Negende Hoofdstuk.De Nederlanden. Alba’s overwinning. Alba’s zoon Frederik. Wreede straf, op de steden Mechelen en Zutfen toegepast. Frederik’s veldtocht in Holland. Het bloedbad te Naarden. Belegering, moedige verdediging en eindelijke overgave van Haarlem. Alba’s vruchtelooze poging om den vrede tot stand te brengen. Belegering van Alkmaar. Krachtige verdediging en ontzet der stad. Overwinning der Hollanders ter zee. Oranje’s werkzaamheid. Zijn overgang tot het Calvinisme. Laatste tijd van Alba’s verblijf in de Nederlanden. De hertog van Medina Celi. Don Louis de Zuniga y Requesens. Alba keert naar Spanje terug. Zijn dood.De val van Bergen besliste den afval van alle Zuid-Nederlandsche steden van de partij des prinsen. De Vlaamsche en Brabantsche steden wedijverden in betuigingen van trouw aan den koning. Alba nam voorloopig die verzekeringen kalm aan. Alleen de stad Mechelen koos hij uit, om aan haar een vreeselijk voorbeeld te stellen. Hij zond zijn zoon Frederik en Noircarmes naar die ongelukkige stad, om haar te tuchtigen.De beide veldheeren lieten haar drie dagen lang door hunne soldaten plunderen; niet alleen de woonhuizen, maar ook de kerken, kloosters en geestelijke gestichten deelden in dat lot. Alle kostbare voorwerpen, gewijde kelken, relieken, kerkgewaden en altaarsieradiën werden door de woeste Spaansche soldaten zonder uitzondering tot goeden buit verklaard. De soldaten, die Alba naar de Nederlanden gevoerd had, om de katholieke kerk tegen de ketters te verdedigen, traden de gewijde hostie met voeten. Zij woedden erger dan ooit de beeldstormers gedaan hadden; drie dagen lang plunderden en moordden zij, terwijl zij den armen onschuldigen vrouwen een lot bereidden, erger dan de dood: vijftig dier ongelukkigen ondergingen dat lot in—eene kerk.Alba’s zoon Frederik en Noircarmes waren werkelooze getuigen van deze afgrijselijke tooneelen, zij spraken geen woord ter bescherming van de aan den ondergang gewijde stad.Na de plundering van Mechelen beval Alba zijn zoon Frederik, de Noordelijke en Oostelijke gewesten des lands, die alle nog aan zijne macht het hoofd boden, tot onderwerping te brengen, Frederik rukte Gelderland binnen; hij ontmoette bijna geen tegenstand, alleen de kleine stad Zutfen deed eene zwakke poging om zich tegen het binnen rukken der koninklijke troepen te verzetten. De hertog besloot, haar daarvoor vreeselijk te straffen: hij gebood zijnen zoon, geen mensch binnen hare muren in het leven te laten en de huizen te verbranden.Frederik voerde het bevel letterlijk uit. Nadat hij met zijne soldaten de stad binnengedrongen was, liet hij mannen, vrouwen en kinderen zonder genade neerhouwen. Dewijl het werk van zwaard en dolk te langzaam ging en er geene beulen genoeg waren om de slachtoffers op te hangen, beval hij, de gevangenen rug aan rug te binden en zoo in den IJssel te verdrinken. Op deze wijze werden 800 burgers gedood. Eene naamlooze ontzetting verbreidde zich, na dit over Zutfen gehouden strafgericht, door geheel Gelderland. De graaf van den Berg, Oranje’s zwager, die in diens naam den eed van trouw aan de burgers afgenomen had, toonde thans een ellendige lafaard te zijn. Hij durfde den strijd tegen de Spanjaarden niet voortzetten, maar hij vluchtte zoo snel mogelijk uit het land. Na zijn vertrek vielen alle Geldersche steden van Oranje af, zij smeekten den hertog om genade en gaven zich aan zijne troepen over.Ook Friesland werd binnen korten tijd weer onderworpen. De stadhouder Robles versloeg een leger van 6000 aanhangers van den prins en onderwierp daarop de provincie, zonder verder eenigen tegenstand te ontmoeten.Zoo was dan de opstand overal gedempt; alleen Holland was aan de zaak der vrijheid nog trouw gebleven. De taak om ook deze provincie tot de gehoorzaamheid aan den Spaanschen koning terug te brengen, droeg Alba aan zijnen zoon Frederik op. De eerste stad, waartegen Frederik zijne wapenen richtte, was Naarden, eene kleine in de nabijheid der Zuiderzee gelegene stad, die te onbeduidend was om met hoop op goed gevolg den Spanjaarden het hoofd te bieden. Den 28enNovember verscheen voor Naarden eene bende van 100 Spanjaarden en eischte de stad op. De burgers achtten het schandelijk, de poorten voor zulk een handvol lieden te openen. Zij zonden in aller ijl boden naar de naburige steden en tot de veldheeren der staatschen, om hunne hulp in te roepen. In plaats van ondersteuning ontvingen zij ten antwoord, dat het voor hen het beste zou zijn, eene eervolle capitulatie te sluiten. Terstond zonden zij den burgemeester en een raadslid naar de legerplaats van den veldheer Frederik, doch deze weigerde zelfs de gezanten aan te hooren. Hij rukte met zijn leger rechtstreeks tegen Naarden op.Een beteren uitslag scheen de zending van eenige burgers te zullen hebben, die zich naar de Spaansche legerplaats begaven, toen deze voor de stad opgeslagen was. Zij werden door Juliaan Romero ontvangen, deze beloofde hun in den naam van Frederik, dat het leven en de bezittingen der belegerden gespaard zouden worden, wanneer de sleutels der stad vrijwillig werden overgegeven. Hij gaf hierop zijn eerewoord als krijgsman en hiermede stelden de afgezanten zich tevreden. Zonder eene schriftelijke verzekering gaven zij de stadssleutels aan Romero over en deze trok met 5 à 6000 Spaansche musketiers Naarden binnen. Hij zag zich door de burgers eene schitterende ontvangst bereid. Men gaf ter eere der Spanjaarden een feestelijken maaltijd, waaraan deze met groot genoegen deelnamen. Na den afloop hiervan beval Romero, dat al de burgers in eene kerk (de Gasthuiskerk) moesten bijeenkomen.Binnen korten tijd waren 500 burgers in de kerk samengekomen, om de bevelen van den Spaanschen generaal te vernemen. In plaats hiervan ontvingen zij van een priester, die de kerk binnentrad, bevel om zich ter dood te bereiden. De uitvoering volgde deze bedreiging op den voet: de kerkdeuren werden geopend, de Spaansche soldaten verschenen daarvooren vuurden hunne wapens in den dicht opeengepakten menschendrom af; hierop hieuwen zij hen, die door de kogels gespaard waren, met het zwaard neder. Onmiddellijk daarop werd de kerk in brand gestoken: dooden en stervenden werden met het gewijde gebouw door de vlammen verteerd.Na dezen moord drongen de Spanjaarden de huizen binnen, vermoordden schier de geheele bevolking en gaven de stad aan de vlammen prijs. Slechtsenkelevluchtelingen gelukte het, die plaats des onheils te ontvlieden. Een deel hunner werd in den omtrek nog opgevangen en gedood. Frederik verbood, op straffe des doods, den bewoners van de naburige dorpen den vluchtelingen eene schuilplaats of voedsel te verschaffen.Na de verwoesting van Naarden begaf Frederik zich naar Amsterdam, de eenige stad in Holland, die der zaak des konings getrouw gebleven was. Hier ontmoette hij zijn vader, die hem om zijn gedrag hoogelijk prees. Ook Philips II schreef, toen hij het gebeurde binnen Naarden vernam, een brief aan den hertog, om hem geluk te wenschen met zulk een zoon, zijn voortreflijken vader ten volle waardig.De hertog besloot van Amsterdam uit geheel Holland te onderwerpen; doch hiertoe moest hij in de allereerste plaats de stad Haarlem bemachtigen.Haarlem was eene der grootste en schoonste steden der Nederlanden, maar slechts zwak versterkt, en het scheen daarom niet moeilijk, haar te overweldigen. Dewijl de stad op het smalste punt lag der landengte, waardoor het schiereiland Noord-Holland met het overige land verbonden is, kon zij den Spanjaarden, zoodra deze zich van haar meester hadden gemaakt, tot een steunpunt voor hunne aanvallen naar beide zijden dienen, Frederik ondernam op zijns vaders bevel met ongeveer 30.000 man der beste Spaansche troepen de belegering, die in zijn oog eene lichte taak was; hij meende, dat hij binnen acht dagen als overwinnaar Haarlem binnen zou trekken.Deerlijk had hij zich bedrogen; hij ontmoette hier eene dappere verdediging, waartoe hij zelf door zijn woordbreuk en wreedheid jegens de burgers van Naarden aanleiding gegeven had.Toen de tijding van den moord van Naarden door Holland verbreid werd, bracht zij geene vrees, maar verbittering te weeg. De Hollanders zwoeren, dat zij zich tot den laatsten man zouden verdedigen, om hunne vermoorde vrienden te wreken. Wat zou eene oogenblikkelijke overgave hun ook gebaat hebben? Ook de burgers van Naarden hadden op belofte van lijfsbehoud van alle verdediging afgezien, en toch waren zij door den even trouwloozen als bloeddorstigen vijand vermoord. Eenige lafhartige overheidspersonen, die met Alba onderhandelingen over de overgave der stad aangeknoopt hadden, werden ter dood gebracht en de geheele burgerij besloot, in vereeniging met de bezetting, zich tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Ook de vrouwen werden met eene gloeiende geestdrift bezield: Kenau Hasselaer, eene weduwe, die tot eene der aanzienlijkste familiën behoorde, stelde zich aan het hoofd eener schaar van 300 vrouwen en meisjes, met wie zij aan alle gevechten gedurende de belegering deelnam.De prins van Oranje, die, hoewel hij zonder leger en zonder geld in Holland aangekomen was, hier met de grootste geestdrift was ontvangen, versterkte de dappere burgerij in haar besluit. Onmiddellijk voor het beleg was Aldegonde op zijnen last binnen Haarlem verschenen om de burgers tot volharding aan te sporen.De belegering nam een aanvang; van weerszijden werd met schitterendedapperheid gestreden, doch ook van weerszijden werd de oorlog met dezelfde wreedheid gevoerd. De burgers van Haarlem bevlekten zich met het bloed van hunne gevangenen, doch zij hadden waarlijk ook meer dan menschen moeten zijn, om niet vervuld te zijn met dorst naar wraak jegens een vijand, van wien zij zelven geene verschooning hadden te wachten.Zeven maanden, van December 1572 tot Juli 1573, duurde de belegering reeds en in weerwil van zijne overmacht had Frederik niets tegen de slecht versterkte stad kunnen uitrichten. Elke storm der Spanjaarden was met mannenmoed afgeslagen.Intusschen had de prins van Oranje geen oogenblik stil gezeten, maar meer dan ééne poging aangewend om de dappere burgers door het toezenden van levensmiddelen en hulptroepen te ondersteunen, doch dit was hem niet gelukt. Een groot leger kon hij niet onder de wapenen brengen, daartoe ontbraken hem alle middelen, en de kleine legerbenden, die hij met moeite op de been bracht, werden door de veel sterkere Spanjaarden teruggeslagen. Een dergelijk lot onderging ook eene Hollandsche vloot, die den 28enMei door den graaf van Bossu verslagen werd.De nederlaag dezer vloot was noodlottig voor de stad Haarlem. De burgers moesten de hoop op ontzet nu wel opgeven; reeds werden de levensmiddelen schaarsch, reeds braken ten gevolge van honger en gebrek ziekten uit, die het getal der verdedigers dagelijks deden inkrimpen. Toch verliepen er nog weken, eer de dappere burgers er aan dachten, over de overgave der stad met den vijand in onderhandeling te treden. Zij toonden den hertog van Alba, dat het geene botermenschen, gelijk hij eens spottend gezegd had, maar mannen van ijzer en staal waren, met wie hij te kampen had.Toen eindelijk alle levensmiddelen verteerd waren, besloten de Haarlemmers, zich met vrouwen en kinderen op den vijand te werpen, om te beproeven zich door hem heen te slaan.De Spaansche bevelhebber was sinds lang eene belegering moede, waarbij voor hem geene lauweren vielen te plukken. Reeds in Januari had hij zijn vader doen weten, dat de inneming van Haarlem het bloed niet beloonde, hetwelk daartoe vergoten werd. Doch Alba had hem door den bode het volgende scherpe verwijt doen toekomen: „Zeg mijn zoon, dat ik, wanneer hij de belegering niet voortzet, hem niet langer als mijn zoon erken. Wanneer hij bij het beleg sneuvelt, zal ik hem vervangen en wanneer wij beiden omkomen, dan zal de hertogin, mijne echtgenoot, uit Spanje komen, om ons werk te voltooien.”Op dat bevel had Frederik al zijne krachten ingespannen om de stad stormenderhand in te nemen, doch al zijne pogingen hiertoe waren mislukt. Thans hoorde hij van het plan der belegerden; hij kende die door wanhoop tot het uiterste gedrevene burgers en achtte het beter, met hen in onderhandeling te treden en hun lijfsbehoud voor de burgerij en de bezetting te doen aanbieden.Op deze belofte volgde den 12enJuli de overgave van Haarlem. Dat Frederik zijn woord niet hield, dat hij zoowel onder de bezetting als onder de burgerij een bloedbad aanrichtte, dat zijne soldaten de stad uitplunderden, spreekt na het vroeger voorgevallene eigenlijk van zelf. Het mocht zelfs als eene blijkbare genade beschouwd worden, dat niet meer dan 2 tot 300 menschen gedood werden en dat de stad niet in brand gestoken werd. In Zutfen en Naarden hadden de Spanjaarden nog erger huis gehouden.De dappere verdediging van Haarlem wakkerde den moed der Hollanders aan. Eene zwakke stad had zeven volle maanden aan alle aanvallen der Spanjaarden het hoofd geboden, zij was eindelijk slechts voor den honger bezweken. Daardoor was het bewijs geleverd, dat het volk, indien het slechts moed en volharding bezat, eindelijk de overwinning behalen moest. Bovendien hoopte men op buitenlandsche hulp; men wist immers, dat de prins van Oranje daarover voortdurend met de koningin van Engeland, met de Duitsche vorsten en zelfs, in weerwil van den Bartholomeüsnacht, door tusschenkomst van zijn broeder Lodewijk, met Frankrijk onderhandelde.Ook Alba’s zelfvertrouwen was door den tegenstand, dien hij van Haarlem ontmoet had, zeer geschokt. Nog eens waagde hij eene poging om de Hollanders door middel eener proclamatie, die hij den 26enJuli te Utrecht afkondigde, tot gehoorzaamheid terug te brengen. Hij nam in dit merkwaardig geschrift zoowel beloften als bedreigingen te baat; den berouwvollen wilde hij hoop op vergiffenis, den lafhartigen vrees voor straf inboezemen. Philips II, zeide hij onder anderen, wenschte niets vuriger dan zijne verdoolde kinderen aan zijn vaderhart te drukken; dit had hij menigmaal getoond. Nog eens beloofde Zijne Majesteit in zijne overvloeiende koninklijke genade, te vergeven en te vergeten, hoe groot hunne afdwalingen ook geweest mochten zijn, indien zij ter rechter tijd in de armen van hun liefhebbenden vorst terugkeerden. Zijne Majesteit vermaande hen, niet te wachten, totdat alle vergiffenis onmogelijk zou zijn. „Indien gij—zoo vervolgde Alba in de proclamatie—deze aanbiedingen snoodelijk afwijst, wanneer gij daarvoor doof van ooren blijft, gelijk tot dusver het geval is geweest, dan zeggen wij u aan, dat er geene wreede mishandeling is, die gij niet verwachten moet. Gij kunt er zeker van zijn, dat men met zulk eene gestrengheid tegen u te werk zal gaan, met verwoesting, hongersnood en het zwaard, in dier voege, dat nergens eenig overblijfsel meer te vinden zal zijn van hetgeen thans bestaat; maar Zijne Majesteit wil het land naakt uitkleeden en geheel en al ontvolken en het wederom door vreemdelingen laten bewonen, daar Zijne Majesteit anders niet zou kunnen gelooven, dat de wil van God en van Zijne Majesteit ten uitvoer was gelegd.”De proclamatie miste alle uitwerking; noch des konings bedreigingen, noch zijne verzekeringen van liefde en vergevensgezindheid oefenden eenigen invloed uit. De Hollanders volhardden in hun tegenstand en Alba ging voort met zijne pogingen om hen door kracht van wapenen te onderwerpen, hoewel hij juist in dien tijd ten aanzien van zijne Spaansche troepen eene treurige ervaring opdeed.De oorlog verslond aanzienlijke sommen, de geldafpersingen in de Nederlanden leverden niet langer de gewenschte uitkomst op en uit Spanje werden den hertog geene gelden toegezonden. Hij had dus gebrek aan geld om de troepen te betalen, en thans bleek het, dat deze wankelden in hunne trouw, zoodra zij niet meer regelmatig hunne soldij ontvingen.Het garnizoen van Haarlem veroorloofde zich schandelijke ongeregeldheden, ja het kwam onder de Spaansche soldaten zelfs tot eene samenzwering. De ontevredenen benoemden eenigen uit hun midden, die zich, als kooplieden verkleed, naar Delft tot den prins begaven, en hem aanboden, de stad Haarlem voor 40.000 gulden in zijne handen te leveren.Oranje zou gaarne dat voorstel hebben aangenomen, maar zelfs deze onbeduidende som kon hij niet bijeenbrengen en dus liep deze onderneming te niet.Slechts met moeite gelukte het Alba, de muitende troepen door beloften en geschenken tot gehoorzaamheid te bewegen.De kleine stad Alkmaar in Noord-Holland had een garnizoen van den prins van Oranje ingenomen en de opeisching om zich aan de Spanjaarden over te geven met eene weigering beantwoord. De hertog was daarover buiten zich zelven van woede, hij beklaagde zich over de grenzenlooze ondankbaarheid, waarmee het Hollandsche volk zijne zachtmoedigheid beantwoordde, en verklaarde, dat hij het daarvoor vreeselijk straffen zou. Na de inneming van Alkmaar zou niet een der verdedigers in het leven blijven; had hij de fout begaan, Haarlem van eene geheele plundering en brandstichting te verschoonen en slechts een klein getal menschen ter dood te brengen, aan Alkmaar zou hij een indrukwekkend voorbeeld stellen. „Zoo ik Alkmaar inneem,”—schreef hij aan Philips II—„dan staat mijn besluit vast om geen enkel schepsel in het leven te laten, voor elke keel zal het mes getrokken zijn. Daar het gebleken is, dat het voorbeeld van Haarlem niets gebaat heeft, zal misschien een voorbeeld van wreedheid de andere steden wijs maken.”Alba gaf zijnen zoon Frederik bevel om Alkmaar te belegeren; den 21enAugustus verscheen Frederik met een leger van 16.000 veteranen voor de stad en sloot haar zóó nauw in, dat na verloop van enkele dagen, gelijk Alba zelf zeide „ter nauwernood een musch de stad in of uit vliegen kon.” Tegen dat leger stonden in Alkmaar slechts een garnizoen van 800 man en 1300 weerbare burgers over. Doch met deze handvol strijders stond de geheele burgerij vast in het besluit om liever te sterven dan zich over te geven.De moed van Alkmaar’s inwoners werd verhoogd door de overtuiging, dat er een middel bestond om de inneming van de stad schier onmogelijk te maken; wanneer de dijken doorgestoken en de sluizen geopend werden, die Holland tegen de zee beveiligden, dan zou de oceaan zelf voor de belegerden strijden. Doch om hiertoe over te gaan had men de toestemming van al de ingelanden noodig, dewijl zulk eene overstrooming noodwendig den geheelen oogst vernietigen zou.De burgerij van Alkmaar besloot, een bode aan den prins van Oranje en aan diens onderbevelhebber in Holland, Dirk Sonoy, te zenden en deze te smeeken, wanneer de inneming van de stad onvermijdelijk scheen, de dijken te laten doorsteken, ten einde de Spanjaarden in de golven te doen omkomen.Het viel der burgerij niet gemakkelijk, haar besluit uit te voeren; rondom de stad waren de Spanjaarden gelegerd, geen musch kon, naar Alba’s woord, ongestraft door hunne gelederen vliegen, maar een stoutmoedig timmerman, Pieter van der Meij, nam op zich het waagstuk te beproeven. Hij ontving brieven voor Sonoy en den prins van Oranje, die hij in een uitgeholden stok verborg, en inderdaad gelukte het hem, door het Spaansche leger heen te sluipen.Frederik had intusschen niet stil gezeten; hij had de stad meer dan eens beschoten, doch daardoor slechts geringe schade aangericht. Ook verschillende stormaanvallen waren vruchteloos gebleven, en nu besloot hij den 18enSeptember, na eene levendige kanonnade van 12 uren, tegen drie uur des namiddags, door een algemeenen storm van zijn gansche leger de stad in te nemen; te gelijker tijd werden de poorten van verschillende zijden aangevallen.De Spanjaarden ontmoetten echter zulk eene krachtige verdediging, dat al hunne pogingen ijdel bleven. De geheele burgerij was op de wallen en streed aan de zijde der bezetting met leeuwenmoed. De stormkolonnes werden met kanon-, musket- en pistoolschoten ontvangen, de vrouwen begoten de bestormers met kokend water, kokende olie en gesmolten lood, of wierpen hun brandende pekkransen om den hals. De weinigen, wien het gelukte, den voet op den wal te zetten, werden terstond door de dappere verdedigers teruggeworpen.Driemaal werden de Spanjaarden teruggedreven, driemaal hernieuwden zij den aanval met verdubbelde woede, vier uur achtereen streden zij met de uiterste krachtsinspanning, doch zij wonnen geen duimbreed gronds. Toen eindelijk de nacht inviel, weerklonk het sein om den aanval te staken.Met 1000 gesneuvelden hadden de Spanjaarden de vruchtelooze bestorming geboet, terwijl slechts 13 burgers en 24 soldaten van het garnizoen in den strijd gebleven waren.Den volgenden dag liet Frederik na eene hevige kanonnade op nieuw het sein tot den aanval geven, maar te vergeefs: noch door bedreigingen, noch door smeekingen lieten de Spaansche soldaten zich bewegen om op de geschoten bres storm te loopen. De duivel zelf—verklaarden zij—streed aan de zijde der burgers van Alkmaar, anders hadden eenige halfverhongerde visschers den aanval van het geheele Spaansche leger niet kunnen wederstaan.Zelfs toen eenige wederspannige soldaten door hunne officieren doorstoken werden, oefende dit voorbeeld toch niet den minsten invloed op de overigen uit.Pieter van der Meij had intusschen niet stil gezeten; hij had de hem toevertrouwde brieven zoowel aan Sonoy als aan den prins van Oranje overgebracht en van den laatste een schrijven aan Sonoy ontvangen, hetwelk het bepaalde gebod inhield om Alkmaar in geen geval in des vijands handen te laten vallen, maar in den oogenblik van het dringendste gevaar het land onder water te zetten, om het Spaansche leger te doen verdrinken. Een tweede brief, aan de verdedigers van Alkmaar gericht, deelde dezen zijn besluit mede en gelastte hun, zoodra de nood tot het uiterste geklommen was, het teeken tot het doorgraven van de dijken te geven, door op vier verschillende plaatsen vuren te ontsteken.Pieter van der Meij keerde naar Alkmaar terug; het gelukte hem, zij het dan ook met groote moeite, door de Spaansche gelederen heen te sluipen, maar hij verloor den stok, waarin des prinsen brief zich bevond. Voor de belegerden beteekende dit verlies weinig of niets, daar de bode den inhoud kende en dezen den bevelhebbers kon mededelen; alleen vreesde men, dat de stok wellicht door de Spanjaarden zou worden gevonden. Dit geschiedde ook inderdaad: de stok en daarmee de brief van den prins werd in handen van don Frederik gesteld. Doch de uitwerking was eene geheel andere dan men verwacht had.Frederik schrikte hevig bij het vernemen van den inhoud; indien het gerucht der dreigende overstrooming zich onder zijne buitendien reeds ontmoedigde en weerspannige troepen verbreidde, dan kon hij zeker zijn, dat zijne soldaten in aller ijl het kamp verlaten en zich verstrooien zouden. Hij sprak zijne denkbeelden hieromtrent in een krijgsraad uit en deze deelde zijn gevoelen; de officieren meenden, dat er genoeg gedaan was voor de eer der Spaansche wapenen, en dat niemand verlangen kon dat 16.000dappere soldaten weerloos opgeofferd zouden worden in een strijd niet tegen menschen, maar tegen den oceaan.De krijgsraad besloot, het beleg op te breken en den 8enOctober 1573 verliet Frederik met zijn leger den omtrek van Alkmaar, zonder het geringste voordeel behaald te hebben.De stad Alkmaar was de eerste stad in de Nederlanden, die een regelmatig beleg van de Spanjaarden afgeslagen had: zij verwierf zich daardoor onvergankelijken roem. „Van Alkmaar begint de victorie” zoo luidt het spreekwoord, waarin nog heden ten dage die gebeurtenis in de Nederlanden vereeuwigd wordt.Onuitsprekelijk groot was de blijdschap der bevolking over deze redding. Een van Alkmaar’s dappere verdedigers deelt ons in zijne beschrijving van die gebeurtenissen ook twee volksliederen mee, welke in die dagen gezongen werden.Een daarvan luidt:»De stadt van Alckmaer behielt de croon,Zij gaven de Spangiaerts cranssen;Pijpen en trommelen ginghen daer schoon,Men speelde daer vreemde danssen,De Spangiaerts stonden daer vergaert,Zij dansten een nieuwe Spaensche galjaert,Maer zij vergaten te comen in de schanssen.”Drie dagen na het opbreken van het beleg van Alkmaar smaakten de Nederlanders de vreugde eener nieuwe schitterende overwinning. Eene Spaansche vloot, 30 welbewapende schepen sterk, was onder bevel van den admiraal graaf Bossu de Zuiderzee binnengezeild, waar eene geuzenvloot van 25 kleinere vaartuigen, onder den admiraal Cornelis Dirkszoon, kruiste.Na meer dan ééne schermutseling tastte de geuzenvloot den 11enOctober de Spanjaarden aan en hoewel de overmacht, zoowel ten aanzien van het getal als van de bewapening der schepen, aan de zijde der Spanjaarden was, behaalden de Nederlanders eene luisterrijke overwinning. Vijf Spaansche schepen werden genomen, de overigen sloegen op de vlucht. Alleen Bossu achtte het beneden zich, zijn heil lafhartig in de vlucht te zoeken. Op het grootste en best bewapende vaartuig, dat den noodlottigen naam „de Inquisitie” droeg, bood hij aan vier Hollandsche schepen het hoofd. Na een lang en moorddadig gevecht moest de graaf wel tot het aanknoopen van onderhandelingen besluiten. Hij verklaarde zich bereid om zich over te geven, mits men hem eene eervolle, aan zijn rang passende gevangenschap en uitwisseling van de krijgsgevangenen toestond.De Hollanders beloofden dit en zij hielden hun woord, hoewel Bossu vroeger het zijne te Rotterdam schandelijk verbroken had. In weerwil van den haat, dien zij hem toedroegen, spaarden zij toch zijn leven.Zij zagen zich voor die trouw aan hun gegeven woord heerlijk beloond: de graaf van Bossu diende hun lang als gijzelaar voor het behoud van een ander, zeer kostbaar leven. In een gevecht tegen de Spanjaarden was de meest vertrouwde vriend van den prins, een der uitstekendste mannen, waarop de Nederlanders roem konden dragen, Marnix van St. Aldegonde, gevangen genomen. Zonder die overwinning op de Zuiderzee zou zijn dood onvermijdelijk zijn geweest, doch thans liet Oranje Albaweten, dat Bossu juist zoo behandeld zou worden als Marnix van St. Aldegonde. Hierdoor waren den hertog de handen gebonden: hij kon Marnix niet ter dood