Veertiende Hoofdstuk.

Veertiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Ryhove en Hembyze. De Gentsche omwenteling. Moeielijke verhouding van den prins van Oranje. Besluit der Staten tot afzetting van don Juan. De tweede Unie van Brussel. Verbond met Elisabeth van Engeland. Matthias, de griffier van den prins van Oranje. Don Juan te Namen. Zijne wraakplannen. Spaansche hulptroepen onder Alexander Farnese. Begin van den oorlog. Nederlaag der Nederlanders bij Gemblours. Amsterdam gaat tot de zijde van Oranje over. Godsdiensttwisten. Godsdienstvrede. De malcontenten. Engelsche hulp. Johan Casimir. Gedwongene werkeloosheid van don Juan. Nieuwe kuiperijen van den katholieken adel. De hertog van Anjou in het land geroepen. Meesterlijke staatkunde van den prins van Oranje. De hertog van Anjou, de Beschermer van de Nederlandsche vrijheid. Dood van don Juan van Oostenrijk.Door een meesterlijken staatkundigen zet had Oranje den invloed, welken Aerschot en zijne bondgenooten hem zoo gaarne zouden ontroofd hebben, weten te behouden; hij was ruwaard van Brabant geworden. De hertog was echter door den staatsraad tot stadhouder van Vlaanderen benoemd en had daardoor op nieuw eene macht verkregen, die hem gevaarlijk maakte. Het was des prinsen belang, die macht te ondermijnen en deze nam, tot bereiking van dit doel, de toevlucht tot een middel, dat zelfs zijne vereerders ter nauwernood kunnen rechtvaardigen.Aerschot was in Vlaanderen niet bemind; de vrienden der vrijheid vertrouwden hem niet, zij koesterden omtrent hem de zeker niet geheel ongegronde verdenking, dat hij wellicht te gelegener tijd, wanneer hij er voordeel in zag, tot den vijand zou overloopen. Hij werd dan ook binnen Gent volstrekt niet vriendelijk ontvangen en de vijandige gezindheid jegens hem groeide nog aan, toen hij een hard en trotsch bescheid gaf aan de burgers, die van hem eischten, dat hij der stad hare oude privilegiën terug schenken zou.Te Gent had zich reeds sinds lang eene omwentelingspartij gevormd, aan wier hoofd de beide jonge edellieden Ryhove en Hembyze, twee warme vrienden van den prins van Oranje, stonden. Vooral onder de lagere volksklasse bezaten zij een sterken aanhang. Toen Aerschot stadhouder van Vlaanderen werd en te gelijk brieven van Jacob Hessels, het voormalig lid van den bloedraad, onderschept werden, waarin deze de hoop uitsprak, dat Aerschot geheel in het belang van koning Philips en van don Juan handelen zou, meende Ryhove, dat het meer dan tijd was om zulke plannen met geweld te keer te gaan en den nieuwen stadhouder ten val te brengen.In vereeniging met zijn vriend bereidde Ryhove alles tot den opstand voor, doch hij wilde geen beslissenden stap doen zonder toestemming van Oranje, hij begaf zich derhalve tot den prins en deelde hem zijne plannen mede.Eén woord van Oranje zou voldoende zijn geweest om den opstand te verhinderen; maar de prins sprak dit woord niet uit, wel wachtte hij zich, den vermetelen jonkman in zijne revolutionaire plannen te versterken, maar hij verbood hem die evenmin. Met dubbelzinnige redeneeringen ontsloeg hij Ryhove, ja hij ging nog verder: door zijn vertrouweling Aldegonde liet hij hem zeggen, dat hij zijne onderneming wel niet openlijk kon ondersteunen, maar dat hij hem, zoo zij gelukte, evenmin tegenwerken zou.Meer verlangde Ryhove niet; in allerijl keerde hij naar Gent terug en nauwelijks was hij hier aangekomen, of hij riep het volk te wapen. Alles was zoo goed overlegd, dat de hertog van Aerschot en de andere leiders der Spaanschgezinde partij, onder anderen ook Jacob Hessels, gevangengenomen werden, eer zij in staat waren om zich ter verdediging toe te rusten.Een voorloopig bestuur, met Ryhove aan het hoofd, werd te Gent ingesteld; den 9enNovember 1577 trachtte het de omwenteling te rechtvaardigen door de verklaring dat deze noodzakelijk was geweest, omdat de hertog van Aerschot en zijne bondgenooten, in geheime verstandhouding met don Juan, van plan waren geweest, de Spaansche troepen terug te roepen, den prins van Oranje ten val te brengen, de pacificatie van Gent te vernietigen en de hervormde godsdienst te onderdrukken.Was de omwenteling te Gent ongetwijfeld een zware slag voor den hertog van Aerschot, zij bracht aan den anderen kant ook den prins van Oranje nadeel toe, daar zij de geheele katholieke partij met wantrouwen jegens hem vervulde. Het gelukte hem niet, dat wantrouwen weg te nemen door de invrijheidstelling van Aerschot te bewerken, want de overige hoofden der katholieke partij te Gent, en onder hen ook Hessels, bleven in hechtenis en bovendien stonden de aanleggers van den opstand, Ryhove en Hembyze, als warme aanhangers van den prins bekend. De op zich zelve reeds zoo bedenkelijke scheuring tusschen de protestanten en de katholieken onder de voorvechters der vrijheid werd door het te Gent voorgevallene nog vergroot.Voorshands viel dit evenwel niet sterk in het oog, ja de macht van den prins van Oranje en de eensgezindheid onder de patriotten scheen in den eerstvolgenden tijd grooter dan ooit. Op zijn raad verklaarden de Staten-generaal den 7enDecember 1577, dat don Juan opgehouden had, stadhouder en gouverneur-generaal des konings te zijn, wijl hij zich schuldig had gemaakt aan verbreking van den bezworen vrede en zich als vijand van het land gedragen had. Alle Nederlanders, die hem in ’t vervolg gehoorzaamden, zouden als verraders en muiters beschouwd worden.Met dit besluit was de oorlog tusschen don Juan en de vereenigde provinciën verklaard, en juist dit had de prins van Oranje bedoeld, daar hij een openlijken krijg voordeeliger achtte dan een twijfelachtigen vrede.Ook twee andere vurige wenschen van den prins: het sluiten van een overeenkomst tusschen katholieken en protestanten op het stuk van godsdienst en van een verbond met Engeland, gingen thans in vervulling over.De prins had met de Calvinistische geloofsbelijdenis niet den bitteren haat overgenomen, dien de Calvinisten toenmaals jegens alle andersdenkenden koesterden. In godsdienstige verdraagzaamheid was hij zijn tijd verre vooruit en onophoudelijk had hij—tot dusver echter vruchteloos—er naar gestreefd eene algemeene verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in de Nederlanden te doen heerschen. Eindelijk geloofde hij zijn doelwit getroffen te hebben. Den 10enDecember 1577 werd de tweede Brusselsche Unie onderteekend, waarin de katholieken en protestanten elkander wederkeerig achting, verdraagzaamheid en bescherming beloofden. Ook de aanzienlijkste katholieken onderteekenden de tweede Brusselsche Unie, die echter helaas! slechts van korten duur zou zijn.Den 7enJanuari 1578 werd een voor de Nederlanders weinig minder belangrijk stuk, een verdrag met koningin Elisabeth van Engeland, waarvoor Oranje reeds sinds lang vruchteloos geijverd had, te Londen onderteekend. Thans had Elisabeth eindelijk besloten, openlijk partij te kiezen voor de Nederlanders, zij stond dezen ondersteuning in geld en manschappen toe, doch verbond daaraan de voorwaarde, dat de prins van Oranje tot plaatsvervanger van den aartshertog Matthias benoemd zou worden.Wel zond Elisabeth nog na het sluiten van het verdrag gezanten tot koning Philips II van Spanje en tot don Juan, om deze van hare vredelievende bedoelingen en van hare gunstige gezindheid jegens den koning te verzekeren, maar de woorden van het verdrag waren te duidelijk dan dat deze diplomatieke kunstgreep der koningin eenige uitwerking had kunnen hebben.Nauwelijks 14 dagen na het sluiten van dit verdrag, den 20enJanuari 1578, legde de aartshertog Matthias den eed af op de nieuwe staatsregeling, gelijk die door den prins van Oranje en de Staten-generaal na langdurige beraadslagingen was vastgesteld, hoewel hem daarbij ter nauwernood eene schaduw van macht gelaten was.Het zwaartepunt der geheele wetgevende en zelfs der uitvoerende macht berustte volgens de nieuwe constitutie bij de Staten-generaal en bij den door deze te benoemen Staatsraad; zelfs de hoogere beambten en officieren mocht de gouverneur-generaal niet zelfstandig benoemen. Matthias was niets dan een pop, waarmede de leden van den Staatsraad spelen konden; de ziel van het uitvoerend bewind was en zou blijven de prins van Oranje, die zijne betrekking als ruwaard van Brabant behield en bovendien tot plaatsvervanger van den gouverneur-generaal benoemd werd. Des laatsten machteloosheid was zoo groot, dat het volk hem spottend den griffier van den prins van Oranje noemde.De jonge, ijdele aartshertog aanvaardde in weerwil hiervan die niets beteekenende waardigheid en hij smaakte ten minste de voldoening, dat de Nederlanders hem met uiterlijke eerbewijzen overlaadden. Zijn intocht in Brussel werd gevierd met een praal, die zelfs den bij den intocht van don Juan ten toon gespreiden luister overtrof.Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan van Oostenrijk te Namen. Hij zag zich na zijn mislukten aanslag op Antwerpen eensklaps van allen invloed op de regeering beroofd; slechts twee provinciën, Namen en Luxemburg, gehoorzaamden hem nog.Heftig vertoornd over de vermetelheid der Nederlanders, die hem zóó driest het hoofd boden, was don Juan tevens in zijn hart recht blijde,dat thans eindelijk de oorlog verklaard en hij niet langer genoodzaakt was om zachtmoedigheid en vriendelijkheid te huichelen. De oorlog was zijn element; kwam het maar eenmaal tot een gevecht, dan hoopte hij de burgers en boeren met hunne havelooze benden licht uit elkaar te zullen drijven. Thans verklaarde hij openlijk, dat hij eene geduchte wraak op de oproerige burgers van Brussel en van de overige rebelleerende steden nemen zou.Don Juan liet het niet bij woorden. Van alle zijden trok hij krijgsbenden samen en de oude Spaansche soldaten, wien de rijke buit nog heugde, vroeger door hen in de Nederlanden gemaakt, snelden vol blijdschap toe, om zich onder zijne banieren te scharen en voor hunne verdrijving uit het land bloedige wraak te nemen. Alexander Farnese van Parma, de zoon der voormalige landvoogdes Margaretha, voerde die versterkingen zijnen bloedverwant toe. Ook graaf Peter Ernst van Mansfeldt sloot zich met eene bende geoefende huurlingen, welke hij in Frankrijk aangeworven had, bij don Juan’s krijgsmacht aan.Dagelijks groeide don Juan’s leger aan. In het begin van het jaar 1578 had hij reeds ongeveer 20.000 man uitgelezene troepen onder zijne bevelen en deze geoefende manschappen werden door de uitstekendste veldheeren van hun tijd, door don Juan, den overwinnaar van Lepanto, door Alexander Farnese, Mansfeldt, Mondragon, Mendoza en anderen aangevoerd. Ook de prins van Oranje en de Staten-generaal hadden een leger op de been gebracht, dat ten minste even sterk was als dat van don Juan, doch waarbij zoowel de in den oorlog zoo noodzakelijke krijgskundige eenheid als de leiding van bekwame veldheeren ontbrak.De prins van Oranje had zich genoopt gezien om de hoogere bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen te schenken. Hij hoopte deze door zulk een blijk van vertrouwen geheel te verzoenen; toch deed hij daaraan verkeerd, want deze edelen waren niet met hunne gansche ziel bij den strijd en velen hunner wenschten misschien zelfs wel in hun hart den vijand de overwinning op den gehaten prins van Oranje toe. Het opperbevel over het leger was opgedragen aan den heer van Goignies, een oud soldaat van Karel V en een dapper man, doch die nog geen enkel bewijs van veldheerstalent had gegeven.Het leger der prinsgezinden rukte tegen Namen op. Goignies wilde don Juan, wiens strijdkrachten hem geheel onbekend waren, aanvallen, doch trok terug, toen hij vernam, dat de vijand ten minste even sterk was als hij. Alexander Farnese trok van de gunstige gelegenheid, hem aangeboden, terstond partij. Onverhoeds overviel hij het leger van Goignies en bracht het den 31enJanuari bij Gemblours zulk eene beslissende nederlaag toe, dat het bijna geheel vernietigd werd. Meer dan 6000 man bleven op het slagveld; 600 man werden als krijgsgevangenen naar Namen gevoerd: don Juan, de edele ridder, liet hen deels van de brug in de Maas werpen en zoo als honden verzuipen, deels ophangen. Het gevolg van deze zegepraal was, dat een aantal kleine steden door de Spanjaarden werd ingenomen, de meeste gaven zich zonder slag of stoot over. In de plaatsen, wier inwoners zich verdedigden, werd op de gewone wijze geplunderd, gemoord en gebrand.De indruk, welke de nederlaag bij Gemblours op de Nederlanders maakte, was geheel anders als don Juan verwacht had. Zij verwekte geen schrik, maar verbittering. Het volk was woedend over de onbekwaamheidder katholieke edelen en schreeuwde verraad. De prins van Oranje had moeite om het Brusselsche gemeen van daden van geweld terug te houden. Door het geheele land heen spanden de vrienden der vrijheid hunne krachten in, om een nieuw leger op de been te brengen. Bovendien werd de moed der Nederlanders verhoogd door eene gelukkige gebeurtenis, die wel tegen een verloren slag kon opwegen.Tot dusver was de stad Amsterdam jegens de zaak der vrijheid vijandig gezind geweest. De invloed der monniken, die daar in grooten getale werden aangetroffen, en van het streng katholieke, vervolgingszuchtige stadsbestuur had de aansluiting van de rijke en machtige stad aan de van de Spaansche heerschappij bevrijde gewesten het tot dusver verhinderd, doch thans schaarde ook zij zich aan de zijde van den prins, onder voorwaarde, dat de katholieke godsdienst binnen Amsterdam de heerschende blijven en de hervormde slechts geduld worden zou. Een verdrag in dezen geest werd aangegaan, doch—gelijk wij hier terstond bijvoegen willen—slechts gedurende enkele maanden door de hervormden nageleefd. Deze, die na den terugkeer der ballingen en voortvluchtige Calvinisten het machtigste deel der bevolking uitmaakten, verdreven den 28enMei 1578 de katholieke overheden en verschaften door eene onbloedige omwenteling der hervorming de zegepraal in de belangrijkste stad van Holland.Ook in de overige provinciën werden in dezen tijd de Calvinistische denkbeelden meer en meer verbreid, en het kwam tengevolge hiervan vaak tot hevige, soms zelfs tot bloedige twisten, tusschen katholieken en protestanten. Hoezeer Willem van Oranje ook zijn best deed om door een algemeenen godsdienstvrede de leden der beide kerkgenootschappen tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen, toch gelukte dit hem, helaas! niet. De tweespalt der godsdienstige partijen en daarmee de weerzin der katholieke edelen, der malcontenten, gelijk zij zich noemden, tegen de regeering van Oranje werd met den dag sterker.Philips II van Spanje had intusschen nog eene poging gewaagd om de oproerige Nederlanders door een koninklijk schrijven, hetwelk hij door den heer de Selles, den broeder van den overledenen Noircarmes, hun toezond, tot gehoorzaamheid aan zijn gezag terug te brengen. De koning schreef zeer vriendelijk en voorkomend. Hij verklaarde daarin, niets vuriger te wenschen dan vrede met zijne geliefde kinderen te sluiten, en wat hij verlangde, was zoo weinig! Het was niets dan herstelling van de onbeperkte koninklijke macht en van de katholieke godsdienst, evenals ten dage van Karel V, of—met andere woorden—niets meer of minder dan de vernietiging van alle vrijheden der Nederlanders en de wederoprichting van de brandstapels tot uitroeiing van de ketters, wier getal sinds dien tijd op ongeloofelijke wijze aangegroeid was.Dat de prins van Oranje en de Staten-generaal zulke vredesvoorwaarden met verachting van de hand wezen, spreekt van zelf; veel liever wilden zij den oorlog tot het uiterste voortzetten en daarom rustten zij zich ten strijde toe. Een nieuw leger werd onder de wapenen gebracht, doch weder was de prins van Oranje genoodzaakt om de noodlottige fout te begaan, van de belangrijkste bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen toe te vertrouwen.Het leger groeide binnen korten tijd sterk aan, ook uit Engeland kwam hulp opdagen. Elisabeth zond den Paltzgraaf Johan Casimir, die voor Engelsch geld eene aanzienlijke krijgsbende aangeworven had, naar de Nederlanden.Don Juan zat evenmin stil, dewijl hij zich niet sterk genoeg achtte om van de overwinning bij Gemblours door het vermeesteren van groote steden partij te trekken. Gaarne zou hij een beslissenden slag geslagen hebben, doch dit was hem niet mogelijk, dewijl het hem ontbrak aan de noodige gelden, welke hem, in weerwil van zijne dringende beden, niet in voldoende mate door Philips II toegezonden werden. Hij moest zich daarom bepalen tot onbeduidende ondernemingen en de zomer van 1578 verliep, zonder dat een belangrijk treffen tusschen de Spanjaarden en de Nederlanders plaats gegrepen had.Terwijl Oranje al zijne krachten inspande om het land in staat van verdediging te brengen, had de hooge katholieke adel op nieuw een kunstgreep beproefd, ten einde de macht van den gehaten prins te fnuiken. Het plan om Oranje door den aartshertog Matthias te verdringen, was mislukt; de prins regeerde eigenlijk voor den gouverneur-generaal, die niets dan een schijn van macht bezat, en deze moest daarom door een ander katholiek vorst vervangen worden.Hertog Frans van Alençon, die thans den titel van hertog van Anjou droeg, de zoon van Catharina de Medici en broeder van den Franschen koning, was door den katholieken adel uitverkoren om de rol, vroeger den aartshertog Matthias opgedragen, over te nemen en Oranje’s invloed te vernietigen.De eerzuchtige hertog had den Nederlanders zijne hulp toegezegd. Hij had zich naar Mons begeven en zond van daar gezanten, om met den prins van Oranje en de Staten-generaal te onderhandelen.Oranje werd door dezen stap der katholieke heeren inderdaad in groote verlegenheid gebracht. Wees hij Anjou’s hulp van de hand, dan stond het te vreezen, dat deze tot don Juan overloopen en dat bovendien de katholieke adel ontrouw worden zou. Stond hij daarentegen den hertog den door dezen gewenschten invloed op het lot der Nederlanden toe, dan verstoorde hij daardoor het Engelsche bondgenootschap, hetwelk koningin Elisabeth alleen gesloten had, om de Fransche heerschappij over de Nederlanden onmogelijk te maken.Met een meesterlijk staatkundig beleid wist Oranje deze moeilijkheden te boven te komen: op zijne aansporing sloten de Staten-generaal in Augustus 1578 met den hertog een hoogst merkwaardig verdrag. Deze ontving den trotschen, weidschklinkenden titel van „Beschermer der Nederlanders tegen de Spaansche dwingelandij”; hij verbond zich om den provinciën gewapenden bijstand tegen don Juan te verleenen, zich van alle vijandelijkheden tegen koningin Elisabeth van Engeland te onthouden en zich in alle opzichten aan het burgerlijk bestuur des lands te onderwerpen; daarvoor beloofden de Staten-generaal, hem de voorkeur te zullen geven, wanneer zij ooit een anderen vorst de kroon der Nederlanden mochten aanbieden. Buitendien werd bepaald, dat men nog ééne poging wagen zou om door middel van onderhandelingen op don Juan invloed uit te oefenen.Het laatste geschiedde; doch natuurlijk te vergeefs. De strijd tusschen de Staten-generaal en de Spaansche regeering kon alleen door middel der wapenen beslecht worden. Doch voor Don Juan was het niet weggelegd, tot de oplossing van het geschil iets bij te dragen. Hij stierf den 1enOctober 1578 in de legerplaats bij Namen, nadat hij zijn neef Alexander Farnese, hertog van Parma, tot zijn opvolger benoemd had.Vreemde geruchten knoopten zich aan den dood van den overwinnaar van Lepanto vast. Men verhaalde, dat hij vergiftigd was; waarschijnlijk echter is hij aan eene toen heerschende pest gestorven.Vijftiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Alexander Farnese. Zijn verleden. Zijn karakter. Regeeringloosheid in de Nederlanden. Godsdiensthaat. De Walen. De omwenteling te Gent. Jacob Hessels door Ryhove vermoord. Beeldstorm te Gent. Willem van Oranje te Gent. Voortdurende partijtwisten. Johan Casimir en de hertog van Anjou verlaten de Nederlanden. Ongeregeldheden, door de huurtroepen gepleegd. Omkoopbaarheid des adels. Bond der Waalsche provinciën. De Unie van Utrecht.Alexander Farnese, de zusterszoon van don Juan en de neef van den ongelukkigen don Carlos, was van denzelfden leeftijd als deze zijne beide bloedverwanten, met wie hij opgevoed was. Hij ging, toen hij don Juan opvolgde, in zijn dertigste jaar.Evenals deze, was hij dapper tot vermetelheid toe; met een voor niets terugdeinzenden moed placht hij zich in het dichtst van het slaggewoel te werpen, ten einde door zijn voorbeeld zijne soldaten met zulk eene geestdrift te bezielen, dat zij hem volgden, waarheen hij hen ook voeren mocht.Hij was een voortreflijk soldaat en een nog voortreflijker veldheer, want hij vereenigde met eene onwederstaanbare dapperheid kalm overleg, hetwelk hem steeds op het juiste tijdstip de beste middelen ter zegepraal deed aangrijpen.Als staatsman overtrof Farnese den avontuurlijken don Juan verre. Ingewijd in de diplomatische kunstgrepen der Italiaansche staatkunde, wist hij zich naar de gegevene omstandigheden te schikken, zonder toch ooit zijn doel uit het oog te verliezen. Hij bezat eene groote mate van standvastigheid en volharding, terwijl don Juan slechts halsstarrig was geweest en bij het mislukken zijner pogingen in de Nederlanden alle lust en allen moed verloren had. Ten aanzien der middelen tot bereiking van zijne doeleinden verkeerde Farnese nooit in verlegenheid, elk middel was hem welkom, indien het hem slechts tot zijn doel nader voerde. Wanneer zijn opbruisende moed hem tot een warm vriend van een zegevierenden oorlog maakte, hield zijn koel verstand hem van elk overijld begin van een strijd terug: hij waagde zich daaraan nooit, voordat hij op een gelukkigen uitslag kon hopen. Eene overwinning door middel van geslepene, bedriegelijke onderhandelingen, ja zelfs door omkooperij en verraad behaald, was hem even welkom als zulk eene, welke hij met het zwaard in de vuist bevochten had.Toen Alexander Farnese het ambt van don Juan aanvaardde, doorzag hij volkomen de moeilijkheden, waarmede hij te worstelen zou hebben,om de Nederlanders weer aan het gezag des konings en der katholieke kerk te onderwerpen; doch zijn besluit stond vast om tot de bereiking van dat doel al zijne krachten in te spannen. Hij haatte de ketters, die hij, evenals de Muzelmannen, welke hij bij Lepanto had helpen verslaan, als heidensche honden beschouwde. Niet dat hij zich ooit met diepzinnige navorschingen op het gebied der godsdienstleer ingelaten had,—dit werk liet hij gaarne aan de godgeleerden over, hij vergenoegde zich daarmede, dat hij, als goed katholiek, regelmatig de mis bijwoonde,ter bestemder tijde biechtte en de overige uiterlijke kerkplichten waarnam, maar hij koesterde een instinctmatigen afkeer van lieden, die het waagden, tegen het gezag des konings en der heilige kerk op te staan. Zulke muiters en heidenen te verbranden, te verdrinken of op te hangen was in zijn oog iets natuurlijks, ja verdienstelijks; doch hij was niet zóó dweepziek, dat hij niet bereidvaardig, wanneer dit voordelig scheen, den tijd der wrake op de oproerlingen en ketters kalm verbreidde.Dat hij in weerwil van zijn vurigen moed eene groote mate van geduld bezat, toonde hij terstond na het aanvaarden van zijne moeilijke taak. Hij wilde zich volstrekt niet overhaasten, ten einde van den uitslag zeker te zijn.De omstandigheden waren voor zulk een geslepen staatsman, als Alexander Farnese was, toen buitengemeen gunstig.De katholieke edelen waar door de bewonderenswaardige staatkunde van den prins van Oranje weer van de vrucht hunner bemoeiingen beroofd. De macht van den ketterschen leider der omwenteling was door den hertog van Anjou evenmin gefnuikt als vroeger door den aartshertog Matthias. Zij gevoelden derhalve eene sterke neiging om met de koning van Spanje vrede te sluiten, wanneer zij dit op gunstige voorwaarden konden doen. Al hadden zij ook half gedwongen hunne toestemming tot den godsdienstvrede geschonken, toch konden zij zich niet verhelen, dat deze veel meer den ketters dan hun ten goede komen zou, zij vreesden,—en wellicht niet geheel ten onrechte—dat de vrucht van de godsdienstvrede eindelijk de heerschappij der hervorming in het geheele land zou zijn.Zoo dachten in de zuidelijke, Waalsche provinciën ook de menigvuldige priesters en een deel der katholieke bevolking, dat op de ketters zeer gebeten was. Het aantal der malcontenten groeide met den dag aan en op meer dan ééne plaats kwam het tot bloedige botsingen tusschen de godsdienstige partijen. De malcontenten vervolgden de Calvinisten, die in grooten getale uit de ballingschap waren teruggekeerd, terwijl aan den anderen kant ook deze, die de macht in handen hadden, het niet aan daden van geweld jegens de katholieken lieten ontbreken.Tengevolge van dit alles heerschte in de Nederlanden eene bedroevende regeeringloosheid, die nog vermeerderd werd door de talrijke huurbenden, die op eigen gezag roofden en plunderden, dewijl zij niet regelmatig hunne soldij ontvingen. Ook de door de Staten aangeworven huurtroepen hielden huis als in eens vijands land.De bevolking der Waalsche provinciën, die in taal, afkomst, zeden en godsdienst zoo hemelsbreed van het Germaansche Noorden verschilden, moesten wel bedenkelijk het hoofd schudden over de vruchten, welke de pas verworven vrijheid droeg. Niet alleen zagen de Walen zich aan de aanslagen der losbandige huurtroepen blootgesteld, maar zij achtten zich, in weerwil van den godsdienstvrede, in hunne godsdienstige overtuigingbedreigd. Of zagen zij niet met hunne oogen, hoe binnen Gent de omwentelingspartij hare zegepraal tot vervolging van de katholieken en tot het plegen van schandelijke daden van geweld misbruikte?Ryhove en Hembyze, de aanvoerders dier partij, hadden zich binnen Gent eene schier onbeperkte macht verworven; zij voerden het bewind in naam van den prins van Oranje, wiens verklaarde aanhanger Ryhove was. Toch waren zij volstrekt niet gezind om de bevelen op te volgen, welke de prins hun gaf, allerminst hadden zij lust om—gelijk de prins eischte—de gevangene katholieken in vrijheid te stellen.Onder deze gevangenen bevond zich—gelijk we reeds meedeelden—ook een voormalig lid van Alba’s bloedraad, dezelfde Jacob Hessels, die, wanneer hij gedurende de zittingen van den raad ingedommeld was en wakker gemaakt werd, nooit een ander vonnis velde dan: „naar de galg!”Hessels was Ryhove’s persoonlijke vijand; hij had bij zijn grijzen baard gezworen, dat hij niet zou rusten, eer hij dezen bandiet aan de galg gebracht had, en zijn verleden was borg, dat hij zijn woord gestand zou doen, zoodra hij daartoe