lichaam gereten worden, daarna zou zijn lichaam worden onthoofd en gevierendeeld.
Op den weg naar het schavot herriep de veroordeelde de hem afgeperste bekentenis, doch zijne stem werd verdoofd door die van den priester, die hem vergezelde, en die zijne gebeden zóó luide opzeide, dat men de woorden der herroeping niet duidelijk verstaan kon. Woedend over deze handelwijze daagde de ter dood veroordeelde den onwaardigen dienaar van Christus binnen drie dagen voor Gods rechterstoel; daarop onderging hij de vreeselijke straf.
Welk eene macht het bijgeloof in die dagen uitoefende, leert ons het voorbeeld des priesters. De bedreiging van den stervende joeg hem zulk een doodelijken schrik aan, dat hij ernstig ziek werd en werkelijk den derden dag stierf. Zijn dood gaf natuurlijk nieuw voedsel aan het wondergeloof des volks.
Een aantal inhechtenisnemingen volgde op dit doodvonnis; gelukkig had Willem van Oranje intusschen bericht gekregen van Sonoy’s wreede handelwijze; hij verbood, de gevangenen te folteren en ter dood te brengen; doch den wensch van vele zijner vrienden, die over die bloedige tooneelen diep verontwaardigd waren en daarom op de afzetting van den wreeden gouverneur aandrongen, kon hij niet vervullen. Dirk Sonoy had hem te schitterende diensten bewezen en hij had zijne verdere hulp te dringend noodig, dan dat de prins hem had kunnen ontslaan. Hij spoorde hem slechts tot grootere zachtmoedigheid aan en maakte zich daardoor in de oogen der wereld medeplichtig aan de wreedheden, welke Sonoy nog verder beging. Bovendien verschafte hij daardoor den vijanden der Hollandsche vrijheid een welkom voorwendsel om de geuzen voor een hoop wild, wreed en misdadig gespuis uit te maken.
Ook door zijn persoonlijk gedrag had Willem van Oranje zich meer dan een machtigen vijand gemaakt en vroegere vrienden van zich vervreemd; vooral door een huwelijk, dat hij in Juni 1575 sloot.
Zijn echt met Anna van Saksen was verre van gelukkig geweest, naar het schijnt, buiten zijne schuld. Het karakter dier vorstin wordt ons althans door hare tijdgenooten eenstemmig afgeschilderd op eene wijze, die terstond elke gedachte aan de mogelijkheid van een gelukkig huwelijksleven moet verbannen.
Anna van Saksen had reeds van den eersten tijd haars huwelijks af eene woeste hartstochtelijkheid aan den dag gelegd, die aanhoudend toenam en eindelijk schier in waanzin ontaardde. Zij vierde in zulke mate bot aanhare lust tot het gebruik van bedwelmende dranken, dat zij eindelijk noch staan, noch gaan kon; haar geheele leven was één openlijk schandaal. Dat de prins zich van zijne waanzinnige gemalin scheiden liet, zou hem zeker nooit tot verwijt zijn gemaakt, daar de keurvorst van Saksen zelf de gescheidene als eene dolle achter de traliën zetten liet, doch wel werd des prinsen keus, toen hij op nieuw in het huwelijk wilde treden, scherp berispt.
Charlotte van Bourbon, de dochter van den hertog van Montpensier, was door haren vader voor het klooster, bestemd. Zij had den sluier aangenomen en het ambt van abdis in het klooster, waartoe zij behoorde, reeds aanvaard; doch het kloosterleven beviel haar niet, zij ontvluchtte het gesticht, ging tot de protestantsche godsdienst over en vond als zoodanig eene toevluchtsoord aan het hof van de Paltz.
De prins van Oranje koos Charlotte van Bourbon tot zijne gemalin; dat hij tegen den raad zijner vrienden de voormalige non huwde, haalde hem de vijandschap van vele vorsten op den hals. De keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen waren woedend, zelfs ’s prinsen broeder, Jan van Nassau, die trouw aan hem gehecht was, sprak een afkeurend oordeel over dit huwelijk uit en het Fransche hof verkoelde sinds dien tijd meer en meer in zijne gezindheid jegens den onwelkomen bloedverwant.
Bij de onderhandelingen, welke Willem van Oranje ten behoeve van de aansluiting der Nederlanden aan eene vreemde mogendheid te voeren had, ondervond hij op eene smartelijke wijze, dat vele vroegere vrienden hem ontrouw waren geworden. Een gezantschap naar Engeland, waaraan ook St. Aldegonde deelnam, bleef geheel zonder vrucht. Koningin Elisabeth hield de gezanten met allerlei plichtplegingen en met halve beloften bezig, doch liet zich tot geene bindende belofte overhalen. Even weinig vrucht droegen voorshands de onderhandelingen met Frankrijk, hoewel de hertog van Alençon veel lust had om in de Nederlanden een zelfstandig rijk te stichten; ook van de protestantsche vorsten van Duitschland, die woedend waren over des prinsen huwelijk, was niets te hopen, en zoo moesten de opgestane gewesten zich in den strijd met Philips II uitsluitend op hunne eigen krachten verlaten.
En toch hadden zij in dien tijd die buitenlandsche hulp zoo dringend noodig!
Op de kortstondige blijdschap van het ontzet van Leiden volgde weldra een treurige tijd, waarin de Hollanders zeer ongelukkig streden. De heer van Hierges, een der vier dappere zonen van Barlaimont, ondernam in het jaar 1575 een strooptocht in Holland. Nadat hij de Geldersche stad Buren, die zich bij Holland had aangesloten, ingenomen had, veroverde hij Oudewater, waar hij het bloedbad van Naarden herhaalde.
Nog gevaarlijker dan de tocht van den heer van Hierges was voor de opstandelingen eene stoutmoedige onderneming, die door de Spanjaarden in den nacht van den 24enSeptember 1575 werd uitgevoerd.
Het eiland Schouwen, het noordelijkste der Zeeuwsche eilanden, vormde de verbinding van het eiland Walcheren met Holland. Dit eiland weer in hunne macht te krijgen, was voor de Spanjaarden eene zaak van het hoogste gewicht; gelukte hun dit, dan konden zij de verbinding tusschen Holland en Zeeland verbreken.
Tholen en Zuid-Beveland waren nog in de macht der Spanjaarden; van hier uit kon een aanslag op Schouwen ondernomen worden, wanneerhet mogelijk was, den ondiepen rivierarm, die de eilanden van elkaar scheidde, over te steken. Doch hiertoe ontbrak het aan de noodige schepen en de geuzenvloot was oorzaak, dat deze niet aangevoerd konden worden.
Een Zeeuwsch verrader deed den Spanjaarden een middel aan de hand om hun plan tot overrompeling van Schouwen uit te voeren; hij wees hun eene lange smalle bank, die gedurende de eb zóó hoog onder den waterspiegel lag, dat zij der geuzenvloot het naderen belette. Deze bank bood den Spaanschen soldaten bovendien een middel aan om, al was het dan ook niet zonder levensgevaar, het eiland Schouwen te bereiken.
Requesens volgde met blijdschap de aanwijzing des verraders. Vrijwilligers werden opgeroepen en 1700 man boden zich aan om het waagstuk te ondernemen. Zij ontvingen een zak met buskruit en levensmiddelen voor drie dagen, dien zij om den hals bevestigden, en daalden daarop in den nacht van den 24enSeptember onder aanvoering van den dapperen Osorio d’Ulloa in de zee af, om den overtocht te beproeven.
Het was een vreeselijke tocht! Dikwijls steeg het water den Spaanschen soldaten tot boven de schouders; in het glibberige zand konden zij den voet niet met de noodige vastheid nederzetten en toch bedreigde elke mistred hen met een zekeren dood, want de zandbank was zeer smal en daalde aan beide zijden steil in de zee af.
Slechts langzaam konden de Spanjaarden voorwaarts gaan en onophoudelijk zagen zij zich bestookt door de waakzame geuzen, die wel met hunne schepen niet dicht genoeg konden naderen, om den overtocht te beletten, doch die onafgebroken op den voortrukkenden vijand vuurden en ook met hunne harpoenen menigen Spanjaard doodden.
Groot was het aantal slachtoffers, dat de golven in dien nacht verzwolgen, want elke gewonde was reddeloos verloren. Maar de fortuin helpt de dapperen, de vermetele tocht gelukte: 1200 man bereikten den overkant en slechts de achterhoede moest terugkeeren; anders zou de vloed hen bereikt en verzwolgen hebben.
Nog stond den Spanjaarden een hevige strijd voor de deur. Karel van Boisot, de broeder van den beroemden admiraal, wachtte hen af met eene schaar Fransche, Engelsche en Schotsche huurtroepen.
Was het toeval of een vooraf beraamd verraad? De huurtroepen vermoordden hun dapperen generaal en vluchtten daarop lafhartig voor de uit de zee opklimmende vijanden.
Het bezit van het eiland Schouwen was de vrucht dezer stoute onderneming en thans konden de Spanjaarden, nadat zij zich versterkt hadden, tot de belegering van Zierikzee, de goed bevestigde hoofdstad van het eiland, overgaan. Doch hier wachtte hen niet zulk eene gemakkelijke zegepraal, want Zierikzee werd door de inwoners met de grootste dapperheid verdedigd.
Door de verovering van Schouwen en de belegering van Zierikzee hadden de Spanjaarden eene sterke stelling aan de kust ingenomen; Holland was van Zeeland gescheiden en daar ook Haarlem nog altijd in de macht der Spanjaarden was, waren de strijdkrachten der Nederlanders in drie deelen gesplitst.
De prins van Oranje wanhoopte in dezen treurigen toestand bijna aan de mogelijkheid der overwinning. Zonder hulp van buiten scheen hetondenkbaar, dat de zoo verzwakte opstandelingen nog langer aan de Spaansche overmacht het hoofdzoudenkunnen bieden, en op buitenlandsche hulp viel niet te rekenen. Men verhaalt, dat de prins in dien wanhopigen toestand het besluit had opgevat om de geheele bevolking des lands op de vloot in te schepen en zich naar de nieuwe wereld te begeven, ten einde daar een protestantschen staat te vestigen, doch vooraf alle sluizen open te zetten, alle dijken door te steken en het rijke land aan den oceaan prijs te geven.
Indien dit plan werkelijk ooit is opgevat, werd het toch niet uitgevoerd, want eene nieuwe straal van hoop blonk eensklaps den Hollanders weer in de oogen. Requesens stierf, na eene ziekte van weinige dagen, den 5enMaart 1576, zonder dat het hem mogelijk was geweest een opvolger te benoemen.
Twaalfde Hoofdstuk.De Nederlanden. Treurige toestand der provinciën. Bevestiging van de Unie tusschen Holland en Zeeland. Mislukte poging tot ontzet van Zierikzee. Dood van Lodewijk van Boisot. Val van Zierikzee. Opstand der Spanjaarden. Zwak bewind van den Staatsraad. De Spaansche muiters te Aalst. Opstand van het geheele Spaansche leger. De Roda. De Staatsraad in hechtenis genomen. Vergadering der Staten te Gent. Moeilijkheden bij de onderhandelingen. Maastricht en Antwerpen door de Spaansche muiters geplunderd. Gevolgen van het bloedbad te Antwerpen. De pacificatie van Gent.Indien wij ons den toestand der in opstand verkeerende provinciën voor den geest roepen, dan bieden zij ons een hoogst treurig schouwspel aan.Het land verkeerde in den uitersten nood. De lange, hardnekkige strijd had zelfs den meest welvarende bijna arm gemaakt, de velden lagen braak, bijna overal had men gebrek aan zaaikoren, aan vee en aan geld om het aan te koopen. Het doorsteken van de dijken had aan het bouwland onnoemlijke schade toegebracht. Nog had men de dijken niet weder geheel kunnen dicht maken bij gebrek aan geld en aan werkkrachten, bij elken storm werd dus het land bedreigd met eene zeer ongewenschte overstrooming, die het geheel aan den ondergang prijsgeven kon.Voeg hierbij de treurige gebeurtenissen op het oorlogstooneel: Noord- en Zuid-Holland van elkaar gescheiden door de vesting Haarlem, die nog in het bezit der Spanjaarden was; Amsterdam, de hoofdstad van het kleine land, insgelijks in handen van den vijand; Zierikzee belegerd en zelfs de tot dusver onbetwiste heerschappij ter zee door de laatste gebeurtenissen in de waagschaal gesteld. Inderdaad, de toestand der Hollanders was bijna wanhopig en wij gevoelen eene innige bewondering voor die koene verdedigers van de Nederlandsche vrijheid, die in weerwil van aldeze tegenspoeden den moed niet verloren, ja die juist in dezen treurigen tijd het waagden, de Unie tusschen Holland en Zeeland door eene nieuwe bondsacte den 25enApril 1576 te Delft te bevestigen en den prins van Oranje eene schier onbeperkte macht op te dragen.Oranje’s eerste zorg moest nu zijn, Zierikzee te ontzetten. Deze plaats was belangrijk als hoofdstad van het eiland Schouwen en als sleutel van half Zeeland. Lodewijk van Boisot, de dappere admiraal, die zich door het ontzet van Leiden zulk een hoogen roem verworven had, ontving bevel om de Spaansche belegeraars aan te tasten. Hij aanvaardde die onderneming tegen het einde van Mei, maar het geluk was hem niet gunstig. De geuzen werden teruggeslagen en Lodewijk van Boisot verloor het leven bij dezen mislukten aanslag.De belegerden moesten alle hoop op ontzet opgeven: den 21enJuni sloten zij met den Spaanschen bevelhebber Mondragon, die het beleg bestuurde, eene eervolle capitulatie, welker voorwaarden ditmaal bij uitzondering door de Spanjaarden nagekomen werden.De val dezer belangrijke vesting scheen het ongeluk der prinsgezinden ten top te voeren, maar ziet, wat niemand verwacht had, geschiedde: juist van deze gebeurtenis dagteekende eene gunstiger wending der zaken voor de Nederlanders.De Spaansche soldaten hadden juist op dit oorlogstooneel zulke schitterende bewijzen van hunne dapperheid geleverd, dat zij zich thans meer dan ooit gerechtigd achtten om eindelijk op betaling van hunne achterstallige soldij aan te dringen. Toen deze eisch door de officieren niet vervuld werd, dewijl hij uit gebrek aan geld niet vervuld kon worden, kwamen zij in opstand. Te vergeefs poogde de anders zoo hoog door hen vereerde Mondragon hen tot gehoorzaamheid terug te brengen, zij verklaarden, dat zij geene woorden maar geld verlangden en toen dit hun niet uitbetaald werd, kozen zij volgens hunne gewoonte een eletto en trokken, dewijl zij in het arme door den oorlog uitgeputte land hun gelddorst niet konden bevredigen door het uitplunderen van de inwoners, naar het rijke Brabant, met het plan om zich van de eene of andere groote stad meester te maken.Welke gewichtige gevolgen deze soldatenopstand voor de ontwikkeling der Nederlandsche vrijheid gehad heeft, zullen wij straks zien.Requesens was zoo onverwacht gestorven, dat hij geen tijd had gehad om een opvolger te benoemen; volgens het gewoonterecht nam derhalve de Staatsraad de teugels van het bewind in handen, voorshands oogenschijnlijk met gunstig gevolg, dewijl hij nergens eenigen tegenstand ontmoette en ook de Spaansche soldaten zijne bevelen gehoorzaamden.Ook Philips II keurde deze handeling goed, daar hij nog niet wist, wien hij tot opvolger van Requesens benoemen zou, en nu tijd had om daarover rustig na te denken. Zijne raadslieden waren het daarover niet eens. Granvelle ried, de hertogin van Parma terug te roepen, anderen stemden voor Don Juan d’Austria. Joachim Hopper, de vriend van Viglius, was van oordeel, dat de Nederlanden het best tot onderwerping gebracht zouden worden, indien men aan den Staatsraad, die thans bijna uitsluitend uit Nederlanders was samengesteld, voorloopig de regeering overliet, en Philips II volgde dezen raad.In weerwil van den aanvankelijk goeden uitslag zijner pogingen was de Staatsraad toch volstrekt niet