Negentiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Langzame voortzetting van den oorlog. Alexander Farnese’s heldenmoed. Inneming van Oudenaarden. Onafgebroken uitbreiding der Spaansche macht. Ongunstige stemming jegens den prins van Oranje. Hooggeplaatste verraders. De graaf van den Berg. De prins van Chimay. Champagny en Hembyze. De samenzwering te Gent. Verlies van Brugge. Het noodlottige jaar 1584. Mislukte moordaanslag op den prins van Oranje. Balthasar Geraerts. Zijne onderhandelingen met Parma. Geraerts in dienst van Oranje. Willem van Oranje vermoord. Lot van den moordenaar. De erfgenamen van den moordenaar door Philips II beloond. Blik op de werkzaamheid van den prins van Oranje.Willem van Oranje en de Nederlanders hadden bij het verkiezen van Anjou op eene krachtige ondersteuning van Frankrijk’s zijde in den oorlog tegen Parma gerekend. Doch ook deze hoop was verijdeld. De hulp door Frankrijk verleend, beteekende zoo weinig, dat het den Nederlanders nergens gelukte, eenig voordeel op de Spanjaarden te behalen.Het was voor hen een geluk, dat ook Parma niet in staat was om den strijd zoo krachtig door te zetten als hij wel gewenscht had. Het ontbrak hem aan geld, aan manschappen, aan levensmiddelen, kortom aan alles, wat hij tot het voeren van den oorlog noodig had, want Philips II liet ook hem, evenals zijne vroegere stadhouders, aan zijn lot over. Slechts zijn onwankelbaren moed, zijn beleid en zijne rotsvaste standvastigheid bezat Farnese en aan deze zijne persoonlijke hoedanigheden had hij het te danken, dat hij niet overwonnen werd, maar integendeel bestendige, schoon dan ook langzame vorderingen maakte, dat hij allengs een aantal belangrijke steden weer aan de Spaansche heerschappij onderwierp.De veerkracht, door Parma in het voeren van den oorlog aan den dag gelegd, was inderdaad bewonderenswaardig; in persoon was hij overal tegenwoordig, waar het gevaar het grootste was; door zijn eigen met alle doodsgevaar spottenden heldenmoed ontvonkte hij zijne soldaten in geestdrift, door zijne onverbiddelijke gestrengheid dwong hij hen tot orde en tucht.Toen er, tijdens het beleg van Oudenaarden in 1582, een oproer in zijne legerplaats uitbrak, wierp hij zich midden tusschen de muiters, éénhunner stiet hij met eigen hand neer, de overigen liet hij door een regiment ruiterij omsingelen en twintig der schuldigsten ophangen; zóó dwong hij de muiters tot gehoorzaamheid.Bij dezelfde belegering was hij op zekeren dag bezig met het oprichten van eene batterij tegen een zwak punt der vesting. Dewijl hij dit gewichtig werk geen oogenblik zonder opzicht wilde laten, liet hij zijn middagmaal op de batterij brengen. Juist gebruikte hij het in gezelschap van een aantal officieren, toen een uit de stad afgeschoten kogel over de tafel vloog en een jong officier, die naast hem zat, het hoofd wegnam. Een tweede, even juist gerichte kogel kostte een ander officier, die ook aan tafel zat, het leven.Alle gasten des veldheers sprongen verschrikt op. Alleen Farnese bleef met eene onverstoorbare kalmte aan tafel zitten; hij beval, de door het bloed verontreinigde spijzen door anderen te vervangen en de lijken weg te dragen en verzocht daarop zijnen gasten, weer plaats te nemen. Zij moesten zijn wensch wel vervullen, hoewel zij aan dien gevaarvollen disch volstrekt niet op hun gemak waren.De dapperheid en geestkracht van Farnese droegen rijke vruchten: Oudenaarden werd genomen en andere steden ondergingen hetzelfde lot. De Spaansche macht breidde zich wel langzaam maar onafgebroken in de Nederlanden uit.Van groot voordeel was voor Farnese de tweespalt, die er tusschen den hertog van Anjou en de Nederlanders uitgebroken was. Nadat Farnese Eindhoven, Diest en andere plaatsen in Brabant ingenomen en den Franschen maarschalk Biron te Steenbergen verslagen had, kon hij zijne wapenen tegen West-Vlaanderen keeren en ook hier behaalde hij belangrijke voordeelen, dewijl ten gevolge van Anjou’s trouwloosheid deze deelen des lands weerloos aan zijn aanval blootgesteld waren.Duinkerken, Nieuwpoort, Veurne, Dixmuiden en Yperen (de laatste stad eerst na eene langdurige belegering in April 1584), Axel, Hulst en Rupelmonde in Oost-Vlaanderen en zelfs Aalst en andere steden werden door de Spanjaarden de eene na de andere ingenomen en Gent bedreigd.Niet alleen aan zijne dapperheid en zijn veldheerstalent, maar ook aan het verraad van hooggeplaatste Nederlanders en de ontevredenheid van vele patriotten over den prins van Oranje dankte Farnese zijne overwinningen.De fijne staatkundige berekening, welke den prins van Oranje bewogen had om niet geheel met den hertog van Anjou te breken, ook nadat diens verraad voor aller oogen ontsluierd was, had onder de Nederlanders veel kwaad bloed gezet. Men verweet den prins met een schijn van recht, dat hij van plan was, het land aan de Franschen over te leveren en vele vrienden der vrijheid, vooral in de Zuidelijke gewesten, verkozen, indien zij toch eenmaal een vreemden vorst moesten gehoorzamen, den koning van Spanje boven dien van Frankrijk. Koning Philips II had althans het erfrecht voor zich en was bovendien geen grooter dwingeland en wreedaard dan de met bloed bevlekte Fransche koning.Zulke denkbeelden werden in vele Nederlandsche steden openlijk uitgesproken; zelfs te Antwerpen had dit plaats en dit was oorzaak, dat de prins eene stad verliet, waar hij straffeloos beleedigd was.Van deze ongunstige stemming des volks trokken wederom hooggeboren verraders partij. De gouverneur van Gelderland, de graaf van denBerg, Oranje’s eigen zwager, trad met Alexander Farnese in onderhandeling; ten einde de genade van koning Philips te koopen, verbond hij zich om de aanzienlijkste steden van Gelderland, met Zutfen aan het hoofd, den Spanjaarden over te geven. Bij de inneming van Zutfen (22 September 1583) kwam zijn verraad aan den dag. Hij werd in November in hechtenis genomen, naar den Haag gebracht en eenigen tijd te Delfshaven gevangen gehouden. Zijne verwantschap met den prins van Oranje bezorgde hem evenwel spoedig de vrijheid terug en hij maakte daarvan terstond gebruik om openlijk met zijn zoon in des konings dienst over te gaan.Een ander verrader van hoogadellijken bloede was Karel vanCroy, prins van Chimay, de zoon van den hertog van Aerschot. Chimay had zich door den ijver, welken hij voor het protestantisme aan den dag legde, en tengevolge waarvan hij met zijn vader in oneenigheid leefde, het vertrouwen der patriotten verworven;hij was tot gouverneur van Vlaanderen benoemd. Doch nauwelijks had hij dit gewichtig ambt aanvaard, of hij knoopte eene geheime briefwisseling met Farnese aan, om dezen zijne hulp aan te bieden. Hij werd in zijne verraderlijke plannen ondersteund door twee mannen, die vroeger een tijd lang voor vurige vrienden der vrijheid waren doorgegaan, door Champagny, Granvelle’s broeder en door Hembyze, den voormaligen dictator van Gent, den vroegeren republikein, die alleen aan de genade van den prins van Oranje zijn verbeurd leven te danken had.Hembyze was naar Gent teruggekeerd met een hart vol haat tegen den prins. Binnen korten tijd had hij zich weer een uitgebreiden invloed op de Gentsche burgerij verworven, hij gebruikte dien om, in verstandhouding met Champagny en Chimay, de overgave van Gent aan de Spanjaarden en de overlevering van geheel Vlaanderen aan koning Philips en de inquisitie voor te bereiden.Hembyze vond bij een deel der burgerij een geopend oor, doch ook de vrienden der vrijheid zaten niet stil. Zij spanden hunne uiterste krachten in, om het overwicht binnen de stad te behouden, zij bespiedden Hembyze zoo scherp mogelijk en toen deze eene expeditie tegen Dendermonde op het touw zette, om deze plaats den Spanjaarden over te leveren, waarschuwden zij den bevelhebber Ryhove, den voormaligen vriend, maar nu den verbitterden tegenstander van Hembyze nog bijtijds. Rijhove liet zijn vroegeren makker gevangen nemen en deze werd te Gent als verrader ter dood gebracht. De Gentenaars waren niet zoo genadig als eens de prins van Oranje was geweest.De katholieke partij had in Hembyze haar hoofd verloren, zij moest zich voorloopig aan de maatregelen harer tegenstanders onderwerpen. De onderhandelingen met Farnese werden afgebroken en de burgerij verklaarde, dat zij trouw bleef aan de Unie. Haar voorbeeld werd door de meeste overige Vlaamsche steden gevolgd; alleen Brugge werd door den prins van Chimay den 20enMaart aan Parma overgegeven.Was het schandelijk verraad van den prins van Chimay reeds een groote ramp voor de Nederlanders, een nog veel zwaarder slag zou hen in het noodlottige jaar 1584 treffen.Koning Philips II had, sinds hij den prins van Oranje vogelvrij had verklaard, onophoudelijk pogingen aangewend om dat vonnis uit te voeren. Hoe meer hij bemerkte, dat Willem van Oranje al zijne bedreigingen trotseerde,dat noch de belofte van koninklijke gunst en rijke belooning, noch de vrees voor den dolk eens sluipmoordenaars den edelen kampioen voor de Nederlandsche vrijheid tot ontrouw aan zijne roeping kon verleiden, des te vuriger wenschte Philips den gevreesden man uit den weg te ruimen. Ook Alexander Farnese koesterde dezelfde begeerte; zijn besluit stond vast om den man, dien hij niet overwinnen kon, door sluipmoord uit den weg te ruimen.Verschillende pogingen waren tot bereiking van dat doel—gelijk we reeds verhaalden—aangewend en mislukt; zij werden gevolgd door andere, die evenmin slaagden, maar ontdekt werden, nog eer zij tot een begin van uitvoering waren gekomen. In Maart 1583 werd te Antwerpen een zekere Pietro Ordagno ter dood gebracht, nadat hij bekend had, dat hij in Spanje gehuurd was om den prins te vermoorden. Een dergelijk lot onderging om dezelfde reden in April 1584 Hans Hanszoon, een koopman uit Vlissingen.Doch al deze mislukte pogingen schrikten Farnese niet af: telkens liet hij zich op nieuw met wanhopige, avontuurlijke waaghalzen in, die hem beloofden den prins te zullen vermoorden; doch eindelijk verloor hij zijn geduld, dewijl de meesten van hen, die geld van hem vroegen om zich voor den aanslag voor te bereiden, niets anders waren dan ellendige bedriegers, die er volstrekt niet aan dachten hun kostbaar leven door een hoogst gevaarlijken sluipmoord in de waagschaal te stellen.Het was in April van het jaar 1584, dat zich bij Farnese andermaal een man aanmeldde, die zich bereid verklaarde tot de hoogst gevaarlijke onderneming. Hij was een zekere Balthasar Geraerts, een jonge man uit Bourgondië, wiens ouders te Villefrans woonden.Geraerts was een dweepziek katholiek, wien het plan om Oranje te vermoorden zoowel door woedenden geloofshaat als door begeerte naar de hooge, door den Spaanschen koning uitgeloofde belooning ingegeven was. Hij werd daarin versterkt door een Jezuïet, die hem te Trier bezocht en die hem verzekerde, dat hij, ingeval hij bij den moord het leven inschieten mocht, terstond den hemel binnengaan en eene plaats innemen zou onder de glorierijke martelaars, die voor de heilige kerk gestorven waren.Zulke woorden vermeerderden Geraerts’ zelfvertrouwen, zij deden een onbepaald plan rijpen tot een vast besluit, dat volstrekt niet aan ’t wankelen gebracht werd, toen een ander Jezuïet, wien hij het evenzeer toevertrouwde, het hem ontried, niet omdat deze vrome man het vermoorden van den prins als eene misdaad beschouwde, maar wijl hij vreesde, dat daaruit nadeelige gevolgen voor de kerk konden voortvloeien.Geraerts vertrok van Trier naar Doornik; hier raadpleegde hij een anderen geestelijke, den beroemden Franciscaner monnik pater Géry, en op nieuw werd hij door de vrome woorden van dezen man in zijn plan versterkt. Thans wendde hij zich tot Alexander Farnese, wien hij in persoon een brief overgaf, waarin hij zijn plan had blootgelegd.Parma, die reeds zoo dikwijls bedrogen was, gevoelde des te minder lust om zich met den jongen Bourgondiër in te laten, dewijl deze op hem volstrekt geen gunstigen indruk maakte. Geraerts was een klein, mager, zwak man van een onbeduidend uiterlijk. Hij was op dat tijdstip 27 jaar oud, doch hij scheen veel jonger. Niets was er in zijn gelaat, hetwelk verried, dat hij voor een onverzettelijk besluit vatbaar was en dat hij de buitengewone en treurige geestkracht bezat, noodig om een zoo gevaarlijkplan als dat, waarvan hij zwanger ging, ten uitvoer te leggen. Farnese meende, dat hij op nieuw met een bedrieger te doen had; hij gaf Geraerts op eene tamelijk onvriendelijke wijze zijn afscheid en alleen op aansporing van eenige bijzondere vrienden, wien hij de zaak meedeelde, vooral van Claudius van Barlaimont, heer van Haultepenne, besloot hij, de zaak niet geheel ter zijde te zetten, maar een zijner raadslieden tot den vreemdeling te zenden, om te vernemen welke uitzichten deze op het gelukken van zijn plan koesterde.Geraerts verklaarde, dat hij van plan was, het masker van een ijverig protestant voor te hangen, zoo in het vijandelijke kamp binnen te sluipen en daar in des prinsen dienst te treden. Op deze wijze zou hij wel gelegenheid vinden om den prins te vermoorden. Hij vroeg een voorschot van ongeveer ƒ 75, om een tijd lang in zijn onderhoud te kunnen voorzien.Het plan scheen goed overlegd. Alexander Farnese hechtte er zijne goedkeuring aan, maar een voorschot wilde hij niet geven. Hij wilde niet weer bedrogen worden. Zijn geheimraad, de heer van Assonleville, die de onderhandelingen met Geraerts voortzette, beloofde dezen wel eene rijke belooning, zoo de onderneming gelukte, maar van een voorschot wilde hij niets weten.„Goed,” antwoordde Geraerts,„dan zal ik op mijne eigene kosten reizen en eer er zes weken verloopen zijn, zult gij van mij hooren!”„Ga mijn zoon,” hernam Assonleville met vaderlijk welgevallen. „Ga en voleindig uw werk! Wanneer gij het volbrengt, zal de koning aan u niet alleen houden wat hij u beloofd heeft, maar gij zult u bovendien de onsterfelijkheid verwerven.”Geraert’s besluit stond vast en hij bracht het met eene veerkracht en eene sluwheid ten uitvoer, eener betere taak waardig. Hij begaf zich naar Delft en stelde zich hier onder den naam François Guyon voor aan een vriend van den prins van Oranje, in wiens dienst hij wilde treden. Hij verhaalde, dat hij de zoon was van een protestant, die te Besançon den marteldood voor zijn geloof gestorven was, en veinsde eene vurige liefde voor de hervorming. Nooit ging hij uit zonder bijbel of gezangboek. Geene enkele gereformeerde godsdienstoefening sloeg hij over.Zijne huichelarij droeg de door hem gewenschte vruchten. Hij werd in den dienst van den prins van Oranje opgenomen, maar zeer tegen zijn wensch tot eene zending naar Frankrijk gebruikt. Hier bleef hij tot den dood van den hertog van Anjou, en tot zijne groote blijdschap ontving hij in last, het bericht van diens overlijden aan den prins van Oranje over te brengen. Zoo snel mogelijk legde hij zijne reis af en den 8enJuli 1584 kwam hij in den vroegen morgen te Delft aan, waar de prins zich sinds eenigen tijd ophield.Oranje lag nog te bed, toen hij het belangrijke bericht ontving. Hij beval, dat de overbrenger van die stukken, van wien hij nog nadere mededeelingen hoopte te ontvangen, bij hem gebracht zou worden. Te bed liggend ontving hij Geraerts.Was Geraerts niets dan een dweper geweest, die alleen uit liefde tot de kerk den ketterschen prins vermoorden wilde, dan zou hij reeds toen van de gelegenheid, die zich zoo ongezocht aan hem voordeed, tot uitvoering van zijn plan gebruik gemaakt hebben. Gunstiger toch kon zij nooit wezen! Hij was alleen met den prins; deze lag weerloos te bed en was verdiept in den inhoud der ontvangen stukken, die hij nog eens overlas.Ter nauwernood van het papier opziende, richtte hij eenige vragen tot den bode; hij bemerkte het niet eens, dat Geraerts, sidderend van ontroering, nauwelijks in staat was om hem samenhangende antwoorden te geven.Doch Geraerts was niet alleen een dweper; hij had wel besloten zijn leven te wagen, ten einde den prins te vermoorden, maar hij wilde het niet opofferen, zonder althans eenig uitzicht op redding te kunnen koesteren. De prijs, welken de koning op ’s prinsen hoofd gesteld had, lokte hem niet minder aan als de wensch om den ketter te dooden; hij wilde gaarne de vruchten zijner misdaad genieten. Eerzucht en hebzucht waren in hem nauw met dweepzieken haat tegen den ketterschen prins verbonden.Hij had er niet op gerekend, dat hij terstond na zijne aankomst bij den prins zou worden geroepen en daarom ook niets voor zijne vlucht, na het plegen van den aanslag, in gereedheid gebracht. Een oogenblik kwam wel, toen hij den prins zoo weerloos voor zich te bed zag liggen, de vurige wensch bij hem op, om zich op zijn slachtoffer te werpen—daardoor begaf hem bijna de spraak en kon hij slechts met moeite op de eenvoudige tot hem gerichte vragen antwoorden—, doch even spoedig als die gedachte bij hem opgekomen was, even spoedig week zij weder voor koel en bedaard overleg. Hij trok zich, toen de prins hem zijn afscheid gaf, met eene buiging terug.Willem van Oranje beval in den loop van denzelfden morgen, hem eene zekere som gelds ter hand te stellen, om in zijne behoefte aan schoeisel te voorzien. Geraerts gebruikte het, om zich een paar groote pistolen aan te schaffen en alle mogelijke maatregelen voor zijne vlucht te nemen.Dinsdags, den 10enJuli 1584, wilde de prins, die zijne gemalin1aan den arm leidde, zich naar den maaltijd begeven; in het voorvertrek van de eetzaal ontmoette hij Geraerts, die hem om een paspoort verzocht. Het uiterlijk van den jongen man moest ongetwijfeld in het oog vallen, want de prinses vroeg angstig, wie die bleeke, gejaagde mensch was, en maakte de opmerking, dat zij nog nooit zulk een ongunstig gelaat gezien had als het zijne. Doch Oranje lachte om hare vrees; hij stelde zijne vrouw gerust, geleidde haar naar tafel en was onder den maaltijd, waaraan o. a. ook de burgemeester van Leeuwarden deelnam, opgeruimder dan ooit.Na afloop van den maaltijd wilde de prins zich naar zijne bijzondere vertrekken begeven, hij was juist eenige treden van de naar beneden voerende trap afgedaald, toen Geraerts uit een donkeren schuilhoek ter zijde van die trap naar voren sprong. Op nauwelijks twee voet afstands richtte de moordenaar metkoelbloedigejuistheid zijn pistool op ’s prinsen hart. Hij schoot en drie kogels troffen den prins; een dier kogels drong door het lichaam heen, vloog tegen den muur en stuitte daartegen terug.Oranje gevoelde zich terstond