Zeventiende Hoofdstuk.

Zeventiende Hoofdstuk.Vredesonderhandelingen te Keulen. Tegenstrijdige eischen der beide partijen. Poging om Willem van Oranje te winnen. Zijne onomkoopbaarheid. Einde der onderhandelingen. Algemeen verraad. De graaf van Rennenberg. De oorlog van weerszijden slapjes voortgezet. Willem van Oranje vogelvrij verklaard. Benoeming van hertogin Margaretha tot landvoogdes. Margaretha en haar zoon. De hertogin trekt zich terug. Onderhandelingen van Willem van Oranje met den hertog van Anjou. De onafhankelijkheidsverklaring van 26 Juli 1581. Vertrek van den aartshertog Matthias.De verovering van Maastricht was de eenige belangrijke gebeurtenis, die gedurende het jaar 1579 op het oorlogstooneel voorviel.Beidepartijen ontbrak het aan geld; beiden trachtten bovendien meer langs den weg van onderhandelingen dan door middel van het zwaard hun doel te bereiken, en hiertoe bood een vredescongres, dat op bevel van keizer Rudolf bijeengeroepen was, ten einde koning Philips met de oproerige gewesten te verzoenen, hun de beste gelegenheid aan.De keizer stelde als hoofd van het huis Oostenrijk het hoogste belang in het ten einde brengen van den oorlog. De meer dan dubbelzinnige verhouding, waarin de aartshertog Matthias zich in de Nederlanden bevond, dreigde oorzaak te worden van een breuk tusschen den Spaanschen en den Duitschen tak van het Oostenrijksche huis: dit gevaar moest de keizer trachten af te wenden. Daarom had hij reeds meermalen zijne bemiddeling aangeboden, ja had hij, hoewel tot dusver zonder goeden uitslag, daartoe eenige stappen gedaan. Eene nieuwe poging tot bereikingvan zijn doel waagde hij thans, door een vredescongres te Keulen bijeen te roepen.Het was eene schitterende vergadering, die daar bijeenkwam. Ook de paus had een legaat gezonden in den aartsbisschop van Rossano, die later, toen hij zelf paus werd, den naam Urbanus VII aannam. Aan het hoofd van een talrijk keizerlijk gezantschap stond graaf Otto van Schwarzenberg; koning Philips had den hertog van Terranova met vijf raden gezonden; de Staten-Generaal waren door den hertog van Aerschot en andere aanzienlijke Nederlanders vertegenwoordigd, ook de keurvorsten van Keulen en Trier en de bisschop van Würzburg namen deel aan het congres.Bij de opening der vergadering scheen het uitzicht op het herstel van den vrede niet ongunstig; alle partijen waren den oorlog moede en geneigd om zich met elkander te verstaan.Koning Philips II had reeds onnoemlijke groote offers gebracht, doch zonder daarvan eenige vrucht te plukken. De onderwerping van de opstandelingen lag nog steeds in een onafzienbaar verschiet. Hij wenschte oprecht naar den vrede en hij was volgaarne bereid om zich daarvoor eenig offer te getroosten, indien zij zich slechts schikten naar datgeen wat in zijn oog zóó billijk en rechtvaardig was, dat hij volstrekt maar niet begreep, waarom zijne vaderlijke aanbiedingen door de opstandelingen steeds met verontwaardiging van de hand werden gewezen. Hij verlangde immers zoo weinig! Niets eischte hij dan de volledige herstelling van de koninklijke rechten, de uitsluitende heerschappij van de katholieke kerk en de uitroeiing van de ketterij in de Nederlanden. Kon een koning minder vorderen? Philips was bereid om ten aanzien van alle bijzaken toe te geven, alleen in deze hoofdzaak niet.Ook de Staten-Generaal waren den oorlog moede. Geen wonder waarlijk, want alle standen des volks smachtten naar het einde der door den langdurigen oorlog veroorzaakte verwarring; maar—eere den mannen, wien Alba dwaselijk den spotnaam botermenschen gegeven had!—de Nederlanders dachten er niet aan, den vrede te koopen door het schandelijk opofferen van hunne vrijheid, bovenal van hunne godsdienstvrijheid, waarvoor zij zóó lang de wapenen hadden gevoerd.Wel trof men in de Staten der provinciën, in de gemeentebesturen en onder het volk zelf een tal van wankelmoedigen aan, die aan de eindelijke zegepraal der goede zaak wanhoopten en daarom het liefst op elke voorwaarde vrede gesloten zouden hebben, wel hadden ook de krachtigsten onder hen soms met een gevoel van moedeloosheid te kampen, wanneer zij zagen, hoe het bloeiende land verwoest, ja eene prooi van op buit beluste soldaten werd, hoe de als onuitputtelijk beschouwde schatten der Nederlanders dagelijks slonken, hoe handel en nijverheid kwijnden, en toch door den onzaligen krijg eigenlijk niets bereikt werd, doch indien zelfs bij deze krachtiger naturen somtijds de begeerte opkwam om vrede te sluiten tot elken prijs, indien zij in het toestaan van gelden zich nu en dan karig betoonden en daardoor het voortzetten van den oorlog bemoeilijkten, dan mogen wij hun daarvan toch waarlijk geen verwijt maken. Integendeel, wij hebben alle reden om die mannen te bewonderen, die telkens nieuwen moed schepten om hun ideaal te verwezenlijken, die telkens nieuwe offers voor hunne vrijheid en hunne godsdienst brachten. Doch bovenal komt de schatting onzer welgemeende hulde den grooten man toe, die de ziel der vrijheidsbeweging in de Nederlanden was, aan prins Willem van Oranje.Zijne onwrikbare standvastigheid, zijne moedige volharding, zijne bereidvaardigheid om de zwaarste offers te brengen te midden van de moeilijkste, soms schier van wanhopige omstandigheden richtten de wankelenden weder op. Hij was het, die de Staten met geestdrift voor het voortzetten van den krijg bezielde, die de moedeloozen sterkte en hun hoop op de eindelijke zegepraal inboezemde, die hen bewoog om vast te houden aan hunne rechtmatige eischen. Willem van Oranje is in waarheid de grondlegger van de Nederlandsche vrijheid; aan hem voornamelijk heeft het nageslacht het te danken, dat de Nederlanders aan hunne beginselen trouw bleven en dat de vrijheid ten slotte eene overwinning behaalde, wier vruchten allen volken ten goede zouden komen!Op aansporing van Willem van Oranje handhaafden de Staten-Generaal op het vredescongres te Keulen hunne oude eischen: de door des konings eed gewaarborgde vrijheden der provinciën en den godsdienstvrede.Zoowel de Nederlanders als de koning stonden onwrikbaar op hun stuk; beider eischen konden niet met elkander in overeenstemming gebracht worden. Slechts één middel bestond er wellicht om den vrede tot stand te brengen: men moest trachten den prins van Oranje te winnen. Wanneer hij de Nederlanden verliet en naar Duitschland terugkeerde, dan verloren de Staten-Generaal hun hoofd en hart, dan was het fnuiken van hun tegenstand slechts eene kwestie van tijd.De graaf van Schwarzenberg, de keizerlijke gevolmachtigde, deed den prins van Oranje de schitterendste aanbiedingen. Hij beloofde hem niet alleen invrijheidstelling van zijn gevangenen zoon, teruggave van al zijne verbeurd verklaarde goederen, betaling van al zijne schulden en van alle voorgeschoten gelden, maar bovendien—wanneer hij dit verkiezen mocht—de ruimste vergoeding in Duitsch grondgebied, benevens een millioen in klinkende munt.Kon een mensch aan zulke verzoekingen weerstand bieden? Hoe gemakkelijk het viel, in die dagen groote heeren om te koopen, had de laatste tijd in schitterende voorbeelden bewezen. Wanneer een Montigny, een de la Motte, een Caprez, wanneer zelfs een burggraaf van Gent zich door Spaansch geld lieten verleiden, wanneer een Egmond den dood zijns vaders vergeten kon en zelfs een hertog van Aerschot zich overhalen liet om met den hertog van Terranova geheime onderhandelingen over het verraden van zijn vaderland aan te knoopen, gelijk thans het geval was,—dan konden de meer schitterende aanbiedingen, den prins van Oranje gedaan, hun doel niet missen.IJdele poging! „De geschiedenis,” zegt een schrijver zeer juist en schoon, „heeft althans eens te boekstaven, dat er een mensch geweest is, om wienom te koopende koningen niet rijk genoeg waren.” De prins van Oranje sloeg al die aanbiedingen met verachting af; toen men hem echter verweet, dat zijn persoon alleen het struikelblok was voor het sluiten van een eervollen vrede, verklaarde hij den Staten-Generaal, dat hij bereid was om al zijne ambten en waardigheden vrijwillig neer te leggen en dat hij volvaardig den man gehoorzamen zou, dien zij in zijne plaats zouden benoemen.Dewijl de beide partijen lijnrecht tegen elkander over stonden en van geene toegevendheid wilden weten, moest het congres te Keulen, hoewel de onderhandelingen maanden lang gerekt werden, wel vruchteloos afloopen. Veel tijd en veel woorden werden bij de beraadslagingen, veel gelden veel wijn bij de schitterende feesten nutteloos verspild, en het congres ging uit elkaar. Het had alleen eenig voordeel opgeleverd voor enkele Nederlandsche edelen, zooals de hertog van Aerschot, die in ’t geheim vrede sloot met koning Philips.Het verraad speelde in dien tijd over ’t algemeen eene groote en bedroevende rol. Alexander Farnese bracht den Nederlanders grooter schade toe door het omkoopen van staatsche bevelhebbers, zelfs van dezulken, die tot dusver de ijverigste aanhangers van den prins van Oranje waren geweest, dan door zijne wapenfeiten, dewijl de oorlog slechts zeer slap gevoerd werd. Het was immers veel gemakkelijker en ook veel goedkooper, de bevelhebbers van sterke plaatsen met eene groote som om te koopen dan een leger voor zulke vestingen te voeren, ten einde die te belegeren en te veroveren.Indien wij deze treurige geschiedenis in al hare bijzonderheden wilden verhalen, zouden wij vele namen van oude, beroemde, thans nog levende geslachten moeten noemen. Doch waartoe de herinnering van zooveel schande vernieuwd? Slechts van één man willen wij spreken, wiens afval den prins van Oranje bijzonder griefde.De graaf George van Rennenberg was de jongere broeder van den overleden graaf van Hoogstraten. De prins van Oranje had op den nog jeugdigen man de vriendschap overgebracht, welke hij eens voor diens broeder gekoesterd had; hij hield Rennenberg voor den trouwsten der trouwen.De graaf bekleedde een belangrijken post. Hij was stadhouder van Friesland, Drenthe en hield Groningen, de voornaamste sterkte in deze provinciën, bezet.Reeds in November 1579 verbreidde zich het gerucht, dat Rennenberg, een ijverig katholiek, zich aan de Spanjaarden verkocht had; de prins geloofde het niet, doch het was maar al te gegrond, en weldra ontving hij voor de juistheid daarvan onomstootelijke bewijzen. Rennenberg had inderdaad op de dringende beden zijner zuster voor eene ellendige handvol goud zijne eer ten offer gebracht en beloofd, Groningen aan de Spanjaarden over te zullen leveren.Het gevaar was groot. Oranje vatte derhalve het voornemen op om zich in persoon naar Groningen te begeven, ten einde het verraad voor te komen. Doch eer hij dit plan kon verwezenlijken, had de graaf zijnschandelijkeopzet reeds volvoerd.Den 3enMaart 1580 had Rennenberg de aanzienlijkste familiën van Groningen op een schitterend feest uitgenoodigd. Onder de gasten bevond zich ook de burgemeester Hildebrand, een oud vriend van den graaf. Hij achtte het zijn plicht, dezen mee te deelen, dat er ongunstige geruchten te zijnen aanzien verbreid werden.„Mijn beste oude vriend, dien ik meer liefheb dan een vader, kunt ook gij mij verdenken? Ik bid u, vertrouw mij en vrees niets!” Met deze woorden drukte Rennenberg de hand des burgemeesters zóó trouwhartig, dat deze het als verraad jegens de vriendschap beschouwde nog langer eenigen twijfel te koesteren.Nog denzelfden nacht liet de graaf de invloedrijkste aanhangers van den prins door zijne handlangers in hechtenis nemen. Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, liet hij de voornaamste pleinen en straten door een hoop omgekocht gespuis bezetten, aan wiens hoofd hij zelf zich plaatste. Door het rumoer gewekt, snelden de leden der stedelijkeoverheid, en onder hen ook de burgemeester Hildebrand, naar het stadhuis. Hildebrand wendde zich tot Rennenberg, die geharnast op het plein stond, doch eer hij nog een woord spreken kon, was hij door een pistoolschot van een aanhanger des graven levenloos aan diens voeten uitgestrekt. Een paar dagen later vaardigde Rennenberg eene proclamatie uit, waarin hij verklaarde, dat de stad Groningen tot gehoorzaamheid aan den koning teruggekeerd was.1Het verraad van vele aanzienlijke bevelhebbers der staatsche troepen, de lauwheid der Staten, die niet dan aarzelend de noodzakelijkste geldmiddelen toestonden en het daardoor den prins van Oranje onmogelijk maakten, krachtige aanvallen op den sterken vijand te doen, het gebrek aan goede aanvoerders aan de zijde der Nederlanders, hetwelk zich dagelijks meer deed gevoelen, dewijl de staatschen in de gevechten met de geoefende Spanjaarden meestal het onderspit delfden, dit alles deed ook bij de vurigste voorstanders der vrijheid de hoop op zegepraal verflauwen. Wanneer zelfs Oranje’s broeder, graaf Jan van Nassau, de zaak opgaf en in het midden van het jaar 1580 de Nederlanden verliet, moesten anderen wel geheel wanhopen en natuurlijk groeide het aantal der verraders daardoor des te sneller aan.De Spanjaarden behaalden dagelijks nieuwe voordeelen en Alexander Farnese zou wellicht in staat zijn geweest om de oproerige gewesten spoedig te onderwerpen, indien Philips II hem slechts krachtig ondersteund had en zoo hij niet genoodzaakt was geweest om zijne Spaansche krijgsmacht te verzwakken, ten einde zich van de Waalsche gewesten te verzekeren.Bovendien beging Philips tot geluk der Nederlanders, nog vele andere staatkundige misslagen, die, in plaats van der omwenteling te schaden—gelijk de koning wenschte—er integendeel toe bijdroegen om haar te bevorderen.Was het hem niet gelukt, den prins van Oranje door omkooping te winnen, thans waagde hij, op Granvelle’s raad, de dwaze poging om hem door bedreiging schrik aan te jagen. De prins had bij het Spaansche hof den naam, dat het hem aan persoonlijken moed ontbrak; op zijne vermeende lafheid bouwde de koning zijne verdere plannen.Den 15enMaart 1580 vaardigde Philips II tegen den prins van Oranje den ban uit. In dit beruchte stuk, dat intusschen eerst in Juni werd openbaar gemaakt, werden alle vermeende euveldaden des prinsen opgesomd. „Daarom”—zoo luidde het verder—„verklaren wij hem voor een verrader en een booswicht, voor onzen vijand en dien des lands.———Wij vergunnen een ieder, hem aan lijf of goederen te beschadigen. En zoo iemand, hetzij een onzer onderdanen of een vreemdeling, vroom en edelmoedig genoeg gevonden mocht worden om ons van deze pest te verlossen en hem ons dood of levend uit te leveren, of wel hem het leven te benemen, dan zullen wij hem onmiddellijk na het verrichten van die daad vijf en twintig duizend gouden kroonen doen uitbetalen; en zoo hij eenig misdrijf mocht gepleegd hebben, hoe groot ook, beloven wij hem dat te vergeven; en zoo hij niet reeds van adel is, zullen wij hem om zijne vroomheid tot den adelstand verheffen.”Door deze schitterende beloften hoopte Philips, volgens Granvelle’s raad,geldgierige en eerzuchtige sluipmoordenaars op den prins van Oranje aan te hitsen en dezen zulk een doodsangst in te boezemen, dat hij vrijwillig de Nederlanden zou verlaten, waar zijn leven dagelijks bedreigd werd.Het aangewende middel werkte juist het tegenovergestelde uit van hetgeen men verwacht had. Willem van Oranje was geen lafaard, hij had in de laatste jaren zoo dikwijls een bijna zekeren dood met de grootste kalmte onder de oogen gezien; hij was zoo volkomen bereid om zijn leven, zoo noodig, ten offer te brengen aan de groote zaak, waaraan hij zich gewijd had, dat vrees voor lage sluipmoordenaars hem niet kon verschrikken. Het banvonnis des konings gaf hem een verweerschrift in de pen, dat hij aan de Europeesche hoven rondzond en bovendien openbaar maken liet. Op welsprekende wijze verdedigde hij daarin zijn karakter en zijne handelingen tegen de op hem gelegde blaam, ja hij deed die beschuldiging van eedbreuk en huichelarij op het hoofd van den koning zelven terugvallen.Zijne aanhangers schaarden zich des te nauwer rondom hem om hem te beschermen, dewijl zij wisten, dat hij onophoudelijk in gevaar zweefde.Niet minder dwaas was een andere staatkundige stap, welken Philips II insgelijks in dienzelfden tijd deed. Hij herinnerde zich, hoezeer de Nederlanders eens het vertrek der landvoogdes Margaretha van Parma betreurd hadden. Hij kende den staat van zaken in de Nederlanden zóó weinig, dat hij geen flauw begrip had van de bron, waaruit de droefheid over Margaretha’s ontslag in die dagen voortgevloeid was, dat zij namelijk niet uit waardeering van hare verdiensten, maar alleen uit vrees voor haren opvolger Alba was voortgekomen.De koning meende, dat hij niets te doen had dan de hertogin in hare vroegere waardigheid te herstellen, om het vuur van den opstand van zelf te zien verdooven, en dat het grootste deel des volks zich met blijdschap aan de zijde der hertogin scharen zou. Hij beval haar daarom, naar de Nederlanden terug te keeren.In Augustus 1580 kwam Margaretha van Parma te Namen aan. Doch hare komst verwekte in de Nederlanden niet de minste geestdrift, zij maakte alleen den toorn van Alexander Farnese in de hoogste mate gaande.Farnese had tot dusver met zulk een gunstigen uitslag zijn ambt bekleed, hij was zóó vast overtuigd, dat hij, wanneer hij maar de handen vrij had en door den koning behoorlijk met voldoende geldmiddelen ondersteund werd, er in slagen zou, den opstand der Nederlanders te fnuiken, dat hij zich thans diep gekrenkt gevoelde.Wel zou hij het opperbevel over het leger behouden en zijne moeder, de hertogin, slechts het burgerlijk bewind voeren, doch zulk eene verkorting van zijne macht wilde hij zich niet laten welgevallen. Hij verklaarde, dat hij of de geheele of in ’t geheel geene macht wilde bezitten, hij eischte zijn ontslag, indien men hem niet volle vrijheid van handelen liet.De hertogin zwichtte voor de eischen van haren zoon. Zij zag zelve in, dat eene splitsing der macht slechts dienen zou om haar te ondermijnen. Zij vereenigde daarom hare bede met die van Farnese en verzocht van den koning verlof om naar Italië terug te keeren.Philips II moest, hoewel dan ook na lang dralen, het verzoek zijner beide bloedverwanten inwilligen. Tegen het eind van het jaar 1581 bevestigdehij Farnese in zijne waardigheid als landvoogd der Nederlanden; alleen wenschte hij dat Margaretha nog in het land blijven zou, zonder echter eenige waardigheid te bekleeden. Margaretha willigde die begeerte in; eerst in den herfst van 1583 keerde zij naar Italië terug. Hare benoeming had den koning niet het minste voordeel aangebracht; integendeel, Farnese was daardoor meer dan eens in de volvoering van zijne plannen gedwarsboomd.Intusschen was de prins van Oranje onvermoeid bezig geweest om dat wat hij niet op het oorlogstooneel bereiken kon, door gelukkige onderhandelingen te verwerven: juist dewijl het verraad onder de aanzienlijkste edelen in de verschillende provinciën hand over hand toenam, wijl de moedeloosheid en het gebrek aan veerkracht der verschillende standen met elken dag duidelijker aan het licht traden, was het noodig een beslissenden stap te doen, die ook den weifelenden voor altijd den terugtred afsnijden zou. Oranje drong derhalve op de beslissende en vormelijke afzwering van den Spaanschen koning aan, terwijl hij het echt-democratisch beginsel uitsprak, dat de betrekking tusschen vorst en volk op eene stilzwijgende overeenkomst berustte, dat de vorst alleen recht op zijne waardigheid bezat, wanneer hij zijne plichten vervulde, doch dat hij, ingeval hij dit niet deed, zijn recht verloren had; dan was de overeenkomst ontbonden en het volk niet langer tot gehoorzaamheid verplicht.Het beginsel, waaruit in later eeuwen de Fransche omwenteling voortkomen zou, die de gedaante der wereld heeft veranderd, de leer, dat de vorst om het volk, niet het volk om den vorst bestaat, welke men gewoonlijk van de Fransche omwenteling afleidt, heeft het eerst in de Nederlanden haar toepassing gevonden, en heeft aan de Nederlandsche omwenteling haar ontstaan te danken. Haar komt alzoo de verdienste toe, het eerst de beschaafde wereld bevrijd te hebben van de boeien van het blinde geloof aan het vorstelijk geboorterecht en van de huldiging van het erfelijk koningschap door Gods genade. Zij is daardoor de moeder geworden van de grootsche beweging ten gunste der vrijheid, welke sinds dien tijd vroeger of later bij alle beschaafde volken ontstaan is, zonder echter totop dezendag haar doel volkomen bereikt te hebben.Hoe krachtig Willem van Oranje ook op de plechtige en onherroepelijke afzwering van Philips II bij de Staten aandrong, hoe ijverig hij daartoe al zijn invloed aanwendde, toch dacht hij in de verte niet aan de vestiging van eene republiek. Het volk gevoelde noch in de Nederlanden, noch in de overige staten van Europa daarvoor de minste sympathie, het was door de kracht der gewoonte nog sterk aan den persoonlijken regeeringsvorm gehecht en Oranje was een veel te scherpzinnig staatsman dan dat hij zelfs eene poging had willen wagen om tegen den algemeenen stroom des tijds op te roeien. Hij zou het niet gedaan hebben, ook indien hij zelf van geestdrift voor de republiek geblaakt had; doch dit was evenmin het geval.Hij wilde den vorsten de macht ontnemen om met despotieke willekeur de volken te overheerschen, doch het koningschap wilde hij handhaven als eene erfelijke waardigheid. Hij wilde de volksvrijheid op onwrikbare grondslagen vestigen, doch niet in eene republiek, maar in een staat, waarin de vorst slechts de erfelijke drager der hoogste, bevoorrechte waardigheid in eene vrije gemeenschap zou zijn.Dit stelsel moest noodwendig voeren tot het verkiezen van een anderenvorst voor de Nederlanders, wanneer de vormelijke en besliste afzwering van Philips zou hebben plaats gehad.Doch op wien zou die keuze van een nieuwen vorst vallen?Op den aartshertog Matthias? Voor hem spraken zijne tegenwoordige waardigheid, zijne afkomst uit het Oostenrijksche huis, zijne verwantschap met den Duitschen keizer en zijne betrekking tot de Duitsche rijksvorsten. Doch tegen hem sprak nog veel luider dan dit alles zijne onbekwaamheid. Hij was niet in staat geweest om zich in de Nederlanden eene partij te vormen; juist zij, wien hij zijne waardigheid dankte, hadden hem het eerst den rug toegekeerd, ja hem geheel aan zijn lot overgelaten. Te midden der staatkundige verwarring van zijn tijd was hij een nul gebleven, een nul zonder macht of invloed. Slechts een weidschklinkenden titel bezat hij. De Nederlanders hadden als leider van hunne zaken een man van geestkracht en aanzien noodig, een vorst, die hun machtige bondgenooten aanbracht in den strijd tegen Philips II; ook hierop konden zij bij Matthias niet rekenen, want de keizer zou zijn bloedverwant, den koning van Spanje, nooit tot zijn vijand willen maken en de protestantsche rijksvorsten van Duitschland hadden reeds sinds lang getoond, dat zij geene geestdrift gevoelden voor de Nederlandsche omwenteling, die het Calvinisme, dat bij hen schier nog meer gehaat was dan het Katholicisme, op den troon geholpen had. Van de katholieke rijksvorsten daarentegen hadden de Nederlandsche ketters natuurlijk volstrekt geen hulp, maar een verbitterden tegenstand te wachten.De aartshertog Matthias kwam derhalve niet ter sprake, en het zou niet onnatuurlijk zijn geweest, indien Willem van Oranje er aan gedacht had, de hand naar de koningskroon der Nederlanden uit te steken; hij kon althans rekenen op de trouwe liefde van een groot deel des volks, dat hem vol geestdrift Vader Willem noemde, ja de Hollanders en Zeeuwen hadden hem meermalen ronduit den wensch te kennen gegeven, dat hij dien belangrijken stap zou doen. Doch eene dergelijke eerzucht was beneden het karakter van Willem van Oranje. Had hij voor zich zelven aanspraak op de kroon gemaakt, dan zou hij althans een schijn van recht hebben bijgezet aan de verwijten, welke Philips II en zijne binnenlandsche vijanden, de katholieke edelen, tot hem richtten. Zij beweerden toch, dat hij slechts zijne persoonlijke belangen, niet het heil des lands voorstond. Al gevoelde Willem van Oranje bovendien in zich de kracht en den moed om een uitstekend vorst voor de Nederlanders te zijn, toch kon hij hun geene hulp van buiten aanbrengen. In dit opzicht waren zijne hulpmiddelen uitgeput. Hij stond geheel alleen, zijn vermogen was versmolten, hij had niet eens geld genoeg om huurtroepen aan te werven. Onder zulke omstandigheden zou het misschien niet onnatuurlijk zijn geweest, indien de prins den blik naar Engeland gewend, en voorgesteld had om der maagdelijke koningin Elisabeth de kroon der Nederlanden aan te bieden. Engeland toch was thans een protestantsch land, Engelsche troepen hadden in den laatsten tijd naast de Nederlandsche gestreden. Doch tegen Elisabeth getuigde de dubbelzinnige staatkunde, welke zij langen tijd ten aanzien van de Nederlandsche omwenteling gevolgd was, en hare voorzichtige terughouding, die het niet waarschijnlijk maakte, dat zij hare geheele macht tot bescherming van de provinciën op het spel zetten zou. Buitendien was het wellicht ook mogelijk, Elisabeth’s hulp langs een anderen weg te verkrijgen.Men sprak in die dagen veel over een huwelijk van de maagdelijke koningin met den hertog Frans van Anjou; de ontworpen echtverbintenis hield de diplomaten van alle landen bezig; kwam zij tot stand en werd de hertog van Anjou tot heer der Nederlanden herkozen, dan ontvingen deze de hulp van Frankrijk en Engeland.Frans van Anjou droeg reeds den hoogdravenden titel: Beschermer van de Nederlandsche vrijheid, en men had hem reeds het uitzicht op de kroon dier landen geopend. Wel had hij tot dusver weinig of niets gedaan om zich dien titel waardig te maken, doch men mocht verwachten, dat hij ijveriger zijn zou, wanneer hij een onafhankelijk rijk verwerven kon. Frankrijk’s hulp was voor de Nederlanden van een niet hoog genoeg te waardeeren belang; slaagde men er in, die te verkrijgen, dan zag Parma zich tegelijk in het Zuiden en in het Noorden bedreigd, dan waren de afvallige Waalsche provinciën ingesloten door eene vijandelijke macht, ja wellicht zouden zij dan aan het vaderland teruggeschonken worden, dewijl de Walen natuurlijk veel meer genegenheid voor de Franschen dan voor de Spanjaarden koesterden.Op den hertog van Anjou vestigde Oranje derhalve het oog, hoewel hij het trouwloos karakter van den Franschen prins, zijne grenzenlooze, door geene uitstekende geestesgaven opgewogen eerzucht en zijne grove zedeloosheid zeer goed kende.St. Aldegonde werd naar Frankrijk gezonden, om met den hertog te onderhandelen, terwijl Oranje zelf bij de Staten de afzetting van Philips II en de verkiezing van Anjou trachtte te bewerken.De verbonden gewesten toonden zich daartoe bereid, alleen Holland en Zeeland maakten bezwaar; zij wilden niets van den Franschen prins weten en verlangden dat Willem van Oranje zelf, ten minste zoolang de oorlog duurde, de teugels des bewinds in handen nemen zou.In weerwil van dezen tegenstand voerden de onderhandelingen met Anjou toch tot het voorgestelde doel en wel op voorwaarden, die de door eerzucht verblinde prins alleen aannam, omdat hij besloten had, geene enkele zijner beloften te vervullen. De Staten behielden zich voor, na des hertogs dood een zijner zonen naar welgevallen tot zijn opvolger te kiezen. Anjou verbond zich om alle privilegiën der gewesten ongeschonden te bewaren, en de Staten-Generaal ten minste eenmaal ’s jaars bijeen te roepen en hun ook het recht toe te kennen om uit eigen beweging, zonder oproeping van des hertogs zijde, samen te komen. Nooit zouden de Nederlanden bij het Fransche koninkrijk ingelijfd worden, alle dienaars des hertogs en alle beambten zouden uit de Nederlanders gekozen worden, aan niet meer dan ten hoogste twee Franschen mocht hij eene plaats in den staatsraad geven. Holland en Zeeland zouden ten aanzien der godsdienst en van hun regeeringsvorm op den tegenwoordigen voet blijven. Frankrijk’s hulp in den oorlog tegen Spanje werd, schoon dan ook in zeer algemeene en dubbelzinnige uitdrukkingen, toegezegd.De gewichtigste bepaling intusschen, welke de Staten eischten en waaromtrent de hertog eerst na langdurige onderhandelingen toegaf, was deze, dat elke schending van het verdrag de Staten onmiddellijk ontslaan zou van den eed, welken zij den hertog zouden zweren: eene voorwaarde, waarbij het beginsel van het verdrag tusschen vorst en volk feitelijk werd toegepast.Den 16enSeptember 1580 werd het verdrag gesloten en in Januari1581 te Bordeaux onder eede bekrachtigd. Toch duurde het nog maanden eer de geünieerde provinciën besluiten konden, eindelijk den beslissenden stap tot hare onafhankelijkheidsverklaring te doen.Holland en Zeeland eischten voor zich onstuimig het recht om den prins van Oranje als hun vorst te proclameeren en Willem van Oranje moest na lang dralen eindelijk hunnen wensch inwilligen. Den 24enJuli 1581 zwoeren de Staten van Holland en Zeeland den prins den eed van trouw, twee dagen later, den 26enJuli 1581 vaardigden de in den Haag vergaderde Staten-Generaal der Vereenigde Gewesten de beroemde onafhankelijkheidsverklaring uit, welke den naam van afzweringsakte droeg.Het was eene voor alle tijden hoogst belangrijke oorkonde. De Staten verklaarden, dat de vorst door God over zijne onderdanen gesteld was, om hen te beschermen en te hoeden, doch niet om hun slavendiensten op te leggen. Het volk was niet om den vorst, maar de vorst om het volk, zonder hetwelk er geen vorst wezen kon. Indien hij niet rechtvaardig en overeenkomstig de wetten regeerde, dan was hij een dwingeland, tot wiens afzetting zijne onderdanen en de Staten, als hunne vertegenwoordigers, gerechtigd waren. Deze mochten dan een ander in zijne plaats benoemen, indien hun geen ander middel overbleef om hunne aangeborene vrijheid te beschermen. De Staten waren dus voldoende gerechtvaardigd, wanneer zij, de wetten der natuur volgende, een vorst verlieten, die hen reeds sinds meer dan 20 jaren verlaten had; vastbesloten om de rechtsprivilegiën en vrijheden te verdedigen en zich aan de Spaansche slavernij te onttrekken, verklaarden zij, dat de souvereiniteit van den koning van Spanje vervallen, dat hij afgezet was en dat zij noch zijnen titel, noch zijn gezag langer zouden erkennen.Drie dagen later, den 29enJuli 1581, vaardigde de vergadering eene oproeping aan alle beambten uit om den koning af te zweren en den eed van trouw aan de Staten af te leggen.De aartshertog Matthias, wiens stelling in de Nederlanden, na de gevoerde onderhandelingen tusschen den hertog van Anjou en de Staten, geheel onhoudbaar geworden was, zag geene reden om langer in eene betrekking te blijven, die hem geene eer aanbrengen kon en hem hoogst pijnlijk geworden was. Hij trok zich naar