laten brengen, ja hij moest, hoezeer dit hem ook tegen de borst stuitte, een befaamden ketter als een krijgsgevangene behandelen.Terwijl Haarlem en Alkmaar belegerd werden, had de prins van Oranje zijne dagen niet in vadsige rust doorgebracht; al kwamen de vruchten van zijn rusteloozen arbeid ook niet in schitterende daden aan het licht, toch kunnen wij zijn invloed overal opmerken. Aan hem alleen was het te danken, dat de Hollanders niet in hun tegenstand verflauwden, door zijne kalme vastberadenheid boezemde hij hun onwrikbaren moed en vertrouwen op eene toekomstige zegepraal in. Zijn broeder Lodewijk diende hem tot onderhandelaar bij het Fransche hof; met de protestantsche vorsten van Duitschland stond hij zelf in betrekking.Hij had thans openlijk de katholieke kerk verlaten; in October 1573 was hij te Dordrecht tot het Calvinisme overgegaan.De vurige bewonderaars van den prins zijn van oordeel, dat deze geloofsverandering louter de vrucht der innige overtuiging van hun held is geweest. Doch wanneer wij ons herinneren, dat Oranje, hoewel nooit een dweepziek katholiek, vroeger toch ook nooit veel ingenomenheid met het Calvinisme aan den dag gelegd had, dat zijn ideaal, volkomen vrijheid van godsdienst en geweten, in de oogen der strenge Calvinisten al zeer weinig aantrekkelijks bezat en dat hij zich door hunne hardheid menigmaal voelde afgestooten, dan ligt de onderstelling voor de hand, dat de staatkunde ook haar deel aan dien stap des prinsen gehad heeft. Wij houden het er voor, dat de prins, zoo hij geheel vrij was geweest, veel liever Lutheraan dan Calvinist zou zijn geworden, maar dat hij begreep, in dit opzicht niet tegen den stroom te kunnen oproeien. Het is niet noodig, een mensch tot een heilige te maken, om zijne groote verdiensten te erkennen.In denzelfden tijd werd eene nieuwe wending in het lot der Nederlanders voorbereid door het besluit van Philips II om den hertog van Alba een opvolger te geven. Alba zelf was reeds lang zijn ambt moede. Hij was ontevreden over zich zelven en lag met de geheele wereld overhoop. Na zoovele overwinningen bevond hij zich buiten staat om een enkele provincie te onderwerpen; hij wist wel, welk een vloek er op zijn naam rustte, hoezeer hij het voorwerp van den afschuw van alle Nederlanders was, zelfs van hen, die de medeplichtigen zijner schandelijke misdaden geweest waren; ook Viglius verborg zijn afkeer van hem niet. Onder zijne troepen heerschte op verre na niet meer de vroegere geest van orde en gehoorzaamheid en hij was niet bij machte om door geregelde uitbetaling van hunne soldij de tucht onder hen te herstellen. Zijne geldelijke verlegenheid was zóó groot, dat hij noch de schulden, die hij voor zijn persoon bij Amsterdamsche kooplieden gemaakt had, noch die, welke hij voor rekening van den staat had aangegaan, betalen kon.Bovendien gevoelde hij maar al te goed, dat hij de gunst des konings had verloren. Zijne vijanden aan het hof trokken partij van zijne verlegenheid en hielden Philips II voor, dat Alba’s bewind de Nederlanden geheel van hem vervreemd had en dat die belangrijke gewesten daardoor wellicht geheel voor hem konden verloren gaan.De altijd achterdochtige koning was maar al te zeer geneigd om aan zulke inblazingen geloof te slaan. Dankbaarheid kende hij niet; de diensten, welke Alba hem bewezen had, vergat hij maar al te spoedig.Reeds voor lang had de hertog Philips verzocht, hem van den zwaren last der landvoogdij te ontheffen. Toenmaals had de koning schoorvoetend dat verzoek ingewilligd en den hertog van Medina Celi naar de Nederlanden gezonden.Deze was op een zeer ongelukkig tijdstip in het land gekomen, juist toen de Watergeuzen door de inneming van den Briel eene schitterende zegepraal hadden behaald. Zijne vloot werd door de kleine Hollandsche vaartuigen aangevallen en deels genomen, deels verstrooid. Ook eene groote koopvaardijvloot viel bij die gelegenheid in handen der Watergeuzen en bracht hun een rijken buit aan; den hertog was het slechts ternauwernood gelukt, zich door de vlucht te redden. Hij was naar Brussel gereisd en had zich aan Alba voorgesteld; doch dewijl juist in die dagen het geheele land in opstand geraakte, gevoelde hij zich niet in staat om in zulk een tijdsgewricht den beroemden veldheer te vervangen en keerde weldra naar Spanje terug.In zijne plaats benoemde Philips II don Luis de Zuñiga y Requesens, groot-commandeur van Castilië en vroeger stadhouder van Milaan, tot Alba’s opvolger.Requesens kwam den 17enNovember 1573 te Brussel aan; den 18enDecember verliet Alba voor altijd de Nederlanden; hij keerde naar Spanje terug, waar hem eene alles behalve schitterende ontvangst ten deel viel. Philips II deed hem onverholen zijn misnoegen blijken; eerst toen hij weder des hertogs krijgskundige bekwaamheden in een veldtocht tegen Portugal noodig had, werd deze op nieuw gedurende een korten tijd door het licht der koninklijke gunst bestraald.Na afloop van den veldtocht werd Alba door een heftige koorts aangetast, die hem zóó verzwakte, dat alle werkzaamheid hem verder onmogelijk was. Hij stierf den 12enDecember 1582.Werpen wij een blik op des hertogs bewind over de Nederlanden, dan doet zich een afgrijselijk beeld van verwoesting aan ons oog voor, van hetwelk in de geschiedenis de wederga niet wordt aangetroffen. Tengevolge der vonnissen van den door Alba aangestelden bloedraad waren, gedurende de weinige jaren van zijn verblijf in de Nederlanden, niet minder dan 18.000 menschen door beulshanden omgebracht. Zoowel het aantal dergenen, die in den oorlog, na de inneming van versterkte steden of na het in brandsteken van weerlooze dorpen, vaak onder de afgrijselijkste martelingen gedood waren, als dat der mannen, vrouwen en kinderen, die als slachtoffers van den bloeddorst der Spaansche soldaten gevallen waren, valt niet onder cijfers te brengen. Maar uit het bloed dier tallooze slachtoffers is—dat willen wij niet vergeten—de bloem der vrijheid ontsproten. Een beul als Alba was er noodig om uit het hart van het Nederlandsche volk de liefde en trouw voor een onwaardig, met eeden en beloften spelend koning uit te roeien en het eindelijk zoover te brengen, dat het de slavenkluisters, waaronder het zuchtte, moedig verbrak. Twee volksliederen, welke in dien tijd ontstonden en de gevoelens der Nederlanders jegens Alba en de Spanjaarden getrouw afspiegelen, mogen het slot van dit hoogst belangrijk deel der Nederlandsche geschiedenis vormen:»Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Slaet op den tromele, van dirre dom does:Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Vive le geus! is nu de loes.De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie,De Spaensche Inquisitie, als draecxbloet fel;De Spaensche Inquisitie ghevoelt punitie,De Spaensche Inquisitie ontvaelt haer spel.Vive le geus! wilt christlyk leven,Vive le geus! houdt fraeye moet:Vive le geus! Godt behoed voor sneven,Vive le geus! edel christen bloedt.’t Swaert is getrokken, certeyn Godts wraec naect,’t Swaert is getrokken, daer Joannes u schrijft,’t Swaert is getrokken, dat Apocalypsis maect naect,’t Swaert is getrokken, ghy werd nu ontlyft.’t Onschuldig bloet, dat ghy heft vergoten,’t Onschuldig bloet roept over u wraeck;’t Onschuldig bloet te storten heeft u niet verdroten,’t Onschuldig bloet dat dronckt ghy met den draeck.U vleisschen arm, daer ghy op betroude,U vleisschen arm beswyckt u nu;U vleisschen arm, die u huis boude,U vleisschen arm wijckt schoon van u.”1Gentsch Vaderonze.Helsche duvel, die tot Brussel syt,Uwen naem ende faem sij vermaledijt,U rijck vergae zonder respijt,Want heeft geduyrt te langen tijd.Uwen willen sal niet gewerden,Noch in hemel noch op erden.Ghij beneempt ons huyden ons dagelicx broot,Wijff ende kynderen hebben ’t groote noot:Ghij en vergeeft niemant syn schuld,Want ghy met haet ende nijt sijt vervult:Ghy en laet niemant ongetempteert,Alle dese landen ghij perturbeert.O hemelschen Vader, die in den hemel sijt,Maeckt uns dezen duvel quijt,Met synen bloedigen, valschen raet,Daer hy meede handet alle quaet,En syn Spaens crychsvolk altegaer,’t Welck leeft of sy des duvels waer.Amen.21Ernst Münch,NiederländischesMuseum, 125, 126.2Van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen, I, 393.Tiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Don Louis de Zuñiga y Requesens. Zijn verleden. Toestand der Nederlanden na Alba’s bewind. Vruchtelooze pogingen om den vrede te herstellen. Eerste beleg van Leiden. Macht der Watergeuzen. Herleving der Boschgeuzen. Belegering van Middelburg. Mondragon’s dappere verdediging. Nederlaag ter zee van Juliaan Romero. Overgave van Middelburg aan den prins. Wervingen van Lodewijk van Nassau. Slag op de Mookerheide. Dood van Lodewijk van Nassau. Muiterij der Spaansche huurtroepen. Tweede beleg van Leiden. De amnestie. Van der Does, van der Werff en van Hout, de dappere verdedigers van Leiden. Ziekte van Oranje. Hongersnood binnen Leiden. Doorsteking van de dijken. Groote overstrooming. De vloot in het binnenste des lands. Leiden’s ontzet. Dank des vaderlands. Stichting van Leiden’s Hoogeschool.Don Louis de Zuñiga y Requesens, de opvolger van Alba, werd door een groot deel der Nederlanders met hooggespannen verwachtingen begroet. Hij ging door voor een uitstekend veldheer en een bekwaam staatsman, men verhaalde van hem, dat hij even doorzettend was, zoo het noodig bleek, als gematigd en zachtmoedig, wanneer de omstandigheden het toelieten. De Nederlanders waren des te meer geneigd om de goede eigenschappen van een man, van wien Alba niet in de beste verstandhouding gescheiden was, breed uit te meten, naarmate hun afschuw van den hertog grooter was.Inderdaad bewezen zij den nieuwen stadhouder met die gunstige verwachtingen ten zijnen aanzien al te veel eer. Requesens had in den slag bij Lepanto bewezen een voortreflijk soldaat te zijn, doch hij was slechts een zeer middelmatig veldheer en een nog minder dan middelmatig staatsman, die volstrekt niet geschikt was voor de zware taak om den vrede in de Nederlanden te herstellen.Reeds als stadhouder van Milaan had hij blijken gegeven van weinig bekwaamheid en zich alles behalve bemind gemaakt, zijne zachtmoedigheid en gematigdheid waren aan rechtmatigen twijfel onderworpen. Al was hij niet zoo bloeddorstig en wreed als Alba, toch had hij zich in den strijd tegen de Mooren van Granada een dweepzuchtig en vervolgziek katholiek betoond en meer dan eens gehandeld volgens het trouwloos beginsel: „Eenen ongeloovige behoeft men zijn woord niet te houden.”Slechts in zoover rustten de blijde verwachtingen der Nederlanders op een goeden grond als Requesens onmogelijk het stelsel van kettervervolging, dat Alba met zulk eene voor niets terugdeinzende wreedheid in toepassing gebracht had, verder voortzetten kon; het was voor deSpaansche belangen zoo schadelijk gebleken, dat zelfs Philips II in de instructie, welke hij den nieuwen landvoogd gaf, dezen machtigde om eene algemeene amnestie af te kondigen voor alle Nederlanders, die tot de gehoorzaamheid en tot hunnen plicht wilden terugkeeren.Indien het Philips II ernst was geweest met den wensch om met zijne oproerige onderdanen vrede te sluiten, dan zou dit hem niet moeilijk gevallen zijn. Hij behoefde daartoe slechts den bij zijne kroning afgelegden eed trouw na te komen, de door hem bezworen wetten nauwgezet te handhaven en de vrijheden der provinciën op nieuw te bekrachtigen, dan zou de oorlog van zelf ophouden, want alle Nederlanders, zelfs de Hollanders en Zeeuwen, die zoo krachtig de wapens tegen den koning voerden, smachtten naar den vrede.In den staatsraad, waarin thans de hertog van Aerschot en Viglius den meesten invloed hadden, werd den nieuwen stadhouder de ernstige raad gegeven om jegens de opstandelingen in een verzoenenden geest te werk te gaan, eene onbepaalde amnestie af te kondigen, waarin in de eerste plaats ook de prins van Oranje begrepen was, en de oude vrijheden des lands te herstellen. In denzelfden geest spraken ook Barlaimont en Noircarmes, zelfs de woeste Juliaan Romero was den strijd moede en wenschte naar vrede.Het valt nauwelijks te betwijfelen, dat ook de nog onder de wapenen staande Hollanders en Zeeuwen de hand der verzoening met blijdschap zouden hebben aangenomen, indien hun slechts vrijheid van godsdienstoefening was toegestaan. Zelfs Aldegonde schreef uit zijne gevangenis brieven aan zijne vrienden, waarin hij als zijn gevoelen uitsprak, dat eene verzoening met den koning mogelijk en wenschelijk was. Alleen Oranje toonde, dat hij den koning en zijne plannen beter doorzag dan zijn vriend Aldegonde; hij verklaarde, dat een vrede dan alleen mogelijk was, wanneer de Spaansche troepen uit de Nederlanden teruggetrokken werden, wanneer de provinciën hunne bezworene vrijheden terug ontvingen en wanneer hun volle vrijheid van godsdienst werd verleend.Het inwilligen van zulke eischen was Requesens volgens de hem gegeven koninklijke instructie onmogelijk, zelfs al was hij er toe geneigd geweest; hij moest den oorlog voortzetten, hoe ongunstig de omstandigheden daarvoor ook waren.Hij trof, nadat de hertog van Alba het land verlaten had, zoowel het bestuur als de geldmiddelen in een toestand van wanhopige wanorde aan. De ongehoorde oorlogskosten hadden alle klinkende munt verslonden en bovendien de kroon met schuld bezwaard. Een leger, hetwelk thans 62000 man telde, dat slechts uit 8000 Spanjaarden en voor het overige uit Walsche en Duitsche huurtroepen bestond, vereischte voor zijne bezoldiging en zijn onderhoud dagelijks aanzienlijke sommen, die niet uit de Nederlanden getrokken konden worden.Reeds sinds geruimen tijd was de soldij niet regelmatig uitbetaald en ten gevolge hiervan kon men zich op de troepen volstrekt niet meer verlaten. In Holland en Zeeland heerschte nog een toestand van openlijk oproer, dat zelfs de beproefde veldheer Alba niet had kunnen onderdrukken. De prinsgezinden belegerden Middelburg, de eenige stad welke de koning op het eiland Walcheren nog de zijne noemen kon. Het ontzet van Alkmaar had hen met nieuwen moed bezield; dit toonden de burgers van Leiden, die de opeisching van hunne stad door de Spanjaarden met eene verachtelijke weigeringbeantwoordden, hoewel een sterk Spaansch leger onder de muren der stad verscheen, om met het beleg een aanvang te maken.Wel hadden de Spanjaarden in den strijd te land meestal de overwinning behaald, wel was hunne stelling tegenover de prinsgezinden zeer voordeelig, dewijl zij, door het bezetten van Haarlem, Holland als het ware splitsten in twee deelen, tusschen welke eene vereeniging van troepen te land niet of althans zeer moeilijk tot stand gebracht kon worden, doch aan den anderen kant hadden de Watergeuzen aan kracht gewonnen, hunne vloot bevond zich in een voortreflijken toestand, zij overtrof zelfs de Spaansche, zoo al niet wat de grootte en de uitrusting der schepen aanging, dan toch ten aanzien van den moed en de gehardheid der bemanning.Ook was het een voordeel voor de prinsgezinden, dat in de meest verschillende streken der provinciën, die nog aan de Spaansche heerschappij onderworpen waren, de Wilde of Boschgeuzen het hoofd weder opstaken, en den Spanjaarden de handen vol werks gaven. Al konden zij in het open veld ook geene voordeelen behalen, toch moesten, om hen in toom te honden, troepen tegen hen afgezonden worden en hierdoor was de Spaansche regeering niet bij machte om al hare kracht tegen het eigenlijke brandpunt van den opstand, Holland en Zeeland, aan te wenden.De zaken stonden dus tamelijk treurig voor Requesens, toen hij het bewind aanvaardde en weldra zouden zij een nog noodlottiger keer nemen.Middelburg werd door de aanhangers van Oranje nauw ingesloten. De Spaansche bezetting onder den dapperen bevelhebber Mondragon verdedigde zich wel wakker, doch begon reeds gebrek aan levensmiddelen te gevoelen en het was dus te voorzien, dat ook de laatste vaste plaats op het eiland Walcheren voor den koning verloren zou gaan en de bezetting door den honger tot de capitulatie genoodzaakt worden zou, wanneer niet ten spoedigste ontzet werd aangebracht.Requesens bracht met dit doel eene vloot van 75 zeilen onder bevel van Juliaan Romero en den heer van Glimes te Bergen-op-Zoom en eene tweede van 36 zeilen onder don Sancho d’ Avila te Antwerpen bijeen. Beide vloten moesten vereenigd aan Middelburg de vurig verbeide hulp aanbrengen.De onderneming mislukte. Eer nog de beide vloten zich vereenigen konden, tastte de geuzenadmiraal Lodewijk van Boisot, met 64 schepen den 29enJanuari 1574 Juliaan Romero aan. Na een bloedigen strijd, waarin geen kwartier verleend werd, sloeg de koninklijke vloot, die 15 schepen en 1200 man verloren had, op de vlucht. Middelburg moest aan zijn lot worden overgelaten.De prins van Oranje liet Mondragon van de verijdeling zijner hoop op ontzet onderrichten en eischte van hem onvoorwaardelijke overgave, doch Mondragon antwoordde, dat hij de stad liever op 20 plaatsen te gelijk in brand wilde steken en de bezetting met de geheele burgerij in de vlammen doen omkomen, dan tot zulk eene vernederende overgave te besluiten.Mondragon stond om zijne dapperheid en zijn hoog gevoel van eer zoo hoog aangeschreven, dat de prins van Oranje niet twijfelde, of de fiere Spanjaard zou zijn woord gestand doen. Ten einde onnoodig bloedvergieten te vermijden, stond hij hem eene eervolle capitulatie toe. Der geheele bezetting werd met wapenen en geschut vrije aftocht naarVlaanderen toegestaan, en bovendien werd haar vergund de katholieke priesters mede te nemen; daarentegen beloofde Mondragon de in vrijheidstelling van Aldegonde te zullen bewerken; slaagde hij hierin niet binnen twee maanden, dan zou hij zich vrijwillig als krijgsgevangene in ’s prinsen handen stellen.Op deze voorwaarden werd Middelburg den 21enFebruari 1574 overgegeven en thans bevond de gansche zeekust zich in de macht van Oranje, die hierdoor in staat was om de vloot der geuzen nog meer uit te breiden en beter uit te rusten.Niet zóó gelukkig ging het binnen in het land. Hier waren de in aller ijl te zamen geraapte, nog niet aan tucht gewende en ongeoefende Hollandsche krijgers niet in staat om den in den oorlog vergrijsden Spaanschen veteranen het hoofd te bieden. Den Hollanders alleen was het niet mogelijk, de Spanjaarden tot het opbreken van het beleg van Leiden te noodzaken, doch de prins hoopte op buitenlandsche hulp.Lodewijk van Nassau had intusschen onafgebroken met Frankrijk onderhandeld en wel geen groote voordeelen verkregen, maar zeer schitterende beloften van de hertogen van Anjou en Alençon ontvangen. De werkelijke vruchten zijner bemoeiingen bestonden in eene som van f 175.000 en in een klein hulpleger van 2000 man, altijd genoeg voor den onvermoeiden voorvechter der vrijheid om weer een begin te maken met de aanwerving van een leger. Weldra bracht hij 6000 man voetvolk en 1000 ruiters bijeen; hij werd daarbij ondersteund door zijne beide broeders Johan en Hendrik en door den keurprins Christoffel van de Paltz. In Februari 1574 trok hij met zijne krijgsmacht over den Rijn en legerde zich te Gulpen, tusschen Maastricht en Aken.Requesens mocht geen oogenblik talmen om de plannen van graaf Lodewijk te verijdelen. Gelukte het dezen, zich naar Holland door te slaan en zich met zijn broeder, den prins van Oranje, te vereenigen, dan zou de opstand eene onwederstaanbare kracht verkrijgen. In aller ijl liet de stadhouder, in weerwil van zijn geldgebrek, in Duitschland 8000 man aanwerven, buitendien brak hij het beleg van Leiden op, om ook die belegeringstroepen voor den strijd tegen Lodewijk beschikbaar te hebben.Den 14enApril 1574 had op de Mookerheide, op de grenzen van Gelderland en het Cleefsche, de beslissende slag plaats, die de hoop, welke de Hollanders op de hulp van Lodewijk van Nassau gebouwd hadden, met éénen slag vernietigde. De Spanjaarden behaalden zulk eene volledige zegepraal, dat van Lodewijk’s leger ter nauwernood een spoor overbleef. Meer dan 4000 man sneuvelden deels in den strijd, deels op de vlucht. De overigen verstrooiden zich in alle richtingen. Lodewijk van Nassau, zelf, zijn broeder Hendrik en de keurprins Christoffel van de Paltz kwamen in het slaggewoel om; nooit heeft men weder iets van hen gehoord. Men weet niet, hoe zij gestorven zijn, zelfs hunne verminkte lijken heeft men niet gevonden.De gevolgen van den slag op de Mookerheide zouden zeker voor de Hollanders nog noodlottiger zijn geweest, dan nu het geval was, indien niet een soldatenoproer de Spanjaarden verhinderd had van hunne overwinning terstond krachtig partij te trekken.Reeds daags na den slag vorderden de Spaansche soldaten onstuimig hunne achterstallige soldij en toen die hun niet uitbetaald werd, barstte onder hen een openbare opstand uit.Muiterij en opstand tengevolge van wanbetaling der soldij waren zoowel bij de Spaansche als bij de Duitsche huurtroepen in dien tijd gewone zaken. De Duitschers kwamen meestal in opstand vóór, de Spanjaarden, na den slag, wanneer zij trotsch waren op eene behaalde overwinning; zij verjoegen in zulk een geval hunne officieren, verkozen een hunner tot Dictator, Eletto of Electo genaamd, en zochten zich zoo spoedig mogelijk van de naastbijgelegene stad meester te maken. Hier leidden zij dan op kosten der burgers een weelderig leven, totdat òf hunne muiterij door kracht van wapenen onderdrukt werd, òf zij, nadat hun de achterstallige soldij en volledige amnestie beloofd was, zich vrijwillig onderwierpen.De rijke stad Antwerpen was het, welke ditmaal door de muitende huurtroepen tot legerplaats uitgekozen werd; zij bereikten Antwerpen den 20enApril en kwartierden zich bij de burgers in.Requesens snelde naar Antwerpen; geheel alleen verscheen hij voor de muiters, die hij dringend smeekte, tot hun plicht terug te keeren, doch hij ontving het onbeschaamde antwoord: „Wij verlangen klinkende munt, geene woorden.” Zijne beloften werden met spot beantwoord. Beschimpt door de soldaten moest hij zich terugtrekken.Hij had geen geld; ook tot het stedelijk bestuur wendde hij zich te vergeefs met de bede, hem 400.000 gouden kronen te leenen; de rijke burgers haalden de schouders op en beweerden, dat zij buiten staat waren om den stadhouder van dienst te zijn. Doch weldra werden zij genezen van hunne vrees om van hun lieve geld te scheiden. Requesens hield hun voor, dat het onderhoud der soldaten, die ten koste der burgerij slempten en smulden, binnen korten tijd meer kosten zou dan hetgeen hij van hen verlangde, zij boden daarom den eletto soldij voor 10 maanden aan.De eletto was daarmede tevreden, maar de soldaten niet; deze wilden zich niet onderwerpen voordat de achterstallige soldij tot de laatste cent betaald en eene volledige amnestie hun toegezegd was. Zij zetten den eletto af en verkozen een ander, die hunne eischen krachtiger doorzette, en ook werkelijk zijn doel bereikte, daar de burgers eindelijk besloten, den stadhouder de gevraagde som te leenen. Het gelukkig einde van den soldatenopstand werd met een groot feestmaal gevierd; nog was dit niet afgeloopen, toen op eens het geroffel der trommen zich hooren liet, om de feestgenooten onder de wapenen te roepen. Zij ontvingen in last terstond naar den Scheldedijk te trekken; zij gehoorzaamden en snelden van het feestmaal met de grootste bereidwilligheid ten strijde.Lodewijk van Boisot, de geuzenadmiraal, had de Antwerpsche vloot aangetast en na een korten, hevigen strijd 14 van hare schepen met de bemanning deels verbrand, deels doen zinken. Na deze snelle zegepraal trok hij terug, zonder dat een hevig musketvuur, hetwelk van de dijken op zijne vaartuigen geopend werd en dat hij met kanonschoten beantwoordde, hem noemenswaardige schade toebracht.De eerste belegering van Leiden had geduurd van den 31enOctober 1573 tot den 21enMaart 1574, op welken dag de belegeringstroepen naar de grenzen waren geroepen, om die tegen Lodewijk van Nassau te beschermen. Groot was deblijdschapder Leidsche burgers, toen zij de Spanjaarden zagen aftrekken. Zij waanden zich, in hunne vaste hoop op Lodewijk’s zegepraal, voor altijd van die lastige gasten bevrijd. In hunne zorgeloosheid deden zij niets, om zich op een nieuw beleg te wapenen. In strijd met Oranje’s raad werd het garnizoen niet versterkt en evenmineen voldoende voorraad van levensmiddelen binnen de veste gebracht.Hunne vreugde was niet van langen duur. Reeds den 26enMei verscheen de Spaansche veldheer Valdez weer met een leger voor de poorten van Leiden; na enkele dagen had hij de stad reeds zoo nauw ingesloten, dat de burgers slechts door middel van postduiven briefwisseling konden houden.Leiden was goed versterkt; eene bestorming zou aanzienlijke offers gekost hebben en bood buitendien weinig uitzicht op een goeden uitslag aan. Valdez besloot derhalve, de stad door den honger tot de overgave te nopen, want hij wist dat de daar aanwezige voorraad van levensmiddelen niet lang de talrijke bevolking zou kunnen voeden. Haast had hij niet, nergens dreigde hem eenig gevaar, sinds Lodewijk van Nassau verslagen en gedood was. Hij bevestigde daarom zijne buitendien reeds sterke legerplaats nog meer en droeg zorg dat noch toevoer van levensmiddelen noch versterking van krijgsvolk in de stad kon gebracht worden. Bovendien matte hij door herhaalde schijnaanvallen de zwakke bezetting onophoudelijk af.Den 6enJuni vaardigde Requesens de lang voorbereide algemeene amnestie uit, waardoor hij de Nederlanders tot verzoening hoopte te stemmen. In dit stuk wekte de koning zijne verdoolde, maar boetvaardige onderdanen op, om zich in zijne wijdgeopende vaderarmen te werpen; hij beloofde aan allen, met uitzondering van enkele, met name aangewezen personen, volle vergiffenis, slechts ééne kleine voorwaarde stelde hij,namelijk, dat zij in den schoot der heilige moederkerk zouden terugkeeren. Tegelijk met hetamnestiebesluitverscheen eene bul van paus Gregorius XIII, gedagteekend van den 30enApril; zij beloofde allen berouwvollen Nederlandschen ketters volle vergiffenis, ook al hadden zij zeven maal zeven maal gezondigd.Noch de koning, noch