doodelijk getroffen. „Mijn God! ontferm U over mijne ziel! Mijn God! ontferm U over dit arme volk!” riep hij uit. Het waren zijne laatste woorden. Hij zonk neer en zou ter aarde gevallen zijn, indien niet iemand uit zijn gevolg hem in zijne armen opgevangen had.Men bracht den gewonde naar de eetzaal terug en legde hem hier op een rustbed neder. Doch eer men geneeskundige hulp had kunnen inroepen, blies hij in de armen zijner gade en zijner zuster den adem uit.Terstond na het plegen van de euveldaad was de moordenaar op de vlucht gegaan. Met de grootste bedaardheid had hij daartoe alles in gereedheid gebracht. Nauwkeurig met al de toegangen tot ’s prinsen woning bekend, gelukte het hem inderdaad te ontvluchten. Reeds had hij den wal, ja den rand der gracht bereikt, aan welker overzijde een gezadeld paard voor hem gereed stond, toen hij eensklaps struikelde. Dit kleine ongeval verijdelde zijne reddingsplannen. Toen hij weder wilde opspringen, werd hij door de dienaren des prinsen, die hem volgden, gegrepen en gevankelijk naar het slot teruggesleept.Oogenblikkelijk nam men hem in verhoor. Hij wist, dat zijn leven verbeurd was, dat ontkennen hem niets baten zou, en wendde daartoe dan ook geene enkele poging aan. Met de grootste kalmte en koelbloedigheid onderwierp hij zich aan zijn lot. Hij beroemde zich op zijne daad, ja hij vergeleek zich met David, die Goliath gedood had. Toen men hem zeide, dat de prins niet dood, maar slechts zwaar gewond was, schudde hij spottend het hoofd, hij wist maar al te goed, dat zijn pistool met drie vergiftigde kogels geladen was geweest en dat hij het met onfeilbare juistheid op ’s prinsen borst afgevuurd had. Op het verlangen zijner rechters schreef hij met eigene hand eene bekentenis, waarin hij niet alleen de uitvoering van den aanslag zelve, maar ook de maatregelen, voor en na den moord door hem genomen, en de beweegredenen zijner daad nauwkeurig mededeelde. Doch van de omstandigheid, dat Alexander Farnese van zijn plan geweten had, zeide hij niets. Hij verklaarde, dat hij de eenige schuldige was, en dat hij volstrekt geene medeplichtigen had.Volgens de wetten van dien tijd moest de pijnbank worden aangewend, ten einde hem verdere bekentenissen te ontwringen. De eenige man, wiens wil dit misschien zou hebben verhinderd, Oranje, was niet meer in leven. De voorschriften der wet werden dus opgevolgd en wel op de wreedste wijze, want rechters en beulen schepten er een onmenschelijk genoegen in, den ellendigen moordenaar van den geliefden prins van Oranje te martelen.Ook te midden dier martelingen legde Geraerts eene zoo buitengewone standvastigheid aan den dag, dat zijne beulen hem door den duivel bezeten waanden, eindelijk liet hij zich toch eene bekentenis afpersen; hij verhaalde zijne onderhandelingen met den Jezuïet te Trier, met pater Géry en met den heer van Assonleville, welke wij onzen lezers reeds meegedeeld hebben. Deze bekentenis zou zeker niet de geringste waarde bezitten, dewijl zij den moordenaar door de afschuwelijkste martelingen afgeperst was, indien niet hare waarheid door andere feiten bevestigd werd.Het rechtsgeding werd met den in die dagen gewonen spoed ten einde gebracht. Reeds den 14enJuli werd de moordenaar ter dood gebracht. De uitvoering van zijn vonnis was geheel in overeenstemming met den barbaarschen geest dier tijden. Den veroordeelde werd in de eerste plaats de rechterhand tusschen een gloeiend wafelijzer afgeschroeid. Vervolgens scheurde men hem op zes verschillende plaatsen van het lichaam het vleesch van de beenderen; daarna sneed men den buik open, haalde de ingewanden er uit en hieuw het nog levende lichaam in vier stukken. Het nog trillende hart werd uit de borst gerukt en den stervende in het aangezicht gesmeten, wien men eindelijk het hoofd af hieuw.Door deze afschuwelijke strafoefening poogden de rechters den dood te wreken van een man, die gedurende zijn gansche leven al zijne krachteningespannen had om de ruwe zeden van zijnen tijd en van zijn volk te verzachten en de strengheid der wetten te temperen.De wreedheid, waarmede de moordenaar door de Nederlanders gestraft werd, is nauwelijks minder afschuwelijk dan de blijdschap, welke Philips II over den dood van zijn slachtoffer aan den dag legde, en de mildheid, waarmede hij de erfgenamen des moordenaars voor diens euveldaad beloonde. Farnese deelde den koning mede, dat de ouders van den armen ter dood gebrachte nog in leven waren en dat het dus betamelijk was hun de belooning uit te betalen, welke de „edele daad” van hun zoon „zoo ten volle verdiende.” En Philips betoonde zich dankbaar. Van de goederen van den vermoorde in Franche Comté schonk hij een gedeelte aan de ouders des moordenaars, wien hij eene plaats onder den adel des lands aanwees. Later bood de koning den oudsten zoon van Willem van Oranje de teruggave van deze bezittingen aan, onder voorwaarde, dat een deel der inkomsten aan de erfgenamen van den moordenaar zou worden uitgekeerd, doch hoewel Philips Willem, die in Spaansche gevangenschap opgegroeid was, in denkwijze en karakter een volbloed Spanjaard was geworden, wees hij dit aanbod van de hand.Willem van Oranje was, toen het lood van den sluipmoordenaar hem trof, 51 jaar oud. Hij liet uit zijne vier huwelijken twaalf kinderen na en daaronder drie zoons, Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. Den 3enAugustus 1584 werd het lijk van den vermoorde te Delft plechtig ter aarde besteld. De geheele natie bedreef rouw over het verlies van den man, dien zij haren vader noemde. En waarlijk, zij had reden om te treuren! Met Willem van Oranje daalde de hoop, dat al de vereenigde Nederlanden als één onverdeeld rijk hunne vrijheid op de Spaansche overheerschers zouden veroveren, in het graf.Alleen door ’s prinsen verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, door zijne wijze staatkunde, zijn beleid en zijne geestkracht, was het tot dusver mogelijk geweest, de vaak uiteenloopende, ja tegenstrijdige belangen der verschillende provinciën met elkaar te verzoenen en de door afstamming, taal en godsdienst van elkander verschillende bewoners onder ééne banier te vereenigen. Wel had reeds in den laatsten tijd zijns levens zijne voorliefde voor Frankrijk hem in de zuidelijke gewesten vele vijanden verwekt, maar zijn naam en het vertrouwen op hem waren, in weerwil daarvan, te machtig dan dat het zijnen tegenstanders gelukt zou zijn, het verbond der zuidelijke Staten met de Unie geheel uit elkaar te doen spatten. Alleen Artois en Henegouwen hadden zich voor goed van de Unie losgemaakt. Zij erkenden de Spaansche heerschappij, de 15 overige provinciën volhardden in haren tegenstand.Willem van Oranje heeft zich als grondlegger van de Nederlandsche vrijheid onsterfelijke verdiensten jegens het geheele menschdom verworven. Aan hem hebben wij het te danken, dat het beginsel van een verdrag tusschen vorst en volk, hetwelk de grond van alle latere omwentelingen en van de rechten des volks ook in de 19eeeuw is geworden, het eerst openlijk uitgesproken en in toepassing gebracht worden kon. Hoe heilzaam de stichting van de Nederlandsche republiek op de geestelijke ontwikkeling van alle Europeesche natiën gewerkt heeft, zullen wij in het vervolg onzer geschiedenis hebben aan te wijzen, wij besluiten daarom deze afdeeling der geschiedenis met een laatste woord van hulde en dank voor den grooten man, die, al was hij ook geen heilige, gelijk zijne blinde vereerders ons gaarne zoudendoen gelooven, toch een der edelste vorstenzonen geweest is, die ooit geleefd hebben2.1Oranje was na den dood van Charlotte van Bourbon voor de vierde maal gehuwd, en wel met Louise de Coligny, de dochter van den beroemden admiraal, die in den Bartholomeüsnacht vermoord was.2Volkomen verdiend was de hulde, door de Staten aan ’s prinsen nagedachtenis gebracht. Zij deden hem niet alleen op ’s lands kosten ter aarde bestellen, maar richten ook later boven zijn graf in de nieuwe kerk te Delft een zeer schoon gedenkteeken op.Twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. De zonen van den prins van Oranje. Graaf Maurits van Nassau. Treurige toestand des lands. Moedige verklaring der Staten. Vergadering van de Staten-Generaal. Aanstelling van den Staatsraad en van graaf Maurits van Nassau. Gent door de Spanjaarden hernomen. Verstandige zachtmoedigheid van Parma. Vruchtelooze onderhandelingen der Staten-Generaal met koning Hendrik III van Frankrijk. Groote voordeelen, door Parma behaald. Brussel ingenomen. De akademie te Franeker gesticht. Belegering van Antwerpen. Aldegonde’s verdediging. Farnese’s schipbrug en kanaal. Gianibelli’s branders. Val van Mechelen en Antwerpen. Gevolgen van Antwerpen’s val. De zuidelijke gewesten van de Unie losgemaakt. Verhuizing van de rijke protestanten naar Holland. Ondankbaarheid der Nederlanders jegens Aldegonde.De tijding van ’s prinsen dood bracht schier overal in de Nederlanden eene diepe verslagenheid, eene innige droefheid te weeg. En zoo ooit, dan was hier die droefheid volkomen gerechtvaardigd; slechts met angst konden de Nederlanders een blik in de toekomst werpen, sinds hun in den prins de ziel van hun vrijheidskamp ontroofd was. Hij kon door niemand vervangen worden. Te vergeefs zagen de vrienden des vaderlands onder de edelen naar een enkelen om, die in staat zou geweest zijn om de tegenstrijdige belangen der verschillende gewesten te verzoenen, gelijk Willem van Oranje gedaan had. Niemand vonden zij, wien zij een onbepaald vertrouwen konden schenken, dien zij met eene even uitgebreide macht aan het hoofd der regeering hadden kunnen plaatsen.Op Oranje’s zonen vestigde zich natuurlijk in de eerste plaats de algemeeneopmerkzaamheid. Zijn oudste zoon, Philips Willem, leefde in Spanje; hij was tengevolge van zijne opvoeding—gelijk we reeds opmerkten—in godsdienst en denkwijze een Spanjaard geworden. Van hem was dus niets te hopen en evenmin van den jongsten zoon, Frederik Hendrik, die nog een kind was.Zoo bleef dus alleen Maurits, Willem’s tweede zoon uit zijn huwelijk met Anna van Saksen, over. Hij was op dat tijdstip 17 jaar oud en studeerde aan de Leidsche Hoogeschool. Maurits was een talentvol jonkman, die reeds als knaap schitterende geestesgaven en een buitengewonen persoonlijken moed aan den dag gelegd had. In meer dan één opzicht geleek hij op zijn grootvader, den beroemden Maurits van Saksen, die eerst de vriend, daarna de tegenstander van keizer Karel V geweest was, en dezen uit Innsbrück verdreven had. Dat hij een goed soldaat, misschien een uitstekend veldheer worden zou, was bij zijne ingenomenheid met de krijgswetenschappen nauwelijks aan twijfel onderhevig. Doch wel was het de vraag, of hij met den moed zijns grootvaders ook de schitterende staatkundige bekwaamheden en de zelfopofferende liefde voor de volksvrijheid zijns vaders geërfd had, daaraan toch hadden de Nederlanders in die dagen dringend behoefte.Wie kon zeggen, hoe de zeventienjarige jongeling zich zou ontwikkelen, of hij als man zou beantwoorden aan de verwachtingen, welke zijne kindsheid en jongelingsjaren hadden opgewekt? En toch richtten aller oogen zich op hem. Hij droeg den gevierden en geliefden naam zijns vaders, dien de Nederlanders met hooge ingenomenheid ook hun vader, den vader des vaderlands noemden. Geen anderen afstammeling van de hooge adellijke geslachten durfden zij vertrouwen, daar bijna alle aanzienlijke Nederlandsche heeren door oogendienst en verraad de achting des volks verspeeld hadden.De toestand des lands was juist in die dagen hoogst treurig. De kassen waren ledig en bij den onwil der verschillende standen bestond er geen middel om ze in zoover te vullen, dat ten minste de noodzakelijkste oorlogskosten betaald konden worden. Het krijgsvolk was verwilderd, tot oproer geneigd, ja een schandelijk gespuis, dat liever roofde dan vocht. Bovendien ontbrak het aan bekwame officieren, aan een beproefd veldheer, want de graaf van Hohenlohe, die het opperbevel voerde, had tot heden nog volstrekt geene lauweren geplukt. Hierbij kwam het gebrek aan staatkundige orde in de opgestane gewesten, die er nog altijd niet toe hadden kunnen besluiten, zich eene algemeen erkende, op wettige wijze tot stand gebrachte staatsregeling te scheppen; de adel en de burgerij twistten nog over de verschillende rechten, die aan beiden volgens de staatsregeling zouden toekomen. Overal, waarheen men in de Nederlanden de oogen ook wendde, aanschouwde men ellende en nood, verwarring en onzekerheid, twist tusschen de partijen, die tegenover den machtigen vijand eensgezind hadden moeten zijn. Ook het monster van den godsdiensttwist had machtiger dan ooit het hoofd weer opgestoken; de katholieken legden in de zuidelijke Nederlanden, waar zij de meerderheid uitmaakten, menigmaal grooten lust aan den dag om zich met de Spanjaarden te verstaan, zelfs twee sekten in de protestantsche kerk, de Lutherschen en Calvinisten, waren onderling in twist gewikkeld. Wel waren tot dusver alleen Henegouwen en Artois door het erkennen van de Spaansche heerschappij voor goed van de overige gewesten losgemaakt, doch reeds warende Spanjaarden onder de uitstekende en voorspoedige aanvoering van den hertog van Parma diep in de overige provinciën doorgedrongen; Gent, Antwerpen en zelfs de hoofdstad Brussel werden bedreigd.Inderdaad, het zag er bijna wanhopig uit in de Nederlanden, toen Willem van Oranje de oogen sloot, en hooge lof komt toe aan die edele vrijheidshelden, die aan elk gevaar moedig het hoofd boden en—gelijk de Staten van Holland deden—op den dag zelven van den moord verklaarden, dat zij vast besloten hadden de goede zaak met Gods hulp tot het uiterste te verdedigen, zonder goed of bloed te ontzien. Deze verklaring zonden de Staten van Holland aan den opperbevelhebber, den graaf van Hohenlohe, aan den stadhouder van Friesland, graaf Willem Lodewijk van Nassau, en aan de overige Staten en de bevelhebbers aan de grenzen.De verklaring der Staten van Holland vond bij de Nederlanders eene gunstige ontvangst. Den 18enAugustus kwamen de Staten-Generaal der Unie, waartoe thans ook de meeste in opstand verkeerende gewesten waren toegetreden, te Delft bijeen. Zij droegen de regeering des lands op aan een Raad van State, bestaande uit 18 personen, uit de provinciën Brabant, Vlaanderen, Mechelen, Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland. Aan het hoofd van dit lichaam stelden zij den 17jarigen graaf Maurits van Nassau.Door dezen maatregel verkreeg de regeering der Nederlanden wel wat meer vastheid dan vroeger, maar toch was zij niet voldoende om de Staten-Generaal tot eendrachtig handelen te bewegen, terwijl Parma juist in dien tijd steeds grootere voordeelen behaalde. Vele steden gaven zich aan hem over, onder anderen Gent, den 17enSeptember 1584.Met het meeste beleid trok Farnese van zijne voordeelen partij. In tegenstelling met de vroegere stadhouders van Philips II legde hij jegens de steden, die zich aan hem overgaven, eene groote mate van zachtmoedigheid aan den dag. Hij bevestigde al hare oude rechten en vrijheden, hij verbood zijnen soldaten het moorden en plunderen en zelfs de protestanten behandelde hij met veel meer verschooning dan zij verwacht hadden. Hij stond hun toe, nog twee jaar te Gent te blijven om in dien tijd òf tot de katholieke kerk terug te keeren, òf, wanneer zij dat niet wilden, op hun gemak hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten. Hierdoor handelde hij in den geest der katholieken en ontnam hij toch den protestanten in andere aangevallen steden het voorwendsel, dat zij tot den laatsten droppel bloed moesten strijden, omdat zij, volgens de ondervinding vroeger van de Spanjaarden opgedaan, door eene overgave toch hun leven en hunne bezittingen niet zouden redden.DeStaten-Generaalkonden in deze omstandigheden de oogen niet sluiten voor de waarheid, dat zij zonder buitenlandsche hulp niet in staat zouden zijn om op den duur aan Philips’ zegevierenden veldheer het hoofd te bieden. Zij besloten, zich op nieuw tot Frankrijk, en wel ditmaal rechtstreeks tot koning Hendrik III te wenden en hem de souvereiniteit over de Nederlanden aan te bieden.Intusschen waren de tijden op eene voor de Nederlanders hoogst treurige wijze veranderd, deze konden niet langer, gelijk vroeger den hertog van Alençon, thans den koning op fieren toon hunne voorwaarden stellen, zij moesten zich getroosten hunne eischen grootelijks te matigen, ja zelfs toestaan, dat de Nederlanden bij het Fransche rijk zouden worden ingelijfd.De toegevendheid der Staten-generaal verwekte intusschen in Holland groote ontevredenheid. Een aantal steden, zooals Amsterdam, Gouda en Monnikendam, dienden protesten in, doch de Staten-generaal sloegen daarop geen acht. Toen Alexander Farnese steeds nieuwe voordeelen behaalde, gingen zij in hunne toegevendheid jegens den Franschen koning zoo ver mogelijk, ten einde maar Frankrijks hulp tegen Spanje te verwerven. Zij deden afstand van de belangrijkste rechten des lands, die den vorstentrots van Hendrik III zouden kunnen krenken, onder anderen van het recht der Staten-generaal om samen te komen, ook zonder bijeengeroepen te zijn. Hunne inschikkelijkheid en hunne dringende beden bleven evenwel zonder vrucht.Wel gevoelde Hendrik III grooten lust om de heerschappij over de Nederlanden te aanvaarden, doch aan den anderen kant duchtte hij de vijandschap van Philips II van Spanje, die met de ligue een vormelijk verbond gesloten had, en die daarom, in geval er een oorlog uitbrak, op de ondersteuning van de dweepzieke katholieken onder aanvoering van de Guises rekenen kon. De Nederlanders konden hem bij zulk een oorlog niet van nut zijn, want zij hadden zelven behoefte aan ondersteuning, of boden zij hem niet de souvereiniteit alleen aan, om zijne hulp zich te verwerven? Hoewel koning Hendrik van Navarre en zelfs Catharina de Medici Hendrik III dringend aanrieden, het aanzoek der Nederlandsche gezanten in te willigen, kon deze daartoe toch niet besluiten. Hij ontsloeg de gezanten met zeer onbepaalde verzekeringen van zijne groote liefde voor hun land, met niets zeggende beloften van latere hulp en met de aansporing om verder even trouw jegens Frankrijk gezind te blijven als tot heden. Doch met zulke woorden waren de Nederlanders niet gediend en zij zagen zich thans des te meer genoodzaakt, naar andere hulp om te zien, dewijl intusschen de hertog van Parma op nieuw groote voordeden behaald had.De zachtmoedigheid, door