Duitschland terug met den bescheiden roem, dat hij wel niets tot stand gebracht, maar zijn naam evenmin door verraad, wreedheid of dwingelandij bezoedeld had. De Staten betoonden hem hunne dankbaarheid hiervoor door hem een jaargeld van 50.000 gulden toe te leggen, welks uitbetaling echter aan stiptheid zeer veel te wenschen overliet.1Rennenberg smaakte niet lang de vruchten van zijn verraad. Kort daarna stierf hij; op zijn sterfbed werd hij door vreeselijke gewetenswroeging gefolterd.Achttiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Wantrouwen tegen den hertog van Anjou. Ontzet van Kamerijk. Anjou dingt naar de hand van koningin Elisabeth van Engeland. Doornik ingenomen. Elisabeth’s kuiperijen. Anjou in de Nederlanden met blijdschap ontvangen. Zijne inhuldiging te Antwerpen. Moordaanslag op Willem van Oranje. Maurits van Nassau. Zijne koelbloedigheid. Jean Jaureguy. Het onderzoek. Anastro. De medeplichtigen gestraft. Herhaalde plannen om Oranje te vermoorden. Egmond’s medeplichtigheid. Verraderlijke plannen van Anjou. Slechte uitvoering. Anjou’s verijdelde aanslag op Antwerpen. De Staten in schijn met den hertog verzoend. Anjou verlaat de Nederlanden. Zijn dood.Het had den prins van Oranje veel moeite gekost, de Staten te bewegen tot de onderhandelingen met den hertog van Anjou, welker uitslag onze lezers kennen, en zelfs nadat zij afgeloopen waren, bleef toch juist bij de scherpzinnigste Nederlandsche staatslieden en ook in den boezem van het volk zelf een niet ongegrond wantrouwen jegens den Franschen prins bestaan.De Calvinisten hadden het niet vergeten, dat Frans Hercules van Alençon, de meest geliefde zoon der bloeddorstige Catharina de Medici, zijne handen eens met het bloed der Fransche protestanten bevlekt had, zij konden niet gelooven, dat zijn haat jegens de ketters eensklaps uitgebluscht zou zijn. Evenmin vertrouwden zij zijne verzekering, dat hij de vrijheden der Nederlanders eerbiedigen en nooit eene poging wagen zou om de provinciën geheel met Frankrijk te verbinden.Het luidst gaf men aan dit wantrouwen in Holland en Zeeland lucht. Het was de voornaamste oorzaak van het besluit dezer gewesten om zich afzonderlijk tot den prins van Oranje in eene onmiddellijke betrekking te stellen. Doch ook in de overige provinciën bleef het bestaan en het werd alleen voor korten tijd gesust door de verzekering van Frankrijk’s vrienden, dat de Nederlanders alleen onder bescherming van Anjou hunne vrijheid verwerven konden, dewijl de hertog aan het zoo zwaar geteisterde land de ondersteuning van den koning van Frankrijk en van zijn machtig leger aanbracht.Doch met deze ondersteuning zag het er tamelijk treurig uit. De koning was naijverig op zijn broeder; hij vreesde dat deze, zoodra hij zich slechts machtig genoeg voelde, hem gaarne van den Franschen troon verdringen zou, en hij gevoelde volstrekt geen lust om den koning van Spanje ter wille van zijn broeder rechtstreeks den oorlog te verklaren.Toch liet Anjou de Nederlanders niet geheel zonder bijstand. In het midden van den zomer van 1581 verscheen hij aan het hoofd van 5000 edele cavaliers en 12000 man voetvolk voor Kamerijk en ontzette deze belangrijke stad, tot welker belegering Farnese juist aanstalten maakte. Alexander, te zwak om aan het Fransche leger het hoofd te bieden, moest in aller ijl het beleg opbreken en wendde zijne macht tegen Doornik.Anjou voorzag de stad Kamerijk van levensmiddelen en versterkte haar garnizoen; doch daarmee meende hij ook genoeg gedaan te hebben. Hij dankte zijn leger af, de cavaliers keerden grootendeels naar Frankrijk terug, het voetvolk trad in dienst der Staten. Doch de hertog zelf reisde naar Engeland, om hier in persoon naar de hand van koningin Elisabeth te dingen.Farnese kon na Anjou’s vertrek ongestoord met het beleg van Doornik een aanvang maken. Hij hoopte op eene gemakkelijke zegepraal, dewijl de gouverneur der vesting, de prins d’Espinoy, zich op dat tijdstip niet daarbinnen bevond, en het opperbevel aan zijne gemalin, Maria van Lalaing, eene nicht van den onthoofden graaf van Hoorne, toevertrouwd had. De prinses bestuurde de verdediging met manlijken moed. Dagelijks verscheen zij op de wallen, zij trotseerde elk gevaar, zelfs toen zij eens gewond werd, liet zij zich niet bewegen om zich terug te trekken.De prins wenschte vurig, Doornik te redden, doch te vergeefs poogde hij de Staten te bewegen om eene grootere krijgsmacht in het veld te brengen en dus moest hij alle hoop op het ontzet der stad laten varen.Toen de tijding, dat de belegerden niet op ontzet hadden te rekenen, binnen Doornik aankwam, lieten de dappere verdedigers den moed zakken. De katholieke inwoners dreigden met openbaren opstand en zelfs de Calvinisten eischten overgave op eervolle voorwaarden, welke Farnese der prinses bereidvaardig toestond, ten einde zonder bloedvergieten meester van de stad te worden. Bij uitzondering hielden de Spanjaarden ditmaal hun woord. Zij lieten de prinses aan het hoofd der geheele bezetting met krijgseer uittrekken. Den 30enNovember deed Parma zijn intocht in de stad.De prins van Oranje had intusschen de Staten dringend aangespoord om aan den onhoudbaren toestand eener tusschenregeering een einde te maken; hij wenschte vurig, dat de hertog van Anjou zich naar de Nederlanden begeven zou om het hem toegedachte bewind te aanvaarden en met alle kracht den strijd tegen de Spanjaarden te aanvaarden. Een gezantschap werd naar Engeland afgevaardigd; het moest den hertog uitnoodigen om zoo spoedig mogelijk de regeering van zijn land te aanvaarden. Toch verliepen er nog weken, ja maanden, eer Anjou dezen wensch inwilligde, hij meende namelijk, dat hij voor alles in persoon naar de hand van Elisabeth dingen moest, en daarmede vorderde hij weinig of niets.De sluwe koningin wachtte zich wel, een bepaald antwoord te geven; zij nam het aanzoek des hertogs niet aan, maar verwierp het evenmin. Men zegt, dat Elisabeth zich wellicht tot het sluiten van dat huwelijk zou hebben laten bewegen, indien de hertog van Anjou niet al te leelijk was geweest, doch haar afkeer van zijn persoon woog zwaarder dan alle staatkundige overwegingen, die het aangaan van deze verbintenis raadzaam maakten. In weerwil hiervan zorgdeElisabeth, hem niet alle hoop te benemen, zij behandelde hem integendeel zeer vriendelijk en toen hij tegen het einde van het jaar 1581 aanstalten maakte om spoedig naar de Nederlanden te vertrekken, beloofde zij hem hare krachtige ondersteuningom het bewind over de provinciën te verwerven en stond zij zelfs toe, dat vele aanzienlijke Engelschen, onder anderen ook haar lieveling, de graaf van Leicester, hem derwaarts vergezelden.Den 10enFebruari 1581 wierpen 18 groote schepen, die den hertog van Anjou en zijn talrijk gevolg overbrachten, voor Vlissingen het anker uit. De hertog werd door eene deputatie der Staten-Generaal en door den prins van Oranje begroet; doch velen dier afgevaardigden, die hem voor het eerst zagen, gevoelden zich door zijn uiterlijk zóó teruggestooten, dat zij den ongunstigen indruk, welken de hertog op hen maakte, nooit konden overwinnen.Frans Hercules, hertog van Anjou en Alençon, was toen eerst 28 jaar oud; maar zijn zwak en misvormd lichaam en zijne afgeleefde gelaatstrekken deden hem veel ouder schijnen. Zijn door de pokken geschonden gelaat was buitengewoon leelijk en die leelijkheid werd niet weinig verhoogd door den zonderlingen vorm van den neus, die er uitzag alsof hij in tweeën gespleten was. Zijn karakter was met zijn uiterlijk in overeenstemming; hij was zóó trouwloos, dat de Nederlanders later, toen zij hem beter hadden leeren kennen, schertsend van hem plachten te zeggen: het is niet meer dan natuurlijk, dat een man, die twee neuzen heeft, ook twee aangezichten vertoont.Op den dag van zijne ontvangst en gedurende de eerstvolgende dagen vertoonde de hertog van Anjou intusschen slechts één gelaat, en wel het vriendelijkste en voorkomendste ter wereld. Den 17enFebruari zeilde hij naar Antwerpen, de deputatie welke hem te Vlissingen ontvangen had, vergezelde hem derwaarts, ook een groot aantal edelen, die de nieuwsgierigheid naar Vlissingen gelokt had, volgde hem.Volgens overoude gewoonte mocht de vorst des lands niet den voet in de oude handelsstad zetten, eer hij plechtig de vrijheden des lands bezworen had. De hertog schikte zich naar dit gebruik: voordat hij de stad binnentrad, verzekerde hij den trouwen Nederlanders, dat hij bereid was om den laatsten droppel bloeds voor de vrijheid van Brabant te vergieten, vervolgens zwoer hij den vereischten eed en ontving nu op zijne beurt den hertogshoed en den hermelijnen mantel, dien de prins van Oranje zelf hem omhing, en den huldigingseed der Brabanders.Nadat deze plechtigheid afgeloopen was, en de herauten een regen van gouden en zilveren muntstukken op de ontelbare menigte hadden doen neerstroomen, schaarde het volk zich onder het aanheffen van den kreet: „Leve de hertog van Brabant!” tot een feestelijken stoet, om den nieuwen vorst in zijne eerste handelsstad binnen te leiden.De kooplieden der Hansa, in hun oud-Duitsch kostuum, openden den trein, op hen volgden de Engelsche kooplieden in lang kostbaar fluweelen gewaad, de burgerweer met volle muziek, de eerste waardigheidsbekleders der stad en der provinciën met hun zwart gewaad en hun schitterenden gouden keten. Achter hen reed op een witten telganger de hertog van Anjou met zijn schitterend gevolg, bestaande uit de aanzienlijkste edelen van Engeland, Frankrijk en de Nederlanden. Onder deze vielen de schoone graaf van Leicester en prins Willem van Oranje met zijn zoon, graaf Maurits, toen een schoon jongeling van 15 jaar, in het oog. De oude Brabantsche schuttersgilden van den voet- en den handboog vormden des hertogs lijfwacht, op hem volgden een groot aantal edellieden, de lijfwacht van den prins van Oranje en de troepen. Hetzonderlinge slot van den luisterrijken stoet vormden 300 geboeide misdadigers, wien de hertog, overeenkomstig het voor de plechtigheid ontworpen plan, aan den avond van dien dag genade zou schenken.Langs den geheelen weg, dien de stoet had af te leggen, brandden fakkels, hoewel het op den vollen middag was.Met zulk een praal hield de nieuwe hertog zijn intocht in Antwerpen en nog weken achtereen duurden de feesten voort, doch eensklaps zouden zij door eene treurige gebeurtenis worden afgebroken.Op Zondag den 18enMaart, den geboortedag van Anjou, had de prins van Oranje met een klein gezelschap het middagmaal gehouden; hij wilde zich met zijne gasten uit de eetzaal naar zijne bijzondere vertrekken begeven, toen hem in de voorzaal een bleek jonkman tegenkwam, die hem een verzoekschrift overhandigde. Juist toen Oranje het papier wilde aannemen, trok de vreemdeling een pistool te voorschijn en schoot het in de onmiddellijke nabijheid op ’s prinsen hoofd af. Willem van Oranje, die een vreeselijke pijn gevoelde en door den kruitdamp verblind was, meende, dat hij eene doodelijke wonde had ontvangen. „Vermoordt hem niet; ik vergeef hem mijn dood!” riep hij. Maar zijn woord kwam te laat. Reeds hadden zijn gevolg en de lijfwachten zich op den moordenaar geworpen en hem doorboord.De prins werd naar zijn slaapvertrek gebracht. Bij het onderzoek van de wond bleek het, dat deze hoogst gevaarlijk, maar nog niet doodelijk was. Wel was de slagader aan den hals gekwetst, maar door de hitte van het in zulk eene dichte nabijheid ontbrande kruit was de wond toegeschroeid en alzoo eene verbloeding voorgekomen. Het kakebeen was gedeeltelijk verbrijzeld, twee kiezen waren door den kogel meegenomen.Het gerucht van den moordaanslag verbreidde zich schier oogenblikkelijk door geheel Antwerpen en bracht onder het volk eene onbeschrijfelijke verontwaardiging te weeg. „De prins is dood en zijn moordenaar is de held van den Bartholomeus-nacht, de moordenaar van Coligny, de hertog van Anjou, die zich op deze wijze van een lastigen mededinger ontslagen heeft!” riepen de burgers van Antwerpen elkaar toe. Zij brandden van begeerte om eene bloedige wraak op de Franschen te nemen en zouden het wellicht ook gedaan hebben zonder een nauwkeurig onderzoek af te wachten, indien hun niet terstond daarop was medegedeeld, dat de prins wel gewond, maar niet dood was, dat de moordaanslag niet van de Franschen, maar van de Spanjaarden was uitgegaan en dat het de eerste poging was om het banvonnis, door Philips II over Willem van Oranje geveld, ten uitvoer te leggen.De bevolking van Antwerpen dankte deze gelukkig zoo snel verbreide mededeeling aan de kalme bezonnenheid van den jeugdigen graaf Maurits van Nassau, die als getuige van den op zijn vader gepleegden moordaanslag het besluit gevat had om den aanlegger der euveldaad te ontdekken.De 15jarige knaap liet zich door de smart en den schrik niet van zijn stuk brengen. Zoodra hij zijn gewonden vader onder de hoede van trouwe vrienden en dienaars zag, vestigde hij zijne opmerkzaamheid op het lijk des moordenaars. Hij verliet het geen oogenblik, opdat niet door de misdadige hand van een medeplichtige den doode een papier, dat deze misschien bij zich droeg, ontnomen zou worden.Het door 32 steken doorboorde lijk werd in een zijvertrek gebracht en nauwkeurig onderzocht. Werkelijk vond men papieren en andere voorwerpen,die de meestgewenschte inlichtingen omtrent de aanleggers van den moord gaven.Bij den moordenaar vond men behalve een dolk, waarvan hij zich waarschijnlijk had willen bedienen, ingeval het pistool geweigerd had, o. a. een Agnus Dei, eene kaars van geele was, twee gedroogde padden, een gebedenboek, een Jezuïeten-catechismus, twee Spaansche wissels, een van 2000 en een van 877 kronen, en—het belangrijkste van alles—een zakboekje, uit welks aanteekeningen bleek, dat de schrijver doordrongen was van de vaste overtuiging, dat hij zich jegens de katholieke kerk en dus jegens de gansche menschheid hoogst verdienstelijk maken zou, indien het hem gelukte, den dwingeland uit den weg te ruimen. Alle papieren waren in het Spaansch geschreven.Aldegonde, die bij het onderzoek tegenwoordig geweest was, haastte zich, den uitslag van zijne nasporingen aan den hertog van Anjou en de stedelijke overheid mee te deelen. Anjou riep terstond den Staatsraad bijeen en deze vaardigde eene proclamatie uit, waarin elk, die iets aangaande de misdaad of den misdadiger wist en niet terstond daarvan mededeeling deed aan de overheid, zonder genade met den dood bedreigd werd.Het lijk van den moordenaar werd openlijk ten toon gesteld en weldra herkend als dat van een zekeren Jean Jaureguy, een jonkman, die in dienst gestaan had van een te Antwerpen gevestigd Spaansch koopman, met name Anastro.De overheid gaf terstond bevel om Anastro in hechtenis te nemen, doch deze had reeds eenige dagen te voren Antwerpen verlaten onder voorwendsel, dat hij eene noodzakelijke handelsreis ondernemen moest. Zijn kassier Venero en een dominicaner monnik, Antonie Timmermans, die met Anastro zeer bevriend waren, werden gevangengenomen.Het onderzoek werd met spoed voortgezet. Er werden brieven van den voortvluchtigen Anastro aan Venero onderschept, die de geheele samenzwering aan het licht brachten, en Venero, die thans begreep, dat eene ontkenning hem niet meer baten, maar hem alleen op de pijnbank brengen zou, kwam tot eene volledige bekentenis.Anastro, wiens vermogen zeer achteruit was gegaan, had koning Philips II beloofd, den prins van Oranje uit den weg te ruimen. Tusschen hen was inderdaad een van weerszijden onderteekend en door den koning eigenhandig bezegeld verdrag tot stand gekomen, volgens hetwelk Anastro voor den moord 80.000 ducaten en brieven van adeldom ontvangen zou.Te lafhartig om zijn eigen leven bij die euveldaad op het spel te zetten, had Anastro met behulp van Venero den dweepzieken Jean Jaureguy voor zijn plan weten te winnen.Het proces tegen Venero en Timmermans duurde niet lang. Beiden bekenden, dat zij vooraf van de daad geweten en haar goedgekeurd hadden; zij werden ter dood veroordeeld en reeds den 28enMaart terechtgesteld. Op voorspraak van den prins van Oranje werd hun de genade bewezen, dat men hen eerst worgde, eer hun lichaam de vreeselijke, door de wet voorgeschreven verminkingen onderging.Alexander Farnese had de tijding van den moordaanslag uit den mond van Anastro zelven vernomen, maar hij was daarbij in één belangrijk opzicht verkeerd ingelicht. Anastro toch, die de hem toegezegde belooning opeischte, had hem meegedeeld, dat de aanslag gelukt en deprins door een pistoolschot gedood was. In de blijdschap van zijn hart vaardigde Farnese eene proclamatie uit, waarin hij aan de voornaamste steden der Nederlanden mededeelde, dat zij van haren onderdrukker verlost waren; hij spoorde de burgers aan om thans eindelijk in de armen van hun wettigen vorst terug te keeren.Deze proclamatie werkte natuurlijk niets uit, daar de onwaarheid van het daarin vermelde feit weldra algemeen bekend werd. Wel was de prins zwaar gewond, wel zweefde hij dagen lang als tusschen leven en dood, maar de onvermoeide zorgen zijner getrouwen en de bekwaamheid van een kundigen arts werden met de beste uitkomst bekroond.Groot was de blijdschap over het mislukken van den moord; bovenal in Holland, waar de prins het voorwerp was van de innigste liefde, was zij onbeschrijfelijk. Thans lieten de Hollanders en Zeeuwen zich niet langer afwijzen: zij verlangden, dat de prins eindelijk de grafelijke waardigheid van Holland en Zeeland, niet slechts—gelijk in Juli 1581 geschied was—voor den duur van den krijg, maar voor altijd aannemen zou. De prins kon thans aan hun aandrang niet langer weerstand bieden. De voorwaarden, waarop hij die waardigheid aanvaardde en waarbij de meest mogelijke waarborgen voor de vrijheid der burgers werden verleend, werden inderdaad opgemaakt en bekrachtigd. Alleen de plechtige inhuldiging ontbrak nog, om aan de zaak haar beslag te geven, toen een andere aanslag—gelijk we later zien zullen—het geheele plan in duigen wierp.De door Jaureguy gepleegde aanslag bleef niet de eenige. Terstond nadat de hertog van Anjou ook door Gelderland, Friesland en Vlaanderen gehuldigd was, werd de ontdekking gedaan, dat een Italiaan, Basa genaamd, en een Spanjaard, met name Salseda, samengezworen hadden om den prins van Oranje en den hertog van Anjou te vergiftigen. Beide samenzweerders werden gevangen genomen en bekenden hunne misdaad. Basa bracht zich zelven in de gevangenis om het leven. Salseda werd naar Parijs gevoerd en daar op eene vreeselijke wijze ter dood gebracht.Een treurig licht werd op de ontaarding van den Nederlandschen adel geworpen door de ontdekking, dat ook Lamoraal van Egmond, een jongere zoon van den onthoofden graaf, in het moordplan betrokken was. Als vurig katholiek had hij zich met de schandelijke onderneming ingelaten, ten einde het land van den ketterschen prins van Oranje te bevrijden. Zijne schuld was onbetwistbaar, doch in weerwil hiervan werd zij bemanteld; men stelde den jeugdigen misdadiger na eene korte gevangenschap in vrijheid, onder voorwaarde, dat hij de Nederlanden verlaten zou: zijne verwantschap met het Fransche hof redde hem het leven.Op het einde van het jaar 15821zag de hertog zich in de vereenigde Nederlanden overal als heerscher erkend; doch deze erkenning was volstrekt niet voldoende om zijne grenzenlooze eerzucht te bevredigen. Naar luid van de door hem geslotene verdragen was zijne macht zoo beperkt, dat de geringste daad van willekeur hem onmogelijk gemaakt was. Buitendien zag hij naast zich den prins van Oranje, wien hij wel zijne geheele waardigheid dankte, doch op wiens machtigen invloed hij toch zeer naijverig was. Hij kon zich niet ontveinzen, dat hij, hoewel hij den trotschen titel hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen en heer van Frieslandvoerde, toch eigenlijk slechts de tweede rol in het land speelde en dat de prins van Oranje de eigenlijke regent was.Frans van Anjou was te trotsch om, even als de aartshertog Matthias, over wien hij zich meermalen met de grootste minachting uitliet, zich met de schaduw der macht te vergenoegen. „Het betaamt eenen zoon van Frankrijk niet,” placht hij te zeggen, „een nul in ’t cijfer, een Matthias te zijn;” om de eeden, waarmee hij de vrijheden der Nederlanders bezworen had, bekommerde hij zich weinig: reeds bij het afleggen van die geloften had hij het plan gevormd om die te verbreken. Na korten tijd verdroot hem de beperkte heerschappij, die zijne eerzucht niet bevredigde, en besloot hij, òf de Nederlanden te verlaten òf eene regeering te vestigen, gelijk hij die alleen eenen vorst waardig achtte.Anjou werd in zijne plannen versterkt door de eerzuchtige jonge Fransche edellieden, die hem als officieren der Fransche hulptroepen naar de Nederlanden gevolgd waren. Zijne Mignons—zoo werden zijne gunstelingen, evenals die van zijn koninklijken broeder, spottenderwijze genoemd—spoorden hem aan om dezen vermetelen Nederlanders eindelijk eens te toonen, dat zij de onderdanen en niet de meesters van hunnen vorst waren, en de hertog volgde hun raad op. In het begin van het jaar 1583 ontwierp hij, in overleg met hen, het plan om zich door één onverwachten en krachtig toegebrachten slag van de heerschappij over de belangrijkste provinciën te verzekeren.In eenige aanzienlijke steden des lands moesten op denzelfden dag onlusten, oneenigheid tusschen de burgers en het garnizoen, verwekt werden, ten einde den Franschen een voorwendsel te geven om zich in die geschillen te mengen en zich van de vaste plaatsen meester te maken. Op deze wijze moesten Duinkerken, Gent, Brugge, Aalst en andere steden, maar in de eerste plaats Antwerpen ingenomen worden. Hier wilde de hertog de onderneming in persoon besturen.Het plan was goed uitgedacht, doch werd niet zoo stipt uitgevoerd als noodig zou zijn geweest om het te doen gelukken. Den 15enJanuari maakten de Fransche bevelhebbers zich van de steden Duinkerken, Ostende,Aalst en eenige andere kleine plaatsen meester; doch te Brugge en elders weigerde de burgerij den Franschen de poorten te ontsluiten. Juist de belangrijkste steden werden niet genomen.Ook de aanslag op Antwerpen mislukte. Hier was de burgerij bijtijds gewaarschuwd. Een vermomd man—waarschijnlijk, naar zijne spraak te oordeelen, een Franschman, maar een persoonlijk vijand van Anjou—was des nachts op de hoofdwacht gekomen en had daar meegedeeld, dat de hertog een verraderlijken aanslag op de stad in den zin had.Het gerucht van het gebeurde verbreidde zich den 16enJanuari spoedig door de stad en vond des te gereeder ingang, daar de burgerij den hertog buitendien reeds wantrouwde. Ook de prins van Oranje werd er van onderricht. Wel verklaarde de prins, dat hij den hertog niet tot zulke verraderlijke plannen in staat achtte, maar hij ried toch voorzichtigheid aan; hij gaf bevel om de straten met ijzeren kettingen te versperren, voor alle huizen lantaarns te hangen en de bruggen vóór de poorten vroeger dan gewoonlijk op te halen, ten einde eene Fransche krijgsbende, die niet ver van Antwerpen gelegerd was, eene overrompeling der stad, indien zij daarop plan had, onmogelijk te maken. Ter zelfder tijd zond hij een der burgemeesters tot den hertog, om dezen kennis tegeven van de ongunstige geruchten, die over hem in omloop waren.Anjou betoonde zich zeer verontwaardigd over zulk een boosaardigen laster. Hij verklaarde plechtig, dat de gedachte aan zulk een schandelijk verraad nooit bij hem was opgekomen en dat hij met blijdschap zijn laatsten droppel bloeds voor de verdediging van Antwerpen vergieten zou.Aan zulke woorden moest men wel geloof slaan en toen de hertog ze den volgenden morgen voor eene deputatie der overheid, met den prins van Oranje aan het hoofd, herhaalde en zelfs op zijn eerewoord beloofde, ten einde allen twijfel weg te nemen, de stad Antwerpen niet te verlaten, toen verdween inderdaad de bezorgdheid der burgers: zij lieten alle maatregelen van voorzorg varen en begaven zich des namiddags te één uur—de algemeene etenstijd te Antwerpen—aan tafel. De straten der groote stad waren—gelijk gewoonlijk omstreeks dezen tijd—geheel ontvolkt.Hierop had Anjou gerekend. Te één uur verliet hij, aan het hoofd van zijn talrijk gevolg, de stad; de wacht opende voor hem gewillig de poort. Nauwelijks was dit geschied, of de hertog wendde zich tot zijn gevolg met den uitroep: „De stad is in uwe macht, neemt haar in bezit!” Hierop rende hij met losse teugels naar het nabij gelegen kamp der Fransche soldaten, die op het sein tot den aanval wachtten, terwijl zijn gevolg de poortwacht neerhieuw en zich zoowel van de poort als van de ophaalbrug meester maakte. Hierop stormden zij, gevolgd door hunne uit de legerplaats aangesnelde vrienden, de stad binnen, onder het uiten van de zegekreet: „De stad is gewonnen! Leve de mis! Leve de hertog van Anjou! Slaat dood! slaat dood! slaat dood!”600 ruiters en 3000 fransche musketiers verspreidden zich eensklaps met woest getier door de straten van Antwerpen, zij braken in de winkels der juweliers en in de huizen der rijkste inwoners in, om te rooven en te plunderen; maar die hebzucht zou den Franschen weldra duur te staan komen.De bij hun middagmaal verraste burgers grepen naar de wapenen. Zij stormden de huizen uit en verzamelden zich in aller ijl. De trompetten schalden; de kettingen werden door de straten gespannen. Alle klassen der bevolking, edelen en burgers, aanzienlijksten en geringe werklieden, katholieken en protestanten, vereenigden zich tegen de vermetele roovers en zwoeren elkaar, de stad tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Zelfs vrouwen en kinderen namen deel aan den strijd. Zij klommen op de daken en wierpen van daar steenen en zwaar huisraad op de door de straten stormende Franschen.Deze, die zich van de overwinning reeds zeker waanden, zagen zich eensklaps door de gewapende bevolking der groote stad omsingeld, zij begrepen, dat zij met hun klein aantal niet tegen die geduchte overmacht waren opgewassen. Verschrikt door den ongedachten, ongunstigen afloop hunner onderneming, poogden zij terug te trekken, maar voor de meesten was het reeds te laat. Slechts weinigen gelukte het, zich door hunne vijanden heen te slaan, verreweg de meesten werden in de straten van Antwerpen neergehouwen of gevangen genomen.De hertog van Anjou was buiten de stad vol schaamte en woede getuige van den noodlottigen afloop van zijn verraderlijken aanslag. Hij moest met zijne weinige getrouwen de vlucht nemen, om niet zelf als offer der verbittering van het verontwaardigde volk te vallen. Van de kleine legerbende, aan wier hoofd hij nog stond, verloor hij echter een groot deelop denterugtocht. Want de burgers van Mechelen staken, om hem op zijn marsch tegen te houden, een dijk door en brachten eene overstrooming te weeg, waarin niet minder dan 1000 Franschen den dood vonden.Door zijn schandelijk verraad had Anjou alle achting en liefde der Nederlanders verloren. Toen hij bovendien, nadat hij zich in veiligheid gesteld had, een belachelijken trots aan den dag legde, van beleedigingen sprak, waarover hij wraak had moeten nemen, den Staten beloften deed, indien zij de oproerlingen tot onderwerping brachten, en daarentegen dreigde, dat het land er duur voor boeten zou, indien het hem weerstand durfde bieden, toen hij bij de daarop volgende onderhandelingen met de Staten den aanval op Antwerpen eerst deed voorkomen als volkomen gerechtvaardigd door beleedigingen, die men hem zou hebben aangedaan, en daarna weer als een gewoon soldatenoproer,—toen openbaarde zich onder alle standen zulk eene algemeene verachting voor den ellendigen vorst, dat de prins van Oranje bijna wanhoopte aan de mogelijkheid om den vrede te herstellen. En toch was dit in zijn oog dringend noodzakelijk.Oranje was niet minder verontwaardigd over des hertogs trouweloosheid dan elk ander man van eer; maar als staatsman mocht hij aan zijn gevoel niet te veel toegeven.Gevaarlijker dan ooit was juist op dat tijdstip in zijne schatting eene breuk met Frankrijk; noodiger dan ooit een vast verbond met dien naburigen staat. De moed en het zelfvertrouwen der burgers waren door den eindeloozen oorlog zoozeer verzwakt, dat Oranje op eene redding van de Nederlanders door eigen kracht niet langer durfde hopen. De staatkunde noopte hem dus om op nieuw met den hertog teonderhandelen, hoewel hij vernam, dat deze schaamteloos genoeg was om te gelijker tijd onderhandelingen met Alexander Farnese aan te knoopen, ja dat hij dezen aangeboden had, hem de Nederlanden over te laten, wanneer de Spaansche koning Frankrijk door den afstand van grensgewesten schadeloos stelde. Ook de Staten, hoe sterk eene verzoening met den hertog hun ook tegen de borst stuitte, wist Oranje te overtuigen dat zij hun natuurlijken afkeer van den verrader ter zijde moesten zetten en hij bracht hen, dewijl ook Elisabeth van Engeland dringend tot verzoening aanmaande, na veel moeite zoo ver, dat de bijna weer afgebroken onderhandelingen met den hertog op nieuw aangeknoopt werden en dat in de laatste dagen van Maart werkelijk eene schijnbare verzoening tot stand kwam. De Staten ontsloegen de binnen Antwerpen gevangen genomen Franschen, zij gaven den hertog de papieren en voorwerpen van waarde terug, welke hij bij zijne overhaaste vlucht achtergelaten had, en huldigden hem op nieuw. Hij beloofde van zijnen kant, de gesloten verdragen stipt te zullen naleven.In weerwil van dit alles kon de hertog zich echter in de Nederlanden nooit weer eenigen invloed verwerven. Het gansche volk verachtte en haatte hem. Ook de hoop om door een nieuw verraad zijne eerzuchtig plannen te verwezenlijken, moest Anjou opgeven, want de Nederlanders waren thans gewaarschuwd en op hunne hoede. Hij had in het land, welks vorst hij heette, geen nul, geen Matthias willen zijn, maar door de poging om zijne macht uit te breiden was zijne verhouding veel treuriger geworden dan die van Matthias ooit geweest was.Wat zou hij nog in de Nederlanden uitrichten? Hij smachtte naar het weelderige Parijs en in Juni 1583 verliet hij Duinkerken, om naar Frankrijk te vertrekken, nadat hij zoowel met den prins van Oranje als met de Staten zeer vriendelijke brieven gewisseld had.Hij hoopte eenmaal terug te komen en met de hulp van een Fransch leger in de Nederlanden zoowel op de Spanjaarden als op de patriotten een rijk te veroveren, dat een zoon van Frankrijk waardig zou zijn. Maar het werd hem niet eens vergund de toebereidselen tot volvoering van dat plan te maken. Reeds den 10enJuni 1584 stierf hij te Chateau Thierry aan de gevolgen zijner uitspattingen.1Op het einde van het jaar 1582 werd het Kerstfeest in de Nederlanden voor het eerst volgens den Gregoriaanschen Kalender gevierd.