de macht zou bezitten.In de eerste dagen van October 1578 ontving Ryhove bevel om uit te rukken tegen eene schaar malcontenten, die zich in de nabijheid van Kortrijk vereenigd had. Doch hij had vast besloten, Gent niet te verlaten, zoolang Hessels en een andere gevangene, die insgelijks zijn persoonlijke vijand was, de voormalige staatsprocureur Visch, in leven waren. Hij vreesde namelijk, dat deze mannen gedurende zijne afwezigheid in vrijheid gesteld en later voor hem gevaarlijk zouden worden.Den 4enOctober 1578 haalde hij de beide gevangenen uit hun kerker en liet hen op een door gewapenden begeleiden wagen buiten de poort voeren. Niet ver van de stad hield de wagen op Ryhove’s bevel stil, de gevangenen moesten afklimmen en nu kondigde Ryhove hun aan, dat zij terstond aan den naasten boom opgehangen zouden worden. Hij bespotte daarbij op eene schandelijke wijze den ouden Hessels naar aanleiding van diens eed, ja hij ging zoover, dat hij hem op de laaghartigste wijze mishandelde, door hem met de vuist in den baard te grijpen en daar een handvol grijze haren uit te rukken, welke hij, als teeken van wraak, in plaats van een veder, op zijn hoed stak! Onder wreede spotredenen volgden zijne gezellen het voorbeeld van hun onwaardigen aanvoerder; vervolgens werden de beide ongelukkigen aan den naastbijstaanden boom opgehangen.Hessels en Visch, doch vooral de eerstgenoemde, verdienden ongetwijfeld den dood, en was die straf tengevolge van een wettig rechterlijk vonnis aan hen voltrokken, dan zou hun lot door weinigen beklaagd zijn. Doch thans vielen zij als de slachtoffers van eene schandelijke, persoonlijke wraakoefening. Ryhove, het hoofd der Gentsche omwentelingspartij, de vriend van Oranje, had hen zonder vorm van proces omgebracht en zijne misdaad bleef ongestraft, want de prins bezat geen macht genoeg om hem zijn ongenoegen te doen gevoelen. Was het wonder, dat de malcontenten luide om wraak riepen, dat zij de afgrijselijke misdaad, door dien éénen man gepleegd, als een voorwendsel aangrepen om ook van hunne zijde dergelijke wreedheden jegens de protestanten te verontschuldigen, en dat de woedende Gentenaars op hunne beurt weer wraak namen door de katholieke priesters te mishandelen en de kloosters te plunderen?Het bloedige zaad bracht bloedige vruchten voort. De wederzijdschehaat der partijen groeide aan, van beide kanten werden telkens nieuwe misdaden bedreven. Den prins van Oranje, wiens vurigste wensch het was, de geheele Nederlandsche natie in het bezit der vrijheid te stellen en haar, door den band der godsdienstige verdraagzaamheid omsnoerd, als één man tegen den gemeenschappelijken vijand ten strijde te voeren, ontbraken de middelen om zijn heerlijk, voor dien tijd al te schoon ideaal te verwezenlijken.Te vergeefs trachtte de prins de Gentenaars door goede woorden tot rust te brengen, zijne pogingen baatten niets. In het begin van December 1578 brak er zelfs een nieuwe opstand uit, die een algemeenen beeldstorm en andere gewelddadigheden ten gevolge had.De bevolking van Gent vierde des te onbeschroomder den teugel aan hare hartstocht, dewijl zij zich beveiligd wist door den paltsgraaf Johan Casimir die, door de hoop op de gravenkroon van Vlaanderen geprikkeld, met hen gemeene zaak maakte.De prins van Oranje zag deze telkens herhaalde tooneelen van ruw geweld met diepe bekommering aan, dewijl zij de kloof, die buitendien tusschen de katholieken en de protestanten, tusschen de Waalsche en de Germaansche provinciën reeds gaapte, dagelijks dieper maakte. Hij besloot in persoon naar Gent te reizen, ten einde daar den vrede te herstellen. Zijne vrienden waarschuwden hem; zij vreesden dat hij door het woedend gemeen vermoord zou worden, maar hij verachtte elk gevaar, waar het er op aan kwam, tot bereiking van het groote doel zijns levens werkzaam te zijn.Den 24enDecember 1578 kwam hij te Gent aan. Hij had eene hoogst moeilijke taak te volvoeren. Noch Johan Casimir, noch Hembyze en diens aanhangers mocht hij zich tot vijand maken; hij moest het grootst mogelijk beleid aanwenden om een godsdienstvrede tot stand te brengen. Doch aan zijne wegslepende overredingskracht gelukte dit; den 27enDecember werd de vrede tusschen de beide godsdienstige partijen binnen Gent afgekondigd.De vruchten, welke de prins van dezen stap plukte, waren echter niet duurzaam. De Walen en malcontenten dachten er niet aan, zich door het nederleggen van de wapenen weerloos in de macht der ketters over te leveren en evenmin wilden de Gentsche revolutionairen afstand doen van de macht, welke zij bezaten.De partijtwist duurde voort en de macht der katholieken groeide aan, toen Johan Casimir, wien het aan geld ontbrak om zijne morrende huurtroepen tot rust te brengen, die bovendien door koningin Elisabeth overladen werd met verwijten over de onwaardige rol, welke hij gespeeld had, het werkelooze leven in de Nederlanden moede werd. Hij zag zich hier niet langer een veld voor zijne eerzucht geopend; daarom liet hij zijne huurtroepen aan hun lot over en keerde voorloopig naar Duitschland terug.Evenzoo handelde ook de hertog van Anjou, die insgelijks de Nederlanden verliet, omdat hij zijne eerzuchtige plannen niet zoo spoedig verwezenlijkt zag als hij gehoopt had. Natuurlijk maakten de door hunne aanvoerders verlatene huurtroepen van hunne vrijheid gebruik om in het ongelukkige land, tot welks bescherming zij aangeworven waren, naar hartelust te rooven en te plunderen. Hunne misdaden werden door de katholieken natuurlijk op rekening gesteld van den prins van Oranje, ofschoon zoowel de protestanten als de katholieken daarvan de slachtoffers waren.Alexander Farnese zag met blijdschap, hoe de tweespalt der kerkelijke partijen steeds dieper wortelen schoot, hoe de haat van den katholieken adel en de geestelijkheid dagelijks bitterder werd, en hij verstond meesterlijk de kunst om dat vuur aan te blazen. Hij spaarde noch vleierijen noch geld om de aanzienlijke katholieke heeren tot de Spaansche partij over te halen en het door hem gestrooide zaad viel in een vruchtbaren grond.Heimelijk onderhandelde hij met den baron van Montigny, met den heer de la Motte, den bevelhebber van Grevelingen, met den stadhouder van Artois, Capres, en met den burggraaf van Gent, die hij door omkooping en door de belofte van aanzienlijke eerambten langzamerhand voor zich won. Zijne agenten en vooral de katholieke geestelijken hadden het reeds veel vroeger zoover gebracht, dat de Waalsche provinciën het besluit namen om tegen de hand over hand toenemende macht van het protestantisme een afzonderlijk verbond aan te gaan. Den 6enJanuari 1579 werd het verbond der Waalsche gewesten Artois, Henegouwen en Douay tot handhaving van de katholieke godsdienst te Atrecht gesloten. Wel steunde dit verbond nog altijd op de pacificatie van Gent en rukten de drie gewesten zich in schijn nog niet van het verbond der gezamenlijke Nederlanden los, doch inderdaad werden daardoor de Waalsche provinciën van de overige Nederlanden afgescheurd en werd haar overgang tot de Spaansche partij daardoor voorbereid.De prins van Oranje was een te scherpzinnig staatsman om door het verbond van Atrecht verrast te worden. Reeds sinds lang had hij begrepen, dat de afval der Walen niet verhinderd kon worden, en hij spande derhalve in stilte al zijne krachten in om een tegenbond der Noordelijke provinciën tot stand te brengen. Hij zelf kon tot bereiking van dit doel geene openlijke stappen doen, indien hij niet alle katholieken der Nederlanden tegen zich in het harnas wilde jagen, maar hij droeg de onderhandelingen hierover op aan zijn broeder, graaf Jan van Nassau-Dietz, zijn trouwen helper, dien hij met het stadhouderschap over Gelderland bekleedde.Na langdurige beraadslagingen en herhaalde bijeenkomsten werd eindelijk het groote werk tot stand gebracht: graaf Jan van Nassau zag zijne moeite rijkelijk door de uitkomst beloond.Den 23enJanuari 1579 onderteekenden de afgevaardigden van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland met Zutfen en de Groninger Ommelanden te Utrecht de beroemde Unie, waartoe in den loop des jaars nog Friesland, Overijssel en de steden Groningen, Gent en Antwerpen toetraden.De Unie van Utrecht wordt te recht als de hoeksteen van het gebouw der republiek der Vereenigde Nederlanden beschouwd; zij is daarom een der gewichtigste geschiedkundige oorkonden van dien tijd, hoewel zij nog altijd met geen enkel woord van de stichting eener republiek repte, maar integendeel de pacificatie van Gent en alzoo de verplichting tot trouw aan den Spaanschen koning bleef handhaven. De belangrijkste bepalingen, welke de 26 artikelen der Unie bevatten, waren vooreerst de verplichting der voor altijd verbonden provinciën om zich tot wederzijdsche verdediging tegen de koninklijke troepen te vereenigen, vervolgens de volledige vrijheid, aan Holland en Zeeland toegestaan, om hunne godsdienstige aangelegenheden naar eigen goeddunken te regelen en de herstelling van de godsdienstvrijheid in de overige gewesten. Graaf Jan van Nassau onderteekende als stadhouder van Gelderland en Zutfen het eerstde beroemde oorkonde; op hem volgden de overige afgevaardigden. Willem van Oranje, de eigenlijke ontwerper der Unie, onderteekende haar eerst den 3enMei 1579, nadat zijne hoop aan het verbond grootere uitbreiding te geven, verijdeld was.Zestiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Belegering van Maastricht. Dappere verdediging der burgerij. Farnese’s geslepene staatkunde, zijn bondgenootschap met de Waalsche provinciën. Egmond’s verraad te Brussel. Overrompeling van Maastricht. Het bloedbad. De orde binnen Gent hersteld.Al had Alexander Farnese een juisten blik op de tijdsomstandigheden geworpen en zijn ongeduld beteugeld, ten einde niet door ontijdige stappen den voor de Spaansche heerschappij zoo gunstigen loop der gebeurtenissen in de Waalsche provinciën te stremmen, toch had hij daarom niet stil gezeten. Integendeel, hij had alle mogelijke maatregelen genomen om den strijd te hervatten. Thans, nu alles tot eene verzoening van de katholieke partij met den koning voorbereid was, kon hij haar slechts bespoedigen, wanneer het hem gelukte, door een schitterend wapenfeit der omwenteling een gevoeligen slag toe te brengen.Den 2enMaart 1579 ondernam Farnese een schijnaanval op Antwerpen; hij werd afgeslagen, doch juist hierop had hij gerekend. Hij had namelijk dien aanval alleen ondernomen om de opmerkzaamheid zijner vijanden van zijn eigenlijk doel af te leiden en dit gelukte hem volkomen. Tien dagen nadat hij voor Antwerpen verschenen was, vertoonde hij zich eensklaps voor Maastricht, ten einde deze belangrijke vesting, die den middenloop der Maas beheerschte, te belegeren.Maastricht was eene sterke vesting; zij vormde den sleutel der verbinding van de Nederlanden met Duitschland. Indien de Nederlanders Farnese’s plan hadden kunnen gissen, zouden zij in de gewichtige stad een sterke bezetting gelegd hebben, doch dit was niet gebeurd. Daar binnen bevonden zich slechts ongeveer 1000 man soldaten—Franschen, Engelschen en Schotten—en buitendien een burgerwacht van ongeveer 1200 man en 3 tot 4000 landlieden uit den omtrek, die voor de Spanjaarden gevlucht waren. Ook deze bereidden zich moedig tot de verdediging voor, maar zij waren grootendeels slecht gewapend.Tegen deze zoo zwakke bezetting voerde Parnese een leger van 20.000 man aan, waarmee hij de vesting zoo nauw insloot dat hij alle gemeenschap der belegerden met de buitenwereld afsneed. Hij wierp eene sterk verschanste legerplaats op, ten einde alle pogingen tot ontzet vooraf te verijdelen, en trok buitendien dagelijks nieuwe troepen tot zich, zoodat de belegeraars binnen korten tijd ongeveer 30.000 man sterk waren.Indien Farnese op grond van zijne overmacht op eene spoedigezegepraal gehoopt had, dan zag hij zich deerlijk bedrogen. Hij ontmoette een even onverwachten als dapperen tegenstand. Soldaten, burgers en landlieden gingen een edelen wedstrijd aan om de vesting tegen de gehate Spanjaarden te verdedigen, zelfs de vrouwen namen deel aan den strijd. Zij vochten even dapper als de mannen. Toen na zware verliezen, tengevolge van de wel dapper afgeslagene, maar telkens herhaalde bestormingen, het garnizoen den moed liet zakken, verklaarden de burgers en boeren met de dappere vrouwen, dat zij zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen en het garnizoen onschadelijk maken zouden, indien dit nog een woord van overgave durfde reppen. Zij deelden iets van hun eigen heldenmoed aan de soldaten mede en deze trachtten van nu af door dubbele dapperheid te doen vergeten, dat zij voor een oogenblik den moed opgegeven hadden.Terwijl voor Maastricht dagelijks gevochten werd, was Farnese onvermoeid bezig om de Waalsche provinciën door beloften en vleierijen geheel van de noordelijke te scheiden. Gemakkelijk ging dit echter niet, want nog altijd was bij een groot deel der Walen de haat tegen de Spanjaarden niet uitgeroeid; zij hadden zich slechts bij het verbond van Atrecht aangesloten, om de heerschappij der katholieke kerk in het land te handhaven.De Walen beweerden, dat zij bij het sluiten van dat verbond aan de pacificatie van Gent trouw gebleven waren, ja dat zij juist de daarin uitgedrukte beginselen krachtig handhaafden, terwijl aan den anderen kant de leden der Unie van Utrecht en de Staten-generaal zich insgelijks op de pacificatie van Gent beriepen, welke alzoo beiden partijen tot leuze diende.Van dit verschil der Nederlanders, dat Alexander Farnese zoo juist van pas kwam, trok deze meesterlijk partij. Hij vaardigde een stuk aan de Staten-Generaal uit, waarin hij van hen de handhaving van de pacificatie van Gent eischte, en verklaarde, dat deze door de Walen stipt geëerbiedigd werd.Hierdoor vleide hij de Waalsche provinciën, wien hij bereidvaardig alles inwilligde wat zij verlangden. Dewijl hij hetzelfde doel voor oogen had als zij, namelijk de alleenheerschappij der katholieke kerk in de Nederlanden, deed hij des te eerder de schitterendste beloften, tot welker vervulling hij buitendien niet genoodzaakt worden kon. Hij verzekerde,—en zijn woord werd door den koning bekrachtigd—dat de provinciën in het bezit van al hunne vrijheden en voorrechten hersteld en de Spaansche troepen uit het land verwijderd zouden worden, zoodra een Nederlandsch leger tot bescherming van den katholieken eeredienst gevormd was.Te vergeefs waarschuwde Willem van Oranje de Walen tegen de trouwloosheid en woordbreuk der Spanjaarden. De beloften van Farnese vonden geloof, hiervoor zorgde de ijverige katholieke geestelijkheid en de omgekochte katholieke adel, die geheel de zijde der Spanjaarden gekozen had; hiervoor zorgde Farnese zelf, die al zijne beminlijke hoedanigheden aanwendde om zich bij de Walen populair te maken.Tegen het einde van April 1579 verscheen een talrijk gezantschap uit de Waalsche provinciën in de legerplaats voor Maastricht, om met Farnese in persoon te onderhandelen. Eene schitterende ontvangst viel den afgevaardigden ten deel. Farnese gedroeg zich jegens hen zóó minzaam en voorkomend, dat hij hen in verrukking bracht.Kort daarop, in Mei 1579, kwam een voorloopig verdrag tot stand, waarbij de Waalsche provinciën zich opnieuw aan de koninklijke macht onderwierpen, onder voorwaarde, dat al hunne privilegiën geëerbiedigd en de Spaansche troepen verwijderd zouden worden.Nog eens bezwoer Willem van Oranje de Walen, dat zij niet ontrouw zouden worden aan het gemeenschappelijk vaderland. Doch het was te laat! De beslissende stap was gedaan, de Nederlanden waren in twee deelen gesplitst, die voortaan in bittere vijandschap tegenover elkander staan zouden.Het absolutisme had eene schitterende overwinning behaald, ja, maar eene overwinning, die ten slotte voordeelig bleek voor de verdere ontwikkeling der vrijheid.Zou de republiek der Vereenigde Nederlanden ooit zulk een trap van bloei bereikt hebben, als nu tot heil der menschheid het geval was, wanneer men bij elken stap op den weg der vrijheid de dweepzieke katholieke bevolking der Waalsche provinciën angstig naar de oogen had moeten zien? Was het niet een voordeel, dat in ’t vervolg de protestanten, de meest ontwikkelde en welvarende burgers van die gewesten, zich in het Noorden vestigen moesten? Vlocht niet juist deze scheiding om de Nederlanders, die aan de zaak der vrijheid trouw waren gebleven, een nog hechter eendrachtsband en prikkelde zij hen niet tot verdubbelde krachtsinspanning?Al deze zegenrijke gevolgen der scheiding kwamen intusschen eerst later aan het licht; in dien tijd werd die afval der Walen beschouwd als de zwaarste slag, die de Nederlandsche vrijheid treffen kon. De voorstanders van het onbeperkt koninklijk gezag en de dweepzieke katholieken juichten, de protestanten daarentegen waren niet bij machte om hunne verontwaardiging in te toomen. Te Antwerpen, te Utrecht en in andere steden vielen tooneelen van geweld, ja bloedige demonstraties tegen de katholieken voor. Te Brussel daarentegen putte een jong, eerzuchtig edelman uit deze zegepraal der katholieke partij den moed tot eene poging om de hoofdstad des lands weder aan de zijde van den Spaanschen koning te brengen.Philips, graaf van Egmond, de oudste zoon van den onthoofden Lamoraal, had de gebreken, maar niet de talenten van zijn vader geërfd. De ijdele, eerzuchtige man brandde van begeerte om eene belangrijker rol te spelen, dan waarop zijne middelmatige bekwaamheden hem recht gaven. Naijverig op de macht van den prins van Oranje wilde hij dezen nog des te liever ten val brengen, dewijl hij, een streng katholiek, den protestantschen leider der omwenteling haatte.Egmond kommandeerde een in den dienst der staten staand regiment, dat in de nabijheid van Brussel gelegerd was. Hij vormde het avontuurlijk plan om de stad te bemachtigen en haar aan den koning van Spanje over te geven, wiens genade hij zich door het bewijzen van zulk een belangrijken dienst hoopte te verwerven.In den vroegen morgen van den 4enJuni 1579 trok Egmond aan het hoofd van zijn regiment Brussel binnen; hij voerde zijne soldaten naar de groote markt, in het midden der stad, naar dezelfde markt, waar den 5enJuni 1568 het hoofd zijns vaders gevallen was als slachtoffer van de dwingelandij diens konings, wien hij thans de stad verraderlijk wilde overleveren.Het regiment werd in slagorde geschaard en eene afdeeling naar het slot gezonden, om dit te bezetten.Doch de aanslag mislukte. Reeds had de bevelhebber van Brussel, ter rechter tijd gewaarschuwd, de soldaten der bezetting onder de wapenen geroepen en het slot bezet. De kleine door Egmond afgezonden bende werd gevangen genomen.Het gerucht van Egmond’s verraad verbreidde zich met bliksemsnelheid door de stad. De burgers vlogen te wapen, trokken naar de markt en wierpen in alle straten, die daarop uitliepen, barrikaden op. Eer Egmond iets bespeurd had van het gevaar, waarin hij verkeerde, was elke uitweg hem reeds versperd. Waarheen hij zich ook wenden mocht, overal ontwaarde hij door gewapende burgers bezette, wel in aller ijl opgeworpene, maar toch sterke bolwerken voor zich. Hij was met zijn regiment op de groote markt gevangen.Egmond verkeerde in een pijnlijken en vernederenden toestand. Hij durfde de barrikaden niet aanvallen, dewijl hij dan zelf in den rug zou worden aangetast: ook moest hij thans, nu geheel Brussel tegen hem onder de wapenen stond, alle hoop op een gunstigen uitslag opgeven. Hij moest het lijdelijk aanzien, dat de burgers hem van de barrikaden hoonden, „Hij is zeker gekomen”, zeiden ze, „om het hoofd zijns vaders te zoeken en den verjaardag van diens onthoofding te vieren. Laat hem maar eenige straatsteenen voor zijne voeten uit den grond halen, dan zal hij het bloed vinden van den edelen, waardigen martelaar, dat tegen den ontaarden zoon ten hemel schreit.”Deze en dergelijke woorden moest Egmond aanhooren, zonder dat hij zich durfde wreken. Werkeloos moest hij alle smaad- en spotredenen opvangen, die hem naar het hoofd geworpen werden. Een geheelen dag en een geheelen nacht bracht hij in dezen vernederenden toestand door. Zijn hongerende troepen morden, zij wilden zich tegen hem verzetten, toen in den morgen van den 7enJuni het verrassend bericht kwam, dat het hem vergund was ongestraft Brussel te verlaten. Ongetwijfeld had de gedachte aan het groot aantal bloedverwanten en vrienden van den jongen graaf de Brusselaars tot die zachtmoedigheid bewogen. Gehoond door de burgers, bespot en onteerd verliet Philips van Egmond Brussel op den verjaardag van zijn vaders dood.De belegering van Maastricht was intusschen door Alexander Farnese met de grootste krachtsinspanning voortgezet. Zij kostte den Spanjaarden vreeselijke offers, want bij elken storm werden zij door de dappere verdedigers met bebloede koppen teruggeslagen. Duizenden soldaten en vele officieren van hoogen rang1sneuvelden onder de muren der stad, die hardnekkig hare poorten voor den vijand gesloten hield, zij smaakten alleen de voldoening te weten, dat er voor de belegerden geene hoop op ontzet bestond.Parma had zijne legerplaats voor Maastricht zóó sterk bevestigd, dat hij haar tegen eene groote overmacht had kunnen verdedigen, doch de prinsgezinden bezaten geene noemenswaardige krijgsmacht. De kleine krijgsbenden, welke Willlem van Oranje in het veld kon brengen, waren volstrekt niet bij machte om met goed gevolg een aanval op het verschanste kamp der Spanjaarden te doen.Te vergeefs spoorde de prins van Oranje de Staten tot krachtig handelen, tot het beschikbaar stellen van aanzienlijke geldsommen, tot het lichten of aanwerven van meerdere troepen aan, ten einde de belangrijke stad Maastricht voor de Nederlanden te behouden. Al zijne bemoeiingenwaren vruchteloos; zij werden deels door zijne vijanden, deels door de misplaatste spaarzaamheid en de besluiteloosheid der Staten verijdeld.Dewijl de dappere verdedigers van Maastricht geen ontzet zagen opdagen, ja alle hoop daarop moesten laten varen, moesten zij ten slotte wel voor de overmacht zwichten. Hunne krachten werden door de onophoudelijke gevechten uitgeput, de schildwachten konden zich ter nauwernood meer op de been houden.Den 29enJuni 1579 waren—gelijk dit wel meer plaats had—de schildwachten op de wallen in slaap gevallen. Een Spanjaard bemerkte dit en deelde het aan Farnese mede, die terstond bevel gaf om van dezen gunstigen oogenblik tot eene bestorming partij te trekken. Dit geschiedde en eer de slaapdronkene burgers recht wakker waren, zagen zij zich aangevallen door de Spanjaarden, wien zij niet langer het hoofd konden bieden.De stad werd ingenomen en met die onmenschelijke wreedheid behandeld, welke de Spanjaarden gewoonlijk jegens de overwonnen steden aan den dag legden. Drie dagen lang duurde het moorden en toen Alexander Farnese zijn zegepralenden intocht in de veroverde stad hield, werd hij in een prachtigen statiezetel door zijne veteranen over de verminkte lijken der ontelbare vermoorden naar de kerk gedragen.Men verhaalt, dat bijna de gansche bevolking der bloeiende stad door de over hunne groote verliezen woedende Spanjaarden uitgeroeid is; ook de weinigen, die het bloedbad overleefden, mochten niet in hunne vaderstad blijven, zij zetten zich elders neer en Maastricht werd eene woeste, alleen door de overwinnaars bewoonde plaats.De val van Maastricht was een zware slag voor de Nederlanders, doch bijna nog grooter schade bracht de heerschappij van het gemeen, waarvan Gent getuige was, aan de zaak der vrijheid toe.Slechts voor een korten tijd had de tusschenkomst van Oranje de rust daar hersteld; om haar voor goed te herstellen had hij Rijhove, Hembyze en een krachtig volksleider, Peter Datheen, een voormaligen monnik, onschadelijk moeten maken; doch hiertoe was hij niet in staat.Reeds door zijne telkens herhaalde aanmaningen tot rust en orde had Oranje zich Hembyze en Datheen, die zijn invloed duchtten, tot vijanden gemaakt, zij beschuldigden hem namelijk, dat hij een vermomde papist en koningsgezinde was en dat hij met zijn godsdienstvrede slechts de katholieken had willen begunstigen.Rijhove stelde zich wel tegen zijn vroegeren vriend Hembyze over, maar zijne poging om dezen ten val te brengen, mislukte en was daardoor schadelijk voor het aanzien van den prins, dat buitendien niet kon winnen door de ondersteuning van een met bloed bevlekten misdadiger, wiens misdaden tot dusver ongestraft waren gebleven.Hembyze’s moed klom tengevolge van dit alles. Vast besloten zich van de dictatuur binnen Gent meester te maken, stiet hij met de hulp van 2000 soldaten van zijn aanhang de stedelijke overheid van het kussen en stelde hij een nieuwen raad aan, dien hij zelf uit zijne blinde aanhangers en werktuigen benoemde. Door deze gesteund, heerschte hij te Gent zóó willekeurig, dat hij zich de geheele burgerij tot vijand maakte.Slechts één man was in staat om de orde in de aan woeste regeeringloosheid prijsgegeven stad te herstellen: Willem van Oranje. Tot hem wendde zich een deel der burgerij en smeekte hem, naar Gent te komen. Hij willigde dit verzoek in, hoewel zijne vrienden hem verzochten,dat hij zich niet zou blootstellen aan het gevaar van door Hembyze en het Gentsche gepeupel vermoord te worden.De verschijning van den prins te Gent deed eene schier tooverachtige uitwerking. Hembyze waagde geene enkele poging om tegenstand te bieden; hij verborg zich, ten einde te gelegener tijd te ontvluchten; maar hij werd ontdekt en gevangengenomen. Sidderend van doodsangst—want hij dacht stellig, dat men hem ophangen zou—verscheen hij voor den prins. Doch deze nam niet zulk eene onedele wraak op zijne vijanden. Hij gaf aan Hembyze en Datheen verlof om de stad te verlaten. Zij begaven zich naar hun ouden begunstiger Johan Casimir van de Palts, bij wien zij eene gastvrije ontvangst vonden.Willem van Oranje vergenoegde zich met het herstellen van de orde binnen Gent. In de plaats van Hembyze’s makkers stelde hij een nieuwen raad, dien hij op regelmatige, wettige wijze benoemen liet. Vervolgens keerde hij naar Antwerpen terug.Zoo was binnen Gent de orde hersteld. Doch aan de zaak der vrijheid was eene diepe wonde toegebracht door het misbruik, dat een aantal harer onhandige en onwaardige vrienden van haar gemaakt hadden, door de uitspattingen, welke zij in haren naam hadden gepleegd.1Onder de edelen, die voor Maastricht gebleven zijn, wordt ook de oudste zoon van Barlaimont, de baron van Hierges, genoemd. Hij had van zijn onlangs overleden vader den titel van graaf van Barlaimont geërfd. Farnese betreurde in hem een der trouwste aanhangers des konings in de Nederlanden.

Veertiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Ryhove en Hembyze. De Gentsche omwenteling. Moeielijke verhouding van den prins van Oranje. Besluit der Staten tot afzetting van don Juan. De tweede Unie van Brussel. Verbond met Elisabeth van Engeland. Matthias, de griffier van den prins van Oranje. Don Juan te Namen. Zijne wraakplannen. Spaansche hulptroepen onder Alexander Farnese. Begin van den oorlog. Nederlaag der Nederlanders bij Gemblours. Amsterdam gaat tot de zijde van Oranje over. Godsdiensttwisten. Godsdienstvrede. De malcontenten. Engelsche hulp. Johan Casimir. Gedwongene werkeloosheid van don Juan. Nieuwe kuiperijen van den katholieken adel. De hertog van Anjou in het land geroepen. Meesterlijke staatkunde van den prins van Oranje. De hertog van Anjou, de Beschermer van de Nederlandsche vrijheid. Dood van don Juan van Oostenrijk.Door een meesterlijken staatkundigen zet had Oranje den invloed, welken Aerschot en zijne bondgenooten hem zoo gaarne zouden ontroofd hebben, weten te behouden; hij was ruwaard van Brabant geworden. De hertog was echter door den staatsraad tot stadhouder van Vlaanderen benoemd en had daardoor op nieuw eene macht verkregen, die hem gevaarlijk maakte. Het was des prinsen belang, die macht te ondermijnen en deze nam, tot bereiking van dit doel, de toevlucht tot een middel, dat zelfs zijne vereerders ter nauwernood kunnen rechtvaardigen.Aerschot was in Vlaanderen niet bemind; de vrienden der vrijheid vertrouwden hem niet, zij koesterden omtrent hem de zeker niet geheel ongegronde verdenking, dat hij wellicht te gelegener tijd, wanneer hij er voordeel in zag, tot den vijand zou overloopen. Hij werd dan ook binnen Gent volstrekt niet vriendelijk ontvangen en de vijandige gezindheid jegens hem groeide nog aan, toen hij een hard en trotsch bescheid gaf aan de burgers, die van hem eischten, dat hij der stad hare oude privilegiën terug schenken zou.Te Gent had zich reeds sinds lang eene omwentelingspartij gevormd, aan wier hoofd de beide jonge edellieden Ryhove en Hembyze, twee warme vrienden van den prins van Oranje, stonden. Vooral onder de lagere volksklasse bezaten zij een sterken aanhang. Toen Aerschot stadhouder van Vlaanderen werd en te gelijk brieven van Jacob Hessels, het voormalig lid van den bloedraad, onderschept werden, waarin deze de hoop uitsprak, dat Aerschot geheel in het belang van koning Philips en van don Juan handelen zou, meende Ryhove, dat het meer dan tijd was om zulke plannen met geweld te keer te gaan en den nieuwen stadhouder ten val te brengen.In vereeniging met zijn vriend bereidde Ryhove alles tot den opstand voor, doch hij wilde geen beslissenden stap doen zonder toestemming van Oranje, hij begaf zich derhalve tot den prins en deelde hem zijne plannen mede.Eén woord van Oranje zou voldoende zijn geweest om den opstand te verhinderen; maar de prins sprak dit woord niet uit, wel wachtte hij zich, den vermetelen jonkman in zijne revolutionaire plannen te versterken, maar hij verbood hem die evenmin. Met dubbelzinnige redeneeringen ontsloeg hij Ryhove, ja hij ging nog verder: door zijn vertrouweling Aldegonde liet hij hem zeggen, dat hij zijne onderneming wel niet openlijk kon ondersteunen, maar dat hij hem, zoo zij gelukte, evenmin tegenwerken zou.Meer verlangde Ryhove niet; in allerijl keerde hij naar Gent terug en nauwelijks was hij hier aangekomen, of hij riep het volk te wapen. Alles was zoo goed overlegd, dat de hertog van Aerschot en de andere leiders der Spaanschgezinde partij, onder anderen ook Jacob Hessels, gevangengenomen werden, eer zij in staat waren om zich ter verdediging toe te rusten.Een voorloopig bestuur, met Ryhove aan het hoofd, werd te Gent ingesteld; den 9enNovember 1577 trachtte het de omwenteling te rechtvaardigen door de verklaring dat deze noodzakelijk was geweest, omdat de hertog van Aerschot en zijne bondgenooten, in geheime verstandhouding met don Juan, van plan waren geweest, de Spaansche troepen terug te roepen, den prins van Oranje ten val te brengen, de pacificatie van Gent te vernietigen en de hervormde godsdienst te onderdrukken.Was de omwenteling te Gent ongetwijfeld een zware slag voor den hertog van Aerschot, zij bracht aan den anderen kant ook den prins van Oranje nadeel toe, daar zij de geheele katholieke partij met wantrouwen jegens hem vervulde. Het gelukte hem niet, dat wantrouwen weg te nemen door de invrijheidstelling van Aerschot te bewerken, want de overige hoofden der katholieke partij te Gent, en onder hen ook Hessels, bleven in hechtenis en bovendien stonden de aanleggers van den opstand, Ryhove en Hembyze, als warme aanhangers van den prins bekend. De op zich zelve reeds zoo bedenkelijke scheuring tusschen de protestanten en de katholieken onder de voorvechters der vrijheid werd door het te Gent voorgevallene nog vergroot.Voorshands viel dit evenwel niet sterk in het oog, ja de macht van den prins van Oranje en de eensgezindheid onder de patriotten scheen in den eerstvolgenden tijd grooter dan ooit. Op zijn raad verklaarden de Staten-generaal den 7enDecember 1577, dat don Juan opgehouden had, stadhouder en gouverneur-generaal des konings te zijn, wijl hij zich schuldig had gemaakt aan verbreking van den bezworen vrede en zich als vijand van het land gedragen had. Alle Nederlanders, die hem in ’t vervolg gehoorzaamden, zouden als verraders en muiters beschouwd worden.Met dit besluit was de oorlog tusschen don Juan en de vereenigde provinciën verklaard, en juist dit had de prins van Oranje bedoeld, daar hij een openlijken krijg voordeeliger achtte dan een twijfelachtigen vrede.Ook twee andere vurige wenschen van den prins: het sluiten van een overeenkomst tusschen katholieken en protestanten op het stuk van godsdienst en van een verbond met Engeland, gingen thans in vervulling over.De prins had met de Calvinistische geloofsbelijdenis niet den bitteren haat overgenomen, dien de Calvinisten toenmaals jegens alle andersdenkenden koesterden. In godsdienstige verdraagzaamheid was hij zijn tijd verre vooruit en onophoudelijk had hij—tot dusver echter vruchteloos—er naar gestreefd eene algemeene verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in de Nederlanden te doen heerschen. Eindelijk geloofde hij zijn doelwit getroffen te hebben. Den 10enDecember 1577 werd de tweede Brusselsche Unie onderteekend, waarin de katholieken en protestanten elkander wederkeerig achting, verdraagzaamheid en bescherming beloofden. Ook de aanzienlijkste katholieken onderteekenden de tweede Brusselsche Unie, die echter helaas! slechts van korten duur zou zijn.Den 7enJanuari 1578 werd een voor de Nederlanders weinig minder belangrijk stuk, een verdrag met koningin Elisabeth van Engeland, waarvoor Oranje reeds sinds lang vruchteloos geijverd had, te Londen onderteekend. Thans had Elisabeth eindelijk besloten, openlijk partij te kiezen voor de Nederlanders, zij stond dezen ondersteuning in geld en manschappen toe, doch verbond daaraan de voorwaarde, dat de prins van Oranje tot plaatsvervanger van den aartshertog Matthias benoemd zou worden.Wel zond Elisabeth nog na het sluiten van het verdrag gezanten tot koning Philips II van Spanje en tot don Juan, om deze van hare vredelievende bedoelingen en van hare gunstige gezindheid jegens den koning te verzekeren, maar de woorden van het verdrag waren te duidelijk dan dat deze diplomatieke kunstgreep der koningin eenige uitwerking had kunnen hebben.Nauwelijks 14 dagen na het sluiten van dit verdrag, den 20enJanuari 1578, legde de aartshertog Matthias den eed af op de nieuwe staatsregeling, gelijk die door den prins van Oranje en de Staten-generaal na langdurige beraadslagingen was vastgesteld, hoewel hem daarbij ter nauwernood eene schaduw van macht gelaten was.Het zwaartepunt der geheele wetgevende en zelfs der uitvoerende macht berustte volgens de nieuwe constitutie bij de Staten-generaal en bij den door deze te benoemen Staatsraad; zelfs de hoogere beambten en officieren mocht de gouverneur-generaal niet zelfstandig benoemen. Matthias was niets dan een pop, waarmede de leden van den Staatsraad spelen konden; de ziel van het uitvoerend bewind was en zou blijven de prins van Oranje, die zijne betrekking als ruwaard van Brabant behield en bovendien tot plaatsvervanger van den gouverneur-generaal benoemd werd. Des laatsten machteloosheid was zoo groot, dat het volk hem spottend den griffier van den prins van Oranje noemde.De jonge, ijdele aartshertog aanvaardde in weerwil hiervan die niets beteekenende waardigheid en hij smaakte ten minste de voldoening, dat de Nederlanders hem met uiterlijke eerbewijzen overlaadden. Zijn intocht in Brussel werd gevierd met een praal, die zelfs den bij den intocht van don Juan ten toon gespreiden luister overtrof.Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan van Oostenrijk te Namen. Hij zag zich na zijn mislukten aanslag op Antwerpen eensklaps van allen invloed op de regeering beroofd; slechts twee provinciën, Namen en Luxemburg, gehoorzaamden hem nog.Heftig vertoornd over de vermetelheid der Nederlanders, die hem zóó driest het hoofd boden, was don Juan tevens in zijn hart recht blijde,dat thans eindelijk de oorlog verklaard en hij niet langer genoodzaakt was om zachtmoedigheid en vriendelijkheid te huichelen. De oorlog was zijn element; kwam het maar eenmaal tot een gevecht, dan hoopte hij de burgers en boeren met hunne havelooze benden licht uit elkaar te zullen drijven. Thans verklaarde hij openlijk, dat hij eene geduchte wraak op de oproerige burgers van Brussel en van de overige rebelleerende steden nemen zou.Don Juan liet het niet bij woorden. Van alle zijden trok hij krijgsbenden samen en de oude Spaansche soldaten, wien de rijke buit nog heugde, vroeger door hen in de Nederlanden gemaakt, snelden vol blijdschap toe, om zich onder zijne banieren te scharen en voor hunne verdrijving uit het land bloedige wraak te nemen. Alexander Farnese van Parma, de zoon der voormalige landvoogdes Margaretha, voerde die versterkingen zijnen bloedverwant toe. Ook graaf Peter Ernst van Mansfeldt sloot zich met eene bende geoefende huurlingen, welke hij in Frankrijk aangeworven had, bij don Juan’s krijgsmacht aan.Dagelijks groeide don Juan’s leger aan. In het begin van het jaar 1578 had hij reeds ongeveer 20.000 man uitgelezene troepen onder zijne bevelen en deze geoefende manschappen werden door de uitstekendste veldheeren van hun tijd, door don Juan, den overwinnaar van Lepanto, door Alexander Farnese, Mansfeldt, Mondragon, Mendoza en anderen aangevoerd. Ook de prins van Oranje en de Staten-generaal hadden een leger op de been gebracht, dat ten minste even sterk was als dat van don Juan, doch waarbij zoowel de in den oorlog zoo noodzakelijke krijgskundige eenheid als de leiding van bekwame veldheeren ontbrak.De prins van Oranje had zich genoopt gezien om de hoogere bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen te schenken. Hij hoopte deze door zulk een blijk van vertrouwen geheel te verzoenen; toch deed hij daaraan verkeerd, want deze edelen waren niet met hunne gansche ziel bij den strijd en velen hunner wenschten misschien zelfs wel in hun hart den vijand de overwinning op den gehaten prins van Oranje toe. Het opperbevel over het leger was opgedragen aan den heer van Goignies, een oud soldaat van Karel V en een dapper man, doch die nog geen enkel bewijs van veldheerstalent had gegeven.Het leger der prinsgezinden rukte tegen Namen op. Goignies wilde don Juan, wiens strijdkrachten hem geheel onbekend waren, aanvallen, doch trok terug, toen hij vernam, dat de vijand ten minste even sterk was als hij. Alexander Farnese trok van de gunstige gelegenheid, hem aangeboden, terstond partij. Onverhoeds overviel hij het leger van Goignies en bracht het den 31enJanuari bij Gemblours zulk eene beslissende nederlaag toe, dat het bijna geheel vernietigd werd. Meer dan 6000 man bleven op het slagveld; 600 man werden als krijgsgevangenen naar Namen gevoerd: don Juan, de edele ridder, liet hen deels van de brug in de Maas werpen en zoo als honden verzuipen, deels ophangen. Het gevolg van deze zegepraal was, dat een aantal kleine steden door de Spanjaarden werd ingenomen, de meeste gaven zich zonder slag of stoot over. In de plaatsen, wier inwoners zich verdedigden, werd op de gewone wijze geplunderd, gemoord en gebrand.De indruk, welke de nederlaag bij Gemblours op de Nederlanders maakte, was geheel anders als don Juan verwacht had. Zij verwekte geen schrik, maar verbittering. Het volk was woedend over de onbekwaamheidder katholieke edelen en schreeuwde verraad. De prins van Oranje had moeite om het Brusselsche gemeen van daden van geweld terug te houden. Door het geheele land heen spanden de vrienden der vrijheid hunne krachten in, om een nieuw leger op de been te brengen. Bovendien werd de moed der Nederlanders verhoogd door eene gelukkige gebeurtenis, die wel tegen een verloren slag kon opwegen.Tot dusver was de stad Amsterdam jegens de zaak der vrijheid vijandig gezind geweest. De invloed der monniken, die daar in grooten getale werden aangetroffen, en van het streng katholieke, vervolgingszuchtige stadsbestuur had de aansluiting van de rijke en machtige stad aan de van de Spaansche heerschappij bevrijde gewesten het tot dusver verhinderd, doch thans schaarde ook zij zich aan de zijde van den prins, onder voorwaarde, dat de katholieke godsdienst binnen Amsterdam de heerschende blijven en de hervormde slechts geduld worden zou. Een verdrag in dezen geest werd aangegaan, doch—gelijk wij hier terstond bijvoegen willen—slechts gedurende enkele maanden door de hervormden nageleefd. Deze, die na den terugkeer der ballingen en voortvluchtige Calvinisten het machtigste deel der bevolking uitmaakten, verdreven den 28enMei 1578 de katholieke overheden en verschaften door eene onbloedige omwenteling der hervorming de zegepraal in de belangrijkste stad van Holland.Ook in de overige provinciën werden in dezen tijd de Calvinistische denkbeelden meer en meer verbreid, en het kwam tengevolge hiervan vaak tot hevige, soms zelfs tot bloedige twisten, tusschen katholieken en protestanten. Hoezeer Willem van Oranje ook zijn best deed om door een algemeenen godsdienstvrede de leden der beide kerkgenootschappen tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen, toch gelukte dit hem, helaas! niet. De tweespalt der godsdienstige partijen en daarmee de weerzin der katholieke edelen, der malcontenten, gelijk zij zich noemden, tegen de regeering van Oranje werd met den dag sterker.Philips II van Spanje had intusschen nog eene poging gewaagd om de oproerige Nederlanders door een koninklijk schrijven, hetwelk hij door den heer de Selles, den broeder van den overledenen Noircarmes, hun toezond, tot gehoorzaamheid aan zijn gezag terug te brengen. De koning schreef zeer vriendelijk en voorkomend. Hij verklaarde daarin, niets vuriger te wenschen dan vrede met zijne geliefde kinderen te sluiten, en wat hij verlangde, was zoo weinig! Het was niets dan herstelling van de onbeperkte koninklijke macht en van de katholieke godsdienst, evenals ten dage van Karel V, of—met andere woorden—niets meer of minder dan de vernietiging van alle vrijheden der Nederlanders en de wederoprichting van de brandstapels tot uitroeiing van de ketters, wier getal sinds dien tijd op ongeloofelijke wijze aangegroeid was.Dat de prins van Oranje en de Staten-generaal zulke vredesvoorwaarden met verachting van de hand wezen, spreekt van zelf; veel liever wilden zij den oorlog tot het uiterste voortzetten en daarom rustten zij zich ten strijde toe. Een nieuw leger werd onder de wapenen gebracht, doch weder was de prins van Oranje genoodzaakt om de noodlottige fout te begaan, van de belangrijkste bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen toe te vertrouwen.Het leger groeide binnen korten tijd sterk aan, ook uit Engeland kwam hulp opdagen. Elisabeth zond den Paltzgraaf Johan Casimir, die voor Engelsch geld eene aanzienlijke krijgsbende aangeworven had, naar de Nederlanden.Don Juan zat evenmin stil, dewijl hij zich niet sterk genoeg achtte om van de overwinning bij Gemblours door het vermeesteren van groote steden partij te trekken. Gaarne zou hij een beslissenden slag geslagen hebben, doch dit was hem niet mogelijk, dewijl het hem ontbrak aan de noodige gelden, welke hem, in weerwil van zijne dringende beden, niet in voldoende mate door Philips II toegezonden werden. Hij moest zich daarom bepalen tot onbeduidende ondernemingen en de zomer van 1578 verliep, zonder dat een belangrijk treffen tusschen de Spanjaarden en de Nederlanders plaats gegrepen had.Terwijl Oranje al zijne krachten inspande om het land in staat van verdediging te brengen, had de hooge katholieke adel op nieuw een kunstgreep beproefd, ten einde de macht van den gehaten prins te fnuiken. Het plan om Oranje door den aartshertog Matthias te verdringen, was mislukt; de prins regeerde eigenlijk voor den gouverneur-generaal, die niets dan een schijn van macht bezat, en deze moest daarom door een ander katholiek vorst vervangen worden.Hertog Frans van Alençon, die thans den titel van hertog van Anjou droeg, de zoon van Catharina de Medici en broeder van den Franschen koning, was door den katholieken adel uitverkoren om de rol, vroeger den aartshertog Matthias opgedragen, over te nemen en Oranje’s invloed te vernietigen.De eerzuchtige hertog had den Nederlanders zijne hulp toegezegd. Hij had zich naar Mons begeven en zond van daar gezanten, om met den prins van Oranje en de Staten-generaal te onderhandelen.Oranje werd door dezen stap der katholieke heeren inderdaad in groote verlegenheid gebracht. Wees hij Anjou’s hulp van de hand, dan stond het te vreezen, dat deze tot don Juan overloopen en dat bovendien de katholieke adel ontrouw worden zou. Stond hij daarentegen den hertog den door dezen gewenschten invloed op het lot der Nederlanden toe, dan verstoorde hij daardoor het Engelsche bondgenootschap, hetwelk koningin Elisabeth alleen gesloten had, om de Fransche heerschappij over de Nederlanden onmogelijk te maken.Met een meesterlijk staatkundig beleid wist Oranje deze moeilijkheden te boven te komen: op zijne aansporing sloten de Staten-generaal in Augustus 1578 met den hertog een hoogst merkwaardig verdrag. Deze ontving den trotschen, weidschklinkenden titel van „Beschermer der Nederlanders tegen de Spaansche dwingelandij”; hij verbond zich om den provinciën gewapenden bijstand tegen don Juan te verleenen, zich van alle vijandelijkheden tegen koningin Elisabeth van Engeland te onthouden en zich in alle opzichten aan het burgerlijk bestuur des lands te onderwerpen; daarvoor beloofden de Staten-generaal, hem de voorkeur te zullen geven, wanneer zij ooit een anderen vorst de kroon der Nederlanden mochten aanbieden. Buitendien werd bepaald, dat men nog ééne poging wagen zou om door middel van onderhandelingen op don Juan invloed uit te oefenen.Het laatste geschiedde; doch natuurlijk te vergeefs. De strijd tusschen de Staten-generaal en de Spaansche regeering kon alleen door middel der wapenen beslecht worden. Doch voor Don Juan was het niet weggelegd, tot de oplossing van het geschil iets bij te dragen. Hij stierf den 1enOctober 1578 in de legerplaats bij Namen, nadat hij zijn neef Alexander Farnese, hertog van Parma, tot zijn opvolger benoemd had.Vreemde geruchten knoopten zich aan den dood van den overwinnaar van Lepanto vast. Men verhaalde, dat hij vergiftigd was; waarschijnlijk echter is hij aan eene toen heerschende pest gestorven.