Farnese jegens de Gentenaars aan den dag gelegd, had goede vruchten gedragen. In de steden, die belegerd werden, vormde zich lichtelijk eene partij, die op overgave aandrong, en natuurlijk bij alle zwakke en lafhartige karakters steun vond. Zelfs de protestanten, die vroeger, in het bewustzijn dat ook bij eene capitulatie hun leven verbeurd was, met den moed der wanhoop gestreden hadden, betoonden zich thans zeer geneigd tot onderhandelingen, terwijl de katholieken meer en meer de Spaansche belangen omhelsden. Zoo viel Brussel, de belangrijke hoofdstad, en toen Farnese zich ook hier even zachtmoedig gedroeg als te Gent, verklaarden ook andere Brabantsche steden zich tot de overgave geneigd. Weldra was geheel Brabant, met uitzondering van Mechelen en Antwerpen, weder aan den koning onderworpen.Ook in de overige provinciën maakte de hertog van Parma groote vorderingen, dewijl de Staatsche veldheer, de graaf van Hohenlohe, volstrekt niet de noodige bekwaamheid bezat om de ongeoefende Nederlandsche troepen tot een krachtig en geoefend leger te vormen. Verschillende belangrijke steden, onder anderen ook Nijmegen, gaven zich zonder slag of stoot aan Parma over, dewijl de katholieke burgers door oproerige bewegingen den magistraat tot de overgave noodzaakten1. Van het grootstebelang was het voor Parma, ook Antwerpen weer aan ’s konings macht te onderwerpen. Hij zelf zeide, dat de rijke handelsstad de voedster van den krijg was, dat hij de bijl aan den wortel des booms wilde leggen en dat, zoodra Antwerpen gevallen was, ook Holland en Zeeland moesten volgen. Deze beide provinciën, die het hart van den opstand waren, wilde Farnese door de grootst mogelijke inschikkelijkheid, zelfs door het toestaan van de gewetensvrijheid voor zich winnen, doch opdat zijne aanbiedingen door de Hollanders en Zeeuwen ten volle gewaardeerd zouden worden, was het noodzakelijk, eerst Antwerpen te heroveren, en tot deze onderneming spande Farnese dan ook al zijne krachten in.Willem van Oranje had dit reeds voorzien en daarom den getrouwsten der getrouwen, Marnix van St. Aldegonde, tot burgemeester van Antwerpen aangesteld en der burgerij op het hart gedrukt, een zekeren dijk door te steken, het land onder water te zetten, en daardoor den Spanjaarden het versperren van de Schelde onmogelijk te maken, opdat de stad, in geval zij belegerd werd, ten allen tijde van Holland uit, ontzet zou kunnen worden.Aldegonde spande al zijne krachten in, om de plannen van den prins ten uitvoer te leggen; doch al zijne pogingen leden schipbreuk op den onwil en het eigenbelang der burgerij. De leden van het slachtersgild zouden door het doorsteken van den dijk de weide voor 12.000 stuks rundvee verloren hebben. Deze verzetten zich derhalve tegen den tot beveiliging der stad noodzakelijken maatregel en beweerden spottend, dat een stroom, gelijk de Schelde, noch door eene brug, noch door een ketting versperd worden kon. Weldra zouden zij het anders leeren inzien; maar wanneer zij dan hun tegenstand lieten varen, zou het te laat zijn, dewijl Parma den dijk bezet had.Farnese gebruikte den winter van 1584 op 1585 om die merkwaardige brug over de Schelde te voltooien, welke den val van Antwerpen beslissen zou. Op de beide oevers der rivier werden reusachtige paalwerken in den grond geslagen en door 32 platbodemvaartuigen verbonden. Deze schipbrug werd door 97 kanonnen verdedigd.Ten einde de groote menigte bouwstoffen voor de brug aan te voeren, liet Farnese een afzonderlijk kanaal graven, dat het land van Waes ter lengte van 14.000 voet doorsneed en dat tevens diende om den belegeringstroepen zonder moeite de noodige levensmiddelen te verschaffen. Dit kanaal is later voor die streek een ware zegen geworden. Het heeft de ontginning van het vroeger dorre en onvruchtbare land van Waes mogelijk gemaakt.Vóór de voltooiing van de brug zou het nog mogelijk zijn geweest, Antwerpen althans van levensmiddelen voor een langdurig beleg te voorzien, doch ook dit geschiedde niet. De rijken wilden hunne schatten niet afstaan, om koren, dat zeer hoog in prijs was, in groote hoeveelheid in te koopen. Ook de Hollandsche vloot zou nog bij machte zijn geweest om de stad te ontzetten, zij had althans eene poging kunnen wagen om het bouwen van de brug te verhinderen, doch de werkzaamheid der vloot was helaas! door een partijtwist verlamd. De admiraal Bloys van Treslong, een der veroveraars van den Briel, een oud en trouw aanhanger van den prinsvan Oranje, was het slachtoffer geworden van de vijandige gezindheid van eenige leden der admiraliteit: hij was in hechtenis genomen en aangeklaagd en ontving eerst later zijne vrijheid terug.Nadat de brug voltooid was, zag Aldegonde zijne hoop om Antwerpen tegen den overmachtigen vijand te verdedigen, meer en meer verzwinden. Toch trachtte hij de burgerij tot eene krachtige verdediging op te wekken, en nog eenmaal flikkerde eene straal van hoop op overwinning.Gianibelli, een bouwmeester uit Mantua, die sinds eenige jaren te Antwerpen woonde en zich met hart en ziel aan de zaak der Nederlandsche vrijheid toegewijd had, ondersteunde Aldegonde krachtig in zijne pogingen om de belangrijke stad te behouden. Hij vond een vreeselijk helsch werktuig uit, eene soort van branders, die in den nacht van den 4enApril tegen de schipbrug der Spanjaarden aangewend werden en eene inderdaad ontzettende uitwerking te weeg brachten. Een groot deel der schipbrug werd door de uitbarsting vernield.„De hemel,” zegt Hooft, „scheen te scheuren, de hel hare kaken te openen. De vuurgloed verslond of verpletterde bij den slag de meesten, die zich op het paalwerk of in de schepen der brug bevonden. Eerst stond de lucht in vollen gloed, daarop heerschten een dikke damp en de duisternis van den nacht. De stroom vloog uit zijne bedding en vulde zoowel het fort St. Marie als de aangrenzende velden, over een omtrek van drie mijlen schudde de aarde, binnen een halve mijl bleef niemand op de been; de in de lucht geslingerde steenen vlogen tot op een afstand van eene vierde mijl en drongen ter diepte van negen voet in den grond. Vreeselijker nog dan de half vernielde brug was de aanblik der dooden of verminkten. De Spanjaarden betreurden 500 dooden, de onzen spraken van 800 lijken.”Ook Farnese was tengevolge van de uitbarsting ter aarde geworpen en ter nauwernood aan den dood ontsnapt.Een panische schrik had zich terstond na de uitbarsting van de Spanjaarden meester gemaakt, zelfs de onverstoorbare koelbloedigheid van den hertog was in de eerste oogenblikken niet bij machte om dien te overwinnen. Indien de Antwerpenaars op dat tijdstip een aanval op de Spaansche legerplaats gedaan hadden, indien de Hollandsche vloot hen daarbij ondersteund had, dan zou de zegepraal der Nederlanders ontwijfelbaar zeker zijn geweest, dan ware Antwerpen gered. Maar niets van dit alles gebeurde. In de stad was de valsche tijding gebracht, dat het niet gelukt was, de brug in de lucht te doen vliegen en toen men twee dagen later eindelijk de waarheid vernam, was het te laat. De schrik der Spanjaarden was bedaard en aan Parma’s kalme en onvermoeide bedrijvigheid was het gelukt, de door de helsche machine aangerichte schade te herstellen.Alle verdere pogingen der belegerden tot verdediging van hunne stad mislukten, ook van buiten kwam geene hulp opdagen en reeds begonnen de levensmiddelen schaarsch te worden. De burgerij sloeg thans aan het morren en eischte, dat de stad zou worden overgegeven, toen zij vernam, dat ook het sinds geruimen tijd belegerde Mechelen gevallen was.Te vergeefs verzette Aldegonde zich tegen deze eischen, hij werd gedwongen om onderhandelingen met Parma aan te knoopen en dewijl deze bereidwillig de meest gematigde voorwaarden toestond, volgde den 1enAugustus 1585 de overgave der stad. De hertog hield zijn woord, nadat hij zijne zegepraal met een plechtigen intocht binnen Antwerpen bekroond had.De stad bleef in het bezit van al hare oude vrijheden. Den protestanten werd het vergund, nog vier jaren lang in hunne woonplaats te blijven en, wanneer zij dan niet in den schoot der moederkerk wilden terugkeeren, hunne goederen te verkoopen en te verhuizen. Voorloopig kreeg Antwerpen wel eene Spaansche bezetting onder bevel van Mondragon, doch Farnese beloofde, deze troepen terug te zullen trekken, zoodra Holland en Zeeland onderworpen waren.De val van Antwerpen oefende op het lot der Nederlanden een beslissenden invloed uit. Hij maakte de zuidelijke provinciën voor altijd van de noordelijke, door de Unie van Utrecht vereenigde gewesten los. Doch terwijl deze door het verlies der belangrijke stad voor het uiterlijke verzwakt werden, namen zij daardoor te gelijkertijd in innerlijke kracht toe. In de zuidelijke gewesten verloren zij twijfelachtige bondgenooten, wier eigenaardige zeden en begrippen zij tot dusver altijd hadden moeten ontzien. Daarentegen schonk de aankomst der rijkste protestantsche inwoners van Gent, Antwerpen en andere steden hun eene rijke aanwinst. Deze rijke protestanten moesten naar Holland verhuizen, dewijl Parma wel, overeenkomstig zijne belofte, de ketters niet belette hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten, maar ook evenmin duldde, dat zij zonder van kerkgeloof te veranderen in de door hen veroverde steden bleven wonen.Niet alleen voor het geheele land, ook voor éénen man was de val van Antwerpen noodlottig. Aldegonde, die zoo ijverig zijne beste krachten ingespannen had om de stad tegen de Spanjaarden te verdedigen, moest na haren val van alle zijden de scherpste verwijten hooren. Men gaf hem de schuld van het verlies van Antwerpen, ja men behandelde hem bijna als een verrader. Zijn staatkundige invloed was voor goed geknakt, slechts zelden werd van nu af nog zijne stem vernomen. Hij wijdde zich bijna uitsluitend aan letterkundigen arbeid.Ook Marnix van St. Aldegonde heeft in het lot van zoovele groote mannen gedeeld;de trouwe diensten, door hem aan het vaderland bewezen, zijn met ondank vergolden, doch het nageslacht heeft hem recht doen wedervaren.1Het is een merkwaardig verschijnsel dat—terwijl alle provinciën en ook Friesland zwaar onder den druk van den rampspoedigen oorlog zuchtten—de Nederlanders toch hunne liefde voor de wetenschap niet verloren. Juist in het treurige jaar 1585 stichtte de stadhouder Willem Lodewijk van Nassau te Franeker eene academie, welke zich later onderscheiden zou door vele uitstekende mannen, die daar werkzaam waren.
Negentiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Langzame voortzetting van den oorlog. Alexander Farnese’s heldenmoed. Inneming van Oudenaarden. Onafgebroken uitbreiding der Spaansche macht. Ongunstige stemming jegens den prins van Oranje. Hooggeplaatste verraders. De graaf van den Berg. De prins van Chimay. Champagny en Hembyze. De samenzwering te Gent. Verlies van Brugge. Het noodlottige jaar 1584. Mislukte moordaanslag op den prins van Oranje. Balthasar Geraerts. Zijne onderhandelingen met Parma. Geraerts in dienst van Oranje. Willem van Oranje vermoord. Lot van den moordenaar. De erfgenamen van den moordenaar door Philips II beloond. Blik op de werkzaamheid van den prins van Oranje.Willem van Oranje en de Nederlanders hadden bij het verkiezen van Anjou op eene krachtige ondersteuning van Frankrijk’s zijde in den oorlog tegen Parma gerekend. Doch ook deze hoop was verijdeld. De hulp door Frankrijk verleend, beteekende zoo weinig, dat het den Nederlanders nergens gelukte, eenig voordeel op de Spanjaarden te behalen.Het was voor hen een geluk, dat ook Parma niet in staat was om den strijd zoo krachtig door te zetten als hij wel gewenscht had. Het ontbrak hem aan geld, aan manschappen, aan levensmiddelen, kortom aan alles, wat hij tot het voeren van den oorlog noodig had, want Philips II liet ook hem, evenals zijne vroegere stadhouders, aan zijn lot over. Slechts zijn onwankelbaren moed, zijn beleid en zijne rotsvaste standvastigheid bezat Farnese en aan deze zijne persoonlijke hoedanigheden had hij het te danken, dat hij niet overwonnen werd, maar integendeel bestendige, schoon dan ook langzame vorderingen maakte, dat hij allengs een aantal belangrijke steden weer aan de Spaansche heerschappij onderwierp.De veerkracht, door Parma in het voeren van den oorlog aan den dag gelegd, was inderdaad bewonderenswaardig; in persoon was hij overal tegenwoordig, waar het gevaar het grootste was; door zijn eigen met alle doodsgevaar spottenden heldenmoed ontvonkte hij zijne soldaten in geestdrift, door zijne onverbiddelijke gestrengheid dwong hij hen tot orde en tucht.Toen er, tijdens het beleg van Oudenaarden in 1582, een oproer in zijne legerplaats uitbrak, wierp hij zich midden tusschen de muiters, éénhunner stiet hij met eigen hand neer, de overigen liet hij door een regiment ruiterij omsingelen en twintig der schuldigsten ophangen; zóó dwong hij de muiters tot gehoorzaamheid.Bij dezelfde belegering was hij op zekeren dag bezig met het oprichten van eene batterij tegen een zwak punt der vesting. Dewijl hij dit gewichtig werk geen oogenblik zonder opzicht wilde laten, liet hij zijn middagmaal op de batterij brengen. Juist gebruikte hij het in gezelschap van een aantal officieren, toen een uit de stad afgeschoten kogel over de tafel vloog en een jong officier, die naast hem zat, het hoofd wegnam. Een tweede, even juist gerichte kogel kostte een ander officier, die ook aan tafel zat, het leven.Alle gasten des veldheers sprongen verschrikt op. Alleen Farnese bleef met eene onverstoorbare kalmte aan tafel zitten; hij beval, de door het bloed verontreinigde spijzen door anderen te vervangen en de lijken weg te dragen en verzocht daarop zijnen gasten, weer plaats te nemen. Zij moesten zijn wensch wel vervullen, hoewel zij aan dien gevaarvollen disch volstrekt niet op hun gemak waren.De dapperheid en geestkracht van Farnese droegen rijke vruchten: Oudenaarden werd genomen en andere steden ondergingen hetzelfde lot. De Spaansche macht breidde zich wel langzaam maar onafgebroken in de Nederlanden uit.Van groot voordeel was voor Farnese de tweespalt, die er tusschen den hertog van Anjou en de Nederlanders uitgebroken was. Nadat Farnese Eindhoven, Diest en andere plaatsen in Brabant ingenomen en den Franschen maarschalk Biron te Steenbergen verslagen had, kon hij zijne wapenen tegen West-Vlaanderen keeren en ook hier behaalde hij belangrijke voordeelen, dewijl ten gevolge van Anjou’s trouwloosheid deze deelen des lands weerloos aan zijn aanval blootgesteld waren.Duinkerken, Nieuwpoort, Veurne, Dixmuiden en Yperen (de laatste stad eerst na eene langdurige belegering in April 1584), Axel, Hulst en Rupelmonde in Oost-Vlaanderen en zelfs Aalst en andere steden werden door de Spanjaarden de eene na de andere ingenomen en Gent bedreigd.Niet alleen aan zijne dapperheid en zijn veldheerstalent, maar ook aan het verraad van hooggeplaatste Nederlanders en de ontevredenheid van vele patriotten over den prins van Oranje dankte Farnese zijne overwinningen.De fijne staatkundige berekening, welke den prins van Oranje bewogen had om niet geheel met den hertog van Anjou te breken, ook nadat diens verraad voor aller oogen ontsluierd was, had onder de Nederlanders veel kwaad bloed gezet. Men verweet den prins met een schijn van recht, dat hij van plan was, het land aan de Franschen over te leveren en vele vrienden der vrijheid, vooral in de Zuidelijke gewesten, verkozen, indien zij toch eenmaal een vreemden vorst moesten gehoorzamen, den koning van Spanje boven dien van Frankrijk. Koning Philips II had althans het erfrecht voor zich en was bovendien geen grooter dwingeland en wreedaard dan de met bloed bevlekte Fransche koning.Zulke denkbeelden werden in vele Nederlandsche steden openlijk uitgesproken; zelfs te Antwerpen had dit plaats en dit was oorzaak, dat de prins eene stad verliet, waar hij straffeloos beleedigd was.Van deze ongunstige stemming des volks trokken wederom hooggeboren verraders partij. De gouverneur van Gelderland, de graaf van denBerg, Oranje’s eigen zwager, trad met Alexander Farnese in onderhandeling; ten einde de genade van koning Philips te koopen, verbond hij zich om de aanzienlijkste steden van Gelderland, met Zutfen aan het hoofd, den Spanjaarden over te geven. Bij de inneming van Zutfen (22 September 1583) kwam zijn verraad aan den dag. Hij werd in November in hechtenis genomen, naar den Haag gebracht en eenigen tijd te Delfshaven gevangen gehouden. Zijne verwantschap met den prins van Oranje bezorgde hem evenwel spoedig de vrijheid terug en hij maakte daarvan terstond gebruik om openlijk met zijn zoon in des konings dienst over te gaan.Een ander verrader van hoogadellijken bloede was Karel vanCroy, prins van Chimay, de zoon van den hertog van Aerschot. Chimay had zich door den ijver, welken hij voor het protestantisme aan den dag legde, en tengevolge waarvan hij met zijn vader in oneenigheid leefde, het vertrouwen der patriotten verworven;hij was tot gouverneur van Vlaanderen benoemd. Doch nauwelijks had hij dit gewichtig ambt aanvaard, of hij knoopte eene geheime briefwisseling met Farnese aan, om dezen zijne hulp aan te bieden. Hij werd in zijne verraderlijke plannen ondersteund door twee mannen, die vroeger een tijd lang voor vurige vrienden der vrijheid waren doorgegaan, door Champagny, Granvelle’s broeder en door Hembyze, den voormaligen dictator van Gent, den vroegeren republikein, die alleen aan de genade van den prins van Oranje zijn verbeurd leven te danken had.Hembyze was naar Gent teruggekeerd met een hart vol haat tegen den prins. Binnen korten tijd had hij zich weer een uitgebreiden invloed op de Gentsche burgerij verworven, hij gebruikte dien om, in verstandhouding met Champagny en Chimay, de overgave van Gent aan de Spanjaarden en de overlevering van geheel Vlaanderen aan koning Philips en de inquisitie voor te bereiden.Hembyze vond bij een deel der burgerij een geopend oor, doch ook de vrienden der vrijheid zaten niet stil. Zij spanden hunne uiterste krachten in, om het overwicht binnen de stad te behouden, zij bespiedden Hembyze zoo scherp mogelijk en toen deze eene expeditie tegen Dendermonde op het touw zette, om deze plaats den Spanjaarden over te leveren, waarschuwden zij den bevelhebber Ryhove, den voormaligen vriend, maar nu den verbitterden tegenstander van Hembyze nog bijtijds. Rijhove liet zijn vroegeren makker gevangen nemen en deze werd te Gent als verrader ter dood gebracht. De Gentenaars waren