geschikt om de Nederlanden te besturen.De Spaansche officieren mistrouwden hem, omdat slechts een enkele Spanjaard, Hieronymus de Roda, daarin zitting en stem had; de Nederlanders van hunnen kant schatten hunne landgenooten niet hooger dan de Spanjaarden, omdat het lieden waren, die zich eenmaal tot blinde werktuigen van Alba hadden verlaagd. Welke achting konden zij ook voor Barlaimont en Viglius koesteren? Ook de hertog van Aerschot, het aanzienlijkst lid van den Staatsraad, die uit het vorstelijke huis van Croy afstamde, boezemde noch door zijn verleden, noch door zijn karakter vertrouwen in.Zoo lang er geene bijzondere voorvallen plaats grepen, kon de Staatsraad wel het bewind voeren, doch bij den eersten storm den besten moest zijne onmacht, die door oneenigheid in eigen boezem nog vermeerderd werd, aan den dag komen.Een zoo scherpzinnig staatsman als Willem van Oranje kon zulk eene gelegenheid om zijn doelwit nader te komen, niet ongebruikt laten. Hij knoopte verstandhouding met al die invloedrijke edelen aan, van wie hij geloofde, dat zij nog eenig gevoel voor de vrijheid van hun vaderland hadden overgehouden, hij schreef aan hen, zoowel aan katholieken als aan protestanten, en spoorde hen aan om van dezen gunstigen oogenblik tot verdrijving van de Spanjaarden partij te trekken. Nu of nooit was het daartoe de rechte tijd. Hij verzekerde plechtig, dat het den Hollanders en Zeeuwen nooit in den zin gekomen was, de katholieke godsdienst als zoodanig te bestrijden, dat hun eenig doel was geweest hunne eigene gewetensvrijheid te verdedigen, zich van de inquisitie te ontslaan en de oude bezworen privilegiën des lands te handhaven.Deze aansporingen bleven niet zonder gevolg. De edelen, ook in de overwegend katholieke provinciën, helden meer en meer tot de zijde van den prins van Oranje over en zij werden jegens hem nog gunstiger gestemd, toen eensklaps een opstand der Spaansche soldaten alle Nederlanders op nieuw met een gemeenschappelijk gevaar bedreigde.De muiters waren van het eiland Schouwen naar Brabant vertrokken, hun aantal was onderweg nog aangegroeid, zoodat zij reeds over eene aanzienlijke macht beschikten. Hun plan was, zich van de stad Mechelen meester te maken, doch dit gelukte hun niet. Plunderend trokken zij het land door, tot voor de poorten van Brussel; doch dewijl zij zich te zwak gevoelden om de hoofdstad aan te grijpen, wendden zij zich tegen Aalst, halverwege tusschen Brussel en Gent. Hier sloegen zij hun hoofdkwartier op en brandschatten van hier uit Brabant en Vlaanderen.Zij hielden huis, alsof zij zich in vijandelijk land bevonden; 170 dorpen werden door hen in de eerstvolgende dagen geplunderd. De bevelen van den Staatsraad om tot gehoorzaamheid terug te keeren, beantwoordden zij met smaad en hoon.Groot was de verontwaardiging binnen Brussel over de schandelijke handelingen der vreemde soldaten. De burgers grepen naar de wapens om zich te verdedigen, zij eischten van den Staatsraad gestrenge maatregelen tegen de muiters en zij zetten hunnen wil door.Den 26enJuli 1576 werden de muiters door den Staatsraad als verraders en moordenaars vogelvrij verklaard en de burgers opgeroepen om zich tegen hen te verdedigen, ja hen, hetzij afzonderlijk, hetzij in massa, te dooden, waar zij hen aantroffen. Dit edict werd in alle steden en dorpen van Brabant en Vlaanderen afgekondigd.Hadden de aanzienlijkste Spaansche officieren tot dusver geen deel aan den soldatenopstand genomen, thans namen zij eene andere houding aan. Zij konden het niet dulden, dat een burgerlijk bestuur, hetwelk zij minachtten, het Spaansche leger vogelvrij verklaard had. Zij bemerkten bovendien maar al te goed, dat de haat der Nederlanders niet alleen de oproerige soldaten, maar alle Spanjaarden gold; zij achtten zich onder de vijanden hunner natie niet langer veilig en niets was natuurlijker dan dat zij zich tengevolge van dit alles zelven bij den opstand aansloten, die zich hierdoor over het geheele Spaansche leger in de Nederlanden verbreidde.Eindelijk werd aan den opstand een schijn van recht bijgezet, toen ook het eenige Spaansche lid van den Staatsraad, de Roda, uit Brussel naar de citadel van Antwerpen vluchtte. De Roda had het edict tegen de muiters mede onderteekend, doch toen hij bespeurde, dat de Nederlanders alle Spanjaarden met de moordende en plunderende soldaten vereenzelfdigden, achtte hij zich in de hoofdstad niet langer veilig. Na zijn vlucht vaardigde hij bevelschriften uit, waarin hij zich als den eenig rechtmatigen plaatsvervanger des konings in de Nederlanden voordeed en niet geheel ten onrechte, want het viel niet te ontkennen, dat de Staatsraad te Brussel volkomen machteloos was: de Staten van Brabant en de Brusselsche burgers hadden de teugels des bewinds aan zijne zwakke hand ontrukt, zelfs den schijn van macht kon hij niet langer bewaren. Den 5enSeptember werden de leden van den Staatsraad, waarschijnlijk op geheime aansporing van den prins van Oranje, door de Heeren van Heze en van Glimes gevangengenomen. Men stelde hen wel spoedig in vrijheid, maar hun aanzien en invloed waren geheel verdwenen.Reeds vóór de inhechtenisneming van den Staatsraad had eene andere revolutionaire handeling in de Nederlanden haar beslag gekregen: de Staten der meeste provinciën hadden geheime onderhandelingen aangeknoopt met den prins van Oranje, die ernstig bij hen er op aandrong, dat zij zich met Holland en Zeeland tot een vast bondgenootschap tegen de Spaansche dwingelandij zouden vereenigen. Hij stelde den Staten voor, een algemeene vergadering bijeen te roepen, die over dat bondgenootschap beraadslagen en daaromtrent een besluit nemen zou.Al waren de Staten der 15 provinciën aanvankelijk ook niet geneigd om de voorstellen van den prins van Oranje aan te nemen, toch zagen zij spoedig in, hoe dringend noodzakelijk eene vereeniging van de Nederlanders tegen de Spanjaarden was, dewijl de rooverijen der Spaansche soldaten aan het land diepe wonden sloegen.Doch zulk eene vereeniging der gewesten zou thans niet langer uitsluitend tegen muitende soldaten, maar tegen de Spaansche regeering zelve gericht zijn, dewijl alle Spaansche legerhoofden zich bij de oproerlingen hadden aangesloten en de Roda in naam des konings in zekeren zin aan hun hoofd stond.In het midden der maand October 1576 kwam een groot aantal afgevaardigden uit de verschillende gewesten te Gent bijeen, om het door den prins van Oranje voorgestelde congres te houden. Het deelnemen aan de onderhandelingen was voor de leden der vergadering niet zonder gevaar, dewijl de citadel der stad nog in handen der Spanjaarden was, die thans alle Nederlanders zonder onderscheid als vijanden behandelden. Indien het congres in rust en veiligheid beraadslagen wilde, dan moest in de eerste plaats de belangrijke citadel den vijand ontrukt worden. Metdit doel wendden de staten van Vlaanderen zich tot den prins van Oranje met de bede om zijne hulp, welke hij gaarne verleende, hoewel door Brabant en Henegouwen een protest tegen dezen stap werd ingediend.Evenmin als vroeger was het ook thans gemakkelijk, de zeventien gewesten tot eendrachtig handelen te bewegen, dewijl hunne belangen inderdaad zeer verschillend, ja tegenstrijdig waren.Terwijl in Holland en Zeeland de hervorming zóó krachtig om zich gegrepen had, dat daar het Katholicisme bijna geheel verdrongen, ja, tegen de bedoelingen en bevelen van den prins van Oranje in, dikwijls bloedig vervolgd was, voerde de katholieke godsdienst in de overige provinciën nog altijd den boventoon en natuurlijk vreesden zelfs zulke katholieken, die onverzoenlijke tegenstanders der inquisitie waren, toch de heerschappij der protestanten, dewijl de katholieken in protestantsche landen dikwijls wreed vervolgd werden. In de 15 provinciën trof men bovendien nog een machtigen adel aan, die warme sympathie koesterde voor de monarchie, zelfs voor die van Philips II, en die de democratische richting van het Calvinisme uit den grond des harten haatte; bovendien was er daar eene talrijke bevolking van Waalschen stam, die een zekeren afkeer koesterde van de Germaansche Hollanders en Zeeuwen, wier taal en zeden hun vreemd waren. Aan den anderen kant waren alle Nederlandsche provinciën één, zoowel in hun haat tegen de overmoedige en bloeddorstige Spanjaarden, als in den wensch om de aloude vrijheden des lands te herkrijgen, en hare eensgezindheid werd nog versterkt door de Spanjaarden zelven, die zich met elken dag aan grooter gewelddadigheden schuldig maakten.Den 20enOctober namen de Spanjaarden de stad Maastricht, waaruit zij door de met de burgerij verbondene Duitsche troepen verdreven waren, weder in. Bij het bestormen van de stad hadden zij een goed middel uitgevonden om zich tegen de uitwerking van de vuurwapens der burgerij te beveiligen. Elke Spanjaard greep eene der in den omtrek en in de voorstad gevangen genomen vrouwen en meisjes en hield die als schild voor zich, terwijl hij op de Maasbrug aanrukte. Door dit laaghartig middel was het den Spanjaarden gelukt, de verdedigers schier weerloos te maken, zij heroverden de stad en richtten daar een inderdaad ontzettend bloedbad aan.De plundering van Maastricht was slechts het voorspel van eene nog afschuwelijker daad, van de plundering van Antwerpen.Antwerpen was in die dagen eene der rijkste en belangrijkste handelssteden der wereld, de daar opgestapelde schatten prikkelden natuurlijk de roofzucht der op buit beluste Spanjaarden.De Staten van Brabant en de burgerij van Antwerpen waren met reden beducht, dat de stad het doelwit van een aanslag worden zou. Wel had de graaf van Oberstein, de bevelhebber der Duitsche huurtroepen, met Sancho d’Avila, den kommandant der citadel, eene overeenkomst gesloten, waarbij beide partijen beloofd hadden, onzijdig te blijven, maar het was te voorzien, dat dit verdrag door de Spanjaarden geschonden zou worden, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. De Staten van Brabant zonden daarom eene kleine hulpbende naar Antwerpen onder bevel van den jongen graaf van Egmond en den markgraaf van Havrech, den broeder van den hertog van Aerschot.Sancho d’Avila versterkte zich van zijnen kant met Spaansche hulptroepen, die hij van alle zijden tot zich trok; ook uit de legerplaats dermuiters te Aalst riep hij 2000 man; deze kwamen onder aanvoering van hunnen eletto, bezield door den vurigen wensch om de rijke handelsstad te plunderen.Den 4enNovember 1576 begon de bloedige strijd tusschen de Spanjaarden en de zwakke bezetting der stad. De burgerij nam daaraan moedig deel, doch daar van hare verdedigers velen tot den vijand overliepen, bezweek zij weldra voor de overmacht der geoefende Spanjaarden, die door de beste generaals, zooals Juliaan Romero en anderen, aangevoerd werden.Antwerpen werd door de Spanjaarden ingenomen. Na de overwinning vierden deze onbeteugeld hun zucht tot moorden en blakeren bot. De rijke, bloeiende stad werd op eene inderdaad barbaarsche wijze verwoest. Ongeveer 1000 gebouwen gingen in vlammen op, niet minder dan 800 inwoners van Antwerpen verloren, voor een klein gedeelte gedurende het gevecht, doch verreweg de meesten onder de plundering, het leven. Met kanibaalsche woede stelden de Spanjaarden hunne weerlooze gevangenen, vrouwen en kinderen, aan de vreeselijkste martelingen bloot, ten einde hen tot het aanwijzen van verborgen schatten te dwingen.De pen weigert de onmenschelijke wreedheden te beschrijven, waaraan de bloeddorstige overwinnaars zich in den nacht na den strijd en gedurende den daarop volgenden dag schuldig maakten; zij hielden hier nog vreeselijker huis dan zij in eene stormenderhand veroverde stad plachten te doen. Onnoemlijke sommen vielen den plunderaars in handen; menig gemeen soldaat raapte in die dagen aanzienlijke schatten bijeen, welke hij binnen ongeloofelijk korten tijd weer bij kroes en spel verkwistte. Nog grooter schatten werden een prooi der vlammen. Zoo vreeselijk was de verwoesting, dat de bloei der rijke handelsstad, die nooit weer haar vroegeren trap van welvaart bereikte, van dezen tijd af geknakt was. De naam „Spaansche furie”, door het volk aan deze gebeurtenis gegeven, was waarlijk niet onverdiend.De staatsraad de Roda, die, gelijk wij verhaalden, na zijne vlucht uit Brussel zich alle gezag in de Nederlanden in naam van den afwezigen koning aangematigd had, juichte over de verwoesting van Antwerpen en over de schitterende overwinning, door zijne landgenooten behaald. Hij prees Sancho d’Avila, Juliaan Romero en de overige aanvoerders der plunderaars en aan koning Philips II schreef hij: „Ik breng Uwe Majesteit mijn warmsten gelukwensch over deze zegepraal, zij is waarlijk groot. Het der stad overkomen onheil is onoverzienbaar.”Weinig vermoedde hij, dat de schandelijke overwinning de oorzaak van een niet minder schandelijke nederlaag worden zou.Hadden tot dusver op het congres te Gent de afgevaardigden der verschillende Staten het niet eens kunnen worden over een verbond met Holland en Zeeland, de in opstand verkeerende provinciën, thans werden zij door de macht der omstandigheden daartoe gedwongen. Dewijl de Spanjaarden elken Nederlander als hun geboren vijand beschouwden, dewijl zij zonder te letten op godsdienstige belijdenis of stand, zoowel de katholieken, ja zelfs de katholieke geestelijken als de protestanten, zoowel de edelen als de burgers en boeren vermoordden, moesten wel alle Nederlanders de handen tegen hunne gezworen vijanden ineenslaan. Het bloedbad van Antwerpen, de wijze toegevendheid van den prins van Oranje en de welsprekendheid van Aldegonde ruimden alle hinderpalen uit denweg en den 8enNovember werd het verbond, de beroemde pacificatie van Gent, gesloten.De 17 gewesten verbonden zich daarbij om de vreemde troepen van den Nederlandschen bodem te verdrijven. Verder werd bepaald dat de Staten-Generaal bijeen zouden geroepen worden, om orde op alle zaken te stellen. In afwachting van hunne beslissing zou in alle gewesten, met uitzondering van Holland en Zeeland, de katholieke godsdienst de heerschende blijven, doch den protestanten vrijheid van geweten worden toegestaan. Eene algemeene amnestie, vrijheid voor de uitgewekenen om terug te keeren, erkenning van den prins van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland, terugbetaling van de sommen, door den prins ter bevrijding van het land voorgeschoten, ziedaar de voornaamste punten van het belangrijke verdrag, dat in naam van den prins van Oranje door Aldegonde en voor de 15 provinciën door Elbertus Leoninus en andere afgevaardigden onderteekend werd.De pacificatie van Gent werd door het geheele land, in alle steden en dorpen afgekondigd. Groot was de blijdschap, welke zij verwekte en de vreugde werd nog verhoogd door de tijding, dat Zierikzee door de prinsgezinden hernomen was! Mondragon had zich na den aftocht der muitende troepen niet langer in de vesting kunnen staande houden.