Zeventiende Hoofdstuk.Vredesonderhandelingen te Keulen. Tegenstrijdige eischen der beide partijen. Poging om Willem van Oranje te winnen. Zijne onomkoopbaarheid. Einde der onderhandelingen. Algemeen verraad. De graaf van Rennenberg. De oorlog van weerszijden slapjes voortgezet. Willem van Oranje vogelvrij verklaard. Benoeming van hertogin Margaretha tot landvoogdes. Margaretha en haar zoon. De hertogin trekt zich terug. Onderhandelingen van Willem van Oranje met den hertog van Anjou. De onafhankelijkheidsverklaring van 26 Juli 1581. Vertrek van den aartshertog Matthias.De verovering van Maastricht was de eenige belangrijke gebeurtenis, die gedurende het jaar 1579 op het oorlogstooneel voorviel.Beidepartijen ontbrak het aan geld; beiden trachtten bovendien meer langs den weg van onderhandelingen dan door middel van het zwaard hun doel te bereiken, en hiertoe bood een vredescongres, dat op bevel van keizer Rudolf bijeengeroepen was, ten einde koning Philips met de oproerige gewesten te verzoenen, hun de beste gelegenheid aan.De keizer stelde als hoofd van het huis Oostenrijk het hoogste belang in het ten einde brengen van den oorlog. De meer dan dubbelzinnige verhouding, waarin de aartshertog Matthias zich in de Nederlanden bevond, dreigde oorzaak te worden van een breuk tusschen den Spaanschen en den Duitschen tak van het Oostenrijksche huis: dit gevaar moest de keizer trachten af te wenden. Daarom had hij reeds meermalen zijne bemiddeling aangeboden, ja had hij, hoewel tot dusver zonder goeden uitslag, daartoe eenige stappen gedaan. Eene nieuwe poging tot bereikingvan zijn doel waagde hij thans, door een vredescongres te Keulen bijeen te roepen.Het was eene schitterende vergadering, die daar bijeenkwam. Ook de paus had een legaat gezonden in den aartsbisschop van Rossano, die later, toen hij zelf paus werd, den naam Urbanus VII aannam. Aan het hoofd van een talrijk keizerlijk gezantschap stond graaf Otto van Schwarzenberg; koning Philips had den hertog van Terranova met vijf raden gezonden; de Staten-Generaal waren door den hertog van Aerschot en andere aanzienlijke Nederlanders vertegenwoordigd, ook de keurvorsten van Keulen en Trier en de bisschop van Würzburg namen deel aan het congres.Bij de opening der vergadering scheen het uitzicht op het herstel van den vrede niet ongunstig; alle partijen waren den oorlog moede en geneigd om zich met elkander te verstaan.Koning Philips II had reeds onnoemlijke groote offers gebracht, doch zonder daarvan eenige vrucht te plukken. De onderwerping van de opstandelingen lag nog steeds in een onafzienbaar verschiet. Hij wenschte oprecht naar den vrede en hij was volgaarne bereid om zich daarvoor eenig offer te getroosten, indien zij zich slechts schikten naar datgeen wat in zijn oog zóó billijk en rechtvaardig was, dat hij volstrekt maar niet begreep, waarom zijne vaderlijke aanbiedingen door de opstandelingen steeds met verontwaardiging van de hand werden gewezen. Hij verlangde immers zoo weinig! Niets eischte hij dan de volledige herstelling van de koninklijke rechten, de uitsluitende heerschappij van de katholieke kerk en de uitroeiing van de ketterij in de Nederlanden. Kon een koning minder vorderen? Philips was bereid om ten aanzien van alle bijzaken toe te geven, alleen in deze hoofdzaak niet.Ook de Staten-Generaal waren den oorlog moede. Geen wonder waarlijk, want alle standen des volks smachtten naar het einde der door den langdurigen oorlog veroorzaakte verwarring; maar—eere den mannen, wien Alba dwaselijk den spotnaam botermenschen gegeven had!—de Nederlanders dachten er niet aan, den vrede te koopen door het schandelijk opofferen van hunne vrijheid, bovenal van hunne godsdienstvrijheid, waarvoor zij zóó lang de wapenen hadden gevoerd.Wel trof men in de Staten der provinciën, in de gemeentebesturen en onder het volk zelf een tal van wankelmoedigen aan, die aan de eindelijke zegepraal der goede zaak wanhoopten en daarom het liefst op elke voorwaarde vrede gesloten zouden hebben, wel hadden ook de krachtigsten onder hen soms met een gevoel van moedeloosheid te kampen, wanneer zij zagen, hoe het bloeiende land verwoest, ja eene prooi van op buit beluste soldaten werd, hoe de als onuitputtelijk beschouwde schatten der Nederlanders dagelijks slonken, hoe handel en nijverheid kwijnden, en toch door den onzaligen krijg eigenlijk niets bereikt werd, doch indien zelfs bij deze krachtiger naturen somtijds de begeerte opkwam om vrede te sluiten tot elken prijs, indien zij in het toestaan van gelden zich nu en dan karig betoonden en daardoor het voortzetten van den oorlog bemoeilijkten, dan mogen wij hun daarvan toch waarlijk geen verwijt maken. Integendeel, wij hebben alle reden om die mannen te bewonderen, die telkens nieuwen moed schepten om hun ideaal te verwezenlijken, die telkens nieuwe offers voor hunne vrijheid en hunne godsdienst brachten. Doch bovenal komt de schatting onzer welgemeende hulde den grooten man toe, die de ziel der vrijheidsbeweging in de Nederlanden was, aan prins Willem van Oranje.Zijne onwrikbare standvastigheid, zijne moedige volharding, zijne bereidvaardigheid om de zwaarste offers te brengen te midden van de moeilijkste, soms schier van wanhopige omstandigheden richtten de wankelenden weder op. Hij was het, die de Staten met geestdrift voor het voortzetten van den krijg bezielde, die de moedeloozen sterkte en hun hoop op de eindelijke zegepraal inboezemde, die hen bewoog om vast te houden aan hunne rechtmatige eischen. Willem van Oranje is in waarheid de grondlegger van de Nederlandsche vrijheid; aan hem voornamelijk heeft het nageslacht het te danken, dat de Nederlanders aan hunne beginselen trouw bleven en dat de vrijheid ten slotte eene overwinning behaalde, wier vruchten allen volken ten goede zouden komen!Op aansporing van Willem van Oranje handhaafden de Staten-Generaal op het vredescongres te Keulen hunne oude eischen: de door des konings eed gewaarborgde vrijheden der provinciën en den godsdienstvrede.Zoowel de Nederlanders als de koning stonden onwrikbaar op hun stuk; beider eischen konden niet met elkander in overeenstemming gebracht worden. Slechts één middel bestond er wellicht om den vrede tot stand te brengen: men moest trachten den prins van Oranje te winnen. Wanneer hij de Nederlanden verliet en naar Duitschland terugkeerde, dan verloren de Staten-Generaal hun hoofd en hart, dan was het fnuiken van hun tegenstand slechts eene kwestie van tijd.De graaf van Schwarzenberg, de keizerlijke gevolmachtigde, deed den prins van Oranje de schitterendste aanbiedingen. Hij beloofde hem niet alleen invrijheidstelling van zijn gevangenen zoon, teruggave van al zijne verbeurd verklaarde goederen, betaling van al zijne schulden en van alle voorgeschoten gelden, maar bovendien—wanneer hij dit verkiezen mocht—de ruimste vergoeding in Duitsch grondgebied, benevens een millioen in klinkende munt.Kon een mensch aan zulke verzoekingen weerstand bieden? Hoe gemakkelijk het viel, in die dagen groote heeren om te koopen, had de laatste tijd in schitterende voorbeelden bewezen. Wanneer een Montigny, een de la Motte, een Caprez, wanneer zelfs een burggraaf van Gent zich door Spaansch geld lieten verleiden, wanneer een Egmond den dood zijns vaders vergeten kon en zelfs een hertog van Aerschot zich overhalen liet om met den hertog van Terranova geheime onderhandelingen over het verraden van zijn vaderland aan te knoopen, gelijk thans het geval was,—dan konden de meer schitterende aanbiedingen, den prins van Oranje gedaan, hun doel niet missen.IJdele poging! „De geschiedenis,” zegt een schrijver zeer juist en schoon, „heeft althans eens te boekstaven, dat er een mensch geweest is, om wienom te koopende koningen niet rijk genoeg waren.” De prins van Oranje sloeg al die aanbiedingen met verachting af; toen men hem echter verweet, dat zijn persoon alleen het struikelblok was voor het sluiten van een eervollen vrede, verklaarde hij den Staten-Generaal, dat hij bereid was om al zijne ambten en waardigheden vrijwillig neer te leggen en dat hij volvaardig den man gehoorzamen zou, dien zij in zijne plaats zouden benoemen.Dewijl de beide partijen lijnrecht tegen elkander over stonden en van geene toegevendheid wilden weten, moest het congres te Keulen, hoewel de onderhandelingen maanden lang gerekt werden, wel vruchteloos afloopen. Veel tijd en veel woorden werden bij de beraadslagingen, veel gelden veel wijn bij de schitterende feesten nutteloos verspild, en het congres ging uit elkaar. Het had alleen eenig voordeel opgeleverd voor enkele Nederlandsche edelen, zooals de hertog van Aerschot, die in ’t geheim vrede sloot met koning Philips.Het verraad speelde in dien tijd over ’t algemeen eene groote en bedroevende rol. Alexander Farnese bracht den Nederlanders grooter schade toe door het omkoopen van staatsche bevelhebbers, zelfs van dezulken, die tot dusver de ijverigste aanhangers van den prins van Oranje waren geweest, dan door zijne wapenfeiten, dewijl de oorlog slechts zeer slap gevoerd werd. Het was immers veel gemakkelijker en ook veel goedkooper, de bevelhebbers van sterke plaatsen met eene groote som om te koopen dan een leger voor zulke vestingen te voeren, ten einde die te belegeren en te veroveren.Indien wij deze treurige geschiedenis in al hare bijzonderheden wilden verhalen, zouden wij vele namen van oude, beroemde, thans nog levende geslachten moeten noemen. Doch waartoe de herinnering van zooveel schande vernieuwd? Slechts van één man willen wij spreken, wiens afval den prins van Oranje bijzonder griefde.De graaf George van Rennenberg was de jongere broeder van den overleden graaf van Hoogstraten. De prins van Oranje had op den nog jeugdigen man de vriendschap overgebracht, welke hij eens voor diens broeder gekoesterd had; hij hield Rennenberg voor den trouwsten der trouwen.De graaf bekleedde een belangrijken post. Hij was stadhouder van Friesland, Drenthe en hield Groningen, de voornaamste sterkte in deze provinciën, bezet.Reeds in November 1579 verbreidde zich het gerucht, dat Rennenberg, een ijverig katholiek, zich aan de Spanjaarden verkocht had; de prins geloofde het niet, doch het was maar al te gegrond, en weldra ontving hij voor de juistheid daarvan onomstootelijke bewijzen. Rennenberg had inderdaad op de dringende beden zijner zuster voor eene ellendige handvol goud zijne eer ten offer gebracht en beloofd, Groningen aan de Spanjaarden over te zullen leveren.Het gevaar was groot. Oranje vatte derhalve het voornemen op om zich in persoon naar Groningen te begeven, ten einde het verraad voor te komen. Doch eer hij dit plan kon verwezenlijken, had de graaf zijnschandelijkeopzet reeds volvoerd.Den 3enMaart 1580 had Rennenberg de aanzienlijkste familiën van Groningen op een schitterend feest uitgenoodigd. Onder de gasten bevond zich ook de burgemeester Hildebrand, een oud vriend van den graaf. Hij achtte het zijn plicht, dezen mee te deelen, dat er ongunstige geruchten te zijnen aanzien verbreid werden.„Mijn beste oude vriend, dien ik meer liefheb dan een vader, kunt ook gij mij verdenken? Ik bid u, vertrouw mij en vrees niets!” Met deze woorden drukte Rennenberg de hand des burgemeesters zóó trouwhartig, dat deze het als verraad jegens de vriendschap beschouwde nog langer eenigen twijfel te koesteren.Nog denzelfden nacht liet de graaf de invloedrijkste aanhangers van den prins door zijne handlangers in hechtenis nemen. Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, liet hij de voornaamste pleinen en straten door een hoop omgekocht gespuis bezetten, aan wiens hoofd hij zelf zich plaatste. Door het rumoer gewekt, snelden de leden der stedelijkeoverheid, en onder hen ook de burgemeester Hildebrand, naar het stadhuis. Hildebrand wendde zich tot Rennenberg, die geharnast op het plein stond, doch eer hij nog een woord spreken kon, was hij door een pistoolschot van een aanhanger des graven levenloos aan diens voeten uitgestrekt. Een paar dagen later vaardigde Rennenberg eene proclamatie uit, waarin hij verklaarde, dat de stad Groningen tot gehoorzaamheid aan den koning teruggekeerd was.1Het verraad van vele aanzienlijke bevelhebbers der staatsche troepen, de lauwheid der Staten, die niet dan aarzelend de noodzakelijkste geldmiddelen toestonden en het daardoor den prins van Oranje onmogelijk maakten, krachtige aanvallen op den sterken vijand te doen, het gebrek aan goede aanvoerders aan de zijde der Nederlanders, hetwelk zich dagelijks meer deed gevoelen, dewijl de staatschen in de gevechten met de geoefende Spanjaarden meestal het onderspit delfden, dit alles deed ook bij de vurigste voorstanders der vrijheid de hoop op zegepraal verflauwen. Wanneer zelfs Oranje’s broeder, graaf Jan van Nassau, de zaak opgaf en in het midden van het jaar 1580 de Nederlanden verliet, moesten anderen wel geheel wanhopen en natuurlijk groeide het aantal der verraders daardoor des te sneller aan.De Spanjaarden behaalden dagelijks nieuwe voordeelen en Alexander Farnese zou wellicht in staat zijn geweest om de oproerige gewesten spoedig te onderwerpen, indien Philips II hem slechts krachtig ondersteund had en zoo hij niet genoodzaakt was geweest om zijne Spaansche krijgsmacht te verzwakken, ten einde zich van de Waalsche gewesten te verzekeren.Bovendien beging Philips tot geluk der Nederlanders, nog vele andere staatkundige misslagen, die, in plaats van der omwenteling te schaden—gelijk de koning wenschte—er integendeel toe bijdroegen om haar te bevorderen.Was het hem niet gelukt, den prins van Oranje door omkooping te winnen, thans waagde hij, op Granvelle’s raad, de dwaze poging om hem door bedreiging schrik aan te jagen. De prins had bij het Spaansche hof den naam, dat het hem aan persoonlijken moed ontbrak; op zijne vermeende lafheid bouwde de koning zijne verdere plannen.Den 15enMaart 1580 vaardigde Philips II tegen den prins van Oranje den ban uit. In dit beruchte stuk, dat intusschen eerst in Juni werd openbaar gemaakt, werden alle vermeende euveldaden des prinsen opgesomd. „Daarom”—zoo luidde het verder—„verklaren wij hem voor een verrader en een booswicht, voor onzen vijand en dien des lands.———Wij vergunnen een ieder, hem aan lijf of goederen te beschadigen. En zoo iemand, hetzij een onzer onderdanen of een vreemdeling, vroom en edelmoedig genoeg gevonden mocht worden om ons van deze pest te verlossen en hem ons dood of levend uit te leveren, of wel hem het leven te benemen, dan zullen wij hem onmiddellijk na het verrichten van die daad vijf en twintig duizend gouden kroonen doen uitbetalen; en zoo hij eenig misdrijf mocht gepleegd hebben, hoe groot ook, beloven wij hem dat te vergeven; en zoo hij niet reeds van adel is, zullen wij hem om zijne vroomheid tot den adelstand verheffen.”Door deze schitterende beloften hoopte Philips, volgens Granvelle’s raad,geldgierige en eerzuchtige sluipmoordenaars op den prins van Oranje aan te hitsen en dezen zulk een doodsangst in te boezemen, dat hij vrijwillig de Nederlanden zou verlaten, waar zijn leven dagelijks bedreigd werd.Het aangewende middel werkte juist het tegenovergestelde uit van hetgeen men verwacht had. Willem van Oranje was geen lafaard, hij had in de laatste jaren zoo dikwijls een bijna zekeren dood met de grootste kalmte onder de oogen gezien; hij was zoo volkomen bereid om zijn leven, zoo noodig, ten offer te brengen aan de groote zaak, waaraan hij zich gewijd had, dat vrees voor lage sluipmoordenaars hem niet kon verschrikken. Het banvonnis des konings gaf hem een verweerschrift in de pen, dat hij aan de Europeesche hoven rondzond en bovendien openbaar maken liet. Op welsprekende wijze verdedigde hij daarin zijn karakter en zijne handelingen tegen de op hem gelegde blaam, ja hij deed die beschuldiging van eedbreuk en huichelarij op het hoofd van den koning zelven terugvallen.Zijne aanhangers schaarden zich des te nauwer rondom hem om hem te beschermen, dewijl zij wisten, dat hij onophoudelijk in gevaar zweefde.Niet minder dwaas was een andere staatkundige stap, welken Philips II insgelijks in dienzelfden tijd deed. Hij herinnerde zich, hoezeer de Nederlanders eens het vertrek der landvoogdes Margaretha van Parma betreurd hadden. Hij kende den staat van zaken in de Nederlanden zóó weinig, dat hij geen flauw begrip had van de bron, waaruit de droefheid over Margaretha’s ontslag in die dagen voortgevloeid was, dat zij namelijk niet uit waardeering van hare verdiensten, maar alleen uit vrees voor haren opvolger Alba was voortgekomen.De koning meende, dat hij niets te doen had dan de hertogin in hare vroegere waardigheid te herstellen, om het vuur van den opstand van zelf te zien verdooven, en dat het grootste deel des volks zich met blijdschap aan de zijde der hertogin scharen zou. Hij beval haar daarom, naar de Nederlanden terug te keeren.In Augustus 1580 kwam Margaretha van Parma te Namen aan. Doch hare komst verwekte in de Nederlanden niet de minste geestdrift, zij maakte alleen den toorn van Alexander Farnese in de hoogste mate gaande.Farnese had tot dusver met zulk een gunstigen uitslag zijn ambt bekleed, hij was zóó vast overtuigd, dat hij, wanneer hij maar de handen vrij had en door den koning behoorlijk met voldoende geldmiddelen ondersteund werd, er in slagen zou, den opstand der Nederlanders te fnuiken, dat hij zich thans diep gekrenkt gevoelde.Wel zou hij het opperbevel over het leger behouden en zijne moeder, de hertogin, slechts het burgerlijk bewind voeren, doch zulk eene verkorting van zijne macht wilde hij zich niet laten welgevallen. Hij verklaarde, dat hij of de geheele of in ’t geheel geene macht wilde bezitten, hij eischte zijn ontslag, indien men hem niet volle vrijheid van handelen liet.De hertogin zwichtte voor de eischen van haren zoon. Zij zag zelve in, dat eene splitsing der macht slechts dienen zou om haar te ondermijnen. Zij vereenigde daarom hare bede met die van Farnese en verzocht van den koning verlof om naar Italië terug te keeren.Philips II moest, hoewel dan ook na lang dralen, het verzoek zijner beide bloedverwanten inwilligen. Tegen het eind van het jaar 1581 bevestigdehij Farnese in zijne waardigheid als landvoogd der Nederlanden; alleen wenschte hij dat Margaretha nog in het land blijven zou, zonder echter eenige waardigheid te bekleeden. Margaretha willigde die begeerte in; eerst in den herfst van 1583 keerde zij naar Italië terug. Hare benoeming had den koning niet het minste voordeel aangebracht; integendeel, Farnese was daardoor meer dan eens in de volvoering van zijne plannen gedwarsboomd.Intusschen was de prins van Oranje onvermoeid bezig geweest om dat wat hij niet op het oorlogstooneel bereiken kon, door gelukkige onderhandelingen te verwerven: juist dewijl het verraad onder de aanzienlijkste edelen in de verschillende provinciën hand over hand toenam, wijl de moedeloosheid en het gebrek aan veerkracht der verschillende standen met elken dag duidelijker aan het licht traden, was het noodig een beslissenden stap te doen, die ook den weifelenden voor altijd den terugtred afsnijden zou. Oranje drong derhalve op de beslissende en vormelijke afzwering van den Spaanschen koning aan, terwijl hij het echt-democratisch beginsel uitsprak, dat de betrekking tusschen vorst en volk op eene stilzwijgende overeenkomst berustte, dat de vorst alleen recht op zijne waardigheid bezat, wanneer hij zijne plichten vervulde, doch dat hij, ingeval hij dit niet deed, zijn recht verloren had; dan was de overeenkomst ontbonden en het volk niet langer tot gehoorzaamheid verplicht.Het beginsel, waaruit in later eeuwen de Fransche omwenteling voortkomen zou, die de gedaante der wereld heeft veranderd, de leer, dat de vorst om het volk, niet het volk om den vorst bestaat, welke men gewoonlijk van de Fransche omwenteling afleidt, heeft het eerst in de Nederlanden haar toepassing gevonden, en heeft aan de Nederlandsche omwenteling haar ontstaan te danken. Haar komt alzoo de verdienste toe, het eerst de beschaafde wereld bevrijd te hebben van de boeien van het blinde geloof aan het vorstelijk geboorterecht en van de huldiging van het erfelijk koningschap door Gods genade. Zij is daardoor de moeder geworden van de grootsche beweging ten gunste der vrijheid, welke sinds dien tijd vroeger of later bij alle beschaafde volken ontstaan is, zonder echter totop dezendag haar doel volkomen bereikt te hebben.Hoe krachtig Willem van Oranje ook op de plechtige en onherroepelijke afzwering van Philips II bij de Staten aandrong, hoe ijverig hij daartoe al zijn invloed aanwendde, toch dacht hij in de verte niet aan de vestiging van eene republiek. Het volk gevoelde noch in de Nederlanden, noch in de overige staten van Europa daarvoor de minste sympathie, het was door de kracht der gewoonte nog sterk aan den persoonlijken regeeringsvorm gehecht en Oranje was een veel te scherpzinnig staatsman dan dat hij zelfs eene poging had willen wagen om tegen den algemeenen stroom des tijds op te roeien. Hij zou het niet gedaan hebben, ook indien hij zelf van geestdrift voor de republiek geblaakt had; doch dit was evenmin het geval.Hij wilde den vorsten de macht ontnemen om met despotieke willekeur de volken te overheerschen, doch het koningschap wilde hij handhaven als eene erfelijke waardigheid. Hij wilde de volksvrijheid op onwrikbare grondslagen vestigen, doch niet in eene republiek, maar in een staat, waarin de vorst slechts de erfelijke drager der hoogste, bevoorrechte waardigheid in eene vrije gemeenschap zou zijn.Dit stelsel moest noodwendig voeren tot het verkiezen van een anderenvorst voor de Nederlanders, wanneer de vormelijke en besliste afzwering van Philips zou hebben plaats gehad.Doch op wien zou die keuze van een nieuwen vorst vallen?Op den aartshertog Matthias? Voor hem spraken zijne tegenwoordige waardigheid, zijne afkomst uit het Oostenrijksche huis, zijne verwantschap met den Duitschen keizer en zijne betrekking tot de Duitsche rijksvorsten. Doch tegen hem sprak nog veel luider dan dit alles zijne onbekwaamheid. Hij was niet in staat geweest om zich in de Nederlanden eene partij te vormen; juist zij, wien hij zijne waardigheid dankte, hadden hem het eerst den rug toegekeerd, ja hem geheel aan zijn lot overgelaten. Te midden der staatkundige verwarring van zijn tijd was hij een nul gebleven, een nul zonder macht of invloed. Slechts een weidschklinkenden titel bezat hij. De Nederlanders hadden als leider van hunne zaken een man van geestkracht en aanzien noodig, een vorst, die hun machtige bondgenooten aanbracht in den strijd tegen Philips II; ook hierop konden zij bij Matthias niet rekenen, want de keizer zou zijn bloedverwant, den koning van Spanje, nooit tot zijn vijand willen maken en de protestantsche rijksvorsten van Duitschland hadden reeds sinds lang getoond, dat zij geene geestdrift gevoelden voor de Nederlandsche omwenteling, die het Calvinisme, dat bij hen schier nog meer gehaat was dan het Katholicisme, op den troon geholpen had. Van de katholieke rijksvorsten daarentegen hadden de Nederlandsche ketters natuurlijk volstrekt geen hulp, maar een verbitterden tegenstand te wachten.De aartshertog Matthias kwam derhalve niet ter sprake, en het zou niet onnatuurlijk zijn geweest, indien Willem van Oranje er aan gedacht had, de hand naar de koningskroon der Nederlanden uit te steken; hij kon althans rekenen op de trouwe liefde van een groot deel des volks, dat hem vol geestdrift Vader Willem noemde, ja de Hollanders en Zeeuwen hadden hem meermalen ronduit den wensch te kennen gegeven, dat hij dien belangrijken stap zou doen. Doch eene dergelijke eerzucht was beneden het karakter van Willem van Oranje. Had hij voor zich zelven aanspraak op de kroon gemaakt, dan zou hij althans een schijn van recht hebben bijgezet aan de verwijten, welke Philips II en zijne binnenlandsche vijanden, de katholieke edelen, tot hem richtten. Zij beweerden toch, dat hij slechts zijne persoonlijke belangen, niet het heil des lands voorstond. Al gevoelde Willem van Oranje bovendien in zich de kracht en den moed om een uitstekend vorst voor de Nederlanders te zijn, toch kon hij hun geene hulp van buiten aanbrengen. In dit opzicht waren zijne hulpmiddelen uitgeput. Hij stond geheel alleen, zijn vermogen was versmolten, hij had niet eens geld genoeg om huurtroepen aan te werven. Onder zulke omstandigheden zou het misschien niet onnatuurlijk zijn geweest, indien de prins den blik naar Engeland gewend, en voorgesteld had om der maagdelijke koningin Elisabeth de kroon der Nederlanden aan te bieden. Engeland toch was thans een protestantsch land, Engelsche troepen hadden in den laatsten tijd naast de Nederlandsche gestreden. Doch tegen Elisabeth getuigde de dubbelzinnige staatkunde, welke zij langen tijd ten aanzien van de Nederlandsche omwenteling gevolgd was, en hare voorzichtige terughouding, die het niet waarschijnlijk maakte, dat zij hare geheele macht tot bescherming van de provinciën op het spel zetten zou. Buitendien was het wellicht ook mogelijk, Elisabeth’s hulp langs een anderen weg te verkrijgen.Men sprak in die dagen veel over een huwelijk van de maagdelijke koningin met den hertog Frans van Anjou; de ontworpen echtverbintenis hield de diplomaten van alle landen bezig; kwam zij tot stand en werd de hertog van Anjou tot heer der Nederlanden herkozen, dan ontvingen deze de hulp van Frankrijk en Engeland.Frans van Anjou droeg reeds den hoogdravenden titel: Beschermer van de Nederlandsche vrijheid, en men had hem reeds het uitzicht op de kroon dier landen geopend. Wel had hij tot dusver weinig of niets gedaan om zich dien titel waardig te maken, doch men mocht verwachten, dat hij ijveriger zijn zou, wanneer hij een onafhankelijk rijk verwerven kon. Frankrijk’s hulp was voor de Nederlanden van een niet hoog genoeg te waardeeren belang; slaagde men er in, die te verkrijgen, dan zag Parma zich tegelijk in het Zuiden en in het Noorden bedreigd, dan waren de afvallige Waalsche provinciën ingesloten door eene vijandelijke macht, ja wellicht zouden zij dan aan het vaderland teruggeschonken worden, dewijl de Walen natuurlijk veel meer genegenheid voor de Franschen dan voor de Spanjaarden koesterden.Op den hertog van Anjou vestigde Oranje derhalve het oog, hoewel hij het trouwloos karakter van den Franschen prins, zijne grenzenlooze, door geene uitstekende geestesgaven opgewogen eerzucht en zijne grove zedeloosheid zeer goed kende.St. Aldegonde werd naar Frankrijk gezonden, om met den hertog te onderhandelen, terwijl Oranje zelf bij de Staten de afzetting van Philips II en de verkiezing van Anjou trachtte te bewerken.De verbonden gewesten toonden zich daartoe bereid, alleen Holland en Zeeland maakten bezwaar; zij wilden niets van den Franschen prins weten en verlangden dat Willem van Oranje zelf, ten minste zoolang de oorlog duurde, de teugels des bewinds in handen nemen zou.In weerwil van dezen tegenstand voerden de onderhandelingen met Anjou toch tot het voorgestelde doel en wel op voorwaarden, die de door eerzucht verblinde prins alleen aannam, omdat hij besloten had, geene enkele zijner beloften te vervullen. De Staten behielden zich voor, na des hertogs dood een zijner zonen naar welgevallen tot zijn opvolger te kiezen. Anjou verbond zich om alle privilegiën der gewesten ongeschonden te bewaren, en de Staten-Generaal ten minste eenmaal ’s jaars bijeen te roepen en hun ook het recht toe te kennen om uit eigen beweging, zonder oproeping van des hertogs zijde, samen te komen. Nooit zouden de Nederlanden bij het Fransche koninkrijk ingelijfd worden, alle dienaars des hertogs en alle beambten zouden uit de Nederlanders gekozen worden, aan niet meer dan ten hoogste twee Franschen mocht hij eene plaats in den staatsraad geven. Holland en Zeeland zouden ten aanzien der godsdienst en van hun regeeringsvorm op den tegenwoordigen voet blijven. Frankrijk’s hulp in den oorlog tegen Spanje werd, schoon dan ook in zeer algemeene en dubbelzinnige uitdrukkingen, toegezegd.De gewichtigste bepaling intusschen, welke de Staten eischten en waaromtrent de hertog eerst na langdurige onderhandelingen toegaf, was deze, dat elke schending van het verdrag de Staten onmiddellijk ontslaan zou van den eed, welken zij den hertog zouden zweren: eene voorwaarde, waarbij het beginsel van het verdrag tusschen vorst en volk feitelijk werd toegepast.Den 16enSeptember 1580 werd het verdrag gesloten en in Januari1581 te Bordeaux onder eede bekrachtigd. Toch duurde het nog maanden eer de geünieerde provinciën besluiten konden, eindelijk den beslissenden stap tot hare onafhankelijkheidsverklaring te doen.Holland en Zeeland eischten voor zich onstuimig het recht om den prins van Oranje als hun vorst te proclameeren en Willem van Oranje moest na lang dralen eindelijk hunnen wensch inwilligen. Den 24enJuli 1581 zwoeren de Staten van Holland en Zeeland den prins den eed van trouw, twee dagen later, den 26enJuli 1581 vaardigden de in den Haag vergaderde Staten-Generaal der Vereenigde Gewesten de beroemde onafhankelijkheidsverklaring uit, welke den naam van afzweringsakte droeg.Het was eene voor alle tijden hoogst belangrijke oorkonde. De Staten verklaarden, dat de vorst door God over zijne onderdanen gesteld was, om hen te beschermen en te hoeden, doch niet om hun slavendiensten op te leggen. Het volk was niet om den vorst, maar de vorst om het volk, zonder hetwelk er geen vorst wezen kon. Indien hij niet rechtvaardig en overeenkomstig de wetten regeerde, dan was hij een dwingeland, tot wiens afzetting zijne onderdanen en de Staten, als hunne vertegenwoordigers, gerechtigd waren. Deze mochten dan een ander in zijne plaats benoemen, indien hun geen ander middel overbleef om hunne aangeborene vrijheid te beschermen. De Staten waren dus voldoende gerechtvaardigd, wanneer zij, de wetten der natuur volgende, een vorst verlieten, die hen reeds sinds meer dan 20 jaren verlaten had; vastbesloten om de rechtsprivilegiën en vrijheden te verdedigen en zich aan de Spaansche slavernij te onttrekken, verklaarden zij, dat de souvereiniteit van den koning van Spanje vervallen, dat hij afgezet was en dat zij noch zijnen titel, noch zijn gezag langer zouden erkennen.Drie dagen later, den 29enJuli 1581, vaardigde de vergadering eene oproeping aan alle beambten uit om den koning af te zweren en den eed van trouw aan de Staten af te leggen.De aartshertog Matthias, wiens stelling in de Nederlanden, na de gevoerde onderhandelingen tusschen den hertog van Anjou en de Staten, geheel onhoudbaar geworden was, zag geene reden om langer in eene betrekking te blijven, die hem geene eer aanbrengen kon en hem hoogst pijnlijk geworden was. Hij trok zich naar Duitschland terug met den bescheiden roem, dat hij wel niets tot stand gebracht, maar zijn naam evenmin door verraad, wreedheid of dwingelandij bezoedeld had. De Staten betoonden hem hunne dankbaarheid hiervoor door hem een jaargeld van 50.000 gulden toe te leggen, welks uitbetaling echter aan stiptheid zeer veel te wenschen overliet.1Rennenberg smaakte niet lang de vruchten van zijn verraad. Kort daarna stierf hij; op zijn sterfbed werd hij door vreeselijke gewetenswroeging gefolterd.