de paus hadden veel voorspoed met de aangebodene vergiffenis. Niemand liet zich door zulke bedriegelijke woorden meer vangen. „Liever sterven dan naar de mis gaan!” riepen de Hollanders, en deze kreet werd schier eenstemmig aangeheven, want in dien tijd was het aantal hervormden in Holland sterk aangegroeid.Het amnestiebesluit werd door Valdez naar Leiden gezonden, doch ook hier miste het alle uitwerking. De burgers verklaarden, dat zij besloten hadden in hun geloof te sterven en de stad tot den laatsten druppel bloeds te verdedigen.Aan het hoofd der verdediging stonden drie mannen, die zich door hunne onwrikbare standvastigheid en hun heldenmoed onsterfelijke verdiensten omtrent de vrijheid der Nederlanden verworven hebben: van der Does, van der Werf en van Hout.Jan van der Does, heer van Noordwijk, voerde het opperbevel over de bezetting; hij stamde uit een aanzienlijk geslacht af. Hij heeft zich door zijne dappere verdediging van Leiden even beroemd gemaakt als door zijn vreedzamen arbeid als dichter en geschiedschrijver.Pieter Adriaanszoon van der Werf was de burgemeester der stad. Als een vurig aanhanger van Willem van Oranje had hij reeds vroeger meermalen zijn leven gewaagd, om door het overbrengen van nauwkeurige berichten omtrent den toestand des lands en door het inzamelen van gelden des prinsen pogingen te ondersteunen. Zijne standvastigheid bezielde de Leidsche burgerij met vurige geestdrift, zijne opwekkingen tot een onverzettelijkentegenstand tegen de Spanjaarden droegen de beste vruchten. Hij werd trouw ter zijde gestaan door zijn vriend, den stadsschrijver van Hout.De verdedigers van Leiden sloegen alle aanvallen der Spanjaarden moedig af. Voor eene bestorming waren ze niet beducht, maar weldra verrees een ander spooksel dreigend voor hunne blikken: de hongersnood! De stad was slecht van levensmiddelen voorzien; reeds tegen het einde van Juni was het noodig, den burgers al hunne levensmiddelen af te eischen en ze in den vorm van ratioenen onder de inwoners te verdeelen: elk volwassene ontving een half pond vleesch en een half pond brood per dag.Ten einde de verdedigers in eene goede luim te houden en hen voor ontzenuwenden lediggang vrij te waren, liet van der Does bijna dagelijks uitvallen doen. Bloedige schermutselingen vielen er onder de muren der stad voor. Menig Spanjaard, maar ook menig Hollander liet daarbij het leven; doch al deze gevechten hadden geen ander gevolg dan dat zij den moed der belegeraars sterkten: aan het talrijke Spaansche leger brachten zij geene noemenswaardige schade toe.De eenige hoop der burgers van Leiden was gebouwd op ontzet door den prins van Oranje. Deze bezat wel eene goed uitgeruste vloot met eene dappere en geoefende bemanning, maar, helaas! geen leger. Hoe zou hij zijne vloot onder de muren eener in het hart des lands gelegene stad voeren?Slechts één middel bestond er, een hoogstgevaarlijk, ja wanhopig middel! Wanneer de sluizen van Rotterdam, Schiedam en Delfshaven werden geopend en de groote dijk langs den Maasmond doorgestoken werd, dan zou men wellicht het geheele land in ééne groote zee kunnen herscheppen en de golven van den oceaan te hulp roepen, om de vloot in het hart des lands naar Leiden te voeren. Wellicht kon dit plan gelukken; doch alleen, wanneer een hevige en gunstige wind de onderneming bevorderde, want de vruchtbare Rijnvlakte, waarin Leiden gelegen is, ligt boven het waterpas van de landen langs de Maas en alleen een buitengewoon hooge vloed kon derhalve eene ontzet aanbrengende vloot tot onder de wallen der bedreigde stad voeren.Was de uitslag eener algemeene overstrooming ten aanzien van Leiden’s lot onzeker, de onnoemlijke schade daarentegen, welke zij het buitendien door den oorlog reeds zoo zwaar geteisterde land berokkenen zou, was maar al te gewis. De geheele oogst werd in die streken aan vernieling prijs gegeven, een deel der akkers voor langen tijd onvruchtbaar gemaakt, ja de vruchten van jarenlangen arbeid werden door de inbraak van den oceaan in het vruchtbare land vernietigd.Toch stond het besluit van den prins tot dezen vreeselijken stap onwrikbaar vast; doch hij mocht daartoe niet overgaan zonder de toestemming der Staten. Hun legde hij zijn plan voor en met geestdrift werd het door de vertegenwoordigers des volks begroet. „Liever een overstroomd dan een verloren land!” riepen zij, en zonder aarzelen gaven zij hunne vruchtbare landouwen aan vernieling prijs.Eere dien mannen, wien geen offer te zwaar was, waar het de dierbare vrijheid gold!Willem van Oranje begon terstond met de uitvoering van het besluit; toch duurde het nog vele weken, eer de dijken doorgestoken en alle maatregelen om de vloot naar Leiden te voeren, genomen waren. Tot overmaatvan ramp werd de prins bovendien zóó ernstig ziek, dat men aan zijne herstelling wanhoopte; hij kon over het werk niet meer in persoon het oog laten gaan en dit ging ten gevolge daarvan ook niet vooruit met dien spoed, welken de nood der stad Leiden eischte.Reeds waarde de honger door Leiden’s straten rond. In weerwil hiervan wezen de dappere burgers den 30enJuli de opeisching van den Spaanschen bevelhebber Valdez met minachting af, hoewel hun op nieuw volledige amnestie werd aangeboden.Steeds treuriger werd hun toestand, steeds hooger klom hun nood. Den 12enAugustus ontvingen zij een brief van den prins van Oranje, die hun dringend smeekte, nog een korten tijd vol te houden. Den 21enAugustus berichtte hij hun, dat de dijken waren doorgestoken en dat de Watergeuzen weldra tot hun ontzet zouden opdagen. Van zijne ziekte zeide de prins niets, om hun moed niet ter neer te slaan.Een oorverdoovend vreugdegejuich was het antwoord der burgerij, toen de brief op de markt voorgelezen werd; de uitgehongerde burgers gaven zich geheel aan hunne blijdschap over, de burgemeester van der Werf liet door de stedelijke muziek de vroolijkste deuntjes spelen, wier klank de belegeraars met de grootste verbazing vervulde, want nog wisten deze niets van het doorsteken der dijken. Spoedig echter bemerkten zij, dat het water wies, doch zij stelden zich daarover weer gerust, dewijl eenige Spaanschgezinde inwoners hun verzekerden, dat zij geen gevaar te duchten hadden, maar het een belachelijk pogen was, de hooggelegene Rijnvlakte onder water te willen zetten.En zoo scheen het inderdaad! Hoewel de buitenste gedeelten van het land tot aan de Landscheiding—een sterken dijk, op 5 mijlen afstand van de stad—onder water stonden, hoewel de dappere admiraal Boisot met zijne Zeeuwsche Watergeuzen Leiden tot op eenige mijlen af stands naderen kon, werkte dat alles toch niets uit. De Spanjaarden lachten om de dwaze onderneming en meenden, dat de geuzen er niet aan denken konden, Leiden te ontzetten, eer de Maas stroomopwaarts vloeien ging. Zij achtten hunne veiligheid zoo weinig bedreigd, dat zij noch de landscheiding, noch de overige dijken, die tusschen haar en Leiden lagen, met eene ter verdediging geschikte krijgsbende bezetten.De Zeeuwsche geuzen, waarover Boisot het bevel voerde, waren allen oude geharde zeelieden, die met een doodelijken haat tegen de Spanjaarden bezield, gezworen hadden geen kwartier te verleenen of aan te nemen en zich door geene hinderpalen, hoe ook genaamd, van het ontzetten van Leiden te laten afschrikken. Zij streden met denzelfden moed te land als te water. Toen Boisot hun in den nacht van den 10enop den 11enSeptember beval, den dijk te nemen en zich daarop te verschansen, geschiedde dit ook. De zwakke Spaansche bezetting werd overrompeld en neergehouwen. Toen de Spanjaarden den volgenden dag te laat berouw gevoelden over hunne zorgeloosheid en met eene sterker krijgsmacht den dijk poogden te hernemen, werden zij na een bloedigen strijd, waarin zij een aantal dooden op het veld achterlieten, afgeslagen. Gevangenen werden er dien dag niet gemaakt, zelfs de gewonde vijanden werden door de geuzen koelbloedig vermoord. Een Zeeuw rukte een nog ademenden Spanjaard het hart uit het lijf; hij beet er in, en wierp het daarna eenen hond voor met den verachtelijken uitroep: „Het is te bitter!” De Landscheiding werd op meer dan ééne plaats doorgestoken, zoodat de vloot door de gemaakte openingen heenzeilenkon. Toch had men nog weinig gewonnen, want de Groene weg, een tweede groote dijk, stak met zijn kruin nog meer dan een voet boven het water uit. Gelukkig hadden de Spanjaarden hem niet bezet. Hij werd genomen en doorgestoken en de vloot zeilde ook door deze opening heen.Telkens deden zich nieuwe zwarigheden voor. Om verder voorwaarts te dringen, had de vloot eene brug moeten passeeren, die zóó sterk door de Spanjaarden bezet was, dat het onmogelijk scheen, haar te nemen. Zelfs de dappere Boisot verloor bijna den moed, hij wist immers, dat de stad aan den uitersten nood was prijs gegeven, dat zij zich niet langer dan enkele dagen verdedigen kon, en toch was hij niet in staat om haar hulp te verleenen, hoe dicht hij zich ook in hare nabijheid bevond.Binnen Leiden was intusschen de nood tot het uiterste gestegen. Alle levensmiddelen waren verteerd, het vleesch van honden, katten, ratten en muizen werd als eene lekkernij beschouwd. Gras, boombladeren en huiden van dieren werden als voedsel genuttigd. Reeds waren 6000 menschen zoo van honger als ten gevolge van eene door den hongersnood veroorzaakte pest gestorven; in weerwil hiervan weigerden de dappere burgers andermaal, zich aan de Spanjaarden over te geven. Op korten afstand aanschouwden zij de bevriende vloot, die hun de vurig verbeide levensmiddelen moest aanbrengen, en de hoop gaf hun nieuwen moed.Doch dat uitzicht op verlossing werd door een ongunstigen wind op nieuw tot eene onbepaalde toekomst verschoven. Nu verloren ook de stoutmoedigsten den moed. Zij hadden schier het bovenmenschelijke gedaan, doch thans scheen de natuur met den vijand in verbond getreden. Een muitende hoop verdrong zich rondom den burgemeester van der Werf en eischte van hem, onder het uiten van allerlei bedreigingen, door overgave van de stad aan al die ellende een eind te maken.Van der Werf stond alleen onder de verbitterde menigte, doch hij bood haar moedig het hoofd. Zijne krachtige stem klonk door het woeste getier heen, toen hij de volgende, eeuwig gedenkwaardige woorden sprak:„Mijne vrienden! wat wilt gij van mij? Mort gij er over, dat wij onzen eed niet breken, dat wij de stad niet prijsgeven aan de Spanjaarden en daarmee aan een lot nog vreeselijker dan onze tegenwoordige toestand? Ik zeg u: ik heb gezworen de stad te zullen houden; moge God mij helpen om mijn eed gestand te doen! Ik kan slechts eenmaal sterven, hetzij door uwe handen, hetzij door die des vijands. Mijn eigen lot is mij onverschillig, maar niet het lot der mij toevertrouwde stad. Ik weet het, wij zullen van honger sterven, indien wij niet spoedig hulp krijgen, maar beter de hongerdood dan de dood der schande. Uwe bedreigingen bewegen mij niet! Mijn leven is in uwe hand. Hier is mijn zwaard, stoot het in mijn hart en deelt mijne nalatenschap. Neemt mijn lichaam, om uwen honger te stillen, maar denkt er niet aan, de stad over te geven zoo lang ik nog in leven ben!”De woorden van den moedigen burgemeester bezielden de burgers met nieuwe geestdrift. Zij zwoeren op nieuw den eed van trouw en beklommen op nieuw de wallen. „Gelooft niet”—zoo riepen zij den Spanjaarden toe—„dat gij ons door honger dwingen kunt. Liever willen wij onzen linkerarm opeten en met den rechter onze vrouwen, onze vrijheid en onze godsdienst tegen vreemde dwingelandij verdedigen. Kunnen wij eindelijk ook dit niet meer, dan steken wij met eigen hand onze huizen in brand, om met onze dierbaren en onze have en goed in de vlammen te vergaan!”Niets scheen de aan het verderf gewijde stad te kunnen redden; entoch—zij werd gered! In den nacht van den 1enop den 2enOctober stak een hevige storm op, die de golven van den oceaan met vreeselijk geweld diep landwaarts injoeg. De vloot bevond zich eensklaps in diep water; thans kon zij zich bewegen en Boisot liet geen oogenblik verloren gaan om de Spaansche schansen aan te tasten.Een hevige schrik maakte zich van de Spanjaarden meester; toen zij den geduchten vijand, de woeste Watergeuzen, zagen naderen, verlieten zij schier zonder slag of stoot de zwakkere schansen en sloegen op de vlucht; velen hunner werd op de vlucht door de Watergeuzen neergehouwen of in de golven verdronken.Slechts de sterkste schans, die te Lammen, bood nog tegenstand. Zij scheen onneembaar en zou het wellicht ook geweest zijn, indien de Spanjaarden den moed hadden gehad om haar te verdedigen. Bovendien hadden de Spanjaarden de stad gemakkelijk kunnen nemen, daar in dienzelfden nacht een gedeelte van den stadsmuur, tusschen de Witte- en Koepoort, met donderend geraas instortte. Doch Valdez was geen meester meer over zijne door een panischen schrik bevangene soldaten. In den nacht van den 2enop den 3enOctober verlieten de Spanjaarden ook deze laatste schans. „Niet voor de menschen, maar voor de zee wijk ik,” schreef Valdez op eene tafel, eer hij aftrok. Doch dit fiere woord, waarmede hij zich te troostten trachtte, was een jammerlijke uitvlucht; want hij vluchtte niet voor de golven van den oceaan, maar voor de woedende Watergeuzen, die door de ontboeide wateren in het hart des lands en tot voor zijne legerplaats gevoerd werden.Den 3enOctober 1574 werd Leiden ontzet. Nadat men reeds in den vroegen morgen door een knaap, die het gewaagd had geheel alleen de stad te verlaten, van den aftocht der Spanjaarden onderricht was geworden, kwam de vloot der Watergeuzen tegen den middag langs de Vliet het geteisterde Leiden binnen en bracht der uitgehongerde bevolking een overvloed van levensmiddelen aan. Toen de Zeeuwen de uitgehongerde gelaatstrekken van de mannen aanschouwden, die den vijand zulk een hardnekkigen tegenstand hadden geboden, weenden die in den strijd vergrijsde mannen als kinderen. Zij deelden brood, haring en kaas onder hen uit, die door de geredden met de meeste graagte verslonden werden. Sommigen zelfs, die al te gulzig de lang ontwende spijs naar binnen sloegen, aten zich den dood.Nadat de eerste honger gestild was, begaf de burgerij zich met hare redders naar de St. Pieterskerk, om God voor de even ongedachte als heugelijke uitkomst te danken. Doch de lofpsalmen, die door de gewelven van het kerkgebouw weergalmden, verstomden spoedig. Allen waren zoo diep geroerd, dat tranen en snikken het lofgezang vervingen.Inniger is zeker nooit in eene kerk gedankt en gebeden geworden dan op dezen dag; al konden ook de bevende lippen de woorden van lof en erkentenis niet uiten, des te vuriger stegen die op uit het diep bewogen gemoed!De Nederlanders betaalden aan de dappere verdedigers van Leiden den tol eener welgemeende bewondering en dankbaarheid; zij begrepen zeer goed, dat met den val of het behoud van die aanzienlijke stad de zaak der vrijheid stond of viel. De prins van Oranje en de Staten besloten, een sprekend en blijvend gedenkteeken aan die algemeene dankbaarheid te stichten, door der stad eene hoogeschool te schenken. Opmerkelijk is het, dat in de stichtingsoorkonde nog altijd werd vastgehouden aan de oude fictie alsof het koning Philips was, die nog over Holland regeerde en die thans destad voor den tegenstand tegen zijne eigene troepen beloonde. Den 8enFebruari 1575 werd de hoogeschool, die zich later zulk eene Europeesche vermaardheid verwerven zou, plechtig ingewijd.
Negende Hoofdstuk.De Nederlanden. Alba’s overwinning. Alba’s zoon Frederik. Wreede straf, op de steden Mechelen en Zutfen toegepast. Frederik’s veldtocht in Holland. Het bloedbad te Naarden. Belegering, moedige verdediging en eindelijke overgave van Haarlem. Alba’s vruchtelooze poging om den vrede tot stand te brengen. Belegering van Alkmaar. Krachtige verdediging en ontzet der stad. Overwinning der Hollanders ter zee. Oranje’s werkzaamheid. Zijn overgang tot het Calvinisme. Laatste tijd van Alba’s verblijf in de Nederlanden. De hertog van Medina Celi. Don Louis de Zuniga y Requesens. Alba keert naar Spanje terug. Zijn dood.De val van Bergen besliste den afval van alle Zuid-Nederlandsche steden van de partij des prinsen. De Vlaamsche en Brabantsche steden wedijverden in betuigingen van trouw aan den koning. Alba nam voorloopig die verzekeringen kalm aan. Alleen de stad Mechelen koos hij uit, om aan haar een vreeselijk voorbeeld te stellen. Hij zond zijn zoon Frederik en Noircarmes naar die ongelukkige stad, om haar te tuchtigen.De beide veldheeren lieten haar drie dagen lang door hunne soldaten plunderen; niet alleen de woonhuizen, maar ook de kerken, kloosters en geestelijke gestichten deelden in dat lot. Alle kostbare voorwerpen, gewijde kelken, relieken, kerkgewaden en altaarsieradiën werden door de woeste Spaansche soldaten zonder uitzondering tot goeden buit verklaard. De soldaten, die Alba naar de Nederlanden gevoerd had, om de katholieke kerk tegen de ketters te verdedigen, traden de gewijde hostie met voeten. Zij woedden erger dan ooit de beeldstormers gedaan hadden; drie dagen lang plunderden en moordden zij, terwijl zij den armen onschuldigen vrouwen een lot bereidden, erger dan de dood: vijftig dier ongelukkigen ondergingen dat lot in—eene kerk.Alba’s zoon Frederik en Noircarmes waren werkelooze getuigen van deze afgrijselijke tooneelen, zij spraken geen woord ter bescherming van de aan den ondergang gewijde stad.Na de plundering van Mechelen beval Alba zijn zoon Frederik, de Noordelijke en Oostelijke gewesten des lands, die alle nog aan zijne macht het hoofd boden, tot onderwerping te brengen, Frederik rukte Gelderland binnen; hij ontmoette bijna geen tegenstand, alleen de kleine stad Zutfen deed eene zwakke poging om zich tegen het binnen rukken der koninklijke troepen te verzetten. De hertog besloot, haar daarvoor vreeselijk te straffen: hij gebood zijnen zoon, geen mensch binnen hare muren in het leven te laten en de huizen te verbranden.Frederik voerde het bevel letterlijk uit. Nadat hij met zijne soldaten de stad binnengedrongen was, liet hij mannen, vrouwen en kinderen zonder genade neerhouwen. Dewijl het werk van zwaard en dolk te langzaam ging en er geene beulen genoeg waren om de slachtoffers op te hangen, beval hij, de gevangenen rug aan rug te binden en zoo in den IJssel te verdrinken. Op deze wijze werden 800 burgers gedood. Eene naamlooze ontzetting verbreidde zich, na dit over Zutfen gehouden strafgericht, door geheel Gelderland. De graaf van den Berg, Oranje’s zwager, die in diens naam den eed van trouw aan de burgers afgenomen had, toonde thans een ellendige lafaard te zijn. Hij durfde den strijd tegen de Spanjaarden niet voortzetten, maar hij vluchtte zoo snel mogelijk uit het land. Na zijn vertrek vielen alle Geldersche steden van Oranje af, zij smeekten den hertog om genade en gaven zich aan zijne troepen over.Ook Friesland werd binnen korten tijd weer onderworpen. De stadhouder Robles versloeg een leger van 6000 aanhangers van den prins en onderwierp daarop de provincie, zonder verder eenigen tegenstand te ontmoeten.Zoo was dan de opstand overal gedempt; alleen Holland was aan de zaak der vrijheid nog trouw gebleven. De taak om ook deze provincie tot de gehoorzaamheid aan den Spaanschen koning terug te brengen, droeg Alba aan zijnen zoon Frederik op. De eerste stad, waartegen Frederik zijne wapenen richtte, was Naarden, eene kleine in de nabijheid der Zuiderzee gelegene stad, die te onbeduidend was om met hoop op goed gevolg den Spanjaarden het hoofd te bieden. Den 28enNovember verscheen voor Naarden eene bende van 100 Spanjaarden en eischte de stad op. De burgers achtten het schandelijk, de poorten voor zulk een handvol lieden te openen. Zij zonden in aller ijl boden naar de naburige steden en tot de veldheeren der staatschen, om hunne hulp in te roepen. In plaats van ondersteuning ontvingen zij ten antwoord, dat het voor hen het beste zou zijn, eene eervolle capitulatie te sluiten. Terstond zonden zij den burgemeester en een raadslid naar de legerplaats van den veldheer Frederik, doch deze weigerde zelfs de gezanten aan te hooren. Hij rukte met zijn leger rechtstreeks tegen Naarden op.Een beteren uitslag scheen de zending van eenige burgers te zullen hebben, die zich naar de Spaansche legerplaats begaven, toen deze voor de stad opgeslagen was. Zij werden door Juliaan Romero ontvangen, deze beloofde hun in den naam van Frederik, dat het leven en de bezittingen der belegerden gespaard zouden worden, wanneer de sleutels der stad vrijwillig werden overgegeven. Hij gaf hierop zijn eerewoord als krijgsman en hiermede stelden de afgezanten zich tevreden. Zonder eene schriftelijke verzekering gaven zij de stadssleutels aan Romero over en deze trok met 5 à 6000 Spaansche musketiers Naarden binnen. Hij zag zich door de burgers eene schitterende ontvangst bereid. Men gaf ter eere der Spanjaarden een feestelijken maaltijd, waaraan deze met groot genoegen deelnamen. Na den afloop hiervan beval Romero, dat al de burgers in eene kerk (de Gasthuiskerk) moesten bijeenkomen.Binnen korten tijd waren 500 burgers in de kerk samengekomen, om de bevelen van den Spaanschen generaal te vernemen. In plaats hiervan ontvingen zij van een priester, die de kerk binnentrad, bevel om zich ter dood te bereiden. De uitvoering volgde deze bedreiging op den voet: de kerkdeuren werden geopend, de Spaansche soldaten verschenen daarvooren vuurden hunne wapens in den dicht opeengepakten menschendrom af; hierop hieuwen zij hen, die door de kogels gespaard waren, met het zwaard neder. Onmiddellijk daarop werd de kerk in brand gestoken: dooden en stervenden werden met het gewijde gebouw door de vlammen verteerd.Na dezen moord drongen de Spanjaarden de huizen binnen, vermoordden schier de geheele bevolking en gaven de stad aan de vlammen prijs. Slechtsenkelevluchtelingen gelukte het, die plaats des onheils te ontvlieden. Een deel hunner werd in den omtrek nog opgevangen en gedood. Frederik verbood, op straffe des doods, den bewoners van de naburige dorpen den vluchtelingen eene schuilplaats of voedsel te verschaffen.Na de verwoesting van Naarden begaf Frederik zich naar Amsterdam, de eenige stad in Holland, die der zaak des konings getrouw gebleven was. Hier ontmoette hij zijn vader, die hem om zijn gedrag hoogelijk prees. Ook Philips II schreef, toen hij het gebeurde binnen Naarden vernam, een brief aan den hertog, om hem geluk te wenschen met zulk een zoon, zijn voortreflijken vader ten volle waardig.De hertog besloot van Amsterdam uit geheel Holland te onderwerpen; doch hiertoe moest hij in de allereerste plaats de stad Haarlem bemachtigen.Haarlem was eene der grootste en schoonste steden der Nederlanden, maar slechts zwak versterkt, en het scheen daarom niet moeilijk, haar te overweldigen. Dewijl de stad op het smalste punt lag der landengte, waardoor het schiereiland Noord-Holland met het overige land verbonden is, kon zij den Spanjaarden, zoodra deze zich van haar meester hadden gemaakt, tot een steunpunt voor hunne aanvallen naar beide zijden dienen, Frederik ondernam op zijns vaders bevel met ongeveer 30.000 man der beste Spaansche troepen de belegering, die in zijn oog eene lichte taak was; hij meende, dat hij binnen acht dagen als overwinnaar Haarlem binnen zou trekken.Deerlijk had hij zich bedrogen; hij ontmoette hier eene dappere verdediging, waartoe hij zelf door zijn woordbreuk en wreedheid jegens de burgers van Naarden aanleiding gegeven had.Toen de tijding van den moord van Naarden door Holland verbreid werd, bracht zij geene vrees, maar verbittering te weeg. De Hollanders zwoeren, dat zij zich tot den laatsten man zouden verdedigen, om hunne vermoorde vrienden te wreken. Wat zou eene oogenblikkelijke overgave hun ook gebaat hebben? Ook de burgers van Naarden hadden op belofte van lijfsbehoud van alle verdediging afgezien, en toch waren zij door den even trouwloozen als bloeddorstigen vijand vermoord. Eenige lafhartige overheidspersonen, die met Alba onderhandelingen over de overgave der stad aangeknoopt hadden, werden ter dood gebracht en de geheele burgerij besloot, in vereeniging met de bezetting, zich tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Ook de vrouwen werden met eene gloeiende geestdrift bezield: Kenau Hasselaer, eene weduwe, die tot eene der aanzienlijkste familiën behoorde, stelde zich aan het hoofd eener schaar van 300 vrouwen en meisjes, met wie zij aan alle gevechten gedurende de belegering deelnam.De prins van Oranje, die, hoewel hij zonder leger en zonder geld in Holland aangekomen was, hier met de grootste geestdrift was ontvangen, versterkte de dappere burgerij in haar besluit. Onmiddellijk voor het beleg was Aldegonde op zijnen last binnen Haarlem verschenen om de burgers tot volharding aan te sporen.De belegering nam een aanvang; van weerszijden werd met schitterendedapperheid gestreden, doch ook van weerszijden werd de oorlog met dezelfde wreedheid gevoerd. De burgers van Haarlem bevlekten zich met het bloed van hunne gevangenen, doch zij hadden waarlijk ook meer dan menschen moeten zijn, om niet vervuld te zijn met dorst naar wraak jegens een vijand, van wien zij zelven geene verschooning hadden te wachten.Zeven maanden, van December 1572 tot Juli 1573, duurde de belegering reeds en in weerwil van zijne overmacht had Frederik niets tegen de slecht versterkte stad kunnen uitrichten. Elke storm der Spanjaarden was met mannenmoed afgeslagen.Intusschen had de prins van Oranje geen oogenblik stil gezeten, maar meer dan ééne poging aangewend om de dappere burgers door het toezenden van levensmiddelen en hulptroepen te ondersteunen, doch dit was hem niet gelukt. Een groot leger kon hij niet onder de wapenen brengen, daartoe ontbraken hem alle middelen, en de kleine legerbenden, die hij met moeite op de been bracht, werden door de veel sterkere Spanjaarden teruggeslagen. Een dergelijk lot onderging ook eene Hollandsche vloot, die den 28enMei door den graaf van Bossu verslagen werd.De nederlaag dezer vloot was noodlottig voor de stad Haarlem. De burgers moesten de hoop op ontzet nu wel