De Nederlanden. Treurige toestand der provinciën. Bevestiging van de Unie tusschen Holland en Zeeland. Mislukte poging tot ontzet van Zierikzee. Dood van Lodewijk van Boisot. Val van Zierikzee. Opstand der Spanjaarden. Zwak bewind van den Staatsraad. De Spaansche muiters te Aalst. Opstand van het geheele Spaansche leger. De Roda. De Staatsraad in hechtenis genomen. Vergadering der Staten te Gent. Moeilijkheden bij de onderhandelingen. Maastricht en Antwerpen door de Spaansche muiters geplunderd. Gevolgen van het bloedbad te Antwerpen. De pacificatie van Gent.
De Nederlanden. Treurige toestand der provinciën. Bevestiging van de Unie tusschen Holland en Zeeland. Mislukte poging tot ontzet van Zierikzee. Dood van Lodewijk van Boisot. Val van Zierikzee. Opstand der Spanjaarden. Zwak bewind van den Staatsraad. De Spaansche muiters te Aalst. Opstand van het geheele Spaansche leger. De Roda. De Staatsraad in hechtenis genomen. Vergadering der Staten te Gent. Moeilijkheden bij de onderhandelingen. Maastricht en Antwerpen door de Spaansche muiters geplunderd. Gevolgen van het bloedbad te Antwerpen. De pacificatie van Gent.
Indien wij ons den toestand der in opstand verkeerende provinciën voor den geest roepen, dan bieden zij ons een hoogst treurig schouwspel aan.
Het land verkeerde in den uitersten nood. De lange, hardnekkige strijd had zelfs den meest welvarende bijna arm gemaakt, de velden lagen braak, bijna overal had men gebrek aan zaaikoren, aan vee en aan geld om het aan te koopen. Het doorsteken van de dijken had aan het bouwland onnoemlijke schade toegebracht. Nog had men de dijken niet weder geheel kunnen dicht maken bij gebrek aan geld en aan werkkrachten, bij elken storm werd dus het land bedreigd met eene zeer ongewenschte overstrooming, die het geheel aan den ondergang prijsgeven kon.
Voeg hierbij de treurige gebeurtenissen op het oorlogstooneel: Noord- en Zuid-Holland van elkaar gescheiden door de vesting Haarlem, die nog in het bezit der Spanjaarden was; Amsterdam, de hoofdstad van het kleine land, insgelijks in handen van den vijand; Zierikzee belegerd en zelfs de tot dusver onbetwiste heerschappij ter zee door de laatste gebeurtenissen in de waagschaal gesteld. Inderdaad, de toestand der Hollanders was bijna wanhopig en wij gevoelen eene innige bewondering voor die koene verdedigers van de Nederlandsche vrijheid, die in weerwil van aldeze tegenspoeden den moed niet verloren, ja die juist in dezen treurigen tijd het waagden, de Unie tusschen Holland en Zeeland door eene nieuwe bondsacte den 25enApril 1576 te Delft te bevestigen en den prins van Oranje eene schier onbeperkte macht op te dragen.
Oranje’s eerste zorg moest nu zijn, Zierikzee te ontzetten. Deze plaats was belangrijk als hoofdstad van het eiland Schouwen en als sleutel van half Zeeland. Lodewijk van Boisot, de dappere admiraal, die zich door het ontzet van Leiden zulk een hoogen roem verworven had, ontving bevel om de Spaansche belegeraars aan te tasten. Hij aanvaardde die onderneming tegen het einde van Mei, maar het geluk was hem niet gunstig. De geuzen werden teruggeslagen en Lodewijk van Boisot verloor het leven bij dezen mislukten aanslag.
De belegerden moesten alle hoop op ontzet opgeven: den 21enJuni sloten zij met den Spaanschen bevelhebber Mondragon, die het beleg bestuurde, eene eervolle capitulatie, welker voorwaarden ditmaal bij uitzondering door de Spanjaarden nagekomen werden.
De val dezer belangrijke vesting scheen het ongeluk der prinsgezinden ten top te voeren, maar ziet, wat niemand verwacht had, geschiedde: juist van deze gebeurtenis dagteekende eene gunstiger wending der zaken voor de Nederlanders.
De Spaansche soldaten hadden juist op dit oorlogstooneel zulke schitterende bewijzen van hunne dapperheid geleverd, dat zij zich thans meer dan ooit gerechtigd achtten om eindelijk op betaling van hunne achterstallige soldij aan te dringen. Toen deze eisch door de officieren niet vervuld werd, dewijl hij uit gebrek aan geld niet vervuld kon worden, kwamen zij in opstand. Te vergeefs poogde de anders zoo hoog door hen vereerde Mondragon hen tot gehoorzaamheid terug te brengen, zij verklaarden, dat zij geene woorden maar geld verlangden en toen dit hun niet uitbetaald werd, kozen zij volgens hunne gewoonte een eletto en trokken, dewijl zij in het arme door den oorlog uitgeputte land hun gelddorst niet konden bevredigen door het uitplunderen van de inwoners, naar het rijke Brabant, met het plan om zich van de eene of andere groote stad meester te maken.
Welke gewichtige gevolgen deze soldatenopstand voor de ontwikkeling der Nederlandsche vrijheid gehad heeft, zullen wij straks zien.
Requesens was zoo onverwacht gestorven, dat hij geen tijd had gehad om een opvolger te benoemen; volgens het gewoonterecht nam derhalve de Staatsraad de teugels van het bewind in handen, voorshands oogenschijnlijk met gunstig gevolg, dewijl hij nergens eenigen tegenstand ontmoette en ook de Spaansche soldaten zijne bevelen gehoorzaamden.
Ook Philips II keurde deze handeling goed, daar hij nog niet wist, wien hij tot opvolger van Requesens benoemen zou, en nu tijd had om daarover rustig na te denken. Zijne raadslieden waren het daarover niet eens. Granvelle ried, de hertogin van Parma terug te roepen, anderen stemden voor Don Juan d’Austria. Joachim Hopper, de vriend van Viglius, was van oordeel, dat de Nederlanden het best tot onderwerping gebracht zouden worden, indien men aan den Staatsraad, die thans bijna uitsluitend uit Nederlanders was samengesteld, voorloopig de regeering overliet, en Philips II volgde dezen raad.
In weerwil van den aanvankelijk goeden uitslag zijner pogingen was de Staatsraad toch volstrekt niet geschikt om de Nederlanden te besturen.De Spaansche officieren mistrouwden hem, omdat slechts een enkele Spanjaard, Hieronymus de Roda, daarin zitting en stem had; de Nederlanders van hunnen kant schatten hunne landgenooten niet hooger dan de Spanjaarden, omdat het lieden waren, die zich eenmaal tot blinde werktuigen van Alba hadden verlaagd. Welke achting konden zij ook voor Barlaimont en Viglius koesteren? Ook de hertog van Aerschot, het aanzienlijkst lid van den Staatsraad, die uit het vorstelijke huis van Croy afstamde, boezemde noch door zijn verleden, noch door zijn karakter vertrouwen in.
Zoo lang er geene bijzondere voorvallen plaats grepen, kon de Staatsraad wel het bewind voeren, doch bij den eersten storm den besten moest zijne onmacht, die door oneenigheid in eigen boezem nog vermeerderd werd, aan den dag komen.
Een zoo scherpzinnig staatsman als Willem van Oranje kon zulk eene gelegenheid om zijn doelwit nader te komen, niet ongebruikt laten. Hij knoopte verstandhouding met al die invloedrijke edelen aan, van wie hij geloofde, dat zij nog eenig gevoel voor de vrijheid van hun vaderland hadden overgehouden, hij schreef aan hen, zoowel aan katholieken als aan protestanten, en spoorde hen aan om van dezen gunstigen oogenblik tot verdrijving van de Spanjaarden partij te trekken. Nu of nooit was het daartoe de rechte tijd. Hij verzekerde plechtig, dat het den Hollanders en Zeeuwen nooit in den zin gekomen was, de katholieke godsdienst als zoodanig te bestrijden, dat hun eenig doel was geweest hunne eigene gewetensvrijheid te verdedigen, zich van de inquisitie te ontslaan en de oude bezworen privilegiën des lands te handhaven.
Deze aansporingen bleven niet zonder gevolg. De edelen, ook in de overwegend katholieke provinciën, helden meer en meer tot de zijde van den prins van Oranje over en zij werden jegens hem nog gunstiger gestemd, toen eensklaps een opstand der Spaansche soldaten alle Nederlanders op nieuw met een gemeenschappelijk gevaar bedreigde.
De muiters waren van het eiland Schouwen naar Brabant vertrokken, hun aantal was onderweg nog aangegroeid, zoodat zij reeds over eene aanzienlijke macht beschikten. Hun plan was, zich van de stad Mechelen meester te maken, doch dit gelukte hun niet. Plunderend trokken zij het land door, tot voor de poorten van Brussel; doch dewijl zij zich te zwak gevoelden om de hoofdstad aan te grijpen, wendden zij zich tegen Aalst, halverwege tusschen Brussel en Gent. Hier sloegen zij hun hoofdkwartier op en brandschatten van hier uit Brabant en Vlaanderen.
Zij hielden huis, alsof zij zich in vijandelijk land bevonden; 170 dorpen werden door hen in de eerstvolgende dagen geplunderd. De bevelen van den Staatsraad om tot gehoorzaamheid terug te keeren, beantwoordden zij met smaad en hoon.
Groot was de verontwaardiging binnen Brussel over de schandelijke handelingen der vreemde soldaten. De burgers grepen naar de wapens om zich te verdedigen, zij eischten van den Staatsraad gestrenge maatregelen tegen de muiters en zij zetten hunnen wil door.
Den 26enJuli 1576 werden de muiters door den Staatsraad als verraders en moordenaars vogelvrij verklaard en de burgers opgeroepen om zich tegen hen te verdedigen, ja hen, hetzij afzonderlijk, hetzij in massa, te dooden, waar zij hen aantroffen. Dit edict werd in alle steden en dorpen van Brabant en Vlaanderen afgekondigd.
Hadden de aanzienlijkste Spaansche officieren tot dusver geen deel aan den soldatenopstand genomen, thans namen zij eene andere houding aan. Zij konden het niet dulden, dat een burgerlijk bestuur, hetwelk zij minachtten, het Spaansche leger vogelvrij verklaard had. Zij bemerkten bovendien maar al te goed, dat de haat der Nederlanders niet alleen de oproerige soldaten, maar alle Spanjaarden gold; zij achtten zich onder de vijanden hunner natie niet langer veilig en niets was natuurlijker dan dat zij zich tengevolge van dit alles zelven bij den opstand aansloten, die zich hierdoor over het geheele Spaansche leger in de Nederlanden verbreidde.
Eindelijk werd aan den opstand een schijn van recht bijgezet, toen ook het eenige Spaansche lid van den Staatsraad, de Roda, uit Brussel naar de citadel van Antwerpen vluchtte. De Roda had het edict tegen de muiters mede onderteekend, doch toen hij bespeurde, dat de Nederlanders alle Spanjaarden met de moordende en plunderende soldaten vereenzelfdigden, achtte hij zich in de hoofdstad niet langer veilig. Na zijn vlucht vaardigde hij bevelschriften uit, waarin hij zich als den eenig rechtmatigen plaatsvervanger des konings in de Nederlanden voordeed en niet geheel ten onrechte, want het viel niet te ontkennen, dat de Staatsraad te Brussel volkomen machteloos was: de Staten van Brabant en de Brusselsche burgers hadden de teugels des bewinds aan zijne zwakke hand ontrukt, zelfs den schijn van macht kon hij niet langer bewaren. Den 5enSeptember werden de leden van den Staatsraad, waarschijnlijk op geheime aansporing van den prins van Oranje, door de Heeren van Heze en van Glimes gevangengenomen. Men stelde hen wel spoedig in vrijheid, maar hun aanzien en invloed waren geheel verdwenen.
Reeds vóór de inhechtenisneming van den Staatsraad had eene andere revolutionaire handeling in de Nederlanden haar beslag gekregen: de Staten der meeste provinciën hadden geheime onderhandelingen aangeknoopt met den prins van Oranje, die ernstig bij hen er op aandrong, dat zij zich met Holland en Zeeland tot een vast bondgenootschap tegen de Spaansche dwingelandij zouden vereenigen. Hij stelde den Staten voor, een algemeene vergadering bijeen te roepen, die over dat bondgenootschap beraadslagen en daaromtrent een besluit nemen zou.
Al waren de Staten der 15 provinciën aanvankelijk ook niet geneigd om de voorstellen van den prins van Oranje aan te nemen, toch zagen zij spoedig in, hoe dringend noodzakelijk eene vereeniging van de Nederlanders tegen de Spanjaarden was, dewijl de rooverijen der Spaansche soldaten aan het land diepe wonden sloegen.
Doch zulk eene vereeniging der gewesten zou thans niet langer uitsluitend tegen muitende soldaten, maar tegen de Spaansche regeering zelve gericht zijn, dewijl alle Spaansche legerhoofden zich bij de oproerlingen hadden aangesloten en de Roda in naam des konings in zekeren zin aan hun hoofd stond.
In het midden der maand October 1576 kwam een groot aantal afgevaardigden uit de verschillende gewesten te Gent bijeen, om het door den prins van Oranje voorgestelde congres te houden. Het deelnemen aan de onderhandelingen was voor de leden der vergadering niet zonder gevaar, dewijl de citadel der stad nog in handen der Spanjaarden was, die thans alle Nederlanders zonder onderscheid als vijanden behandelden. Indien het congres in rust en veiligheid beraadslagen wilde, dan moest in de eerste plaats de belangrijke citadel den vijand ontrukt worden. Metdit doel wendden de staten van Vlaanderen zich tot den prins van Oranje met de bede om zijne hulp, welke hij gaarne verleende, hoewel door Brabant en Henegouwen een protest tegen dezen stap werd ingediend.
Evenmin als vroeger was het ook thans gemakkelijk, de zeventien gewesten tot eendrachtig handelen te bewegen, dewijl hunne belangen inderdaad zeer verschillend, ja tegenstrijdig waren.
Terwijl in Holland en Zeeland de hervorming zóó krachtig om zich gegrepen had, dat daar het Katholicisme bijna geheel verdrongen, ja, tegen de bedoelingen en bevelen van den prins van Oranje in, dikwijls bloedig vervolgd was, voerde de katholieke godsdienst in de overige provinciën nog altijd den boventoon en natuurlijk vreesden zelfs zulke katholieken, die onverzoenlijke tegenstanders der inquisitie waren, toch de heerschappij der protestanten, dewijl de katholieken in protestantsche landen dikwijls wreed vervolgd werden. In de 15 provinciën trof men bovendien nog een machtigen adel aan, die warme sympathie koesterde voor de monarchie, zelfs voor die van Philips II, en die de democratische richting van het Calvinisme uit den grond des harten haatte; bovendien was er daar eene talrijke bevolking van Waalschen stam, die een zekeren afkeer koesterde van de Germaansche Hollanders en Zeeuwen, wier taal en zeden hun vreemd waren. Aan den anderen kant waren alle Nederlandsche provinciën één, zoowel in hun haat tegen de overmoedige en bloeddorstige Spanjaarden, als in den wensch om de aloude vrijheden des lands te herkrijgen, en hare eensgezindheid werd nog versterkt door de Spanjaarden zelven, die zich met elken dag aan grooter gewelddadigheden schuldig maakten.