niet zoo genadig als eens de prins van Oranje was geweest.De katholieke partij had in Hembyze haar hoofd verloren, zij moest zich voorloopig aan de maatregelen harer tegenstanders onderwerpen. De onderhandelingen met Farnese werden afgebroken en de burgerij verklaarde, dat zij trouw bleef aan de Unie. Haar voorbeeld werd door de meeste overige Vlaamsche steden gevolgd; alleen Brugge werd door den prins van Chimay den 20enMaart aan Parma overgegeven.Was het schandelijk verraad van den prins van Chimay reeds een groote ramp voor de Nederlanders, een nog veel zwaarder slag zou hen in het noodlottige jaar 1584 treffen.Koning Philips II had, sinds hij den prins van Oranje vogelvrij had verklaard, onophoudelijk pogingen aangewend om dat vonnis uit te voeren. Hoe meer hij bemerkte, dat Willem van Oranje al zijne bedreigingen trotseerde,dat noch de belofte van koninklijke gunst en rijke belooning, noch de vrees voor den dolk eens sluipmoordenaars den edelen kampioen voor de Nederlandsche vrijheid tot ontrouw aan zijne roeping kon verleiden, des te vuriger wenschte Philips den gevreesden man uit den weg te ruimen. Ook Alexander Farnese koesterde dezelfde begeerte; zijn besluit stond vast om den man, dien hij niet overwinnen kon, door sluipmoord uit den weg te ruimen.Verschillende pogingen waren tot bereiking van dat doel—gelijk we reeds verhaalden—aangewend en mislukt; zij werden gevolgd door andere, die evenmin slaagden, maar ontdekt werden, nog eer zij tot een begin van uitvoering waren gekomen. In Maart 1583 werd te Antwerpen een zekere Pietro Ordagno ter dood gebracht, nadat hij bekend had, dat hij in Spanje gehuurd was om den prins te vermoorden. Een dergelijk lot onderging om dezelfde reden in April 1584 Hans Hanszoon, een koopman uit Vlissingen.Doch al deze mislukte pogingen schrikten Farnese niet af: telkens liet hij zich op nieuw met wanhopige, avontuurlijke waaghalzen in, die hem beloofden den prins te zullen vermoorden; doch eindelijk verloor hij zijn geduld, dewijl de meesten van hen, die geld van hem vroegen om zich voor den aanslag voor te bereiden, niets anders waren dan ellendige bedriegers, die er volstrekt niet aan dachten hun kostbaar leven door een hoogst gevaarlijken sluipmoord in de waagschaal te stellen.Het was in April van het jaar 1584, dat zich bij Farnese andermaal een man aanmeldde, die zich bereid verklaarde tot de hoogst gevaarlijke onderneming. Hij was een zekere Balthasar Geraerts, een jonge man uit Bourgondië, wiens ouders te Villefrans woonden.Geraerts was een dweepziek katholiek, wien het plan om Oranje te vermoorden zoowel door woedenden geloofshaat als door begeerte naar de hooge, door den Spaanschen koning uitgeloofde belooning ingegeven was. Hij werd daarin versterkt door een Jezuïet, die hem te Trier bezocht en die hem verzekerde, dat hij, ingeval hij bij den moord het leven inschieten mocht, terstond den hemel binnengaan en eene plaats innemen zou onder de glorierijke martelaars, die voor de heilige kerk gestorven waren.Zulke woorden vermeerderden Geraerts’ zelfvertrouwen, zij deden een onbepaald plan rijpen tot een vast besluit, dat volstrekt niet aan ’t wankelen gebracht werd, toen een ander Jezuïet, wien hij het evenzeer toevertrouwde, het hem ontried, niet omdat deze vrome man het vermoorden van den prins als eene misdaad beschouwde, maar wijl hij vreesde, dat daaruit nadeelige gevolgen voor de kerk konden voortvloeien.Geraerts vertrok van Trier naar Doornik; hier raadpleegde hij een anderen geestelijke, den beroemden Franciscaner monnik pater Géry, en op nieuw werd hij door de vrome woorden van dezen man in zijn plan versterkt. Thans wendde hij zich tot Alexander Farnese, wien hij in persoon een brief overgaf, waarin hij zijn plan had blootgelegd.Parma, die reeds zoo dikwijls bedrogen was, gevoelde des te minder lust om zich met den jongen Bourgondiër in te laten, dewijl deze op hem volstrekt geen gunstigen indruk maakte. Geraerts was een klein, mager, zwak man van een onbeduidend uiterlijk. Hij was op dat tijdstip 27 jaar oud, doch hij scheen veel jonger. Niets was er in zijn gelaat, hetwelk verried, dat hij voor een onverzettelijk besluit vatbaar was en dat hij de buitengewone en treurige geestkracht bezat, noodig om een zoo gevaarlijkplan als dat, waarvan hij zwanger ging, ten uitvoer te leggen. Farnese meende, dat hij op nieuw met een bedrieger te doen had; hij gaf Geraerts op eene tamelijk onvriendelijke wijze zijn afscheid en alleen op aansporing van eenige bijzondere vrienden, wien hij de zaak meedeelde, vooral van Claudius van Barlaimont, heer van Haultepenne, besloot hij, de zaak niet geheel ter zijde te zetten, maar een zijner raadslieden tot den vreemdeling te zenden, om te vernemen welke uitzichten deze op het gelukken van zijn plan koesterde.Geraerts verklaarde, dat hij van plan was, het masker van een ijverig protestant voor te hangen, zoo in het vijandelijke kamp binnen te sluipen en daar in des prinsen dienst te treden. Op deze wijze zou hij wel gelegenheid vinden om den prins te vermoorden. Hij vroeg een voorschot van ongeveer ƒ 75, om een tijd lang in zijn onderhoud te kunnen voorzien.Het plan scheen goed overlegd. Alexander Farnese hechtte er zijne goedkeuring aan, maar een voorschot wilde hij niet geven. Hij wilde niet weer bedrogen worden. Zijn geheimraad, de heer van Assonleville, die de onderhandelingen met Geraerts voortzette, beloofde dezen wel eene rijke belooning, zoo de onderneming gelukte, maar van een voorschot wilde hij niets weten.„Goed,” antwoordde Geraerts,„dan zal ik op mijne eigene kosten reizen en eer er zes weken verloopen zijn, zult gij van mij hooren!”„Ga mijn zoon,” hernam Assonleville met vaderlijk welgevallen. „Ga en voleindig uw werk! Wanneer gij het volbrengt, zal de koning aan u niet alleen houden wat hij u beloofd heeft, maar gij zult u bovendien de onsterfelijkheid verwerven.”Geraert’s besluit stond vast en hij bracht het met eene veerkracht en eene sluwheid ten uitvoer, eener betere taak waardig. Hij begaf zich naar Delft en stelde zich hier onder den naam François Guyon voor aan een vriend van den prins van Oranje, in wiens dienst hij wilde treden. Hij verhaalde, dat hij de zoon was van een protestant, die te Besançon den marteldood voor zijn geloof gestorven was, en veinsde eene vurige liefde voor de hervorming. Nooit ging hij uit zonder bijbel of gezangboek. Geene enkele gereformeerde godsdienstoefening sloeg hij over.Zijne huichelarij droeg de door hem gewenschte vruchten. Hij werd in den dienst van den prins van Oranje opgenomen, maar zeer tegen zijn wensch tot eene zending naar Frankrijk gebruikt. Hier bleef hij tot den dood van den hertog van Anjou, en tot zijne groote blijdschap ontving hij in last, het bericht van diens overlijden aan den prins van Oranje over te brengen. Zoo snel mogelijk legde hij zijne reis af en den 8enJuli 1584 kwam hij in den vroegen morgen te Delft aan, waar de prins zich sinds eenigen tijd ophield.Oranje lag nog te bed, toen hij het belangrijke bericht ontving. Hij beval, dat de overbrenger van die stukken, van wien hij nog nadere mededeelingen hoopte te ontvangen, bij hem gebracht zou worden. Te bed liggend ontving hij Geraerts.Was Geraerts niets dan een dweper geweest, die alleen uit liefde tot de kerk den ketterschen prins vermoorden wilde, dan zou hij reeds toen van de gelegenheid, die zich zoo ongezocht aan hem voordeed, tot uitvoering van zijn plan gebruik gemaakt hebben. Gunstiger toch kon zij nooit wezen! Hij was alleen met den prins; deze lag weerloos te bed en was verdiept in den inhoud der ontvangen stukken, die hij nog eens overlas.Ter nauwernood van het papier opziende, richtte hij eenige vragen tot den bode; hij bemerkte het niet eens, dat Geraerts, sidderend van ontroering, nauwelijks in staat was om hem samenhangende antwoorden te geven.Doch Geraerts was niet alleen een dweper; hij had wel besloten zijn leven te wagen, ten einde den prins te vermoorden, maar hij wilde het niet opofferen, zonder althans eenig uitzicht op redding te kunnen koesteren. De prijs, welken de koning op ’s prinsen hoofd gesteld had, lokte hem niet minder aan als de wensch om den ketter te dooden; hij wilde gaarne de vruchten zijner misdaad genieten. Eerzucht en hebzucht waren in hem nauw met dweepzieken haat tegen den ketterschen prins verbonden.Hij had er niet op gerekend, dat hij terstond na zijne aankomst bij den prins zou worden geroepen en daarom ook niets voor zijne vlucht, na het plegen van den aanslag, in gereedheid gebracht. Een oogenblik kwam wel, toen hij den prins zoo weerloos voor zich te bed zag liggen, de vurige wensch bij hem op, om zich op zijn slachtoffer te werpen—daardoor begaf hem bijna de spraak en kon hij slechts met moeite op de eenvoudige tot hem gerichte vragen antwoorden—, doch even spoedig als die gedachte bij hem opgekomen was, even spoedig week zij weder voor koel en bedaard overleg. Hij trok zich, toen de prins hem zijn afscheid gaf, met eene buiging terug.Willem van Oranje beval in den loop van denzelfden morgen, hem eene zekere som gelds ter hand te stellen, om in zijne behoefte aan schoeisel te voorzien. Geraerts gebruikte het, om zich een paar groote pistolen aan te schaffen en alle mogelijke maatregelen voor zijne vlucht te nemen.Dinsdags, den 10enJuli 1584, wilde de prins, die zijne gemalin1aan den arm leidde, zich naar den maaltijd begeven; in het voorvertrek van de eetzaal ontmoette hij Geraerts, die hem om een paspoort verzocht. Het uiterlijk van den jongen man moest ongetwijfeld in het oog vallen, want de prinses vroeg angstig, wie die bleeke, gejaagde mensch was, en maakte de opmerking, dat zij nog nooit zulk een ongunstig gelaat gezien had als het zijne. Doch Oranje lachte om hare vrees; hij stelde zijne vrouw gerust, geleidde haar naar tafel en was onder den maaltijd, waaraan o. a. ook de burgemeester van Leeuwarden deelnam, opgeruimder dan ooit.Na afloop van den maaltijd wilde de prins zich naar zijne bijzondere vertrekken begeven, hij was juist eenige treden van de naar beneden voerende trap afgedaald, toen Geraerts uit een donkeren schuilhoek ter zijde van die trap naar voren sprong. Op nauwelijks twee voet afstands richtte de moordenaar metkoelbloedigejuistheid zijn pistool op ’s prinsen hart. Hij schoot en drie kogels troffen den prins; een dier kogels drong door het lichaam heen, vloog tegen den muur en stuitte daartegen terug.Oranje gevoelde zich terstond doodelijk getroffen. „Mijn God! ontferm U over mijne ziel! Mijn God! ontferm U over dit arme volk!” riep hij uit. Het waren zijne laatste woorden. Hij zonk neer en zou ter aarde gevallen zijn, indien niet iemand uit zijn gevolg hem in zijne armen opgevangen had.Men bracht den gewonde naar de eetzaal terug en legde hem hier op een rustbed neder. Doch eer men geneeskundige hulp had kunnen inroepen, blies hij in de armen zijner gade en zijner zuster den adem uit.Terstond na het plegen van de euveldaad was de moordenaar op de vlucht gegaan. Met de grootste bedaardheid had hij daartoe alles in gereedheid gebracht. Nauwkeurig met al de toegangen tot ’s prinsen woning bekend, gelukte het hem inderdaad te ontvluchten. Reeds had hij den wal, ja den rand der gracht bereikt, aan welker overzijde een gezadeld paard voor hem gereed stond, toen hij eensklaps struikelde. Dit kleine ongeval verijdelde zijne reddingsplannen. Toen hij weder wilde opspringen, werd hij door de dienaren des prinsen, die hem volgden, gegrepen en gevankelijk naar het slot teruggesleept.Oogenblikkelijk nam men hem in verhoor. Hij wist, dat zijn leven verbeurd was, dat ontkennen hem niets baten zou, en wendde daartoe dan ook geene enkele poging aan. Met de grootste kalmte en koelbloedigheid onderwierp hij zich aan zijn lot. Hij beroemde zich op zijne daad, ja hij vergeleek zich met David, die Goliath gedood had. Toen men hem zeide, dat de prins niet dood, maar slechts zwaar gewond was, schudde hij spottend het hoofd, hij wist maar al te goed, dat zijn pistool met drie vergiftigde kogels geladen was geweest en dat hij het met onfeilbare juistheid op ’s prinsen borst afgevuurd had. Op het verlangen zijner rechters schreef hij met eigene hand eene bekentenis, waarin hij niet alleen de uitvoering van den aanslag zelve, maar ook de maatregelen, voor en na den moord door hem genomen, en de beweegredenen zijner daad nauwkeurig mededeelde. Doch van de omstandigheid, dat Alexander Farnese van zijn plan geweten had, zeide hij niets. Hij verklaarde, dat hij de eenige schuldige was, en dat hij volstrekt geene medeplichtigen had.Volgens de wetten van dien tijd moest de pijnbank worden aangewend, ten einde hem verdere bekentenissen te ontwringen. De eenige man, wiens wil dit misschien zou hebben verhinderd, Oranje, was niet meer in leven. De voorschriften der wet werden dus opgevolgd en wel op de wreedste wijze, want rechters en beulen schepten er een onmenschelijk genoegen in, den ellendigen moordenaar van den geliefden prins van Oranje te martelen.Ook te midden dier martelingen legde Geraerts eene zoo buitengewone standvastigheid aan den dag, dat zijne beulen hem door den duivel bezeten waanden, eindelijk liet hij zich toch eene bekentenis afpersen; hij verhaalde zijne onderhandelingen met den Jezuïet te Trier, met pater Géry en met den heer van Assonleville, welke wij onzen lezers reeds meegedeeld hebben. Deze bekentenis zou zeker niet de geringste waarde bezitten, dewijl zij den moordenaar door de afschuwelijkste martelingen afgeperst was, indien niet hare waarheid door andere feiten bevestigd werd.Het rechtsgeding werd met den in die dagen gewonen spoed ten einde gebracht. Reeds den 14enJuli werd de moordenaar ter dood gebracht. De uitvoering van zijn vonnis was geheel in overeenstemming met den barbaarschen geest dier tijden. Den veroordeelde werd in de eerste plaats de rechterhand tusschen een gloeiend wafelijzer afgeschroeid. Vervolgens scheurde men hem op zes verschillende plaatsen van het lichaam het vleesch van de beenderen; daarna sneed men den buik open, haalde de ingewanden er uit en hieuw het nog levende lichaam in vier stukken. Het nog trillende hart werd uit de borst gerukt en den stervende in het aangezicht gesmeten, wien men eindelijk het hoofd af hieuw.Door deze afschuwelijke strafoefening poogden de rechters den dood te wreken van een man, die gedurende zijn gansche leven al zijne krachteningespannen had om de ruwe zeden van zijnen tijd en van zijn volk te verzachten en de strengheid der wetten te temperen.De wreedheid, waarmede de moordenaar door de Nederlanders gestraft werd, is nauwelijks minder afschuwelijk dan de blijdschap, welke Philips II over den dood van zijn slachtoffer aan den dag legde, en de mildheid, waarmede hij de erfgenamen des moordenaars voor diens euveldaad beloonde. Farnese deelde den koning mede, dat de ouders van den armen ter dood gebrachte nog in leven waren en dat het dus betamelijk was hun de belooning uit te betalen, welke de „edele daad” van hun zoon „zoo ten volle verdiende.” En Philips betoonde zich dankbaar. Van de goederen van den vermoorde in Franche Comté schonk hij een gedeelte aan de ouders des moordenaars, wien hij eene plaats onder den adel des lands aanwees. Later bood de koning den oudsten zoon van Willem van Oranje de teruggave van deze bezittingen aan, onder voorwaarde, dat een deel der inkomsten aan de erfgenamen van den moordenaar zou worden uitgekeerd, doch hoewel Philips Willem, die in Spaansche gevangenschap opgegroeid was, in denkwijze en karakter een volbloed Spanjaard was geworden, wees hij dit aanbod van de hand.Willem van Oranje was, toen het lood van den sluipmoordenaar hem trof, 51 jaar oud. Hij liet uit zijne vier huwelijken twaalf kinderen na en daaronder drie zoons, Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. Den 3enAugustus 1584 werd het lijk van den vermoorde te Delft plechtig ter aarde besteld. De geheele natie bedreef rouw over het verlies van den man, dien zij haren vader noemde. En waarlijk, zij had reden om te treuren! Met Willem van Oranje daalde de hoop, dat al de vereenigde Nederlanden als één onverdeeld rijk hunne vrijheid op de Spaansche overheerschers zouden veroveren, in het graf.Alleen door ’s prinsen verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, door zijne wijze staatkunde, zijn beleid en zijne geestkracht, was het tot dusver mogelijk geweest, de vaak uiteenloopende, ja tegenstrijdige belangen der verschillende provinciën met elkaar te verzoenen en de door afstamming, taal en godsdienst van elkander verschillende bewoners onder ééne banier te vereenigen. Wel had reeds in den laatsten tijd zijns levens zijne voorliefde voor Frankrijk hem in de zuidelijke gewesten vele vijanden verwekt, maar zijn naam en het vertrouwen op hem waren, in weerwil daarvan, te machtig dan dat het zijnen tegenstanders gelukt zou zijn, het verbond der zuidelijke Staten met de Unie geheel uit elkaar te doen spatten. Alleen Artois en Henegouwen hadden zich voor goed van de Unie losgemaakt. Zij erkenden de Spaansche heerschappij, de 15 overige provinciën volhardden in haren tegenstand.Willem van Oranje heeft zich als grondlegger van de Nederlandsche vrijheid onsterfelijke verdiensten jegens het geheele menschdom verworven. Aan hem hebben wij het te danken, dat het beginsel van een verdrag tusschen vorst en volk, hetwelk de grond van alle latere omwentelingen en van de rechten des volks ook in de 19eeeuw is geworden, het eerst openlijk uitgesproken en in toepassing gebracht worden kon. Hoe heilzaam de stichting van de Nederlandsche republiek op de geestelijke ontwikkeling van alle Europeesche natiën gewerkt heeft, zullen wij in het vervolg onzer geschiedenis hebben aan te wijzen, wij besluiten daarom deze afdeeling der geschiedenis met een laatste woord van hulde en dank voor den grooten man, die, al was hij ook geen heilige, gelijk zijne blinde vereerders ons gaarne zoudendoen gelooven, toch een der edelste vorstenzonen geweest is, die ooit geleefd hebben2.1Oranje was na den dood van Charlotte van Bourbon voor de vierde maal gehuwd, en wel met Louise de Coligny, de dochter van den beroemden admiraal, die in den Bartholomeüsnacht vermoord was.2Volkomen verdiend was de hulde, door de Staten aan ’s prinsen nagedachtenis gebracht. Zij deden hem niet alleen op ’s lands kosten ter aarde bestellen, maar richten ook later boven zijn graf in de nieuwe kerk te Delft een zeer schoon gedenkteeken op.