opgeven; reeds werden de levensmiddelen schaarsch, reeds braken ten gevolge van honger en gebrek ziekten uit, die het getal der verdedigers dagelijks deden inkrimpen. Toch verliepen er nog weken, eer de dappere burgers er aan dachten, over de overgave der stad met den vijand in onderhandeling te treden. Zij toonden den hertog van Alba, dat het geene botermenschen, gelijk hij eens spottend gezegd had, maar mannen van ijzer en staal waren, met wie hij te kampen had.Toen eindelijk alle levensmiddelen verteerd waren, besloten de Haarlemmers, zich met vrouwen en kinderen op den vijand te werpen, om te beproeven zich door hem heen te slaan.De Spaansche bevelhebber was sinds lang eene belegering moede, waarbij voor hem geene lauweren vielen te plukken. Reeds in Januari had hij zijn vader doen weten, dat de inneming van Haarlem het bloed niet beloonde, hetwelk daartoe vergoten werd. Doch Alba had hem door den bode het volgende scherpe verwijt doen toekomen: „Zeg mijn zoon, dat ik, wanneer hij de belegering niet voortzet, hem niet langer als mijn zoon erken. Wanneer hij bij het beleg sneuvelt, zal ik hem vervangen en wanneer wij beiden omkomen, dan zal de hertogin, mijne echtgenoot, uit Spanje komen, om ons werk te voltooien.”Op dat bevel had Frederik al zijne krachten ingespannen om de stad stormenderhand in te nemen, doch al zijne pogingen hiertoe waren mislukt. Thans hoorde hij van het plan der belegerden; hij kende die door wanhoop tot het uiterste gedrevene burgers en achtte het beter, met hen in onderhandeling te treden en hun lijfsbehoud voor de burgerij en de bezetting te doen aanbieden.Op deze belofte volgde den 12enJuli de overgave van Haarlem. Dat Frederik zijn woord niet hield, dat hij zoowel onder de bezetting als onder de burgerij een bloedbad aanrichtte, dat zijne soldaten de stad uitplunderden, spreekt na het vroeger voorgevallene eigenlijk van zelf. Het mocht zelfs als eene blijkbare genade beschouwd worden, dat niet meer dan 2 tot 300 menschen gedood werden en dat de stad niet in brand gestoken werd. In Zutfen en Naarden hadden de Spanjaarden nog erger huis gehouden.De dappere verdediging van Haarlem wakkerde den moed der Hollanders aan. Eene zwakke stad had zeven volle maanden aan alle aanvallen der Spanjaarden het hoofd geboden, zij was eindelijk slechts voor den honger bezweken. Daardoor was het bewijs geleverd, dat het volk, indien het slechts moed en volharding bezat, eindelijk de overwinning behalen moest. Bovendien hoopte men op buitenlandsche hulp; men wist immers, dat de prins van Oranje daarover voortdurend met de koningin van Engeland, met de Duitsche vorsten en zelfs, in weerwil van den Bartholomeüsnacht, door tusschenkomst van zijn broeder Lodewijk, met Frankrijk onderhandelde.Ook Alba’s zelfvertrouwen was door den tegenstand, dien hij van Haarlem ontmoet had, zeer geschokt. Nog eens waagde hij eene poging om de Hollanders door middel eener proclamatie, die hij den 26enJuli te Utrecht afkondigde, tot gehoorzaamheid terug te brengen. Hij nam in dit merkwaardig geschrift zoowel beloften als bedreigingen te baat; den berouwvollen wilde hij hoop op vergiffenis, den lafhartigen vrees voor straf inboezemen. Philips II, zeide hij onder anderen, wenschte niets vuriger dan zijne verdoolde kinderen aan zijn vaderhart te drukken; dit had hij menigmaal getoond. Nog eens beloofde Zijne Majesteit in zijne overvloeiende koninklijke genade, te vergeven en te vergeten, hoe groot hunne afdwalingen ook geweest mochten zijn, indien zij ter rechter tijd in de armen van hun liefhebbenden vorst terugkeerden. Zijne Majesteit vermaande hen, niet te wachten, totdat alle vergiffenis onmogelijk zou zijn. „Indien gij—zoo vervolgde Alba in de proclamatie—deze aanbiedingen snoodelijk afwijst, wanneer gij daarvoor doof van ooren blijft, gelijk tot dusver het geval is geweest, dan zeggen wij u aan, dat er geene wreede mishandeling is, die gij niet verwachten moet. Gij kunt er zeker van zijn, dat men met zulk eene gestrengheid tegen u te werk zal gaan, met verwoesting, hongersnood en het zwaard, in dier voege, dat nergens eenig overblijfsel meer te vinden zal zijn van hetgeen thans bestaat; maar Zijne Majesteit wil het land naakt uitkleeden en geheel en al ontvolken en het wederom door vreemdelingen laten bewonen, daar Zijne Majesteit anders niet zou kunnen gelooven, dat de wil van God en van Zijne Majesteit ten uitvoer was gelegd.”De proclamatie miste alle uitwerking; noch des konings bedreigingen, noch zijne verzekeringen van liefde en vergevensgezindheid oefenden eenigen invloed uit. De Hollanders volhardden in hun tegenstand en Alba ging voort met zijne pogingen om hen door kracht van wapenen te onderwerpen, hoewel hij juist in dien tijd ten aanzien van zijne Spaansche troepen eene treurige ervaring opdeed.De oorlog verslond aanzienlijke sommen, de geldafpersingen in de Nederlanden leverden niet langer de gewenschte uitkomst op en uit Spanje werden den hertog geene gelden toegezonden. Hij had dus gebrek aan geld om de troepen te betalen, en thans bleek het, dat deze wankelden in hunne trouw, zoodra zij niet meer regelmatig hunne soldij ontvingen.Het garnizoen van Haarlem veroorloofde zich schandelijke ongeregeldheden, ja het kwam onder de Spaansche soldaten zelfs tot eene samenzwering. De ontevredenen benoemden eenigen uit hun midden, die zich, als kooplieden verkleed, naar Delft tot den prins begaven, en hem aanboden, de stad Haarlem voor 40.000 gulden in zijne handen te leveren.Oranje zou gaarne dat voorstel hebben aangenomen, maar zelfs deze onbeduidende som kon hij niet bijeenbrengen en dus liep deze onderneming te niet.Slechts met moeite gelukte het Alba, de muitende troepen door beloften en geschenken tot gehoorzaamheid te bewegen.De kleine stad Alkmaar in Noord-Holland had een garnizoen van den prins van Oranje ingenomen en de opeisching om zich aan de Spanjaarden over te geven met eene weigering beantwoord. De hertog was daarover buiten zich zelven van woede, hij beklaagde zich over de grenzenlooze ondankbaarheid, waarmee het Hollandsche volk zijne zachtmoedigheid beantwoordde, en verklaarde, dat hij het daarvoor vreeselijk straffen zou. Na de inneming van Alkmaar zou niet een der verdedigers in het leven blijven; had hij de fout begaan, Haarlem van eene geheele plundering en brandstichting te verschoonen en slechts een klein getal menschen ter dood te brengen, aan Alkmaar zou hij een indrukwekkend voorbeeld stellen. „Zoo ik Alkmaar inneem,”—schreef hij aan Philips II—„dan staat mijn besluit vast om geen enkel schepsel in het leven te laten, voor elke keel zal het mes getrokken zijn. Daar het gebleken is, dat het voorbeeld van Haarlem niets gebaat heeft, zal misschien een voorbeeld van wreedheid de andere steden wijs maken.”Alba gaf zijnen zoon Frederik bevel om Alkmaar te belegeren; den 21enAugustus verscheen Frederik met een leger van 16.000 veteranen voor de stad en sloot haar zóó nauw in, dat na verloop van enkele dagen, gelijk Alba zelf zeide „ter nauwernood een musch de stad in of uit vliegen kon.” Tegen dat leger stonden in Alkmaar slechts een garnizoen van 800 man en 1300 weerbare burgers over. Doch met deze handvol strijders stond de geheele burgerij vast in het besluit om liever te sterven dan zich over te geven.De moed van Alkmaar’s inwoners werd verhoogd door de overtuiging, dat er een middel bestond om de inneming van de stad schier onmogelijk te maken; wanneer de dijken doorgestoken en de sluizen geopend werden, die Holland tegen de zee beveiligden, dan zou de oceaan zelf voor de belegerden strijden. Doch om hiertoe over te gaan had men de toestemming van al de ingelanden noodig, dewijl zulk eene overstrooming noodwendig den geheelen oogst vernietigen zou.De burgerij van Alkmaar besloot, een bode aan den prins van Oranje en aan diens onderbevelhebber in Holland, Dirk Sonoy, te zenden en deze te smeeken, wanneer de inneming van de stad onvermijdelijk scheen, de dijken te laten doorsteken, ten einde de Spanjaarden in de golven te doen omkomen.Het viel der burgerij niet gemakkelijk, haar besluit uit te voeren; rondom de stad waren de Spanjaarden gelegerd, geen musch kon, naar Alba’s woord, ongestraft door hunne gelederen vliegen, maar een stoutmoedig timmerman, Pieter van der Meij, nam op zich het waagstuk te beproeven. Hij ontving brieven voor Sonoy en den prins van Oranje, die hij in een uitgeholden stok verborg, en inderdaad gelukte het hem, door het Spaansche leger heen te sluipen.Frederik had intusschen niet stil gezeten; hij had de stad meer dan eens beschoten, doch daardoor slechts geringe schade aangericht. Ook verschillende stormaanvallen waren vruchteloos gebleven, en nu besloot hij den 18enSeptember, na eene levendige kanonnade van 12 uren, tegen drie uur des namiddags, door een algemeenen storm van zijn gansche leger de stad in te nemen; te gelijker tijd werden de poorten van verschillende zijden aangevallen.De Spanjaarden ontmoetten echter zulk eene krachtige verdediging, dat al hunne pogingen ijdel bleven. De geheele burgerij was op de wallen en streed aan de zijde der bezetting met leeuwenmoed. De stormkolonnes werden met kanon-, musket- en pistoolschoten ontvangen, de vrouwen begoten de bestormers met kokend water, kokende olie en gesmolten lood, of wierpen hun brandende pekkransen om den hals. De weinigen, wien het gelukte, den voet op den wal te zetten, werden terstond door de dappere verdedigers teruggeworpen.Driemaal werden de Spanjaarden teruggedreven, driemaal hernieuwden zij den aanval met verdubbelde woede, vier uur achtereen streden zij met de uiterste krachtsinspanning, doch zij wonnen geen duimbreed gronds. Toen eindelijk de nacht inviel, weerklonk het sein om den aanval te staken.Met 1000 gesneuvelden hadden de Spanjaarden de vruchtelooze bestorming geboet, terwijl slechts 13 burgers en 24 soldaten van het garnizoen in den strijd gebleven waren.Den volgenden dag liet Frederik na eene hevige kanonnade op nieuw het sein tot den aanval geven, maar te vergeefs: noch door bedreigingen, noch door smeekingen lieten de Spaansche soldaten zich bewegen om op de geschoten bres storm te loopen. De duivel zelf—verklaarden zij—streed aan de zijde der burgers van Alkmaar, anders hadden eenige halfverhongerde visschers den aanval van het geheele Spaansche leger niet kunnen wederstaan.Zelfs toen eenige wederspannige soldaten door hunne officieren doorstoken werden, oefende dit voorbeeld toch niet den minsten invloed op de overigen uit.Pieter van der Meij had intusschen niet stil gezeten; hij had de hem toevertrouwde brieven zoowel aan Sonoy als aan den prins van Oranje overgebracht en van den laatste een schrijven aan Sonoy ontvangen, hetwelk het bepaalde gebod inhield om Alkmaar in geen geval in des vijands handen te laten vallen, maar in den oogenblik van het dringendste gevaar het land onder water te zetten, om het Spaansche leger te doen verdrinken. Een tweede brief, aan de verdedigers van Alkmaar gericht, deelde dezen zijn besluit mede en gelastte hun, zoodra de nood tot het uiterste geklommen was, het teeken tot het doorgraven van de dijken te geven, door op vier verschillende plaatsen vuren te ontsteken.Pieter van der Meij keerde naar Alkmaar terug; het gelukte hem, zij het dan ook met groote moeite, door de Spaansche gelederen heen te sluipen, maar hij verloor den stok, waarin des prinsen brief zich bevond. Voor de belegerden beteekende dit verlies weinig of niets, daar de bode den inhoud kende en dezen den bevelhebbers kon mededelen; alleen vreesde men, dat de stok wellicht door de Spanjaarden zou worden gevonden. Dit geschiedde ook inderdaad: de stok en daarmee de brief van den prins werd in handen van don Frederik gesteld. Doch de uitwerking was eene geheel andere dan men verwacht had.Frederik schrikte hevig bij het vernemen van den inhoud; indien het gerucht der dreigende overstrooming zich onder zijne buitendien reeds ontmoedigde en weerspannige troepen verbreidde, dan kon hij zeker zijn, dat zijne soldaten in aller ijl het kamp verlaten en zich verstrooien zouden. Hij sprak zijne denkbeelden hieromtrent in een krijgsraad uit en deze deelde zijn gevoelen; de officieren meenden, dat er genoeg gedaan was voor de eer der Spaansche wapenen, en dat niemand verlangen kon dat 16.000dappere soldaten weerloos opgeofferd zouden worden in een strijd niet tegen menschen, maar tegen den oceaan.De krijgsraad besloot, het beleg op te breken en den 8enOctober 1573 verliet Frederik met zijn leger den omtrek van Alkmaar, zonder het geringste voordeel behaald te hebben.De stad Alkmaar was de eerste stad in de Nederlanden, die een regelmatig beleg van de Spanjaarden afgeslagen had: zij verwierf zich daardoor onvergankelijken roem. „Van Alkmaar begint de victorie” zoo luidt het spreekwoord, waarin nog heden ten dage die gebeurtenis in de Nederlanden vereeuwigd wordt.Onuitsprekelijk groot was de blijdschap der bevolking over deze redding. Een van Alkmaar’s dappere verdedigers deelt ons in zijne beschrijving van die gebeurtenissen ook twee volksliederen mee, welke in die dagen gezongen werden.Een daarvan luidt:»De stadt van Alckmaer behielt de croon,Zij gaven de Spangiaerts cranssen;Pijpen en trommelen ginghen daer schoon,Men speelde daer vreemde danssen,De Spangiaerts stonden daer vergaert,Zij dansten een nieuwe Spaensche galjaert,Maer zij vergaten te comen in de schanssen.”Drie dagen na het opbreken van het beleg van Alkmaar smaakten de Nederlanders de vreugde eener nieuwe schitterende overwinning. Eene Spaansche vloot, 30 welbewapende schepen sterk, was onder bevel van den admiraal graaf Bossu de Zuiderzee binnengezeild, waar eene geuzenvloot van 25 kleinere vaartuigen, onder den admiraal Cornelis Dirkszoon, kruiste.Na meer dan ééne schermutseling tastte de geuzenvloot den 11enOctober de Spanjaarden aan en hoewel de overmacht, zoowel ten aanzien van het getal als van de bewapening der schepen, aan de zijde der Spanjaarden was, behaalden de Nederlanders eene luisterrijke overwinning. Vijf Spaansche schepen werden genomen, de overigen sloegen op de vlucht. Alleen Bossu achtte het beneden zich, zijn heil lafhartig in de vlucht te zoeken. Op het grootste en best bewapende vaartuig, dat den noodlottigen naam „de Inquisitie” droeg, bood hij aan vier Hollandsche schepen het hoofd. Na een lang en moorddadig gevecht moest de graaf wel tot het aanknoopen van onderhandelingen besluiten. Hij verklaarde zich bereid om zich over te geven, mits men hem eene eervolle, aan zijn rang passende gevangenschap en uitwisseling van de krijgsgevangenen toestond.De Hollanders beloofden dit en zij hielden hun woord, hoewel Bossu vroeger het zijne te Rotterdam schandelijk verbroken had. In weerwil van den haat, dien zij hem toedroegen, spaarden zij toch zijn leven.Zij zagen zich voor die trouw aan hun gegeven woord heerlijk beloond: de graaf van Bossu diende hun lang als gijzelaar voor het behoud van een ander, zeer kostbaar leven. In een gevecht tegen de Spanjaarden was de meest vertrouwde vriend van den prins, een der uitstekendste mannen, waarop de Nederlanders roem konden dragen, Marnix van St. Aldegonde, gevangen genomen. Zonder die overwinning op de Zuiderzee zou zijn dood onvermijdelijk zijn geweest, doch thans liet Oranje Albaweten, dat Bossu juist zoo behandeld zou worden als Marnix van St. Aldegonde. Hierdoor waren den hertog de handen gebonden: hij kon Marnix niet ter dood laten brengen, ja hij moest, hoezeer dit hem ook tegen de borst stuitte, een befaamden ketter als een krijgsgevangene behandelen.Terwijl Haarlem en Alkmaar belegerd werden, had de prins van Oranje zijne dagen niet in vadsige rust doorgebracht; al kwamen de vruchten van zijn rusteloozen arbeid ook niet in schitterende daden aan het licht, toch kunnen wij zijn invloed overal opmerken. Aan hem alleen was het te danken, dat de Hollanders niet in hun tegenstand verflauwden, door zijne kalme vastberadenheid boezemde hij hun onwrikbaren moed en vertrouwen op eene toekomstige zegepraal in. Zijn broeder Lodewijk diende hem tot onderhandelaar bij het Fransche hof; met de protestantsche vorsten van Duitschland stond hij zelf in betrekking.Hij had thans openlijk de katholieke kerk verlaten; in October 1573 was hij te Dordrecht tot het Calvinisme overgegaan.De vurige bewonderaars van den prins zijn van oordeel, dat deze geloofsverandering louter de vrucht der innige overtuiging van hun held is geweest. Doch wanneer wij ons herinneren, dat Oranje, hoewel nooit een dweepziek katholiek, vroeger toch ook nooit veel ingenomenheid met het Calvinisme aan den dag gelegd had, dat zijn ideaal, volkomen vrijheid van godsdienst en geweten, in de oogen der strenge Calvinisten al zeer weinig aantrekkelijks bezat en dat hij zich door hunne hardheid menigmaal voelde afgestooten, dan ligt de onderstelling voor de hand, dat de staatkunde ook haar deel aan dien stap des prinsen gehad heeft. Wij houden het er voor, dat de prins, zoo hij geheel vrij was geweest, veel liever Lutheraan dan Calvinist zou zijn geworden, maar dat hij begreep, in dit opzicht niet tegen den stroom te kunnen oproeien. Het is niet noodig, een mensch tot een heilige te maken, om zijne groote verdiensten te erkennen.In denzelfden tijd werd eene nieuwe wending in het lot der Nederlanders voorbereid door het besluit van Philips II om den hertog van Alba een opvolger te geven. Alba zelf was reeds lang zijn ambt moede. Hij was ontevreden over zich zelven en lag met de geheele wereld overhoop. Na zoovele overwinningen bevond hij zich buiten staat om een enkele provincie te onderwerpen; hij wist wel, welk een vloek er op zijn naam rustte, hoezeer hij het voorwerp van den afschuw van alle Nederlanders was, zelfs van hen, die de medeplichtigen zijner schandelijke misdaden geweest waren; ook Viglius verborg zijn afkeer van hem niet. Onder zijne troepen heerschte op verre na niet meer de vroegere geest van orde en gehoorzaamheid en hij was niet bij machte om door geregelde uitbetaling van hunne soldij de tucht onder hen te herstellen. Zijne geldelijke verlegenheid was zóó groot, dat hij noch de schulden, die hij voor zijn persoon bij Amsterdamsche kooplieden gemaakt had, noch die, welke hij voor rekening van den staat had aangegaan, betalen kon.Bovendien gevoelde hij maar al te goed, dat hij de gunst des konings had verloren. Zijne vijanden aan het hof trokken partij van zijne verlegenheid en hielden Philips II voor, dat Alba’s bewind de Nederlanden geheel van hem vervreemd had en dat die belangrijke gewesten daardoor wellicht geheel voor hem konden verloren gaan.De altijd achterdochtige koning was maar al te zeer geneigd om aan zulke inblazingen geloof te slaan. Dankbaarheid kende hij niet; de diensten, welke Alba hem bewezen had, vergat hij maar al te spoedig.Reeds voor lang had de hertog Philips verzocht, hem van den zwaren last der landvoogdij te ontheffen. Toenmaals had de koning schoorvoetend dat verzoek ingewilligd en den hertog van Medina Celi naar de Nederlanden gezonden.Deze was op een zeer ongelukkig tijdstip in het land gekomen, juist toen de Watergeuzen door de inneming van den Briel eene schitterende zegepraal hadden behaald. Zijne vloot werd door de kleine Hollandsche vaartuigen aangevallen en deels genomen, deels verstrooid. Ook eene groote koopvaardijvloot viel bij die gelegenheid in handen der Watergeuzen en bracht hun een rijken buit aan; den hertog was het slechts ternauwernood gelukt, zich door de vlucht te redden. Hij was naar Brussel gereisd en had zich aan Alba voorgesteld; doch dewijl juist in die dagen het geheele land in opstand geraakte, gevoelde hij zich niet in staat om in zulk een tijdsgewricht den beroemden veldheer te vervangen en keerde weldra naar Spanje terug.In zijne plaats benoemde Philips II don Luis de Zuñiga y Requesens, groot-commandeur van Castilië en vroeger stadhouder van Milaan, tot Alba’s opvolger.Requesens kwam den 17enNovember 1573 te Brussel aan; den 18enDecember verliet Alba voor altijd de Nederlanden; hij keerde naar Spanje terug, waar hem eene alles behalve schitterende ontvangst ten deel viel. Philips II deed hem onverholen zijn misnoegen blijken; eerst toen hij weder des hertogs krijgskundige bekwaamheden in een veldtocht tegen Portugal noodig had, werd deze op nieuw gedurende een korten tijd door het licht der koninklijke gunst bestraald.Na afloop van den veldtocht werd Alba door een heftige koorts aangetast, die hem zóó verzwakte, dat alle werkzaamheid hem verder onmogelijk was. Hij stierf den 12enDecember 1582.Werpen wij een blik op des hertogs bewind over de Nederlanden, dan doet zich een afgrijselijk beeld van verwoesting aan ons oog voor, van hetwelk in de geschiedenis de wederga niet wordt aangetroffen. Tengevolge der vonnissen van den door Alba aangestelden bloedraad waren, gedurende de weinige jaren van zijn verblijf in de Nederlanden, niet minder dan 18.000 menschen door beulshanden omgebracht. Zoowel het aantal dergenen, die in den oorlog, na de inneming van versterkte steden of na het in brandsteken van weerlooze dorpen, vaak onder de afgrijselijkste martelingen gedood waren, als dat der mannen, vrouwen en kinderen, die als slachtoffers van den bloeddorst der Spaansche soldaten gevallen waren, valt niet onder cijfers te brengen. Maar uit het bloed dier tallooze slachtoffers is—dat willen wij niet vergeten—de bloem der vrijheid ontsproten. Een beul als Alba was er noodig om uit het hart van het Nederlandsche volk de liefde en trouw voor een onwaardig, met eeden en beloften spelend koning uit te roeien en het eindelijk zoover te brengen, dat het de slavenkluisters, waaronder het zuchtte, moedig verbrak. Twee volksliederen, welke in dien tijd ontstonden en de gevoelens der Nederlanders jegens Alba en de Spanjaarden getrouw afspiegelen, mogen het slot van dit hoogst belangrijk deel der Nederlandsche geschiedenis vormen:»Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Slaet op den tromele, van dirre dom does:Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Vive le geus! is nu de loes.De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie,De Spaensche Inquisitie, als draecxbloet fel;De Spaensche Inquisitie ghevoelt punitie,De Spaensche Inquisitie ontvaelt haer spel.Vive le geus! wilt christlyk leven,Vive le geus! houdt fraeye moet:Vive le geus! Godt behoed voor sneven,Vive le geus! edel christen bloedt.’t Swaert is getrokken, certeyn Godts wraec naect,’t Swaert is getrokken, daer Joannes u schrijft,’t Swaert is getrokken, dat Apocalypsis maect naect,’t Swaert is getrokken, ghy werd nu ontlyft.’t Onschuldig bloet, dat ghy heft vergoten,’t Onschuldig bloet roept over u wraeck;’t Onschuldig bloet te storten heeft u niet verdroten,’t Onschuldig bloet dat dronckt ghy met den draeck.U vleisschen arm, daer ghy op betroude,U vleisschen arm beswyckt u nu;U vleisschen arm, die u huis boude,U vleisschen arm wijckt schoon van u.”1Gentsch Vaderonze.Helsche duvel, die tot Brussel syt,Uwen naem ende faem sij vermaledijt,U rijck vergae zonder respijt,Want heeft geduyrt te langen tijd.Uwen willen sal niet gewerden,Noch in hemel noch op erden.Ghij beneempt ons huyden ons dagelicx broot,Wijff ende kynderen hebben ’t groote noot:Ghij en vergeeft niemant syn schuld,Want ghy met haet ende nijt sijt vervult:Ghy en laet niemant ongetempteert,Alle dese landen ghij perturbeert.O hemelschen Vader, die in den hemel sijt,Maeckt uns dezen duvel quijt,Met synen bloedigen, valschen raet,Daer hy meede handet alle quaet,En syn Spaens crychsvolk altegaer,’t Welck leeft of sy des duvels waer.Amen.21Ernst Münch,NiederländischesMuseum, 125, 126.2Van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen, I, 393.
De Nederlanden. Alba’s overwinning. Alba’s zoon Frederik. Wreede straf, op de steden Mechelen en Zutfen toegepast. Frederik’s veldtocht in Holland. Het bloedbad te Naarden. Belegering, moedige verdediging en eindelijke overgave van Haarlem. Alba’s vruchtelooze poging om den vrede tot stand te brengen. Belegering van Alkmaar. Krachtige verdediging en ontzet der stad. Overwinning der Hollanders ter zee. Oranje’s werkzaamheid. Zijn overgang tot het Calvinisme. Laatste tijd van Alba’s verblijf in de Nederlanden. De hertog van Medina Celi. Don Louis de Zuniga y Requesens. Alba keert naar Spanje terug. Zijn dood.
De Nederlanden. Alba’s overwinning. Alba’s zoon Frederik. Wreede straf, op de steden Mechelen en Zutfen toegepast. Frederik’s veldtocht in Holland. Het bloedbad te Naarden. Belegering, moedige verdediging en eindelijke overgave van Haarlem. Alba’s vruchtelooze poging om den vrede tot stand te brengen. Belegering van Alkmaar. Krachtige verdediging en ontzet der stad. Overwinning der Hollanders ter zee. Oranje’s werkzaamheid. Zijn overgang tot het Calvinisme. Laatste tijd van Alba’s verblijf in de Nederlanden. De hertog van Medina Celi. Don Louis de Zuniga y Requesens. Alba keert naar Spanje terug. Zijn dood.
De val van Bergen besliste den afval van alle Zuid-Nederlandsche steden van de partij des prinsen. De Vlaamsche en Brabantsche steden wedijverden in betuigingen van trouw aan den koning. Alba nam voorloopig die verzekeringen kalm aan. Alleen de stad Mechelen koos hij uit, om aan haar een vreeselijk voorbeeld te stellen. Hij zond zijn zoon Frederik en Noircarmes naar die ongelukkige stad, om haar te tuchtigen.
De beide veldheeren lieten haar drie dagen lang door hunne soldaten plunderen; niet alleen de woonhuizen, maar ook de kerken, kloosters en geestelijke gestichten deelden in dat lot. Alle kostbare voorwerpen, gewijde kelken, relieken, kerkgewaden en altaarsieradiën werden door de woeste Spaansche soldaten zonder uitzondering tot goeden buit verklaard. De soldaten, die Alba naar de Nederlanden gevoerd had, om de katholieke kerk tegen de ketters te verdedigen, traden de gewijde hostie met voeten. Zij woedden erger dan ooit de beeldstormers gedaan hadden; drie dagen lang plunderden en moordden zij, terwijl zij den armen onschuldigen vrouwen een lot bereidden, erger dan de dood: vijftig dier ongelukkigen ondergingen dat lot in—eene kerk.