Den 20enOctober namen de Spanjaarden de stad Maastricht, waaruit zij door de met de burgerij verbondene Duitsche troepen verdreven waren, weder in. Bij het bestormen van de stad hadden zij een goed middel uitgevonden om zich tegen de uitwerking van de vuurwapens der burgerij te beveiligen. Elke Spanjaard greep eene der in den omtrek en in de voorstad gevangen genomen vrouwen en meisjes en hield die als schild voor zich, terwijl hij op de Maasbrug aanrukte. Door dit laaghartig middel was het den Spanjaarden gelukt, de verdedigers schier weerloos te maken, zij heroverden de stad en richtten daar een inderdaad ontzettend bloedbad aan.
De plundering van Maastricht was slechts het voorspel van eene nog afschuwelijker daad, van de plundering van Antwerpen.
Antwerpen was in die dagen eene der rijkste en belangrijkste handelssteden der wereld, de daar opgestapelde schatten prikkelden natuurlijk de roofzucht der op buit beluste Spanjaarden.
De Staten van Brabant en de burgerij van Antwerpen waren met reden beducht, dat de stad het doelwit van een aanslag worden zou. Wel had de graaf van Oberstein, de bevelhebber der Duitsche huurtroepen, met Sancho d’Avila, den kommandant der citadel, eene overeenkomst gesloten, waarbij beide partijen beloofd hadden, onzijdig te blijven, maar het was te voorzien, dat dit verdrag door de Spanjaarden geschonden zou worden, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. De Staten van Brabant zonden daarom eene kleine hulpbende naar Antwerpen onder bevel van den jongen graaf van Egmond en den markgraaf van Havrech, den broeder van den hertog van Aerschot.
Sancho d’Avila versterkte zich van zijnen kant met Spaansche hulptroepen, die hij van alle zijden tot zich trok; ook uit de legerplaats dermuiters te Aalst riep hij 2000 man; deze kwamen onder aanvoering van hunnen eletto, bezield door den vurigen wensch om de rijke handelsstad te plunderen.
Den 4enNovember 1576 begon de bloedige strijd tusschen de Spanjaarden en de zwakke bezetting der stad. De burgerij nam daaraan moedig deel, doch daar van hare verdedigers velen tot den vijand overliepen, bezweek zij weldra voor de overmacht der geoefende Spanjaarden, die door de beste generaals, zooals Juliaan Romero en anderen, aangevoerd werden.
Antwerpen werd door de Spanjaarden ingenomen. Na de overwinning vierden deze onbeteugeld hun zucht tot moorden en blakeren bot. De rijke, bloeiende stad werd op eene inderdaad barbaarsche wijze verwoest. Ongeveer 1000 gebouwen gingen in vlammen op, niet minder dan 800 inwoners van Antwerpen verloren, voor een klein gedeelte gedurende het gevecht, doch verreweg de meesten onder de plundering, het leven. Met kanibaalsche woede stelden de Spanjaarden hunne weerlooze gevangenen, vrouwen en kinderen, aan de vreeselijkste martelingen bloot, ten einde hen tot het aanwijzen van verborgen schatten te dwingen.
De pen weigert de onmenschelijke wreedheden te beschrijven, waaraan de bloeddorstige overwinnaars zich in den nacht na den strijd en gedurende den daarop volgenden dag schuldig maakten; zij hielden hier nog vreeselijker huis dan zij in eene stormenderhand veroverde stad plachten te doen. Onnoemlijke sommen vielen den plunderaars in handen; menig gemeen soldaat raapte in die dagen aanzienlijke schatten bijeen, welke hij binnen ongeloofelijk korten tijd weer bij kroes en spel verkwistte. Nog grooter schatten werden een prooi der vlammen. Zoo vreeselijk was de verwoesting, dat de bloei der rijke handelsstad, die nooit weer haar vroegeren trap van welvaart bereikte, van dezen tijd af geknakt was. De naam „Spaansche furie”, door het volk aan deze gebeurtenis gegeven, was waarlijk niet onverdiend.
De staatsraad de Roda, die, gelijk wij verhaalden, na zijne vlucht uit Brussel zich alle gezag in de Nederlanden in naam van den afwezigen koning aangematigd had, juichte over de verwoesting van Antwerpen en over de schitterende overwinning, door zijne landgenooten behaald. Hij prees Sancho d’Avila, Juliaan Romero en de overige aanvoerders der plunderaars en aan koning Philips II schreef hij: „Ik breng Uwe Majesteit mijn warmsten gelukwensch over deze zegepraal, zij is waarlijk groot. Het der stad overkomen onheil is onoverzienbaar.”
Weinig vermoedde hij, dat de schandelijke overwinning de oorzaak van een niet minder schandelijke nederlaag worden zou.
Hadden tot dusver op het congres te Gent de afgevaardigden der verschillende Staten het niet eens kunnen worden over een verbond met Holland en Zeeland, de in opstand verkeerende provinciën, thans werden zij door de macht der omstandigheden daartoe gedwongen. Dewijl de Spanjaarden elken Nederlander als hun geboren vijand beschouwden, dewijl zij zonder te letten op godsdienstige belijdenis of stand, zoowel de katholieken, ja zelfs de katholieke geestelijken als de protestanten, zoowel de edelen als de burgers en boeren vermoordden, moesten wel alle Nederlanders de handen tegen hunne gezworen vijanden ineenslaan. Het bloedbad van Antwerpen, de wijze toegevendheid van den prins van Oranje en de welsprekendheid van Aldegonde ruimden alle hinderpalen uit denweg en den 8enNovember werd het verbond, de beroemde pacificatie van Gent, gesloten.
De 17 gewesten verbonden zich daarbij om de vreemde troepen van den Nederlandschen bodem te verdrijven. Verder werd bepaald dat de Staten-Generaal bijeen zouden geroepen worden, om orde op alle zaken te stellen. In afwachting van hunne beslissing zou in alle gewesten, met uitzondering van Holland en Zeeland, de katholieke godsdienst de heerschende blijven, doch den protestanten vrijheid van geweten worden toegestaan. Eene algemeene amnestie, vrijheid voor de uitgewekenen om terug te keeren, erkenning van den prins van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland, terugbetaling van de sommen, door den prins ter bevrijding van het land voorgeschoten, ziedaar de voornaamste punten van het belangrijke verdrag, dat in naam van den prins van Oranje door Aldegonde en voor de 15 provinciën door Elbertus Leoninus en andere afgevaardigden onderteekend werd.
De pacificatie van Gent werd door het geheele land, in alle steden en dorpen afgekondigd. Groot was de blijdschap, welke zij verwekte en de vreugde werd nog verhoogd door de tijding, dat Zierikzee door de prinsgezinden hernomen was! Mondragon had zich na den aftocht der muitende troepen niet langer in de vesting kunnen staande houden.
Dertiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Benoeming van don Juan van Oostenrijk tot Gouverneur-Generaal der Nederlanden. Zijne avontuurlijke reis. Zijne aankomst te Luxemburg. Stormachtige onderhandelingen met de Staten. De Unie van Brussel. Don Juan’s toegevendheid.Het eeuwig edict. Weigering van den prins van Oranje om het eeuwig edict te erkennen. Don Juan’s kunst om zich bemind te maken. Zijne vruchtelooze pogingen om Willem van Oranje voor zich te winnen. Verwijdering van de Spaansche troepen. Erkenning van don Juan als Gouverneur-Generaal. Zijn plechtige intocht binnen Brussel. Vruchtelooze onderhandelingen van don Juan met den prins van Oranje. Nieuwe vervolging van de ketters. De Johannisten. Namen door don Juan bezet. Verijdelde overrompeling van Antwerpen. Het volk staat tegen don Juan op. De citadel van Antwerpen verwoest. Zegetocht van Willem van Oranje naar Brussel. Kuiperijen van den hertog van Aerschot en de katholieke edelen. De aartshertog Matthias in het land geroepen. Wijze staatkunde van Oranje. Zijne benoeming tot Ruwaard van Brabant.Philips II had lang met de benoeming van een landvoogd over de Nederlanden getalmd, doch eindelijk, toen door de zwakheid van den Staatsraad de koninklijke macht meer en meer ondermijnd werd, had hijwel een besluit moeten nemen: de overwinnaar van Granada, de held van Lepanto, don Juan d’ Austria (of van Oostenrijk, gelijk hij in de Nederlandsche geschiedenis heet en ook wij hem voortaan zullen noemen) werd uitverkoren om het opgestane land tot onderwerping te brengen, met den last om den vrede tot elken prijs te herstellen, doch natuurlijk zonder aan de koninklijke macht of aan de heerschappij der katholieke kerk eenige afbreuk te doen.Toen don Juan het bericht van zijne benoeming tot Gouverneur-Generaal der Nederlanden ontving, bevond hij zich in Italië. Den op avonturen belusten keizerszoon was deze nieuwe waardigheid hoogst welkom, dewijl hij daarin een middel zag om zijne eerzuchtige plannen te verwezenlijken. Uit de Nederlanden kon hij eene landing in Engeland beproeven, tot bereiking van dit doel stond een dapper en geoefend leger tot zijne beschikking,—eene gouden koningskroon wenkte hem in het verschiet.Aan de hinderpalen en bezwaren, welke hij nog te overwinnen zou hebben, dacht hij niet; hij achtte het eene lichte zaak, de Nederlanders òf door goedheid te winnen òf met geweld ten onder te brengen; met al den blijden moed en met al de vermetele zucht naar avonturen, den jeugdigen leeftijd eigen, aanvaardde hij het hem opgedragen werk.Hij brandde zoozeer van begeerte om zijn ambt te aanvaarden, dat hij niet besluiten kon, den omweg over Spanje te maken, ten einde nauwkeuriger instructies te bekomen. Hij reisde onmiddellijk door Frankrijk naar de Nederlanden, slechts door zijn vriend Octavio Gonzaga en zes gewapende dienaars vergezeld.De reis was niet zonder gevaar. Don Juan moest vreezen door de Fransche Hugenooten herkend en aangehouden te worden: daarom maakte hij zich door eene vermomming onkenbaar. Als een Moorsche slaaf van Gonzaga uitgedost trok hij door Frankrijk, en zoo kwam hij den 3enNovember 1576, kort voor het bloedbad te Antwerpen, te Luxemburg aan, waar hij zijne vermomming afwierp.Voor den prins van Oranje was de aankomst van den nieuwen gouverneur-generaal een harde slag. Hij vreesde, dat Don Juan, de zoon des keizers, wiens aandenken bij een groot deel der katholieke bevolking in eere gehouden werd, zich weldra een ongewenschten invloed verwerven en den lossen, ter nauwernood om de provinciën geslingerden band der vereeniging weer ontsnoeren zou. Juist Don Juan van Oostenrijk scheen bijzonder geschikt om zich de liefde der katholieke bevolking te verwerven. Zijn roem als zegevierend veldheer en als voorvechter der katholieke godsdienst tegen de vijanden der Christenheid, zijne hooge afkomst en zijne schoonheid en beminlijkheid maakten hem ongetwijfeld tot den gevaarlijksten vijand der Nederlandsche vrijheid.Zoodra Willem van Oranje het bericht van Don Juan’s aankomst te Luxemburg ontving, wendde hij onverwijld al de gaven zijner welsprekendheid aan om den nieuwen gouverneur-generaal tegen te werken. Hij waarschuwde de Staten-Generaal tegen eene dwaze toegevendheid; door bedriegelijke beloften, door gehuichelde welwillendheid—zeide hij—zou Don Juan trachten de Nederlanders om den tuin te leiden. Ontbrak hem voorshands de macht om de eischen des konings met geweld door te zetten, dan zou hij zoolang de toevlucht nemen tot leugen en huichelarij, totdat hij de Nederlanders in slaap gewiegd had, om hun dan eensklaps op het lijf te vallen. Veel bloed zou er gespaard worden, indien men Don Juangevangen nam en als gijzelaar behield, ten einde Philips II hierdoor tot inwilliging van de eischen der Nederlanders te dwingen. Doch in elk geval moesten de Staten-Generaal aan de pacificatie van Gent trouw blijven en zoolang weigeren den gouverneur-generaal te huldigen, totdat alle Spaansche soldaten uit het land verdreven en zoowel de rechten en vrijheden der Nederlanders als de pacificatie van Gent door don Juan erkend waren. Aan beloften en schoone woorden, die zeker in overvloed ten beste zouden gegeven worden, mochten zij geen geloof slaan.Zoover als de prins van Oranje wenschte, gingen de Staten niet. Zij konden niet besluiten, den nieuwen gouverneur-generaal te overvallen en gevangen te nemen, doch zij waren wel bereid om overigens bij de onderhandelingen met don Juan den raad van Oranje te volgen, en zonden met dat doel afgevaardigden naar Luxemburg.De afgevaardigden spraken, toen zij bij don Juan waren toegelaten, in niet zeer eerbiedige bewoordingen hun afkeer van de Spaansche heerschappij uit. Eén hunner ging zóó ver te verklaren, dat de Nederlanders niets meer van de regeering van Philips II wilden weten, doch dat don Juan, indien hij op eigen gezag de regeering aanvaardde, de rechten en vrijheden der provinciën en de pacificatie van Gent bekrachtigde, door het geheele volk met blijdschap als vorst begroet zou worden.Don Juan was zoo verontwaardigd over het denkbeeld, dat men hem tot zulk een verraad jegens zijn broeder en koning in staat achtte, dat hij zijn dolk trok en den gezant vermoord zou hebben, wanneer zijn gevolg die daad niet verhinderd had.Na dit onstuimig tooneel werden de onderhandelingen voortgezet, doch zij leidden niet tot eenige uitkomst, hoewel don Juan zich meer geneigd betoonde om den volkswensch tegemoet te komen dan een der vroegere vertegenwoordigers des konings gedaan had. Hij verklaarde zich bereid om de Spaansche soldaten uit het land te verwijderen (hij wenschte immers zelf deze tot verwezenlijking van zijne plannen aan te wenden), ook de pacificatie van Gent wilde hij erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat men voldoende waarborgen gaf voor de heerschappij der katholieke kerk in het geheele land en voor de handhaving van het gezag Zijner Majesteit den koning van Spanje. Desgelijks beloofde hij, de Staten-Generaal officieel bijeen te roepen, maar eerst nadat hij zekerheid zou hebben verkregen, dat zij niets tegen de heilige katholieke kerk of tegen den koning besluiten zouden.Niets dan beloften en schoone woorden! Willem van Oranje had niet ten onrechte daarvoor gewaarschuwd. De Staten wilden, dat don Juan onvoorwaardelijk hunne eischen zou inwilligen, alleen dan zouden zij bereid zijn om hem als gouverneur-generaal te erkennen: de onderhandelingen vorderden dus niet.De overtuiging, dat het voor de welvaart der Nederlanders dringend noodzakelijk was, zich waarborgen tegen de gewelddadigheden der Spanjaarden te verschaffen, had reeds in den boezem van het geheele volk diepe wortelen geschoten. Zelfs de hertog van Aerschot, Barlaimont en andere ijverige katholieken en vroeger trouwe aanhangers van Philips II zagen dit in en drongen op de onvoorwaardelijke handhaving der Gentsche pacificatie aan. Ten einde bij het volk een hechter