De Nederlanden. Langzame voortzetting van den oorlog. Alexander Farnese’s heldenmoed. Inneming van Oudenaarden. Onafgebroken uitbreiding der Spaansche macht. Ongunstige stemming jegens den prins van Oranje. Hooggeplaatste verraders. De graaf van den Berg. De prins van Chimay. Champagny en Hembyze. De samenzwering te Gent. Verlies van Brugge. Het noodlottige jaar 1584. Mislukte moordaanslag op den prins van Oranje. Balthasar Geraerts. Zijne onderhandelingen met Parma. Geraerts in dienst van Oranje. Willem van Oranje vermoord. Lot van den moordenaar. De erfgenamen van den moordenaar door Philips II beloond. Blik op de werkzaamheid van den prins van Oranje.
De Nederlanden. Langzame voortzetting van den oorlog. Alexander Farnese’s heldenmoed. Inneming van Oudenaarden. Onafgebroken uitbreiding der Spaansche macht. Ongunstige stemming jegens den prins van Oranje. Hooggeplaatste verraders. De graaf van den Berg. De prins van Chimay. Champagny en Hembyze. De samenzwering te Gent. Verlies van Brugge. Het noodlottige jaar 1584. Mislukte moordaanslag op den prins van Oranje. Balthasar Geraerts. Zijne onderhandelingen met Parma. Geraerts in dienst van Oranje. Willem van Oranje vermoord. Lot van den moordenaar. De erfgenamen van den moordenaar door Philips II beloond. Blik op de werkzaamheid van den prins van Oranje.
Willem van Oranje en de Nederlanders hadden bij het verkiezen van Anjou op eene krachtige ondersteuning van Frankrijk’s zijde in den oorlog tegen Parma gerekend. Doch ook deze hoop was verijdeld. De hulp door Frankrijk verleend, beteekende zoo weinig, dat het den Nederlanders nergens gelukte, eenig voordeel op de Spanjaarden te behalen.
Het was voor hen een geluk, dat ook Parma niet in staat was om den strijd zoo krachtig door te zetten als hij wel gewenscht had. Het ontbrak hem aan geld, aan manschappen, aan levensmiddelen, kortom aan alles, wat hij tot het voeren van den oorlog noodig had, want Philips II liet ook hem, evenals zijne vroegere stadhouders, aan zijn lot over. Slechts zijn onwankelbaren moed, zijn beleid en zijne rotsvaste standvastigheid bezat Farnese en aan deze zijne persoonlijke hoedanigheden had hij het te danken, dat hij niet overwonnen werd, maar integendeel bestendige, schoon dan ook langzame vorderingen maakte, dat hij allengs een aantal belangrijke steden weer aan de Spaansche heerschappij onderwierp.
De veerkracht, door Parma in het voeren van den oorlog aan den dag gelegd, was inderdaad bewonderenswaardig; in persoon was hij overal tegenwoordig, waar het gevaar het grootste was; door zijn eigen met alle doodsgevaar spottenden heldenmoed ontvonkte hij zijne soldaten in geestdrift, door zijne onverbiddelijke gestrengheid dwong hij hen tot orde en tucht.
Toen er, tijdens het beleg van Oudenaarden in 1582, een oproer in zijne legerplaats uitbrak, wierp hij zich midden tusschen de muiters, éénhunner stiet hij met eigen hand neer, de overigen liet hij door een regiment ruiterij omsingelen en twintig der schuldigsten ophangen; zóó dwong hij de muiters tot gehoorzaamheid.
Bij dezelfde belegering was hij op zekeren dag bezig met het oprichten van eene batterij tegen een zwak punt der vesting. Dewijl hij dit gewichtig werk geen oogenblik zonder opzicht wilde laten, liet hij zijn middagmaal op de batterij brengen. Juist gebruikte hij het in gezelschap van een aantal officieren, toen een uit de stad afgeschoten kogel over de tafel vloog en een jong officier, die naast hem zat, het hoofd wegnam. Een tweede, even juist gerichte kogel kostte een ander officier, die ook aan tafel zat, het leven.
Alle gasten des veldheers sprongen verschrikt op. Alleen Farnese bleef met eene onverstoorbare kalmte aan tafel zitten; hij beval, de door het bloed verontreinigde spijzen door anderen te vervangen en de lijken weg te dragen en verzocht daarop zijnen gasten, weer plaats te nemen. Zij moesten zijn wensch wel vervullen, hoewel zij aan dien gevaarvollen disch volstrekt niet op hun gemak waren.
De dapperheid en geestkracht van Farnese droegen rijke vruchten: Oudenaarden werd genomen en andere steden ondergingen hetzelfde lot. De Spaansche macht breidde zich wel langzaam maar onafgebroken in de Nederlanden uit.
Van groot voordeel was voor Farnese de tweespalt, die er tusschen den hertog van Anjou en de Nederlanders uitgebroken was. Nadat Farnese Eindhoven, Diest en andere plaatsen in Brabant ingenomen en den Franschen maarschalk Biron te Steenbergen verslagen had, kon hij zijne wapenen tegen West-Vlaanderen keeren en ook hier behaalde hij belangrijke voordeelen, dewijl ten gevolge van Anjou’s trouwloosheid deze deelen des lands weerloos aan zijn aanval blootgesteld waren.
Duinkerken, Nieuwpoort, Veurne, Dixmuiden en Yperen (de laatste stad eerst na eene langdurige belegering in April 1584), Axel, Hulst en Rupelmonde in Oost-Vlaanderen en zelfs Aalst en andere steden werden door de Spanjaarden de eene na de andere ingenomen en Gent bedreigd.
Niet alleen aan zijne dapperheid en zijn veldheerstalent, maar ook aan het verraad van hooggeplaatste Nederlanders en de ontevredenheid van vele patriotten over den prins van Oranje dankte Farnese zijne overwinningen.
De fijne staatkundige berekening, welke den prins van Oranje bewogen had om niet geheel met den hertog van Anjou te breken, ook nadat diens verraad voor aller oogen ontsluierd was, had onder de Nederlanders veel kwaad bloed gezet. Men verweet den prins met een schijn van recht, dat hij van plan was, het land aan de Franschen over te leveren en vele vrienden der vrijheid, vooral in de Zuidelijke gewesten, verkozen, indien zij toch eenmaal een vreemden vorst moesten gehoorzamen, den koning van Spanje boven dien van Frankrijk. Koning Philips II had althans het erfrecht voor zich en was bovendien geen grooter dwingeland en wreedaard dan de met bloed bevlekte Fransche koning.
Zulke denkbeelden werden in vele Nederlandsche steden openlijk uitgesproken; zelfs te Antwerpen had dit plaats en dit was oorzaak, dat de prins eene stad verliet, waar hij straffeloos beleedigd was.
Van deze ongunstige stemming des volks trokken wederom hooggeboren verraders partij. De gouverneur van Gelderland, de graaf van denBerg, Oranje’s eigen zwager, trad met Alexander Farnese in onderhandeling; ten einde de genade van koning Philips te koopen, verbond hij zich om de aanzienlijkste steden van Gelderland, met Zutfen aan het hoofd, den Spanjaarden over te geven. Bij de inneming van Zutfen (22 September 1583) kwam zijn verraad aan den dag. Hij werd in November in hechtenis genomen, naar den Haag gebracht en eenigen tijd te Delfshaven gevangen gehouden. Zijne verwantschap met den prins van Oranje bezorgde hem evenwel spoedig de vrijheid terug en hij maakte daarvan terstond gebruik om openlijk met zijn zoon in des konings dienst over te gaan.
Een ander verrader van hoogadellijken bloede was Karel vanCroy, prins van Chimay, de zoon van den hertog van Aerschot. Chimay had zich door den ijver, welken hij voor het protestantisme aan den dag legde, en tengevolge waarvan hij met zijn vader in oneenigheid leefde, het vertrouwen der patriotten verworven;hij was tot gouverneur van Vlaanderen benoemd. Doch nauwelijks had hij dit gewichtig ambt aanvaard, of hij knoopte eene geheime briefwisseling met Farnese aan, om dezen zijne hulp aan te bieden. Hij werd in zijne verraderlijke plannen ondersteund door twee mannen, die vroeger een tijd lang voor vurige vrienden der vrijheid waren doorgegaan, door Champagny, Granvelle’s broeder en door Hembyze, den voormaligen dictator van Gent, den vroegeren republikein, die alleen aan de genade van den prins van Oranje zijn verbeurd leven te danken had.
Hembyze was naar Gent teruggekeerd met een hart vol haat tegen den prins. Binnen korten tijd had hij zich weer een uitgebreiden invloed op de Gentsche burgerij verworven, hij gebruikte dien om, in verstandhouding met Champagny en Chimay, de overgave van Gent aan de Spanjaarden en de overlevering van geheel Vlaanderen aan koning Philips en de inquisitie voor te bereiden.
Hembyze vond bij een deel der burgerij een geopend oor, doch ook de vrienden der vrijheid zaten niet stil. Zij spanden hunne uiterste krachten in, om het overwicht binnen de stad te behouden, zij bespiedden Hembyze zoo scherp mogelijk en toen deze eene expeditie tegen Dendermonde op het touw zette, om deze plaats den Spanjaarden over te leveren, waarschuwden zij den bevelhebber Ryhove, den voormaligen vriend, maar nu den verbitterden tegenstander van Hembyze nog bijtijds. Rijhove liet zijn vroegeren makker gevangen nemen en deze werd te Gent als verrader ter dood gebracht. De Gentenaars waren niet zoo genadig als eens de prins van Oranje was geweest.
De katholieke partij had in Hembyze haar hoofd verloren, zij moest zich voorloopig aan de maatregelen harer tegenstanders onderwerpen. De onderhandelingen met Farnese werden afgebroken en de burgerij verklaarde, dat zij trouw bleef aan de Unie. Haar voorbeeld werd door de meeste overige Vlaamsche steden gevolgd; alleen Brugge werd door den prins van Chimay den 20enMaart aan Parma overgegeven.
Was het schandelijk verraad van den prins van Chimay reeds een groote ramp voor de Nederlanders, een nog veel zwaarder slag zou hen in het noodlottige jaar 1584 treffen.
Koning Philips II had, sinds hij den prins van Oranje vogelvrij had verklaard, onophoudelijk pogingen aangewend om dat vonnis uit te voeren. Hoe meer hij bemerkte, dat Willem van Oranje al zijne bedreigingen trotseerde,dat noch de belofte van koninklijke gunst en rijke belooning, noch de vrees voor den dolk eens sluipmoordenaars den edelen kampioen voor de Nederlandsche vrijheid tot ontrouw aan zijne roeping kon verleiden, des te vuriger wenschte Philips den gevreesden man uit den weg te ruimen. Ook Alexander Farnese koesterde dezelfde begeerte; zijn besluit stond vast om den man, dien hij niet overwinnen kon, door sluipmoord uit den weg te ruimen.
Verschillende pogingen waren tot bereiking van dat doel—gelijk we reeds verhaalden—aangewend en mislukt; zij werden gevolgd door andere, die evenmin slaagden, maar ontdekt werden, nog eer zij tot een begin van uitvoering waren gekomen. In Maart 1583 werd te Antwerpen een zekere Pietro Ordagno ter dood gebracht, nadat hij bekend had, dat hij in Spanje gehuurd was om den prins te vermoorden. Een dergelijk lot onderging om dezelfde reden in April 1584 Hans Hanszoon, een koopman uit Vlissingen.
Doch al deze mislukte pogingen schrikten Farnese niet af: telkens liet hij zich op nieuw met wanhopige, avontuurlijke waaghalzen in, die hem beloofden den prins te zullen vermoorden; doch eindelijk verloor hij zijn geduld, dewijl de meesten van hen, die geld van hem vroegen om zich voor den aanslag voor te bereiden, niets anders waren dan ellendige bedriegers, die er volstrekt niet aan dachten hun kostbaar leven door een hoogst gevaarlijken sluipmoord in de waagschaal te stellen.
Het was in April van het jaar 1584, dat zich bij Farnese andermaal een man aanmeldde, die zich bereid verklaarde tot de hoogst gevaarlijke onderneming. Hij was een zekere Balthasar Geraerts, een jonge man uit Bourgondië, wiens ouders te Villefrans woonden.
Geraerts was een dweepziek katholiek, wien het plan om Oranje te vermoorden zoowel door woedenden geloofshaat als door begeerte naar de hooge, door den Spaanschen koning uitgeloofde belooning ingegeven was. Hij werd daarin versterkt door een Jezuïet, die hem te Trier bezocht en die hem verzekerde, dat hij, ingeval hij bij den moord het leven inschieten mocht, terstond den hemel binnengaan en eene plaats innemen zou onder de glorierijke martelaars, die voor de heilige kerk gestorven waren.
Zulke woorden vermeerderden Geraerts’ zelfvertrouwen, zij deden een onbepaald plan rijpen tot een vast besluit, dat volstrekt niet aan ’t wankelen gebracht werd, toen een ander Jezuïet, wien hij het evenzeer toevertrouwde, het hem ontried, niet omdat deze vrome man het vermoorden van den prins als eene misdaad beschouwde, maar wijl hij vreesde, dat daaruit nadeelige gevolgen voor de kerk konden voortvloeien.
Geraerts vertrok van Trier naar Doornik; hier raadpleegde hij een anderen geestelijke, den beroemden Franciscaner monnik pater Géry, en op nieuw werd hij door de vrome woorden van dezen man in zijn plan versterkt. Thans wendde hij zich tot Alexander Farnese, wien hij in persoon een brief overgaf, waarin hij zijn plan had blootgelegd.
Parma, die reeds zoo dikwijls bedrogen was, gevoelde des te minder lust om zich met den jongen Bourgondiër in te laten, dewijl deze op hem volstrekt geen gunstigen indruk maakte. Geraerts was een klein, mager, zwak man van een onbeduidend uiterlijk. Hij was op dat tijdstip 27 jaar oud, doch hij scheen veel jonger. Niets was er in zijn gelaat, hetwelk verried, dat hij voor een onverzettelijk besluit vatbaar was en dat hij de buitengewone en treurige geestkracht bezat, noodig om een zoo gevaarlijkplan als dat, waarvan hij zwanger ging, ten uitvoer te leggen. Farnese meende, dat hij op nieuw met een bedrieger te doen had; hij gaf Geraerts op eene tamelijk onvriendelijke wijze zijn afscheid en alleen op aansporing van eenige bijzondere vrienden, wien hij de zaak meedeelde, vooral van Claudius van Barlaimont, heer van Haultepenne, besloot hij, de zaak niet geheel ter zijde te zetten, maar een zijner raadslieden tot den vreemdeling te zenden, om te vernemen welke uitzichten deze op het gelukken van zijn plan koesterde.
Geraerts verklaarde, dat hij van plan was, het masker van een ijverig protestant voor te hangen, zoo in het vijandelijke kamp binnen te sluipen en daar in des prinsen dienst te treden. Op deze wijze zou hij wel gelegenheid vinden om den prins te vermoorden. Hij vroeg een voorschot van ongeveer ƒ 75, om een tijd lang in zijn onderhoud te kunnen voorzien.
Het plan scheen goed overlegd. Alexander Farnese hechtte er zijne goedkeuring aan, maar een voorschot wilde hij niet geven. Hij wilde niet weer bedrogen worden. Zijn geheimraad, de heer van Assonleville, die de onderhandelingen met Geraerts voortzette, beloofde dezen wel eene rijke belooning, zoo de onderneming gelukte, maar van een voorschot wilde hij niets weten.
„Goed,” antwoordde Geraerts,„dan zal ik op mijne eigene kosten reizen en eer er zes weken verloopen zijn, zult gij van mij hooren!”
„Ga mijn zoon,” hernam Assonleville met vaderlijk welgevallen. „Ga en voleindig uw werk! Wanneer gij het volbrengt, zal de koning aan u niet alleen houden wat hij u beloofd heeft, maar gij zult u bovendien de onsterfelijkheid verwerven.”
Geraert’s besluit stond vast en hij bracht het met eene veerkracht en eene sluwheid ten uitvoer, eener betere taak waardig. Hij begaf zich naar Delft en stelde zich hier onder den naam François Guyon voor aan een vriend van den prins van Oranje, in wiens dienst hij wilde treden. Hij verhaalde, dat hij de zoon was van een protestant, die te Besançon den marteldood voor zijn geloof gestorven was, en veinsde eene vurige liefde voor de hervorming. Nooit ging hij uit zonder bijbel of gezangboek. Geene enkele gereformeerde godsdienstoefening sloeg hij over.
Zijne huichelarij droeg de door hem gewenschte vruchten. Hij werd in den dienst van den prins van Oranje opgenomen, maar zeer tegen zijn wensch tot eene zending naar Frankrijk gebruikt. Hier bleef hij tot den dood van den hertog van Anjou, en tot zijne groote blijdschap ontving hij in last, het bericht van diens overlijden aan den prins van Oranje over te brengen. Zoo snel mogelijk legde hij zijne reis af en den 8enJuli 1584 kwam hij in den vroegen morgen te Delft aan, waar de prins zich sinds eenigen tijd ophield.
Oranje lag nog te bed, toen hij het belangrijke bericht ontving. Hij beval, dat de overbrenger van die stukken, van wien hij nog nadere mededeelingen hoopte te ontvangen, bij hem gebracht zou worden. Te bed liggend ontving hij Geraerts.