Alba’s zoon Frederik en Noircarmes waren werkelooze getuigen van deze afgrijselijke tooneelen, zij spraken geen woord ter bescherming van de aan den ondergang gewijde stad.
Na de plundering van Mechelen beval Alba zijn zoon Frederik, de Noordelijke en Oostelijke gewesten des lands, die alle nog aan zijne macht het hoofd boden, tot onderwerping te brengen, Frederik rukte Gelderland binnen; hij ontmoette bijna geen tegenstand, alleen de kleine stad Zutfen deed eene zwakke poging om zich tegen het binnen rukken der koninklijke troepen te verzetten. De hertog besloot, haar daarvoor vreeselijk te straffen: hij gebood zijnen zoon, geen mensch binnen hare muren in het leven te laten en de huizen te verbranden.
Frederik voerde het bevel letterlijk uit. Nadat hij met zijne soldaten de stad binnengedrongen was, liet hij mannen, vrouwen en kinderen zonder genade neerhouwen. Dewijl het werk van zwaard en dolk te langzaam ging en er geene beulen genoeg waren om de slachtoffers op te hangen, beval hij, de gevangenen rug aan rug te binden en zoo in den IJssel te verdrinken. Op deze wijze werden 800 burgers gedood. Eene naamlooze ontzetting verbreidde zich, na dit over Zutfen gehouden strafgericht, door geheel Gelderland. De graaf van den Berg, Oranje’s zwager, die in diens naam den eed van trouw aan de burgers afgenomen had, toonde thans een ellendige lafaard te zijn. Hij durfde den strijd tegen de Spanjaarden niet voortzetten, maar hij vluchtte zoo snel mogelijk uit het land. Na zijn vertrek vielen alle Geldersche steden van Oranje af, zij smeekten den hertog om genade en gaven zich aan zijne troepen over.
Ook Friesland werd binnen korten tijd weer onderworpen. De stadhouder Robles versloeg een leger van 6000 aanhangers van den prins en onderwierp daarop de provincie, zonder verder eenigen tegenstand te ontmoeten.
Zoo was dan de opstand overal gedempt; alleen Holland was aan de zaak der vrijheid nog trouw gebleven. De taak om ook deze provincie tot de gehoorzaamheid aan den Spaanschen koning terug te brengen, droeg Alba aan zijnen zoon Frederik op. De eerste stad, waartegen Frederik zijne wapenen richtte, was Naarden, eene kleine in de nabijheid der Zuiderzee gelegene stad, die te onbeduidend was om met hoop op goed gevolg den Spanjaarden het hoofd te bieden. Den 28enNovember verscheen voor Naarden eene bende van 100 Spanjaarden en eischte de stad op. De burgers achtten het schandelijk, de poorten voor zulk een handvol lieden te openen. Zij zonden in aller ijl boden naar de naburige steden en tot de veldheeren der staatschen, om hunne hulp in te roepen. In plaats van ondersteuning ontvingen zij ten antwoord, dat het voor hen het beste zou zijn, eene eervolle capitulatie te sluiten. Terstond zonden zij den burgemeester en een raadslid naar de legerplaats van den veldheer Frederik, doch deze weigerde zelfs de gezanten aan te hooren. Hij rukte met zijn leger rechtstreeks tegen Naarden op.
Een beteren uitslag scheen de zending van eenige burgers te zullen hebben, die zich naar de Spaansche legerplaats begaven, toen deze voor de stad opgeslagen was. Zij werden door Juliaan Romero ontvangen, deze beloofde hun in den naam van Frederik, dat het leven en de bezittingen der belegerden gespaard zouden worden, wanneer de sleutels der stad vrijwillig werden overgegeven. Hij gaf hierop zijn eerewoord als krijgsman en hiermede stelden de afgezanten zich tevreden. Zonder eene schriftelijke verzekering gaven zij de stadssleutels aan Romero over en deze trok met 5 à 6000 Spaansche musketiers Naarden binnen. Hij zag zich door de burgers eene schitterende ontvangst bereid. Men gaf ter eere der Spanjaarden een feestelijken maaltijd, waaraan deze met groot genoegen deelnamen. Na den afloop hiervan beval Romero, dat al de burgers in eene kerk (de Gasthuiskerk) moesten bijeenkomen.
Binnen korten tijd waren 500 burgers in de kerk samengekomen, om de bevelen van den Spaanschen generaal te vernemen. In plaats hiervan ontvingen zij van een priester, die de kerk binnentrad, bevel om zich ter dood te bereiden. De uitvoering volgde deze bedreiging op den voet: de kerkdeuren werden geopend, de Spaansche soldaten verschenen daarvooren vuurden hunne wapens in den dicht opeengepakten menschendrom af; hierop hieuwen zij hen, die door de kogels gespaard waren, met het zwaard neder. Onmiddellijk daarop werd de kerk in brand gestoken: dooden en stervenden werden met het gewijde gebouw door de vlammen verteerd.
Na dezen moord drongen de Spanjaarden de huizen binnen, vermoordden schier de geheele bevolking en gaven de stad aan de vlammen prijs. Slechtsenkelevluchtelingen gelukte het, die plaats des onheils te ontvlieden. Een deel hunner werd in den omtrek nog opgevangen en gedood. Frederik verbood, op straffe des doods, den bewoners van de naburige dorpen den vluchtelingen eene schuilplaats of voedsel te verschaffen.
Na de verwoesting van Naarden begaf Frederik zich naar Amsterdam, de eenige stad in Holland, die der zaak des konings getrouw gebleven was. Hier ontmoette hij zijn vader, die hem om zijn gedrag hoogelijk prees. Ook Philips II schreef, toen hij het gebeurde binnen Naarden vernam, een brief aan den hertog, om hem geluk te wenschen met zulk een zoon, zijn voortreflijken vader ten volle waardig.
De hertog besloot van Amsterdam uit geheel Holland te onderwerpen; doch hiertoe moest hij in de allereerste plaats de stad Haarlem bemachtigen.
Haarlem was eene der grootste en schoonste steden der Nederlanden, maar slechts zwak versterkt, en het scheen daarom niet moeilijk, haar te overweldigen. Dewijl de stad op het smalste punt lag der landengte, waardoor het schiereiland Noord-Holland met het overige land verbonden is, kon zij den Spanjaarden, zoodra deze zich van haar meester hadden gemaakt, tot een steunpunt voor hunne aanvallen naar beide zijden dienen, Frederik ondernam op zijns vaders bevel met ongeveer 30.000 man der beste Spaansche troepen de belegering, die in zijn oog eene lichte taak was; hij meende, dat hij binnen acht dagen als overwinnaar Haarlem binnen zou trekken.
Deerlijk had hij zich bedrogen; hij ontmoette hier eene dappere verdediging, waartoe hij zelf door zijn woordbreuk en wreedheid jegens de burgers van Naarden aanleiding gegeven had.
Toen de tijding van den moord van Naarden door Holland verbreid werd, bracht zij geene vrees, maar verbittering te weeg. De Hollanders zwoeren, dat zij zich tot den laatsten man zouden verdedigen, om hunne vermoorde vrienden te wreken. Wat zou eene oogenblikkelijke overgave hun ook gebaat hebben? Ook de burgers van Naarden hadden op belofte van lijfsbehoud van alle verdediging afgezien, en toch waren zij door den even trouwloozen als bloeddorstigen vijand vermoord. Eenige lafhartige overheidspersonen, die met Alba onderhandelingen over de overgave der stad aangeknoopt hadden, werden ter dood gebracht en de geheele burgerij besloot, in vereeniging met de bezetting, zich tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Ook de vrouwen werden met eene gloeiende geestdrift bezield: Kenau Hasselaer, eene weduwe, die tot eene der aanzienlijkste familiën behoorde, stelde zich aan het hoofd eener schaar van 300 vrouwen en meisjes, met wie zij aan alle gevechten gedurende de belegering deelnam.
De prins van Oranje, die, hoewel hij zonder leger en zonder geld in Holland aangekomen was, hier met de grootste geestdrift was ontvangen, versterkte de dappere burgerij in haar besluit. Onmiddellijk voor het beleg was Aldegonde op zijnen last binnen Haarlem verschenen om de burgers tot volharding aan te sporen.
De belegering nam een aanvang; van weerszijden werd met schitterendedapperheid gestreden, doch ook van weerszijden werd de oorlog met dezelfde wreedheid gevoerd. De burgers van Haarlem bevlekten zich met het bloed van hunne gevangenen, doch zij hadden waarlijk ook meer dan menschen moeten zijn, om niet vervuld te zijn met dorst naar wraak jegens een vijand, van wien zij zelven geene verschooning hadden te wachten.
Zeven maanden, van December 1572 tot Juli 1573, duurde de belegering reeds en in weerwil van zijne overmacht had Frederik niets tegen de slecht versterkte stad kunnen uitrichten. Elke storm der Spanjaarden was met mannenmoed afgeslagen.
Intusschen had de prins van Oranje geen oogenblik stil gezeten, maar meer dan ééne poging aangewend om de dappere burgers door het toezenden van levensmiddelen en hulptroepen te ondersteunen, doch dit was hem niet gelukt. Een groot leger kon hij niet onder de wapenen brengen, daartoe ontbraken hem alle middelen, en de kleine legerbenden, die hij met moeite op de been bracht, werden door de veel sterkere Spanjaarden teruggeslagen. Een dergelijk lot onderging ook eene Hollandsche vloot, die den 28enMei door den graaf van Bossu verslagen werd.
De nederlaag dezer vloot was noodlottig voor de stad Haarlem. De burgers moesten de hoop op ontzet nu wel opgeven; reeds werden de levensmiddelen schaarsch, reeds braken ten gevolge van honger en gebrek ziekten uit, die het getal der verdedigers dagelijks deden inkrimpen. Toch verliepen er nog weken, eer de dappere burgers er aan dachten, over de overgave der stad met den vijand in onderhandeling te treden. Zij toonden den hertog van Alba, dat het geene botermenschen, gelijk hij eens spottend gezegd had, maar mannen van ijzer en staal waren, met wie hij te kampen had.
Toen eindelijk alle levensmiddelen verteerd waren, besloten de Haarlemmers, zich met vrouwen en kinderen op den vijand te werpen, om te beproeven zich door hem heen te slaan.
De Spaansche bevelhebber was sinds lang eene belegering moede, waarbij voor hem geene lauweren vielen te plukken. Reeds in Januari had hij zijn vader doen weten, dat de inneming van Haarlem het bloed niet beloonde, hetwelk daartoe vergoten werd. Doch Alba had hem door den bode het volgende scherpe verwijt doen toekomen: „Zeg mijn zoon, dat ik, wanneer hij de belegering niet voortzet, hem niet langer als mijn zoon erken. Wanneer hij bij het beleg sneuvelt, zal ik hem vervangen en wanneer wij beiden omkomen, dan zal de hertogin, mijne echtgenoot, uit Spanje komen, om ons werk te voltooien.”
Op dat bevel had Frederik al zijne krachten ingespannen om de stad stormenderhand in te nemen, doch al zijne pogingen hiertoe waren mislukt. Thans hoorde hij van het plan der belegerden; hij kende die door wanhoop tot het uiterste gedrevene burgers en achtte het beter, met hen in onderhandeling te treden en hun lijfsbehoud voor de burgerij en de bezetting te doen aanbieden.
Op deze belofte volgde den 12enJuli de overgave van Haarlem. Dat Frederik zijn woord niet hield, dat hij zoowel onder de bezetting als onder de burgerij een bloedbad aanrichtte, dat zijne soldaten de stad uitplunderden, spreekt na het vroeger voorgevallene eigenlijk van zelf. Het mocht zelfs als eene blijkbare genade beschouwd worden, dat niet meer dan 2 tot 300 menschen gedood werden en dat de stad niet in brand gestoken werd. In Zutfen en Naarden hadden de Spanjaarden nog erger huis gehouden.
De dappere verdediging van Haarlem wakkerde den moed der Hollanders aan. Eene zwakke stad had zeven volle maanden aan alle aanvallen der Spanjaarden het hoofd geboden, zij was eindelijk slechts voor den honger bezweken. Daardoor was het bewijs geleverd, dat het volk, indien het slechts moed en volharding bezat, eindelijk de overwinning behalen moest. Bovendien hoopte men op buitenlandsche hulp; men wist immers, dat de prins van Oranje daarover voortdurend met de koningin van Engeland, met de Duitsche vorsten en zelfs, in weerwil van den Bartholomeüsnacht, door tusschenkomst van zijn broeder Lodewijk, met Frankrijk onderhandelde.
Ook Alba’s zelfvertrouwen was door den tegenstand, dien hij van Haarlem ontmoet had, zeer geschokt. Nog eens waagde hij eene poging om de Hollanders door middel eener proclamatie, die hij den 26enJuli te Utrecht afkondigde, tot gehoorzaamheid terug te brengen. Hij nam in dit merkwaardig geschrift zoowel beloften als bedreigingen te baat; den berouwvollen wilde hij hoop op vergiffenis, den lafhartigen vrees voor straf inboezemen. Philips II, zeide hij onder anderen, wenschte niets vuriger dan zijne verdoolde kinderen aan zijn vaderhart te drukken; dit had hij menigmaal getoond. Nog eens beloofde Zijne Majesteit in zijne overvloeiende koninklijke genade, te vergeven en te vergeten, hoe groot hunne afdwalingen ook geweest mochten zijn, indien zij ter rechter tijd in de armen van hun liefhebbenden vorst terugkeerden. Zijne Majesteit vermaande hen, niet te wachten, totdat alle vergiffenis onmogelijk zou zijn. „Indien gij—zoo vervolgde Alba in de proclamatie—deze aanbiedingen snoodelijk afwijst, wanneer gij daarvoor doof van ooren blijft, gelijk tot dusver het geval is geweest, dan zeggen wij u aan, dat er geene wreede mishandeling is, die gij niet verwachten moet. Gij kunt er zeker van zijn, dat men met zulk eene gestrengheid tegen u te werk zal gaan, met verwoesting, hongersnood en het zwaard, in dier voege, dat nergens eenig overblijfsel meer te vinden zal zijn van hetgeen thans bestaat; maar Zijne Majesteit wil het land naakt uitkleeden en geheel en al ontvolken en het wederom door vreemdelingen laten bewonen, daar Zijne Majesteit anders niet zou kunnen gelooven, dat de wil van God en van Zijne Majesteit ten uitvoer was gelegd.”
De proclamatie miste alle uitwerking; noch des konings bedreigingen, noch zijne verzekeringen van liefde en vergevensgezindheid oefenden eenigen invloed uit. De Hollanders volhardden in hun tegenstand en Alba ging voort met zijne pogingen om hen door kracht van wapenen te onderwerpen, hoewel hij juist in dien tijd ten aanzien van zijne Spaansche troepen eene treurige ervaring opdeed.
De oorlog verslond aanzienlijke sommen, de geldafpersingen in de Nederlanden leverden niet langer de gewenschte uitkomst op en uit Spanje werden den hertog geene gelden toegezonden. Hij had dus gebrek aan geld om de troepen te betalen, en thans bleek het, dat deze wankelden in hunne trouw, zoodra zij niet meer regelmatig hunne soldij ontvingen.
Het garnizoen van Haarlem veroorloofde zich schandelijke ongeregeldheden, ja het kwam onder de Spaansche soldaten zelfs tot eene samenzwering. De ontevredenen benoemden eenigen uit hun midden, die zich, als kooplieden verkleed, naar Delft tot den prins begaven, en hem aanboden, de stad Haarlem voor 40.000 gulden in zijne handen te leveren.
Oranje zou gaarne dat voorstel hebben aangenomen, maar zelfs deze onbeduidende som kon hij niet bijeenbrengen en dus liep deze onderneming te niet.
Slechts met moeite gelukte het Alba, de muitende troepen door beloften en geschenken tot gehoorzaamheid te bewegen.
De kleine stad Alkmaar in Noord-Holland had een garnizoen van den prins van Oranje ingenomen en de opeisching om zich aan de Spanjaarden over te geven met eene weigering beantwoord. De hertog was daarover buiten zich zelven van woede, hij beklaagde zich over de grenzenlooze ondankbaarheid, waarmee het Hollandsche volk zijne zachtmoedigheid beantwoordde, en verklaarde, dat hij het daarvoor vreeselijk straffen zou. Na de inneming van Alkmaar zou niet een der verdedigers in het leven blijven; had hij de fout begaan, Haarlem van eene geheele plundering en brandstichting te verschoonen en slechts een klein getal menschen ter dood te brengen, aan Alkmaar zou hij een indrukwekkend voorbeeld stellen. „Zoo ik Alkmaar inneem,”—schreef hij aan Philips II—„dan staat mijn besluit vast om geen enkel schepsel in het leven te laten, voor elke keel zal het mes getrokken zijn. Daar het gebleken is, dat het voorbeeld van Haarlem niets gebaat heeft, zal misschien een voorbeeld van wreedheid de andere steden wijs maken.”
Alba gaf zijnen zoon Frederik bevel om Alkmaar te belegeren; den 21enAugustus verscheen Frederik met een leger van 16.000 veteranen voor de stad en sloot haar zóó nauw in, dat na verloop van enkele dagen, gelijk Alba zelf zeide „ter nauwernood een musch de stad in of uit vliegen kon.” Tegen dat leger stonden in Alkmaar slechts een garnizoen van 800 man en 1300 weerbare burgers over. Doch met deze handvol strijders stond de geheele burgerij vast in het besluit om liever te sterven dan zich over te geven.
De moed van Alkmaar’s inwoners werd verhoogd door de overtuiging, dat er een middel bestond om de inneming van de stad schier onmogelijk te maken; wanneer de dijken doorgestoken en de sluizen geopend werden, die Holland tegen de zee beveiligden, dan zou de oceaan zelf voor de belegerden strijden. Doch om hiertoe over te gaan had men de toestemming van al de ingelanden noodig, dewijl zulk eene overstrooming noodwendig den geheelen oogst vernietigen zou.
De burgerij van Alkmaar besloot, een bode aan den prins van Oranje en aan diens onderbevelhebber in Holland, Dirk Sonoy, te zenden en deze te smeeken, wanneer de inneming van de stad onvermijdelijk scheen, de dijken te laten doorsteken, ten einde de Spanjaarden in de golven te doen omkomen.
Het viel der burgerij niet gemakkelijk, haar besluit uit te voeren; rondom de stad waren de Spanjaarden gelegerd, geen musch kon, naar Alba’s woord, ongestraft door hunne gelederen vliegen, maar een stoutmoedig timmerman, Pieter van der Meij, nam op zich het waagstuk te beproeven. Hij ontving brieven voor Sonoy en den prins van Oranje, die hij in een uitgeholden stok verborg, en inderdaad gelukte het hem, door het Spaansche leger heen te sluipen.
Frederik had intusschen niet stil gezeten; hij had de stad meer dan eens beschoten, doch daardoor slechts geringe schade aangericht. Ook verschillende stormaanvallen waren vruchteloos gebleven, en nu besloot hij den 18enSeptember, na eene levendige kanonnade van 12 uren, tegen drie uur des namiddags, door een algemeenen storm van zijn gansche leger de stad in te nemen; te gelijker tijd werden de poorten van verschillende zijden aangevallen.
De Spanjaarden ontmoetten echter zulk eene krachtige verdediging, dat al hunne pogingen ijdel bleven. De geheele burgerij was op de wallen en streed aan de zijde der bezetting met leeuwenmoed. De stormkolonnes werden met kanon-, musket- en pistoolschoten ontvangen, de vrouwen begoten de bestormers met kokend water, kokende olie en gesmolten lood, of wierpen hun brandende pekkransen om den hals. De weinigen, wien het gelukte, den voet op den wal te zetten, werden terstond door de dappere verdedigers teruggeworpen.
Driemaal werden de Spanjaarden teruggedreven, driemaal hernieuwden zij den aanval met verdubbelde woede, vier uur achtereen streden zij met de uiterste krachtsinspanning, doch zij wonnen geen duimbreed gronds. Toen eindelijk de nacht inviel, weerklonk het sein om den aanval te staken.
Met 1000 gesneuvelden hadden de Spanjaarden de vruchtelooze bestorming geboet, terwijl slechts 13 burgers en 24 soldaten van het garnizoen in den strijd gebleven waren.
Den volgenden dag liet Frederik na eene hevige kanonnade op nieuw het sein tot den aanval geven, maar te vergeefs: noch door bedreigingen, noch door smeekingen lieten de Spaansche soldaten zich bewegen om op de geschoten bres storm te loopen. De duivel zelf—verklaarden zij—streed aan de zijde der burgers van Alkmaar, anders hadden eenige halfverhongerde visschers den aanval van het geheele Spaansche leger niet kunnen wederstaan.
Zelfs toen eenige wederspannige soldaten door hunne officieren doorstoken werden, oefende dit voorbeeld toch niet den minsten invloed op de overigen uit.
Pieter van der Meij had intusschen niet stil gezeten; hij had de hem toevertrouwde brieven zoowel aan Sonoy als aan den prins van Oranje overgebracht en van den laatste een schrijven aan Sonoy ontvangen, hetwelk het bepaalde gebod inhield om Alkmaar in geen geval in des vijands handen te laten vallen, maar in den oogenblik van het dringendste gevaar het land onder water te zetten, om het Spaansche leger te doen verdrinken. Een tweede brief, aan de verdedigers van Alkmaar gericht, deelde dezen zijn besluit mede en gelastte hun, zoodra de nood tot het uiterste geklommen was, het teeken tot het doorgraven van de dijken te geven, door op vier verschillende plaatsen vuren te ontsteken.
Pieter van der Meij keerde naar Alkmaar terug; het gelukte hem, zij het dan ook met groote moeite, door de Spaansche gelederen heen te sluipen, maar hij verloor den stok, waarin des prinsen brief zich bevond. Voor de belegerden beteekende dit verlies weinig of niets, daar de bode den inhoud kende en dezen den bevelhebbers kon mededelen; alleen vreesde men, dat de stok wellicht door de Spanjaarden zou worden gevonden. Dit geschiedde ook inderdaad: de stok en daarmee de brief van den prins werd in handen van don Frederik gesteld. Doch de uitwerking was eene geheel andere dan men verwacht had.
Frederik schrikte hevig bij het vernemen van den inhoud; indien het gerucht der dreigende overstrooming zich onder zijne buitendien reeds ontmoedigde en weerspannige troepen verbreidde, dan kon hij zeker zijn, dat zijne soldaten in aller ijl het kamp verlaten en zich verstrooien zouden. Hij sprak zijne denkbeelden hieromtrent in een krijgsraad uit en deze deelde zijn gevoelen; de officieren meenden, dat er genoeg gedaan was voor de eer der Spaansche wapenen, en dat niemand verlangen kon dat 16.000dappere soldaten weerloos opgeofferd zouden worden in een strijd niet tegen menschen, maar tegen den oceaan.
De krijgsraad besloot, het beleg op te breken en den 8enOctober 1573 verliet Frederik met zijn leger den omtrek van Alkmaar, zonder het geringste voordeel behaald te hebben.
De stad Alkmaar was de eerste stad in de Nederlanden, die een regelmatig beleg van de Spanjaarden afgeslagen had: zij verwierf zich daardoor onvergankelijken roem. „Van Alkmaar begint de victorie” zoo luidt het spreekwoord, waarin nog heden ten dage die gebeurtenis in de Nederlanden vereeuwigd wordt.
Onuitsprekelijk groot was de blijdschap der bevolking over deze redding. Een van Alkmaar’s dappere verdedigers deelt ons in zijne beschrijving van die gebeurtenissen ook twee volksliederen mee, welke in die dagen gezongen werden.
Een daarvan luidt:
»De stadt van Alckmaer behielt de croon,Zij gaven de Spangiaerts cranssen;Pijpen en trommelen ginghen daer schoon,Men speelde daer vreemde danssen,De Spangiaerts stonden daer vergaert,Zij dansten een nieuwe Spaensche galjaert,Maer zij vergaten te comen in de schanssen.”
»De stadt van Alckmaer behielt de croon,
Zij gaven de Spangiaerts cranssen;
Pijpen en trommelen ginghen daer schoon,
Men speelde daer vreemde danssen,
De Spangiaerts stonden daer vergaert,
Zij dansten een nieuwe Spaensche galjaert,
Maer zij vergaten te comen in de schanssen.”
Drie dagen na het opbreken van het beleg van Alkmaar smaakten de Nederlanders de vreugde eener nieuwe schitterende overwinning. Eene Spaansche vloot, 30 welbewapende schepen sterk, was onder bevel van den admiraal graaf Bossu de Zuiderzee binnengezeild, waar eene geuzenvloot van 25 kleinere vaartuigen, onder den admiraal Cornelis Dirkszoon, kruiste.
Na meer dan ééne schermutseling tastte de geuzenvloot den 11enOctober de Spanjaarden aan en hoewel de overmacht, zoowel ten aanzien van het getal als van de bewapening der schepen, aan de zijde der Spanjaarden was, behaalden de Nederlanders eene luisterrijke overwinning. Vijf Spaansche schepen werden genomen, de overigen sloegen op de vlucht. Alleen Bossu achtte het beneden zich, zijn heil lafhartig in de vlucht te zoeken. Op het grootste en best bewapende vaartuig, dat den noodlottigen naam „de Inquisitie” droeg, bood hij aan vier Hollandsche schepen het hoofd. Na een lang en moorddadig gevecht moest de graaf wel tot het aanknoopen van onderhandelingen besluiten. Hij verklaarde zich bereid om zich over te geven, mits men hem eene eervolle, aan zijn rang passende gevangenschap en uitwisseling van de krijgsgevangenen toestond.
De Hollanders beloofden dit en zij hielden hun woord, hoewel Bossu vroeger het zijne te Rotterdam schandelijk verbroken had. In weerwil van den haat, dien zij hem toedroegen, spaarden zij toch zijn leven.
Zij zagen zich voor die trouw aan hun gegeven woord heerlijk beloond: de graaf van Bossu diende hun lang als gijzelaar voor het behoud van een ander, zeer kostbaar leven. In een gevecht tegen de Spanjaarden was de meest vertrouwde vriend van den prins, een der uitstekendste mannen, waarop de Nederlanders roem konden dragen, Marnix van St. Aldegonde, gevangen genomen. Zonder die overwinning op de Zuiderzee zou zijn dood onvermijdelijk zijn geweest, doch thans liet Oranje Albaweten, dat Bossu juist zoo behandeld zou worden als Marnix van St. Aldegonde. Hierdoor waren den hertog de handen gebonden: hij kon Marnix niet ter dood laten brengen, ja hij moest, hoezeer dit hem ook tegen de borst stuitte, een befaamden ketter als een krijgsgevangene behandelen.
Terwijl Haarlem en Alkmaar belegerd werden, had de prins van Oranje zijne dagen niet in vadsige rust doorgebracht; al kwamen de vruchten van zijn rusteloozen arbeid ook niet in schitterende daden aan het licht, toch kunnen wij zijn invloed overal opmerken. Aan hem alleen was het te danken, dat de Hollanders niet in hun tegenstand verflauwden, door zijne kalme vastberadenheid boezemde hij hun onwrikbaren moed en vertrouwen op eene toekomstige zegepraal in. Zijn broeder Lodewijk diende hem tot onderhandelaar bij het Fransche hof; met de protestantsche vorsten van Duitschland stond hij zelf in betrekking.
Hij had thans openlijk de katholieke kerk verlaten; in October 1573 was hij te Dordrecht tot het Calvinisme overgegaan.