De Nederlanden. Ryhove en Hembyze. De Gentsche omwenteling. Moeielijke verhouding van den prins van Oranje. Besluit der Staten tot afzetting van don Juan. De tweede Unie van Brussel. Verbond met Elisabeth van Engeland. Matthias, de griffier van den prins van Oranje. Don Juan te Namen. Zijne wraakplannen. Spaansche hulptroepen onder Alexander Farnese. Begin van den oorlog. Nederlaag der Nederlanders bij Gemblours. Amsterdam gaat tot de zijde van Oranje over. Godsdiensttwisten. Godsdienstvrede. De malcontenten. Engelsche hulp. Johan Casimir. Gedwongene werkeloosheid van don Juan. Nieuwe kuiperijen van den katholieken adel. De hertog van Anjou in het land geroepen. Meesterlijke staatkunde van den prins van Oranje. De hertog van Anjou, de Beschermer van de Nederlandsche vrijheid. Dood van don Juan van Oostenrijk.

De Nederlanden. Ryhove en Hembyze. De Gentsche omwenteling. Moeielijke verhouding van den prins van Oranje. Besluit der Staten tot afzetting van don Juan. De tweede Unie van Brussel. Verbond met Elisabeth van Engeland. Matthias, de griffier van den prins van Oranje. Don Juan te Namen. Zijne wraakplannen. Spaansche hulptroepen onder Alexander Farnese. Begin van den oorlog. Nederlaag der Nederlanders bij Gemblours. Amsterdam gaat tot de zijde van Oranje over. Godsdiensttwisten. Godsdienstvrede. De malcontenten. Engelsche hulp. Johan Casimir. Gedwongene werkeloosheid van don Juan. Nieuwe kuiperijen van den katholieken adel. De hertog van Anjou in het land geroepen. Meesterlijke staatkunde van den prins van Oranje. De hertog van Anjou, de Beschermer van de Nederlandsche vrijheid. Dood van don Juan van Oostenrijk.

Door een meesterlijken staatkundigen zet had Oranje den invloed, welken Aerschot en zijne bondgenooten hem zoo gaarne zouden ontroofd hebben, weten te behouden; hij was ruwaard van Brabant geworden. De hertog was echter door den staatsraad tot stadhouder van Vlaanderen benoemd en had daardoor op nieuw eene macht verkregen, die hem gevaarlijk maakte. Het was des prinsen belang, die macht te ondermijnen en deze nam, tot bereiking van dit doel, de toevlucht tot een middel, dat zelfs zijne vereerders ter nauwernood kunnen rechtvaardigen.

Aerschot was in Vlaanderen niet bemind; de vrienden der vrijheid vertrouwden hem niet, zij koesterden omtrent hem de zeker niet geheel ongegronde verdenking, dat hij wellicht te gelegener tijd, wanneer hij er voordeel in zag, tot den vijand zou overloopen. Hij werd dan ook binnen Gent volstrekt niet vriendelijk ontvangen en de vijandige gezindheid jegens hem groeide nog aan, toen hij een hard en trotsch bescheid gaf aan de burgers, die van hem eischten, dat hij der stad hare oude privilegiën terug schenken zou.

Te Gent had zich reeds sinds lang eene omwentelingspartij gevormd, aan wier hoofd de beide jonge edellieden Ryhove en Hembyze, twee warme vrienden van den prins van Oranje, stonden. Vooral onder de lagere volksklasse bezaten zij een sterken aanhang. Toen Aerschot stadhouder van Vlaanderen werd en te gelijk brieven van Jacob Hessels, het voormalig lid van den bloedraad, onderschept werden, waarin deze de hoop uitsprak, dat Aerschot geheel in het belang van koning Philips en van don Juan handelen zou, meende Ryhove, dat het meer dan tijd was om zulke plannen met geweld te keer te gaan en den nieuwen stadhouder ten val te brengen.

In vereeniging met zijn vriend bereidde Ryhove alles tot den opstand voor, doch hij wilde geen beslissenden stap doen zonder toestemming van Oranje, hij begaf zich derhalve tot den prins en deelde hem zijne plannen mede.

Eén woord van Oranje zou voldoende zijn geweest om den opstand te verhinderen; maar de prins sprak dit woord niet uit, wel wachtte hij zich, den vermetelen jonkman in zijne revolutionaire plannen te versterken, maar hij verbood hem die evenmin. Met dubbelzinnige redeneeringen ontsloeg hij Ryhove, ja hij ging nog verder: door zijn vertrouweling Aldegonde liet hij hem zeggen, dat hij zijne onderneming wel niet openlijk kon ondersteunen, maar dat hij hem, zoo zij gelukte, evenmin tegenwerken zou.

Meer verlangde Ryhove niet; in allerijl keerde hij naar Gent terug en nauwelijks was hij hier aangekomen, of hij riep het volk te wapen. Alles was zoo goed overlegd, dat de hertog van Aerschot en de andere leiders der Spaanschgezinde partij, onder anderen ook Jacob Hessels, gevangengenomen werden, eer zij in staat waren om zich ter verdediging toe te rusten.

Een voorloopig bestuur, met Ryhove aan het hoofd, werd te Gent ingesteld; den 9enNovember 1577 trachtte het de omwenteling te rechtvaardigen door de verklaring dat deze noodzakelijk was geweest, omdat de hertog van Aerschot en zijne bondgenooten, in geheime verstandhouding met don Juan, van plan waren geweest, de Spaansche troepen terug te roepen, den prins van Oranje ten val te brengen, de pacificatie van Gent te vernietigen en de hervormde godsdienst te onderdrukken.

Was de omwenteling te Gent ongetwijfeld een zware slag voor den hertog van Aerschot, zij bracht aan den anderen kant ook den prins van Oranje nadeel toe, daar zij de geheele katholieke partij met wantrouwen jegens hem vervulde. Het gelukte hem niet, dat wantrouwen weg te nemen door de invrijheidstelling van Aerschot te bewerken, want de overige hoofden der katholieke partij te Gent, en onder hen ook Hessels, bleven in hechtenis en bovendien stonden de aanleggers van den opstand, Ryhove en Hembyze, als warme aanhangers van den prins bekend. De op zich zelve reeds zoo bedenkelijke scheuring tusschen de protestanten en de katholieken onder de voorvechters der vrijheid werd door het te Gent voorgevallene nog vergroot.

Voorshands viel dit evenwel niet sterk in het oog, ja de macht van den prins van Oranje en de eensgezindheid onder de patriotten scheen in den eerstvolgenden tijd grooter dan ooit. Op zijn raad verklaarden de Staten-generaal den 7enDecember 1577, dat don Juan opgehouden had, stadhouder en gouverneur-generaal des konings te zijn, wijl hij zich schuldig had gemaakt aan verbreking van den bezworen vrede en zich als vijand van het land gedragen had. Alle Nederlanders, die hem in ’t vervolg gehoorzaamden, zouden als verraders en muiters beschouwd worden.

Met dit besluit was de oorlog tusschen don Juan en de vereenigde provinciën verklaard, en juist dit had de prins van Oranje bedoeld, daar hij een openlijken krijg voordeeliger achtte dan een twijfelachtigen vrede.

Ook twee andere vurige wenschen van den prins: het sluiten van een overeenkomst tusschen katholieken en protestanten op het stuk van godsdienst en van een verbond met Engeland, gingen thans in vervulling over.

De prins had met de Calvinistische geloofsbelijdenis niet den bitteren haat overgenomen, dien de Calvinisten toenmaals jegens alle andersdenkenden koesterden. In godsdienstige verdraagzaamheid was hij zijn tijd verre vooruit en onophoudelijk had hij—tot dusver echter vruchteloos—er naar gestreefd eene algemeene verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in de Nederlanden te doen heerschen. Eindelijk geloofde hij zijn doelwit getroffen te hebben. Den 10enDecember 1577 werd de tweede Brusselsche Unie onderteekend, waarin de katholieken en protestanten elkander wederkeerig achting, verdraagzaamheid en bescherming beloofden. Ook de aanzienlijkste katholieken onderteekenden de tweede Brusselsche Unie, die echter helaas! slechts van korten duur zou zijn.

Den 7enJanuari 1578 werd een voor de Nederlanders weinig minder belangrijk stuk, een verdrag met koningin Elisabeth van Engeland, waarvoor Oranje reeds sinds lang vruchteloos geijverd had, te Londen onderteekend. Thans had Elisabeth eindelijk besloten, openlijk partij te kiezen voor de Nederlanders, zij stond dezen ondersteuning in geld en manschappen toe, doch verbond daaraan de voorwaarde, dat de prins van Oranje tot plaatsvervanger van den aartshertog Matthias benoemd zou worden.

Wel zond Elisabeth nog na het sluiten van het verdrag gezanten tot koning Philips II van Spanje en tot don Juan, om deze van hare vredelievende bedoelingen en van hare gunstige gezindheid jegens den koning te verzekeren, maar de woorden van het verdrag waren te duidelijk dan dat deze diplomatieke kunstgreep der koningin eenige uitwerking had kunnen hebben.