Vredesonderhandelingen te Keulen. Tegenstrijdige eischen der beide partijen. Poging om Willem van Oranje te winnen. Zijne onomkoopbaarheid. Einde der onderhandelingen. Algemeen verraad. De graaf van Rennenberg. De oorlog van weerszijden slapjes voortgezet. Willem van Oranje vogelvrij verklaard. Benoeming van hertogin Margaretha tot landvoogdes. Margaretha en haar zoon. De hertogin trekt zich terug. Onderhandelingen van Willem van Oranje met den hertog van Anjou. De onafhankelijkheidsverklaring van 26 Juli 1581. Vertrek van den aartshertog Matthias.

Vredesonderhandelingen te Keulen. Tegenstrijdige eischen der beide partijen. Poging om Willem van Oranje te winnen. Zijne onomkoopbaarheid. Einde der onderhandelingen. Algemeen verraad. De graaf van Rennenberg. De oorlog van weerszijden slapjes voortgezet. Willem van Oranje vogelvrij verklaard. Benoeming van hertogin Margaretha tot landvoogdes. Margaretha en haar zoon. De hertogin trekt zich terug. Onderhandelingen van Willem van Oranje met den hertog van Anjou. De onafhankelijkheidsverklaring van 26 Juli 1581. Vertrek van den aartshertog Matthias.

De verovering van Maastricht was de eenige belangrijke gebeurtenis, die gedurende het jaar 1579 op het oorlogstooneel voorviel.Beidepartijen ontbrak het aan geld; beiden trachtten bovendien meer langs den weg van onderhandelingen dan door middel van het zwaard hun doel te bereiken, en hiertoe bood een vredescongres, dat op bevel van keizer Rudolf bijeengeroepen was, ten einde koning Philips met de oproerige gewesten te verzoenen, hun de beste gelegenheid aan.

De keizer stelde als hoofd van het huis Oostenrijk het hoogste belang in het ten einde brengen van den oorlog. De meer dan dubbelzinnige verhouding, waarin de aartshertog Matthias zich in de Nederlanden bevond, dreigde oorzaak te worden van een breuk tusschen den Spaanschen en den Duitschen tak van het Oostenrijksche huis: dit gevaar moest de keizer trachten af te wenden. Daarom had hij reeds meermalen zijne bemiddeling aangeboden, ja had hij, hoewel tot dusver zonder goeden uitslag, daartoe eenige stappen gedaan. Eene nieuwe poging tot bereikingvan zijn doel waagde hij thans, door een vredescongres te Keulen bijeen te roepen.

Het was eene schitterende vergadering, die daar bijeenkwam. Ook de paus had een legaat gezonden in den aartsbisschop van Rossano, die later, toen hij zelf paus werd, den naam Urbanus VII aannam. Aan het hoofd van een talrijk keizerlijk gezantschap stond graaf Otto van Schwarzenberg; koning Philips had den hertog van Terranova met vijf raden gezonden; de Staten-Generaal waren door den hertog van Aerschot en andere aanzienlijke Nederlanders vertegenwoordigd, ook de keurvorsten van Keulen en Trier en de bisschop van Würzburg namen deel aan het congres.

Bij de opening der vergadering scheen het uitzicht op het herstel van den vrede niet ongunstig; alle partijen waren den oorlog moede en geneigd om zich met elkander te verstaan.

Koning Philips II had reeds onnoemlijke groote offers gebracht, doch zonder daarvan eenige vrucht te plukken. De onderwerping van de opstandelingen lag nog steeds in een onafzienbaar verschiet. Hij wenschte oprecht naar den vrede en hij was volgaarne bereid om zich daarvoor eenig offer te getroosten, indien zij zich slechts schikten naar datgeen wat in zijn oog zóó billijk en rechtvaardig was, dat hij volstrekt maar niet begreep, waarom zijne vaderlijke aanbiedingen door de opstandelingen steeds met verontwaardiging van de hand werden gewezen. Hij verlangde immers zoo weinig! Niets eischte hij dan de volledige herstelling van de koninklijke rechten, de uitsluitende heerschappij van de katholieke kerk en de uitroeiing van de ketterij in de Nederlanden. Kon een koning minder vorderen? Philips was bereid om ten aanzien van alle bijzaken toe te geven, alleen in deze hoofdzaak niet.

Ook de Staten-Generaal waren den oorlog moede. Geen wonder waarlijk, want alle standen des volks smachtten naar het einde der door den langdurigen oorlog veroorzaakte verwarring; maar—eere den mannen, wien Alba dwaselijk den spotnaam botermenschen gegeven had!—de Nederlanders dachten er niet aan, den vrede te koopen door het schandelijk opofferen van hunne vrijheid, bovenal van hunne godsdienstvrijheid, waarvoor zij zóó lang de wapenen hadden gevoerd.

Wel trof men in de Staten der provinciën, in de gemeentebesturen en onder het volk zelf een tal van wankelmoedigen aan, die aan de eindelijke zegepraal der goede zaak wanhoopten en daarom het liefst op elke voorwaarde vrede gesloten zouden hebben, wel hadden ook de krachtigsten onder hen soms met een gevoel van moedeloosheid te kampen, wanneer zij zagen, hoe het bloeiende land verwoest, ja eene prooi van op buit beluste soldaten werd, hoe de als onuitputtelijk beschouwde schatten der Nederlanders dagelijks slonken, hoe handel en nijverheid kwijnden, en toch door den onzaligen krijg eigenlijk niets bereikt werd, doch indien zelfs bij deze krachtiger naturen somtijds de begeerte opkwam om vrede te sluiten tot elken prijs, indien zij in het toestaan van gelden zich nu en dan karig betoonden en daardoor het voortzetten van den oorlog bemoeilijkten, dan mogen wij hun daarvan toch waarlijk geen verwijt maken. Integendeel, wij hebben alle reden om die mannen te bewonderen, die telkens nieuwen moed schepten om hun ideaal te verwezenlijken, die telkens nieuwe offers voor hunne vrijheid en hunne godsdienst brachten. Doch bovenal komt de schatting onzer welgemeende hulde den grooten man toe, die de ziel der vrijheidsbeweging in de Nederlanden was, aan prins Willem van Oranje.

Zijne onwrikbare standvastigheid, zijne moedige volharding, zijne bereidvaardigheid om de zwaarste offers te brengen te midden van de moeilijkste, soms schier van wanhopige omstandigheden richtten de wankelenden weder op. Hij was het, die de Staten met geestdrift voor het voortzetten van den krijg bezielde, die de moedeloozen sterkte en hun hoop op de eindelijke zegepraal inboezemde, die hen bewoog om vast te houden aan hunne rechtmatige eischen. Willem van Oranje is in waarheid de grondlegger van de Nederlandsche vrijheid; aan hem voornamelijk heeft het nageslacht het te danken, dat de Nederlanders aan hunne beginselen trouw bleven en dat de vrijheid ten slotte eene overwinning behaalde, wier vruchten allen volken ten goede zouden komen!

Op aansporing van Willem van Oranje handhaafden de Staten-Generaal op het vredescongres te Keulen hunne oude eischen: de door des konings eed gewaarborgde vrijheden der provinciën en den godsdienstvrede.

Zoowel de Nederlanders als de koning stonden onwrikbaar op hun stuk; beider eischen konden niet met elkander in overeenstemming gebracht worden. Slechts één middel bestond er wellicht om den vrede tot stand te brengen: men moest trachten den prins van Oranje te winnen. Wanneer hij de Nederlanden verliet en naar Duitschland terugkeerde, dan verloren de Staten-Generaal hun hoofd en hart, dan was het fnuiken van hun tegenstand slechts eene kwestie van tijd.

De graaf van Schwarzenberg, de keizerlijke gevolmachtigde, deed den prins van Oranje de schitterendste aanbiedingen. Hij beloofde hem niet alleen invrijheidstelling van zijn gevangenen zoon, teruggave van al zijne verbeurd verklaarde goederen, betaling van al zijne schulden en van alle voorgeschoten gelden, maar bovendien—wanneer hij dit verkiezen mocht—de ruimste vergoeding in Duitsch grondgebied, benevens een millioen in klinkende munt.

Kon een mensch aan zulke verzoekingen weerstand bieden? Hoe gemakkelijk het viel, in die dagen groote heeren om te koopen, had de laatste tijd in schitterende voorbeelden bewezen. Wanneer een Montigny, een de la Motte, een Caprez, wanneer zelfs een burggraaf van Gent zich door Spaansch geld lieten verleiden, wanneer een Egmond den dood zijns vaders vergeten kon en zelfs een hertog van Aerschot zich overhalen liet om met den hertog van Terranova geheime onderhandelingen over het verraden van zijn vaderland aan te knoopen, gelijk thans het geval was,—dan konden de meer schitterende aanbiedingen, den prins van Oranje gedaan, hun doel niet missen.

IJdele poging! „De geschiedenis,” zegt een schrijver zeer juist en schoon, „heeft althans eens te boekstaven, dat er een mensch geweest is, om wienom te koopende koningen niet rijk genoeg waren.” De prins van Oranje sloeg al die aanbiedingen met verachting af; toen men hem echter verweet, dat zijn persoon alleen het struikelblok was voor het sluiten van een eervollen vrede, verklaarde hij den Staten-Generaal, dat hij bereid was om al zijne ambten en waardigheden vrijwillig neer te leggen en dat hij volvaardig den man gehoorzamen zou, dien zij in zijne plaats zouden benoemen.

Dewijl de beide partijen lijnrecht tegen elkander over stonden en van geene toegevendheid wilden weten, moest het congres te Keulen, hoewel de onderhandelingen maanden lang gerekt werden, wel vruchteloos afloopen. Veel tijd en veel woorden werden bij de beraadslagingen, veel gelden veel wijn bij de schitterende feesten nutteloos verspild, en het congres ging uit elkaar. Het had alleen eenig voordeel opgeleverd voor enkele Nederlandsche edelen, zooals de hertog van Aerschot, die in ’t geheim vrede sloot met koning Philips.

Het verraad speelde in dien tijd over ’t algemeen eene groote en bedroevende rol. Alexander Farnese bracht den Nederlanders grooter schade toe door het omkoopen van staatsche bevelhebbers, zelfs van dezulken, die tot dusver de ijverigste aanhangers van den prins van Oranje waren geweest, dan door zijne wapenfeiten, dewijl de oorlog slechts zeer slap gevoerd werd. Het was immers veel gemakkelijker en ook veel goedkooper, de bevelhebbers van sterke plaatsen met eene groote som om te koopen dan een leger voor zulke vestingen te voeren, ten einde die te belegeren en te veroveren.

Indien wij deze treurige geschiedenis in al hare bijzonderheden wilden verhalen, zouden wij vele namen van oude, beroemde, thans nog levende geslachten moeten noemen. Doch waartoe de herinnering van zooveel schande vernieuwd? Slechts van één man willen wij spreken, wiens afval den prins van Oranje bijzonder griefde.

De graaf George van Rennenberg was de jongere broeder van den overleden graaf van Hoogstraten. De prins van Oranje had op den nog jeugdigen man de vriendschap overgebracht, welke hij eens voor diens broeder gekoesterd had; hij hield Rennenberg voor den trouwsten der trouwen.

De graaf bekleedde een belangrijken post. Hij was stadhouder van Friesland, Drenthe en hield Groningen, de voornaamste sterkte in deze provinciën, bezet.

Reeds in November 1579 verbreidde zich het gerucht, dat Rennenberg, een ijverig katholiek, zich aan de Spanjaarden verkocht had; de prins geloofde het niet, doch het was maar al te gegrond, en weldra ontving hij voor de juistheid daarvan onomstootelijke bewijzen. Rennenberg had inderdaad op de dringende beden zijner zuster voor eene ellendige handvol goud zijne eer ten offer gebracht en beloofd, Groningen aan de Spanjaarden over te zullen leveren.

Het gevaar was groot. Oranje vatte derhalve het voornemen op om zich in persoon naar Groningen te begeven, ten einde het verraad voor te komen. Doch eer hij dit plan kon verwezenlijken, had de graaf zijnschandelijkeopzet reeds volvoerd.

Den 3enMaart 1580 had Rennenberg de aanzienlijkste familiën van Groningen op een schitterend feest uitgenoodigd. Onder de gasten bevond zich ook de burgemeester Hildebrand, een oud vriend van den graaf. Hij achtte het zijn plicht, dezen mee te deelen, dat er ongunstige geruchten te zijnen aanzien verbreid werden.

„Mijn beste oude vriend, dien ik meer liefheb dan een vader, kunt ook gij mij verdenken? Ik bid u, vertrouw mij en vrees niets!” Met deze woorden drukte Rennenberg de hand des burgemeesters zóó trouwhartig, dat deze het als verraad jegens de vriendschap beschouwde nog langer eenigen twijfel te koesteren.

Nog denzelfden nacht liet de graaf de invloedrijkste aanhangers van den prins door zijne handlangers in hechtenis nemen. Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, liet hij de voornaamste pleinen en straten door een hoop omgekocht gespuis bezetten, aan wiens hoofd hij zelf zich plaatste. Door het rumoer gewekt, snelden de leden der stedelijkeoverheid, en onder hen ook de burgemeester Hildebrand, naar het stadhuis. Hildebrand wendde zich tot Rennenberg, die geharnast op het plein stond, doch eer hij nog een woord spreken kon, was hij door een pistoolschot van een aanhanger des graven levenloos aan diens voeten uitgestrekt. Een paar dagen later vaardigde Rennenberg eene proclamatie uit, waarin hij verklaarde, dat de stad Groningen tot gehoorzaamheid aan den koning teruggekeerd was.1

Het verraad van vele aanzienlijke bevelhebbers der staatsche troepen, de lauwheid der Staten, die niet dan aarzelend de noodzakelijkste geldmiddelen toestonden en het daardoor den prins van Oranje onmogelijk maakten, krachtige aanvallen op den sterken vijand te doen, het gebrek aan goede aanvoerders aan de zijde der Nederlanders, hetwelk zich dagelijks meer deed gevoelen, dewijl de staatschen in de gevechten met de geoefende Spanjaarden meestal het onderspit delfden, dit alles deed ook bij de vurigste voorstanders der vrijheid de hoop op zegepraal verflauwen. Wanneer zelfs Oranje’s broeder, graaf Jan van Nassau, de zaak opgaf en in het midden van het jaar 1580 de Nederlanden verliet, moesten anderen wel geheel wanhopen en natuurlijk groeide het aantal der verraders daardoor des te sneller aan.

De Spanjaarden behaalden dagelijks nieuwe voordeelen en Alexander Farnese zou wellicht in staat zijn geweest om de oproerige gewesten spoedig te onderwerpen, indien Philips II hem slechts krachtig ondersteund had en zoo hij niet genoodzaakt was geweest om zijne Spaansche krijgsmacht te verzwakken, ten einde zich van de Waalsche gewesten te verzekeren.

Bovendien beging Philips tot geluk der Nederlanders, nog vele andere staatkundige misslagen, die, in plaats van der omwenteling te schaden—gelijk de koning wenschte—er integendeel toe bijdroegen om haar te bevorderen.

Was het hem niet gelukt, den prins van Oranje door omkooping te winnen, thans waagde hij, op Granvelle’s raad, de dwaze poging om hem door bedreiging schrik aan te jagen. De prins had bij het Spaansche hof den naam, dat het hem aan persoonlijken moed ontbrak; op zijne vermeende lafheid bouwde de koning zijne verdere plannen.

Den 15enMaart 1580 vaardigde Philips II tegen den prins van Oranje den ban uit. In dit beruchte stuk, dat intusschen eerst in Juni werd openbaar gemaakt, werden alle vermeende euveldaden des prinsen opgesomd. „Daarom”—zoo luidde het verder—„verklaren wij hem voor een verrader en een booswicht, voor onzen vijand en dien des lands.———Wij vergunnen een ieder, hem aan lijf of goederen te beschadigen. En zoo iemand, hetzij een onzer onderdanen of een vreemdeling, vroom en edelmoedig genoeg gevonden mocht worden om ons van deze pest te verlossen en hem ons dood of levend uit te leveren, of wel hem het leven te benemen, dan zullen wij hem onmiddellijk na het verrichten van die daad vijf en twintig duizend gouden kroonen doen uitbetalen; en zoo hij eenig misdrijf mocht gepleegd hebben, hoe groot ook, beloven wij hem dat te vergeven; en zoo hij niet reeds van adel is, zullen wij hem om zijne vroomheid tot den adelstand verheffen.”

Door deze schitterende beloften hoopte Philips, volgens Granvelle’s raad,geldgierige en eerzuchtige sluipmoordenaars op den prins van Oranje aan te hitsen en dezen zulk een doodsangst in te boezemen, dat hij vrijwillig de Nederlanden zou verlaten, waar zijn leven dagelijks bedreigd werd.

Het aangewende middel werkte juist het tegenovergestelde uit van hetgeen men verwacht had. Willem van Oranje was geen lafaard, hij had in de laatste jaren zoo dikwijls een bijna zekeren dood met de grootste kalmte onder de oogen gezien; hij was zoo volkomen bereid om zijn leven, zoo noodig, ten offer te brengen aan de groote zaak, waaraan hij zich gewijd had, dat vrees voor lage sluipmoordenaars hem niet kon verschrikken. Het banvonnis des konings gaf hem een verweerschrift in de pen, dat hij aan de Europeesche hoven rondzond en bovendien openbaar maken liet. Op welsprekende wijze verdedigde hij daarin zijn karakter en zijne handelingen tegen de op hem gelegde blaam, ja hij deed die beschuldiging van eedbreuk en huichelarij op het hoofd van den koning zelven terugvallen.

Zijne aanhangers schaarden zich des te nauwer rondom hem om hem te beschermen, dewijl zij wisten, dat hij onophoudelijk in gevaar zweefde.

Niet minder dwaas was een andere staatkundige stap, welken Philips II insgelijks in dienzelfden tijd deed. Hij herinnerde zich, hoezeer de Nederlanders eens het vertrek der landvoogdes Margaretha van Parma betreurd hadden. Hij kende den staat van zaken in de Nederlanden zóó weinig, dat hij geen flauw begrip had van de bron, waaruit de droefheid over Margaretha’s ontslag in die dagen voortgevloeid was, dat zij namelijk niet uit waardeering van hare verdiensten, maar alleen uit vrees voor haren opvolger Alba was voortgekomen.

De koning meende, dat hij niets te doen had dan de hertogin in hare vroegere waardigheid te herstellen, om het vuur van den opstand van zelf te zien verdooven, en dat het grootste deel des volks zich met blijdschap aan de zijde der hertogin scharen zou. Hij beval haar daarom, naar de Nederlanden terug te keeren.

In Augustus 1580 kwam Margaretha van Parma te Namen aan. Doch hare komst verwekte in de Nederlanden niet de minste geestdrift, zij maakte alleen den toorn van Alexander Farnese in de hoogste mate gaande.

Farnese had tot dusver met zulk een gunstigen uitslag zijn ambt bekleed, hij was zóó vast overtuigd, dat hij, wanneer hij maar de handen vrij had en door den koning behoorlijk met voldoende geldmiddelen ondersteund werd, er in slagen zou, den opstand der Nederlanders te fnuiken, dat hij zich thans diep gekrenkt gevoelde.

Wel zou hij het opperbevel over het leger behouden en zijne moeder, de hertogin, slechts het burgerlijk bewind voeren, doch zulk eene verkorting van zijne macht wilde hij zich niet laten welgevallen. Hij verklaarde, dat hij of de geheele of in ’t geheel geene macht wilde bezitten, hij eischte zijn ontslag, indien men hem niet volle vrijheid van handelen liet.

De hertogin zwichtte voor de eischen van haren zoon. Zij zag zelve in, dat eene splitsing der macht slechts dienen zou om haar te ondermijnen. Zij vereenigde daarom hare bede met die van Farnese en verzocht van den koning verlof om naar Italië terug te keeren.

Philips II moest, hoewel dan ook na lang dralen, het verzoek zijner beide bloedverwanten inwilligen. Tegen het eind van het jaar 1581 bevestigdehij Farnese in zijne waardigheid als landvoogd der Nederlanden; alleen wenschte hij dat Margaretha nog in het land blijven zou, zonder echter eenige waardigheid te bekleeden. Margaretha willigde die begeerte in; eerst in den herfst van 1583 keerde zij naar Italië terug. Hare benoeming had den koning niet het minste voordeel aangebracht; integendeel, Farnese was daardoor meer dan eens in de volvoering van zijne plannen gedwarsboomd.

Intusschen was de prins van Oranje onvermoeid bezig geweest om dat wat hij niet op het oorlogstooneel bereiken kon, door gelukkige onderhandelingen te verwerven: juist dewijl het verraad onder de aanzienlijkste edelen in de verschillende provinciën hand over hand toenam, wijl de moedeloosheid en het gebrek aan veerkracht der verschillende standen met elken dag duidelijker aan het licht traden, was het noodig een beslissenden stap te doen, die ook den weifelenden voor altijd den terugtred afsnijden zou. Oranje drong derhalve op de beslissende en vormelijke afzwering van den Spaanschen koning aan, terwijl hij het echt-democratisch beginsel uitsprak, dat de betrekking tusschen vorst en volk op eene stilzwijgende overeenkomst berustte, dat de vorst alleen recht op zijne waardigheid bezat, wanneer hij zijne plichten vervulde, doch dat hij, ingeval hij dit niet deed, zijn recht verloren had; dan was de overeenkomst ontbonden en het volk niet langer tot gehoorzaamheid verplicht.

Het beginsel, waaruit in later eeuwen de Fransche omwenteling voortkomen zou, die de gedaante der wereld heeft veranderd, de leer, dat de vorst om het volk, niet het volk om den vorst bestaat, welke men gewoonlijk van de Fransche omwenteling afleidt, heeft het eerst in de Nederlanden haar toepassing gevonden, en heeft aan de Nederlandsche omwenteling haar ontstaan te danken. Haar komt alzoo de verdienste toe, het eerst de beschaafde wereld bevrijd te hebben van de boeien van het blinde geloof aan het vorstelijk geboorterecht en van de huldiging van het erfelijk koningschap door Gods genade. Zij is daardoor de moeder geworden van de grootsche beweging ten gunste der vrijheid, welke sinds dien tijd vroeger of later bij alle beschaafde volken ontstaan is, zonder echter totop dezendag haar doel volkomen bereikt te hebben.

Hoe krachtig Willem van Oranje ook op de plechtige en onherroepelijke afzwering van Philips II bij de Staten aandrong, hoe ijverig hij daartoe al zijn invloed aanwendde, toch dacht hij in de verte niet aan de vestiging van eene republiek. Het volk gevoelde noch in de Nederlanden, noch in de overige staten van Europa daarvoor de minste sympathie, het was door de kracht der gewoonte nog sterk aan den persoonlijken regeeringsvorm gehecht en Oranje was een veel te scherpzinnig staatsman dan dat hij zelfs eene poging had willen wagen om tegen den algemeenen stroom des tijds op te roeien. Hij zou het niet gedaan hebben, ook indien hij zelf van geestdrift voor de republiek geblaakt had; doch dit was evenmin het geval.

Hij wilde den vorsten de macht ontnemen om met despotieke willekeur de volken te overheerschen, doch het koningschap wilde hij handhaven als eene erfelijke waardigheid. Hij wilde de volksvrijheid op onwrikbare grondslagen vestigen, doch niet in eene republiek, maar in een staat, waarin de vorst slechts de erfelijke drager der hoogste, bevoorrechte waardigheid in eene vrije gemeenschap zou zijn.

Dit stelsel moest noodwendig voeren tot het verkiezen van een anderenvorst voor de Nederlanders, wanneer de vormelijke en besliste afzwering van Philips zou hebben plaats gehad.

Doch op wien zou die keuze van een nieuwen vorst vallen?

Op den aartshertog Matthias? Voor hem spraken zijne tegenwoordige waardigheid, zijne afkomst uit het Oostenrijksche huis, zijne verwantschap met den Duitschen keizer en zijne betrekking tot de Duitsche rijksvorsten. Doch tegen hem sprak nog veel luider dan dit alles zijne onbekwaamheid. Hij was niet in staat geweest om zich in de Nederlanden eene partij te vormen; juist zij, wien hij zijne waardigheid dankte, hadden hem het eerst den rug toegekeerd, ja hem geheel aan zijn lot overgelaten. Te midden der staatkundige verwarring van zijn tijd was hij een nul gebleven, een nul zonder macht of invloed. Slechts een weidschklinkenden titel bezat hij. De Nederlanders hadden als leider van hunne zaken een man van geestkracht en aanzien noodig, een vorst, die hun machtige bondgenooten aanbracht in den strijd tegen Philips II; ook hierop konden zij bij Matthias niet rekenen, want de keizer zou zijn bloedverwant, den koning van Spanje, nooit tot zijn vijand willen maken en de protestantsche rijksvorsten van Duitschland hadden reeds sinds lang getoond, dat zij geene geestdrift gevoelden voor de Nederlandsche omwenteling, die het Calvinisme, dat bij hen schier nog meer gehaat was dan het Katholicisme, op den troon geholpen had. Van de katholieke rijksvorsten daarentegen hadden de Nederlandsche ketters natuurlijk volstrekt geen hulp, maar een verbitterden tegenstand te wachten.