De vurige bewonderaars van den prins zijn van oordeel, dat deze geloofsverandering louter de vrucht der innige overtuiging van hun held is geweest. Doch wanneer wij ons herinneren, dat Oranje, hoewel nooit een dweepziek katholiek, vroeger toch ook nooit veel ingenomenheid met het Calvinisme aan den dag gelegd had, dat zijn ideaal, volkomen vrijheid van godsdienst en geweten, in de oogen der strenge Calvinisten al zeer weinig aantrekkelijks bezat en dat hij zich door hunne hardheid menigmaal voelde afgestooten, dan ligt de onderstelling voor de hand, dat de staatkunde ook haar deel aan dien stap des prinsen gehad heeft. Wij houden het er voor, dat de prins, zoo hij geheel vrij was geweest, veel liever Lutheraan dan Calvinist zou zijn geworden, maar dat hij begreep, in dit opzicht niet tegen den stroom te kunnen oproeien. Het is niet noodig, een mensch tot een heilige te maken, om zijne groote verdiensten te erkennen.
In denzelfden tijd werd eene nieuwe wending in het lot der Nederlanders voorbereid door het besluit van Philips II om den hertog van Alba een opvolger te geven. Alba zelf was reeds lang zijn ambt moede. Hij was ontevreden over zich zelven en lag met de geheele wereld overhoop. Na zoovele overwinningen bevond hij zich buiten staat om een enkele provincie te onderwerpen; hij wist wel, welk een vloek er op zijn naam rustte, hoezeer hij het voorwerp van den afschuw van alle Nederlanders was, zelfs van hen, die de medeplichtigen zijner schandelijke misdaden geweest waren; ook Viglius verborg zijn afkeer van hem niet. Onder zijne troepen heerschte op verre na niet meer de vroegere geest van orde en gehoorzaamheid en hij was niet bij machte om door geregelde uitbetaling van hunne soldij de tucht onder hen te herstellen. Zijne geldelijke verlegenheid was zóó groot, dat hij noch de schulden, die hij voor zijn persoon bij Amsterdamsche kooplieden gemaakt had, noch die, welke hij voor rekening van den staat had aangegaan, betalen kon.
Bovendien gevoelde hij maar al te goed, dat hij de gunst des konings had verloren. Zijne vijanden aan het hof trokken partij van zijne verlegenheid en hielden Philips II voor, dat Alba’s bewind de Nederlanden geheel van hem vervreemd had en dat die belangrijke gewesten daardoor wellicht geheel voor hem konden verloren gaan.
De altijd achterdochtige koning was maar al te zeer geneigd om aan zulke inblazingen geloof te slaan. Dankbaarheid kende hij niet; de diensten, welke Alba hem bewezen had, vergat hij maar al te spoedig.
Reeds voor lang had de hertog Philips verzocht, hem van den zwaren last der landvoogdij te ontheffen. Toenmaals had de koning schoorvoetend dat verzoek ingewilligd en den hertog van Medina Celi naar de Nederlanden gezonden.
Deze was op een zeer ongelukkig tijdstip in het land gekomen, juist toen de Watergeuzen door de inneming van den Briel eene schitterende zegepraal hadden behaald. Zijne vloot werd door de kleine Hollandsche vaartuigen aangevallen en deels genomen, deels verstrooid. Ook eene groote koopvaardijvloot viel bij die gelegenheid in handen der Watergeuzen en bracht hun een rijken buit aan; den hertog was het slechts ternauwernood gelukt, zich door de vlucht te redden. Hij was naar Brussel gereisd en had zich aan Alba voorgesteld; doch dewijl juist in die dagen het geheele land in opstand geraakte, gevoelde hij zich niet in staat om in zulk een tijdsgewricht den beroemden veldheer te vervangen en keerde weldra naar Spanje terug.
In zijne plaats benoemde Philips II don Luis de Zuñiga y Requesens, groot-commandeur van Castilië en vroeger stadhouder van Milaan, tot Alba’s opvolger.
Requesens kwam den 17enNovember 1573 te Brussel aan; den 18enDecember verliet Alba voor altijd de Nederlanden; hij keerde naar Spanje terug, waar hem eene alles behalve schitterende ontvangst ten deel viel. Philips II deed hem onverholen zijn misnoegen blijken; eerst toen hij weder des hertogs krijgskundige bekwaamheden in een veldtocht tegen Portugal noodig had, werd deze op nieuw gedurende een korten tijd door het licht der koninklijke gunst bestraald.
Na afloop van den veldtocht werd Alba door een heftige koorts aangetast, die hem zóó verzwakte, dat alle werkzaamheid hem verder onmogelijk was. Hij stierf den 12enDecember 1582.
Werpen wij een blik op des hertogs bewind over de Nederlanden, dan doet zich een afgrijselijk beeld van verwoesting aan ons oog voor, van hetwelk in de geschiedenis de wederga niet wordt aangetroffen. Tengevolge der vonnissen van den door Alba aangestelden bloedraad waren, gedurende de weinige jaren van zijn verblijf in de Nederlanden, niet minder dan 18.000 menschen door beulshanden omgebracht. Zoowel het aantal dergenen, die in den oorlog, na de inneming van versterkte steden of na het in brandsteken van weerlooze dorpen, vaak onder de afgrijselijkste martelingen gedood waren, als dat der mannen, vrouwen en kinderen, die als slachtoffers van den bloeddorst der Spaansche soldaten gevallen waren, valt niet onder cijfers te brengen. Maar uit het bloed dier tallooze slachtoffers is—dat willen wij niet vergeten—de bloem der vrijheid ontsproten. Een beul als Alba was er noodig om uit het hart van het Nederlandsche volk de liefde en trouw voor een onwaardig, met eeden en beloften spelend koning uit te roeien en het eindelijk zoover te brengen, dat het de slavenkluisters, waaronder het zuchtte, moedig verbrak. Twee volksliederen, welke in dien tijd ontstonden en de gevoelens der Nederlanders jegens Alba en de Spanjaarden getrouw afspiegelen, mogen het slot van dit hoogst belangrijk deel der Nederlandsche geschiedenis vormen:
»Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Slaet op den tromele, van dirre dom does:Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Vive le geus! is nu de loes.De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie,De Spaensche Inquisitie, als draecxbloet fel;De Spaensche Inquisitie ghevoelt punitie,De Spaensche Inquisitie ontvaelt haer spel.Vive le geus! wilt christlyk leven,Vive le geus! houdt fraeye moet:Vive le geus! Godt behoed voor sneven,Vive le geus! edel christen bloedt.’t Swaert is getrokken, certeyn Godts wraec naect,’t Swaert is getrokken, daer Joannes u schrijft,’t Swaert is getrokken, dat Apocalypsis maect naect,’t Swaert is getrokken, ghy werd nu ontlyft.’t Onschuldig bloet, dat ghy heft vergoten,’t Onschuldig bloet roept over u wraeck;’t Onschuldig bloet te storten heeft u niet verdroten,’t Onschuldig bloet dat dronckt ghy met den draeck.U vleisschen arm, daer ghy op betroude,U vleisschen arm beswyckt u nu;U vleisschen arm, die u huis boude,U vleisschen arm wijckt schoon van u.”1
»Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Slaet op den tromele, van dirre dom does:Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;Vive le geus! is nu de loes.
»Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;
Slaet op den tromele, van dirre dom does:
Slaet op den tromele, van dirre dom deyne;
Vive le geus! is nu de loes.
De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie,De Spaensche Inquisitie, als draecxbloet fel;De Spaensche Inquisitie ghevoelt punitie,De Spaensche Inquisitie ontvaelt haer spel.
De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie,
De Spaensche Inquisitie, als draecxbloet fel;
De Spaensche Inquisitie ghevoelt punitie,
De Spaensche Inquisitie ontvaelt haer spel.
Vive le geus! wilt christlyk leven,Vive le geus! houdt fraeye moet:Vive le geus! Godt behoed voor sneven,Vive le geus! edel christen bloedt.
Vive le geus! wilt christlyk leven,
Vive le geus! houdt fraeye moet:
Vive le geus! Godt behoed voor sneven,
Vive le geus! edel christen bloedt.
’t Swaert is getrokken, certeyn Godts wraec naect,’t Swaert is getrokken, daer Joannes u schrijft,’t Swaert is getrokken, dat Apocalypsis maect naect,’t Swaert is getrokken, ghy werd nu ontlyft.
’t Swaert is getrokken, certeyn Godts wraec naect,
’t Swaert is getrokken, daer Joannes u schrijft,
’t Swaert is getrokken, dat Apocalypsis maect naect,
’t Swaert is getrokken, ghy werd nu ontlyft.
’t Onschuldig bloet, dat ghy heft vergoten,’t Onschuldig bloet roept over u wraeck;’t Onschuldig bloet te storten heeft u niet verdroten,’t Onschuldig bloet dat dronckt ghy met den draeck.
’t Onschuldig bloet, dat ghy heft vergoten,
’t Onschuldig bloet roept over u wraeck;
’t Onschuldig bloet te storten heeft u niet verdroten,
’t Onschuldig bloet dat dronckt ghy met den draeck.
U vleisschen arm, daer ghy op betroude,U vleisschen arm beswyckt u nu;U vleisschen arm, die u huis boude,U vleisschen arm wijckt schoon van u.”1
U vleisschen arm, daer ghy op betroude,
U vleisschen arm beswyckt u nu;
U vleisschen arm, die u huis boude,
U vleisschen arm wijckt schoon van u.”1
Gentsch Vaderonze.Helsche duvel, die tot Brussel syt,Uwen naem ende faem sij vermaledijt,U rijck vergae zonder respijt,Want heeft geduyrt te langen tijd.Uwen willen sal niet gewerden,Noch in hemel noch op erden.Ghij beneempt ons huyden ons dagelicx broot,Wijff ende kynderen hebben ’t groote noot:Ghij en vergeeft niemant syn schuld,Want ghy met haet ende nijt sijt vervult:Ghy en laet niemant ongetempteert,Alle dese landen ghij perturbeert.O hemelschen Vader, die in den hemel sijt,Maeckt uns dezen duvel quijt,Met synen bloedigen, valschen raet,Daer hy meede handet alle quaet,En syn Spaens crychsvolk altegaer,’t Welck leeft of sy des duvels waer.Amen.2
Helsche duvel, die tot Brussel syt,Uwen naem ende faem sij vermaledijt,U rijck vergae zonder respijt,Want heeft geduyrt te langen tijd.Uwen willen sal niet gewerden,Noch in hemel noch op erden.Ghij beneempt ons huyden ons dagelicx broot,Wijff ende kynderen hebben ’t groote noot:Ghij en vergeeft niemant syn schuld,Want ghy met haet ende nijt sijt vervult:Ghy en laet niemant ongetempteert,Alle dese landen ghij perturbeert.O hemelschen Vader, die in den hemel sijt,Maeckt uns dezen duvel quijt,Met synen bloedigen, valschen raet,Daer hy meede handet alle quaet,En syn Spaens crychsvolk altegaer,’t Welck leeft of sy des duvels waer.Amen.2
Helsche duvel, die tot Brussel syt,
Uwen naem ende faem sij vermaledijt,
U rijck vergae zonder respijt,
Want heeft geduyrt te langen tijd.
Uwen willen sal niet gewerden,
Noch in hemel noch op erden.
Ghij beneempt ons huyden ons dagelicx broot,
Wijff ende kynderen hebben ’t groote noot:
Ghij en vergeeft niemant syn schuld,
Want ghy met haet ende nijt sijt vervult:
Ghy en laet niemant ongetempteert,
Alle dese landen ghij perturbeert.
O hemelschen Vader, die in den hemel sijt,
Maeckt uns dezen duvel quijt,
Met synen bloedigen, valschen raet,
Daer hy meede handet alle quaet,
En syn Spaens crychsvolk altegaer,
’t Welck leeft of sy des duvels waer.
Amen.2
1Ernst Münch,NiederländischesMuseum, 125, 126.2Van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen, I, 393.
1Ernst Münch,NiederländischesMuseum, 125, 126.
2Van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen, I, 393.
Tiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Don Louis de Zuñiga y Requesens. Zijn verleden. Toestand der Nederlanden na Alba’s bewind. Vruchtelooze pogingen om den vrede te herstellen. Eerste beleg van Leiden. Macht der Watergeuzen. Herleving der Boschgeuzen. Belegering van Middelburg. Mondragon’s dappere verdediging. Nederlaag ter zee van Juliaan Romero. Overgave van Middelburg aan den prins. Wervingen van Lodewijk van Nassau. Slag op de Mookerheide. Dood van Lodewijk van Nassau. Muiterij der Spaansche huurtroepen. Tweede beleg van Leiden. De amnestie. Van der Does, van der Werff en van Hout, de dappere verdedigers van Leiden. Ziekte van Oranje. Hongersnood binnen Leiden. Doorsteking van de dijken. Groote overstrooming. De vloot in het binnenste des lands. Leiden’s ontzet. Dank des vaderlands. Stichting van Leiden’s Hoogeschool.Don Louis de Zuñiga y Requesens, de opvolger van Alba, werd door een groot deel der Nederlanders met hooggespannen verwachtingen begroet. Hij ging door voor een uitstekend veldheer en een bekwaam staatsman, men verhaalde van hem, dat hij even doorzettend was, zoo het noodig bleek, als gematigd en zachtmoedig, wanneer de omstandigheden het toelieten. De Nederlanders waren des te meer geneigd om de goede eigenschappen van een man, van wien Alba niet in de beste verstandhouding gescheiden was, breed uit te meten, naarmate hun afschuw van den hertog grooter was.Inderdaad bewezen zij den nieuwen stadhouder met die gunstige verwachtingen ten zijnen aanzien al te veel eer. Requesens had in den slag bij Lepanto bewezen een voortreflijk soldaat te zijn, doch hij was slechts een zeer middelmatig veldheer en een nog minder dan middelmatig staatsman, die volstrekt niet geschikt was voor de zware taak om den vrede in de Nederlanden te herstellen.Reeds als stadhouder van Milaan had hij blijken gegeven van weinig bekwaamheid en zich alles behalve bemind gemaakt, zijne zachtmoedigheid en gematigdheid waren aan rechtmatigen twijfel onderworpen. Al was hij niet zoo bloeddorstig en wreed als Alba, toch had hij zich in den strijd tegen de Mooren van Granada een dweepzuchtig en vervolgziek katholiek betoond en meer dan eens gehandeld volgens het trouwloos beginsel: „Eenen ongeloovige behoeft men zijn woord niet te houden.”Slechts in zoover rustten de blijde verwachtingen der Nederlanders op een goeden grond als Requesens onmogelijk het stelsel van kettervervolging, dat Alba met zulk eene voor niets terugdeinzende wreedheid in toepassing gebracht had, verder voortzetten kon; het was voor deSpaansche belangen zoo schadelijk gebleken, dat zelfs Philips II in de instructie, welke hij den nieuwen landvoogd gaf, dezen machtigde om eene algemeene amnestie af te kondigen voor alle Nederlanders, die tot de gehoorzaamheid en tot hunnen plicht wilden terugkeeren.Indien het Philips II ernst was geweest met den wensch om met zijne oproerige onderdanen vrede te sluiten, dan zou dit hem niet moeilijk gevallen zijn. Hij behoefde daartoe slechts den bij zijne kroning afgelegden eed trouw na te komen, de door hem bezworen wetten nauwgezet te handhaven en de vrijheden der provinciën op nieuw te bekrachtigen, dan zou de oorlog van zelf ophouden, want alle Nederlanders, zelfs de Hollanders en Zeeuwen, die zoo krachtig de wapens tegen den koning voerden, smachtten naar den vrede.In den staatsraad, waarin thans de hertog van Aerschot en Viglius den meesten invloed hadden, werd den nieuwen stadhouder de ernstige raad gegeven om jegens de opstandelingen in een verzoenenden geest te werk te gaan, eene onbepaalde amnestie af te kondigen, waarin in de eerste plaats ook de prins van Oranje begrepen was, en de oude vrijheden des lands te herstellen. In denzelfden geest spraken ook Barlaimont en Noircarmes, zelfs de woeste Juliaan Romero was den strijd moede en wenschte naar vrede.Het valt nauwelijks te betwijfelen, dat ook de nog onder de wapenen staande Hollanders en Zeeuwen de hand der verzoening met blijdschap zouden hebben aangenomen, indien hun slechts vrijheid van godsdienstoefening was toegestaan. Zelfs Aldegonde schreef uit zijne gevangenis brieven aan zijne vrienden, waarin hij als zijn gevoelen uitsprak, dat eene verzoening met den koning mogelijk en wenschelijk was. Alleen Oranje toonde, dat hij den koning en zijne plannen beter doorzag dan zijn vriend Aldegonde; hij verklaarde, dat een vrede dan alleen mogelijk was, wanneer de Spaansche troepen uit de Nederlanden teruggetrokken werden, wanneer de provinciën hunne bezworene vrijheden terug ontvingen en wanneer hun volle vrijheid van godsdienst werd verleend.Het inwilligen van zulke eischen was Requesens volgens de hem gegeven koninklijke instructie onmogelijk, zelfs al was hij er toe geneigd geweest; hij moest den oorlog voortzetten, hoe ongunstig de omstandigheden daarvoor ook waren.Hij trof, nadat de hertog van Alba het land verlaten had, zoowel het bestuur als de geldmiddelen in een toestand van wanhopige wanorde aan. De ongehoorde oorlogskosten hadden alle klinkende munt verslonden en bovendien de kroon met schuld bezwaard. Een leger, hetwelk thans 62000 man telde, dat slechts uit 8000 Spanjaarden en voor het overige uit Walsche en Duitsche huurtroepen bestond, vereischte voor zijne bezoldiging en zijn onderhoud dagelijks aanzienlijke sommen, die niet uit de Nederlanden getrokken konden worden.Reeds sinds geruimen tijd was de soldij niet regelmatig uitbetaald en ten gevolge hiervan kon men zich op de troepen volstrekt niet meer verlaten. In Holland en Zeeland heerschte nog een toestand van openlijk oproer, dat zelfs de beproefde veldheer Alba niet had kunnen onderdrukken. De prinsgezinden belegerden Middelburg, de eenige stad welke de koning op het eiland Walcheren nog de zijne noemen kon. Het ontzet van Alkmaar had hen met nieuwen moed bezield; dit toonden de burgers van Leiden, die de opeisching van hunne stad door de Spanjaarden met eene verachtelijke weigeringbeantwoordden, hoewel een sterk Spaansch leger onder de muren der stad verscheen, om met het beleg een aanvang te maken.Wel hadden de Spanjaarden in den strijd te land meestal de overwinning behaald, wel was hunne stelling tegenover de prinsgezinden zeer voordeelig, dewijl zij, door het bezetten van Haarlem, Holland als het ware splitsten in twee deelen, tusschen welke eene vereeniging van troepen te land niet of althans zeer moeilijk tot stand gebracht kon worden, doch aan den anderen kant hadden de Watergeuzen aan kracht gewonnen, hunne vloot bevond zich in een voortreflijken toestand, zij overtrof zelfs de Spaansche, zoo al niet wat de grootte en de uitrusting der schepen aanging, dan toch ten aanzien van den moed en de gehardheid der bemanning.Ook was het een voordeel voor de prinsgezinden, dat in de meest verschillende streken der provinciën, die nog aan de Spaansche heerschappij onderworpen waren, de Wilde of Boschgeuzen het hoofd weder opstaken, en den Spanjaarden de handen vol werks gaven. Al konden zij in het open veld ook geene voordeelen behalen, toch moesten, om hen in toom te honden, troepen tegen hen afgezonden worden en hierdoor was de Spaansche regeering niet bij machte om al hare kracht tegen het eigenlijke brandpunt van den opstand, Holland en Zeeland, aan te wenden.De zaken stonden dus tamelijk treurig voor Requesens, toen hij het bewind aanvaardde en weldra zouden zij een nog noodlottiger keer nemen.Middelburg werd door de aanhangers van Oranje nauw ingesloten. De Spaansche bezetting onder den dapperen bevelhebber Mondragon verdedigde zich wel wakker, doch begon reeds gebrek aan levensmiddelen te gevoelen en het was dus te voorzien, dat ook de laatste vaste plaats op het eiland Walcheren voor den koning verloren zou gaan en de bezetting door den honger tot de capitulatie genoodzaakt worden zou, wanneer niet ten spoedigste ontzet werd aangebracht.Requesens bracht met dit doel eene vloot van 75 zeilen onder bevel van Juliaan Romero en den heer van Glimes te Bergen-op-Zoom en eene tweede van 36 zeilen onder don Sancho d’ Avila te Antwerpen bijeen. Beide vloten moesten vereenigd aan Middelburg de vurig verbeide hulp aanbrengen.De onderneming mislukte. Eer nog de beide vloten zich vereenigen konden, tastte de geuzenadmiraal Lodewijk van Boisot, met 64 schepen den 29enJanuari 1574 Juliaan Romero aan. Na een bloedigen strijd, waarin geen kwartier verleend werd, sloeg de koninklijke vloot, die 15 schepen en 1200 man verloren had, op de vlucht. Middelburg moest aan zijn lot worden overgelaten.De prins van Oranje liet Mondragon van de verijdeling zijner hoop op ontzet onderrichten en eischte van hem onvoorwaardelijke overgave, doch Mondragon antwoordde, dat hij de stad liever op 20 plaatsen te gelijk in brand wilde steken en de bezetting met de geheele burgerij in de vlammen doen omkomen, dan tot zulk eene vernederende overgave te besluiten.Mondragon stond om zijne dapperheid en zijn hoog gevoel van eer zoo hoog aangeschreven, dat de prins van Oranje niet twijfelde, of de fiere Spanjaard zou zijn woord gestand doen. Ten einde onnoodig bloedvergieten te vermijden, stond hij hem eene eervolle capitulatie toe. Der geheele bezetting werd met wapenen en geschut vrije aftocht naarVlaanderen toegestaan, en bovendien werd haar vergund de katholieke priesters mede te nemen; daarentegen beloofde Mondragon de in vrijheidstelling van Aldegonde te zullen bewerken; slaagde hij hierin niet binnen twee maanden, dan zou hij zich vrijwillig als krijgsgevangene in ’s prinsen handen stellen.Op deze voorwaarden werd Middelburg den 21enFebruari 1574 overgegeven en thans bevond de gansche zeekust zich in de macht van Oranje, die hierdoor in staat was om de vloot der geuzen nog meer uit te breiden en beter uit te rusten.Niet zóó gelukkig ging het binnen in het land. Hier waren de in aller ijl te zamen geraapte, nog niet aan tucht gewende en ongeoefende Hollandsche krijgers niet in staat om den in den oorlog vergrijsden Spaanschen veteranen het hoofd te bieden. Den Hollanders alleen was het niet mogelijk, de Spanjaarden tot het opbreken van het beleg van Leiden te noodzaken, doch de prins hoopte op buitenlandsche hulp.Lodewijk van Nassau had intusschen onafgebroken met Frankrijk onderhandeld en wel geen groote voordeelen verkregen, maar zeer schitterende beloften van de hertogen van Anjou en Alençon ontvangen. De werkelijke vruchten zijner bemoeiingen bestonden in eene som van f 175.000 en in een klein hulpleger van 2000 man, altijd genoeg voor den onvermoeiden voorvechter der vrijheid om weer een begin te maken met de aanwerving van een leger. Weldra bracht hij 6000 man voetvolk en 1000 ruiters bijeen; hij werd daarbij ondersteund door zijne beide broeders Johan en Hendrik en door den keurprins Christoffel van de Paltz. In Februari 1574 trok hij met zijne krijgsmacht over den Rijn en legerde zich te Gulpen, tusschen Maastricht en Aken.Requesens mocht geen oogenblik talmen om de plannen van graaf Lodewijk te verijdelen. Gelukte het dezen, zich naar Holland door te slaan en zich met zijn broeder, den prins van Oranje, te vereenigen, dan zou de opstand eene onwederstaanbare kracht verkrijgen. In aller ijl liet de stadhouder, in weerwil van zijn geldgebrek, in Duitschland 8000 man aanwerven, buitendien brak hij het beleg van Leiden op, om ook die belegeringstroepen voor den strijd tegen Lodewijk beschikbaar te hebben.Den 14enApril 1574 had op de Mookerheide, op de grenzen van Gelderland en het Cleefsche, de beslissende slag plaats, die de hoop, welke de Hollanders op de hulp van Lodewijk van Nassau gebouwd hadden, met éénen slag vernietigde. De Spanjaarden behaalden zulk eene volledige zegepraal, dat van Lodewijk’s leger ter nauwernood een spoor overbleef. Meer dan 4000 man sneuvelden deels in den strijd, deels op de vlucht. De overigen verstrooiden zich in alle richtingen. Lodewijk van Nassau, zelf, zijn broeder Hendrik en de keurprins Christoffel van de Paltz kwamen in het slaggewoel om; nooit heeft men weder iets van hen gehoord. Men weet niet, hoe zij gestorven zijn, zelfs hunne verminkte lijken heeft men niet gevonden.De gevolgen van den slag op de Mookerheide zouden zeker voor de Hollanders nog noodlottiger zijn geweest, dan nu het geval was, indien niet een soldatenoproer de Spanjaarden verhinderd had van hunne overwinning terstond krachtig partij te trekken.Reeds daags na den slag vorderden de Spaansche soldaten onstuimig hunne achterstallige soldij en toen die hun niet uitbetaald werd, barstte onder hen een openbare opstand uit.Muiterij en opstand tengevolge van wanbetaling der soldij waren zoowel bij de Spaansche als bij de Duitsche huurtroepen in dien tijd gewone zaken. De Duitschers kwamen meestal in opstand vóór, de Spanjaarden, na den slag, wanneer zij trotsch waren op eene behaalde overwinning; zij verjoegen in zulk een geval hunne officieren, verkozen een hunner tot Dictator, Eletto of Electo genaamd, en zochten zich zoo spoedig mogelijk van de naastbijgelegene stad meester te maken. Hier leidden zij dan op kosten der burgers een weelderig leven, totdat òf hunne muiterij door kracht van wapenen onderdrukt werd, òf zij, nadat hun de achterstallige soldij en volledige amnestie beloofd was, zich vrijwillig onderwierpen.De rijke stad Antwerpen was het, welke ditmaal door de muitende huurtroepen tot legerplaats uitgekozen werd; zij bereikten Antwerpen den 20enApril en kwartierden zich bij de burgers in.Requesens snelde naar Antwerpen; geheel alleen verscheen hij voor de muiters, die hij dringend smeekte, tot hun plicht terug te keeren, doch hij ontving het onbeschaamde antwoord: „Wij verlangen klinkende munt, geene woorden.” Zijne beloften werden met spot beantwoord. Beschimpt door de soldaten moest hij zich terugtrekken.Hij had geen geld; ook tot het stedelijk bestuur wendde hij zich te vergeefs met de bede, hem 400.000 gouden kronen te leenen; de rijke burgers haalden de schouders op en beweerden, dat zij buiten staat waren om den stadhouder van dienst te zijn. Doch weldra werden zij genezen van hunne vrees om van hun lieve geld te scheiden. Requesens hield hun voor, dat het onderhoud der soldaten, die ten koste der burgerij slempten en smulden, binnen korten tijd meer kosten zou dan hetgeen hij van hen verlangde, zij boden daarom den eletto soldij voor 10 maanden aan.De eletto was daarmede tevreden, maar de soldaten niet; deze wilden zich niet onderwerpen voordat de achterstallige soldij tot de laatste cent betaald en eene volledige amnestie hun toegezegd was. Zij zetten den eletto af en verkozen een ander, die hunne eischen krachtiger doorzette, en ook werkelijk zijn doel bereikte, daar de burgers eindelijk besloten, den stadhouder de gevraagde som te leenen. Het gelukkig einde van den soldatenopstand werd met een groot feestmaal gevierd; nog was dit niet afgeloopen, toen op eens het geroffel der trommen zich hooren liet, om de feestgenooten onder de wapenen te roepen. Zij ontvingen in last terstond naar den Scheldedijk te trekken; zij gehoorzaamden en snelden van het feestmaal met de grootste bereidwilligheid ten strijde.Lodewijk van Boisot, de geuzenadmiraal, had de Antwerpsche vloot aangetast en na een korten, hevigen strijd 14 