steun te vinden, sloten zij in het begin van Januari 1577 de beroemde Unie van Brussel, eene oorkonde, waarin de onderteekenaars zich verbonden om te bewerken, dat de Spaansche krijgsmachtuit het land verdreven, de pacificatie van Gent bevestigd, dat de katholieke godsdienst en het recht des konings, maar ook de vrijheid van het vaderland gehandhaafd zou worden.Dit stuk werd in het geheele land verspreid en met duizenden handteekeningen bedekt; edelen, priesters en burgers onderteekenden het bereidwillig.Don Juan van Oostenrijk verkeerde tegenover deze eendrachtige gezindheid der geheele bevolking in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. Alleen door toegevendheid kon hij het zoover brengen, dat de Nederlanders hem als gouverneur-generaal erkenden, dewijl hem de macht ontbrak om hen hiertoe met geweld te noodzaken. Hij knoopte nieuwe onderhandelingen met een gezantschap der Staten-Generaal aan.Weer had er eene stormachtige bijeenkomst plaats, waarin Don Juan in hevigen toorn opstoof en de afgezanten voor verraders schold, dewijl zij onwrikbaar en met zeer weinig eerbied voor het koninklijk gezag de eischen des volks handhaafden. Reeds maakte het gezantschap zich tot vertrekken gereed, toen don Juan—waarschijnlijk door den hertog van Aerschot en den bisschop van Luik zachter gestemd—gedurende den nacht van meening veranderde. Hij verklaarde, dat hij de pacificatie van Gent wilde goedkeuren, wanneer door mannen van gezag in kerk en staat bewezen werd, dat zij geene nadeelige bepalingen voor de katholieke kerk en den koning bevatte.Het viel den afgevaardigden der Staten niet moeilijk, dit aan te toonen en nadat dit geschied was, onderteekende don Juan in Februari 1577 het „eeuwig edict”, hetwelk in de hoofdzaak met de bepalingen der Brusselsche Unie overeenstemde. Hij erkende daarin de pacificatie van Gent, beloofde, dat de vreemde troepen verwijderd zouden worden (de Spanjaarden binnen 40 dagen, de Duitsche huurbenden, nadat hunne soldij uitbetaald zou zijn), dat alle gevangenen in vrijheid gesteld en dat alle rechten en vrijheden des lands zouden worden geëerbiedigd.Aan den anderen kant legde het „eeuwig edict” den Staten-Generaal de verplichting op om de katholieke godsdienst te beschermen, en don Juan als gouverneur-generaal te erkennen, zoodra de Spaansche troepen het land zouden verlaten hebben.De prins van Oranje was over die onverwachte toegevendheid van don Juan alles behalve verheugd; indien hij daarop verdacht was geweest, dan zou hij den Staten wellicht nog meer omvattende eischen aangeraden hebben. Hij hield zich overtuigd, dat don Juan slechts een schandelijk spel met het goed vertrouwen en de lichtgeloovigheid der Nederlanders speelde en dat hij zijne beloften schenden zou, zoodra hij zich daartoe machtig genoeg voelde. Ook de bekrachtiging van het eeuwig edict door Philips II kon zijne op eene nauwkeurige kennis van het trouwloos karakter des konings gegronde denkbeelden niet wijzigen. Hij weigerde derhalve, het eeuwig edict aan te nemen en het in Holland en Zeeland af te kondigen.Op dit tijdstip had het intusschen allen schijn, dat het wantrouwen van Willem van Oranje overdreven was en dat don Juan werkelijk van plan was, niet alleen het edict in geheel zijn omvang na te leven, maar ook zijne heerschappij in de Nederlanden niet op geweld, maar op de liefde en het vertrouwen des volks te gronden. Hij gedroeg zich jegens de Nederlanden hoogst genadig en beminlijk. Te Leuven waarheen hij zich na deopenbaarmaking van het edict begaf, bewoog hij zich in het midden der bevolking, zonder bescherming van eene gewapende macht. Hij nam van goeder harte deel aan de volksfeesten, schoot met de burgers naar den vogel en werd zelf schutterkoning. Alle Nederlanders, die tot hem kwamen, werden met opene armen ontvangen en velen kwamen tot hem: de adel verdrong zich om hem heen. Deze wenschte een staatsambt, gene een titel, ieder eene andere onderscheiding te verwerven. Don Juan was jegens allen mild met beloften en betuigingen van zijne gunst. Hij zou gaarne allen door voorkomendheid en omkooping voor zich gewonnen hebben en het liefst van allen den prins van Oranje. „Want deze”—zoo schreef hij aan Philips—„is de loods, die het schip stuurt; hij alleen kan het redden of doen vergaan;—-van hem hangt zoowel de herstelling des vredes als het behoud der katholieke godsdienst en van de gehoorzaamheid jegens uwe majesteit in deze provinciën af.”Den prins van Oranje, wiens beteekenis don Juan in zijn brief aan den koning zoo juist toonde te waardeeren, voor den nieuwen landvoogd te winnen, was voor dezen eene zaak van het hoogste gewicht, ja tot bereiking van dat doel was hem geen offer te groot. Maar Oranje verscheen niet te Leuven, om den keizerszoon het hof te maken, hij knoopte zelfs niet de minste betrekking met dezen aan. Op raad van den hertog van Aerschot zond don Juan derhalve den beroemden doctor Elbertus Leoninus tot den prins, om diens vriendschap door middel van beloften te koopen en hem te verzekeren dat het edict stipt nageleefd worden zou.Vergeefsche moeite! Willem van Oranje liet zich noch door beloften omkoopen, noch zich door betuigingen van vriendschap in slaap sussen. Hij herinnerde Leoninus het lot van Egmond en Hoorne, zoovele geschondene eeden en beloften van eene Margaretha van Parma, van een Alba en van een Philips II. Oranje hield zich derhalve voorzichtig schuil, hij wierp een profetischen blik in de toekomst en zijne overtuiging wankelde niet, zelfs toen don Juan zijne belofte hield, door in de laatste dagen van April 1577 de Spaansche soldaten, onder de luide toejuiching des volks, uit het land te doen vertrekken, en den hertog van Aerschot, die thans voor een ijverig patriot doorging, tot bevelhebber der citadel van Antwerpen benoemde.Nadat don Juan op deze wijze getoond had, dat het hem ernst was met de vervulling van zijne beloften, werd hij als gouverneur-generaal gehuldigd. Den 1enMei 1577 trok hij onder de toejuiching des volks Brussel binnen. De stad was tot zijne ontvangst feestelijk versierd, tallooze eerepoorten waren er opgericht, de overheden en de burgers wedijverden in eerbiedbetuigingen voor des konings plaatsvervanger, die eindelijk in tegenstelling met een Alba en een Requesens gekomen was om in vrede over de Nederlanden te regeeren.Schoone handen wuifden uit alle vensters den vorst een hartelijk welkom toe en strooiden bloemen op zijn weg, eene schaar bekoorlijke jonge meisjes, de dochters van oude en hoog aanzienlijke geslachten, reikten den overwinnaar van Lepanto een lauwerkrans toe.Don Juan ontving al deze bewijzen van hoogachting en liefde met innemende vriendelijkheid. Hij scheen daardoor diep getroffen.De algemeene vreugde was groot, maar—kort van duur!De vriendelijkheid, welke don Juan ten toon spreidde, was niets dan een masker; hij gevoelde zich volstrekt niet gelukkig en vereerd door deze feestelijke ontvangst, welke hij had moeten koopen voor eene toegevendheid,waarover hij zich schaamde, in zijn hart haatte hij de Nederlanders, jegens wie hij zich zoo vriendelijk en beminlijk voordeed.In de zekere overtuiging, dat hij, overwinnaar van Lepanto, de bedwinger van de Mooren, alleen door zijn verschijnen de oproerige provinciën tot onderwerping zou brengen, was hij vol hoop naar de Nederlanden gesneld, om daar—niets dan teleurstellingen te vinden. Te vergeefs had hij al de macht zijner verleidelijke beminlijkheid aangewend, slechts eenige edelen waren voor hem gewonnen, maar geheel de overige bevolking was onwrikbaar op haar stuk blijven staan en had hem eerst nadat door de verwijdering van de Spaansche troepen en de uitvaardiging van het eeuwig edict hare eischen vervuld waren, als vertegenwoordiger des konings gehuldigd.Uit de Nederlanden had don Juan gehoopt, eene landing in Engeland te ondernemen, om Maria Stuart uit hare gevangenschap te verlossen en haar te plaatsen op den troon, dien hij met haar deelen wilde. Daartoe hadden de Spaansche troepen hem moeten dienen, die hij dan inschepen en naar Engeland overvoeren wilde. Doch ook dit plan was verijdeld door den aandrang der Staten, die onverzettelijk de verwijdering van die krijgsmacht over land geëischt en doorgedreven hadden.Don Juan schaamde zich diep over de treurige rol, welke hij, overeenkomstig des konings instructies, in de Nederlanden had moeten spelen, hij brandde van begeerte om in het bloed der gehate Nederlanders den smaad uit te wisschen, welken zijne toegevendheid in zijn eigen oog op hem deed kleven, ja eindelijk langs den weg van openbaar geweld te verkrijgen, wat hij—dat begreep hij zeer goed—van het stijfhoofdige volk nooit door zachtheid verwerven zou: de hernieuwde onderwerping van het geheele volk aan den despotischen wil des konings. Hij smachtte naar den oogenblik, waarin het hem vergund zou zijn, de hem afgedwongene beloften te verbreken.De briefwisseling, door don Juan en zijn vertrouwden raadsman Escovedo met Philips II en diens geheimschrijver Antonie Perez gevoerd, is voor een deel bewaard gebleven. Zij werpt een helder en verrassend licht op het karakter en de gezindheid van den door velen bewonderden don Juan van Oostenrijk. Hij noemt daarin de Nederlanden een afschuwelijk land van dronkaards, verraders en muiters, hij verlangt, terwijl hij zich jegens hen zoo vriendelijk gedraagt, aanhoudend geld uit Spanje, om hen te tuchtigen.Escovedo, die zonder don Juan’s toestemming geen letter op het papier zette, schrijft aan Perez, dat men de Spaansche troepen niet te ver verwijderen moest, dat het ’t beste zou zijn hen in Frankrijk te gebruiken tot verdediging van het katholieke geloof, opdat ze bij de hand zouden zijn, wanneer het er op aan kwam, de dronken Nederlanders te straffen.Don Juan vroeg geld, altijd geld, veel geld, om eene bende spionnen te betalen, die noodiger dan ooit voor den dienst Zijner Majesteit waren.Perez schrijft aan Escovedo; hij uit den wensch, dat de laatste toch zijn best zou doen om des konings gevaarlijksten vijand, den prins van Oranje, te laten vermoorden, dewijl men zich op eene andere wijze van hem niet ontslaan kon, en Escovedo antwoordt, dat hij al het mogelijke zal doen om den prins uit den weg te ruimen, dat hij zelf hierin het hoogste belang stelde, maar dat men zich niet overhaasten moest, omdat het niet gemakkelijk was, een mensch te vinden, die zich aan de met zulk een aanslag verbondene gevaren wilde blootstellen.Ons bestek verbiedt ons, langer bij deze hoogst belangrijke briefwisseling stil te staan; het aangehaalde is dan ook voldoende om te bewijzen, aan welk eene schandelijke trouwloosheid don Juan zich schuldig maakte, jegens de Nederlanders, wien hij werkelijk voor een korten tijd de oogen verblindde.Eén man liet zich echter niet om den tuin leiden, Willem van Oranje: hij doorzag het spel van don Juan en was op zijne hoede.Nog eens beproefde don Juan, den prins door onderhandelingen voor zich te winnen; hij vaardigde daartoe een gezantschap naar Middelburg af. Elbertus Leoninus, die de erfgenaam van Viglius’ ambten geworden was, de hertog van Aerschot en andere aanzienlijke mannen waren leden van dit gezantschap, dat in last had, den prins van Oranje tot inschikkelijkheid, tot erkenning van den goeverneur-generaal en tot onderwerping aan het eeuwig edict te bewegen. Doch de prins was doof voor alle smeekingen en schoonschijnende redeneeringen. Hij deed de onderhandelaars opmerken, dat don Juan nog volstrekt geene onbetwijfelbare bewijzen van zijne vredelievende gezindheid gegeven had, dewijl wel de Spaansche, maar nog niet de Duitsche huurtroepen uit de Nederlanden verwijderd waren, dat het Philips’ beginsel was: jegens ketters behoeft men zijn woord niet te houden; dat de huidige verdraagzaamheid op godsdienstig gebied niets was dan een bedriegelijke schijn, die verdwijnen zou, zoodra de koning de gelegenheid tot geloofsvervolging gunstig zag; dat Holland en Zeeland protestantsch waren en het zouden blijven en dat deze beide gewesten zich dus niet aan het gevaar van nieuwen geloofsdwang mochten blootstellen.De onderhandelingen sprongen af; onverrichter zake keerde het gezantschap naar Brussel terug en reeds kort daarna bleek het, hoe wel gegrond Oranje’s argwaan ten aanzien van don Juan’s godsdienstige verdraagzaamheid was geweest: de katholieke bisschoppen van de 15 provinciën vaardigden een edict uit, waarin zij met toestemming van don Juan, de uitvoering van de Trentsche besluiten gelastten, en zelfs de vervolging van de ketters ving op nieuw aan. Te Mechelen werd den 15enJuni een arme kleermaker onthoofd, dewijl hij eene vergadering, waarin eene kettersche predikatie gehouden was, had bijgewoond, zonder den prediker aan te brengen! Don Juan luisterde de plechtigheid door zijne tegenwoordigheid op.Thans wierp de gouverneur-generaal allengs het masker af. Het verdroot hem, langer toegevend en zachtmoedig jegens de muiters te zijn; daarom onderhandelde hij heimelijk met de bevelhebbers der Duitsche huurtroepen, die nog altijd de belangrijkste vaste plaatsen bezet hielden, hoewel hare kommandanten door de Staten waren aangesteld.Zoolang don Juan zich te Brussel bevond, kon hij niet aan maatregelen van geweld denken. Hier was hij geheel machteloos, want slechts enkelen der aanzienlijke heeren, die steeds met de Spanjaarden geheuld hadden en voor korten tijd tot de volkspartij waren overgegaan, gelijk Barlaimont en zijne zonen, stonden hem ter zijde. Men noemde hen „de Johannisten”, doch hun aantal was niet groot, daar het grootste deel des adels, ook de katholieken onder hen, de Spaansche heerschappij verafschuwde, zonder echter de volksheerschappij te wenschen.Don Juan begreep, dat hij zich in de eerste plaats aan de macht der Staten onttrekken en zich voor zijne verdere ondernemingen een vast steunpunt verzekeren moest. Hij besloot twee versterkte plaatsen, de citadellen van Namen en van Antwerpen, te bemachtigen. Barlaimont stond hem bij de uitvoering van zijne plannen trouw ter zijde.Onder voorwendsel, dat hij de koningin Margaretha van Navarre, die op eene reis naar de badplaats Spa door Namen komen moest, wilde begroeten, begaf hij zich, o. a. door den hertog van Aerschot, Barlaimont en zijne zonen en een talrijk gevolg vergezeld, naar Namen. Werkelijk ontving hij de schoone Margaretha met eene koninklijke gastvrijheid, doch