De aartshertog Matthias kwam derhalve niet ter sprake, en het zou niet onnatuurlijk zijn geweest, indien Willem van Oranje er aan gedacht had, de hand naar de koningskroon der Nederlanden uit te steken; hij kon althans rekenen op de trouwe liefde van een groot deel des volks, dat hem vol geestdrift Vader Willem noemde, ja de Hollanders en Zeeuwen hadden hem meermalen ronduit den wensch te kennen gegeven, dat hij dien belangrijken stap zou doen. Doch eene dergelijke eerzucht was beneden het karakter van Willem van Oranje. Had hij voor zich zelven aanspraak op de kroon gemaakt, dan zou hij althans een schijn van recht hebben bijgezet aan de verwijten, welke Philips II en zijne binnenlandsche vijanden, de katholieke edelen, tot hem richtten. Zij beweerden toch, dat hij slechts zijne persoonlijke belangen, niet het heil des lands voorstond. Al gevoelde Willem van Oranje bovendien in zich de kracht en den moed om een uitstekend vorst voor de Nederlanders te zijn, toch kon hij hun geene hulp van buiten aanbrengen. In dit opzicht waren zijne hulpmiddelen uitgeput. Hij stond geheel alleen, zijn vermogen was versmolten, hij had niet eens geld genoeg om huurtroepen aan te werven. Onder zulke omstandigheden zou het misschien niet onnatuurlijk zijn geweest, indien de prins den blik naar Engeland gewend, en voorgesteld had om der maagdelijke koningin Elisabeth de kroon der Nederlanden aan te bieden. Engeland toch was thans een protestantsch land, Engelsche troepen hadden in den laatsten tijd naast de Nederlandsche gestreden. Doch tegen Elisabeth getuigde de dubbelzinnige staatkunde, welke zij langen tijd ten aanzien van de Nederlandsche omwenteling gevolgd was, en hare voorzichtige terughouding, die het niet waarschijnlijk maakte, dat zij hare geheele macht tot bescherming van de provinciën op het spel zetten zou. Buitendien was het wellicht ook mogelijk, Elisabeth’s hulp langs een anderen weg te verkrijgen.

Men sprak in die dagen veel over een huwelijk van de maagdelijke koningin met den hertog Frans van Anjou; de ontworpen echtverbintenis hield de diplomaten van alle landen bezig; kwam zij tot stand en werd de hertog van Anjou tot heer der Nederlanden herkozen, dan ontvingen deze de hulp van Frankrijk en Engeland.

Frans van Anjou droeg reeds den hoogdravenden titel: Beschermer van de Nederlandsche vrijheid, en men had hem reeds het uitzicht op de kroon dier landen geopend. Wel had hij tot dusver weinig of niets gedaan om zich dien titel waardig te maken, doch men mocht verwachten, dat hij ijveriger zijn zou, wanneer hij een onafhankelijk rijk verwerven kon. Frankrijk’s hulp was voor de Nederlanden van een niet hoog genoeg te waardeeren belang; slaagde men er in, die te verkrijgen, dan zag Parma zich tegelijk in het Zuiden en in het Noorden bedreigd, dan waren de afvallige Waalsche provinciën ingesloten door eene vijandelijke macht, ja wellicht zouden zij dan aan het vaderland teruggeschonken worden, dewijl de Walen natuurlijk veel meer genegenheid voor de Franschen dan voor de Spanjaarden koesterden.

Op den hertog van Anjou vestigde Oranje derhalve het oog, hoewel hij het trouwloos karakter van den Franschen prins, zijne grenzenlooze, door geene uitstekende geestesgaven opgewogen eerzucht en zijne grove zedeloosheid zeer goed kende.

St. Aldegonde werd naar Frankrijk gezonden, om met den hertog te onderhandelen, terwijl Oranje zelf bij de Staten de afzetting van Philips II en de verkiezing van Anjou trachtte te bewerken.

De verbonden gewesten toonden zich daartoe bereid, alleen Holland en Zeeland maakten bezwaar; zij wilden niets van den Franschen prins weten en verlangden dat Willem van Oranje zelf, ten minste zoolang de oorlog duurde, de teugels des bewinds in handen nemen zou.

In weerwil van dezen tegenstand voerden de onderhandelingen met Anjou toch tot het voorgestelde doel en wel op voorwaarden, die de door eerzucht verblinde prins alleen aannam, omdat hij besloten had, geene enkele zijner beloften te vervullen. De Staten behielden zich voor, na des hertogs dood een zijner zonen naar welgevallen tot zijn opvolger te kiezen. Anjou verbond zich om alle privilegiën der gewesten ongeschonden te bewaren, en de Staten-Generaal ten minste eenmaal ’s jaars bijeen te roepen en hun ook het recht toe te kennen om uit eigen beweging, zonder oproeping van des hertogs zijde, samen te komen. Nooit zouden de Nederlanden bij het Fransche koninkrijk ingelijfd worden, alle dienaars des hertogs en alle beambten zouden uit de Nederlanders gekozen worden, aan niet meer dan ten hoogste twee Franschen mocht hij eene plaats in den staatsraad geven. Holland en Zeeland zouden ten aanzien der godsdienst en van hun regeeringsvorm op den tegenwoordigen voet blijven. Frankrijk’s hulp in den oorlog tegen Spanje werd, schoon dan ook in zeer algemeene en dubbelzinnige uitdrukkingen, toegezegd.

De gewichtigste bepaling intusschen, welke de Staten eischten en waaromtrent de hertog eerst na langdurige onderhandelingen toegaf, was deze, dat elke schending van het verdrag de Staten onmiddellijk ontslaan zou van den eed, welken zij den hertog zouden zweren: eene voorwaarde, waarbij het beginsel van het verdrag tusschen vorst en volk feitelijk werd toegepast.

Den 16enSeptember 1580 werd het verdrag gesloten en in Januari1581 te Bordeaux onder eede bekrachtigd. Toch duurde het nog maanden eer de geünieerde provinciën besluiten konden, eindelijk den beslissenden stap tot hare onafhankelijkheidsverklaring te doen.

Holland en Zeeland eischten voor zich onstuimig het recht om den prins van Oranje als hun vorst te proclameeren en Willem van Oranje moest na lang dralen eindelijk hunnen wensch inwilligen. Den 24enJuli 1581 zwoeren de Staten van Holland en Zeeland den prins den eed van trouw, twee dagen later, den 26enJuli 1581 vaardigden de in den Haag vergaderde Staten-Generaal der Vereenigde Gewesten de beroemde onafhankelijkheidsverklaring uit, welke den naam van afzweringsakte droeg.

Het was eene voor alle tijden hoogst belangrijke oorkonde. De Staten verklaarden, dat de vorst door God over zijne onderdanen gesteld was, om hen te beschermen en te hoeden, doch niet om hun slavendiensten op te leggen. Het volk was niet om den vorst, maar de vorst om het volk, zonder hetwelk er geen vorst wezen kon. Indien hij niet rechtvaardig en overeenkomstig de wetten regeerde, dan was hij een dwingeland, tot wiens afzetting zijne onderdanen en de Staten, als hunne vertegenwoordigers, gerechtigd waren. Deze mochten dan een ander in zijne plaats benoemen, indien hun geen ander middel overbleef om hunne aangeborene vrijheid te beschermen. De Staten waren dus voldoende gerechtvaardigd, wanneer zij, de wetten der natuur volgende, een vorst verlieten, die hen reeds sinds meer dan 20 jaren verlaten had; vastbesloten om de rechtsprivilegiën en vrijheden te verdedigen en zich aan de Spaansche slavernij te onttrekken, verklaarden zij, dat de souvereiniteit van den koning van Spanje vervallen, dat hij afgezet was en dat zij noch zijnen titel, noch zijn gezag langer zouden erkennen.

Drie dagen later, den 29enJuli 1581, vaardigde de vergadering eene oproeping aan alle beambten uit om den koning af te zweren en den eed van trouw aan de Staten af te leggen.

De aartshertog Matthias, wiens stelling in de Nederlanden, na de gevoerde onderhandelingen tusschen den hertog van Anjou en de Staten, geheel onhoudbaar geworden was, zag geene reden om langer in eene betrekking te blijven, die hem geene eer aanbrengen kon en hem hoogst pijnlijk geworden was. Hij trok zich naar Duitschland terug met den bescheiden roem, dat hij wel niets tot stand gebracht, maar zijn naam evenmin door verraad, wreedheid of dwingelandij bezoedeld had. De Staten betoonden hem hunne dankbaarheid hiervoor door hem een jaargeld van 50.000 gulden toe te leggen, welks uitbetaling echter aan stiptheid zeer veel te wenschen overliet.

1Rennenberg smaakte niet lang de vruchten van zijn verraad. Kort daarna stierf hij; op zijn sterfbed werd hij door vreeselijke gewetenswroeging gefolterd.

1Rennenberg smaakte niet lang de vruchten van zijn verraad. Kort daarna stierf hij; op zijn sterfbed werd hij door vreeselijke gewetenswroeging gefolterd.