van hare schepen met de bemanning deels verbrand, deels doen zinken. Na deze snelle zegepraal trok hij terug, zonder dat een hevig musketvuur, hetwelk van de dijken op zijne vaartuigen geopend werd en dat hij met kanonschoten beantwoordde, hem noemenswaardige schade toebracht.De eerste belegering van Leiden had geduurd van den 31enOctober 1573 tot den 21enMaart 1574, op welken dag de belegeringstroepen naar de grenzen waren geroepen, om die tegen Lodewijk van Nassau te beschermen. Groot was deblijdschapder Leidsche burgers, toen zij de Spanjaarden zagen aftrekken. Zij waanden zich, in hunne vaste hoop op Lodewijk’s zegepraal, voor altijd van die lastige gasten bevrijd. In hunne zorgeloosheid deden zij niets, om zich op een nieuw beleg te wapenen. In strijd met Oranje’s raad werd het garnizoen niet versterkt en evenmineen voldoende voorraad van levensmiddelen binnen de veste gebracht.Hunne vreugde was niet van langen duur. Reeds den 26enMei verscheen de Spaansche veldheer Valdez weer met een leger voor de poorten van Leiden; na enkele dagen had hij de stad reeds zoo nauw ingesloten, dat de burgers slechts door middel van postduiven briefwisseling konden houden.Leiden was goed versterkt; eene bestorming zou aanzienlijke offers gekost hebben en bood buitendien weinig uitzicht op een goeden uitslag aan. Valdez besloot derhalve, de stad door den honger tot de overgave te nopen, want hij wist dat de daar aanwezige voorraad van levensmiddelen niet lang de talrijke bevolking zou kunnen voeden. Haast had hij niet, nergens dreigde hem eenig gevaar, sinds Lodewijk van Nassau verslagen en gedood was. Hij bevestigde daarom zijne buitendien reeds sterke legerplaats nog meer en droeg zorg dat noch toevoer van levensmiddelen noch versterking van krijgsvolk in de stad kon gebracht worden. Bovendien matte hij door herhaalde schijnaanvallen de zwakke bezetting onophoudelijk af.Den 6enJuni vaardigde Requesens de lang voorbereide algemeene amnestie uit, waardoor hij de Nederlanders tot verzoening hoopte te stemmen. In dit stuk wekte de koning zijne verdoolde, maar boetvaardige onderdanen op, om zich in zijne wijdgeopende vaderarmen te werpen; hij beloofde aan allen, met uitzondering van enkele, met name aangewezen personen, volle vergiffenis, slechts ééne kleine voorwaarde stelde hij,namelijk, dat zij in den schoot der heilige moederkerk zouden terugkeeren. Tegelijk met hetamnestiebesluitverscheen eene bul van paus Gregorius XIII, gedagteekend van den 30enApril; zij beloofde allen berouwvollen Nederlandschen ketters volle vergiffenis, ook al hadden zij zeven maal zeven maal gezondigd.Noch de koning, noch de paus hadden veel voorspoed met de aangebodene vergiffenis. Niemand liet zich door zulke bedriegelijke woorden meer vangen. „Liever sterven dan naar de mis gaan!” riepen de Hollanders, en deze kreet werd schier eenstemmig aangeheven, want in dien tijd was het aantal hervormden in Holland sterk aangegroeid.Het amnestiebesluit werd door Valdez naar Leiden gezonden, doch ook hier miste het alle uitwerking. De burgers verklaarden, dat zij besloten hadden in hun geloof te sterven en de stad tot den laatsten druppel bloeds te verdedigen.Aan het hoofd der verdediging stonden drie mannen, die zich door hunne onwrikbare standvastigheid en hun heldenmoed onsterfelijke verdiensten omtrent de vrijheid der Nederlanden verworven hebben: van der Does, van der Werf en van Hout.Jan van der Does, heer van Noordwijk, voerde het opperbevel over de bezetting; hij stamde uit een aanzienlijk geslacht af. Hij heeft zich door zijne dappere verdediging van Leiden even beroemd gemaakt als door zijn vreedzamen arbeid als dichter en geschiedschrijver.Pieter Adriaanszoon van der Werf was de burgemeester der stad. Als een vurig aanhanger van Willem van Oranje had hij reeds vroeger meermalen zijn leven gewaagd, om door het overbrengen van nauwkeurige berichten omtrent den toestand des lands en door het inzamelen van gelden des prinsen pogingen te ondersteunen. Zijne standvastigheid bezielde de Leidsche burgerij met vurige geestdrift, zijne opwekkingen tot een onverzettelijkentegenstand tegen de Spanjaarden droegen de beste vruchten. Hij werd trouw ter zijde gestaan door zijn vriend, den stadsschrijver van Hout.De verdedigers van Leiden sloegen alle aanvallen der Spanjaarden moedig af. Voor eene bestorming waren ze niet beducht, maar weldra verrees een ander spooksel dreigend voor hunne blikken: de hongersnood! De stad was slecht van levensmiddelen voorzien; reeds tegen het einde van Juni was het noodig, den burgers al hunne levensmiddelen af te eischen en ze in den vorm van ratioenen onder de inwoners te verdeelen: elk volwassene ontving een half pond vleesch en een half pond brood per dag.Ten einde de verdedigers in eene goede luim te houden en hen voor ontzenuwenden lediggang vrij te waren, liet van der Does bijna dagelijks uitvallen doen. Bloedige schermutselingen vielen er onder de muren der stad voor. Menig Spanjaard, maar ook menig Hollander liet daarbij het leven; doch al deze gevechten hadden geen ander gevolg dan dat zij den moed der belegeraars sterkten: aan het talrijke Spaansche leger brachten zij geene noemenswaardige schade toe.De eenige hoop der burgers van Leiden was gebouwd op ontzet door den prins van Oranje. Deze bezat wel eene goed uitgeruste vloot met eene dappere en geoefende bemanning, maar, helaas! geen leger. Hoe zou hij zijne vloot onder de muren eener in het hart des lands gelegene stad voeren?Slechts één middel bestond er, een hoogstgevaarlijk, ja wanhopig middel! Wanneer de sluizen van Rotterdam, Schiedam en Delfshaven werden geopend en de groote dijk langs den Maasmond doorgestoken werd, dan zou men wellicht het geheele land in ééne groote zee kunnen herscheppen en de golven van den oceaan te hulp roepen, om de vloot in het hart des lands naar Leiden te voeren. Wellicht kon dit plan gelukken; doch alleen, wanneer een hevige en gunstige wind de onderneming bevorderde, want de vruchtbare Rijnvlakte, waarin Leiden gelegen is, ligt boven het waterpas van de landen langs de Maas en alleen een buitengewoon hooge vloed kon derhalve eene ontzet aanbrengende vloot tot onder de wallen der bedreigde stad voeren.Was de uitslag eener algemeene overstrooming ten aanzien van Leiden’s lot onzeker, de onnoemlijke schade daarentegen, welke zij het buitendien door den oorlog reeds zoo zwaar geteisterde land berokkenen zou, was maar al te gewis. De geheele oogst werd in die streken aan vernieling prijs gegeven, een deel der akkers voor langen tijd onvruchtbaar gemaakt, ja de vruchten van jarenlangen arbeid werden door de inbraak van den oceaan in het vruchtbare land vernietigd.Toch stond het besluit van den prins tot dezen vreeselijken stap onwrikbaar vast; doch hij mocht daartoe niet overgaan zonder de toestemming der Staten. Hun legde hij zijn plan voor en met geestdrift werd het door de vertegenwoordigers des volks begroet. „Liever een overstroomd dan een verloren land!” riepen zij, en zonder aarzelen gaven zij hunne vruchtbare landouwen aan vernieling prijs.Eere dien mannen, wien geen offer te zwaar was, waar het de dierbare vrijheid gold!Willem van Oranje begon terstond met de uitvoering van het besluit; toch duurde het nog vele weken, eer de dijken doorgestoken en alle maatregelen om de vloot naar Leiden te voeren, genomen waren. Tot overmaatvan ramp werd de prins bovendien zóó ernstig ziek, dat men aan zijne herstelling wanhoopte; hij kon over het werk niet meer in persoon het oog laten gaan en dit ging ten gevolge daarvan ook niet vooruit met dien spoed, welken de nood der stad Leiden eischte.Reeds waarde de honger door Leiden’s straten rond. In weerwil hiervan wezen de dappere burgers den 30enJuli de opeisching van den Spaanschen bevelhebber Valdez met minachting af, hoewel hun op nieuw volledige amnestie werd aangeboden.Steeds treuriger werd hun toestand, steeds hooger klom hun nood. Den 12enAugustus ontvingen zij een brief van den prins van Oranje, die hun dringend smeekte, nog een korten tijd vol te houden. Den 21enAugustus berichtte hij hun, dat de dijken waren doorgestoken en dat de Watergeuzen weldra tot hun ontzet zouden opdagen. Van zijne ziekte zeide de prins niets, om hun moed niet ter neer te slaan.Een oorverdoovend vreugdegejuich was het antwoord der burgerij, toen de brief op de markt voorgelezen werd; de uitgehongerde burgers gaven zich geheel aan hunne blijdschap over, de burgemeester van der Werf liet door de stedelijke muziek de vroolijkste deuntjes spelen, wier klank de belegeraars met de grootste verbazing vervulde, want nog wisten deze niets van het doorsteken der dijken. Spoedig echter bemerkten zij, dat het water wies, doch zij stelden zich daarover weer gerust, dewijl eenige Spaanschgezinde inwoners hun verzekerden, dat zij geen gevaar te duchten hadden, maar het een belachelijk pogen was, de hooggelegene Rijnvlakte onder water te willen zetten.En zoo scheen het inderdaad! Hoewel de buitenste gedeelten van het land tot aan de Landscheiding—een sterken dijk, op 5 mijlen afstand van de stad—onder water stonden, hoewel de dappere admiraal Boisot met zijne Zeeuwsche Watergeuzen Leiden tot op eenige mijlen af stands naderen kon, werkte dat alles toch niets uit. De Spanjaarden lachten om de dwaze onderneming en meenden, dat de geuzen er niet aan denken konden, Leiden te ontzetten, eer de Maas stroomopwaarts vloeien ging. Zij achtten hunne veiligheid zoo weinig bedreigd, dat zij noch de landscheiding, noch de overige dijken, die tusschen haar en Leiden lagen, met eene ter verdediging geschikte krijgsbende bezetten.De Zeeuwsche geuzen, waarover Boisot het bevel voerde, waren allen oude geharde zeelieden, die met een doodelijken haat tegen de Spanjaarden bezield, gezworen hadden geen kwartier te verleenen of aan te nemen en zich door geene hinderpalen, hoe ook genaamd, van het ontzetten van Leiden te laten afschrikken. Zij streden met denzelfden moed te land als te water. Toen Boisot hun in den nacht van den 10enop den 11enSeptember beval, den dijk te nemen en zich daarop te verschansen, geschiedde dit ook. De zwakke Spaansche bezetting werd overrompeld en neergehouwen. Toen de Spanjaarden den volgenden dag te laat berouw gevoelden over hunne zorgeloosheid en met eene sterker krijgsmacht den dijk poogden te hernemen, werden zij na een bloedigen strijd, waarin zij een aantal dooden op het veld achterlieten, afgeslagen. Gevangenen werden er dien dag niet gemaakt, zelfs de gewonde vijanden werden door de geuzen koelbloedig vermoord. Een Zeeuw rukte een nog ademenden Spanjaard het hart uit het lijf; hij beet er in, en wierp het daarna eenen hond voor met den verachtelijken uitroep: „Het is te bitter!” De Landscheiding werd op meer dan ééne plaats doorgestoken, zoodat de vloot door de gemaakte openingen heenzeilenkon. Toch had men nog weinig gewonnen, want de Groene weg, een tweede groote dijk, stak met zijn kruin nog meer dan een voet boven het water uit. Gelukkig hadden de Spanjaarden hem niet bezet. Hij werd genomen en doorgestoken en de vloot zeilde ook door deze opening heen.Telkens deden zich nieuwe zwarigheden voor. Om verder voorwaarts te dringen, had de vloot eene brug moeten passeeren, die zóó sterk door de Spanjaarden bezet was, dat het onmogelijk scheen, haar te nemen. Zelfs de dappere Boisot verloor bijna den moed, hij wist immers, dat de stad aan den uitersten nood was prijs gegeven, dat zij zich niet langer dan enkele dagen verdedigen kon, en toch was hij niet in staat om haar hulp te verleenen, hoe dicht hij zich ook in hare nabijheid bevond.Binnen Leiden was intusschen de nood tot het uiterste gestegen. Alle levensmiddelen waren verteerd, het vleesch van honden, katten, ratten en muizen werd als eene lekkernij beschouwd. Gras, boombladeren en huiden van dieren werden als voedsel genuttigd. Reeds waren 6000 menschen zoo van honger als ten gevolge van eene door den hongersnood veroorzaakte pest gestorven; in weerwil hiervan weigerden de dappere burgers andermaal, zich aan de Spanjaarden over te geven. Op korten afstand aanschouwden zij de bevriende vloot, die hun de vurig verbeide levensmiddelen moest aanbrengen, en de hoop gaf hun nieuwen moed.Doch dat uitzicht op verlossing werd door een ongunstigen wind op nieuw tot eene onbepaalde toekomst verschoven. Nu verloren ook de stoutmoedigsten den moed. Zij hadden schier het bovenmenschelijke gedaan, doch thans scheen de natuur met den vijand in verbond getreden. Een muitende hoop verdrong zich rondom den burgemeester van der Werf en eischte van hem, onder het uiten van allerlei bedreigingen, door overgave van de stad aan al die ellende een eind te maken.Van der Werf stond alleen onder de verbitterde menigte, doch hij bood haar moedig het hoofd. Zijne krachtige stem klonk door het woeste getier heen, toen hij de volgende, eeuwig gedenkwaardige woorden sprak:„Mijne vrienden! wat wilt gij van mij? Mort gij er over, dat wij onzen eed niet breken, dat wij de stad niet prijsgeven aan de Spanjaarden en daarmee aan een lot nog vreeselijker dan onze tegenwoordige toestand? Ik zeg u: ik heb gezworen de stad te zullen houden; moge God mij helpen om mijn eed gestand te doen! Ik kan slechts eenmaal sterven, hetzij door uwe handen, hetzij door die des vijands. Mijn eigen lot is mij onverschillig, maar niet het lot der mij toevertrouwde stad. Ik weet het, wij zullen van honger sterven, indien wij niet spoedig hulp krijgen, maar beter de hongerdood dan de dood der schande. Uwe bedreigingen bewegen mij niet! Mijn leven is in uwe hand. Hier is mijn zwaard, stoot het in mijn hart en deelt mijne nalatenschap. Neemt mijn lichaam, om uwen honger te stillen, maar denkt er niet aan, de stad over te geven zoo lang ik nog in leven ben!”De woorden van den moedigen burgemeester bezielden de burgers met nieuwe geestdrift. Zij zwoeren op nieuw den eed van trouw en beklommen op nieuw de wallen. „Gelooft niet”—zoo riepen zij den Spanjaarden toe—„dat gij ons door honger dwingen kunt. Liever willen wij onzen linkerarm opeten en met den rechter onze vrouwen, onze vrijheid en onze godsdienst tegen vreemde dwingelandij verdedigen. Kunnen wij eindelijk ook dit niet meer, dan steken wij met eigen hand onze huizen in brand, om met onze dierbaren en onze have en goed in de vlammen te vergaan!”Niets scheen de aan het verderf gewijde stad te kunnen redden; entoch—zij werd gered! In den nacht van den 1enop den 2enOctober stak een hevige storm op, die de golven van den oceaan met vreeselijk geweld diep landwaarts injoeg. De vloot bevond zich eensklaps in diep water; thans kon zij zich bewegen en Boisot liet geen oogenblik verloren gaan om de Spaansche schansen aan te tasten.Een hevige schrik maakte zich van de Spanjaarden meester; toen zij den geduchten vijand, de woeste Watergeuzen, zagen naderen, verlieten zij schier zonder slag of stoot de zwakkere schansen en sloegen op de vlucht; velen hunner werd op de vlucht door de Watergeuzen neergehouwen of in de golven verdronken.Slechts de sterkste schans, die te Lammen, bood nog tegenstand. Zij scheen onneembaar en zou het wellicht ook geweest zijn, indien de Spanjaarden den moed hadden gehad om haar te verdedigen. Bovendien hadden de Spanjaarden de stad gemakkelijk kunnen nemen, daar in dienzelfden nacht een gedeelte van den stadsmuur, tusschen de Witte- en Koepoort, met donderend geraas instortte. Doch Valdez was geen meester meer over zijne door een panischen schrik bevangene soldaten. In den nacht van den 2enop den 3enOctober verlieten de Spanjaarden ook deze laatste schans. „Niet voor de menschen, maar voor de zee wijk ik,” schreef Valdez op eene tafel, eer hij aftrok. Doch dit fiere woord, waarmede hij zich te troostten trachtte, was een jammerlijke uitvlucht; want hij vluchtte niet voor de golven van den oceaan, maar voor de woedende Watergeuzen, die door de ontboeide wateren in het hart des lands en tot voor zijne legerplaats gevoerd werden.Den 3enOctober 1574 werd Leiden ontzet. Nadat men reeds in den vroegen morgen door een knaap, die het gewaagd had geheel alleen de stad te verlaten, van den aftocht der Spanjaarden onderricht was geworden, kwam de vloot der Watergeuzen tegen den middag langs de Vliet het geteisterde Leiden binnen en bracht der uitgehongerde bevolking een overvloed van levensmiddelen aan. Toen de Zeeuwen de uitgehongerde gelaatstrekken van de mannen aanschouwden, die den vijand zulk een hardnekkigen tegenstand hadden geboden, weenden die in den strijd vergrijsde mannen als kinderen. Zij deelden brood, haring en kaas onder hen uit, die door de geredden met de meeste graagte verslonden werden. Sommigen zelfs, die al te gulzig de lang ontwende spijs naar binnen sloegen, aten zich den dood.Nadat de eerste honger gestild was, begaf de burgerij zich met hare redders naar de St. Pieterskerk, om God voor de even ongedachte als heugelijke uitkomst te danken. Doch de lofpsalmen, die door de gewelven van het kerkgebouw weergalmden, verstomden spoedig. Allen waren zoo diep geroerd, dat tranen en snikken het lofgezang vervingen.Inniger is zeker nooit in eene kerk gedankt en gebeden geworden dan op dezen dag; al konden ook de bevende lippen de woorden van lof en erkentenis niet uiten, des te vuriger stegen die op uit het diep bewogen gemoed!De Nederlanders betaalden aan de dappere verdedigers van Leiden den tol eener welgemeende bewondering en dankbaarheid; zij begrepen zeer goed, dat met den val of het behoud van die aanzienlijke stad de zaak der vrijheid stond of viel. De prins van Oranje en de Staten besloten, een sprekend en blijvend gedenkteeken aan die algemeene dankbaarheid te stichten, door der stad eene hoogeschool te schenken. Opmerkelijk is het, dat in de stichtingsoorkonde nog altijd werd vastgehouden aan de oude fictie alsof het koning Philips was, die nog over Holland regeerde en die thans destad voor den tegenstand tegen zijne eigene troepen beloonde. Den 8enFebruari 1575 werd de hoogeschool, die zich later zulk eene Europeesche vermaardheid verwerven zou, plechtig ingewijd.
De Nederlanden. Don Louis de Zuñiga y Requesens. Zijn verleden. Toestand der Nederlanden na Alba’s bewind. Vruchtelooze pogingen om den vrede te herstellen. Eerste beleg van Leiden. Macht der Watergeuzen. Herleving der Boschgeuzen. Belegering van Middelburg. Mondragon’s dappere verdediging. Nederlaag ter zee van Juliaan Romero. Overgave van Middelburg aan den prins. Wervingen van Lodewijk van Nassau. Slag op de Mookerheide. Dood van Lodewijk van Nassau. Muiterij der Spaansche huurtroepen. Tweede beleg van Leiden. De amnestie. Van der Does, van der Werff en van Hout, de dappere verdedigers van Leiden. Ziekte van Oranje. Hongersnood binnen Leiden. Doorsteking van de dijken. Groote overstrooming. De vloot in het binnenste des lands. Leiden’s ontzet. Dank des vaderlands. Stichting van Leiden’s Hoogeschool.
De Nederlanden. Don Louis de Zuñiga y Requesens. Zijn verleden. Toestand der Nederlanden na Alba’s bewind. Vruchtelooze pogingen om den vrede te herstellen. Eerste beleg van Leiden. Macht der Watergeuzen. Herleving der Boschgeuzen. Belegering van Middelburg. Mondragon’s dappere verdediging. Nederlaag ter zee van Juliaan Romero. Overgave van Middelburg aan den prins. Wervingen van Lodewijk van Nassau. Slag op de Mookerheide. Dood van Lodewijk van Nassau. Muiterij der Spaansche huurtroepen. Tweede beleg van Leiden. De amnestie. Van der Does, van der Werff en van Hout, de dappere verdedigers van Leiden. Ziekte van Oranje. Hongersnood binnen Leiden. Doorsteking van de dijken. Groote overstrooming. De vloot in het binnenste des lands. Leiden’s ontzet. Dank des vaderlands. Stichting van Leiden’s Hoogeschool.
Don Louis de Zuñiga y Requesens, de opvolger van Alba, werd door een groot deel der Nederlanders met hooggespannen verwachtingen begroet. Hij ging door voor een uitstekend veldheer en een bekwaam staatsman, men verhaalde van hem, dat hij even doorzettend was, zoo het noodig bleek, als gematigd en zachtmoedig, wanneer de omstandigheden het toelieten. De Nederlanders waren des te meer geneigd om de goede eigenschappen van een man, van wien Alba niet in de beste verstandhouding gescheiden was, breed uit te meten, naarmate hun afschuw van den hertog grooter was.
Inderdaad bewezen zij den nieuwen stadhouder met die gunstige verwachtingen ten zijnen aanzien al te veel eer. Requesens had in den slag bij Lepanto bewezen een voortreflijk soldaat te zijn, doch hij was slechts een zeer middelmatig veldheer en een nog minder dan middelmatig staatsman, die volstrekt niet geschikt was voor de zware taak om den vrede in de Nederlanden te herstellen.
Reeds als stadhouder van Milaan had hij blijken gegeven van weinig bekwaamheid en zich alles behalve bemind gemaakt, zijne zachtmoedigheid en gematigdheid waren aan rechtmatigen twijfel onderworpen. Al was hij niet zoo bloeddorstig en wreed als Alba, toch had hij zich in den strijd tegen de Mooren van Granada een dweepzuchtig en vervolgziek katholiek betoond en meer dan eens gehandeld volgens het trouwloos beginsel: „Eenen ongeloovige behoeft men zijn woord niet te houden.”
Slechts in zoover rustten de blijde verwachtingen der Nederlanders op een goeden grond als Requesens onmogelijk het stelsel van kettervervolging, dat Alba met zulk eene voor niets terugdeinzende wreedheid in toepassing gebracht had, verder voortzetten kon; het was voor deSpaansche belangen zoo schadelijk gebleken, dat zelfs Philips II in de instructie, welke hij den nieuwen landvoogd gaf, dezen machtigde om eene algemeene amnestie af te kondigen voor alle Nederlanders, die tot de gehoorzaamheid en tot hunnen plicht wilden terugkeeren.
Indien het Philips II ernst was geweest met den wensch om met zijne oproerige onderdanen vrede te sluiten, dan zou dit hem niet moeilijk gevallen zijn. Hij behoefde daartoe slechts den bij zijne kroning afgelegden eed trouw na te komen, de door hem bezworen wetten nauwgezet te handhaven en de vrijheden der provinciën op nieuw te bekrachtigen, dan zou de oorlog van zelf ophouden, want alle Nederlanders, zelfs de Hollanders en Zeeuwen, die zoo krachtig de wapens tegen den koning voerden, smachtten naar den vrede.
In den staatsraad, waarin thans de hertog van Aerschot en Viglius den meesten invloed hadden, werd den nieuwen stadhouder de ernstige raad gegeven om jegens de opstandelingen in een verzoenenden geest te werk te gaan, eene onbepaalde amnestie af te kondigen, waarin in de eerste plaats ook de prins van Oranje begrepen was, en de oude vrijheden des lands te herstellen. In denzelfden geest spraken ook Barlaimont en Noircarmes, zelfs de woeste Juliaan Romero was den strijd moede en wenschte naar vrede.
Het valt nauwelijks te betwijfelen, dat ook de nog onder de wapenen staande Hollanders en Zeeuwen de hand der verzoening met blijdschap zouden hebben aangenomen, indien hun slechts vrijheid van godsdienstoefening was toegestaan. Zelfs Aldegonde schreef uit zijne gevangenis brieven aan zijne vrienden, waarin hij als zijn gevoelen uitsprak, dat eene verzoening met den koning mogelijk en wenschelijk was. Alleen Oranje toonde, dat hij den koning en zijne plannen beter doorzag dan zijn vriend Aldegonde; hij verklaarde, dat een vrede dan alleen mogelijk was, wanneer de Spaansche troepen uit de Nederlanden teruggetrokken werden, wanneer de provinciën hunne bezworene vrijheden terug ontvingen en wanneer hun volle vrijheid van godsdienst werd verleend.
Het inwilligen van zulke eischen was Requesens volgens de hem gegeven koninklijke instructie onmogelijk, zelfs al was hij er toe geneigd geweest; hij moest den oorlog voortzetten, hoe ongunstig de omstandigheden daarvoor ook waren.
Hij trof, nadat de hertog van Alba het land verlaten had, zoowel het bestuur als de geldmiddelen in een toestand van wanhopige wanorde aan. De ongehoorde oorlogskosten hadden alle klinkende munt verslonden en bovendien de kroon met schuld bezwaard. Een leger, hetwelk thans 62000 man telde, dat slechts uit 8000 Spanjaarden en voor het overige uit Walsche en Duitsche huurtroepen bestond, vereischte voor zijne bezoldiging en zijn onderhoud dagelijks aanzienlijke sommen, die niet uit de Nederlanden getrokken konden worden.
Reeds sinds geruimen tijd was de soldij niet regelmatig uitbetaald en ten gevolge hiervan kon men zich op de troepen volstrekt niet meer verlaten. In Holland en Zeeland heerschte nog een toestand van openlijk oproer, dat zelfs de beproefde veldheer Alba niet had kunnen onderdrukken. De prinsgezinden belegerden Middelburg, de eenige stad welke de koning op het eiland Walcheren nog de zijne noemen kon. Het ontzet van Alkmaar had hen met nieuwen moed bezield; dit toonden de burgers van Leiden, die de opeisching van hunne stad door de Spanjaarden met eene verachtelijke weigeringbeantwoordden, hoewel een sterk Spaansch leger onder de muren der stad verscheen, om met het beleg een aanvang te maken.
Wel hadden de Spanjaarden in den strijd te land meestal de overwinning behaald, wel was hunne stelling tegenover de prinsgezinden zeer voordeelig, dewijl zij, door het bezetten van Haarlem, Holland als het ware splitsten in twee deelen, tusschen welke eene vereeniging van troepen te land niet of althans zeer moeilijk tot stand gebracht kon worden, doch aan den anderen kant hadden de Watergeuzen aan kracht gewonnen, hunne vloot bevond zich in een voortreflijken toestand, zij overtrof zelfs de Spaansche, zoo al niet wat de grootte en de uitrusting der schepen aanging, dan toch ten aanzien van den moed en de gehardheid der bemanning.
Ook was het een voordeel voor de prinsgezinden, dat in de meest verschillende streken der provinciën, die nog aan de Spaansche heerschappij onderworpen waren, de Wilde of Boschgeuzen het hoofd weder opstaken, en den Spanjaarden de handen vol werks gaven. Al konden zij in het open veld ook geene voordeelen behalen, toch moesten, om hen in toom te honden, troepen tegen hen afgezonden worden en hierdoor was de Spaansche regeering niet bij machte om al hare kracht tegen het eigenlijke brandpunt van den opstand, Holland en Zeeland, aan te wenden.