nauwelijks was zij vertrokken, of hij maakte zich eensklaps met Barlaimont’s hulp van de citadel van Namen meester en nam haren bevelhebber, den heer van Froymont, gevangen. Het garnizoen, dat hij niet vertrouwen kon, verving hij door geheel aan hem verknochte lieden.Namen was een hoogst belangrijk strategisch punt tusschen de Sambre en de Maas, zeer geschikt om van hier uit verbintenissen aan te knoopen met den hertog van Guise, met wien don Juan in geheime onderhandelingen stond. Dewijl het den gouverneur-generaal ook gelukte, zich van de sterke vesting Charlemont, bij Givet, meester temaken, bezat hij thans reeds twee gewichtige plaatsen: de derde zou de citadel van Antwerpen zijn. Hij rekende vast op hare overrompeling, dewijl hij haren kommandant, den hertog van Aerschot, naar Namen had medegenomen.Toch mislukte het welaangelegde plan, in weerwil van al de voorzorgen, door don Juan genomen. De Duitsche huurtroepen, die zich den 1enAugustus 1577 van de citadel van Antwerpen moesten meester maken, gaven den aanval op, ja zij vluchtten, door een panischen schrik bevangen, de stad uit met den kreet: „de Geuzen, de Geuzen!” toen juist op het rechte tijdstip een escader van den prins van Oranje met gunstigen wind de Schelde kwam opzeilen.Door zijn aanslag op Namen had don Juan te vroeg het masker afgeworpen. Wel poogde hij nog de Staten te blinddoeken en van zijne vredelievende gezindheid te verzekeren door de betuiging, dat hij het eeuwig edict stipt naleven zou en dat hij zich slechts van het kasteel van Namen meester had gemaakt, om zijn leven te beveiligen, daar hij de onomstootelijke bewijzen van eene samenzwering tegen zijn persoon ontvangen had, doch niemand geloofde dit: de nimmer sluimerende, alle teekenen der tijden met scherpen blik bespiedende Oranje zorgde, dat niemand zich om den tuin leiden liet.Het was den prins gelukt, brieven van don Juan en Escovedo te onderscheppen, waardoor de trouwloosheid van den gouverneur-generaal en zijne verstandhouding met de aanvoerders der Duitsche huurtroepen duidelijk bewezen werd.Oranje zond deze brieven aan de Staten en maakte ze buitendien openbaar.Thans ging er een kreet van verontwaardiging tegen den landvoogd uit den boezem van het geheele volk op. De Duitsche huurtroepen werden verdreven uit een aantal vaste plaatsen, die zij nog bezet hielden, zooals Bergen op Zoom, ’s Hertogenbosch en Breda, en de bolwerken der Spaansche dwingelandij, de citadellen der belangrijkste steden, werden vernield.Te Antwerpen werkten meer dan 10.000 menschen van allerlei stand, edelen en burgers, aanzienlijke dames en bedelaars dag en nacht, om de gehate, met zooveel kunst opgetrokken muren omver te halen. Bij deze gelegenheid vond men ook het metalen standbeeld van Alba, dat Requesens ter zijde had gesteld. Het volk verbrijzelde het met ongelooflijke krachtsinspanning in kleine stukken. De burgers van Gent en anderen volgden door de verwoesting van de citadellen het voorbeeld der Antwerpenaars.Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan, woedend over het mislukkenzijner welaangelegde plannen, binnen Namen. De hertog van Aerschot, die na de inneming van Namen zeer vriendelijk jegens hem was geweest, was hem spoedig weer ontrouw geworden, toen de kans keerde en de aanslag op Antwerpen mislukte. Alleen Barlaimont en zijne zonen bleven den gouverneur-generaal trouw ter zijde staan.Met de Staten voerde don Juan nog altijd onderhandelingen; deze konden echter niet tot eene uitkomst leiden, dewijl zijne trouweloosheid door de onderschepte brieven al te duidelijk bewezen was. Hij achtte het thans dan ook niet meer de moeite waard, zich zoo zachtmoedig en toegevend te betoonen als vroeger. Reeds den 7enAugustus 1577 stelde hij, het masker geheel afwerpende, de voorwaarden op, waaronder hij den vrede wilde toestaan: zij luidden geheel anders als zijne vroegere verzekeringen! Alle strijdkrachten der provinciën moesten onder zijn onmiddellijk bevel geplaatst worden; de burgerij van Brussel moest worden ontwapend, de citadel van Antwerpen hersteld. De ketters in Vlaanderen en Brabant moesten worden gestraft en de prins van Oranje moest gedwongen worden om den protestantschen eeredienst te verbieden en de pacificatie van Gent na te leven. Weigerde hij, dan moesten de Staten de wapenen tegen hem opvatten.Zulke eischen had vroeger een Alba wel kunnen stellen, toen hij aan het hoofd van een zegevierend leger de Nederlanders dwingen kon om zich aan zijn ijzeren wil te onderwerpen, maar dat don Juan, die de Spaansche troepen ontslagen had, wiens aanslag op Antwerpen juist mislukt was, dergelijke dingen eischte, dit was schier belachelijk. De Staten gaven hem dan ook een trotsch, beleedigend antwoord. Zij eischten van hunnen kant, dat hij alle troepen onverwijld ontslaan, alle vreemde beambten wegzenden, van elke verbintenis met den hertog van Guise afzien en zich voortaan in de regeering geheel aan de toestemming van den Staatsraad onderwerpen zou.De Staten hielden zich overtuigd, dat don Juan dit verlangen niet inwilligen zou, zij trachtten daarom eene nauwere verbintenis dan tot dusver met Willem van Oranje te sluiten; deze werd derhalve door een gezantschap, waartoe o. a. Leoninus en Champigny—de broeder van Granvelle, een vurig katholiek, maar een heftig vijand der Spanjaarden—behoorden, uitgenoodigd om naar Brussel te komen. Aan het aannemen van die uitnoodiging waren voor den prins ernstige bezwaren verbonden. De staten van Holland en Zeeland gaven niet dan aarzelend hunne toestemming tot deze reis, zijne vrienden waarschuwden hem voor verraad; zijne gemalin weende en vreesde het ergste. Doch hij had besloten, alle gevaar te trotseeren, ja zijn leven tot heil des lands ten offer te brengen, indien het wezen moest.Hij wist, dat hij onder de aanzienlijke heeren der 15 provinciën slechts weinige vrienden en vele verbitterde vijanden telde, die hem nauwelijks minder haatten dan de Spanjaarden, maar hij vertrouwde op de liefde des volks.Hij vertrok; den 17enSeptember kwam hij te Antwerpen en den 23ente Brussel aan. Zijne reis was een ware zegetocht. Overal werd hij begroet met den kreet: „Leve Vader Willem!”Het was hoog tijd, dat Oranje te Brussel kwam. Reeds hadden eenige besluitelooze lieden op nieuw onderhandelingen met don Juan aangeknoopt. De katholieke edelen vreesden den aangroeienden invloed van den prins, zij zouden gaarne met don Juan vrede hebben gesloten, en toen dit niet gelukte, dewijl Oranje de meerderheid der Staten tot volharding bijhunne vroegere eischen wist te bewegen, zochten zij naar een middel om het hoofd der protestanten onschadelijk te maken.Aan het hoofd van deze katholieke edelen stond de hertog van Aerschot. Hij was een ijdel, eerzuchtig man, die steeds eene weifelende staatkunde had gevolgd. Was don Juan’s aanslag op Antwerpen gelukt, had hij de Duitsche huurbenden om zich kunnen vereenigen en eene ontzag inboezemende stelling innemen, dan zou Aerschot waarschijnlijk zijn trouwe aanhanger gebleven zijn. Doch thans had hij de zijde van den gouverneur-generaal verlaten. Voor het uiterlijke deed hij zich als een getrouw vriend van Oranje voor, doch in stilte poogde hij diens invloed te ondermijnen. De prins van Oranje mocht in geen geval met de hoogste macht in de Nederlanden bekleed worden, daarover waren Aerschot en zijne geestverwanten het eens. Ten einde hun doel te bereiken, hadden zij in stilte een staatsgreep voorbereid.Zij hadden den 20jarigen aartshertog Matthias, den broeder van den regeerenden Duitschen keizer Rudolf II, uitgenoodigd om als algemeen stadhouder van koning Philips naar de Nederlanden te komen en voor zijn bloedverwant het bewind te voeren.De maatregel was sluw bedacht. Matthias was een wettige afstammeling van het Oostenrijksche huis, maar geen Spanjaard. De aanhangers van het wettige koningschap en van de katholieke godsdienst konden zich rondom hem scharen en de haat des volks tegen de Spanjaarden kon hem, den Duitscher, niet treffen. Bovendien mocht Aerschot hopen, dat hij zich op den jeugdigen, onervaren aartshertog weldra een overwegenden invloed verwerven zou, terwijl hij dien van den ketterschen prins van Oranje zonder moeite zou kunnen fnuiken. Te gelijk werd door de benoeming van aartshertog Matthias het gevaar afgewend, dat aan de koningin van Engeland of den hertog van Alençon—gelijk eene Engelsch- en eene Franschgezinde partij in het land wenschten—het beschermheerschap over de Nederlanden zou worden opgedragen.De jeugdige hertog liet zich zonder moeite overhalen om de hem toegedachte rol op zich te nemen. Den 3enOctober 1577 verliet hij heimelijk Weenen,—of dit met toestemming des keizers, dan wel tegen diens wil geschiedde, is niet met zekerheid te bepalen—ten einde zich naar de Nederlanden te begeven.Oranje’s houding was door dit optreden van den aartshertog Matthias alles behalve gemakkelijk gemaakt. Wellicht zou het hem gelukken, den aartshertog met geweld uit de Nederlanden verwijderd te houden,doch in dat geval beleedigde hij niet alleen den keizer en de Duitsche vorsten, maar ook de geheele katholieke en legitimistische partij in het land en gaf hij zijnen vijanden de meest gereede aanleiding om hem van eene grenzenlooze eerzucht en van het streven naar verhooging van zijne eigene macht te beschuldigen.Met wijze gematigdheid besloot de prins zich naar den loop der omstandigheden te schikken. Hij reisde zelf naar Antwerpen, om daar den aartshertog te begroeten, en voegde zich alzoo in dezen geheel naar de wenschen van Aerschot en van den katholieken adel. De vrucht van deze verstandige handelwijze was, dat de Staten zich nog nauwer dan vroeger aan hem aansloten, dat zij hem als den eigenlijken vertegenwoordiger van hunne rechten en vrijheden beschouwden en dat hij den 22enOctober onder de luide toejuiching der bevolking tot Ruwaard van Brabant geproclameerdwerd en daardoor in een der gewichtigste gewesten van de Nederlanden eene bijna onbeperkte macht ontving, want de bevoegdheid van een ruwaard was altijd onbepaald en niet door vaste wetten omschreven.
De Nederlanden. Benoeming van don Juan van Oostenrijk tot Gouverneur-Generaal der Nederlanden. Zijne avontuurlijke reis. Zijne aankomst te Luxemburg. Stormachtige onderhandelingen met de Staten. De Unie van Brussel. Don Juan’s toegevendheid.Het eeuwig edict. Weigering van den prins van Oranje om het eeuwig edict te erkennen. Don Juan’s kunst om zich bemind te maken. Zijne vruchtelooze pogingen om Willem van Oranje voor zich te winnen. Verwijdering van de Spaansche troepen. Erkenning van don Juan als Gouverneur-Generaal. Zijn plechtige intocht binnen Brussel. Vruchtelooze onderhandelingen van don Juan met den prins van Oranje. Nieuwe vervolging van de ketters. De Johannisten. Namen door don Juan bezet. Verijdelde overrompeling van Antwerpen. Het volk staat tegen don Juan op. De citadel van Antwerpen verwoest. Zegetocht van Willem van Oranje naar Brussel. Kuiperijen van den hertog van Aerschot en de katholieke edelen. De aartshertog Matthias in het land geroepen. Wijze staatkunde van Oranje. Zijne benoeming tot Ruwaard van Brabant.
De Nederlanden. Benoeming van don Juan van Oostenrijk tot Gouverneur-Generaal der Nederlanden. Zijne avontuurlijke reis. Zijne aankomst te Luxemburg. Stormachtige onderhandelingen met de Staten. De Unie van Brussel. Don Juan’s toegevendheid.Het eeuwig edict. Weigering van den prins van Oranje om het eeuwig edict te erkennen. Don Juan’s kunst om zich bemind te maken. Zijne vruchtelooze pogingen om Willem van Oranje voor zich te winnen. Verwijdering van de Spaansche troepen. Erkenning van don Juan als Gouverneur-Generaal. Zijn plechtige intocht binnen Brussel. Vruchtelooze onderhandelingen van don Juan met den prins van Oranje. Nieuwe vervolging van de ketters. De Johannisten. Namen door don Juan bezet. Verijdelde overrompeling van Antwerpen. Het volk staat tegen don Juan op. De citadel van Antwerpen verwoest. Zegetocht van Willem van Oranje naar Brussel. Kuiperijen van den hertog van Aerschot en de katholieke edelen. De aartshertog Matthias in het land geroepen. Wijze staatkunde van Oranje. Zijne benoeming tot Ruwaard van Brabant.
Philips II had lang met de benoeming van een landvoogd over de Nederlanden getalmd, doch eindelijk, toen door de zwakheid van den Staatsraad de koninklijke macht meer en meer ondermijnd werd, had hijwel een besluit moeten nemen: de overwinnaar van Granada, de held van Lepanto, don Juan d’ Austria (of van Oostenrijk, gelijk hij in de Nederlandsche geschiedenis heet en ook wij hem voortaan zullen noemen) werd uitverkoren om het opgestane land tot onderwerping te brengen, met den last om den vrede tot elken prijs te herstellen, doch natuurlijk zonder aan de koninklijke macht of aan de heerschappij der katholieke kerk eenige afbreuk te doen.
Toen don Juan het bericht van zijne benoeming tot Gouverneur-Generaal der Nederlanden ontving, bevond hij zich in Italië. Den op avonturen belusten keizerszoon was deze nieuwe waardigheid hoogst welkom, dewijl hij daarin een middel zag om zijne eerzuchtige plannen te verwezenlijken. Uit de Nederlanden kon hij eene landing in Engeland beproeven, tot bereiking van dit doel stond een dapper en geoefend leger tot zijne beschikking,—eene gouden koningskroon wenkte hem in het verschiet.
Aan de hinderpalen en bezwaren, welke hij nog te overwinnen zou hebben, dacht hij niet; hij achtte het eene lichte zaak, de Nederlanders òf door goedheid te winnen òf met geweld ten onder te brengen; met al den blijden moed en met al de vermetele zucht naar avonturen, den jeugdigen leeftijd eigen, aanvaardde hij het hem opgedragen werk.
Hij brandde zoozeer van begeerte om zijn ambt te aanvaarden, dat hij niet besluiten kon, den omweg over Spanje te maken, ten einde nauwkeuriger instructies te bekomen. Hij reisde onmiddellijk door Frankrijk naar de Nederlanden, slechts door zijn vriend Octavio Gonzaga en zes gewapende dienaars vergezeld.
De reis was niet zonder gevaar. Don Juan moest vreezen door de Fransche Hugenooten herkend en aangehouden te worden: daarom maakte hij zich door eene vermomming onkenbaar. Als een Moorsche slaaf van Gonzaga uitgedost trok hij door Frankrijk, en zoo kwam hij den 3enNovember 1576, kort voor het bloedbad te Antwerpen, te Luxemburg aan, waar hij zijne vermomming afwierp.