Achttiende Hoofdstuk.De Nederlanden. Wantrouwen tegen den hertog van Anjou. Ontzet van Kamerijk. Anjou dingt naar de hand van koningin Elisabeth van Engeland. Doornik ingenomen. Elisabeth’s kuiperijen. Anjou in de Nederlanden met blijdschap ontvangen. Zijne inhuldiging te Antwerpen. Moordaanslag op Willem van Oranje. Maurits van Nassau. Zijne koelbloedigheid. Jean Jaureguy. Het onderzoek. Anastro. De medeplichtigen gestraft. Herhaalde plannen om Oranje te vermoorden. Egmond’s medeplichtigheid. Verraderlijke plannen van Anjou. Slechte uitvoering. Anjou’s verijdelde aanslag op Antwerpen. De Staten in schijn met den hertog verzoend. Anjou verlaat de Nederlanden. Zijn dood.Het had den prins van Oranje veel moeite gekost, de Staten te bewegen tot de onderhandelingen met den hertog van Anjou, welker uitslag onze lezers kennen, en zelfs nadat zij afgeloopen waren, bleef toch juist bij de scherpzinnigste Nederlandsche staatslieden en ook in den boezem van het volk zelf een niet ongegrond wantrouwen jegens den Franschen prins bestaan.De Calvinisten hadden het niet vergeten, dat Frans Hercules van Alençon, de meest geliefde zoon der bloeddorstige Catharina de Medici, zijne handen eens met het bloed der Fransche protestanten bevlekt had, zij konden niet gelooven, dat zijn haat jegens de ketters eensklaps uitgebluscht zou zijn. Evenmin vertrouwden zij zijne verzekering, dat hij de vrijheden der Nederlanders eerbiedigen en nooit eene poging wagen zou om de provinciën geheel met Frankrijk te verbinden.Het luidst gaf men aan dit wantrouwen in Holland en Zeeland lucht. Het was de voornaamste oorzaak van het besluit dezer gewesten om zich afzonderlijk tot den prins van Oranje in eene onmiddellijke betrekking te stellen. Doch ook in de overige provinciën bleef het bestaan en het werd alleen voor korten tijd gesust door de verzekering van Frankrijk’s vrienden, dat de Nederlanders alleen onder bescherming van Anjou hunne vrijheid verwerven konden, dewijl de hertog aan het zoo zwaar geteisterde land de ondersteuning van den koning van Frankrijk en van zijn machtig leger aanbracht.Doch met deze ondersteuning zag het er tamelijk treurig uit. De koning was naijverig op zijn broeder; hij vreesde dat deze, zoodra hij zich slechts machtig genoeg voelde, hem gaarne van den Franschen troon verdringen zou, en hij gevoelde volstrekt geen lust om den koning van Spanje ter wille van zijn broeder rechtstreeks den oorlog te verklaren.Toch liet Anjou de Nederlanders niet geheel zonder bijstand. In het midden van den zomer van 1581 verscheen hij aan het hoofd van 5000 edele cavaliers en 12000 man voetvolk voor Kamerijk en ontzette deze belangrijke stad, tot welker belegering Farnese juist aanstalten maakte. Alexander, te zwak om aan het Fransche leger het hoofd te bieden, moest in aller ijl het beleg opbreken en wendde zijne macht tegen Doornik.Anjou voorzag de stad Kamerijk van levensmiddelen en versterkte haar garnizoen; doch daarmee meende hij ook genoeg gedaan te hebben. Hij dankte zijn leger af, de cavaliers keerden grootendeels naar Frankrijk terug, het voetvolk trad in dienst der Staten. Doch de hertog zelf reisde naar Engeland, om hier in persoon naar de hand van koningin Elisabeth te dingen.Farnese kon na Anjou’s vertrek ongestoord met het beleg van Doornik een aanvang maken. Hij hoopte op eene gemakkelijke zegepraal, dewijl de gouverneur der vesting, de prins d’Espinoy, zich op dat tijdstip niet daarbinnen bevond, en het opperbevel aan zijne gemalin, Maria van Lalaing, eene nicht van den onthoofden graaf van Hoorne, toevertrouwd had. De prinses bestuurde de verdediging met manlijken moed. Dagelijks verscheen zij op de wallen, zij trotseerde elk gevaar, zelfs toen zij eens gewond werd, liet zij zich niet bewegen om zich terug te trekken.De prins wenschte vurig, Doornik te redden, doch te vergeefs poogde hij de Staten te bewegen om eene grootere krijgsmacht in het veld te brengen en dus moest hij alle hoop op het ontzet der stad laten varen.Toen de tijding, dat de belegerden niet op ontzet hadden te rekenen, binnen Doornik aankwam, lieten de dappere verdedigers den moed zakken. De katholieke inwoners dreigden met openbaren opstand en zelfs de Calvinisten eischten overgave op eervolle voorwaarden, welke Farnese der prinses bereidvaardig toestond, ten einde zonder bloedvergieten meester van de stad te worden. Bij uitzondering hielden de Spanjaarden ditmaal hun woord. Zij lieten de prinses aan het hoofd der geheele bezetting met krijgseer uittrekken. Den 30enNovember deed Parma zijn intocht in de stad.De prins van Oranje had intusschen de Staten dringend aangespoord om aan den onhoudbaren toestand eener tusschenregeering een einde te maken; hij wenschte vurig, dat de hertog van Anjou zich naar de Nederlanden begeven zou om het hem toegedachte bewind te aanvaarden en met alle kracht den strijd tegen de Spanjaarden te aanvaarden. Een gezantschap werd naar Engeland afgevaardigd; het moest den hertog uitnoodigen om zoo spoedig mogelijk de regeering van zijn land te aanvaarden. Toch verliepen er nog weken, ja maanden, eer Anjou dezen wensch inwilligde, hij meende namelijk, dat hij voor alles in persoon naar de hand van Elisabeth dingen moest, en daarmede vorderde hij weinig of niets.De sluwe koningin wachtte zich wel, een bepaald antwoord te geven; zij nam het aanzoek des hertogs niet aan, maar verwierp het evenmin. Men zegt, dat Elisabeth zich wellicht tot het sluiten van dat huwelijk zou hebben laten bewegen, indien de hertog van Anjou niet al te leelijk was geweest, doch haar afkeer van zijn persoon woog zwaarder dan alle staatkundige overwegingen, die het aangaan van deze verbintenis raadzaam maakten. In weerwil hiervan zorgdeElisabeth, hem niet alle hoop te benemen, zij behandelde hem integendeel zeer vriendelijk en toen hij tegen het einde van het jaar 1581 aanstalten maakte om spoedig naar de Nederlanden te vertrekken, beloofde zij hem hare krachtige ondersteuningom het bewind over de provinciën te verwerven en stond zij zelfs toe, dat vele aanzienlijke Engelschen, onder anderen ook haar lieveling, de graaf van Leicester, hem derwaarts vergezelden.Den 10enFebruari 1581 wierpen 18 groote schepen, die den hertog van Anjou en zijn talrijk gevolg overbrachten, voor Vlissingen het anker uit. De hertog werd door eene deputatie der Staten-Generaal en door den prins van Oranje begroet; doch velen dier afgevaardigden, die hem voor het eerst zagen, gevoelden zich door zijn uiterlijk zóó teruggestooten, dat zij den ongunstigen indruk, welken de hertog op hen maakte, nooit konden overwinnen.Frans Hercules, hertog van Anjou en Alençon, was toen eerst 28 jaar oud; maar zijn zwak en misvormd lichaam en zijne afgeleefde gelaatstrekken deden hem veel ouder schijnen. Zijn door de pokken geschonden gelaat was buitengewoon leelijk en die leelijkheid werd niet weinig verhoogd door den zonderlingen vorm van den neus, die er uitzag alsof hij in tweeën gespleten was. Zijn karakter was met zijn uiterlijk in overeenstemming; hij was zóó trouwloos, dat de Nederlanders later, toen zij hem beter hadden leeren kennen, schertsend van hem plachten te zeggen: het is niet meer dan natuurlijk, dat een man, die twee neuzen heeft, ook twee aangezichten vertoont.Op den dag van zijne ontvangst en gedurende de eerstvolgende dagen vertoonde de hertog van Anjou intusschen slechts één gelaat, en wel het vriendelijkste en voorkomendste ter wereld. Den 17enFebruari zeilde hij naar Antwerpen, de deputatie welke hem te Vlissingen ontvangen had, vergezelde hem derwaarts, ook een groot aantal edelen, die de nieuwsgierigheid naar Vlissingen gelokt had, volgde hem.Volgens overoude gewoonte mocht de vorst des lands niet den voet in de oude handelsstad zetten, eer hij plechtig de vrijheden des lands bezworen had. De hertog schikte zich naar dit gebruik: voordat hij de stad binnentrad, verzekerde hij den trouwen Nederlanders, dat hij bereid was om den laatsten droppel bloeds voor de vrijheid van Brabant te vergieten, vervolgens zwoer hij den vereischten eed en ontving nu op zijne beurt den hertogshoed en den hermelijnen mantel, dien de prins van Oranje zelf hem omhing, en den huldigingseed der Brabanders.Nadat deze plechtigheid afgeloopen was, en de herauten een regen van gouden en zilveren muntstukken op de ontelbare menigte hadden doen neerstroomen, schaarde het volk zich onder het aanheffen van den kreet: „Leve de hertog van Brabant!” tot een feestelijken stoet, om den nieuwen vorst in zijne eerste handelsstad binnen te leiden.De kooplieden der Hansa, in hun oud-Duitsch kostuum, openden den trein, op hen volgden de Engelsche kooplieden in lang kostbaar fluweelen gewaad, de burgerweer met volle muziek, de eerste waardigheidsbekleders der stad en der provinciën met hun zwart gewaad en hun schitterenden gouden keten. Achter hen reed op een witten telganger de hertog van Anjou met zijn schitterend gevolg, bestaande uit de aanzienlijkste edelen van Engeland, Frankrijk en de Nederlanden. Onder deze vielen de schoone graaf van Leicester en prins Willem van Oranje met zijn zoon, graaf Maurits, toen een schoon jongeling van 15 jaar, in het oog. De oude Brabantsche schuttersgilden van den voet- en den handboog vormden des hertogs lijfwacht, op hem volgden een groot aantal edellieden, de lijfwacht van den prins van Oranje en de troepen. Hetzonderlinge slot van den luisterrijken stoet vormden 300 geboeide misdadigers, wien de hertog, overeenkomstig het voor de plechtigheid ontworpen plan, aan den avond van dien dag genade zou schenken.Langs den geheelen weg, dien de stoet had af te leggen, brandden fakkels, hoewel het op den vollen middag was.Met zulk een praal hield de nieuwe hertog zijn intocht in Antwerpen en nog weken achtereen duurden de feesten voort, doch eensklaps zouden zij door eene treurige gebeurtenis worden afgebroken.Op Zondag den 18enMaart, den geboortedag van Anjou, had de prins van Oranje met een klein gezelschap het middagmaal gehouden; hij wilde zich met zijne gasten uit de eetzaal naar zijne bijzondere vertrekken begeven, toen hem in de voorzaal een bleek jonkman tegenkwam, die hem een verzoekschrift overhandigde. Juist toen Oranje het papier wilde aannemen, trok de vreemdeling een pistool te voorschijn en schoot het in de onmiddellijke nabijheid op ’s prinsen hoofd af. Willem van Oranje, die een vreeselijke pijn gevoelde en door den kruitdamp verblind was, meende, dat hij eene doodelijke wonde had ontvangen. „Vermoordt hem niet; ik vergeef hem mijn dood!” riep hij. Maar zijn woord kwam te laat. Reeds hadden zijn gevolg en de lijfwachten zich op den moordenaar geworpen en hem doorboord.De prins werd naar zijn slaapvertrek gebracht. Bij het onderzoek van de wond bleek het, dat deze hoogst gevaarlijk, maar nog niet doodelijk was. Wel was de slagader aan den hals gekwetst, maar door de hitte van het in zulk eene dichte nabijheid ontbrande kruit was de wond toegeschroeid en alzoo eene verbloeding voorgekomen. Het kakebeen was gedeeltelijk verbrijzeld, twee kiezen waren door den kogel meegenomen.Het gerucht van den moordaanslag verbreidde zich schier oogenblikkelijk door geheel Antwerpen en bracht onder het volk eene onbeschrijfelijke verontwaardiging te weeg. „De prins is dood en zijn moordenaar is de held van den Bartholomeus-nacht, de moordenaar van Coligny, de hertog van Anjou, die zich op deze wijze van een lastigen mededinger ontslagen heeft!” riepen de burgers van Antwerpen elkaar toe. Zij brandden van begeerte om eene bloedige wraak op de Franschen te nemen en zouden het wellicht ook gedaan hebben zonder een nauwkeurig onderzoek af te wachten, indien hun niet terstond daarop was medegedeeld, dat de prins wel gewond, maar niet dood was, dat de moordaanslag niet van de Franschen, maar van de Spanjaarden was uitgegaan en dat het de eerste poging was om het banvonnis, door Philips II over Willem van Oranje geveld, ten uitvoer te leggen.De bevolking van Antwerpen dankte deze gelukkig zoo snel verbreide mededeeling aan de kalme bezonnenheid van den jeugdigen graaf Maurits van Nassau, die als getuige van den op zijn vader gepleegden moordaanslag het besluit gevat had om den aanlegger der euveldaad te ontdekken.De 15jarige knaap liet zich door de smart en den schrik niet van zijn stuk brengen. Zoodra hij zijn gewonden vader onder de hoede van trouwe vrienden en dienaars zag, vestigde hij zijne opmerkzaamheid op het lijk des moordenaars. Hij verliet het geen oogenblik, opdat niet door de misdadige hand van een medeplichtige den doode een papier, dat deze misschien bij zich droeg, ontnomen zou worden.Het door 32 steken doorboorde lijk werd in een zijvertrek gebracht en nauwkeurig onderzocht. Werkelijk vond men papieren en andere voorwerpen,die de meestgewenschte inlichtingen omtrent de aanleggers van den moord gaven.Bij den moordenaar vond men behalve een dolk, waarvan hij zich waarschijnlijk had willen bedienen, ingeval het pistool geweigerd had, o. a. een Agnus Dei, eene kaars van geele was, twee gedroogde padden, een gebedenboek, een Jezuïeten-catechismus, twee Spaansche wissels, een van 2000 en een van 877 kronen, en—het belangrijkste van alles—een zakboekje, uit welks aanteekeningen bleek, dat de schrijver doordrongen was van de vaste overtuiging, dat hij zich jegens de katholieke kerk en dus jegens de gansche menschheid hoogst verdienstelijk maken zou, indien het hem gelukte, den dwingeland uit den weg te ruimen. Alle papieren waren in het Spaansch geschreven.Aldegonde, die bij het onderzoek tegenwoordig geweest was, haastte zich, den uitslag van zijne nasporingen aan den hertog van Anjou en de stedelijke overheid mee te deelen. Anjou riep terstond den Staatsraad bijeen en deze vaardigde eene proclamatie uit, waarin elk, die iets aangaande de misdaad of den misdadiger wist en niet terstond daarvan mededeeling deed aan de overheid, zonder genade met den dood bedreigd werd.Het lijk van den moordenaar werd openlijk ten toon gesteld en weldra herkend als dat van een zekeren Jean Jaureguy, een jonkman, die in dienst gestaan had van een te Antwerpen gevestigd Spaansch koopman, met name Anastro.De overheid gaf terstond bevel om Anastro in hechtenis te nemen, doch deze had reeds eenige dagen te voren Antwerpen verlaten onder voorwendsel, dat hij eene noodzakelijke handelsreis ondernemen moest. Zijn kassier Venero en een dominicaner monnik, Antonie Timmermans, die met Anastro zeer bevriend waren, werden gevangengenomen.Het onderzoek werd met spoed voortgezet. Er werden brieven van den voortvluchtigen Anastro aan Venero onderschept, die de geheele samenzwering aan het licht brachten, en Venero, die thans begreep, dat eene ontkenning hem niet meer baten, maar hem alleen op de pijnbank brengen zou, kwam tot eene volledige bekentenis.Anastro, wiens vermogen zeer achteruit was gegaan, had koning Philips II beloofd, den prins van Oranje uit den weg te ruimen. Tusschen hen was inderdaad een van weerszijden onderteekend en door den koning eigenhandig bezegeld verdrag tot stand gekomen, volgens hetwelk Anastro voor den moord 80.000 ducaten en brieven van adeldom ontvangen zou.Te lafhartig om zijn eigen leven bij die euveldaad op het spel te zetten, had Anastro met behulp van Venero den dweepzieken Jean Jaureguy voor zijn plan weten te winnen.Het proces tegen Venero en Timmermans duurde niet lang. Beiden bekenden, dat zij vooraf van de daad geweten en haar goedgekeurd hadden; zij werden ter dood veroordeeld en reeds den 28enMaart terechtgesteld. Op voorspraak van den prins van Oranje werd hun de genade bewezen, dat men hen eerst worgde, eer hun lichaam de vreeselijke, door de wet voorgeschreven verminkingen onderging.Alexander Farnese had de tijding van den moordaanslag uit den mond van Anastro zelven vernomen, maar hij was daarbij in één belangrijk opzicht verkeerd ingelicht. Anastro toch, die de hem toegezegde belooning opeischte, had hem meegedeeld, dat de aanslag gelukt en deprins door een pistoolschot gedood was. In de blijdschap van zijn hart vaardigde Farnese eene proclamatie uit, waarin hij aan de voornaamste steden der Nederlanden mededeelde, dat zij van haren onderdrukker verlost waren; hij spoorde de burgers aan om thans eindelijk in de armen van hun wettigen vorst terug te keeren.Deze proclamatie werkte natuurlijk niets uit, daar de onwaarheid van het daarin vermelde feit weldra algemeen bekend werd. Wel was de prins zwaar gewond, wel zweefde hij dagen lang als tusschen leven en dood, maar de onvermoeide zorgen zijner getrouwen en de bekwaamheid van een kundigen arts werden met de beste uitkomst bekroond.Groot was de blijdschap over het mislukken van den moord; bovenal in Holland, waar de prins het voorwerp was van de innigste liefde, was zij onbeschrijfelijk. Thans lieten de Hollanders en Zeeuwen zich niet langer afwijzen: zij verlangden, dat de prins eindelijk de grafelijke waardigheid van Holland en Zeeland, niet slechts—gelijk in Juli 1581 geschied was—voor den duur van den krijg, maar voor altijd aannemen zou. De prins kon thans aan hun aandrang niet langer weerstand bieden. De voorwaarden, waarop hij die waardigheid aanvaardde en waarbij de meest mogelijke waarborgen voor de vrijheid der burgers werden verleend, werden inderdaad opgemaakt en bekrachtigd. Alleen de plechtige inhuldiging ontbrak nog, om aan de zaak haar beslag te geven, toen een andere aanslag—gelijk we later zien zullen—het geheele plan in duigen wierp.De door Jaureguy gepleegde aanslag bleef niet de eenige. Terstond nadat de hertog van Anjou ook door Gelderland, Friesland en Vlaanderen gehuldigd was, werd de ontdekking gedaan, dat een Italiaan, Basa genaamd, en een Spanjaard, met name Salseda, samengezworen hadden om den prins van Oranje en den hertog van Anjou te vergiftigen. Beide samenzweerders werden gevangen genomen en bekenden hunne misdaad. Basa bracht zich zelven in de gevangenis om het leven. Salseda werd naar Parijs gevoerd en daar op eene vreeselijke wijze ter dood gebracht.Een treurig licht werd op de ontaarding van den Nederlandschen adel geworpen door de ontdekking, dat ook Lamoraal van Egmond, een jongere zoon van den onthoofden graaf, in het moordplan betrokken was. Als vurig katholiek had hij zich met de schandelijke onderneming ingelaten, ten einde het land van den ketterschen prins van Oranje te bevrijden. Zijne schuld was onbetwistbaar, doch in weerwil hiervan werd zij bemanteld; men stelde den jeugdigen misdadiger na eene korte gevangenschap in vrijheid, onder voorwaarde, dat hij de Nederlanden verlaten zou: zijne verwantschap met het Fransche hof redde hem het leven.Op het einde van het jaar 15821zag de hertog zich in de vereenigde Nederlanden overal als heerscher erkend; doch deze erkenning was volstrekt niet voldoende om zijne grenzenlooze eerzucht te bevredigen. Naar luid van de door hem geslotene verdragen was zijne macht zoo beperkt, dat de geringste daad van willekeur hem onmogelijk gemaakt was. Buitendien zag hij naast zich den prins van Oranje, wien hij wel zijne geheele waardigheid dankte, doch