Nauwelijks 14 dagen na het sluiten van dit verdrag, den 20enJanuari 1578, legde de aartshertog Matthias den eed af op de nieuwe staatsregeling, gelijk die door den prins van Oranje en de Staten-generaal na langdurige beraadslagingen was vastgesteld, hoewel hem daarbij ter nauwernood eene schaduw van macht gelaten was.

Het zwaartepunt der geheele wetgevende en zelfs der uitvoerende macht berustte volgens de nieuwe constitutie bij de Staten-generaal en bij den door deze te benoemen Staatsraad; zelfs de hoogere beambten en officieren mocht de gouverneur-generaal niet zelfstandig benoemen. Matthias was niets dan een pop, waarmede de leden van den Staatsraad spelen konden; de ziel van het uitvoerend bewind was en zou blijven de prins van Oranje, die zijne betrekking als ruwaard van Brabant behield en bovendien tot plaatsvervanger van den gouverneur-generaal benoemd werd. Des laatsten machteloosheid was zoo groot, dat het volk hem spottend den griffier van den prins van Oranje noemde.

De jonge, ijdele aartshertog aanvaardde in weerwil hiervan die niets beteekenende waardigheid en hij smaakte ten minste de voldoening, dat de Nederlanders hem met uiterlijke eerbewijzen overlaadden. Zijn intocht in Brussel werd gevierd met een praal, die zelfs den bij den intocht van don Juan ten toon gespreiden luister overtrof.

Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan van Oostenrijk te Namen. Hij zag zich na zijn mislukten aanslag op Antwerpen eensklaps van allen invloed op de regeering beroofd; slechts twee provinciën, Namen en Luxemburg, gehoorzaamden hem nog.

Heftig vertoornd over de vermetelheid der Nederlanders, die hem zóó driest het hoofd boden, was don Juan tevens in zijn hart recht blijde,dat thans eindelijk de oorlog verklaard en hij niet langer genoodzaakt was om zachtmoedigheid en vriendelijkheid te huichelen. De oorlog was zijn element; kwam het maar eenmaal tot een gevecht, dan hoopte hij de burgers en boeren met hunne havelooze benden licht uit elkaar te zullen drijven. Thans verklaarde hij openlijk, dat hij eene geduchte wraak op de oproerige burgers van Brussel en van de overige rebelleerende steden nemen zou.

Don Juan liet het niet bij woorden. Van alle zijden trok hij krijgsbenden samen en de oude Spaansche soldaten, wien de rijke buit nog heugde, vroeger door hen in de Nederlanden gemaakt, snelden vol blijdschap toe, om zich onder zijne banieren te scharen en voor hunne verdrijving uit het land bloedige wraak te nemen. Alexander Farnese van Parma, de zoon der voormalige landvoogdes Margaretha, voerde die versterkingen zijnen bloedverwant toe. Ook graaf Peter Ernst van Mansfeldt sloot zich met eene bende geoefende huurlingen, welke hij in Frankrijk aangeworven had, bij don Juan’s krijgsmacht aan.

Dagelijks groeide don Juan’s leger aan. In het begin van het jaar 1578 had hij reeds ongeveer 20.000 man uitgelezene troepen onder zijne bevelen en deze geoefende manschappen werden door de uitstekendste veldheeren van hun tijd, door don Juan, den overwinnaar van Lepanto, door Alexander Farnese, Mansfeldt, Mondragon, Mendoza en anderen aangevoerd. Ook de prins van Oranje en de Staten-generaal hadden een leger op de been gebracht, dat ten minste even sterk was als dat van don Juan, doch waarbij zoowel de in den oorlog zoo noodzakelijke krijgskundige eenheid als de leiding van bekwame veldheeren ontbrak.

De prins van Oranje had zich genoopt gezien om de hoogere bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen te schenken. Hij hoopte deze door zulk een blijk van vertrouwen geheel te verzoenen; toch deed hij daaraan verkeerd, want deze edelen waren niet met hunne gansche ziel bij den strijd en velen hunner wenschten misschien zelfs wel in hun hart den vijand de overwinning op den gehaten prins van Oranje toe. Het opperbevel over het leger was opgedragen aan den heer van Goignies, een oud soldaat van Karel V en een dapper man, doch die nog geen enkel bewijs van veldheerstalent had gegeven.

Het leger der prinsgezinden rukte tegen Namen op. Goignies wilde don Juan, wiens strijdkrachten hem geheel onbekend waren, aanvallen, doch trok terug, toen hij vernam, dat de vijand ten minste even sterk was als hij. Alexander Farnese trok van de gunstige gelegenheid, hem aangeboden, terstond partij. Onverhoeds overviel hij het leger van Goignies en bracht het den 31enJanuari bij Gemblours zulk eene beslissende nederlaag toe, dat het bijna geheel vernietigd werd. Meer dan 6000 man bleven op het slagveld; 600 man werden als krijgsgevangenen naar Namen gevoerd: don Juan, de edele ridder, liet hen deels van de brug in de Maas werpen en zoo als honden verzuipen, deels ophangen. Het gevolg van deze zegepraal was, dat een aantal kleine steden door de Spanjaarden werd ingenomen, de meeste gaven zich zonder slag of stoot over. In de plaatsen, wier inwoners zich verdedigden, werd op de gewone wijze geplunderd, gemoord en gebrand.

De indruk, welke de nederlaag bij Gemblours op de Nederlanders maakte, was geheel anders als don Juan verwacht had. Zij verwekte geen schrik, maar verbittering. Het volk was woedend over de onbekwaamheidder katholieke edelen en schreeuwde verraad. De prins van Oranje had moeite om het Brusselsche gemeen van daden van geweld terug te houden. Door het geheele land heen spanden de vrienden der vrijheid hunne krachten in, om een nieuw leger op de been te brengen. Bovendien werd de moed der Nederlanders verhoogd door eene gelukkige gebeurtenis, die wel tegen een verloren slag kon opwegen.

Tot dusver was de stad Amsterdam jegens de zaak der vrijheid vijandig gezind geweest. De invloed der monniken, die daar in grooten getale werden aangetroffen, en van het streng katholieke, vervolgingszuchtige stadsbestuur had de aansluiting van de rijke en machtige stad aan de van de Spaansche heerschappij bevrijde gewesten het tot dusver verhinderd, doch thans schaarde ook zij zich aan de zijde van den prins, onder voorwaarde, dat de katholieke godsdienst binnen Amsterdam de heerschende blijven en de hervormde slechts geduld worden zou. Een verdrag in dezen geest werd aangegaan, doch—gelijk wij hier terstond bijvoegen willen—slechts gedurende enkele maanden door de hervormden nageleefd. Deze, die na den terugkeer der ballingen en voortvluchtige Calvinisten het machtigste deel der bevolking uitmaakten, verdreven den 28enMei 1578 de katholieke overheden en verschaften door eene onbloedige omwenteling der hervorming de zegepraal in de belangrijkste stad van Holland.

Ook in de overige provinciën werden in dezen tijd de Calvinistische denkbeelden meer en meer verbreid, en het kwam tengevolge hiervan vaak tot hevige, soms zelfs tot bloedige twisten, tusschen katholieken en protestanten. Hoezeer Willem van Oranje ook zijn best deed om door een algemeenen godsdienstvrede de leden der beide kerkgenootschappen tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen, toch gelukte dit hem, helaas! niet. De tweespalt der godsdienstige partijen en daarmee de weerzin der katholieke edelen, der malcontenten, gelijk zij zich noemden, tegen de regeering van Oranje werd met den dag sterker.

Philips II van Spanje had intusschen nog eene poging gewaagd om de oproerige Nederlanders door een koninklijk schrijven, hetwelk hij door den heer de Selles, den broeder van den overledenen Noircarmes, hun toezond, tot gehoorzaamheid aan zijn gezag terug te brengen. De koning schreef zeer vriendelijk en voorkomend. Hij verklaarde daarin, niets vuriger te wenschen dan vrede met zijne geliefde kinderen te sluiten, en wat hij verlangde, was zoo weinig! Het was niets dan herstelling van de onbeperkte koninklijke macht en van de katholieke godsdienst, evenals ten dage van Karel V, of—met andere woorden—niets meer of minder dan de vernietiging van alle vrijheden der Nederlanders en de wederoprichting van de brandstapels tot uitroeiing van de ketters, wier getal sinds dien tijd op ongeloofelijke wijze aangegroeid was.

Dat de prins van Oranje en de Staten-generaal zulke vredesvoorwaarden met verachting van de hand wezen, spreekt van zelf; veel liever wilden zij den oorlog tot het uiterste voortzetten en daarom rustten zij zich ten strijde toe. Een nieuw leger werd onder de wapenen gebracht, doch weder was de prins van Oranje genoodzaakt om de noodlottige fout te begaan, van de belangrijkste bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen toe te vertrouwen.

Het leger groeide binnen korten tijd sterk aan, ook uit Engeland kwam hulp opdagen. Elisabeth zond den Paltzgraaf Johan Casimir, die voor Engelsch geld eene aanzienlijke krijgsbende aangeworven had, naar de Nederlanden.

Don Juan zat evenmin stil, dewijl hij zich niet sterk genoeg achtte om van de overwinning bij Gemblours door het vermeesteren van groote steden partij te trekken. Gaarne zou hij een beslissenden slag geslagen hebben, doch dit was hem niet mogelijk, dewijl het hem ontbrak aan de noodige gelden, welke hem, in weerwil van zijne dringende beden, niet in voldoende mate door Philips II toegezonden werden. Hij moest zich daarom bepalen tot onbeduidende ondernemingen en de zomer van 1578 verliep, zonder dat een belangrijk treffen tusschen de Spanjaarden en de Nederlanders plaats gegrepen had.

Terwijl Oranje al zijne krachten inspande om het land in staat van verdediging te brengen, had de hooge katholieke adel op nieuw een kunstgreep beproefd, ten einde de macht van den gehaten prins te fnuiken. Het plan om Oranje door den aartshertog Matthias te verdringen, was mislukt; de prins regeerde eigenlijk voor den gouverneur-generaal, die niets dan een schijn van macht bezat, en deze moest daarom door een ander katholiek vorst vervangen worden.

Hertog Frans van Alençon, die thans den titel van hertog van Anjou droeg, de zoon van Catharina de Medici en broeder van den Franschen koning, was door den katholieken adel uitverkoren om de rol, vroeger den aartshertog Matthias opgedragen, over te nemen en Oranje’s invloed te vernietigen.

De eerzuchtige hertog had den Nederlanders zijne hulp toegezegd. Hij had zich naar Mons begeven en zond van daar gezanten, om met den prins van Oranje en de Staten-generaal te onderhandelen.

Oranje werd door dezen stap der katholieke heeren inderdaad in groote verlegenheid gebracht. Wees hij Anjou’s hulp van de hand, dan stond het te vreezen, dat deze tot don Juan overloopen en dat bovendien de katholieke adel ontrouw worden zou. Stond hij daarentegen den hertog den door dezen gewenschten invloed op het lot der Nederlanden toe, dan verstoorde hij daardoor het Engelsche bondgenootschap, hetwelk koningin Elisabeth alleen gesloten had, om de Fransche heerschappij over de Nederlanden onmogelijk te maken.

Met een meesterlijk staatkundig beleid wist Oranje deze moeilijkheden te boven te komen: op zijne aansporing sloten de Staten-generaal in Augustus 1578 met den hertog een hoogst merkwaardig verdrag. Deze ontving den trotschen, weidschklinkenden titel van „Beschermer der Nederlanders tegen de Spaansche dwingelandij”; hij verbond zich om den provinciën gewapenden bijstand tegen don Juan te verleenen, zich van alle vijandelijkheden tegen koningin Elisabeth van Engeland te onthouden en zich in alle opzichten aan het burgerlijk bestuur des lands te onderwerpen; daarvoor beloofden de Staten-generaal, hem de voorkeur te zullen geven, wanneer zij ooit een anderen vorst de kroon der Nederlanden mochten aanbieden. Buitendien werd bepaald, dat men nog ééne poging wagen zou om door middel van onderhandelingen op don Juan invloed uit te oefenen.

Het laatste geschiedde; doch natuurlijk te vergeefs. De strijd tusschen de Staten-generaal en de Spaansche regeering kon alleen door middel der wapenen beslecht worden. Doch voor Don Juan was het niet weggelegd, tot de oplossing van het geschil iets bij te dragen. Hij stierf den 1enOctober 1578 in de legerplaats bij Namen, nadat hij zijn neef Alexander Farnese, hertog van Parma, tot zijn opvolger benoemd had.

Vreemde geruchten knoopten zich aan den dood van den overwinnaar van Lepanto vast. Men verhaalde, dat hij vergiftigd was; waarschijnlijk echter is hij aan eene toen heerschende pest gestorven.

Vijftiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Alexander Farnese. Zijn verleden. Zijn karakter. Regeeringloosheid in de Nederlanden. Godsdiensthaat. De Walen. De omwenteling te Gent. Jacob Hessels door Ryhove vermoord. Beeldstorm te Gent. Willem van Oranje te Gent. Voortdurende partijtwisten. Johan Casimir en de hertog van Anjou verlaten de Nederlanden. Ongeregeldheden, door de huurtroepen gepleegd. Omkoopbaarheid des adels. Bond der Waalsche provinciën. De Unie van Utrecht.Alexander Farnese, de zusterszoon van don Juan en de neef van den ongelukkigen don Carlos, was van denzelfden leeftijd als deze zijne beide bloedverwanten, met wie hij opgevoed was. Hij ging, toen hij don Juan opvolgde, in zijn dertigste jaar.Evenals deze, was hij dapper tot vermetelheid toe; met een voor niets terugdeinzenden moed placht hij zich in het dichtst van het slaggewoel te werpen, ten einde door zijn voorbeeld zijne soldaten met zulk eene geestdrift te bezielen, dat zij hem volgden, waarheen hij hen ook voeren mocht.Hij was een voortreflijk soldaat en een nog voortreflijker veldheer, want hij vereenigde met eene onwederstaanbare dapperheid kalm overleg, hetwelk hem steeds op het juiste tijdstip de beste middelen ter zegepraal deed aangrijpen.Als staatsman overtrof Farnese den avontuurlijken don Juan verre. Ingewijd in de diplomatische kunstgrepen der Italiaansche staatkunde, wist hij zich naar de gegevene omstandigheden te schikken, zonder toch ooit zijn doel uit het oog te verliezen. Hij bezat eene groote mate van standvastigheid en volharding, terwijl don Juan slechts halsstarrig was geweest en bij het mislukken zijner pogingen in de Nederlanden alle lust en allen moed verloren had. Ten aanzien der middelen tot bereiking van zijne doeleinden verkeerde Farnese nooit in verlegenheid, elk middel was hem welkom, indien het hem slechts tot zijn doel nader voerde. Wanneer zijn opbruisende moed hem tot een warm vriend van een zegevierenden oorlog maakte, hield zijn koel verstand hem van elk overijld begin van een strijd terug: hij waagde zich daaraan nooit, voordat hij op een gelukkigen uitslag kon hopen. Eene overwinning door middel van geslepene, bedriegelijke onderhandelingen, ja zelfs door omkooperij en verraad behaald, was hem even welkom als zulk eene, welke hij met het zwaard in de vuist bevochten had.Toen Alexander Farnese het ambt van don Juan aanvaardde, doorzag hij volkomen de moeilijkheden, waarmede hij te worstelen zou hebben,om de Nederlanders weer aan het gezag des konings en der katholieke kerk te onderwerpen; doch zijn besluit stond vast om tot de bereiking van dat doel al zijne krachten in te spannen. Hij haatte de ketters, die hij, evenals de Muzelmannen, welke hij bij Lepanto had helpen verslaan, als heidensche honden beschouwde. Niet dat hij zich ooit met diepzinnige navorschingen op het gebied der godsdienstleer ingelaten had,—dit werk liet hij gaarne aan de godgeleerden over, hij vergenoegde zich daarmede, dat hij, als goed katholiek, regelmatig de mis bijwoonde,ter bestemder tijde biechtte en de overige uiterlijke kerkplichten waarnam, maar hij koesterde een instinctmatigen afkeer van lieden, die het waagden, tegen het gezag des konings en der heilige kerk op te staan. Zulke muiters en heidenen te verbranden, te verdrinken of op te hangen was in zijn oog iets natuurlijks, ja verdienstelijks; doch hij was niet zóó dweepziek, dat hij niet bereidvaardig, wanneer dit voordelig scheen, den tijd der wrake op de oproerlingen en ketters kalm verbreidde.Dat hij in weerwil van zijn vurigen moed eene groote mate van geduld bezat, toonde hij terstond na het aanvaarden van zijne moeilijke taak. Hij wilde zich volstrekt niet overhaasten, ten einde van den uitslag zeker te zijn.De omstandigheden waren voor zulk een geslepen staatsman, als Alexander Farnese was, toen buitengemeen gunstig.De katholieke edelen waar door de bewonderenswaardige staatkunde van den prins van Oranje weer van de vrucht hunner bemoeiingen beroofd. De macht van den ketterschen leider der omwenteling was door den hertog van Anjou evenmin gefnuikt als vroeger door den aartshertog Matthias. Zij gevoelden derhalve eene sterke neiging om met de koning van Spanje vrede te sluiten, wanneer zij dit op gunstige voorwaarden konden doen. Al hadden zij ook half gedwongen hunne toestemming tot den godsdienstvrede geschonken, toch konden zij zich niet verhelen, dat deze veel meer den ketters dan hun ten goede komen zou, zij vreesden,—en wellicht niet geheel ten onrechte—dat de vrucht van de godsdienstvrede eindelijk de heerschappij der hervorming in het geheele land zou zijn.Zoo dachten in de zuidelijke, Waalsche provinciën ook de menigvuldige priesters en een deel der katholieke bevolking, dat op de ketters zeer gebeten was. Het aantal der malcontenten groeide met den dag aan en op meer dan ééne plaats kwam het tot bloedige botsingen tusschen de godsdienstige partijen. De malcontenten vervolgden de Calvinisten, die in grooten getale uit de ballingschap waren teruggekeerd, terwijl aan den anderen kant ook deze, die de macht in handen hadden, het niet aan daden van geweld jegens de katholieken lieten ontbreken.Tengevolge van dit alles heerschte in de Nederlanden eene bedroevende regeeringloosheid, die nog vermeerderd werd door de talrijke huurbenden, die op eigen gezag roofden en plunderden, dewijl zij niet regelmatig hunne soldij ontvingen. Ook de door de Staten aangeworven huurtroepen hielden huis als in eens vijands land.De bevolking der Waalsche provinciën, die in taal, afkomst, zeden en godsdienst zoo hemelsbreed van het Germaansche Noorden verschilden, moesten wel bedenkelijk het hoofd schudden over de vruchten, welke de pas verworven vrijheid droeg. Niet alleen zagen de Walen zich aan de aanslagen der losbandige huurtroepen blootgesteld, maar zij achtten zich, in weerwil van den godsdienstvrede, in hunne godsdienstige overtuigingbedreigd. Of zagen zij niet met hunne oogen, hoe binnen Gent de omwentelingspartij hare zegepraal tot vervolging van de katholieken en tot het plegen van schandelijke daden van geweld misbruikte?Ryhove en Hembyze, de aanvoerders dier partij, hadden zich binnen Gent eene schier onbeperkte macht verworven; zij voerden het bewind in naam van den prins van Oranje, wiens verklaarde aanhanger Ryhove was. Toch waren zij volstrekt niet gezind om de bevelen op te volgen, welke de prins hun gaf, allerminst hadden zij lust om—gelijk de prins eischte—de gevangene katholieken in vrijheid te stellen.Onder deze gevangenen bevond zich—gelijk we reeds meedeelden—ook een voormalig lid van Alba’s bloedraad, dezelfde Jacob Hessels, die, wanneer hij gedurende de zittingen van den raad ingedommeld was en wakker gemaakt werd, nooit een ander vonnis velde dan: „naar de galg!”Hessels was Ryhove’s persoonlijke vijand; hij had bij zijn grijzen baard gezworen, dat hij niet zou rusten, eer hij dezen bandiet aan de galg gebracht had, en zijn verleden was borg, dat hij zijn woord gestand zou doen, zoodra hij daartoe de macht zou bezitten.In de eerste dagen van October 1578 ontving Ryhove bevel om uit te rukken tegen eene schaar malcontenten, die zich in de nabijheid van Kortrijk vereenigd had. Doch hij had vast besloten, Gent niet te verlaten, zoolang Hessels en een andere gevangene, die insgelijks zijn persoonlijke vijand was, de voormalige staatsprocureur Visch, in leven waren. Hij vreesde namelijk, dat deze mannen gedurende zijne afwezigheid in vrijheid gesteld en later voor hem gevaarlijk zouden worden.Den 4enOctober 1578 haalde hij de beide gevangenen uit hun kerker en liet hen op een door gewapenden begeleiden wagen buiten de poort voeren. Niet ver van de stad hield de wagen op Ryhove’s bevel stil, de gevangenen moesten afklimmen en nu kondigde Ryhove hun aan, dat zij terstond aan den naasten boom opgehangen zouden worden. Hij bespotte daarbij op eene schandelijke wijze den ouden Hessels naar aanleiding van diens eed, ja hij ging zoover, dat hij hem op de laaghartigste wijze mishandelde, door hem met de vuist in den baard te grijpen en daar een handvol grijze haren uit te rukken, welke hij, als teeken van wraak, in plaats van een veder, op zijn hoed stak! Onder wreede spotredenen volgden zijne gezellen het voorbeeld van hun onwaardigen aanvoerder; vervolgens werden de beide ongelukkigen aan den naastbijstaanden boom opgehangen.Hessels en Visch, doch vooral de eerstgenoemde, verdienden ongetwijfeld den dood, en was die straf tengevolge van een wettig rechterlijk vonnis aan hen voltrokken, dan zou hun lot door weinigen beklaagd zijn. Doch thans vielen zij als de slachtoffers van eene schandelijke, persoonlijke wraakoefening. Ryhove, het hoofd der Gentsche omwentelingspartij, de vriend van Oranje, had hen zonder vorm van proces omgebracht en zijne misdaad bleef ongestraft, want de prins bezat geen macht genoeg om hem zijn ongenoegen te doen gevoelen. Was het wonder, dat de malcontenten luide om wraak riepen, dat zij de afgrijselijke misdaad, door dien éénen man gepleegd, als een voorwendsel aangrepen om ook van hunne zijde dergelijke wreedheden jegens de protestanten te verontschuldigen, en dat de woedende Gentenaars op hunne beurt weer wraak namen door de katholieke priesters te mishandelen en de kloosters te plunderen?Het bloedige zaad bracht bloedige vruchten voort. De wederzijdschehaat der partijen groeide aan, van beide kanten werden telkens nieuwe misdaden bedreven. Den prins van Oranje, wiens vurigste wensch het was, de geheele Nederlandsche natie in het bezit der vrijheid te stellen en haar, door den band der godsdienstige verdraagzaamheid omsnoerd, als één man tegen den gemeenschappelijken vijand ten strijde te voeren, ontbraken de middelen om zijn heerlijk, voor dien tijd al te schoon ideaal te verwezenlijken.Te vergeefs trachtte de prins de Gentenaars door goede woorden tot rust te brengen, zijne pogingen baatten niets. In het begin van December 1578 brak er zelfs een nieuwe opstand uit, die een algemeenen beeldstorm en andere gewelddadigheden ten gevolge had.De bevolking van Gent vierde des te onbeschroomder den teugel aan hare hartstocht, dewijl zij zich beveiligd wist door den paltsgraaf Johan Casimir die, door de hoop op de gravenkroon van Vlaanderen geprikkeld, met hen gemeene zaak maakte.De prins van Oranje zag deze telkens herhaalde tooneelen van ruw geweld met diepe bekommering aan, dewijl zij de kloof, die buitendien tusschen de katholieken en de protestanten, tusschen de Waalsche en de Germaansche provinciën reeds gaapte, dagelijks dieper maakte. Hij besloot in persoon naar Gent te reizen, ten einde daar den vrede te herstellen. Zijne vrienden waarschuwden hem; zij vreesden dat hij door het woedend gemeen vermoord zou worden, maar hij verachtte elk gevaar, waar het er op aan kwam, tot bereiking van het groote doel zijns levens werkzaam te zijn.Den 24enDecember 1578 kwam hij te Gent aan. Hij had eene hoogst moeilijke taak te volvoeren. Noch Johan Casimir, noch Hembyze en diens aanhangers mocht hij zich tot vijand maken; hij moest het grootst mogelijk beleid aanwenden om een godsdienstvrede tot stand te brengen. Doch aan zijne wegslepende overredingskracht gelukte dit; den 27enDecember werd de vrede tusschen de beide godsdienstige partijen binnen Gent afgekondigd.De vruchten, welke de prins van dezen stap plukte, waren echter niet duurzaam. De Walen en malcontenten dachten er niet aan, zich door het nederleggen van de wapenen weerloos in de macht der ketters over te leveren en evenmin wilden de Gentsche revolutionairen afstand doen van de macht, welke zij bezaten.De partijtwist duurde voort en de macht der katholieken groeide aan, toen Johan Casimir, wien het aan geld ontbrak om zijne morrende huurtroepen tot rust te brengen, die bovendien door koningin Elisabeth overladen werd met verwijten over de onwaardige rol, welke hij gespeeld had, het werkelooze leven in de Nederlanden moede werd. Hij zag zich hier niet langer een veld voor zijne eerzucht geopend; daarom liet hij zijne huurtroepen aan hun lot over en keerde voorloopig naar Duitschland terug.Evenzoo handelde ook de hertog van Anjou, die insgelijks de Nederlanden verliet, omdat hij zijne eerzuchtige plannen niet zoo spoedig verwezenlijkt zag als hij gehoopt had. Natuurlijk maakten de door hunne aanvoerders verlatene huurtroepen van hunne vrijheid gebruik om in het ongelukkige land, tot welks bescherming zij aangeworven waren, naar hartelust te rooven en te plunderen. Hunne misdaden werden door de katholieken natuurlijk op rekening gesteld van den prins van Oranje, ofschoon zoowel de protestanten als de katholieken daarvan de slachtoffers waren.Alexander Farnese zag met blijdschap, hoe de tweespalt der kerkelijke partijen steeds dieper wortelen schoot, hoe de haat van den katholieken adel en de geestelijkheid dagelijks bitterder werd, en hij verstond meesterlijk de kunst om dat vuur aan te blazen. Hij spaarde noch vleierijen noch geld om de aanzienlijke katholieke heeren tot de Spaansche partij over te halen en het door hem gestrooide zaad viel in een vruchtbaren grond.Heimelijk onderhandelde hij met den baron van Montigny, met den heer de la Motte, den bevelhebber van Grevelingen, met den stadhouder van Artois, Capres, en met den burggraaf van Gent, die hij door omkooping en door de belofte van aanzienlijke eerambten langzamerhand voor zich won. Zijne agenten en vooral de katholieke geestelijken hadden het reeds veel vroeger zoover gebracht, dat de Waalsche provinciën het besluit namen om tegen de hand over hand toenemende macht van het protestantisme een afzonderlijk verbond aan te gaan. Den 6enJanuari 1579 werd het verbond der Waalsche gewesten Artois, Henegouwen en Douay tot handhaving van de katholieke godsdienst te Atrecht gesloten. Wel steunde dit verbond nog altijd op de pacificatie van Gent en rukten de drie gewesten zich in schijn nog niet van het verbond der gezamenlijke Nederlanden los, doch inderdaad werden daardoor de Waalsche provinciën van de overige Nederlanden afgescheurd en werd haar overgang tot de Spaansche partij daardoor voorbereid.De prins van Oranje was een te scherpzinnig staatsman om door het verbond van Atrecht verrast te worden. Reeds sinds lang had hij begrepen, dat de afval der Walen niet verhinderd kon worden, en hij spande derhalve in stilte al zijne krachten in om een tegenbond der Noordelijke provinciën tot stand te brengen. Hij zelf kon tot bereiking van dit doel geene openlijke stappen doen, indien hij niet alle katholieken der Nederlanden tegen zich in het harnas wilde jagen, maar hij droeg de onderhandelingen hierover op aan zijn broeder, graaf Jan van Nassau-Dietz, zijn trouwen helper, dien hij met het stadhouderschap over Gelderland bekleedde.Na langdurige beraadslagingen en herhaalde bijeenkomsten werd eindelijk het groote werk tot stand gebracht: graaf Jan van Nassau zag zijne moeite rijkelijk door de uitkomst beloond.Den 23enJanuari 1579 onderteekenden de afgevaardigden van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland met Zutfen en de Groninger Ommelanden te Utrecht de beroemde Unie, waartoe in den loop des jaars nog Friesland, Overijssel en de steden Groningen, Gent en Antwerpen toetraden.De Unie van Utrecht wordt te recht als de hoeksteen van het gebouw der republiek der Vereenigde Nederlanden beschouwd; zij is daarom een der gewichtigste geschiedkundige oorkonden van dien tijd, hoewel zij nog altijd met geen enkel woord van de stichting eener republiek repte, maar integendeel de pacificatie van Gent en alzoo de verplichting tot trouw aan den Spaanschen koning bleef handhaven. De belangrijkste bepalingen, welke de 26 artikelen der Unie bevatten, waren vooreerst de verplichting der voor altijd verbonden provinciën om zich tot wederzijdsche verdediging tegen de koninklijke troepen te vereenigen, vervolgens de volledige vrijheid, aan Holland en Zeeland toegestaan, om hunne godsdienstige aangelegenheden naar eigen goeddunken te regelen en de herstelling van de godsdienstvrijheid in de overige gewesten. Graaf Jan van Nassau onderteekende als stadhouder van Gelderland en Zutfen het eerstde beroemde oorkonde; op hem volgden de overige afgevaardigden. Willem van Oranje, de eigenlijke ontwerper der Unie, onderteekende haar eerst den 3enMei 1579, nadat zijne hoop aan het verbond grootere uitbreiding te geven, verijdeld was.