Voor den prins van Oranje was de aankomst van den nieuwen gouverneur-generaal een harde slag. Hij vreesde, dat Don Juan, de zoon des keizers, wiens aandenken bij een groot deel der katholieke bevolking in eere gehouden werd, zich weldra een ongewenschten invloed verwerven en den lossen, ter nauwernood om de provinciën geslingerden band der vereeniging weer ontsnoeren zou. Juist Don Juan van Oostenrijk scheen bijzonder geschikt om zich de liefde der katholieke bevolking te verwerven. Zijn roem als zegevierend veldheer en als voorvechter der katholieke godsdienst tegen de vijanden der Christenheid, zijne hooge afkomst en zijne schoonheid en beminlijkheid maakten hem ongetwijfeld tot den gevaarlijksten vijand der Nederlandsche vrijheid.
Zoodra Willem van Oranje het bericht van Don Juan’s aankomst te Luxemburg ontving, wendde hij onverwijld al de gaven zijner welsprekendheid aan om den nieuwen gouverneur-generaal tegen te werken. Hij waarschuwde de Staten-Generaal tegen eene dwaze toegevendheid; door bedriegelijke beloften, door gehuichelde welwillendheid—zeide hij—zou Don Juan trachten de Nederlanders om den tuin te leiden. Ontbrak hem voorshands de macht om de eischen des konings met geweld door te zetten, dan zou hij zoolang de toevlucht nemen tot leugen en huichelarij, totdat hij de Nederlanders in slaap gewiegd had, om hun dan eensklaps op het lijf te vallen. Veel bloed zou er gespaard worden, indien men Don Juangevangen nam en als gijzelaar behield, ten einde Philips II hierdoor tot inwilliging van de eischen der Nederlanders te dwingen. Doch in elk geval moesten de Staten-Generaal aan de pacificatie van Gent trouw blijven en zoolang weigeren den gouverneur-generaal te huldigen, totdat alle Spaansche soldaten uit het land verdreven en zoowel de rechten en vrijheden der Nederlanders als de pacificatie van Gent door don Juan erkend waren. Aan beloften en schoone woorden, die zeker in overvloed ten beste zouden gegeven worden, mochten zij geen geloof slaan.
Zoover als de prins van Oranje wenschte, gingen de Staten niet. Zij konden niet besluiten, den nieuwen gouverneur-generaal te overvallen en gevangen te nemen, doch zij waren wel bereid om overigens bij de onderhandelingen met don Juan den raad van Oranje te volgen, en zonden met dat doel afgevaardigden naar Luxemburg.
De afgevaardigden spraken, toen zij bij don Juan waren toegelaten, in niet zeer eerbiedige bewoordingen hun afkeer van de Spaansche heerschappij uit. Eén hunner ging zóó ver te verklaren, dat de Nederlanders niets meer van de regeering van Philips II wilden weten, doch dat don Juan, indien hij op eigen gezag de regeering aanvaardde, de rechten en vrijheden der provinciën en de pacificatie van Gent bekrachtigde, door het geheele volk met blijdschap als vorst begroet zou worden.
Don Juan was zoo verontwaardigd over het denkbeeld, dat men hem tot zulk een verraad jegens zijn broeder en koning in staat achtte, dat hij zijn dolk trok en den gezant vermoord zou hebben, wanneer zijn gevolg die daad niet verhinderd had.
Na dit onstuimig tooneel werden de onderhandelingen voortgezet, doch zij leidden niet tot eenige uitkomst, hoewel don Juan zich meer geneigd betoonde om den volkswensch tegemoet te komen dan een der vroegere vertegenwoordigers des konings gedaan had. Hij verklaarde zich bereid om de Spaansche soldaten uit het land te verwijderen (hij wenschte immers zelf deze tot verwezenlijking van zijne plannen aan te wenden), ook de pacificatie van Gent wilde hij erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat men voldoende waarborgen gaf voor de heerschappij der katholieke kerk in het geheele land en voor de handhaving van het gezag Zijner Majesteit den koning van Spanje. Desgelijks beloofde hij, de Staten-Generaal officieel bijeen te roepen, maar eerst nadat hij zekerheid zou hebben verkregen, dat zij niets tegen de heilige katholieke kerk of tegen den koning besluiten zouden.
Niets dan beloften en schoone woorden! Willem van Oranje had niet ten onrechte daarvoor gewaarschuwd. De Staten wilden, dat don Juan onvoorwaardelijk hunne eischen zou inwilligen, alleen dan zouden zij bereid zijn om hem als gouverneur-generaal te erkennen: de onderhandelingen vorderden dus niet.
De overtuiging, dat het voor de welvaart der Nederlanders dringend noodzakelijk was, zich waarborgen tegen de gewelddadigheden der Spanjaarden te verschaffen, had reeds in den boezem van het geheele volk diepe wortelen geschoten. Zelfs de hertog van Aerschot, Barlaimont en andere ijverige katholieken en vroeger trouwe aanhangers van Philips II zagen dit in en drongen op de onvoorwaardelijke handhaving der Gentsche pacificatie aan. Ten einde bij het volk een hechter steun te vinden, sloten zij in het begin van Januari 1577 de beroemde Unie van Brussel, eene oorkonde, waarin de onderteekenaars zich verbonden om te bewerken, dat de Spaansche krijgsmachtuit het land verdreven, de pacificatie van Gent bevestigd, dat de katholieke godsdienst en het recht des konings, maar ook de vrijheid van het vaderland gehandhaafd zou worden.
Dit stuk werd in het geheele land verspreid en met duizenden handteekeningen bedekt; edelen, priesters en burgers onderteekenden het bereidwillig.
Don Juan van Oostenrijk verkeerde tegenover deze eendrachtige gezindheid der geheele bevolking in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. Alleen door toegevendheid kon hij het zoover brengen, dat de Nederlanders hem als gouverneur-generaal erkenden, dewijl hem de macht ontbrak om hen hiertoe met geweld te noodzaken. Hij knoopte nieuwe onderhandelingen met een gezantschap der Staten-Generaal aan.
Weer had er eene stormachtige bijeenkomst plaats, waarin Don Juan in hevigen toorn opstoof en de afgezanten voor verraders schold, dewijl zij onwrikbaar en met zeer weinig eerbied voor het koninklijk gezag de eischen des volks handhaafden. Reeds maakte het gezantschap zich tot vertrekken gereed, toen don Juan—waarschijnlijk door den hertog van Aerschot en den bisschop van Luik zachter gestemd—gedurende den nacht van meening veranderde. Hij verklaarde, dat hij de pacificatie van Gent wilde goedkeuren, wanneer door mannen van gezag in kerk en staat bewezen werd, dat zij geene nadeelige bepalingen voor de katholieke kerk en den koning bevatte.
Het viel den afgevaardigden der Staten niet moeilijk, dit aan te toonen en nadat dit geschied was, onderteekende don Juan in Februari 1577 het „eeuwig edict”, hetwelk in de hoofdzaak met de bepalingen der Brusselsche Unie overeenstemde. Hij erkende daarin de pacificatie van Gent, beloofde, dat de vreemde troepen verwijderd zouden worden (de Spanjaarden binnen 40 dagen, de Duitsche huurbenden, nadat hunne soldij uitbetaald zou zijn), dat alle gevangenen in vrijheid gesteld en dat alle rechten en vrijheden des lands zouden worden geëerbiedigd.
Aan den anderen kant legde het „eeuwig edict” den Staten-Generaal de verplichting op om de katholieke godsdienst te beschermen, en don Juan als gouverneur-generaal te erkennen, zoodra de Spaansche troepen het land zouden verlaten hebben.
De prins van Oranje was over die onverwachte toegevendheid van don Juan alles behalve verheugd; indien hij daarop verdacht was geweest, dan zou hij den Staten wellicht nog meer omvattende eischen aangeraden hebben. Hij hield zich overtuigd, dat don Juan slechts een schandelijk spel met het goed vertrouwen en de lichtgeloovigheid der Nederlanders speelde en dat hij zijne beloften schenden zou, zoodra hij zich daartoe machtig genoeg voelde. Ook de bekrachtiging van het eeuwig edict door Philips II kon zijne op eene nauwkeurige kennis van het trouwloos karakter des konings gegronde denkbeelden niet wijzigen. Hij weigerde derhalve, het eeuwig edict aan te nemen en het in Holland en Zeeland af te kondigen.
Op dit tijdstip had het intusschen allen schijn, dat het wantrouwen van Willem van Oranje overdreven was en dat don Juan werkelijk van plan was, niet alleen het edict in geheel zijn omvang na te leven, maar ook zijne heerschappij in de Nederlanden niet op geweld, maar op de liefde en het vertrouwen des volks te gronden. Hij gedroeg zich jegens de Nederlanden hoogst genadig en beminlijk. Te Leuven waarheen hij zich na deopenbaarmaking van het edict begaf, bewoog hij zich in het midden der bevolking, zonder bescherming van eene gewapende macht. Hij nam van goeder harte deel aan de volksfeesten, schoot met de burgers naar den vogel en werd zelf schutterkoning. Alle Nederlanders, die tot hem kwamen, werden met opene armen ontvangen en velen kwamen tot hem: de adel verdrong zich om hem heen. Deze wenschte een staatsambt, gene een titel, ieder eene andere onderscheiding te verwerven. Don Juan was jegens allen mild met beloften en betuigingen van zijne gunst. Hij zou gaarne allen door voorkomendheid en omkooping voor zich gewonnen hebben en het liefst van allen den prins van Oranje. „Want deze”—zoo schreef hij aan Philips—„is de loods, die het schip stuurt; hij alleen kan het redden of doen vergaan;—-van hem hangt zoowel de herstelling des vredes als het behoud der katholieke godsdienst en van de gehoorzaamheid jegens uwe majesteit in deze provinciën af.”
Den prins van Oranje, wiens beteekenis don Juan in zijn brief aan den koning zoo juist toonde te waardeeren, voor den nieuwen landvoogd te winnen, was voor dezen eene zaak van het hoogste gewicht, ja tot bereiking van dat doel was hem geen offer te groot. Maar Oranje verscheen niet te Leuven, om den keizerszoon het hof te maken, hij knoopte zelfs niet de minste betrekking met dezen aan. Op raad van den hertog van Aerschot zond don Juan derhalve den beroemden doctor Elbertus Leoninus tot den prins, om diens vriendschap door middel van beloften te koopen en hem te verzekeren dat het edict stipt nageleefd worden zou.
Vergeefsche moeite! Willem van Oranje liet zich noch door beloften omkoopen, noch zich door betuigingen van vriendschap in slaap sussen. Hij herinnerde Leoninus het lot van Egmond en Hoorne, zoovele geschondene eeden en beloften van eene Margaretha van Parma, van een Alba en van een Philips II. Oranje hield zich derhalve voorzichtig schuil, hij wierp een profetischen blik in de toekomst en zijne overtuiging wankelde niet, zelfs toen don Juan zijne belofte hield, door in de laatste dagen van April 1577 de Spaansche soldaten, onder de luide toejuiching des volks, uit het land te doen vertrekken, en den hertog van Aerschot, die thans voor een ijverig patriot doorging, tot bevelhebber der citadel van Antwerpen benoemde.
Nadat don Juan op deze wijze getoond had, dat het hem ernst was met de vervulling van zijne beloften, werd hij als gouverneur-generaal gehuldigd. Den 1enMei 1577 trok hij onder de toejuiching des volks Brussel binnen. De stad was tot zijne ontvangst feestelijk versierd, tallooze eerepoorten waren er opgericht, de overheden en de burgers wedijverden in eerbiedbetuigingen voor des konings plaatsvervanger, die eindelijk in tegenstelling met een Alba en een Requesens gekomen was om in vrede over de Nederlanden te regeeren.
Schoone handen wuifden uit alle vensters den vorst een hartelijk welkom toe en strooiden bloemen op zijn weg, eene schaar bekoorlijke jonge meisjes, de dochters van oude en hoog aanzienlijke geslachten, reikten den overwinnaar van Lepanto een lauwerkrans toe.
Don Juan ontving al deze bewijzen van hoogachting en liefde met innemende vriendelijkheid. Hij scheen daardoor diep getroffen.
De algemeene vreugde was groot, maar—kort van duur!
De vriendelijkheid, welke don Juan ten toon spreidde, was niets dan een masker; hij gevoelde zich volstrekt niet gelukkig en vereerd door deze feestelijke ontvangst, welke hij had moeten koopen voor eene toegevendheid,waarover hij zich schaamde, in zijn hart haatte hij de Nederlanders, jegens wie hij zich zoo vriendelijk en beminlijk voordeed.
In de zekere overtuiging, dat hij, overwinnaar van Lepanto, de bedwinger van de Mooren, alleen door zijn verschijnen de oproerige provinciën tot onderwerping zou brengen, was hij vol hoop naar de Nederlanden gesneld, om daar—niets dan teleurstellingen te vinden. Te vergeefs had hij al de macht zijner verleidelijke beminlijkheid aangewend, slechts eenige edelen waren voor hem gewonnen, maar geheel de overige bevolking was onwrikbaar op haar stuk blijven staan en had hem eerst nadat door de verwijdering van de Spaansche troepen en de uitvaardiging van het eeuwig edict hare eischen vervuld waren, als vertegenwoordiger des konings gehuldigd.
Uit de Nederlanden had don Juan gehoopt, eene landing in Engeland te ondernemen, om Maria Stuart uit hare gevangenschap te verlossen en haar te plaatsen op den troon, dien hij met haar deelen wilde. Daartoe hadden de Spaansche troepen hem moeten dienen, die hij dan inschepen en naar Engeland overvoeren wilde. Doch ook dit plan was verijdeld door den aandrang der Staten, die onverzettelijk de verwijdering van die krijgsmacht over land geëischt en doorgedreven hadden.
Don Juan schaamde zich diep over de treurige rol, welke hij, overeenkomstig des konings instructies, in de Nederlanden had moeten spelen, hij brandde van begeerte om in het bloed der gehate Nederlanders den smaad uit te wisschen, welken zijne toegevendheid in zijn eigen oog op hem deed kleven, ja eindelijk langs den weg van openbaar geweld te verkrijgen, wat hij—dat begreep hij zeer goed—van het stijfhoofdige volk nooit door zachtheid verwerven zou: de hernieuwde onderwerping van het geheele volk aan den despotischen wil des konings. Hij smachtte naar den oogenblik, waarin het hem vergund zou zijn, de hem afgedwongene beloften te verbreken.
De briefwisseling, door don Juan en zijn vertrouwden raadsman Escovedo met Philips II en diens geheimschrijver Antonie Perez gevoerd, is voor een deel bewaard gebleven. Zij werpt een helder en verrassend licht op het karakter en de gezindheid van den door velen bewonderden don Juan van Oostenrijk. Hij noemt daarin de Nederlanden een afschuwelijk land van dronkaards, verraders en muiters, hij verlangt, terwijl hij zich jegens hen zoo vriendelijk gedraagt, aanhoudend geld uit Spanje, om hen te tuchtigen.
Escovedo, die zonder don Juan’s toestemming geen letter op het papier zette, schrijft aan Perez, dat men de Spaansche troepen niet te ver verwijderen moest, dat het ’t beste zou zijn hen in Frankrijk te gebruiken tot verdediging van het katholieke geloof, opdat ze bij de hand zouden zijn, wanneer het er op aan kwam, de dronken Nederlanders te straffen.
Don Juan vroeg geld, altijd geld, veel geld, om eene bende spionnen te betalen, die noodiger dan ooit voor den dienst Zijner Majesteit waren.