op wiens machtigen invloed hij toch zeer naijverig was. Hij kon zich niet ontveinzen, dat hij, hoewel hij den trotschen titel hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen en heer van Frieslandvoerde, toch eigenlijk slechts de tweede rol in het land speelde en dat de prins van Oranje de eigenlijke regent was.Frans van Anjou was te trotsch om, even als de aartshertog Matthias, over wien hij zich meermalen met de grootste minachting uitliet, zich met de schaduw der macht te vergenoegen. „Het betaamt eenen zoon van Frankrijk niet,” placht hij te zeggen, „een nul in ’t cijfer, een Matthias te zijn;” om de eeden, waarmee hij de vrijheden der Nederlanders bezworen had, bekommerde hij zich weinig: reeds bij het afleggen van die geloften had hij het plan gevormd om die te verbreken. Na korten tijd verdroot hem de beperkte heerschappij, die zijne eerzucht niet bevredigde, en besloot hij, òf de Nederlanden te verlaten òf eene regeering te vestigen, gelijk hij die alleen eenen vorst waardig achtte.Anjou werd in zijne plannen versterkt door de eerzuchtige jonge Fransche edellieden, die hem als officieren der Fransche hulptroepen naar de Nederlanden gevolgd waren. Zijne Mignons—zoo werden zijne gunstelingen, evenals die van zijn koninklijken broeder, spottenderwijze genoemd—spoorden hem aan om dezen vermetelen Nederlanders eindelijk eens te toonen, dat zij de onderdanen en niet de meesters van hunnen vorst waren, en de hertog volgde hun raad op. In het begin van het jaar 1583 ontwierp hij, in overleg met hen, het plan om zich door één onverwachten en krachtig toegebrachten slag van de heerschappij over de belangrijkste provinciën te verzekeren.In eenige aanzienlijke steden des lands moesten op denzelfden dag onlusten, oneenigheid tusschen de burgers en het garnizoen, verwekt werden, ten einde den Franschen een voorwendsel te geven om zich in die geschillen te mengen en zich van de vaste plaatsen meester te maken. Op deze wijze moesten Duinkerken, Gent, Brugge, Aalst en andere steden, maar in de eerste plaats Antwerpen ingenomen worden. Hier wilde de hertog de onderneming in persoon besturen.Het plan was goed uitgedacht, doch werd niet zoo stipt uitgevoerd als noodig zou zijn geweest om het te doen gelukken. Den 15enJanuari maakten de Fransche bevelhebbers zich van de steden Duinkerken, Ostende,Aalst en eenige andere kleine plaatsen meester; doch te Brugge en elders weigerde de burgerij den Franschen de poorten te ontsluiten. Juist de belangrijkste steden werden niet genomen.Ook de aanslag op Antwerpen mislukte. Hier was de burgerij bijtijds gewaarschuwd. Een vermomd man—waarschijnlijk, naar zijne spraak te oordeelen, een Franschman, maar een persoonlijk vijand van Anjou—was des nachts op de hoofdwacht gekomen en had daar meegedeeld, dat de hertog een verraderlijken aanslag op de stad in den zin had.Het gerucht van het gebeurde verbreidde zich den 16enJanuari spoedig door de stad en vond des te gereeder ingang, daar de burgerij den hertog buitendien reeds wantrouwde. Ook de prins van Oranje werd er van onderricht. Wel verklaarde de prins, dat hij den hertog niet tot zulke verraderlijke plannen in staat achtte, maar hij ried toch voorzichtigheid aan; hij gaf bevel om de straten met ijzeren kettingen te versperren, voor alle huizen lantaarns te hangen en de bruggen vóór de poorten vroeger dan gewoonlijk op te halen, ten einde eene Fransche krijgsbende, die niet ver van Antwerpen gelegerd was, eene overrompeling der stad, indien zij daarop plan had, onmogelijk te maken. Ter zelfder tijd zond hij een der burgemeesters tot den hertog, om dezen kennis tegeven van de ongunstige geruchten, die over hem in omloop waren.Anjou betoonde zich zeer verontwaardigd over zulk een boosaardigen laster. Hij verklaarde plechtig, dat de gedachte aan zulk een schandelijk verraad nooit bij hem was opgekomen en dat hij met blijdschap zijn laatsten droppel bloeds voor de verdediging van Antwerpen vergieten zou.Aan zulke woorden moest men wel geloof slaan en toen de hertog ze den volgenden morgen voor eene deputatie der overheid, met den prins van Oranje aan het hoofd, herhaalde en zelfs op zijn eerewoord beloofde, ten einde allen twijfel weg te nemen, de stad Antwerpen niet te verlaten, toen verdween inderdaad de bezorgdheid der burgers: zij lieten alle maatregelen van voorzorg varen en begaven zich des namiddags te één uur—de algemeene etenstijd te Antwerpen—aan tafel. De straten der groote stad waren—gelijk gewoonlijk omstreeks dezen tijd—geheel ontvolkt.Hierop had Anjou gerekend. Te één uur verliet hij, aan het hoofd van zijn talrijk gevolg, de stad; de wacht opende voor hem gewillig de poort. Nauwelijks was dit geschied, of de hertog wendde zich tot zijn gevolg met den uitroep: „De stad is in uwe macht, neemt haar in bezit!” Hierop rende hij met losse teugels naar het nabij gelegen kamp der Fransche soldaten, die op het sein tot den aanval wachtten, terwijl zijn gevolg de poortwacht neerhieuw en zich zoowel van de poort als van de ophaalbrug meester maakte. Hierop stormden zij, gevolgd door hunne uit de legerplaats aangesnelde vrienden, de stad binnen, onder het uiten van de zegekreet: „De stad is gewonnen! Leve de mis! Leve de hertog van Anjou! Slaat dood! slaat dood! slaat dood!”600 ruiters en 3000 fransche musketiers verspreidden zich eensklaps met woest getier door de straten van Antwerpen, zij braken in de winkels der juweliers en in de huizen der rijkste inwoners in, om te rooven en te plunderen; maar die hebzucht zou den Franschen weldra duur te staan komen.De bij hun middagmaal verraste burgers grepen naar de wapenen. Zij stormden de huizen uit en verzamelden zich in aller ijl. De trompetten schalden; de kettingen werden door de straten gespannen. Alle klassen der bevolking, edelen en burgers, aanzienlijksten en geringe werklieden, katholieken en protestanten, vereenigden zich tegen de vermetele roovers en zwoeren elkaar, de stad tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Zelfs vrouwen en kinderen namen deel aan den strijd. Zij klommen op de daken en wierpen van daar steenen en zwaar huisraad op de door de straten stormende Franschen.Deze, die zich van de overwinning reeds zeker waanden, zagen zich eensklaps door de gewapende bevolking der groote stad omsingeld, zij begrepen, dat zij met hun klein aantal niet tegen die geduchte overmacht waren opgewassen. Verschrikt door den ongedachten, ongunstigen afloop hunner onderneming, poogden zij terug te trekken, maar voor de meesten was het reeds te laat. Slechts weinigen gelukte het, zich door hunne vijanden heen te slaan, verreweg de meesten werden in de straten van Antwerpen neergehouwen of gevangen genomen.De hertog van Anjou was buiten de stad vol schaamte en woede getuige van den noodlottigen afloop van zijn verraderlijken aanslag. Hij moest met zijne weinige getrouwen de vlucht nemen, om niet zelf als offer der verbittering van het verontwaardigde volk te vallen. Van de kleine legerbende, aan wier hoofd hij nog stond, verloor hij echter een groot deelop denterugtocht. Want de burgers van Mechelen staken, om hem op zijn marsch tegen te houden, een dijk door en brachten eene overstrooming te weeg, waarin niet minder dan 1000 Franschen den dood vonden.Door zijn schandelijk verraad had Anjou alle achting en liefde der Nederlanders verloren. Toen hij bovendien, nadat hij zich in veiligheid gesteld had, een belachelijken trots aan den dag legde, van beleedigingen sprak, waarover hij wraak had moeten nemen, den Staten beloften deed, indien zij de oproerlingen tot onderwerping brachten, en daarentegen dreigde, dat het land er duur voor boeten zou, indien het hem weerstand durfde bieden, toen hij bij de daarop volgende onderhandelingen met de Staten den aanval op Antwerpen eerst deed voorkomen als volkomen gerechtvaardigd door beleedigingen, die men hem zou hebben aangedaan, en daarna weer als een gewoon soldatenoproer,—toen openbaarde zich onder alle standen zulk eene algemeene verachting voor den ellendigen vorst, dat de prins van Oranje bijna wanhoopte aan de mogelijkheid om den vrede te herstellen. En toch was dit in zijn oog dringend noodzakelijk.Oranje was niet minder verontwaardigd over des hertogs trouweloosheid dan elk ander man van eer; maar als staatsman mocht hij aan zijn gevoel niet te veel toegeven.Gevaarlijker dan ooit was juist op dat tijdstip in zijne schatting eene breuk met Frankrijk; noodiger dan ooit een vast verbond met dien naburigen staat. De moed en het zelfvertrouwen der burgers waren door den eindeloozen oorlog zoozeer verzwakt, dat Oranje op eene redding van de Nederlanders door eigen kracht niet langer durfde hopen. De staatkunde noopte hem dus om op nieuw met den hertog teonderhandelen, hoewel hij vernam, dat deze schaamteloos genoeg was om te gelijker tijd onderhandelingen met Alexander Farnese aan te knoopen, ja dat hij dezen aangeboden had, hem de Nederlanden over te laten, wanneer de Spaansche koning Frankrijk door den afstand van grensgewesten schadeloos stelde. Ook de Staten, hoe sterk eene verzoening met den hertog hun ook tegen de borst stuitte, wist Oranje te overtuigen dat zij hun natuurlijken afkeer van den verrader ter zijde moesten zetten en hij bracht hen, dewijl ook Elisabeth van Engeland dringend tot verzoening aanmaande, na veel moeite zoo ver, dat de bijna weer afgebroken onderhandelingen met den hertog op nieuw aangeknoopt werden en dat in de laatste dagen van Maart werkelijk eene schijnbare verzoening tot stand kwam. De Staten ontsloegen de binnen Antwerpen gevangen genomen Franschen, zij gaven den hertog de papieren en voorwerpen van waarde terug, welke hij bij zijne overhaaste vlucht achtergelaten had, en huldigden hem op nieuw. Hij beloofde van zijnen kant, de gesloten verdragen stipt te zullen naleven.In weerwil van dit alles kon de hertog zich echter in de Nederlanden nooit weer eenigen invloed verwerven. Het gansche volk verachtte en haatte hem. Ook de hoop om door een nieuw verraad zijne eerzuchtig plannen te verwezenlijken, moest Anjou opgeven, want de Nederlanders waren thans gewaarschuwd en op hunne hoede. Hij had in het land, welks vorst hij heette, geen nul, geen Matthias willen zijn, maar door de poging om zijne macht uit te breiden was zijne verhouding veel treuriger geworden dan die van Matthias ooit geweest was.Wat zou hij nog in de Nederlanden uitrichten? Hij smachtte naar het weelderige Parijs en in Juni 1583 verliet hij Duinkerken, om naar Frankrijk te vertrekken, nadat hij zoowel met den prins van Oranje als met de Staten zeer vriendelijke brieven gewisseld had.Hij hoopte eenmaal terug te komen en met de hulp van een Fransch leger in de Nederlanden zoowel op de Spanjaarden als op de patriotten een rijk te veroveren, dat een zoon van Frankrijk waardig zou zijn. Maar het werd hem niet eens vergund de toebereidselen tot volvoering van dat plan te maken. Reeds den 10enJuni 1584 stierf hij te Chateau Thierry aan de gevolgen zijner uitspattingen.1Op het einde van het jaar 1582 werd het Kerstfeest in de Nederlanden voor het eerst volgens den Gregoriaanschen Kalender gevierd.

De Nederlanden. Wantrouwen tegen den hertog van Anjou. Ontzet van Kamerijk. Anjou dingt naar de hand van koningin Elisabeth van Engeland. Doornik ingenomen. Elisabeth’s kuiperijen. Anjou in de Nederlanden met blijdschap ontvangen. Zijne inhuldiging te Antwerpen. Moordaanslag op Willem van Oranje. Maurits van Nassau. Zijne koelbloedigheid. Jean Jaureguy. Het onderzoek. Anastro. De medeplichtigen gestraft. Herhaalde plannen om Oranje te vermoorden. Egmond’s medeplichtigheid. Verraderlijke plannen van Anjou. Slechte uitvoering. Anjou’s verijdelde aanslag op Antwerpen. De Staten in schijn met den hertog verzoend. Anjou verlaat de Nederlanden. Zijn dood.

De Nederlanden. Wantrouwen tegen den hertog van Anjou. Ontzet van Kamerijk. Anjou dingt naar de hand van koningin Elisabeth van Engeland. Doornik ingenomen. Elisabeth’s kuiperijen. Anjou in de Nederlanden met blijdschap ontvangen. Zijne inhuldiging te Antwerpen. Moordaanslag op Willem van Oranje. Maurits van Nassau. Zijne koelbloedigheid. Jean Jaureguy. Het onderzoek. Anastro. De medeplichtigen gestraft. Herhaalde plannen om Oranje te vermoorden. Egmond’s medeplichtigheid. Verraderlijke plannen van Anjou. Slechte uitvoering. Anjou’s verijdelde aanslag op Antwerpen. De Staten in schijn met den hertog verzoend. Anjou verlaat de Nederlanden. Zijn dood.

Het had den prins van Oranje veel moeite gekost, de Staten te bewegen tot de onderhandelingen met den hertog van Anjou, welker uitslag onze lezers kennen, en zelfs nadat zij afgeloopen waren, bleef toch juist bij de scherpzinnigste Nederlandsche staatslieden en ook in den boezem van het volk zelf een niet ongegrond wantrouwen jegens den Franschen prins bestaan.

De Calvinisten hadden het niet vergeten, dat Frans Hercules van Alençon, de meest geliefde zoon der bloeddorstige Catharina de Medici, zijne handen eens met het bloed der Fransche protestanten bevlekt had, zij konden niet gelooven, dat zijn haat jegens de ketters eensklaps uitgebluscht zou zijn. Evenmin vertrouwden zij zijne verzekering, dat hij de vrijheden der Nederlanders eerbiedigen en nooit eene poging wagen zou om de provinciën geheel met Frankrijk te verbinden.

Het luidst gaf men aan dit wantrouwen in Holland en Zeeland lucht. Het was de voornaamste oorzaak van het besluit dezer gewesten om zich afzonderlijk tot den prins van Oranje in eene onmiddellijke betrekking te stellen. Doch ook in de overige provinciën bleef het bestaan en het werd alleen voor korten tijd gesust door de verzekering van Frankrijk’s vrienden, dat de Nederlanders alleen onder bescherming van Anjou hunne vrijheid verwerven konden, dewijl de hertog aan het zoo zwaar geteisterde land de ondersteuning van den koning van Frankrijk en van zijn machtig leger aanbracht.

Doch met deze ondersteuning zag het er tamelijk treurig uit. De koning was naijverig op zijn broeder; hij vreesde dat deze, zoodra hij zich slechts machtig genoeg voelde, hem gaarne van den Franschen troon verdringen zou, en hij gevoelde volstrekt geen lust om den koning van Spanje ter wille van zijn broeder rechtstreeks den oorlog te verklaren.

Toch liet Anjou de Nederlanders niet geheel zonder bijstand. In het midden van den zomer van 1581 verscheen hij aan het hoofd van 5000 edele cavaliers en 12000 man voetvolk voor Kamerijk en ontzette deze belangrijke stad, tot welker belegering Farnese juist aanstalten maakte. Alexander, te zwak om aan het Fransche leger het hoofd te bieden, moest in aller ijl het beleg opbreken en wendde zijne macht tegen Doornik.

Anjou voorzag de stad Kamerijk van levensmiddelen en versterkte haar garnizoen; doch daarmee meende hij ook genoeg gedaan te hebben. Hij dankte zijn leger af, de cavaliers keerden grootendeels naar Frankrijk terug, het voetvolk trad in dienst der Staten. Doch de hertog zelf reisde naar Engeland, om hier in persoon naar de hand van koningin Elisabeth te dingen.

Farnese kon na Anjou’s vertrek ongestoord met het beleg van Doornik een aanvang maken. Hij hoopte op eene gemakkelijke zegepraal, dewijl de gouverneur der vesting, de prins d’Espinoy, zich op dat tijdstip niet daarbinnen bevond, en het opperbevel aan zijne gemalin, Maria van Lalaing, eene nicht van den onthoofden graaf van Hoorne, toevertrouwd had. De prinses bestuurde de verdediging met manlijken moed. Dagelijks verscheen zij op de wallen, zij trotseerde elk gevaar, zelfs toen zij eens gewond werd, liet zij zich niet bewegen om zich terug te trekken.

De prins wenschte vurig, Doornik te redden, doch te vergeefs poogde hij de Staten te bewegen om eene grootere krijgsmacht in het veld te brengen en dus moest hij alle hoop op het ontzet der stad laten varen.

Toen de tijding, dat de belegerden niet op ontzet hadden te rekenen, binnen Doornik aankwam, lieten de dappere verdedigers den moed zakken. De katholieke inwoners dreigden met openbaren opstand en zelfs de Calvinisten eischten overgave op eervolle voorwaarden, welke Farnese der prinses bereidvaardig toestond, ten einde zonder bloedvergieten meester van de stad te worden. Bij uitzondering hielden de Spanjaarden ditmaal hun woord. Zij lieten de prinses aan het hoofd der geheele bezetting met krijgseer uittrekken. Den 30enNovember deed Parma zijn intocht in de stad.

De prins van Oranje had intusschen de Staten dringend aangespoord om aan den onhoudbaren toestand eener tusschenregeering een einde te maken; hij wenschte vurig, dat de hertog van Anjou zich naar de Nederlanden begeven zou om het hem toegedachte bewind te aanvaarden en met alle kracht den strijd tegen de Spanjaarden te aanvaarden. Een gezantschap werd naar Engeland afgevaardigd; het moest den hertog uitnoodigen om zoo spoedig mogelijk de regeering van zijn land te aanvaarden. Toch verliepen er nog weken, ja maanden, eer Anjou dezen wensch inwilligde, hij meende namelijk, dat hij voor alles in persoon naar de hand van Elisabeth dingen moest, en daarmede vorderde hij weinig of niets.

De sluwe koningin wachtte zich wel, een bepaald antwoord te geven; zij nam het aanzoek des hertogs niet aan, maar verwierp het evenmin. Men zegt, dat Elisabeth zich wellicht tot het sluiten van dat huwelijk zou hebben laten bewegen, indien de hertog van Anjou niet al te leelijk was geweest, doch haar afkeer van zijn persoon woog zwaarder dan alle staatkundige overwegingen, die het aangaan van deze verbintenis raadzaam maakten. In weerwil hiervan zorgdeElisabeth, hem niet alle hoop te benemen, zij behandelde hem integendeel zeer vriendelijk en toen hij tegen het einde van het jaar 1581 aanstalten maakte om spoedig naar de Nederlanden te vertrekken, beloofde zij hem hare krachtige ondersteuningom het bewind over de provinciën te verwerven en stond zij zelfs toe, dat vele aanzienlijke Engelschen, onder anderen ook haar lieveling, de graaf van Leicester, hem derwaarts vergezelden.

Den 10enFebruari 1581 wierpen 18 groote schepen, die den hertog van Anjou en zijn talrijk gevolg overbrachten, voor Vlissingen het anker uit. De hertog werd door eene deputatie der Staten-Generaal en door den prins van Oranje begroet; doch velen dier afgevaardigden, die hem voor het eerst zagen, gevoelden zich door zijn uiterlijk zóó teruggestooten, dat zij den ongunstigen indruk, welken de hertog op hen maakte, nooit konden overwinnen.

Frans Hercules, hertog van Anjou en Alençon, was toen eerst 28 jaar oud; maar zijn zwak en misvormd lichaam en zijne afgeleefde gelaatstrekken deden hem veel ouder schijnen. Zijn door de pokken geschonden gelaat was buitengewoon leelijk en die leelijkheid werd niet weinig verhoogd door den zonderlingen vorm van den neus, die er uitzag alsof hij in tweeën gespleten was. Zijn karakter was met zijn uiterlijk in overeenstemming; hij was zóó trouwloos, dat de Nederlanders later, toen zij hem beter hadden leeren kennen, schertsend van hem plachten te zeggen: het is niet meer dan natuurlijk, dat een man, die twee neuzen heeft, ook twee aangezichten vertoont.