De zaken stonden dus tamelijk treurig voor Requesens, toen hij het bewind aanvaardde en weldra zouden zij een nog noodlottiger keer nemen.
Middelburg werd door de aanhangers van Oranje nauw ingesloten. De Spaansche bezetting onder den dapperen bevelhebber Mondragon verdedigde zich wel wakker, doch begon reeds gebrek aan levensmiddelen te gevoelen en het was dus te voorzien, dat ook de laatste vaste plaats op het eiland Walcheren voor den koning verloren zou gaan en de bezetting door den honger tot de capitulatie genoodzaakt worden zou, wanneer niet ten spoedigste ontzet werd aangebracht.
Requesens bracht met dit doel eene vloot van 75 zeilen onder bevel van Juliaan Romero en den heer van Glimes te Bergen-op-Zoom en eene tweede van 36 zeilen onder don Sancho d’ Avila te Antwerpen bijeen. Beide vloten moesten vereenigd aan Middelburg de vurig verbeide hulp aanbrengen.
De onderneming mislukte. Eer nog de beide vloten zich vereenigen konden, tastte de geuzenadmiraal Lodewijk van Boisot, met 64 schepen den 29enJanuari 1574 Juliaan Romero aan. Na een bloedigen strijd, waarin geen kwartier verleend werd, sloeg de koninklijke vloot, die 15 schepen en 1200 man verloren had, op de vlucht. Middelburg moest aan zijn lot worden overgelaten.
De prins van Oranje liet Mondragon van de verijdeling zijner hoop op ontzet onderrichten en eischte van hem onvoorwaardelijke overgave, doch Mondragon antwoordde, dat hij de stad liever op 20 plaatsen te gelijk in brand wilde steken en de bezetting met de geheele burgerij in de vlammen doen omkomen, dan tot zulk eene vernederende overgave te besluiten.
Mondragon stond om zijne dapperheid en zijn hoog gevoel van eer zoo hoog aangeschreven, dat de prins van Oranje niet twijfelde, of de fiere Spanjaard zou zijn woord gestand doen. Ten einde onnoodig bloedvergieten te vermijden, stond hij hem eene eervolle capitulatie toe. Der geheele bezetting werd met wapenen en geschut vrije aftocht naarVlaanderen toegestaan, en bovendien werd haar vergund de katholieke priesters mede te nemen; daarentegen beloofde Mondragon de in vrijheidstelling van Aldegonde te zullen bewerken; slaagde hij hierin niet binnen twee maanden, dan zou hij zich vrijwillig als krijgsgevangene in ’s prinsen handen stellen.
Op deze voorwaarden werd Middelburg den 21enFebruari 1574 overgegeven en thans bevond de gansche zeekust zich in de macht van Oranje, die hierdoor in staat was om de vloot der geuzen nog meer uit te breiden en beter uit te rusten.
Niet zóó gelukkig ging het binnen in het land. Hier waren de in aller ijl te zamen geraapte, nog niet aan tucht gewende en ongeoefende Hollandsche krijgers niet in staat om den in den oorlog vergrijsden Spaanschen veteranen het hoofd te bieden. Den Hollanders alleen was het niet mogelijk, de Spanjaarden tot het opbreken van het beleg van Leiden te noodzaken, doch de prins hoopte op buitenlandsche hulp.
Lodewijk van Nassau had intusschen onafgebroken met Frankrijk onderhandeld en wel geen groote voordeelen verkregen, maar zeer schitterende beloften van de hertogen van Anjou en Alençon ontvangen. De werkelijke vruchten zijner bemoeiingen bestonden in eene som van f 175.000 en in een klein hulpleger van 2000 man, altijd genoeg voor den onvermoeiden voorvechter der vrijheid om weer een begin te maken met de aanwerving van een leger. Weldra bracht hij 6000 man voetvolk en 1000 ruiters bijeen; hij werd daarbij ondersteund door zijne beide broeders Johan en Hendrik en door den keurprins Christoffel van de Paltz. In Februari 1574 trok hij met zijne krijgsmacht over den Rijn en legerde zich te Gulpen, tusschen Maastricht en Aken.
Requesens mocht geen oogenblik talmen om de plannen van graaf Lodewijk te verijdelen. Gelukte het dezen, zich naar Holland door te slaan en zich met zijn broeder, den prins van Oranje, te vereenigen, dan zou de opstand eene onwederstaanbare kracht verkrijgen. In aller ijl liet de stadhouder, in weerwil van zijn geldgebrek, in Duitschland 8000 man aanwerven, buitendien brak hij het beleg van Leiden op, om ook die belegeringstroepen voor den strijd tegen Lodewijk beschikbaar te hebben.
Den 14enApril 1574 had op de Mookerheide, op de grenzen van Gelderland en het Cleefsche, de beslissende slag plaats, die de hoop, welke de Hollanders op de hulp van Lodewijk van Nassau gebouwd hadden, met éénen slag vernietigde. De Spanjaarden behaalden zulk eene volledige zegepraal, dat van Lodewijk’s leger ter nauwernood een spoor overbleef. Meer dan 4000 man sneuvelden deels in den strijd, deels op de vlucht. De overigen verstrooiden zich in alle richtingen. Lodewijk van Nassau, zelf, zijn broeder Hendrik en de keurprins Christoffel van de Paltz kwamen in het slaggewoel om; nooit heeft men weder iets van hen gehoord. Men weet niet, hoe zij gestorven zijn, zelfs hunne verminkte lijken heeft men niet gevonden.
De gevolgen van den slag op de Mookerheide zouden zeker voor de Hollanders nog noodlottiger zijn geweest, dan nu het geval was, indien niet een soldatenoproer de Spanjaarden verhinderd had van hunne overwinning terstond krachtig partij te trekken.
Reeds daags na den slag vorderden de Spaansche soldaten onstuimig hunne achterstallige soldij en toen die hun niet uitbetaald werd, barstte onder hen een openbare opstand uit.
Muiterij en opstand tengevolge van wanbetaling der soldij waren zoowel bij de Spaansche als bij de Duitsche huurtroepen in dien tijd gewone zaken. De Duitschers kwamen meestal in opstand vóór, de Spanjaarden, na den slag, wanneer zij trotsch waren op eene behaalde overwinning; zij verjoegen in zulk een geval hunne officieren, verkozen een hunner tot Dictator, Eletto of Electo genaamd, en zochten zich zoo spoedig mogelijk van de naastbijgelegene stad meester te maken. Hier leidden zij dan op kosten der burgers een weelderig leven, totdat òf hunne muiterij door kracht van wapenen onderdrukt werd, òf zij, nadat hun de achterstallige soldij en volledige amnestie beloofd was, zich vrijwillig onderwierpen.
De rijke stad Antwerpen was het, welke ditmaal door de muitende huurtroepen tot legerplaats uitgekozen werd; zij bereikten Antwerpen den 20enApril en kwartierden zich bij de burgers in.
Requesens snelde naar Antwerpen; geheel alleen verscheen hij voor de muiters, die hij dringend smeekte, tot hun plicht terug te keeren, doch hij ontving het onbeschaamde antwoord: „Wij verlangen klinkende munt, geene woorden.” Zijne beloften werden met spot beantwoord. Beschimpt door de soldaten moest hij zich terugtrekken.
Hij had geen geld; ook tot het stedelijk bestuur wendde hij zich te vergeefs met de bede, hem 400.000 gouden kronen te leenen; de rijke burgers haalden de schouders op en beweerden, dat zij buiten staat waren om den stadhouder van dienst te zijn. Doch weldra werden zij genezen van hunne vrees om van hun lieve geld te scheiden. Requesens hield hun voor, dat het onderhoud der soldaten, die ten koste der burgerij slempten en smulden, binnen korten tijd meer kosten zou dan hetgeen hij van hen verlangde, zij boden daarom den eletto soldij voor 10 maanden aan.
De eletto was daarmede tevreden, maar de soldaten niet; deze wilden zich niet onderwerpen voordat de achterstallige soldij tot de laatste cent betaald en eene volledige amnestie hun toegezegd was. Zij zetten den eletto af en verkozen een ander, die hunne eischen krachtiger doorzette, en ook werkelijk zijn doel bereikte, daar de burgers eindelijk besloten, den stadhouder de gevraagde som te leenen. Het gelukkig einde van den soldatenopstand werd met een groot feestmaal gevierd; nog was dit niet afgeloopen, toen op eens het geroffel der trommen zich hooren liet, om de feestgenooten onder de wapenen te roepen. Zij ontvingen in last terstond naar den Scheldedijk te trekken; zij gehoorzaamden en snelden van het feestmaal met de grootste bereidwilligheid ten strijde.
Lodewijk van Boisot, de geuzenadmiraal, had de Antwerpsche vloot aangetast en na een korten, hevigen strijd 14 van hare schepen met de bemanning deels verbrand, deels doen zinken. Na deze snelle zegepraal trok hij terug, zonder dat een hevig musketvuur, hetwelk van de dijken op zijne vaartuigen geopend werd en dat hij met kanonschoten beantwoordde, hem noemenswaardige schade toebracht.
De eerste belegering van Leiden had geduurd van den 31enOctober 1573 tot den 21enMaart 1574, op welken dag de belegeringstroepen naar de grenzen waren geroepen, om die tegen Lodewijk van Nassau te beschermen. Groot was deblijdschapder Leidsche burgers, toen zij de Spanjaarden zagen aftrekken. Zij waanden zich, in hunne vaste hoop op Lodewijk’s zegepraal, voor altijd van die lastige gasten bevrijd. In hunne zorgeloosheid deden zij niets, om zich op een nieuw beleg te wapenen. In strijd met Oranje’s raad werd het garnizoen niet versterkt en evenmineen voldoende voorraad van levensmiddelen binnen de veste gebracht.
Hunne vreugde was niet van langen duur. Reeds den 26enMei verscheen de Spaansche veldheer Valdez weer met een leger voor de poorten van Leiden; na enkele dagen had hij de stad reeds zoo nauw ingesloten, dat de burgers slechts door middel van postduiven briefwisseling konden houden.
Leiden was goed versterkt; eene bestorming zou aanzienlijke offers gekost hebben en bood buitendien weinig uitzicht op een goeden uitslag aan. Valdez besloot derhalve, de stad door den honger tot de overgave te nopen, want hij wist dat de daar aanwezige voorraad van levensmiddelen niet lang de talrijke bevolking zou kunnen voeden. Haast had hij niet, nergens dreigde hem eenig gevaar, sinds Lodewijk van Nassau verslagen en gedood was. Hij bevestigde daarom zijne buitendien reeds sterke legerplaats nog meer en droeg zorg dat noch toevoer van levensmiddelen noch versterking van krijgsvolk in de stad kon gebracht worden. Bovendien matte hij door herhaalde schijnaanvallen de zwakke bezetting onophoudelijk af.
Den 6enJuni vaardigde Requesens de lang voorbereide algemeene amnestie uit, waardoor hij de Nederlanders tot verzoening hoopte te stemmen. In dit stuk wekte de koning zijne verdoolde, maar boetvaardige onderdanen op, om zich in zijne wijdgeopende vaderarmen te werpen; hij beloofde aan allen, met uitzondering van enkele, met name aangewezen personen, volle vergiffenis, slechts ééne kleine voorwaarde stelde hij,namelijk, dat zij in den schoot der heilige moederkerk zouden terugkeeren. Tegelijk met hetamnestiebesluitverscheen eene bul van paus Gregorius XIII, gedagteekend van den 30enApril; zij beloofde allen berouwvollen Nederlandschen ketters volle vergiffenis, ook al hadden zij zeven maal zeven maal gezondigd.
Noch de koning, noch de paus hadden veel voorspoed met de aangebodene vergiffenis. Niemand liet zich door zulke bedriegelijke woorden meer vangen. „Liever sterven dan naar de mis gaan!” riepen de Hollanders, en deze kreet werd schier eenstemmig aangeheven, want in dien tijd was het aantal hervormden in Holland sterk aangegroeid.
Het amnestiebesluit werd door Valdez naar Leiden gezonden, doch ook hier miste het alle uitwerking. De burgers verklaarden, dat zij besloten hadden in hun geloof te sterven en de stad tot den laatsten druppel bloeds te verdedigen.
Aan het hoofd der verdediging stonden drie mannen, die zich door hunne onwrikbare standvastigheid en hun heldenmoed onsterfelijke verdiensten omtrent de vrijheid der Nederlanden verworven hebben: van der Does, van der Werf en van Hout.
Jan van der Does, heer van Noordwijk, voerde het opperbevel over de bezetting; hij stamde uit een aanzienlijk geslacht af. Hij heeft zich door zijne dappere verdediging van Leiden even beroemd gemaakt als door zijn vreedzamen arbeid als dichter en geschiedschrijver.
Pieter Adriaanszoon van der Werf was de burgemeester der stad. Als een vurig aanhanger van Willem van Oranje had hij reeds vroeger meermalen zijn leven gewaagd, om door het overbrengen van nauwkeurige berichten omtrent den toestand des lands en door het inzamelen van gelden des prinsen pogingen te ondersteunen. Zijne standvastigheid bezielde de Leidsche burgerij met vurige geestdrift, zijne opwekkingen tot een onverzettelijkentegenstand tegen de Spanjaarden droegen de beste vruchten. Hij werd trouw ter zijde gestaan door zijn vriend, den stadsschrijver van Hout.
De verdedigers van Leiden sloegen alle aanvallen der Spanjaarden moedig af. Voor eene bestorming waren ze niet beducht, maar weldra verrees een ander spooksel dreigend voor hunne blikken: de hongersnood! De stad was slecht van levensmiddelen voorzien; reeds tegen het einde van Juni was het noodig, den burgers al hunne levensmiddelen af te eischen en ze in den vorm van ratioenen onder de inwoners te verdeelen: elk volwassene ontving een half pond vleesch en een half pond brood per dag.
Ten einde de verdedigers in eene goede luim te houden en hen voor ontzenuwenden lediggang vrij te waren, liet van der Does bijna dagelijks uitvallen doen. Bloedige schermutselingen vielen er onder de muren der stad voor. Menig Spanjaard, maar ook menig Hollander liet daarbij het leven; doch al deze gevechten hadden geen ander gevolg dan dat zij den moed der belegeraars sterkten: aan het talrijke Spaansche leger brachten zij geene noemenswaardige schade toe.
De eenige hoop der burgers van Leiden was gebouwd op ontzet door den prins van Oranje. Deze bezat wel eene goed uitgeruste vloot met eene dappere en geoefende bemanning, maar, helaas! geen leger. Hoe zou hij zijne vloot onder de muren eener in het hart des lands gelegene stad voeren?
Slechts één middel bestond er, een hoogstgevaarlijk, ja wanhopig middel! Wanneer de sluizen van Rotterdam, Schiedam en Delfshaven werden geopend en de groote dijk langs den Maasmond doorgestoken werd, dan zou men wellicht het geheele land in ééne groote zee kunnen herscheppen en de golven van den oceaan te hulp roepen, om de vloot in het hart des lands naar Leiden te voeren. Wellicht kon dit plan gelukken; doch alleen, wanneer een hevige en gunstige wind de onderneming bevorderde, want de vruchtbare Rijnvlakte, waarin Leiden gelegen is, ligt boven het waterpas van de landen langs de Maas en alleen een buitengewoon hooge vloed kon derhalve eene ontzet aanbrengende vloot tot onder de wallen der bedreigde stad voeren.
Was de uitslag eener algemeene overstrooming ten aanzien van Leiden’s lot onzeker, de onnoemlijke schade daarentegen, welke zij het buitendien door den oorlog reeds zoo zwaar geteisterde land berokkenen zou, was maar al te gewis. De geheele oogst werd in die streken aan vernieling prijs gegeven, een deel der akkers voor langen tijd onvruchtbaar gemaakt, ja de vruchten van jarenlangen arbeid werden door de inbraak van den oceaan in het vruchtbare land vernietigd.
Toch stond het besluit van den prins tot dezen vreeselijken stap onwrikbaar vast; doch hij mocht daartoe niet overgaan zonder de toestemming der Staten. Hun legde hij zijn plan voor en met geestdrift werd het door de vertegenwoordigers des volks begroet. „Liever een overstroomd dan een verloren land!” riepen zij, en zonder aarzelen gaven zij hunne vruchtbare landouwen aan vernieling prijs.
Eere dien mannen, wien geen offer te zwaar was, waar het de dierbare vrijheid gold!
Willem van Oranje begon terstond met de uitvoering van het besluit; toch duurde het nog vele weken, eer de dijken doorgestoken en alle maatregelen om de vloot naar Leiden te voeren, genomen waren. Tot overmaatvan ramp werd de prins bovendien zóó ernstig ziek, dat men aan zijne herstelling wanhoopte; hij kon over het werk niet meer in persoon het oog laten gaan en dit ging ten gevolge daarvan ook niet vooruit met dien spoed, welken de nood der stad Leiden eischte.
Reeds waarde de honger door Leiden’s straten rond. In weerwil hiervan wezen de dappere burgers den 30enJuli de opeisching van den Spaanschen bevelhebber Valdez met minachting af, hoewel hun op nieuw volledige amnestie werd aangeboden.
Steeds treuriger werd hun toestand, steeds hooger klom hun nood. Den 12enAugustus ontvingen zij een brief van den prins van Oranje, die hun dringend smeekte, nog een korten tijd vol te houden. Den 21enAugustus berichtte hij hun, dat de dijken waren doorgestoken en dat de Watergeuzen weldra tot hun ontzet zouden opdagen. Van zijne ziekte zeide de prins niets, om hun moed niet ter neer te slaan.
Een oorverdoovend vreugdegejuich was het antwoord der burgerij, toen de brief op de markt voorgelezen werd; de uitgehongerde burgers gaven zich geheel aan hunne blijdschap over, de burgemeester van der Werf liet door de stedelijke muziek de vroolijkste deuntjes spelen, wier klank de belegeraars met de grootste verbazing vervulde, want nog wisten deze niets van het doorsteken der dijken. Spoedig echter bemerkten zij, dat het water wies, doch zij stelden zich daarover weer gerust, dewijl eenige Spaanschgezinde inwoners hun verzekerden, dat zij geen gevaar te duchten hadden, maar het een belachelijk pogen was, de hooggelegene Rijnvlakte onder water te willen zetten.
En zoo scheen het inderdaad! Hoewel de buitenste gedeelten van het land tot aan de Landscheiding—een sterken dijk, op 5 mijlen afstand van de stad—onder water stonden, hoewel de dappere admiraal Boisot met zijne Zeeuwsche Watergeuzen Leiden tot op eenige mijlen af stands naderen kon, werkte dat alles toch niets uit. De Spanjaarden lachten om de dwaze onderneming en meenden, dat de geuzen er niet aan denken konden, Leiden te ontzetten, eer de Maas stroomopwaarts vloeien ging. Zij achtten hunne veiligheid zoo weinig bedreigd, dat zij noch de landscheiding, noch de overige dijken, die tusschen haar en Leiden lagen, met eene ter verdediging geschikte krijgsbende bezetten.
De Zeeuwsche geuzen, waarover Boisot het bevel voerde, waren allen oude geharde zeelieden, die met een doodelijken haat tegen de Spanjaarden bezield, gezworen hadden geen kwartier te verleenen of aan te nemen en zich door geene hinderpalen, hoe ook genaamd, van het ontzetten van Leiden te laten afschrikken. Zij streden met denzelfden moed te land als te water. Toen Boisot hun in den nacht van den 10enop den 11enSeptember beval, den dijk te nemen en zich daarop te verschansen, geschiedde dit ook. De zwakke Spaansche bezetting werd overrompeld en neergehouwen. Toen de Spanjaarden den volgenden dag te laat berouw gevoelden over hunne zorgeloosheid en met eene sterker krijgsmacht den dijk poogden te hernemen, werden zij na een bloedigen strijd, waarin zij een aantal dooden op het veld achterlieten, afgeslagen. Gevangenen werden er dien dag niet gemaakt, zelfs de gewonde vijanden werden door de geuzen koelbloedig vermoord. Een Zeeuw rukte een nog ademenden Spanjaard het hart uit het lijf; hij beet er in, en wierp het daarna eenen hond voor met den verachtelijken uitroep: „Het is te bitter!” De Landscheiding werd op meer dan ééne plaats doorgestoken, zoodat de vloot door de gemaakte openingen heenzeilenkon. Toch had men nog weinig gewonnen, want de Groene weg, een tweede groote dijk, stak met zijn kruin nog meer dan een voet boven het water uit. Gelukkig hadden de Spanjaarden hem niet bezet. Hij werd genomen en doorgestoken en de vloot zeilde ook door deze opening heen.
Telkens deden zich nieuwe zwarigheden voor. Om verder voorwaarts te dringen, had de vloot eene brug moeten passeeren, die zóó sterk door de Spanjaarden bezet was, dat het onmogelijk scheen, haar te nemen. Zelfs de dappere Boisot verloor bijna den moed, hij wist immers, dat de stad aan den uitersten nood was prijs gegeven, dat zij zich niet langer dan enkele dagen verdedigen kon, en toch was hij niet in staat om haar hulp te verleenen, hoe dicht hij zich ook in hare nabijheid bevond.
Binnen Leiden was intusschen de nood tot het uiterste gestegen. Alle levensmiddelen waren verteerd, het vleesch van honden, katten, ratten en muizen werd als eene lekkernij beschouwd. Gras, boombladeren en huiden van dieren werden als voedsel genuttigd. Reeds waren 6000 menschen zoo van honger als ten gevolge van eene door den hongersnood veroorzaakte pest gestorven; in weerwil hiervan weigerden de dappere burgers andermaal, zich aan de Spanjaarden over te geven. Op korten afstand aanschouwden zij de bevriende vloot, die hun de vurig verbeide levensmiddelen moest aanbrengen, en de hoop gaf hun nieuwen moed.
Doch dat uitzicht op verlossing werd door een ongunstigen wind op nieuw tot eene onbepaalde toekomst verschoven. Nu verloren ook de stoutmoedigsten den moed. Zij hadden schier het bovenmenschelijke gedaan, doch thans scheen de natuur met den vijand in verbond getreden. Een muitende hoop verdrong zich rondom den burgemeester van der Werf en eischte van hem, onder het uiten van allerlei bedreigingen, door overgave van de stad aan al die ellende een eind te maken.
Van der Werf stond alleen onder de verbitterde menigte, doch hij bood haar moedig het hoofd. Zijne krachtige stem klonk door het woeste getier heen, toen hij de volgende, eeuwig gedenkwaardige woorden sprak:
„Mijne vrienden! wat wilt gij van mij? Mort gij er over, dat wij onzen eed niet breken, dat wij de stad niet prijsgeven aan de Spanjaarden en daarmee aan een lot nog vreeselijker dan onze tegenwoordige toestand? Ik zeg u: ik heb gezworen de stad te zullen houden; moge God mij helpen om mijn eed gestand te doen! Ik kan slechts eenmaal sterven, hetzij door uwe handen, hetzij door die des vijands. Mijn eigen lot is mij onverschillig, maar niet het lot der mij toevertrouwde stad. Ik weet het, wij zullen van honger sterven, indien wij niet spoedig hulp krijgen, maar beter de hongerdood dan de dood der schande. Uwe bedreigingen bewegen mij niet! Mijn leven is in uwe hand. Hier is mijn zwaard, stoot het in mijn hart en deelt mijne nalatenschap. Neemt mijn lichaam, om uwen honger te stillen, maar denkt er niet aan, de stad over te geven zoo lang ik nog in leven ben!”
De woorden van den moedigen burgemeester bezielden de burgers met nieuwe geestdrift. Zij zwoeren op nieuw den eed van trouw en beklommen op nieuw de wallen. „Gelooft niet”—zoo riepen zij den Spanjaarden toe—„dat gij ons door honger dwingen kunt. Liever willen wij onzen linkerarm opeten en met den rechter onze vrouwen, onze vrijheid en onze godsdienst tegen vreemde dwingelandij verdedigen. Kunnen wij eindelijk ook dit niet meer, dan steken wij met eigen hand onze huizen in brand, om met onze dierbaren en onze have en goed in de vlammen te vergaan!”
Niets scheen de aan het verderf gewijde stad te kunnen redden; entoch—zij werd gered! In den nacht van den 1enop den 2enOctober stak een hevige storm op, die de golven van den oceaan met vreeselijk geweld diep landwaarts injoeg. De vloot bevond zich eensklaps in diep water; thans kon zij zich bewegen en Boisot liet geen oogenblik verloren gaan om de Spaansche schansen aan te tasten.
Een hevige schrik maakte zich van de Spanjaarden meester; toen zij den geduchten vijand, de woeste Watergeuzen, zagen naderen, verlieten zij schier zonder slag of stoot de zwakkere schansen en sloegen op de vlucht; velen hunner werd op de vlucht door de Watergeuzen neergehouwen of in de golven verdronken.
Slechts de sterkste schans, die te Lammen, bood nog tegenstand. Zij scheen onneembaar en zou het wellicht ook geweest zijn, indien de Spanjaarden den moed hadden gehad om haar te verdedigen. Bovendien hadden de Spanjaarden de stad gemakkelijk kunnen nemen, daar in dienzelfden nacht een gedeelte van den stadsmuur, tusschen de Witte- en Koepoort, met donderend geraas instortte. Doch Valdez was geen meester meer over zijne door een panischen schrik bevangene soldaten. In den nacht van den 2enop den 3enOctober verlieten de Spanjaarden ook deze laatste schans. „Niet voor de menschen, maar voor de zee wijk ik,” schreef Valdez op eene tafel, eer hij aftrok. Doch dit fiere woord, waarmede hij zich te troostten trachtte, was een jammerlijke uitvlucht; want hij vluchtte niet voor de golven van den oceaan, maar voor de woedende Watergeuzen, die door de ontboeide wateren in het hart des lands en tot voor zijne legerplaats gevoerd werden.
Den 3enOctober 1574 werd Leiden ontzet. Nadat men reeds in den vroegen morgen door een knaap, die het gewaagd had geheel alleen de stad te verlaten, van den aftocht der Spanjaarden onderricht was geworden, kwam de vloot der Watergeuzen tegen den middag langs de Vliet het geteisterde Leiden binnen en bracht der uitgehongerde bevolking een overvloed van levensmiddelen aan. Toen de Zeeuwen de uitgehongerde gelaatstrekken van de mannen aanschouwden, die den vijand zulk een hardnekkigen tegenstand hadden geboden, weenden die in den strijd vergrijsde mannen als kinderen. Zij deelden brood, haring en kaas onder hen uit, die door de geredden met de meeste graagte verslonden werden. Sommigen zelfs, die al te gulzig de lang ontwende spijs naar binnen sloegen, aten zich den dood.
Nadat de eerste honger gestild was, begaf de burgerij zich met hare redders naar de St. Pieterskerk, om God voor de even ongedachte als heugelijke uitkomst te danken. Doch de lofpsalmen, die door de gewelven van het kerkgebouw weergalmden, verstomden spoedig. Allen waren zoo diep geroerd, dat tranen en snikken het lofgezang vervingen.
Inniger is zeker nooit in eene kerk gedankt en gebeden geworden dan op dezen dag; al konden ook de bevende lippen de woorden van lof en erkentenis niet uiten, des te vuriger stegen die op uit het diep bewogen gemoed!
De Nederlanders betaalden aan de dappere verdedigers van Leiden den tol eener welgemeende bewondering en dankbaarheid; zij begrepen zeer goed, dat met den val of het behoud van die aanzienlijke stad de zaak der vrijheid stond of viel. De prins van Oranje en de Staten besloten, een sprekend en blijvend gedenkteeken aan die algemeene dankbaarheid te stichten, door der stad eene hoogeschool te schenken. Opmerkelijk is het, dat in de stichtingsoorkonde nog altijd werd vastgehouden aan de oude fictie alsof het koning Philips was, die nog over Holland regeerde en die thans destad voor den tegenstand tegen zijne eigene troepen beloonde. Den 8enFebruari 1575 werd de hoogeschool, die zich later zulk eene Europeesche vermaardheid verwerven zou, plechtig ingewijd.