Was Geraerts niets dan een dweper geweest, die alleen uit liefde tot de kerk den ketterschen prins vermoorden wilde, dan zou hij reeds toen van de gelegenheid, die zich zoo ongezocht aan hem voordeed, tot uitvoering van zijn plan gebruik gemaakt hebben. Gunstiger toch kon zij nooit wezen! Hij was alleen met den prins; deze lag weerloos te bed en was verdiept in den inhoud der ontvangen stukken, die hij nog eens overlas.Ter nauwernood van het papier opziende, richtte hij eenige vragen tot den bode; hij bemerkte het niet eens, dat Geraerts, sidderend van ontroering, nauwelijks in staat was om hem samenhangende antwoorden te geven.
Doch Geraerts was niet alleen een dweper; hij had wel besloten zijn leven te wagen, ten einde den prins te vermoorden, maar hij wilde het niet opofferen, zonder althans eenig uitzicht op redding te kunnen koesteren. De prijs, welken de koning op ’s prinsen hoofd gesteld had, lokte hem niet minder aan als de wensch om den ketter te dooden; hij wilde gaarne de vruchten zijner misdaad genieten. Eerzucht en hebzucht waren in hem nauw met dweepzieken haat tegen den ketterschen prins verbonden.
Hij had er niet op gerekend, dat hij terstond na zijne aankomst bij den prins zou worden geroepen en daarom ook niets voor zijne vlucht, na het plegen van den aanslag, in gereedheid gebracht. Een oogenblik kwam wel, toen hij den prins zoo weerloos voor zich te bed zag liggen, de vurige wensch bij hem op, om zich op zijn slachtoffer te werpen—daardoor begaf hem bijna de spraak en kon hij slechts met moeite op de eenvoudige tot hem gerichte vragen antwoorden—, doch even spoedig als die gedachte bij hem opgekomen was, even spoedig week zij weder voor koel en bedaard overleg. Hij trok zich, toen de prins hem zijn afscheid gaf, met eene buiging terug.
Willem van Oranje beval in den loop van denzelfden morgen, hem eene zekere som gelds ter hand te stellen, om in zijne behoefte aan schoeisel te voorzien. Geraerts gebruikte het, om zich een paar groote pistolen aan te schaffen en alle mogelijke maatregelen voor zijne vlucht te nemen.
Dinsdags, den 10enJuli 1584, wilde de prins, die zijne gemalin1aan den arm leidde, zich naar den maaltijd begeven; in het voorvertrek van de eetzaal ontmoette hij Geraerts, die hem om een paspoort verzocht. Het uiterlijk van den jongen man moest ongetwijfeld in het oog vallen, want de prinses vroeg angstig, wie die bleeke, gejaagde mensch was, en maakte de opmerking, dat zij nog nooit zulk een ongunstig gelaat gezien had als het zijne. Doch Oranje lachte om hare vrees; hij stelde zijne vrouw gerust, geleidde haar naar tafel en was onder den maaltijd, waaraan o. a. ook de burgemeester van Leeuwarden deelnam, opgeruimder dan ooit.
Na afloop van den maaltijd wilde de prins zich naar zijne bijzondere vertrekken begeven, hij was juist eenige treden van de naar beneden voerende trap afgedaald, toen Geraerts uit een donkeren schuilhoek ter zijde van die trap naar voren sprong. Op nauwelijks twee voet afstands richtte de moordenaar metkoelbloedigejuistheid zijn pistool op ’s prinsen hart. Hij schoot en drie kogels troffen den prins; een dier kogels drong door het lichaam heen, vloog tegen den muur en stuitte daartegen terug.
Oranje gevoelde zich terstond doodelijk getroffen. „Mijn God! ontferm U over mijne ziel! Mijn God! ontferm U over dit arme volk!” riep hij uit. Het waren zijne laatste woorden. Hij zonk neer en zou ter aarde gevallen zijn, indien niet iemand uit zijn gevolg hem in zijne armen opgevangen had.
Men bracht den gewonde naar de eetzaal terug en legde hem hier op een rustbed neder. Doch eer men geneeskundige hulp had kunnen inroepen, blies hij in de armen zijner gade en zijner zuster den adem uit.
Terstond na het plegen van de euveldaad was de moordenaar op de vlucht gegaan. Met de grootste bedaardheid had hij daartoe alles in gereedheid gebracht. Nauwkeurig met al de toegangen tot ’s prinsen woning bekend, gelukte het hem inderdaad te ontvluchten. Reeds had hij den wal, ja den rand der gracht bereikt, aan welker overzijde een gezadeld paard voor hem gereed stond, toen hij eensklaps struikelde. Dit kleine ongeval verijdelde zijne reddingsplannen. Toen hij weder wilde opspringen, werd hij door de dienaren des prinsen, die hem volgden, gegrepen en gevankelijk naar het slot teruggesleept.
Oogenblikkelijk nam men hem in verhoor. Hij wist, dat zijn leven verbeurd was, dat ontkennen hem niets baten zou, en wendde daartoe dan ook geene enkele poging aan. Met de grootste kalmte en koelbloedigheid onderwierp hij zich aan zijn lot. Hij beroemde zich op zijne daad, ja hij vergeleek zich met David, die Goliath gedood had. Toen men hem zeide, dat de prins niet dood, maar slechts zwaar gewond was, schudde hij spottend het hoofd, hij wist maar al te goed, dat zijn pistool met drie vergiftigde kogels geladen was geweest en dat hij het met onfeilbare juistheid op ’s prinsen borst afgevuurd had. Op het verlangen zijner rechters schreef hij met eigene hand eene bekentenis, waarin hij niet alleen de uitvoering van den aanslag zelve, maar ook de maatregelen, voor en na den moord door hem genomen, en de beweegredenen zijner daad nauwkeurig mededeelde. Doch van de omstandigheid, dat Alexander Farnese van zijn plan geweten had, zeide hij niets. Hij verklaarde, dat hij de eenige schuldige was, en dat hij volstrekt geene medeplichtigen had.
Volgens de wetten van dien tijd moest de pijnbank worden aangewend, ten einde hem verdere bekentenissen te ontwringen. De eenige man, wiens wil dit misschien zou hebben verhinderd, Oranje, was niet meer in leven. De voorschriften der wet werden dus opgevolgd en wel op de wreedste wijze, want rechters en beulen schepten er een onmenschelijk genoegen in, den ellendigen moordenaar van den geliefden prins van Oranje te martelen.
Ook te midden dier martelingen legde Geraerts eene zoo buitengewone standvastigheid aan den dag, dat zijne beulen hem door den duivel bezeten waanden, eindelijk liet hij zich toch eene bekentenis afpersen; hij verhaalde zijne onderhandelingen met den Jezuïet te Trier, met pater Géry en met den heer van Assonleville, welke wij onzen lezers reeds meegedeeld hebben. Deze bekentenis zou zeker niet de geringste waarde bezitten, dewijl zij den moordenaar door de afschuwelijkste martelingen afgeperst was, indien niet hare waarheid door andere feiten bevestigd werd.
Het rechtsgeding werd met den in die dagen gewonen spoed ten einde gebracht. Reeds den 14enJuli werd de moordenaar ter dood gebracht. De uitvoering van zijn vonnis was geheel in overeenstemming met den barbaarschen geest dier tijden. Den veroordeelde werd in de eerste plaats de rechterhand tusschen een gloeiend wafelijzer afgeschroeid. Vervolgens scheurde men hem op zes verschillende plaatsen van het lichaam het vleesch van de beenderen; daarna sneed men den buik open, haalde de ingewanden er uit en hieuw het nog levende lichaam in vier stukken. Het nog trillende hart werd uit de borst gerukt en den stervende in het aangezicht gesmeten, wien men eindelijk het hoofd af hieuw.
Door deze afschuwelijke strafoefening poogden de rechters den dood te wreken van een man, die gedurende zijn gansche leven al zijne krachteningespannen had om de ruwe zeden van zijnen tijd en van zijn volk te verzachten en de strengheid der wetten te temperen.
De wreedheid, waarmede de moordenaar door de Nederlanders gestraft werd, is nauwelijks minder afschuwelijk dan de blijdschap, welke Philips II over den dood van zijn slachtoffer aan den dag legde, en de mildheid, waarmede hij de erfgenamen des moordenaars voor diens euveldaad beloonde. Farnese deelde den koning mede, dat de ouders van den armen ter dood gebrachte nog in leven waren en dat het dus betamelijk was hun de belooning uit te betalen, welke de „edele daad” van hun zoon „zoo ten volle verdiende.” En Philips betoonde zich dankbaar. Van de goederen van den vermoorde in Franche Comté schonk hij een gedeelte aan de ouders des moordenaars, wien hij eene plaats onder den adel des lands aanwees. Later bood de koning den oudsten zoon van Willem van Oranje de teruggave van deze bezittingen aan, onder voorwaarde, dat een deel der inkomsten aan de erfgenamen van den moordenaar zou worden uitgekeerd, doch hoewel Philips Willem, die in Spaansche gevangenschap opgegroeid was, in denkwijze en karakter een volbloed Spanjaard was geworden, wees hij dit aanbod van de hand.
Willem van Oranje was, toen het lood van den sluipmoordenaar hem trof, 51 jaar oud. Hij liet uit zijne vier huwelijken twaalf kinderen na en daaronder drie zoons, Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. Den 3enAugustus 1584 werd het lijk van den vermoorde te Delft plechtig ter aarde besteld. De geheele natie bedreef rouw over het verlies van den man, dien zij haren vader noemde. En waarlijk, zij had reden om te treuren! Met Willem van Oranje daalde de hoop, dat al de vereenigde Nederlanden als één onverdeeld rijk hunne vrijheid op de Spaansche overheerschers zouden veroveren, in het graf.
Alleen door ’s prinsen verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, door zijne wijze staatkunde, zijn beleid en zijne geestkracht, was het tot dusver mogelijk geweest, de vaak uiteenloopende, ja tegenstrijdige belangen der verschillende provinciën met elkaar te verzoenen en de door afstamming, taal en godsdienst van elkander verschillende bewoners onder ééne banier te vereenigen. Wel had reeds in den laatsten tijd zijns levens zijne voorliefde voor Frankrijk hem in de zuidelijke gewesten vele vijanden verwekt, maar zijn naam en het vertrouwen op hem waren, in weerwil daarvan, te machtig dan dat het zijnen tegenstanders gelukt zou zijn, het verbond der zuidelijke Staten met de Unie geheel uit elkaar te doen spatten. Alleen Artois en Henegouwen hadden zich voor goed van de Unie losgemaakt. Zij erkenden de Spaansche heerschappij, de 15 overige provinciën volhardden in haren tegenstand.
Willem van Oranje heeft zich als grondlegger van de Nederlandsche vrijheid onsterfelijke verdiensten jegens het geheele menschdom verworven. Aan hem hebben wij het te danken, dat het beginsel van een verdrag tusschen vorst en volk, hetwelk de grond van alle latere omwentelingen en van de rechten des volks ook in de 19eeeuw is geworden, het eerst openlijk uitgesproken en in toepassing gebracht worden kon. Hoe heilzaam de stichting van de Nederlandsche republiek op de geestelijke ontwikkeling van alle Europeesche natiën gewerkt heeft, zullen wij in het vervolg onzer geschiedenis hebben aan te wijzen, wij besluiten daarom deze afdeeling der geschiedenis met een laatste woord van hulde en dank voor den grooten man, die, al was hij ook geen heilige, gelijk zijne blinde vereerders ons gaarne zoudendoen gelooven, toch een der edelste vorstenzonen geweest is, die ooit geleefd hebben2.
1Oranje was na den dood van Charlotte van Bourbon voor de vierde maal gehuwd, en wel met Louise de Coligny, de dochter van den beroemden admiraal, die in den Bartholomeüsnacht vermoord was.2Volkomen verdiend was de hulde, door de Staten aan ’s prinsen nagedachtenis gebracht. Zij deden hem niet alleen op ’s lands kosten ter aarde bestellen, maar richten ook later boven zijn graf in de nieuwe kerk te Delft een zeer schoon gedenkteeken op.
1Oranje was na den dood van Charlotte van Bourbon voor de vierde maal gehuwd, en wel met Louise de Coligny, de dochter van den beroemden admiraal, die in den Bartholomeüsnacht vermoord was.
2Volkomen verdiend was de hulde, door de Staten aan ’s prinsen nagedachtenis gebracht. Zij deden hem niet alleen op ’s lands kosten ter aarde bestellen, maar richten ook later boven zijn graf in de nieuwe kerk te Delft een zeer schoon gedenkteeken op.
Twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. De zonen van den prins van Oranje. Graaf Maurits van Nassau. Treurige toestand des lands. Moedige verklaring der Staten. Vergadering van de Staten-Generaal. Aanstelling van den Staatsraad en van graaf Maurits van Nassau. Gent door de Spanjaarden hernomen. Verstandige zachtmoedigheid van Parma. Vruchtelooze onderhandelingen der Staten-Generaal met koning Hendrik III van Frankrijk. Groote voordeelen, door Parma behaald. Brussel ingenomen. De akademie te Franeker gesticht. Belegering van Antwerpen. Aldegonde’s verdediging. Farnese’s schipbrug en kanaal. Gianibelli’s branders. Val van Mechelen en Antwerpen. Gevolgen van Antwerpen’s val. De zuidelijke gewesten van de Unie losgemaakt. Verhuizing van de rijke protestanten naar Holland. Ondankbaarheid der Nederlanders jegens Aldegonde.De tijding van ’s prinsen dood bracht schier overal in de Nederlanden eene diepe verslagenheid, eene innige droefheid te weeg. En zoo ooit, dan was hier die droefheid volkomen gerechtvaardigd; slechts met angst konden de Nederlanders een blik in de toekomst werpen, sinds hun in den prins de ziel van hun vrijheidskamp ontroofd was. Hij kon door niemand vervangen worden. Te vergeefs zagen de vrienden des vaderlands onder de edelen naar een enkelen om, die in staat zou geweest zijn om de tegenstrijdige belangen der verschillende gewesten te verzoenen, gelijk Willem van Oranje gedaan had. Niemand vonden zij, wien zij een onbepaald vertrouwen konden schenken, dien zij met eene even uitgebreide macht aan het hoofd der regeering hadden kunnen plaatsen.Op Oranje’s zonen vestigde zich natuurlijk in de eerste plaats de algemeeneopmerkzaamheid. Zijn oudste zoon, Philips Willem, leefde in Spanje; hij was tengevolge van zijne opvoeding—gelijk we reeds opmerkten—in godsdienst en denkwijze een Spanjaard geworden. Van hem was dus niets te hopen en evenmin van den jongsten zoon, Frederik Hendrik, die nog een kind was.Zoo bleef dus alleen Maurits, Willem’s tweede zoon uit zijn huwelijk met Anna van Saksen, over. Hij was op dat tijdstip 17 jaar oud en studeerde aan de Leidsche Hoogeschool. Maurits was een talentvol jonkman, die reeds als knaap schitterende geestesgaven en een buitengewonen persoonlijken moed aan den dag gelegd had. In meer dan één opzicht geleek hij op zijn grootvader, den beroemden Maurits van Saksen, die eerst de vriend, daarna de tegenstander van keizer Karel V geweest was, en dezen uit Innsbrück verdreven had. Dat hij een goed soldaat, misschien een uitstekend veldheer worden zou, was bij zijne ingenomenheid met de krijgswetenschappen nauwelijks aan twijfel onderhevig. Doch wel was het de vraag, of hij met den moed zijns grootvaders ook de schitterende staatkundige bekwaamheden en de zelfopofferende liefde voor de volksvrijheid zijns vaders geërfd had, daaraan toch hadden de Nederlanders in die dagen dringend behoefte.Wie kon zeggen, hoe de zeventienjarige jongeling zich zou ontwikkelen, of hij als man zou beantwoorden aan de verwachtingen, welke zijne kindsheid en jongelingsjaren hadden opgewekt? En toch richtten aller oogen zich op hem. Hij droeg den gevierden en geliefden naam zijns vaders, dien de Nederlanders met hooge ingenomenheid ook hun vader, den vader des vaderlands noemden. Geen anderen afstammeling van de hooge adellijke geslachten durfden zij vertrouwen, daar bijna alle aanzienlijke Nederlandsche heeren door oogendienst en verraad de achting des volks verspeeld hadden.De toestand des lands was juist in die dagen hoogst treurig. De kassen waren ledig en bij den onwil der verschillende standen bestond er geen middel om ze in zoover te vullen, dat ten minste de noodzakelijkste oorlogskosten betaald konden worden. Het krijgsvolk was verwilderd, tot oproer geneigd, ja een schandelijk gespuis, dat liever roofde dan vocht. Bovendien ontbrak het aan bekwame officieren, aan een beproefd veldheer, want de graaf van Hohenlohe, die het opperbevel voerde, had tot heden nog volstrekt geene lauweren geplukt. Hierbij kwam het gebrek aan staatkundige orde in de opgestane gewesten, die er nog altijd niet toe hadden kunnen besluiten, zich eene algemeen erkende, op wettige wijze tot stand gebrachte staatsregeling te scheppen; de adel en de burgerij twistten nog over de verschillende rechten, die aan beiden volgens de staatsregeling zouden toekomen. Overal, waarheen men in de Nederlanden de oogen ook wendde, aanschouwde men ellende en nood, verwarring en onzekerheid, twist tusschen de partijen, die tegenover den machtigen vijand eensgezind hadden moeten zijn. Ook het monster van den godsdiensttwist had machtiger dan ooit het hoofd weer opgestoken; de katholieken legden in de zuidelijke Nederlanden, waar zij de meerderheid uitmaakten, menigmaal grooten lust aan den dag om zich met de Spanjaarden te verstaan, zelfs twee sekten in de protestantsche kerk, de Lutherschen en Calvinisten, waren onderling in twist gewikkeld. Wel waren tot dusver alleen Henegouwen en Artois door het erkennen van de Spaansche heerschappij voor goed van de overige gewesten losgemaakt, doch reeds warende Spanjaarden onder de uitstekende en voorspoedige aanvoering van den hertog van Parma diep in de overige provinciën doorgedrongen; Gent, Antwerpen en zelfs de hoofdstad Brussel werden bedreigd.Inderdaad, het zag er bijna wanhopig uit in de Nederlanden, toen Willem van Oranje de oogen sloot, en hooge lof komt toe aan die edele vrijheidshelden, die aan elk gevaar moedig het hoofd boden en—gelijk de Staten van Holland deden—op den dag zelven van den moord verklaarden, dat zij vast besloten hadden de goede zaak met Gods hulp tot het uiterste te verdedigen, zonder goed of bloed te ontzien. Deze verklaring zonden de Staten van Holland aan den opperbevelhebber, den graaf van Hohenlohe, aan den stadhouder van Friesland, graaf Willem Lodewijk van Nassau, en aan de overige Staten en de bevelhebbers aan de grenzen.De verklaring der Staten van Holland vond bij de Nederlanders eene gunstige ontvangst. Den 18enAugustus kwamen de Staten-Generaal der Unie, waartoe thans ook de meeste in opstand verkeerende gewesten waren toegetreden, te Delft bijeen. Zij droegen de regeering des lands op aan een Raad van State, bestaande uit 18 personen, uit de provinciën Brabant, Vlaanderen, Mechelen, Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland. Aan het hoofd van dit lichaam stelden zij den 17jarigen graaf Maurits van