Perez schrijft aan Escovedo; hij uit den wensch, dat de laatste toch zijn best zou doen om des konings gevaarlijksten vijand, den prins van Oranje, te laten vermoorden, dewijl men zich op eene andere wijze van hem niet ontslaan kon, en Escovedo antwoordt, dat hij al het mogelijke zal doen om den prins uit den weg te ruimen, dat hij zelf hierin het hoogste belang stelde, maar dat men zich niet overhaasten moest, omdat het niet gemakkelijk was, een mensch te vinden, die zich aan de met zulk een aanslag verbondene gevaren wilde blootstellen.
Ons bestek verbiedt ons, langer bij deze hoogst belangrijke briefwisseling stil te staan; het aangehaalde is dan ook voldoende om te bewijzen, aan welk eene schandelijke trouwloosheid don Juan zich schuldig maakte, jegens de Nederlanders, wien hij werkelijk voor een korten tijd de oogen verblindde.
Eén man liet zich echter niet om den tuin leiden, Willem van Oranje: hij doorzag het spel van don Juan en was op zijne hoede.
Nog eens beproefde don Juan, den prins door onderhandelingen voor zich te winnen; hij vaardigde daartoe een gezantschap naar Middelburg af. Elbertus Leoninus, die de erfgenaam van Viglius’ ambten geworden was, de hertog van Aerschot en andere aanzienlijke mannen waren leden van dit gezantschap, dat in last had, den prins van Oranje tot inschikkelijkheid, tot erkenning van den goeverneur-generaal en tot onderwerping aan het eeuwig edict te bewegen. Doch de prins was doof voor alle smeekingen en schoonschijnende redeneeringen. Hij deed de onderhandelaars opmerken, dat don Juan nog volstrekt geene onbetwijfelbare bewijzen van zijne vredelievende gezindheid gegeven had, dewijl wel de Spaansche, maar nog niet de Duitsche huurtroepen uit de Nederlanden verwijderd waren, dat het Philips’ beginsel was: jegens ketters behoeft men zijn woord niet te houden; dat de huidige verdraagzaamheid op godsdienstig gebied niets was dan een bedriegelijke schijn, die verdwijnen zou, zoodra de koning de gelegenheid tot geloofsvervolging gunstig zag; dat Holland en Zeeland protestantsch waren en het zouden blijven en dat deze beide gewesten zich dus niet aan het gevaar van nieuwen geloofsdwang mochten blootstellen.
De onderhandelingen sprongen af; onverrichter zake keerde het gezantschap naar Brussel terug en reeds kort daarna bleek het, hoe wel gegrond Oranje’s argwaan ten aanzien van don Juan’s godsdienstige verdraagzaamheid was geweest: de katholieke bisschoppen van de 15 provinciën vaardigden een edict uit, waarin zij met toestemming van don Juan, de uitvoering van de Trentsche besluiten gelastten, en zelfs de vervolging van de ketters ving op nieuw aan. Te Mechelen werd den 15enJuni een arme kleermaker onthoofd, dewijl hij eene vergadering, waarin eene kettersche predikatie gehouden was, had bijgewoond, zonder den prediker aan te brengen! Don Juan luisterde de plechtigheid door zijne tegenwoordigheid op.
Thans wierp de gouverneur-generaal allengs het masker af. Het verdroot hem, langer toegevend en zachtmoedig jegens de muiters te zijn; daarom onderhandelde hij heimelijk met de bevelhebbers der Duitsche huurtroepen, die nog altijd de belangrijkste vaste plaatsen bezet hielden, hoewel hare kommandanten door de Staten waren aangesteld.
Zoolang don Juan zich te Brussel bevond, kon hij niet aan maatregelen van geweld denken. Hier was hij geheel machteloos, want slechts enkelen der aanzienlijke heeren, die steeds met de Spanjaarden geheuld hadden en voor korten tijd tot de volkspartij waren overgegaan, gelijk Barlaimont en zijne zonen, stonden hem ter zijde. Men noemde hen „de Johannisten”, doch hun aantal was niet groot, daar het grootste deel des adels, ook de katholieken onder hen, de Spaansche heerschappij verafschuwde, zonder echter de volksheerschappij te wenschen.
Don Juan begreep, dat hij zich in de eerste plaats aan de macht der Staten onttrekken en zich voor zijne verdere ondernemingen een vast steunpunt verzekeren moest. Hij besloot twee versterkte plaatsen, de citadellen van Namen en van Antwerpen, te bemachtigen. Barlaimont stond hem bij de uitvoering van zijne plannen trouw ter zijde.
Onder voorwendsel, dat hij de koningin Margaretha van Navarre, die op eene reis naar de badplaats Spa door Namen komen moest, wilde begroeten, begaf hij zich, o. a. door den hertog van Aerschot, Barlaimont en zijne zonen en een talrijk gevolg vergezeld, naar Namen. Werkelijk ontving hij de schoone Margaretha met eene koninklijke gastvrijheid, doch nauwelijks was zij vertrokken, of hij maakte zich eensklaps met Barlaimont’s hulp van de citadel van Namen meester en nam haren bevelhebber, den heer van Froymont, gevangen. Het garnizoen, dat hij niet vertrouwen kon, verving hij door geheel aan hem verknochte lieden.
Namen was een hoogst belangrijk strategisch punt tusschen de Sambre en de Maas, zeer geschikt om van hier uit verbintenissen aan te knoopen met den hertog van Guise, met wien don Juan in geheime onderhandelingen stond. Dewijl het den gouverneur-generaal ook gelukte, zich van de sterke vesting Charlemont, bij Givet, meester temaken, bezat hij thans reeds twee gewichtige plaatsen: de derde zou de citadel van Antwerpen zijn. Hij rekende vast op hare overrompeling, dewijl hij haren kommandant, den hertog van Aerschot, naar Namen had medegenomen.
Toch mislukte het welaangelegde plan, in weerwil van al de voorzorgen, door don Juan genomen. De Duitsche huurtroepen, die zich den 1enAugustus 1577 van de citadel van Antwerpen moesten meester maken, gaven den aanval op, ja zij vluchtten, door een panischen schrik bevangen, de stad uit met den kreet: „de Geuzen, de Geuzen!” toen juist op het rechte tijdstip een escader van den prins van Oranje met gunstigen wind de Schelde kwam opzeilen.
Door zijn aanslag op Namen had don Juan te vroeg het masker afgeworpen. Wel poogde hij nog de Staten te blinddoeken en van zijne vredelievende gezindheid te verzekeren door de betuiging, dat hij het eeuwig edict stipt naleven zou en dat hij zich slechts van het kasteel van Namen meester had gemaakt, om zijn leven te beveiligen, daar hij de onomstootelijke bewijzen van eene samenzwering tegen zijn persoon ontvangen had, doch niemand geloofde dit: de nimmer sluimerende, alle teekenen der tijden met scherpen blik bespiedende Oranje zorgde, dat niemand zich om den tuin leiden liet.
Het was den prins gelukt, brieven van don Juan en Escovedo te onderscheppen, waardoor de trouwloosheid van den gouverneur-generaal en zijne verstandhouding met de aanvoerders der Duitsche huurtroepen duidelijk bewezen werd.Oranje zond deze brieven aan de Staten en maakte ze buitendien openbaar.
Thans ging er een kreet van verontwaardiging tegen den landvoogd uit den boezem van het geheele volk op. De Duitsche huurtroepen werden verdreven uit een aantal vaste plaatsen, die zij nog bezet hielden, zooals Bergen op Zoom, ’s Hertogenbosch en Breda, en de bolwerken der Spaansche dwingelandij, de citadellen der belangrijkste steden, werden vernield.
Te Antwerpen werkten meer dan 10.000 menschen van allerlei stand, edelen en burgers, aanzienlijke dames en bedelaars dag en nacht, om de gehate, met zooveel kunst opgetrokken muren omver te halen. Bij deze gelegenheid vond men ook het metalen standbeeld van Alba, dat Requesens ter zijde had gesteld. Het volk verbrijzelde het met ongelooflijke krachtsinspanning in kleine stukken. De burgers van Gent en anderen volgden door de verwoesting van de citadellen het voorbeeld der Antwerpenaars.
Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan, woedend over het mislukkenzijner welaangelegde plannen, binnen Namen. De hertog van Aerschot, die na de inneming van Namen zeer vriendelijk jegens hem was geweest, was hem spoedig weer ontrouw geworden, toen de kans keerde en de aanslag op Antwerpen mislukte. Alleen Barlaimont en zijne zonen bleven den gouverneur-generaal trouw ter zijde staan.
Met de Staten voerde don Juan nog altijd onderhandelingen; deze konden echter niet tot eene uitkomst leiden, dewijl zijne trouweloosheid door de onderschepte brieven al te duidelijk bewezen was. Hij achtte het thans dan ook niet meer de moeite waard, zich zoo zachtmoedig en toegevend te betoonen als vroeger. Reeds den 7enAugustus 1577 stelde hij, het masker geheel afwerpende, de voorwaarden op, waaronder hij den vrede wilde toestaan: zij luidden geheel anders als zijne vroegere verzekeringen! Alle strijdkrachten der provinciën moesten onder zijn onmiddellijk bevel geplaatst worden; de burgerij van Brussel moest worden ontwapend, de citadel van Antwerpen hersteld. De ketters in Vlaanderen en Brabant moesten worden gestraft en de prins van Oranje moest gedwongen worden om den protestantschen eeredienst te verbieden en de pacificatie van Gent na te leven. Weigerde hij, dan moesten de Staten de wapenen tegen hem opvatten.
Zulke eischen had vroeger een Alba wel kunnen stellen, toen hij aan het hoofd van een zegevierend leger de Nederlanders dwingen kon om zich aan zijn ijzeren wil te onderwerpen, maar dat don Juan, die de Spaansche troepen ontslagen had, wiens aanslag op Antwerpen juist mislukt was, dergelijke dingen eischte, dit was schier belachelijk. De Staten gaven hem dan ook een trotsch, beleedigend antwoord. Zij eischten van hunnen kant, dat hij alle troepen onverwijld ontslaan, alle vreemde beambten wegzenden, van elke verbintenis met den hertog van Guise afzien en zich voortaan in de regeering geheel aan de toestemming van den Staatsraad onderwerpen zou.
De Staten hielden zich overtuigd, dat don Juan dit verlangen niet inwilligen zou, zij trachtten daarom eene nauwere verbintenis dan tot dusver met Willem van Oranje te sluiten; deze werd derhalve door een gezantschap, waartoe o. a. Leoninus en Champigny—de broeder van Granvelle, een vurig katholiek, maar een heftig vijand der Spanjaarden—behoorden, uitgenoodigd om naar Brussel te komen. Aan het aannemen van die uitnoodiging waren voor den prins ernstige bezwaren verbonden. De staten van Holland en Zeeland gaven niet dan aarzelend hunne toestemming tot deze reis, zijne vrienden waarschuwden hem voor verraad; zijne gemalin weende en vreesde het ergste. Doch hij had besloten, alle gevaar te trotseeren, ja zijn leven tot heil des lands ten offer te brengen, indien het wezen moest.
Hij wist, dat hij onder de aanzienlijke heeren der 15 provinciën slechts weinige vrienden en vele verbitterde vijanden telde, die hem nauwelijks minder haatten dan de Spanjaarden, maar hij vertrouwde op de liefde des volks.
Hij vertrok; den 17enSeptember kwam hij te Antwerpen en den 23ente Brussel aan. Zijne reis was een ware zegetocht. Overal werd hij begroet met den kreet: „Leve Vader Willem!”
Het was hoog tijd, dat Oranje te Brussel kwam. Reeds hadden eenige besluitelooze lieden op nieuw onderhandelingen met don Juan aangeknoopt. De katholieke edelen vreesden den aangroeienden invloed van den prins, zij zouden gaarne met don Juan vrede hebben gesloten, en toen dit niet gelukte, dewijl Oranje de meerderheid der Staten tot volharding bijhunne vroegere eischen wist te bewegen, zochten zij naar een middel om het hoofd der protestanten onschadelijk te maken.
Aan het hoofd van deze katholieke edelen stond de hertog van Aerschot. Hij was een ijdel, eerzuchtig man, die steeds eene weifelende staatkunde had gevolgd. Was don Juan’s aanslag op Antwerpen gelukt, had hij de Duitsche huurbenden om zich kunnen vereenigen en eene ontzag inboezemende stelling innemen, dan zou Aerschot waarschijnlijk zijn trouwe aanhanger gebleven zijn. Doch thans had hij de zijde van den gouverneur-generaal verlaten. Voor het uiterlijke deed hij zich als een getrouw vriend van Oranje voor, doch in stilte poogde hij diens invloed te ondermijnen. De prins van Oranje mocht in geen geval met de hoogste macht in de Nederlanden bekleed worden, daarover waren Aerschot en zijne geestverwanten het eens. Ten einde hun doel te bereiken, hadden zij in stilte een staatsgreep voorbereid.
Zij hadden den 20jarigen aartshertog Matthias, den broeder van den regeerenden Duitschen keizer Rudolf II, uitgenoodigd om als algemeen stadhouder van koning Philips naar de Nederlanden te komen en voor zijn bloedverwant het bewind te voeren.
De maatregel was sluw bedacht. Matthias was een wettige afstammeling van het Oostenrijksche huis, maar geen Spanjaard. De aanhangers van het wettige koningschap en van de katholieke godsdienst konden zich rondom hem scharen en de haat des volks tegen de Spanjaarden kon hem, den Duitscher, niet treffen. Bovendien mocht Aerschot hopen, dat hij zich op den jeugdigen, onervaren aartshertog weldra een overwegenden invloed verwerven zou, terwijl hij dien van den ketterschen prins van Oranje zonder moeite zou kunnen fnuiken. Te gelijk werd door de benoeming van aartshertog Matthias het gevaar afgewend, dat aan de koningin van Engeland of den hertog van Alençon—gelijk eene Engelsch- en eene Franschgezinde partij in het land wenschten—het beschermheerschap over de Nederlanden zou worden opgedragen.
De jeugdige hertog liet zich zonder moeite overhalen om de hem toegedachte rol op zich te nemen. Den 3enOctober 1577 verliet hij heimelijk Weenen,—of dit met toestemming des keizers, dan wel tegen diens wil geschiedde, is niet met zekerheid te bepalen—ten einde zich naar de Nederlanden te begeven.
Oranje’s houding was door dit optreden van den aartshertog Matthias alles behalve gemakkelijk gemaakt. Wellicht zou het hem gelukken, den aartshertog met geweld uit de Nederlanden verwijderd te houden,doch in dat geval beleedigde hij niet alleen den keizer en de Duitsche vorsten, maar ook de geheele katholieke en legitimistische partij in het land en gaf hij zijnen vijanden de meest gereede aanleiding om hem van eene grenzenlooze eerzucht en van het streven naar verhooging van zijne eigene macht te beschuldigen.
Met wijze gematigdheid besloot de prins zich naar den loop der omstandigheden te schikken. Hij reisde zelf naar Antwerpen, om daar den aartshertog te begroeten, en voegde zich alzoo in dezen geheel naar de wenschen van Aerschot en van den katholieken adel. De vrucht van deze verstandige handelwijze was, dat de Staten zich nog nauwer dan vroeger aan hem aansloten, dat zij hem als den eigenlijken vertegenwoordiger van hunne rechten en vrijheden beschouwden en dat hij den 22enOctober onder de luide toejuiching der bevolking tot Ruwaard van Brabant geproclameerdwerd en daardoor in een der gewichtigste gewesten van de Nederlanden eene bijna onbeperkte macht ontving, want de bevoegdheid van een ruwaard was altijd onbepaald en niet door vaste wetten omschreven.