De Nederlanden. Alexander Farnese. Zijn verleden. Zijn karakter. Regeeringloosheid in de Nederlanden. Godsdiensthaat. De Walen. De omwenteling te Gent. Jacob Hessels door Ryhove vermoord. Beeldstorm te Gent. Willem van Oranje te Gent. Voortdurende partijtwisten. Johan Casimir en de hertog van Anjou verlaten de Nederlanden. Ongeregeldheden, door de huurtroepen gepleegd. Omkoopbaarheid des adels. Bond der Waalsche provinciën. De Unie van Utrecht.

De Nederlanden. Alexander Farnese. Zijn verleden. Zijn karakter. Regeeringloosheid in de Nederlanden. Godsdiensthaat. De Walen. De omwenteling te Gent. Jacob Hessels door Ryhove vermoord. Beeldstorm te Gent. Willem van Oranje te Gent. Voortdurende partijtwisten. Johan Casimir en de hertog van Anjou verlaten de Nederlanden. Ongeregeldheden, door de huurtroepen gepleegd. Omkoopbaarheid des adels. Bond der Waalsche provinciën. De Unie van Utrecht.

Alexander Farnese, de zusterszoon van don Juan en de neef van den ongelukkigen don Carlos, was van denzelfden leeftijd als deze zijne beide bloedverwanten, met wie hij opgevoed was. Hij ging, toen hij don Juan opvolgde, in zijn dertigste jaar.

Evenals deze, was hij dapper tot vermetelheid toe; met een voor niets terugdeinzenden moed placht hij zich in het dichtst van het slaggewoel te werpen, ten einde door zijn voorbeeld zijne soldaten met zulk eene geestdrift te bezielen, dat zij hem volgden, waarheen hij hen ook voeren mocht.

Hij was een voortreflijk soldaat en een nog voortreflijker veldheer, want hij vereenigde met eene onwederstaanbare dapperheid kalm overleg, hetwelk hem steeds op het juiste tijdstip de beste middelen ter zegepraal deed aangrijpen.

Als staatsman overtrof Farnese den avontuurlijken don Juan verre. Ingewijd in de diplomatische kunstgrepen der Italiaansche staatkunde, wist hij zich naar de gegevene omstandigheden te schikken, zonder toch ooit zijn doel uit het oog te verliezen. Hij bezat eene groote mate van standvastigheid en volharding, terwijl don Juan slechts halsstarrig was geweest en bij het mislukken zijner pogingen in de Nederlanden alle lust en allen moed verloren had. Ten aanzien der middelen tot bereiking van zijne doeleinden verkeerde Farnese nooit in verlegenheid, elk middel was hem welkom, indien het hem slechts tot zijn doel nader voerde. Wanneer zijn opbruisende moed hem tot een warm vriend van een zegevierenden oorlog maakte, hield zijn koel verstand hem van elk overijld begin van een strijd terug: hij waagde zich daaraan nooit, voordat hij op een gelukkigen uitslag kon hopen. Eene overwinning door middel van geslepene, bedriegelijke onderhandelingen, ja zelfs door omkooperij en verraad behaald, was hem even welkom als zulk eene, welke hij met het zwaard in de vuist bevochten had.

Toen Alexander Farnese het ambt van don Juan aanvaardde, doorzag hij volkomen de moeilijkheden, waarmede hij te worstelen zou hebben,om de Nederlanders weer aan het gezag des konings en der katholieke kerk te onderwerpen; doch zijn besluit stond vast om tot de bereiking van dat doel al zijne krachten in te spannen. Hij haatte de ketters, die hij, evenals de Muzelmannen, welke hij bij Lepanto had helpen verslaan, als heidensche honden beschouwde. Niet dat hij zich ooit met diepzinnige navorschingen op het gebied der godsdienstleer ingelaten had,—dit werk liet hij gaarne aan de godgeleerden over, hij vergenoegde zich daarmede, dat hij, als goed katholiek, regelmatig de mis bijwoonde,ter bestemder tijde biechtte en de overige uiterlijke kerkplichten waarnam, maar hij koesterde een instinctmatigen afkeer van lieden, die het waagden, tegen het gezag des konings en der heilige kerk op te staan. Zulke muiters en heidenen te verbranden, te verdrinken of op te hangen was in zijn oog iets natuurlijks, ja verdienstelijks; doch hij was niet zóó dweepziek, dat hij niet bereidvaardig, wanneer dit voordelig scheen, den tijd der wrake op de oproerlingen en ketters kalm verbreidde.

Dat hij in weerwil van zijn vurigen moed eene groote mate van geduld bezat, toonde hij terstond na het aanvaarden van zijne moeilijke taak. Hij wilde zich volstrekt niet overhaasten, ten einde van den uitslag zeker te zijn.

De omstandigheden waren voor zulk een geslepen staatsman, als Alexander Farnese was, toen buitengemeen gunstig.

De katholieke edelen waar door de bewonderenswaardige staatkunde van den prins van Oranje weer van de vrucht hunner bemoeiingen beroofd. De macht van den ketterschen leider der omwenteling was door den hertog van Anjou evenmin gefnuikt als vroeger door den aartshertog Matthias. Zij gevoelden derhalve eene sterke neiging om met de koning van Spanje vrede te sluiten, wanneer zij dit op gunstige voorwaarden konden doen. Al hadden zij ook half gedwongen hunne toestemming tot den godsdienstvrede geschonken, toch konden zij zich niet verhelen, dat deze veel meer den ketters dan hun ten goede komen zou, zij vreesden,—en wellicht niet geheel ten onrechte—dat de vrucht van de godsdienstvrede eindelijk de heerschappij der hervorming in het geheele land zou zijn.

Zoo dachten in de zuidelijke, Waalsche provinciën ook de menigvuldige priesters en een deel der katholieke bevolking, dat op de ketters zeer gebeten was. Het aantal der malcontenten groeide met den dag aan en op meer dan ééne plaats kwam het tot bloedige botsingen tusschen de godsdienstige partijen. De malcontenten vervolgden de Calvinisten, die in grooten getale uit de ballingschap waren teruggekeerd, terwijl aan den anderen kant ook deze, die de macht in handen hadden, het niet aan daden van geweld jegens de katholieken lieten ontbreken.

Tengevolge van dit alles heerschte in de Nederlanden eene bedroevende regeeringloosheid, die nog vermeerderd werd door de talrijke huurbenden, die op eigen gezag roofden en plunderden, dewijl zij niet regelmatig hunne soldij ontvingen. Ook de door de Staten aangeworven huurtroepen hielden huis als in eens vijands land.

De bevolking der Waalsche provinciën, die in taal, afkomst, zeden en godsdienst zoo hemelsbreed van het Germaansche Noorden verschilden, moesten wel bedenkelijk het hoofd schudden over de vruchten, welke de pas verworven vrijheid droeg. Niet alleen zagen de Walen zich aan de aanslagen der losbandige huurtroepen blootgesteld, maar zij achtten zich, in weerwil van den godsdienstvrede, in hunne godsdienstige overtuigingbedreigd. Of zagen zij niet met hunne oogen, hoe binnen Gent de omwentelingspartij hare zegepraal tot vervolging van de katholieken en tot het plegen van schandelijke daden van geweld misbruikte?

Ryhove en Hembyze, de aanvoerders dier partij, hadden zich binnen Gent eene schier onbeperkte macht verworven; zij voerden het bewind in naam van den prins van Oranje, wiens verklaarde aanhanger Ryhove was. Toch waren zij volstrekt niet gezind om de bevelen op te volgen, welke de prins hun gaf, allerminst hadden zij lust om—gelijk de prins eischte—de gevangene katholieken in vrijheid te stellen.

Onder deze gevangenen bevond zich—gelijk we reeds meedeelden—ook een voormalig lid van Alba’s bloedraad, dezelfde Jacob Hessels, die, wanneer hij gedurende de zittingen van den raad ingedommeld was en wakker gemaakt werd, nooit een ander vonnis velde dan: „naar de galg!”

Hessels was Ryhove’s persoonlijke vijand; hij had bij zijn grijzen baard gezworen, dat hij niet zou rusten, eer hij dezen bandiet aan de galg gebracht had, en zijn verleden was borg, dat hij zijn woord gestand zou doen, zoodra hij daartoe de macht zou bezitten.

In de eerste dagen van October 1578 ontving Ryhove bevel om uit te rukken tegen eene schaar malcontenten, die zich in de nabijheid van Kortrijk vereenigd had. Doch hij had vast besloten, Gent niet te verlaten, zoolang Hessels en een andere gevangene, die insgelijks zijn persoonlijke vijand was, de voormalige staatsprocureur Visch, in leven waren. Hij vreesde namelijk, dat deze mannen gedurende zijne afwezigheid in vrijheid gesteld en later voor hem gevaarlijk zouden worden.

Den 4enOctober 1578 haalde hij de beide gevangenen uit hun kerker en liet hen op een door gewapenden begeleiden wagen buiten de poort voeren. Niet ver van de stad hield de wagen op Ryhove’s bevel stil, de gevangenen moesten afklimmen en nu kondigde Ryhove hun aan, dat zij terstond aan den naasten boom opgehangen zouden worden. Hij bespotte daarbij op eene schandelijke wijze den ouden Hessels naar aanleiding van diens eed, ja hij ging zoover, dat hij hem op de laaghartigste wijze mishandelde, door hem met de vuist in den baard te grijpen en daar een handvol grijze haren uit te rukken, welke hij, als teeken van wraak, in plaats van een veder, op zijn hoed stak! Onder wreede spotredenen volgden zijne gezellen het voorbeeld van hun onwaardigen aanvoerder; vervolgens werden de beide ongelukkigen aan den naastbijstaanden boom opgehangen.

Hessels en Visch, doch vooral de eerstgenoemde, verdienden ongetwijfeld den dood, en was die straf tengevolge van een wettig rechterlijk vonnis aan hen voltrokken, dan zou hun lot door weinigen beklaagd zijn. Doch thans vielen zij als de slachtoffers van eene schandelijke, persoonlijke wraakoefening. Ryhove, het hoofd der Gentsche omwentelingspartij, de vriend van Oranje, had hen zonder vorm van proces omgebracht en zijne misdaad bleef ongestraft, want de prins bezat geen macht genoeg om hem zijn ongenoegen te doen gevoelen. Was het wonder, dat de malcontenten luide om wraak riepen, dat zij de afgrijselijke misdaad, door dien éénen man gepleegd, als een voorwendsel aangrepen om ook van hunne zijde dergelijke wreedheden jegens de protestanten te verontschuldigen, en dat de woedende Gentenaars op hunne beurt weer wraak namen door de katholieke priesters te mishandelen en de kloosters te plunderen?

Het bloedige zaad bracht bloedige vruchten voort. De wederzijdschehaat der partijen groeide aan, van beide kanten werden telkens nieuwe misdaden bedreven. Den prins van Oranje, wiens vurigste wensch het was, de geheele Nederlandsche natie in het bezit der vrijheid te stellen en haar, door den band der godsdienstige verdraagzaamheid omsnoerd, als één man tegen den gemeenschappelijken vijand ten strijde te voeren, ontbraken de middelen om zijn heerlijk, voor dien tijd al te schoon ideaal te verwezenlijken.

Te vergeefs trachtte de prins de Gentenaars door goede woorden tot rust te brengen, zijne pogingen baatten niets. In het begin van December 1578 brak er zelfs een nieuwe opstand uit, die een algemeenen beeldstorm en andere gewelddadigheden ten gevolge had.

De bevolking van Gent vierde des te onbeschroomder den teugel aan hare hartstocht, dewijl zij zich beveiligd wist door den paltsgraaf Johan Casimir die, door de hoop op de gravenkroon van Vlaanderen geprikkeld, met hen gemeene zaak maakte.

De prins van Oranje zag deze telkens herhaalde tooneelen van ruw geweld met diepe bekommering aan, dewijl zij de kloof, die buitendien tusschen de katholieken en de protestanten, tusschen de Waalsche en de Germaansche provinciën reeds gaapte, dagelijks dieper maakte. Hij besloot in persoon naar Gent te reizen, ten einde daar den vrede te herstellen. Zijne vrienden waarschuwden hem; zij vreesden dat hij door het woedend gemeen vermoord zou worden, maar hij verachtte elk gevaar, waar het er op aan kwam, tot bereiking van het groote doel zijns levens werkzaam te zijn.

Den 24enDecember 1578 kwam hij te Gent aan. Hij had eene hoogst moeilijke taak te volvoeren. Noch Johan Casimir, noch Hembyze en diens aanhangers mocht hij zich tot vijand maken; hij moest het grootst mogelijk beleid aanwenden om een godsdienstvrede tot stand te brengen. Doch aan zijne wegslepende overredingskracht gelukte dit; den 27enDecember werd de vrede tusschen de beide godsdienstige partijen binnen Gent afgekondigd.