Nassau.Door dezen maatregel verkreeg de regeering der Nederlanden wel wat meer vastheid dan vroeger, maar toch was zij niet voldoende om de Staten-Generaal tot eendrachtig handelen te bewegen, terwijl Parma juist in dien tijd steeds grootere voordeelen behaalde. Vele steden gaven zich aan hem over, onder anderen Gent, den 17enSeptember 1584.Met het meeste beleid trok Farnese van zijne voordeelen partij. In tegenstelling met de vroegere stadhouders van Philips II legde hij jegens de steden, die zich aan hem overgaven, eene groote mate van zachtmoedigheid aan den dag. Hij bevestigde al hare oude rechten en vrijheden, hij verbood zijnen soldaten het moorden en plunderen en zelfs de protestanten behandelde hij met veel meer verschooning dan zij verwacht hadden. Hij stond hun toe, nog twee jaar te Gent te blijven om in dien tijd òf tot de katholieke kerk terug te keeren, òf, wanneer zij dat niet wilden, op hun gemak hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten. Hierdoor handelde hij in den geest der katholieken en ontnam hij toch den protestanten in andere aangevallen steden het voorwendsel, dat zij tot den laatsten droppel bloed moesten strijden, omdat zij, volgens de ondervinding vroeger van de Spanjaarden opgedaan, door eene overgave toch hun leven en hunne bezittingen niet zouden redden.DeStaten-Generaalkonden in deze omstandigheden de oogen niet sluiten voor de waarheid, dat zij zonder buitenlandsche hulp niet in staat zouden zijn om op den duur aan Philips’ zegevierenden veldheer het hoofd te bieden. Zij besloten, zich op nieuw tot Frankrijk, en wel ditmaal rechtstreeks tot koning Hendrik III te wenden en hem de souvereiniteit over de Nederlanden aan te bieden.Intusschen waren de tijden op eene voor de Nederlanders hoogst treurige wijze veranderd, deze konden niet langer, gelijk vroeger den hertog van Alençon, thans den koning op fieren toon hunne voorwaarden stellen, zij moesten zich getroosten hunne eischen grootelijks te matigen, ja zelfs toestaan, dat de Nederlanden bij het Fransche rijk zouden worden ingelijfd.De toegevendheid der Staten-generaal verwekte intusschen in Holland groote ontevredenheid. Een aantal steden, zooals Amsterdam, Gouda en Monnikendam, dienden protesten in, doch de Staten-generaal sloegen daarop geen acht. Toen Alexander Farnese steeds nieuwe voordeelen behaalde, gingen zij in hunne toegevendheid jegens den Franschen koning zoo ver mogelijk, ten einde maar Frankrijks hulp tegen Spanje te verwerven. Zij deden afstand van de belangrijkste rechten des lands, die den vorstentrots van Hendrik III zouden kunnen krenken, onder anderen van het recht der Staten-generaal om samen te komen, ook zonder bijeengeroepen te zijn. Hunne inschikkelijkheid en hunne dringende beden bleven evenwel zonder vrucht.Wel gevoelde Hendrik III grooten lust om de heerschappij over de Nederlanden te aanvaarden, doch aan den anderen kant duchtte hij de vijandschap van Philips II van Spanje, die met de ligue een vormelijk verbond gesloten had, en die daarom, in geval er een oorlog uitbrak, op de ondersteuning van de dweepzieke katholieken onder aanvoering van de Guises rekenen kon. De Nederlanders konden hem bij zulk een oorlog niet van nut zijn, want zij hadden zelven behoefte aan ondersteuning, of boden zij hem niet de souvereiniteit alleen aan, om zijne hulp zich te verwerven? Hoewel koning Hendrik van Navarre en zelfs Catharina de Medici Hendrik III dringend aanrieden, het aanzoek der Nederlandsche gezanten in te willigen, kon deze daartoe toch niet besluiten. Hij ontsloeg de gezanten met zeer onbepaalde verzekeringen van zijne groote liefde voor hun land, met niets zeggende beloften van latere hulp en met de aansporing om verder even trouw jegens Frankrijk gezind te blijven als tot heden. Doch met zulke woorden waren de Nederlanders niet gediend en zij zagen zich thans des te meer genoodzaakt, naar andere hulp om te zien, dewijl intusschen de hertog van Parma op nieuw groote voordeden behaald had.De zachtmoedigheid, door Farnese jegens de Gentenaars aan den dag gelegd, had goede vruchten gedragen. In de steden, die belegerd werden, vormde zich lichtelijk eene partij, die op overgave aandrong, en natuurlijk bij alle zwakke en lafhartige karakters steun vond. Zelfs de protestanten, die vroeger, in het bewustzijn dat ook bij eene capitulatie hun leven verbeurd was, met den moed der wanhoop gestreden hadden, betoonden zich thans zeer geneigd tot onderhandelingen, terwijl de katholieken meer en meer de Spaansche belangen omhelsden. Zoo viel Brussel, de belangrijke hoofdstad, en toen Farnese zich ook hier even zachtmoedig gedroeg als te Gent, verklaarden ook andere Brabantsche steden zich tot de overgave geneigd. Weldra was geheel Brabant, met uitzondering van Mechelen en Antwerpen, weder aan den koning onderworpen.Ook in de overige provinciën maakte de hertog van Parma groote vorderingen, dewijl de Staatsche veldheer, de graaf van Hohenlohe, volstrekt niet de noodige bekwaamheid bezat om de ongeoefende Nederlandsche troepen tot een krachtig en geoefend leger te vormen. Verschillende belangrijke steden, onder anderen ook Nijmegen, gaven zich zonder slag of stoot aan Parma over, dewijl de katholieke burgers door oproerige bewegingen den magistraat tot de overgave noodzaakten1. Van het grootstebelang was het voor Parma, ook Antwerpen weer aan ’s konings macht te onderwerpen. Hij zelf zeide, dat de rijke handelsstad de voedster van den krijg was, dat hij de bijl aan den wortel des booms wilde leggen en dat, zoodra Antwerpen gevallen was, ook Holland en Zeeland moesten volgen. Deze beide provinciën, die het hart van den opstand waren, wilde Farnese door de grootst mogelijke inschikkelijkheid, zelfs door het toestaan van de gewetensvrijheid voor zich winnen, doch opdat zijne aanbiedingen door de Hollanders en Zeeuwen ten volle gewaardeerd zouden worden, was het noodzakelijk, eerst Antwerpen te heroveren, en tot deze onderneming spande Farnese dan ook al zijne krachten in.Willem van Oranje had dit reeds voorzien en daarom den getrouwsten der getrouwen, Marnix van St. Aldegonde, tot burgemeester van Antwerpen aangesteld en der burgerij op het hart gedrukt, een zekeren dijk door te steken, het land onder water te zetten, en daardoor den Spanjaarden het versperren van de Schelde onmogelijk te maken, opdat de stad, in geval zij belegerd werd, ten allen tijde van Holland uit, ontzet zou kunnen worden.Aldegonde spande al zijne krachten in, om de plannen van den prins ten uitvoer te leggen; doch al zijne pogingen leden schipbreuk op den onwil en het eigenbelang der burgerij. De leden van het slachtersgild zouden door het doorsteken van den dijk de weide voor 12.000 stuks rundvee verloren hebben. Deze verzetten zich derhalve tegen den tot beveiliging der stad noodzakelijken maatregel en beweerden spottend, dat een stroom, gelijk de Schelde, noch door eene brug, noch door een ketting versperd worden kon. Weldra zouden zij het anders leeren inzien; maar wanneer zij dan hun tegenstand lieten varen, zou het te laat zijn, dewijl Parma den dijk bezet had.Farnese gebruikte den winter van 1584 op 1585 om die merkwaardige brug over de Schelde te voltooien, welke den val van Antwerpen beslissen zou. Op de beide oevers der rivier werden reusachtige paalwerken in den grond geslagen en door 32 platbodemvaartuigen verbonden. Deze schipbrug werd door 97 kanonnen verdedigd.Ten einde de groote menigte bouwstoffen voor de brug aan te voeren, liet Farnese een afzonderlijk kanaal graven, dat het land van Waes ter lengte van 14.000 voet doorsneed en dat tevens diende om den belegeringstroepen zonder moeite de noodige levensmiddelen te verschaffen. Dit kanaal is later voor die streek een ware zegen geworden. Het heeft de ontginning van het vroeger dorre en onvruchtbare land van Waes mogelijk gemaakt.Vóór de voltooiing van de brug zou het nog mogelijk zijn geweest, Antwerpen althans van levensmiddelen voor een langdurig beleg te voorzien, doch ook dit geschiedde niet. De rijken wilden hunne schatten niet afstaan, om koren, dat zeer hoog in prijs was, in groote hoeveelheid in te koopen. Ook de Hollandsche vloot zou nog bij machte zijn geweest om de stad te ontzetten, zij had althans eene poging kunnen wagen om het bouwen van de brug te verhinderen, doch de werkzaamheid der vloot was helaas! door een partijtwist verlamd. De admiraal Bloys van Treslong, een der veroveraars van den Briel, een oud en trouw aanhanger van den prinsvan Oranje, was het slachtoffer geworden van de vijandige gezindheid van eenige leden der admiraliteit: hij was in hechtenis genomen en aangeklaagd en ontving eerst later zijne vrijheid terug.Nadat de brug voltooid was, zag Aldegonde zijne hoop om Antwerpen tegen den overmachtigen vijand te verdedigen, meer en meer verzwinden. Toch trachtte hij de burgerij tot eene krachtige verdediging op te wekken, en nog eenmaal flikkerde eene straal van hoop op overwinning.Gianibelli, een bouwmeester uit Mantua, die sinds eenige jaren te Antwerpen woonde en zich met hart en ziel aan de zaak der Nederlandsche vrijheid toegewijd had, ondersteunde Aldegonde krachtig in zijne pogingen om de belangrijke stad te behouden. Hij vond een vreeselijk helsch werktuig uit, eene soort van branders, die in den nacht van den 4enApril tegen de schipbrug der Spanjaarden aangewend werden en eene inderdaad ontzettende uitwerking te weeg brachten. Een groot deel der schipbrug werd door de uitbarsting vernield.„De hemel,” zegt Hooft, „scheen te scheuren, de hel hare kaken te openen. De vuurgloed verslond of verpletterde bij den slag de meesten, die zich op het paalwerk of in de schepen der brug bevonden. Eerst stond de lucht in vollen gloed, daarop heerschten een dikke damp en de duisternis van den nacht. De stroom vloog uit zijne bedding en vulde zoowel het fort St. Marie als de aangrenzende velden, over een omtrek van drie mijlen schudde de aarde, binnen een halve mijl bleef niemand op de been; de in de lucht geslingerde steenen vlogen tot op een afstand van eene vierde mijl en drongen ter diepte van negen voet in den grond. Vreeselijker nog dan de half vernielde brug was de aanblik der dooden of verminkten. De Spanjaarden betreurden 500 dooden, de onzen spraken van 800 lijken.”Ook Farnese was tengevolge van de uitbarsting ter aarde geworpen en ter nauwernood aan den dood ontsnapt.Een panische schrik had zich terstond na de uitbarsting van de Spanjaarden meester gemaakt, zelfs de onverstoorbare koelbloedigheid van den hertog was in de eerste oogenblikken niet bij machte om dien te overwinnen. Indien de Antwerpenaars op dat tijdstip een aanval op de Spaansche legerplaats gedaan hadden, indien de Hollandsche vloot hen daarbij ondersteund had, dan zou de zegepraal der Nederlanders ontwijfelbaar zeker zijn geweest, dan ware Antwerpen gered. Maar niets van dit alles gebeurde. In de stad was de valsche tijding gebracht, dat het niet gelukt was, de brug in de lucht te doen vliegen en toen men twee dagen later eindelijk de waarheid vernam, was het te laat. De schrik der Spanjaarden was bedaard en aan Parma’s kalme en onvermoeide bedrijvigheid was het gelukt, de door de helsche machine aangerichte schade te herstellen.Alle verdere pogingen der belegerden tot verdediging van hunne stad mislukten, ook van buiten kwam geene hulp opdagen en reeds begonnen de levensmiddelen schaarsch te worden. De burgerij sloeg thans aan het morren en eischte, dat de stad zou worden overgegeven, toen zij vernam, dat ook het sinds geruimen tijd belegerde Mechelen gevallen was.Te vergeefs verzette Aldegonde zich tegen deze eischen, hij werd gedwongen om onderhandelingen met Parma aan te knoopen en dewijl deze bereidwillig de meest gematigde voorwaarden toestond, volgde den 1enAugustus 1585 de overgave der stad. De hertog hield zijn woord, nadat hij zijne zegepraal met een plechtigen intocht binnen Antwerpen bekroond had.De stad bleef in het bezit van al hare oude vrijheden. Den protestanten werd het vergund, nog vier jaren lang in hunne woonplaats te blijven en, wanneer zij dan niet in den schoot der moederkerk wilden terugkeeren, hunne goederen te verkoopen en te verhuizen. Voorloopig kreeg Antwerpen wel eene Spaansche bezetting onder bevel van Mondragon, doch Farnese beloofde, deze troepen terug te zullen trekken, zoodra Holland en Zeeland onderworpen waren.De val van Antwerpen oefende op het lot der Nederlanden een beslissenden invloed uit. Hij maakte de zuidelijke provinciën voor altijd van de noordelijke, door de Unie van Utrecht vereenigde gewesten los. Doch terwijl deze door het verlies der belangrijke stad voor het uiterlijke verzwakt werden, namen zij daardoor te gelijkertijd in innerlijke kracht toe. In de zuidelijke gewesten verloren zij twijfelachtige bondgenooten, wier eigenaardige zeden en begrippen zij tot dusver altijd hadden moeten ontzien. Daarentegen schonk de aankomst der rijkste protestantsche inwoners van Gent, Antwerpen en andere steden hun eene rijke aanwinst. Deze rijke protestanten moesten naar Holland verhuizen, dewijl Parma wel, overeenkomstig zijne belofte, de ketters niet belette hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten, maar ook evenmin duldde, dat zij zonder van kerkgeloof te veranderen in de door hen veroverde steden bleven wonen.Niet alleen voor het geheele land, ook voor éénen man was de val van Antwerpen noodlottig. Aldegonde, die zoo ijverig zijne beste krachten ingespannen had om de stad tegen de Spanjaarden te verdedigen, moest na haren val van alle zijden de scherpste verwijten hooren. Men gaf hem de schuld van het verlies van Antwerpen, ja men behandelde hem bijna als een verrader. Zijn staatkundige invloed was voor goed geknakt, slechts zelden werd van nu af nog zijne stem vernomen. Hij wijdde zich bijna uitsluitend aan letterkundigen arbeid.Ook Marnix van St. Aldegonde heeft in het lot van zoovele groote mannen gedeeld;de trouwe diensten, door hem aan het vaderland bewezen, zijn met ondank vergolden, doch het nageslacht heeft hem recht doen wedervaren.1Het is een merkwaardig verschijnsel dat—terwijl alle provinciën en ook Friesland zwaar onder den druk van den rampspoedigen oorlog zuchtten—de Nederlanders toch hunne liefde voor de wetenschap niet verloren. Juist in het treurige jaar 1585 stichtte de stadhouder Willem Lodewijk van Nassau te Franeker eene academie, welke zich later onderscheiden zou door vele uitstekende mannen, die daar werkzaam waren.
De Nederlanden. De zonen van den prins van Oranje. Graaf Maurits van Nassau. Treurige toestand des lands. Moedige verklaring der Staten. Vergadering van de Staten-Generaal. Aanstelling van den Staatsraad en van graaf Maurits van Nassau. Gent door de Spanjaarden hernomen. Verstandige zachtmoedigheid van Parma. Vruchtelooze onderhandelingen der Staten-Generaal met koning Hendrik III van Frankrijk. Groote voordeelen, door Parma behaald. Brussel ingenomen. De akademie te Franeker gesticht. Belegering van Antwerpen. Aldegonde’s verdediging. Farnese’s schipbrug en kanaal. Gianibelli’s branders. Val van Mechelen en Antwerpen. Gevolgen van Antwerpen’s val. De zuidelijke gewesten van de Unie losgemaakt. Verhuizing van de rijke protestanten naar Holland. Ondankbaarheid der Nederlanders jegens Aldegonde.
De Nederlanden. De zonen van den prins van Oranje. Graaf Maurits van Nassau. Treurige toestand des lands. Moedige verklaring der Staten. Vergadering van de Staten-Generaal. Aanstelling van den Staatsraad en van graaf Maurits van Nassau. Gent door de Spanjaarden hernomen. Verstandige zachtmoedigheid van Parma. Vruchtelooze onderhandelingen der Staten-Generaal met koning Hendrik III van Frankrijk. Groote voordeelen, door Parma behaald. Brussel ingenomen. De akademie te Franeker gesticht. Belegering van Antwerpen. Aldegonde’s verdediging. Farnese’s schipbrug en kanaal. Gianibelli’s branders. Val van Mechelen en Antwerpen. Gevolgen van Antwerpen’s val. De zuidelijke gewesten van de Unie losgemaakt. Verhuizing van de rijke protestanten naar Holland. Ondankbaarheid der Nederlanders jegens Aldegonde.
De tijding van ’s prinsen dood bracht schier overal in de Nederlanden eene diepe verslagenheid, eene innige droefheid te weeg. En zoo ooit, dan was hier die droefheid volkomen gerechtvaardigd; slechts met angst konden de Nederlanders een blik in de toekomst werpen, sinds hun in den prins de ziel van hun vrijheidskamp ontroofd was. Hij kon door niemand vervangen worden. Te vergeefs zagen de vrienden des vaderlands onder de edelen naar een enkelen om, die in staat zou geweest zijn om de tegenstrijdige belangen der verschillende gewesten te verzoenen, gelijk Willem van Oranje gedaan had. Niemand vonden zij, wien zij een onbepaald vertrouwen konden schenken, dien zij met eene even uitgebreide macht aan het hoofd der regeering hadden kunnen plaatsen.
Op Oranje’s zonen vestigde zich natuurlijk in de eerste plaats de algemeeneopmerkzaamheid. Zijn oudste zoon, Philips Willem, leefde in Spanje; hij was tengevolge van zijne opvoeding—gelijk we reeds opmerkten—in godsdienst en denkwijze een Spanjaard geworden. Van hem was dus niets te hopen en evenmin van den jongsten zoon, Frederik Hendrik, die nog een kind was.
Zoo bleef dus alleen Maurits, Willem’s tweede zoon uit zijn huwelijk met Anna van Saksen, over. Hij was op dat tijdstip 17 jaar oud en studeerde aan de Leidsche Hoogeschool. Maurits was een talentvol jonkman, die reeds als knaap schitterende geestesgaven en een buitengewonen persoonlijken moed aan den dag gelegd had. In meer dan één opzicht geleek hij op zijn grootvader, den beroemden Maurits van Saksen, die eerst de vriend, daarna de tegenstander van keizer Karel V geweest was, en dezen uit Innsbrück verdreven had. Dat hij een goed soldaat, misschien een uitstekend veldheer worden zou, was bij zijne ingenomenheid met de krijgswetenschappen nauwelijks aan twijfel onderhevig. Doch wel was het de vraag, of hij met den moed zijns grootvaders ook de schitterende staatkundige bekwaamheden en de zelfopofferende liefde voor de volksvrijheid zijns vaders geërfd had, daaraan toch hadden de Nederlanders in die dagen dringend behoefte.