Op den dag van zijne ontvangst en gedurende de eerstvolgende dagen vertoonde de hertog van Anjou intusschen slechts één gelaat, en wel het vriendelijkste en voorkomendste ter wereld. Den 17enFebruari zeilde hij naar Antwerpen, de deputatie welke hem te Vlissingen ontvangen had, vergezelde hem derwaarts, ook een groot aantal edelen, die de nieuwsgierigheid naar Vlissingen gelokt had, volgde hem.

Volgens overoude gewoonte mocht de vorst des lands niet den voet in de oude handelsstad zetten, eer hij plechtig de vrijheden des lands bezworen had. De hertog schikte zich naar dit gebruik: voordat hij de stad binnentrad, verzekerde hij den trouwen Nederlanders, dat hij bereid was om den laatsten droppel bloeds voor de vrijheid van Brabant te vergieten, vervolgens zwoer hij den vereischten eed en ontving nu op zijne beurt den hertogshoed en den hermelijnen mantel, dien de prins van Oranje zelf hem omhing, en den huldigingseed der Brabanders.

Nadat deze plechtigheid afgeloopen was, en de herauten een regen van gouden en zilveren muntstukken op de ontelbare menigte hadden doen neerstroomen, schaarde het volk zich onder het aanheffen van den kreet: „Leve de hertog van Brabant!” tot een feestelijken stoet, om den nieuwen vorst in zijne eerste handelsstad binnen te leiden.

De kooplieden der Hansa, in hun oud-Duitsch kostuum, openden den trein, op hen volgden de Engelsche kooplieden in lang kostbaar fluweelen gewaad, de burgerweer met volle muziek, de eerste waardigheidsbekleders der stad en der provinciën met hun zwart gewaad en hun schitterenden gouden keten. Achter hen reed op een witten telganger de hertog van Anjou met zijn schitterend gevolg, bestaande uit de aanzienlijkste edelen van Engeland, Frankrijk en de Nederlanden. Onder deze vielen de schoone graaf van Leicester en prins Willem van Oranje met zijn zoon, graaf Maurits, toen een schoon jongeling van 15 jaar, in het oog. De oude Brabantsche schuttersgilden van den voet- en den handboog vormden des hertogs lijfwacht, op hem volgden een groot aantal edellieden, de lijfwacht van den prins van Oranje en de troepen. Hetzonderlinge slot van den luisterrijken stoet vormden 300 geboeide misdadigers, wien de hertog, overeenkomstig het voor de plechtigheid ontworpen plan, aan den avond van dien dag genade zou schenken.

Langs den geheelen weg, dien de stoet had af te leggen, brandden fakkels, hoewel het op den vollen middag was.

Met zulk een praal hield de nieuwe hertog zijn intocht in Antwerpen en nog weken achtereen duurden de feesten voort, doch eensklaps zouden zij door eene treurige gebeurtenis worden afgebroken.

Op Zondag den 18enMaart, den geboortedag van Anjou, had de prins van Oranje met een klein gezelschap het middagmaal gehouden; hij wilde zich met zijne gasten uit de eetzaal naar zijne bijzondere vertrekken begeven, toen hem in de voorzaal een bleek jonkman tegenkwam, die hem een verzoekschrift overhandigde. Juist toen Oranje het papier wilde aannemen, trok de vreemdeling een pistool te voorschijn en schoot het in de onmiddellijke nabijheid op ’s prinsen hoofd af. Willem van Oranje, die een vreeselijke pijn gevoelde en door den kruitdamp verblind was, meende, dat hij eene doodelijke wonde had ontvangen. „Vermoordt hem niet; ik vergeef hem mijn dood!” riep hij. Maar zijn woord kwam te laat. Reeds hadden zijn gevolg en de lijfwachten zich op den moordenaar geworpen en hem doorboord.

De prins werd naar zijn slaapvertrek gebracht. Bij het onderzoek van de wond bleek het, dat deze hoogst gevaarlijk, maar nog niet doodelijk was. Wel was de slagader aan den hals gekwetst, maar door de hitte van het in zulk eene dichte nabijheid ontbrande kruit was de wond toegeschroeid en alzoo eene verbloeding voorgekomen. Het kakebeen was gedeeltelijk verbrijzeld, twee kiezen waren door den kogel meegenomen.

Het gerucht van den moordaanslag verbreidde zich schier oogenblikkelijk door geheel Antwerpen en bracht onder het volk eene onbeschrijfelijke verontwaardiging te weeg. „De prins is dood en zijn moordenaar is de held van den Bartholomeus-nacht, de moordenaar van Coligny, de hertog van Anjou, die zich op deze wijze van een lastigen mededinger ontslagen heeft!” riepen de burgers van Antwerpen elkaar toe. Zij brandden van begeerte om eene bloedige wraak op de Franschen te nemen en zouden het wellicht ook gedaan hebben zonder een nauwkeurig onderzoek af te wachten, indien hun niet terstond daarop was medegedeeld, dat de prins wel gewond, maar niet dood was, dat de moordaanslag niet van de Franschen, maar van de Spanjaarden was uitgegaan en dat het de eerste poging was om het banvonnis, door Philips II over Willem van Oranje geveld, ten uitvoer te leggen.

De bevolking van Antwerpen dankte deze gelukkig zoo snel verbreide mededeeling aan de kalme bezonnenheid van den jeugdigen graaf Maurits van Nassau, die als getuige van den op zijn vader gepleegden moordaanslag het besluit gevat had om den aanlegger der euveldaad te ontdekken.

De 15jarige knaap liet zich door de smart en den schrik niet van zijn stuk brengen. Zoodra hij zijn gewonden vader onder de hoede van trouwe vrienden en dienaars zag, vestigde hij zijne opmerkzaamheid op het lijk des moordenaars. Hij verliet het geen oogenblik, opdat niet door de misdadige hand van een medeplichtige den doode een papier, dat deze misschien bij zich droeg, ontnomen zou worden.

Het door 32 steken doorboorde lijk werd in een zijvertrek gebracht en nauwkeurig onderzocht. Werkelijk vond men papieren en andere voorwerpen,die de meestgewenschte inlichtingen omtrent de aanleggers van den moord gaven.

Bij den moordenaar vond men behalve een dolk, waarvan hij zich waarschijnlijk had willen bedienen, ingeval het pistool geweigerd had, o. a. een Agnus Dei, eene kaars van geele was, twee gedroogde padden, een gebedenboek, een Jezuïeten-catechismus, twee Spaansche wissels, een van 2000 en een van 877 kronen, en—het belangrijkste van alles—een zakboekje, uit welks aanteekeningen bleek, dat de schrijver doordrongen was van de vaste overtuiging, dat hij zich jegens de katholieke kerk en dus jegens de gansche menschheid hoogst verdienstelijk maken zou, indien het hem gelukte, den dwingeland uit den weg te ruimen. Alle papieren waren in het Spaansch geschreven.

Aldegonde, die bij het onderzoek tegenwoordig geweest was, haastte zich, den uitslag van zijne nasporingen aan den hertog van Anjou en de stedelijke overheid mee te deelen. Anjou riep terstond den Staatsraad bijeen en deze vaardigde eene proclamatie uit, waarin elk, die iets aangaande de misdaad of den misdadiger wist en niet terstond daarvan mededeeling deed aan de overheid, zonder genade met den dood bedreigd werd.

Het lijk van den moordenaar werd openlijk ten toon gesteld en weldra herkend als dat van een zekeren Jean Jaureguy, een jonkman, die in dienst gestaan had van een te Antwerpen gevestigd Spaansch koopman, met name Anastro.

De overheid gaf terstond bevel om Anastro in hechtenis te nemen, doch deze had reeds eenige dagen te voren Antwerpen verlaten onder voorwendsel, dat hij eene noodzakelijke handelsreis ondernemen moest. Zijn kassier Venero en een dominicaner monnik, Antonie Timmermans, die met Anastro zeer bevriend waren, werden gevangengenomen.

Het onderzoek werd met spoed voortgezet. Er werden brieven van den voortvluchtigen Anastro aan Venero onderschept, die de geheele samenzwering aan het licht brachten, en Venero, die thans begreep, dat eene ontkenning hem niet meer baten, maar hem alleen op de pijnbank brengen zou, kwam tot eene volledige bekentenis.

Anastro, wiens vermogen zeer achteruit was gegaan, had koning Philips II beloofd, den prins van Oranje uit den weg te ruimen. Tusschen hen was inderdaad een van weerszijden onderteekend en door den koning eigenhandig bezegeld verdrag tot stand gekomen, volgens hetwelk Anastro voor den moord 80.000 ducaten en brieven van adeldom ontvangen zou.

Te lafhartig om zijn eigen leven bij die euveldaad op het spel te zetten, had Anastro met behulp van Venero den dweepzieken Jean Jaureguy voor zijn plan weten te winnen.

Het proces tegen Venero en Timmermans duurde niet lang. Beiden bekenden, dat zij vooraf van de daad geweten en haar goedgekeurd hadden; zij werden ter dood veroordeeld en reeds den 28enMaart terechtgesteld. Op voorspraak van den prins van Oranje werd hun de genade bewezen, dat men hen eerst worgde, eer hun lichaam de vreeselijke, door de wet voorgeschreven verminkingen onderging.

Alexander Farnese had de tijding van den moordaanslag uit den mond van Anastro zelven vernomen, maar hij was daarbij in één belangrijk opzicht verkeerd ingelicht. Anastro toch, die de hem toegezegde belooning opeischte, had hem meegedeeld, dat de aanslag gelukt en deprins door een pistoolschot gedood was. In de blijdschap van zijn hart vaardigde Farnese eene proclamatie uit, waarin hij aan de voornaamste steden der Nederlanden mededeelde, dat zij van haren onderdrukker verlost waren; hij spoorde de burgers aan om thans eindelijk in de armen van hun wettigen vorst terug te keeren.

Deze proclamatie werkte natuurlijk niets uit, daar de onwaarheid van het daarin vermelde feit weldra algemeen bekend werd. Wel was de prins zwaar gewond, wel zweefde hij dagen lang als tusschen leven en dood, maar de onvermoeide zorgen zijner getrouwen en de bekwaamheid van een kundigen arts werden met de beste uitkomst bekroond.

Groot was de blijdschap over het mislukken van den moord; bovenal in Holland, waar de prins het voorwerp was van de innigste liefde, was zij onbeschrijfelijk. Thans lieten de Hollanders en Zeeuwen zich niet langer afwijzen: zij verlangden, dat de prins eindelijk de grafelijke waardigheid van Holland en Zeeland, niet slechts—gelijk in Juli 1581 geschied was—voor den duur van den krijg, maar voor altijd aannemen zou. De prins kon thans aan hun aandrang niet langer weerstand bieden. De voorwaarden, waarop hij die waardigheid aanvaardde en waarbij de meest mogelijke waarborgen voor de vrijheid der burgers werden verleend, werden inderdaad opgemaakt en bekrachtigd. Alleen de plechtige inhuldiging ontbrak nog, om aan de zaak haar beslag te geven, toen een andere aanslag—gelijk we later zien zullen—het geheele plan in duigen wierp.

De door Jaureguy gepleegde aanslag bleef niet de eenige. Terstond nadat de hertog van Anjou ook door Gelderland, Friesland en Vlaanderen gehuldigd was, werd de ontdekking gedaan, dat een Italiaan, Basa genaamd, en een Spanjaard, met name Salseda, samengezworen hadden om den prins van Oranje en den hertog van Anjou te vergiftigen. Beide samenzweerders werden gevangen genomen en bekenden hunne misdaad. Basa bracht zich zelven in de gevangenis om het leven. Salseda werd naar Parijs gevoerd en daar op eene vreeselijke wijze ter dood gebracht.

Een treurig licht werd op de ontaarding van den Nederlandschen adel geworpen door de ontdekking, dat ook Lamoraal van Egmond, een jongere zoon van den onthoofden graaf, in het moordplan betrokken was. Als vurig katholiek had hij zich met de schandelijke onderneming ingelaten, ten einde het land van den ketterschen prins van Oranje te bevrijden. Zijne schuld was onbetwistbaar, doch in weerwil hiervan werd zij bemanteld; men stelde den jeugdigen misdadiger na eene korte gevangenschap in vrijheid, onder voorwaarde, dat hij de Nederlanden verlaten zou: zijne verwantschap met het Fransche hof redde hem het leven.

Op het einde van het jaar 15821zag de hertog zich in de vereenigde Nederlanden overal als heerscher erkend; doch deze erkenning was volstrekt niet voldoende om zijne grenzenlooze eerzucht te bevredigen. Naar luid van de door hem geslotene verdragen was zijne macht zoo beperkt, dat de geringste daad van willekeur hem onmogelijk gemaakt was. Buitendien zag hij naast zich den prins van Oranje, wien hij wel zijne geheele waardigheid dankte, doch op wiens machtigen invloed hij toch zeer naijverig was. Hij kon zich niet ontveinzen, dat hij, hoewel hij den trotschen titel hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen en heer van Frieslandvoerde, toch eigenlijk slechts de tweede rol in het land speelde en dat de prins van Oranje de eigenlijke regent was.

Frans van Anjou was te trotsch om, even als de aartshertog Matthias, over wien hij zich meermalen met de grootste minachting uitliet, zich met de schaduw der macht te vergenoegen. „Het betaamt eenen zoon van Frankrijk niet,” placht hij te zeggen, „een nul in ’t cijfer, een Matthias te zijn;” om de eeden, waarmee hij de vrijheden der Nederlanders bezworen had, bekommerde hij zich weinig: reeds bij het afleggen van die geloften had hij het plan gevormd om die te verbreken. Na korten tijd verdroot hem de beperkte heerschappij, die zijne eerzucht niet bevredigde, en besloot hij, òf de Nederlanden te verlaten òf eene regeering te vestigen, gelijk hij die alleen eenen vorst waardig achtte.

Anjou werd in zijne plannen versterkt door de eerzuchtige jonge Fransche edellieden, die hem als officieren der Fransche hulptroepen naar de Nederlanden gevolgd waren. Zijne Mignons—zoo werden zijne gunstelingen, evenals die van zijn koninklijken broeder, spottenderwijze genoemd—spoorden hem aan om dezen vermetelen Nederlanders eindelijk eens te toonen, dat zij de onderdanen en niet de meesters van hunnen vorst waren, en de hertog volgde hun raad op. In het begin van het jaar 1583 ontwierp hij, in overleg met hen, het plan om zich door één onverwachten en krachtig toegebrachten slag van de heerschappij over de belangrijkste provinciën te verzekeren.

In eenige aanzienlijke steden des lands moesten op denzelfden dag onlusten, oneenigheid tusschen de burgers en het garnizoen, verwekt werden, ten einde den Franschen een voorwendsel te geven om zich in die geschillen te mengen en zich van de vaste plaatsen meester te maken. Op deze wijze moesten Duinkerken, Gent, Brugge, Aalst en andere steden, maar in de eerste plaats Antwerpen ingenomen worden. Hier wilde de hertog de onderneming in persoon besturen.

Het plan was goed uitgedacht, doch werd niet zoo stipt uitgevoerd als noodig zou zijn geweest om het te doen gelukken. Den 15enJanuari maakten de Fransche bevelhebbers zich van de steden Duinkerken, Ostende,Aalst en eenige andere kleine plaatsen meester; doch te Brugge en elders weigerde de burgerij den Franschen de poorten te ontsluiten. Juist de belangrijkste steden werden niet genomen.

Ook de aanslag op Antwerpen mislukte. Hier was de burgerij bijtijds gewaarschuwd. Een vermomd man—waarschijnlijk, naar zijne spraak te oordeelen, een Franschman, maar een persoonlijk vijand van Anjou—was des nachts op de hoofdwacht gekomen en had daar meegedeeld, dat de hertog een verraderlijken aanslag op de stad in den zin had.

Het gerucht van het gebeurde verbreidde zich den 16enJanuari spoedig door de stad en vond des te gereeder ingang, daar de burgerij den hertog buitendien reeds wantrouwde. Ook de prins van Oranje werd er van onderricht. Wel verklaarde de prins, dat hij den hertog niet tot zulke verraderlijke plannen in staat achtte, maar hij ried toch voorzichtigheid aan; hij gaf bevel om de straten met ijzeren kettingen te versperren, voor alle huizen lantaarns te hangen en de bruggen vóór de poorten vroeger dan gewoonlijk op te halen, ten einde eene Fransche krijgsbende, die niet ver van Antwerpen gelegerd was, eene overrompeling der stad, indien zij daarop plan had, onmogelijk te maken. Ter zelfder tijd zond hij een der burgemeesters tot den hertog, om dezen kennis tegeven van de ongunstige geruchten, die over hem in omloop waren.

Anjou betoonde zich zeer verontwaardigd over zulk een boosaardigen laster. Hij verklaarde plechtig, dat de gedachte aan zulk een schandelijk verraad nooit bij hem was opgekomen en dat hij met blijdschap zijn laatsten droppel bloeds voor de verdediging van Antwerpen vergieten zou.

Aan zulke woorden moest men wel geloof slaan en toen de hertog ze den volgenden morgen voor eene deputatie der overheid, met den prins van Oranje aan het hoofd, herhaalde en zelfs op zijn eerewoord beloofde, ten einde allen twijfel weg te nemen, de stad Antwerpen niet te verlaten, toen verdween inderdaad de bezorgdheid der burgers: zij lieten alle maatregelen van voorzorg varen en begaven zich des namiddags te één uur—de algemeene etenstijd te Antwerpen—aan tafel. De straten der groote stad waren—gelijk gewoonlijk omstreeks dezen tijd—geheel ontvolkt.

Hierop had Anjou gerekend. Te één uur verliet hij, aan het hoofd van zijn talrijk gevolg, de stad; de wacht opende voor hem gewillig de poort. Nauwelijks was dit geschied, of de hertog wendde zich tot zijn gevolg met den uitroep: „De stad is in uwe macht, neemt haar in bezit!” Hierop rende hij met losse teugels naar het nabij gelegen kamp der Fransche soldaten, die op het sein tot den aanval wachtten, terwijl zijn gevolg de poortwacht neerhieuw en zich zoowel van de poort als van de ophaalbrug meester maakte. Hierop stormden zij, gevolgd door hunne uit de legerplaats aangesnelde vrienden, de stad binnen, onder het uiten van de zegekreet: „De stad is gewonnen! Leve de mis! Leve de hertog van Anjou! Slaat dood! slaat dood! slaat dood!”

600 ruiters en 3000 fransche musketiers verspreidden zich eensklaps met woest getier door de straten van Antwerpen, zij braken in de winkels der juweliers en in de huizen der rijkste inwoners in, om te rooven en te plunderen; maar die hebzucht zou den Franschen weldra duur te staan komen.

De bij hun middagmaal verraste burgers grepen naar de wapenen. Zij stormden de huizen uit en verzamelden zich in aller ijl. De trompetten schalden; de kettingen werden door de straten gespannen. Alle klassen der bevolking, edelen en burgers, aanzienlijksten en geringe werklieden, katholieken en protestanten, vereenigden zich tegen de vermetele roovers en zwoeren elkaar, de stad tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Zelfs vrouwen en kinderen namen deel aan den strijd. Zij klommen op de daken en wierpen van daar steenen en zwaar huisraad op de door de straten stormende Franschen.

Deze, die zich van de overwinning reeds zeker waanden, zagen zich eensklaps door de gewapende bevolking der groote stad omsingeld, zij begrepen, dat zij met hun klein aantal niet tegen die geduchte overmacht waren opgewassen. Verschrikt door den ongedachten, ongunstigen afloop hunner onderneming, poogden zij terug te trekken, maar voor de meesten was het reeds te laat. Slechts weinigen gelukte het, zich door hunne vijanden heen te slaan, verreweg de meesten werden in de straten van Antwerpen neergehouwen of gevangen genomen.

De hertog van Anjou was buiten de stad vol schaamte en woede getuige van den noodlottigen afloop van zijn verraderlijken aanslag. Hij moest met zijne weinige getrouwen de vlucht nemen, om niet zelf als offer der verbittering van het verontwaardigde volk te vallen. Van de kleine legerbende, aan wier hoofd hij nog stond, verloor hij echter een groot deelop denterugtocht. Want de burgers van Mechelen staken, om hem op zijn marsch tegen te houden, een dijk door en brachten eene overstrooming te weeg, waarin niet minder dan 1000 Franschen den dood vonden.

Door zijn schandelijk verraad had Anjou alle achting en liefde der Nederlanders verloren. Toen hij bovendien, nadat hij zich in veiligheid gesteld had, een belachelijken trots aan den dag legde, van beleedigingen sprak, waarover hij wraak had moeten nemen, den Staten beloften deed, indien zij de oproerlingen tot onderwerping brachten, en daarentegen dreigde, dat het land er duur voor boeten zou, indien het hem weerstand durfde bieden, toen hij bij de daarop volgende onderhandelingen met de Staten den aanval op Antwerpen eerst deed voorkomen als volkomen gerechtvaardigd door beleedigingen, die men hem zou hebben aangedaan, en daarna weer als een gewoon soldatenoproer,—toen openbaarde zich onder alle standen zulk eene algemeene verachting voor den ellendigen vorst, dat de prins van Oranje bijna wanhoopte aan de mogelijkheid om den vrede te herstellen. En toch was dit in zijn oog dringend noodzakelijk.

Oranje was niet minder verontwaardigd over des hertogs trouweloosheid dan elk ander man van eer; maar als staatsman mocht hij aan zijn gevoel niet te veel toegeven.

Gevaarlijker dan ooit was juist op dat tijdstip in zijne schatting eene breuk met Frankrijk; noodiger dan ooit een vast verbond met dien naburigen staat. De moed en het zelfvertrouwen der burgers waren door den eindeloozen oorlog zoozeer verzwakt, dat Oranje op eene redding van de Nederlanders door eigen kracht niet langer durfde hopen. De staatkunde noopte hem dus om op nieuw met den hertog teonderhandelen, hoewel hij vernam, dat deze schaamteloos genoeg was om te gelijker tijd onderhandelingen met Alexander Farnese aan te knoopen, ja dat hij dezen aangeboden had, hem de Nederlanden over te laten, wanneer de Spaansche koning Frankrijk door den afstand van grensgewesten schadeloos stelde. Ook de Staten, hoe sterk eene verzoening met den hertog hun ook tegen de borst stuitte, wist Oranje te overtuigen dat zij hun natuurlijken afkeer van den verrader ter zijde moesten zetten en hij bracht hen, dewijl ook Elisabeth van Engeland dringend tot verzoening aanmaande, na veel moeite zoo ver, dat de bijna weer afgebroken onderhandelingen met den hertog op nieuw aangeknoopt werden en dat in de laatste dagen van Maart werkelijk eene schijnbare verzoening tot stand kwam. De Staten ontsloegen de binnen Antwerpen gevangen genomen Franschen, zij gaven den hertog de papieren en voorwerpen van waarde terug, welke hij bij zijne overhaaste vlucht achtergelaten had, en huldigden hem op nieuw. Hij beloofde van zijnen kant, de gesloten verdragen stipt te zullen naleven.

In weerwil van dit alles kon de hertog zich echter in de Nederlanden nooit weer eenigen invloed verwerven. Het gansche volk verachtte en haatte hem. Ook de hoop om door een nieuw verraad zijne eerzuchtig plannen te verwezenlijken, moest Anjou opgeven, want de Nederlanders waren thans gewaarschuwd en op hunne hoede. Hij had in het land, welks vorst hij heette, geen nul, geen Matthias willen zijn, maar door de poging om zijne macht uit te breiden was zijne verhouding veel treuriger geworden dan die van Matthias ooit geweest was.

Wat zou hij nog in de Nederlanden uitrichten? Hij smachtte naar het weelderige Parijs en in Juni 1583 verliet hij Duinkerken, om naar Frankrijk te vertrekken, nadat hij zoowel met den prins van Oranje als met de Staten zeer vriendelijke brieven gewisseld had.

Hij hoopte eenmaal terug te komen en met de hulp van een Fransch leger in de Nederlanden zoowel op de Spanjaarden als op de patriotten een rijk te veroveren, dat een zoon van Frankrijk waardig zou zijn. Maar het werd hem niet eens vergund de toebereidselen tot volvoering van dat plan te maken. Reeds den 10enJuni 1584 stierf hij te Chateau Thierry aan de gevolgen zijner uitspattingen.

1Op het einde van het jaar 1582 werd het Kerstfeest in de Nederlanden voor het eerst volgens den Gregoriaanschen Kalender gevierd.

1Op het einde van het jaar 1582 werd het Kerstfeest in de Nederlanden voor het eerst volgens den Gregoriaanschen Kalender gevierd.


Back to IndexNext