De vruchten, welke de prins van dezen stap plukte, waren echter niet duurzaam. De Walen en malcontenten dachten er niet aan, zich door het nederleggen van de wapenen weerloos in de macht der ketters over te leveren en evenmin wilden de Gentsche revolutionairen afstand doen van de macht, welke zij bezaten.

De partijtwist duurde voort en de macht der katholieken groeide aan, toen Johan Casimir, wien het aan geld ontbrak om zijne morrende huurtroepen tot rust te brengen, die bovendien door koningin Elisabeth overladen werd met verwijten over de onwaardige rol, welke hij gespeeld had, het werkelooze leven in de Nederlanden moede werd. Hij zag zich hier niet langer een veld voor zijne eerzucht geopend; daarom liet hij zijne huurtroepen aan hun lot over en keerde voorloopig naar Duitschland terug.

Evenzoo handelde ook de hertog van Anjou, die insgelijks de Nederlanden verliet, omdat hij zijne eerzuchtige plannen niet zoo spoedig verwezenlijkt zag als hij gehoopt had. Natuurlijk maakten de door hunne aanvoerders verlatene huurtroepen van hunne vrijheid gebruik om in het ongelukkige land, tot welks bescherming zij aangeworven waren, naar hartelust te rooven en te plunderen. Hunne misdaden werden door de katholieken natuurlijk op rekening gesteld van den prins van Oranje, ofschoon zoowel de protestanten als de katholieken daarvan de slachtoffers waren.

Alexander Farnese zag met blijdschap, hoe de tweespalt der kerkelijke partijen steeds dieper wortelen schoot, hoe de haat van den katholieken adel en de geestelijkheid dagelijks bitterder werd, en hij verstond meesterlijk de kunst om dat vuur aan te blazen. Hij spaarde noch vleierijen noch geld om de aanzienlijke katholieke heeren tot de Spaansche partij over te halen en het door hem gestrooide zaad viel in een vruchtbaren grond.

Heimelijk onderhandelde hij met den baron van Montigny, met den heer de la Motte, den bevelhebber van Grevelingen, met den stadhouder van Artois, Capres, en met den burggraaf van Gent, die hij door omkooping en door de belofte van aanzienlijke eerambten langzamerhand voor zich won. Zijne agenten en vooral de katholieke geestelijken hadden het reeds veel vroeger zoover gebracht, dat de Waalsche provinciën het besluit namen om tegen de hand over hand toenemende macht van het protestantisme een afzonderlijk verbond aan te gaan. Den 6enJanuari 1579 werd het verbond der Waalsche gewesten Artois, Henegouwen en Douay tot handhaving van de katholieke godsdienst te Atrecht gesloten. Wel steunde dit verbond nog altijd op de pacificatie van Gent en rukten de drie gewesten zich in schijn nog niet van het verbond der gezamenlijke Nederlanden los, doch inderdaad werden daardoor de Waalsche provinciën van de overige Nederlanden afgescheurd en werd haar overgang tot de Spaansche partij daardoor voorbereid.

De prins van Oranje was een te scherpzinnig staatsman om door het verbond van Atrecht verrast te worden. Reeds sinds lang had hij begrepen, dat de afval der Walen niet verhinderd kon worden, en hij spande derhalve in stilte al zijne krachten in om een tegenbond der Noordelijke provinciën tot stand te brengen. Hij zelf kon tot bereiking van dit doel geene openlijke stappen doen, indien hij niet alle katholieken der Nederlanden tegen zich in het harnas wilde jagen, maar hij droeg de onderhandelingen hierover op aan zijn broeder, graaf Jan van Nassau-Dietz, zijn trouwen helper, dien hij met het stadhouderschap over Gelderland bekleedde.

Na langdurige beraadslagingen en herhaalde bijeenkomsten werd eindelijk het groote werk tot stand gebracht: graaf Jan van Nassau zag zijne moeite rijkelijk door de uitkomst beloond.

Den 23enJanuari 1579 onderteekenden de afgevaardigden van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland met Zutfen en de Groninger Ommelanden te Utrecht de beroemde Unie, waartoe in den loop des jaars nog Friesland, Overijssel en de steden Groningen, Gent en Antwerpen toetraden.

De Unie van Utrecht wordt te recht als de hoeksteen van het gebouw der republiek der Vereenigde Nederlanden beschouwd; zij is daarom een der gewichtigste geschiedkundige oorkonden van dien tijd, hoewel zij nog altijd met geen enkel woord van de stichting eener republiek repte, maar integendeel de pacificatie van Gent en alzoo de verplichting tot trouw aan den Spaanschen koning bleef handhaven. De belangrijkste bepalingen, welke de 26 artikelen der Unie bevatten, waren vooreerst de verplichting der voor altijd verbonden provinciën om zich tot wederzijdsche verdediging tegen de koninklijke troepen te vereenigen, vervolgens de volledige vrijheid, aan Holland en Zeeland toegestaan, om hunne godsdienstige aangelegenheden naar eigen goeddunken te regelen en de herstelling van de godsdienstvrijheid in de overige gewesten. Graaf Jan van Nassau onderteekende als stadhouder van Gelderland en Zutfen het eerstde beroemde oorkonde; op hem volgden de overige afgevaardigden. Willem van Oranje, de eigenlijke ontwerper der Unie, onderteekende haar eerst den 3enMei 1579, nadat zijne hoop aan het verbond grootere uitbreiding te geven, verijdeld was.

Zestiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Belegering van Maastricht. Dappere verdediging der burgerij. Farnese’s geslepene staatkunde, zijn bondgenootschap met de Waalsche provinciën. Egmond’s verraad te Brussel. Overrompeling van Maastricht. Het bloedbad. De orde binnen Gent hersteld.Al had Alexander Farnese een juisten blik op de tijdsomstandigheden geworpen en zijn ongeduld beteugeld, ten einde niet door ontijdige stappen den voor de Spaansche heerschappij zoo gunstigen loop der gebeurtenissen in de Waalsche provinciën te stremmen, toch had hij daarom niet stil gezeten. Integendeel, hij had alle mogelijke maatregelen genomen om den strijd te hervatten. Thans, nu alles tot eene verzoening van de katholieke partij met den koning voorbereid was, kon hij haar slechts bespoedigen, wanneer het hem gelukte, door een schitterend wapenfeit der omwenteling een gevoeligen slag toe te brengen.Den 2enMaart 1579 ondernam Farnese een schijnaanval op Antwerpen; hij werd afgeslagen, doch juist hierop had hij gerekend. Hij had namelijk dien aanval alleen ondernomen om de opmerkzaamheid zijner vijanden van zijn eigenlijk doel af te leiden en dit gelukte hem volkomen. Tien dagen nadat hij voor Antwerpen verschenen was, vertoonde hij zich eensklaps voor Maastricht, ten einde deze belangrijke vesting, die den middenloop der Maas beheerschte, te belegeren.Maastricht was eene sterke vesting; zij vormde den sleutel der verbinding van de Nederlanden met Duitschland. Indien de Nederlanders Farnese’s plan hadden kunnen gissen, zouden zij in de gewichtige stad een sterke bezetting gelegd hebben, doch dit was niet gebeurd. Daar binnen bevonden zich slechts ongeveer 1000 man soldaten—Franschen, Engelschen en Schotten—en buitendien een burgerwacht van ongeveer 1200 man en 3 tot 4000 landlieden uit den omtrek, die voor de Spanjaarden gevlucht waren. Ook deze bereidden zich moedig tot de verdediging voor, maar zij waren grootendeels slecht gewapend.Tegen deze zoo zwakke bezetting voerde Parnese een leger van 20.000 man aan, waarmee hij de vesting zoo nauw insloot dat hij alle gemeenschap der belegerden met de buitenwereld afsneed. Hij wierp eene sterk verschanste legerplaats op, ten einde alle pogingen tot ontzet vooraf te verijdelen, en trok buitendien dagelijks nieuwe troepen tot zich, zoodat de belegeraars binnen korten tijd ongeveer 30.000 man sterk waren.Indien Farnese op grond van zijne overmacht op eene spoedigezegepraal gehoopt had, dan zag hij zich deerlijk bedrogen. Hij ontmoette een even onverwachten als dapperen tegenstand. Soldaten, burgers en landlieden gingen een edelen wedstrijd aan om de vesting tegen de gehate Spanjaarden te verdedigen, zelfs de vrouwen namen deel aan den strijd. Zij vochten even dapper als de mannen. Toen na zware verliezen, tengevolge van de wel dapper afgeslagene, maar telkens herhaalde bestormingen, het garnizoen den moed liet zakken, verklaarden de burgers en boeren met de dappere vrouwen, dat zij zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen en het garnizoen onschadelijk maken zouden, indien dit nog een woord van overgave durfde reppen. Zij deelden iets van hun eigen heldenmoed aan de soldaten mede en deze trachtten van nu af door dubbele dapperheid te doen vergeten, dat zij voor een oogenblik den moed opgegeven hadden.Terwijl voor Maastricht dagelijks gevochten werd, was Farnese onvermoeid bezig om de Waalsche provinciën door beloften en vleierijen geheel van de noordelijke te scheiden. Gemakkelijk ging dit echter niet, want nog altijd was bij een groot deel der Walen de haat tegen de Spanjaarden niet uitgeroeid; zij hadden zich slechts bij het verbond van Atrecht aangesloten, om de heerschappij der katholieke kerk in het land te handhaven.De Walen beweerden, dat zij bij het sluiten van dat verbond aan de pacificatie van Gent trouw gebleven waren, ja dat zij juist de daarin uitgedrukte beginselen krachtig handhaafden, terwijl aan den anderen kant de leden der Unie van Utrecht en de Staten-generaal zich insgelijks op de pacificatie van Gent beriepen, welke alzoo beiden partijen tot leuze diende.Van dit verschil der Nederlanders, dat Alexander Farnese zoo juist van pas kwam, trok deze meesterlijk partij. Hij vaardigde een stuk aan de Staten-Generaal uit, waarin hij van hen de handhaving van de pacificatie van Gent eischte, en verklaarde, dat deze door de Walen stipt geëerbiedigd werd.Hierdoor vleide hij de Waalsche provinciën, wien hij bereidvaardig alles inwilligde wat zij verlangden. Dewijl hij hetzelfde doel voor oogen had als zij, namelijk de alleenheerschappij der katholieke kerk in de Nederlanden, deed hij des te eerder de schitterendste beloften, tot welker vervulling hij buitendien niet genoodzaakt worden kon. Hij verzekerde,—en zijn woord werd door den koning bekrachtigd—dat de provinciën in het bezit van al hunne vrijheden en voorrechten hersteld en de Spaansche troepen uit het land verwijderd zouden worden, zoodra een Nederlandsch leger tot bescherming van den katholieken eeredienst gevormd was.Te vergeefs waarschuwde Willem van Oranje de Walen tegen de trouwloosheid en woordbreuk der Spanjaarden. De beloften van Farnese vonden geloof, hiervoor zorgde de ijverige katholieke geestelijkheid en de omgekochte katholieke adel, die geheel de zijde der Spanjaarden gekozen had; hiervoor zorgde Farnese zelf, die al zijne beminlijke hoedanigheden aanwendde om zich bij de Walen populair te maken.Tegen het einde van April 1579 verscheen een talrijk gezantschap uit de Waalsche provinciën in de legerplaats voor Maastricht, om met Farnese in persoon te onderhandelen. Eene schitterende ontvangst viel den afgevaardigden ten deel. Farnese gedroeg zich jegens hen zóó minzaam en voorkomend, dat hij hen in verrukking bracht.Kort daarop, in Mei 1579, kwam een voorloopig verdrag tot stand, waarbij de Waalsche provinciën zich opnieuw aan de koninklijke macht onderwierpen, onder voorwaarde, dat al hunne privilegiën geëerbiedigd en de Spaansche troepen verwijderd zouden worden.Nog eens bezwoer Willem van Oranje de Walen, dat zij niet ontrouw zouden worden aan het gemeenschappelijk vaderland. Doch het was te laat! De beslissende stap was gedaan, de Nederlanden waren in twee deelen gesplitst, die voortaan in bittere vijandschap tegenover elkander staan zouden.Het absolutisme had eene schitterende overwinning behaald, ja, maar eene overwinning, die ten slotte voordeelig bleek voor de verdere ontwikkeling der vrijheid.Zou de republiek der Vereenigde Nederlanden ooit zulk een trap van bloei bereikt hebben, als nu tot heil der menschheid het geval was, wanneer men bij elken stap op den weg der vrijheid de dweepzieke katholieke bevolking der Waalsche provinciën angstig naar de oogen had moeten zien? Was het niet een voordeel, dat in ’t vervolg de protestanten, de meest ontwikkelde en welvarende burgers van die gewesten, zich in het Noorden vestigen moesten? Vlocht niet juist deze scheiding om de Nederlanders, die aan de zaak der vrijheid trouw waren gebleven, een nog hechter eendrachtsband en prikkelde zij hen niet tot verdubbelde krachtsinspanning?Al deze zegenrijke gevolgen der scheiding kwamen intusschen eerst later aan het licht; in dien tijd werd die afval der Walen beschouwd als de zwaarste slag, die de Nederlandsche vrijheid treffen kon. De voorstanders van het onbeperkt koninklijk gezag en de dweepzieke katholieken juichten, de protestanten daarentegen waren niet bij machte om hunne verontwaardiging in te toomen. Te Antwerpen, te Utrecht en in andere steden vielen tooneelen van geweld, ja bloedige demonstraties tegen de katholieken voor. Te Brussel daarentegen putte een jong, eerzuchtig edelman uit deze zegepraal der katholieke partij den moed tot eene poging om de hoofdstad des lands weder aan de zijde van den Spaanschen koning te brengen.Philips, graaf van Egmond, de oudste zoon van den onthoofden Lamoraal, had de gebreken, maar niet de talenten van zijn vader geërfd. De ijdele, eerzuchtige man brandde van begeerte om eene belangrijker rol te spelen, dan waarop zijne middelmatige bekwaamheden hem recht gaven. Naijverig op de macht van den prins van Oranje wilde hij dezen nog des te liever ten val brengen, dewijl hij, een streng katholiek, den protestantschen leider der omwenteling haatte.Egmond kommandeerde een in den dienst der staten staand regiment, dat in de nabijheid van Brussel gelegerd was. Hij vormde het avontuurlijk plan om de stad te bemachtigen en haar aan den koning van Spanje over te geven, wiens genade hij zich door het bewijzen van zulk een belangrijken dienst hoopte te verwerven.In den vroegen morgen van den 4enJuni 1579 trok Egmond aan het hoofd van zijn regiment Brussel binnen; hij voerde zijne soldaten naar de groote markt, in het midden der stad, naar dezelfde markt, waar den 5enJuni 1568 het hoofd zijns vaders gevallen was als slachtoffer van de dwingelandij diens konings, wien hij thans de stad verraderlijk wilde overleveren.Het regiment werd in slagorde geschaard en eene afdeeling naar het slot gezonden, om dit te bezetten.Doch de aanslag mislukte. Reeds had de bevelhebber van Brussel, ter rechter tijd gewaarschuwd, de soldaten der bezetting onder de wapenen geroepen en het slot bezet. De kleine door Egmond afgezonden bende werd gevangen genomen.Het gerucht van Egmond’s verraad verbreidde zich met bliksemsnelheid door de stad. De burgers vlogen te wapen, trokken naar de markt en wierpen in alle straten, die daarop uitliepen, barrikaden op. Eer Egmond iets bespeurd had van het gevaar, waarin hij verkeerde, was elke uitweg hem reeds versperd. Waarheen hij zich ook wenden mocht, overal ontwaarde hij door gewapende burgers bezette, wel in aller ijl opgeworpene, maar toch sterke bolwerken voor zich. Hij was met zijn regiment op de groote markt gevangen.Egmond verkeerde in een pijnlijken en vernederenden toestand. Hij durfde de barrikaden niet aanvallen, dewijl hij dan zelf in den rug zou worden aangetast: ook moest hij thans, nu geheel Brussel tegen hem onder de wapenen stond, alle hoop op een gunstigen uitslag opgeven. Hij moest het lijdelijk aanzien, dat de burgers hem van de barrikaden hoonden, „Hij is zeker gekomen”, zeiden ze, „om het hoofd zijns vaders te zoeken en den verjaardag van diens onthoofding te vieren. Laat hem maar eenige straatsteenen voor zijne voeten uit den grond halen, dan zal hij het bloed vinden van den edelen, waardigen martelaar, dat tegen den ontaarden zoon ten hemel schreit.”Deze en dergelijke woorden moest Egmond aanhooren, zonder dat hij zich durfde wreken. Werkeloos moest hij alle smaad- en spotredenen opvangen, die hem naar het hoofd geworpen werden. Een geheelen dag en een geheelen nacht bracht hij in dezen vernederenden toestand door. Zijn hongerende troepen morden, zij wilden zich tegen hem verzetten, toen in den morgen van den 7enJuni het verrassend bericht kwam, dat het hem vergund was ongestraft Brussel te verlaten. Ongetwijfeld had de gedachte aan het groot aantal bloedverwanten en vrienden van den jongen graaf de Brusselaars tot die zachtmoedigheid bewogen. Gehoond door de burgers, bespot en onteerd verliet Philips van Egmond Brussel op den verjaardag van zijn vaders dood.De belegering van Maastricht was intusschen door Alexander Farnese met de grootste krachtsinspanning voortgezet. Zij kostte den Spanjaarden vreeselijke offers, want bij elken storm werden zij door de dappere verdedigers met bebloede koppen teruggeslagen. Duizenden soldaten en vele officieren van hoogen rang1sneuvelden onder de muren der stad, die hardnekkig hare poorten voor den vijand gesloten hield, zij smaakten alleen de voldoening te weten, dat er voor de belegerden geene hoop op ontzet bestond.Parma had zijne legerplaats voor Maastricht zóó sterk bevestigd, dat hij haar tegen eene groote overmacht had kunnen verdedigen, doch de prinsgezinden bezaten geene noemenswaardige krijgsmacht. De kleine krijgsbenden, welke Willlem van Oranje in het veld kon brengen, waren volstrekt niet bij machte om met goed gevolg een aanval op het verschanste kamp der Spanjaarden te doen.Te vergeefs spoorde de prins van Oranje de Staten tot krachtig handelen, tot het beschikbaar stellen van aanzienlijke geldsommen, tot het lichten of aanwerven van meerdere troepen aan, ten einde de belangrijke stad Maastricht voor de Nederlanden te behouden. Al zijne bemoeiingenwaren vruchteloos; zij werden deels door zijne vijanden, deels door de misplaatste spaarzaamheid en de besluiteloosheid der Staten verijdeld.Dewijl de dappere verdedigers van Maastricht geen ontzet zagen opdagen, ja alle hoop daarop moesten laten varen, moesten zij ten slotte wel voor de overmacht zwichten. Hunne krachten werden door de onophoudelijke gevechten uitgeput, de schildwachten konden zich ter nauwernood meer op de been houden.Den 29enJuni 1579 waren—gelijk dit wel meer plaats had—de schildwachten op de wallen in slaap gevallen. Een Spanjaard bemerkte dit en deelde het aan Farnese mede, die terstond bevel gaf om van dezen gunstigen oogenblik tot eene bestorming partij te trekken. Dit geschiedde en eer de slaapdronkene burgers recht wakker waren, zagen zij zich aangevallen door de Spanjaarden, wien zij niet langer het hoofd konden bieden.De stad werd ingenomen en met die onmenschelijke wreedheid behandeld, welke de Spanjaarden gewoonlijk jegens de overwonnen steden aan den dag legden. Drie dagen lang duurde het moorden en toen Alexander Farnese zijn zegepralenden intocht in de veroverde stad hield, werd hij in een prachtigen statiezetel door zijne veteranen over de verminkte lijken der ontelbare vermoorden naar de kerk gedragen.Men verhaalt, dat bijna de gansche bevolking der bloeiende stad door de over hunne groote verliezen woedende Spanjaarden uitgeroeid is; ook de weinigen, die het bloedbad overleefden, mochten niet in hunne vaderstad blijven, zij zetten zich elders neer en Maastricht werd eene woeste, alleen door de overwinnaars bewoonde plaats.De val van Maastricht was een zware slag voor de Nederlanders, doch bijna nog grooter schade bracht de heerschappij van het gemeen, waarvan Gent getuige was, aan de zaak der vrijheid toe.Slechts voor een korten tijd had de tusschenkomst van Oranje de rust daar hersteld; om haar voor goed te herstellen had hij Rijhove, Hembyze en een krachtig volksleider, Peter Datheen, een voormaligen monnik, onschadelijk moeten maken; doch hiertoe was hij niet in staat.Reeds door zijne telkens herhaalde aanmaningen tot rust en orde had Oranje zich Hembyze en Datheen, die zijn invloed duchtten, tot vijanden gemaakt, zij beschuldigden hem namelijk, dat hij een vermomde papist en koningsgezinde was en dat hij met zijn godsdienstvrede slechts de katholieken had willen begunstigen.Rijhove stelde zich wel tegen zijn vroegeren vriend Hembyze over, maar zijne poging om dezen ten val te brengen, mislukte en was daardoor schadelijk voor het aanzien van den prins, dat buitendien niet kon winnen door de ondersteuning van een met bloed bevlekten misdadiger, wiens misdaden tot dusver ongestraft waren gebleven.Hembyze’s moed klom tengevolge van dit alles. Vast besloten zich van de dictatuur binnen Gent meester te maken, stiet hij met de hulp van 2000 soldaten van zijn aanhang de stedelijke overheid van het kussen en stelde hij een nieuwen raad aan, dien hij zelf uit zijne blinde aanhangers en werktuigen benoemde. Door deze gesteund, heerschte hij te Gent zóó willekeurig, dat hij zich de geheele burgerij tot vijand maakte.Slechts één man was in staat om de orde in de aan woeste regeeringloosheid prijsgegeven stad te herstellen: Willem van Oranje. Tot hem wendde zich een deel der burgerij en smeekte hem, naar Gent te komen. Hij willigde dit verzoek in, hoewel zijne vrienden hem verzochten,dat hij zich niet zou blootstellen aan het gevaar van door Hembyze en het Gentsche gepeupel vermoord te worden.De verschijning van den prins te Gent deed eene schier tooverachtige uitwerking. Hembyze waagde geene enkele poging om tegenstand te bieden; hij verborg zich, ten einde te gelegener tijd te ontvluchten; maar hij werd ontdekt en gevangengenomen. Sidderend van doodsangst—want hij dacht stellig, dat men hem ophangen zou—verscheen hij voor den prins. Doch deze nam niet zulk eene onedele wraak op zijne vijanden. Hij gaf aan Hembyze en Datheen verlof om de stad te verlaten. Zij begaven zich naar hun ouden begunstiger Johan Casimir van de Palts, bij wien zij eene gastvrije ontvangst vonden.Willem van Oranje vergenoegde zich met het herstellen van de orde binnen Gent. In de plaats van Hembyze’s makkers stelde hij een nieuwen raad, dien hij op regelmatige, wettige wijze benoemen liet. Vervolgens keerde hij naar Antwerpen terug.Zoo was binnen Gent de orde hersteld. Doch aan de zaak der vrijheid was eene diepe wonde toegebracht door het misbruik, dat een aantal harer onhandige en onwaardige vrienden van haar gemaakt hadden, door de uitspattingen, welke zij in haren naam hadden gepleegd.1Onder de edelen, die voor Maastricht gebleven zijn, wordt ook de oudste zoon van Barlaimont, de baron van Hierges, genoemd. Hij had van zijn onlangs overleden vader den titel van graaf van Barlaimont geërfd. Farnese betreurde in hem een der trouwste aanhangers des konings in de Nederlanden.