Wie kon zeggen, hoe de zeventienjarige jongeling zich zou ontwikkelen, of hij als man zou beantwoorden aan de verwachtingen, welke zijne kindsheid en jongelingsjaren hadden opgewekt? En toch richtten aller oogen zich op hem. Hij droeg den gevierden en geliefden naam zijns vaders, dien de Nederlanders met hooge ingenomenheid ook hun vader, den vader des vaderlands noemden. Geen anderen afstammeling van de hooge adellijke geslachten durfden zij vertrouwen, daar bijna alle aanzienlijke Nederlandsche heeren door oogendienst en verraad de achting des volks verspeeld hadden.
De toestand des lands was juist in die dagen hoogst treurig. De kassen waren ledig en bij den onwil der verschillende standen bestond er geen middel om ze in zoover te vullen, dat ten minste de noodzakelijkste oorlogskosten betaald konden worden. Het krijgsvolk was verwilderd, tot oproer geneigd, ja een schandelijk gespuis, dat liever roofde dan vocht. Bovendien ontbrak het aan bekwame officieren, aan een beproefd veldheer, want de graaf van Hohenlohe, die het opperbevel voerde, had tot heden nog volstrekt geene lauweren geplukt. Hierbij kwam het gebrek aan staatkundige orde in de opgestane gewesten, die er nog altijd niet toe hadden kunnen besluiten, zich eene algemeen erkende, op wettige wijze tot stand gebrachte staatsregeling te scheppen; de adel en de burgerij twistten nog over de verschillende rechten, die aan beiden volgens de staatsregeling zouden toekomen. Overal, waarheen men in de Nederlanden de oogen ook wendde, aanschouwde men ellende en nood, verwarring en onzekerheid, twist tusschen de partijen, die tegenover den machtigen vijand eensgezind hadden moeten zijn. Ook het monster van den godsdiensttwist had machtiger dan ooit het hoofd weer opgestoken; de katholieken legden in de zuidelijke Nederlanden, waar zij de meerderheid uitmaakten, menigmaal grooten lust aan den dag om zich met de Spanjaarden te verstaan, zelfs twee sekten in de protestantsche kerk, de Lutherschen en Calvinisten, waren onderling in twist gewikkeld. Wel waren tot dusver alleen Henegouwen en Artois door het erkennen van de Spaansche heerschappij voor goed van de overige gewesten losgemaakt, doch reeds warende Spanjaarden onder de uitstekende en voorspoedige aanvoering van den hertog van Parma diep in de overige provinciën doorgedrongen; Gent, Antwerpen en zelfs de hoofdstad Brussel werden bedreigd.
Inderdaad, het zag er bijna wanhopig uit in de Nederlanden, toen Willem van Oranje de oogen sloot, en hooge lof komt toe aan die edele vrijheidshelden, die aan elk gevaar moedig het hoofd boden en—gelijk de Staten van Holland deden—op den dag zelven van den moord verklaarden, dat zij vast besloten hadden de goede zaak met Gods hulp tot het uiterste te verdedigen, zonder goed of bloed te ontzien. Deze verklaring zonden de Staten van Holland aan den opperbevelhebber, den graaf van Hohenlohe, aan den stadhouder van Friesland, graaf Willem Lodewijk van Nassau, en aan de overige Staten en de bevelhebbers aan de grenzen.
De verklaring der Staten van Holland vond bij de Nederlanders eene gunstige ontvangst. Den 18enAugustus kwamen de Staten-Generaal der Unie, waartoe thans ook de meeste in opstand verkeerende gewesten waren toegetreden, te Delft bijeen. Zij droegen de regeering des lands op aan een Raad van State, bestaande uit 18 personen, uit de provinciën Brabant, Vlaanderen, Mechelen, Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland. Aan het hoofd van dit lichaam stelden zij den 17jarigen graaf Maurits van Nassau.
Door dezen maatregel verkreeg de regeering der Nederlanden wel wat meer vastheid dan vroeger, maar toch was zij niet voldoende om de Staten-Generaal tot eendrachtig handelen te bewegen, terwijl Parma juist in dien tijd steeds grootere voordeelen behaalde. Vele steden gaven zich aan hem over, onder anderen Gent, den 17enSeptember 1584.
Met het meeste beleid trok Farnese van zijne voordeelen partij. In tegenstelling met de vroegere stadhouders van Philips II legde hij jegens de steden, die zich aan hem overgaven, eene groote mate van zachtmoedigheid aan den dag. Hij bevestigde al hare oude rechten en vrijheden, hij verbood zijnen soldaten het moorden en plunderen en zelfs de protestanten behandelde hij met veel meer verschooning dan zij verwacht hadden. Hij stond hun toe, nog twee jaar te Gent te blijven om in dien tijd òf tot de katholieke kerk terug te keeren, òf, wanneer zij dat niet wilden, op hun gemak hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten. Hierdoor handelde hij in den geest der katholieken en ontnam hij toch den protestanten in andere aangevallen steden het voorwendsel, dat zij tot den laatsten droppel bloed moesten strijden, omdat zij, volgens de ondervinding vroeger van de Spanjaarden opgedaan, door eene overgave toch hun leven en hunne bezittingen niet zouden redden.
DeStaten-Generaalkonden in deze omstandigheden de oogen niet sluiten voor de waarheid, dat zij zonder buitenlandsche hulp niet in staat zouden zijn om op den duur aan Philips’ zegevierenden veldheer het hoofd te bieden. Zij besloten, zich op nieuw tot Frankrijk, en wel ditmaal rechtstreeks tot koning Hendrik III te wenden en hem de souvereiniteit over de Nederlanden aan te bieden.
Intusschen waren de tijden op eene voor de Nederlanders hoogst treurige wijze veranderd, deze konden niet langer, gelijk vroeger den hertog van Alençon, thans den koning op fieren toon hunne voorwaarden stellen, zij moesten zich getroosten hunne eischen grootelijks te matigen, ja zelfs toestaan, dat de Nederlanden bij het Fransche rijk zouden worden ingelijfd.
De toegevendheid der Staten-generaal verwekte intusschen in Holland groote ontevredenheid. Een aantal steden, zooals Amsterdam, Gouda en Monnikendam, dienden protesten in, doch de Staten-generaal sloegen daarop geen acht. Toen Alexander Farnese steeds nieuwe voordeelen behaalde, gingen zij in hunne toegevendheid jegens den Franschen koning zoo ver mogelijk, ten einde maar Frankrijks hulp tegen Spanje te verwerven. Zij deden afstand van de belangrijkste rechten des lands, die den vorstentrots van Hendrik III zouden kunnen krenken, onder anderen van het recht der Staten-generaal om samen te komen, ook zonder bijeengeroepen te zijn. Hunne inschikkelijkheid en hunne dringende beden bleven evenwel zonder vrucht.
Wel gevoelde Hendrik III grooten lust om de heerschappij over de Nederlanden te aanvaarden, doch aan den anderen kant duchtte hij de vijandschap van Philips II van Spanje, die met de ligue een vormelijk verbond gesloten had, en die daarom, in geval er een oorlog uitbrak, op de ondersteuning van de dweepzieke katholieken onder aanvoering van de Guises rekenen kon. De Nederlanders konden hem bij zulk een oorlog niet van nut zijn, want zij hadden zelven behoefte aan ondersteuning, of boden zij hem niet de souvereiniteit alleen aan, om zijne hulp zich te verwerven? Hoewel koning Hendrik van Navarre en zelfs Catharina de Medici Hendrik III dringend aanrieden, het aanzoek der Nederlandsche gezanten in te willigen, kon deze daartoe toch niet besluiten. Hij ontsloeg de gezanten met zeer onbepaalde verzekeringen van zijne groote liefde voor hun land, met niets zeggende beloften van latere hulp en met de aansporing om verder even trouw jegens Frankrijk gezind te blijven als tot heden. Doch met zulke woorden waren de Nederlanders niet gediend en zij zagen zich thans des te meer genoodzaakt, naar andere hulp om te zien, dewijl intusschen de hertog van Parma op nieuw groote voordeden behaald had.
De zachtmoedigheid, door Farnese jegens de Gentenaars aan den dag gelegd, had goede vruchten gedragen. In de steden, die belegerd werden, vormde zich lichtelijk eene partij, die op overgave aandrong, en natuurlijk bij alle zwakke en lafhartige karakters steun vond. Zelfs de protestanten, die vroeger, in het bewustzijn dat ook bij eene capitulatie hun leven verbeurd was, met den moed der wanhoop gestreden hadden, betoonden zich thans zeer geneigd tot onderhandelingen, terwijl de katholieken meer en meer de Spaansche belangen omhelsden. Zoo viel Brussel, de belangrijke hoofdstad, en toen Farnese zich ook hier even zachtmoedig gedroeg als te Gent, verklaarden ook andere Brabantsche steden zich tot de overgave geneigd. Weldra was geheel Brabant, met uitzondering van Mechelen en Antwerpen, weder aan den koning onderworpen.
Ook in de overige provinciën maakte de hertog van Parma groote vorderingen, dewijl de Staatsche veldheer, de graaf van Hohenlohe, volstrekt niet de noodige bekwaamheid bezat om de ongeoefende Nederlandsche troepen tot een krachtig en geoefend leger te vormen. Verschillende belangrijke steden, onder anderen ook Nijmegen, gaven zich zonder slag of stoot aan Parma over, dewijl de katholieke burgers door oproerige bewegingen den magistraat tot de overgave noodzaakten1. Van het grootstebelang was het voor Parma, ook Antwerpen weer aan ’s konings macht te onderwerpen. Hij zelf zeide, dat de rijke handelsstad de voedster van den krijg was, dat hij de bijl aan den wortel des booms wilde leggen en dat, zoodra Antwerpen gevallen was, ook Holland en Zeeland moesten volgen. Deze beide provinciën, die het hart van den opstand waren, wilde Farnese door de grootst mogelijke inschikkelijkheid, zelfs door het toestaan van de gewetensvrijheid voor zich winnen, doch opdat zijne aanbiedingen door de Hollanders en Zeeuwen ten volle gewaardeerd zouden worden, was het noodzakelijk, eerst Antwerpen te heroveren, en tot deze onderneming spande Farnese dan ook al zijne krachten in.
Willem van Oranje had dit reeds voorzien en daarom den getrouwsten der getrouwen, Marnix van St. Aldegonde, tot burgemeester van Antwerpen aangesteld en der burgerij op het hart gedrukt, een zekeren dijk door te steken, het land onder water te zetten, en daardoor den Spanjaarden het versperren van de Schelde onmogelijk te maken, opdat de stad, in geval zij belegerd werd, ten allen tijde van Holland uit, ontzet zou kunnen worden.
Aldegonde spande al zijne krachten in, om de plannen van den prins ten uitvoer te leggen; doch al zijne pogingen leden schipbreuk op den onwil en het eigenbelang der burgerij. De leden van het slachtersgild zouden door het doorsteken van den dijk de weide voor 12.000 stuks rundvee verloren hebben. Deze verzetten zich derhalve tegen den tot beveiliging der stad noodzakelijken maatregel en beweerden spottend, dat een stroom, gelijk de Schelde, noch door eene brug, noch door een ketting versperd worden kon. Weldra zouden zij het anders leeren inzien; maar wanneer zij dan hun tegenstand lieten varen, zou het te laat zijn, dewijl Parma den dijk bezet had.
Farnese gebruikte den winter van 1584 op 1585 om die merkwaardige brug over de Schelde te voltooien, welke den val van Antwerpen beslissen zou. Op de beide oevers der rivier werden reusachtige paalwerken in den grond geslagen en door 32 platbodemvaartuigen verbonden. Deze schipbrug werd door 97 kanonnen verdedigd.
Ten einde de groote menigte bouwstoffen voor de brug aan te voeren, liet Farnese een afzonderlijk kanaal graven, dat het land van Waes ter lengte van 14.000 voet doorsneed en dat tevens diende om den belegeringstroepen zonder moeite de noodige levensmiddelen te verschaffen. Dit kanaal is later voor die streek een ware zegen geworden. Het heeft de ontginning van het vroeger dorre en onvruchtbare land van Waes mogelijk gemaakt.
Vóór de voltooiing van de brug zou het nog mogelijk zijn geweest, Antwerpen althans van levensmiddelen voor een langdurig beleg te voorzien, doch ook dit geschiedde niet. De rijken wilden hunne schatten niet afstaan, om koren, dat zeer hoog in prijs was, in groote hoeveelheid in te koopen. Ook de Hollandsche vloot zou nog bij machte zijn geweest om de stad te ontzetten, zij had althans eene poging kunnen wagen om het bouwen van de brug te verhinderen, doch de werkzaamheid der vloot was helaas! door een partijtwist verlamd. De admiraal Bloys van Treslong, een der veroveraars van den Briel, een oud en trouw aanhanger van den prinsvan Oranje, was het slachtoffer geworden van de vijandige gezindheid van eenige leden der admiraliteit: hij was in hechtenis genomen en aangeklaagd en ontving eerst later zijne vrijheid terug.
Nadat de brug voltooid was, zag Aldegonde zijne hoop om Antwerpen tegen den overmachtigen vijand te verdedigen, meer en meer verzwinden. Toch trachtte hij de burgerij tot eene krachtige verdediging op te wekken, en nog eenmaal flikkerde eene straal van hoop op overwinning.
Gianibelli, een bouwmeester uit Mantua, die sinds eenige jaren te Antwerpen woonde en zich met hart en ziel aan de zaak der Nederlandsche vrijheid toegewijd had, ondersteunde Aldegonde krachtig in zijne pogingen om de belangrijke stad te behouden. Hij vond een vreeselijk helsch werktuig uit, eene soort van branders, die in den nacht van den 4enApril tegen de schipbrug der Spanjaarden aangewend werden en eene inderdaad ontzettende uitwerking te weeg brachten. Een groot deel der schipbrug werd door de uitbarsting vernield.
„De hemel,” zegt Hooft, „scheen te scheuren, de hel hare kaken te openen. De vuurgloed verslond of verpletterde bij den slag de meesten, die zich op het paalwerk of in de schepen der brug bevonden. Eerst stond de lucht in vollen gloed, daarop heerschten een dikke damp en de duisternis van den nacht. De stroom vloog uit zijne bedding en vulde zoowel het fort St. Marie als de aangrenzende velden, over een omtrek van drie mijlen schudde de aarde, binnen een halve mijl bleef niemand op de been; de in de lucht geslingerde steenen vlogen tot op een afstand van eene vierde mijl en drongen ter diepte van negen voet in den grond. Vreeselijker nog dan de half vernielde brug was de aanblik der dooden of verminkten. De Spanjaarden betreurden 500 dooden, de onzen spraken van 800 lijken.”
Ook Farnese was tengevolge van de uitbarsting ter aarde geworpen en ter nauwernood aan den dood ontsnapt.
Een panische schrik had zich terstond na de uitbarsting van de Spanjaarden meester gemaakt, zelfs de onverstoorbare koelbloedigheid van den hertog was in de eerste oogenblikken niet bij machte om dien te overwinnen. Indien de Antwerpenaars op dat tijdstip een aanval op de Spaansche legerplaats gedaan hadden, indien de Hollandsche vloot hen daarbij ondersteund had, dan zou de zegepraal der Nederlanders ontwijfelbaar zeker zijn geweest, dan ware Antwerpen gered. Maar niets van dit alles gebeurde. In de stad was de valsche tijding gebracht, dat het niet gelukt was, de brug in de lucht te doen vliegen en toen men twee dagen later eindelijk de waarheid vernam, was het te laat. De schrik der Spanjaarden was bedaard en aan Parma’s kalme en onvermoeide bedrijvigheid was het gelukt, de door de helsche machine aangerichte schade te herstellen.
Alle verdere pogingen der belegerden tot verdediging van hunne stad mislukten, ook van buiten kwam geene hulp opdagen en reeds begonnen de levensmiddelen schaarsch te worden. De burgerij sloeg thans aan het morren en eischte, dat de stad zou worden overgegeven, toen zij vernam, dat ook het sinds geruimen tijd belegerde Mechelen gevallen was.
Te vergeefs verzette Aldegonde zich tegen deze eischen, hij werd gedwongen om onderhandelingen met Parma aan te knoopen en dewijl deze bereidwillig de meest gematigde voorwaarden toestond, volgde den 1enAugustus 1585 de overgave der stad. De hertog hield zijn woord, nadat hij zijne zegepraal met een plechtigen intocht binnen Antwerpen bekroond had.
De stad bleef in het bezit van al hare oude vrijheden. Den protestanten werd het vergund, nog vier jaren lang in hunne woonplaats te blijven en, wanneer zij dan niet in den schoot der moederkerk wilden terugkeeren, hunne goederen te verkoopen en te verhuizen. Voorloopig kreeg Antwerpen wel eene Spaansche bezetting onder bevel van Mondragon, doch Farnese beloofde, deze troepen terug te zullen trekken, zoodra Holland en Zeeland onderworpen waren.
De val van Antwerpen oefende op het lot der Nederlanden een beslissenden invloed uit. Hij maakte de zuidelijke provinciën voor altijd van de noordelijke, door de Unie van Utrecht vereenigde gewesten los. Doch terwijl deze door het verlies der belangrijke stad voor het uiterlijke verzwakt werden, namen zij daardoor te gelijkertijd in innerlijke kracht toe. In de zuidelijke gewesten verloren zij twijfelachtige bondgenooten, wier eigenaardige zeden en begrippen zij tot dusver altijd hadden moeten ontzien. Daarentegen schonk de aankomst der rijkste protestantsche inwoners van Gent, Antwerpen en andere steden hun eene rijke aanwinst. Deze rijke protestanten moesten naar Holland verhuizen, dewijl Parma wel, overeenkomstig zijne belofte, de ketters niet belette hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten, maar ook evenmin duldde, dat zij zonder van kerkgeloof te veranderen in de door hen veroverde steden bleven wonen.
Niet alleen voor het geheele land, ook voor éénen man was de val van Antwerpen noodlottig. Aldegonde, die zoo ijverig zijne beste krachten ingespannen had om de stad tegen de Spanjaarden te verdedigen, moest na haren val van alle zijden de scherpste verwijten hooren. Men gaf hem de schuld van het verlies van Antwerpen, ja men behandelde hem bijna als een verrader. Zijn staatkundige invloed was voor goed geknakt, slechts zelden werd van nu af nog zijne stem vernomen. Hij wijdde zich bijna uitsluitend aan letterkundigen arbeid.
Ook Marnix van St. Aldegonde heeft in het lot van zoovele groote mannen gedeeld;de trouwe diensten, door hem aan het vaderland bewezen, zijn met ondank vergolden, doch het nageslacht heeft hem recht doen wedervaren.
1Het is een merkwaardig verschijnsel dat—terwijl alle provinciën en ook Friesland zwaar onder den druk van den rampspoedigen oorlog zuchtten—de Nederlanders toch hunne liefde voor de wetenschap niet verloren. Juist in het treurige jaar 1585 stichtte de stadhouder Willem Lodewijk van Nassau te Franeker eene academie, welke zich later onderscheiden zou door vele uitstekende mannen, die daar werkzaam waren.
1Het is een merkwaardig verschijnsel dat—terwijl alle provinciën en ook Friesland zwaar onder den druk van den rampspoedigen oorlog zuchtten—de Nederlanders toch hunne liefde voor de wetenschap niet verloren. Juist in het treurige jaar 1585 stichtte de stadhouder Willem Lodewijk van Nassau te Franeker eene academie, welke zich later onderscheiden zou door vele uitstekende mannen, die daar werkzaam waren.