De Nederlanden. Belegering van Maastricht. Dappere verdediging der burgerij. Farnese’s geslepene staatkunde, zijn bondgenootschap met de Waalsche provinciën. Egmond’s verraad te Brussel. Overrompeling van Maastricht. Het bloedbad. De orde binnen Gent hersteld.

De Nederlanden. Belegering van Maastricht. Dappere verdediging der burgerij. Farnese’s geslepene staatkunde, zijn bondgenootschap met de Waalsche provinciën. Egmond’s verraad te Brussel. Overrompeling van Maastricht. Het bloedbad. De orde binnen Gent hersteld.

Al had Alexander Farnese een juisten blik op de tijdsomstandigheden geworpen en zijn ongeduld beteugeld, ten einde niet door ontijdige stappen den voor de Spaansche heerschappij zoo gunstigen loop der gebeurtenissen in de Waalsche provinciën te stremmen, toch had hij daarom niet stil gezeten. Integendeel, hij had alle mogelijke maatregelen genomen om den strijd te hervatten. Thans, nu alles tot eene verzoening van de katholieke partij met den koning voorbereid was, kon hij haar slechts bespoedigen, wanneer het hem gelukte, door een schitterend wapenfeit der omwenteling een gevoeligen slag toe te brengen.

Den 2enMaart 1579 ondernam Farnese een schijnaanval op Antwerpen; hij werd afgeslagen, doch juist hierop had hij gerekend. Hij had namelijk dien aanval alleen ondernomen om de opmerkzaamheid zijner vijanden van zijn eigenlijk doel af te leiden en dit gelukte hem volkomen. Tien dagen nadat hij voor Antwerpen verschenen was, vertoonde hij zich eensklaps voor Maastricht, ten einde deze belangrijke vesting, die den middenloop der Maas beheerschte, te belegeren.

Maastricht was eene sterke vesting; zij vormde den sleutel der verbinding van de Nederlanden met Duitschland. Indien de Nederlanders Farnese’s plan hadden kunnen gissen, zouden zij in de gewichtige stad een sterke bezetting gelegd hebben, doch dit was niet gebeurd. Daar binnen bevonden zich slechts ongeveer 1000 man soldaten—Franschen, Engelschen en Schotten—en buitendien een burgerwacht van ongeveer 1200 man en 3 tot 4000 landlieden uit den omtrek, die voor de Spanjaarden gevlucht waren. Ook deze bereidden zich moedig tot de verdediging voor, maar zij waren grootendeels slecht gewapend.

Tegen deze zoo zwakke bezetting voerde Parnese een leger van 20.000 man aan, waarmee hij de vesting zoo nauw insloot dat hij alle gemeenschap der belegerden met de buitenwereld afsneed. Hij wierp eene sterk verschanste legerplaats op, ten einde alle pogingen tot ontzet vooraf te verijdelen, en trok buitendien dagelijks nieuwe troepen tot zich, zoodat de belegeraars binnen korten tijd ongeveer 30.000 man sterk waren.

Indien Farnese op grond van zijne overmacht op eene spoedigezegepraal gehoopt had, dan zag hij zich deerlijk bedrogen. Hij ontmoette een even onverwachten als dapperen tegenstand. Soldaten, burgers en landlieden gingen een edelen wedstrijd aan om de vesting tegen de gehate Spanjaarden te verdedigen, zelfs de vrouwen namen deel aan den strijd. Zij vochten even dapper als de mannen. Toen na zware verliezen, tengevolge van de wel dapper afgeslagene, maar telkens herhaalde bestormingen, het garnizoen den moed liet zakken, verklaarden de burgers en boeren met de dappere vrouwen, dat zij zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen en het garnizoen onschadelijk maken zouden, indien dit nog een woord van overgave durfde reppen. Zij deelden iets van hun eigen heldenmoed aan de soldaten mede en deze trachtten van nu af door dubbele dapperheid te doen vergeten, dat zij voor een oogenblik den moed opgegeven hadden.

Terwijl voor Maastricht dagelijks gevochten werd, was Farnese onvermoeid bezig om de Waalsche provinciën door beloften en vleierijen geheel van de noordelijke te scheiden. Gemakkelijk ging dit echter niet, want nog altijd was bij een groot deel der Walen de haat tegen de Spanjaarden niet uitgeroeid; zij hadden zich slechts bij het verbond van Atrecht aangesloten, om de heerschappij der katholieke kerk in het land te handhaven.

De Walen beweerden, dat zij bij het sluiten van dat verbond aan de pacificatie van Gent trouw gebleven waren, ja dat zij juist de daarin uitgedrukte beginselen krachtig handhaafden, terwijl aan den anderen kant de leden der Unie van Utrecht en de Staten-generaal zich insgelijks op de pacificatie van Gent beriepen, welke alzoo beiden partijen tot leuze diende.

Van dit verschil der Nederlanders, dat Alexander Farnese zoo juist van pas kwam, trok deze meesterlijk partij. Hij vaardigde een stuk aan de Staten-Generaal uit, waarin hij van hen de handhaving van de pacificatie van Gent eischte, en verklaarde, dat deze door de Walen stipt geëerbiedigd werd.

Hierdoor vleide hij de Waalsche provinciën, wien hij bereidvaardig alles inwilligde wat zij verlangden. Dewijl hij hetzelfde doel voor oogen had als zij, namelijk de alleenheerschappij der katholieke kerk in de Nederlanden, deed hij des te eerder de schitterendste beloften, tot welker vervulling hij buitendien niet genoodzaakt worden kon. Hij verzekerde,—en zijn woord werd door den koning bekrachtigd—dat de provinciën in het bezit van al hunne vrijheden en voorrechten hersteld en de Spaansche troepen uit het land verwijderd zouden worden, zoodra een Nederlandsch leger tot bescherming van den katholieken eeredienst gevormd was.

Te vergeefs waarschuwde Willem van Oranje de Walen tegen de trouwloosheid en woordbreuk der Spanjaarden. De beloften van Farnese vonden geloof, hiervoor zorgde de ijverige katholieke geestelijkheid en de omgekochte katholieke adel, die geheel de zijde der Spanjaarden gekozen had; hiervoor zorgde Farnese zelf, die al zijne beminlijke hoedanigheden aanwendde om zich bij de Walen populair te maken.

Tegen het einde van April 1579 verscheen een talrijk gezantschap uit de Waalsche provinciën in de legerplaats voor Maastricht, om met Farnese in persoon te onderhandelen. Eene schitterende ontvangst viel den afgevaardigden ten deel. Farnese gedroeg zich jegens hen zóó minzaam en voorkomend, dat hij hen in verrukking bracht.

Kort daarop, in Mei 1579, kwam een voorloopig verdrag tot stand, waarbij de Waalsche provinciën zich opnieuw aan de koninklijke macht onderwierpen, onder voorwaarde, dat al hunne privilegiën geëerbiedigd en de Spaansche troepen verwijderd zouden worden.

Nog eens bezwoer Willem van Oranje de Walen, dat zij niet ontrouw zouden worden aan het gemeenschappelijk vaderland. Doch het was te laat! De beslissende stap was gedaan, de Nederlanden waren in twee deelen gesplitst, die voortaan in bittere vijandschap tegenover elkander staan zouden.

Het absolutisme had eene schitterende overwinning behaald, ja, maar eene overwinning, die ten slotte voordeelig bleek voor de verdere ontwikkeling der vrijheid.

Zou de republiek der Vereenigde Nederlanden ooit zulk een trap van bloei bereikt hebben, als nu tot heil der menschheid het geval was, wanneer men bij elken stap op den weg der vrijheid de dweepzieke katholieke bevolking der Waalsche provinciën angstig naar de oogen had moeten zien? Was het niet een voordeel, dat in ’t vervolg de protestanten, de meest ontwikkelde en welvarende burgers van die gewesten, zich in het Noorden vestigen moesten? Vlocht niet juist deze scheiding om de Nederlanders, die aan de zaak der vrijheid trouw waren gebleven, een nog hechter eendrachtsband en prikkelde zij hen niet tot verdubbelde krachtsinspanning?

Al deze zegenrijke gevolgen der scheiding kwamen intusschen eerst later aan het licht; in dien tijd werd die afval der Walen beschouwd als de zwaarste slag, die de Nederlandsche vrijheid treffen kon. De voorstanders van het onbeperkt koninklijk gezag en de dweepzieke katholieken juichten, de protestanten daarentegen waren niet bij machte om hunne verontwaardiging in te toomen. Te Antwerpen, te Utrecht en in andere steden vielen tooneelen van geweld, ja bloedige demonstraties tegen de katholieken voor. Te Brussel daarentegen putte een jong, eerzuchtig edelman uit deze zegepraal der katholieke partij den moed tot eene poging om de hoofdstad des lands weder aan de zijde van den Spaanschen koning te brengen.

Philips, graaf van Egmond, de oudste zoon van den onthoofden Lamoraal, had de gebreken, maar niet de talenten van zijn vader geërfd. De ijdele, eerzuchtige man brandde van begeerte om eene belangrijker rol te spelen, dan waarop zijne middelmatige bekwaamheden hem recht gaven. Naijverig op de macht van den prins van Oranje wilde hij dezen nog des te liever ten val brengen, dewijl hij, een streng katholiek, den protestantschen leider der omwenteling haatte.

Egmond kommandeerde een in den dienst der staten staand regiment, dat in de nabijheid van Brussel gelegerd was. Hij vormde het avontuurlijk plan om de stad te bemachtigen en haar aan den koning van Spanje over te geven, wiens genade hij zich door het bewijzen van zulk een belangrijken dienst hoopte te verwerven.

In den vroegen morgen van den 4enJuni 1579 trok Egmond aan het hoofd van zijn regiment Brussel binnen; hij voerde zijne soldaten naar de groote markt, in het midden der stad, naar dezelfde markt, waar den 5enJuni 1568 het hoofd zijns vaders gevallen was als slachtoffer van de dwingelandij diens konings, wien hij thans de stad verraderlijk wilde overleveren.

Het regiment werd in slagorde geschaard en eene afdeeling naar het slot gezonden, om dit te bezetten.

Doch de aanslag mislukte. Reeds had de bevelhebber van Brussel, ter rechter tijd gewaarschuwd, de soldaten der bezetting onder de wapenen geroepen en het slot bezet. De kleine door Egmond afgezonden bende werd gevangen genomen.

Het gerucht van Egmond’s verraad verbreidde zich met bliksemsnelheid door de stad. De burgers vlogen te wapen, trokken naar de markt en wierpen in alle straten, die daarop uitliepen, barrikaden op. Eer Egmond iets bespeurd had van het gevaar, waarin hij verkeerde, was elke uitweg hem reeds versperd. Waarheen hij zich ook wenden mocht, overal ontwaarde hij door gewapende burgers bezette, wel in aller ijl opgeworpene, maar toch sterke bolwerken voor zich. Hij was met zijn regiment op de groote markt gevangen.

Egmond verkeerde in een pijnlijken en vernederenden toestand. Hij durfde de barrikaden niet aanvallen, dewijl hij dan zelf in den rug zou worden aangetast: ook moest hij thans, nu geheel Brussel tegen hem onder de wapenen stond, alle hoop op een gunstigen uitslag opgeven. Hij moest het lijdelijk aanzien, dat de burgers hem van de barrikaden hoonden, „Hij is zeker gekomen”, zeiden ze, „om het hoofd zijns vaders te zoeken en den verjaardag van diens onthoofding te vieren. Laat hem maar eenige straatsteenen voor zijne voeten uit den grond halen, dan zal hij het bloed vinden van den edelen, waardigen martelaar, dat tegen den ontaarden zoon ten hemel schreit.”

Deze en dergelijke woorden moest Egmond aanhooren, zonder dat hij zich durfde wreken. Werkeloos moest hij alle smaad- en spotredenen opvangen, die hem naar het hoofd geworpen werden. Een geheelen dag en een geheelen nacht bracht hij in dezen vernederenden toestand door. Zijn hongerende troepen morden, zij wilden zich tegen hem verzetten, toen in den morgen van den 7enJuni het verrassend bericht kwam, dat het hem vergund was ongestraft Brussel te verlaten. Ongetwijfeld had de gedachte aan het groot aantal bloedverwanten en vrienden van den jongen graaf de Brusselaars tot die zachtmoedigheid bewogen. Gehoond door de burgers, bespot en onteerd verliet Philips van Egmond Brussel op den verjaardag van zijn vaders dood.

De belegering van Maastricht was intusschen door Alexander Farnese met de grootste krachtsinspanning voortgezet. Zij kostte den Spanjaarden vreeselijke offers, want bij elken storm werden zij door de dappere verdedigers met bebloede koppen teruggeslagen. Duizenden soldaten en vele officieren van hoogen rang1sneuvelden onder de muren der stad, die hardnekkig hare poorten voor den vijand gesloten hield, zij smaakten alleen de voldoening te weten, dat er voor de belegerden geene hoop op ontzet bestond.

Parma had zijne legerplaats voor Maastricht zóó sterk bevestigd, dat hij haar tegen eene groote overmacht had kunnen verdedigen, doch de prinsgezinden bezaten geene noemenswaardige krijgsmacht. De kleine krijgsbenden, welke Willlem van Oranje in het veld kon brengen, waren volstrekt niet bij machte om met goed gevolg een aanval op het verschanste kamp der Spanjaarden te doen.

Te vergeefs spoorde de prins van Oranje de Staten tot krachtig handelen, tot het beschikbaar stellen van aanzienlijke geldsommen, tot het lichten of aanwerven van meerdere troepen aan, ten einde de belangrijke stad Maastricht voor de Nederlanden te behouden. Al zijne bemoeiingenwaren vruchteloos; zij werden deels door zijne vijanden, deels door de misplaatste spaarzaamheid en de besluiteloosheid der Staten verijdeld.

Dewijl de dappere verdedigers van Maastricht geen ontzet zagen opdagen, ja alle hoop daarop moesten laten varen, moesten zij ten slotte wel voor de overmacht zwichten. Hunne krachten werden door de onophoudelijke gevechten uitgeput, de schildwachten konden zich ter nauwernood meer op de been houden.

Den 29enJuni 1579 waren—gelijk dit wel meer plaats had—de schildwachten op de wallen in slaap gevallen. Een Spanjaard bemerkte dit en deelde het aan Farnese mede, die terstond bevel gaf om van dezen gunstigen oogenblik tot eene bestorming partij te trekken. Dit geschiedde en eer de slaapdronkene burgers recht wakker waren, zagen zij zich aangevallen door de Spanjaarden, wien zij niet langer het hoofd konden bieden.

De stad werd ingenomen en met die onmenschelijke wreedheid behandeld, welke de Spanjaarden gewoonlijk jegens de overwonnen steden aan den dag legden. Drie dagen lang duurde het moorden en toen Alexander Farnese zijn zegepralenden intocht in de veroverde stad hield, werd hij in een prachtigen statiezetel door zijne veteranen over de verminkte lijken der ontelbare vermoorden naar de kerk gedragen.

Men verhaalt, dat bijna de gansche bevolking der bloeiende stad door de over hunne groote verliezen woedende Spanjaarden uitgeroeid is; ook de weinigen, die het bloedbad overleefden, mochten niet in hunne vaderstad blijven, zij zetten zich elders neer en Maastricht werd eene woeste, alleen door de overwinnaars bewoonde plaats.

De val van Maastricht was een zware slag voor de Nederlanders, doch bijna nog grooter schade bracht de heerschappij van het gemeen, waarvan Gent getuige was, aan de zaak der vrijheid toe.

Slechts voor een korten tijd had de tusschenkomst van Oranje de rust daar hersteld; om haar voor goed te herstellen had hij Rijhove, Hembyze en een krachtig volksleider, Peter Datheen, een voormaligen monnik, onschadelijk moeten maken; doch hiertoe was hij niet in staat.

Reeds door zijne telkens herhaalde aanmaningen tot rust en orde had Oranje zich Hembyze en Datheen, die zijn invloed duchtten, tot vijanden gemaakt, zij beschuldigden hem namelijk, dat hij een vermomde papist en koningsgezinde was en dat hij met zijn godsdienstvrede slechts de katholieken had willen begunstigen.

Rijhove stelde zich wel tegen zijn vroegeren vriend Hembyze over, maar zijne poging om dezen ten val te brengen, mislukte en was daardoor schadelijk voor het aanzien van den prins, dat buitendien niet kon winnen door de ondersteuning van een met bloed bevlekten misdadiger, wiens misdaden tot dusver ongestraft waren gebleven.

Hembyze’s moed klom tengevolge van dit alles. Vast besloten zich van de dictatuur binnen Gent meester te maken, stiet hij met de hulp van 2000 soldaten van zijn aanhang de stedelijke overheid van het kussen en stelde hij een nieuwen raad aan, dien hij zelf uit zijne blinde aanhangers en werktuigen benoemde. Door deze gesteund, heerschte hij te Gent zóó willekeurig, dat hij zich de geheele burgerij tot vijand maakte.

Slechts één man was in staat om de orde in de aan woeste regeeringloosheid prijsgegeven stad te herstellen: Willem van Oranje. Tot hem wendde zich een deel der burgerij en smeekte hem, naar Gent te komen. Hij willigde dit verzoek in, hoewel zijne vrienden hem verzochten,dat hij zich niet zou blootstellen aan het gevaar van door Hembyze en het Gentsche gepeupel vermoord te worden.

De verschijning van den prins te Gent deed eene schier tooverachtige uitwerking. Hembyze waagde geene enkele poging om tegenstand te bieden; hij verborg zich, ten einde te gelegener tijd te ontvluchten; maar hij werd ontdekt en gevangengenomen. Sidderend van doodsangst—want hij dacht stellig, dat men hem ophangen zou—verscheen hij voor den prins. Doch deze nam niet zulk eene onedele wraak op zijne vijanden. Hij gaf aan Hembyze en Datheen verlof om de stad te verlaten. Zij begaven zich naar hun ouden begunstiger Johan Casimir van de Palts, bij wien zij eene gastvrije ontvangst vonden.

Willem van Oranje vergenoegde zich met het herstellen van de orde binnen Gent. In de plaats van Hembyze’s makkers stelde hij een nieuwen raad, dien hij op regelmatige, wettige wijze benoemen liet. Vervolgens keerde hij naar Antwerpen terug.

Zoo was binnen Gent de orde hersteld. Doch aan de zaak der vrijheid was eene diepe wonde toegebracht door het misbruik, dat een aantal harer onhandige en onwaardige vrienden van haar gemaakt hadden, door de uitspattingen, welke zij in haren naam hadden gepleegd.

1Onder de edelen, die voor Maastricht gebleven zijn, wordt ook de oudste zoon van Barlaimont, de baron van Hierges, genoemd. Hij had van zijn onlangs overleden vader den titel van graaf van Barlaimont geërfd. Farnese betreurde in hem een der trouwste aanhangers des konings in de Nederlanden.

1Onder de edelen, die voor Maastricht gebleven zijn, wordt ook de oudste zoon van Barlaimont, de baron van Hierges, genoemd. Hij had van zijn onlangs overleden vader den titel van graaf van Barlaimont geërfd. Farnese betreurde in hem een der trouwste aanhangers des konings in de Nederlanden.


Back to IndexNext