Vijfde Hoofdstuk.De Nederlanden. Philips’ plannen met de Nederlanden. De staatsraad. Benoeming van Alba. Alba’s verleden. Zijn karakter. Uitrusting van het leger. Vergeefsche pogingen van Margaretha om Alba’s zending te verhinderen. De Nederlandsche gezanten in Spanje gevangen genomen. Bergen’s dood. Alba’s tocht naar de Nederlanden. Zijne ontvangst. Oneenigheid tusschen Alba en de hertogin Margaretha. Alba’s instructie. Zijne zachtmoedigheid. Zelfbedrog van Egmond. Vruchtelooze waarschuwingen. Egmond en Hoorne gevangen genomen. Algemeene verslagenheid in de Nederlanden. De bloedraad; zijne bevoegdheid; zijne leden. Vargas. Werkzaamheid van den bloedraad. Algemeene schrik. Margaretha verlaat de Nederlanden.Philips II was geen vriend van snelle handelingen; bedaard en langzaam, maar onwrikbaar ging hij steeds op zijn doel af. Hij had besloten, de beeldstormers en alle Nederlanders, die het gewaagd hadden zich tegen zijn gezag te verzetten, ten strengste te straffen, maar hij haastte zich daarmede niet. Hij ging voort genadige brieven aan de hoofdleiders der Nederlandsche beweging, aan Oranje en zijne vrienden, te schrijven en te beloven, dat hij in persoon naar de Nederlanden komen zou, om den vrede te herstellen. Intusschen bereidde hij in stilte alles tot zijne wraakoefening voor.In April van het jaar 1567 werd in een grooten staatsraad, die alleen door Spanjaarden werd bijgewoond, over de maatregelen beraadslaagd, welke men tegen de opstandelingen moest nemen. Kort te voren was een bericht van hertogin Margaretha gekomen, hetwelk inhield, dat het land tot rust gebracht, de ketterij onderdrukt was en de vroegere plakaten omtrent de godsdienst weder in volle kracht ten uitvoer gelegd werden; dat de koning, wanneer hij thans in de Nederlanden verscheen, ook zonder eenige krijgsmacht, alleen door zijne tegenwoordigheid lichtelijk den vrede geheel herstellen en de pest der ontevredenheid verdrijven kon; dat een Spaansch leger slechts schrik inboezemen en de reeds zoo verderfelijke landverhuizing nog aanwakkeren zou. De landvoogdes smeekte Philips meer als vader dan als vorst des volks te komen, dan zou het gemakkelijker vallen alles te regelen en de beste verstandhouding tusschen de vroeger oproerige gewesten en den koning te herstellen.Met den welgemeenden raad, welken Margaretha in dezen brief uitsprak, betuigde ook Ruy Gomes, de prins van Eboli, zijne instemming. Hij was over het algemeen vredelievend gestemd, doch in dit geval trachtte hij nog des te meer den vrede te bevorderen, dewijl zijn tegenstander,de hertog van Alba, reeds door Philips uitverkoren was om in de Nederlanden de rust te herstellen: den hertog van Alba gunde de prins van Eboli de eer en het voordeel niet, die uit zulk eene opdracht zouden voortvloeien. Hij wees op het gevaar en de kosten, aan eene dergelijke onderneming verbonden, en hij vond steun bij Antonio Perez en bij des konings biechtvader.Alba daarentegendrongop eene onverwijlde onderwerping van de Nederlanders door kracht van wapenen aan. Reeds te lang hadden de rebellen den koning getart, ja door de hun betoonde toegevendheid waren zij slechts te overmoediger geworden. Al was de opstand voor dezen oogenblik ingesluimerd, spoedig zou hij met verdubbelde kracht beginnen, indien hij ongestraft bleef. De kardinaal Spinosa schaarde zich aan zijne zijde en beiden overtuigden Philips II, dat Alba’s gevoelen het juiste was; hij bleef bij zijn reeds vroeger opgevat besluit om Alba met een leger naar de Nederlanden te zenden. Intusschen voegde hij er bij, dat ook hij zich over Savoie, Bourgondië en Lotharingen derwaarts wilde begeven; het leger, dat hij onder Alba zond, moest hem slechts vooruitgaan; hij zou spoedig volgen.Hoewel Philips vast besloten had, nooit zijn woord te houden en rustig in Spanje te blijven, wist hij toch met zijne gewone list alle vorsten van Europa en ook de Nederlanders zelven te doen gelooven, dat hij werkelijk van plan was, Spanje te verlaten. Hij gaf bevel om terstond de beste troepen des rijks, de vier legioenen van Napels, Sicilië, Sardinië en Lombardije, samen te trekken: ongeveer 10.000 man, allen uitgelezen veteranen, tot wier opperbevelhebber de hertog van Alba benoemd werd.Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, was op dat tijdstip 60 jaar oud. Hij was de meest beroemde veldheer van Spanje, geen ander kon op zoovele schitterende wapenfeiten wijzen als hij, hij had zijn roem op krijgskundig gebied niet alleen aan zijne stoutmoedigheid, maar evenzeer aan zijne voorzichtigheid en standvastigheid te danken. Reeds van zijne vroegste kindsheid af was hij soldaat, zijn geheele leven was te midden van het gewoel des oorlogs vervlogen.Keizer Karel V had hooge achting voor Alba gekoesterd en hem meermalen de belangrijkste bevelhebbersposten toevertrouwd. In den Smalkaldischen krijg was hij opperbevelhebber geweest; zijn meest beroemd wapenfeit was de slag bij Mühlberg.Had Alba zich als veldheer een welverdienden roem verworven, als staatsman beteekende hij weinig of niets, dewijl hij zijn geheele leven onder de wapenen had doorgebracht.Geen Spanjaard was beter berekend om de bloedige wraak uit te oefenen, welke Philips op de Nederlanders wilde nemen, dan Alba, die de ketters haatte met een doodelijken haat. De koning kende hem als een man zonder hart, die brandde van begeerte om de rijke, kettersche Nederlanders te tuchtigen en dien geen opwelling van medelijden zou verhinderen, zich met al zijne krachten aan het hem opgedragen ambt van wreker toe te wijden.De hoogmoedige, hebzuchtige, bloeddorstige, maar krachtig doortastende hertog was juist een man, zooals Philips tot volvoering van zijne plannen noodig had. Het leger, dat hij zou aanvoeren, bestond uit de voortreflijkste troepen, die Spanje in het veld kon brengen; het stondonder het bevel van de uitstekendste generaals, zooals Juliaan Romero, Alfonso d’Alloa, don Ferdinand van Toledo, grootvizier der orde van Calatrava, Alba’s onechte zoon, Gabriël Serbelloni, den bevelhebber der artillerie en Frans Paciotto, den beroemden ingenieur.Niets werd gespaard aan de uitrusting van dit leger; daarbij bevond zich zelfs—en dit is veel beteekenend voor de krijgers, die volgens Philips’ bewering als kampioenen voor het ware geloof in de Nederlanden verschijnen zouden—eene schaar van 2000 liederlijke vrouwspersonen, die volkomen regelmatig gedisciplineerd en geëxerceerd, ja geheel aan militaire regeling onderworpen werden.Brantôme zegt, dat zij schoon en dapper waren als princessen, zoowel die, welke te paard zaten, als die, welke te voet moesten marcheeren.Den 10enMei 1567 scheepte de hertog van Alba zich te Carthagena in, om van Genua uit den marsch naar de Nederlanden te beginnen.Margaretha van Parma ontving nauwelijks bericht van de zending des hertogs, of zij schreef terstond aan Philips, om hem nog eens dringend te smeeken, den Nederlanders den inval van een Spaansch leger te besparen, zij beklaagde zich bovendien, wijl een ander gezonden werd om de vrucht van hare bemoeiingen te oogsten. Door hare krachtsinspanning, verklaarde zij, waren de Nederlanders tot rust gebracht, wanneer Alba thans kwam, zou hij weer omverwerpen wat zij met zooveel zorg en moeite opgebouwd had. Reeds de naam van Alba was in de Nederlanden zoo gehaat, dat de geheele Spaansche natie daaronder leed. Zij hield den koning voor, dat Alba’s zending niets dan de treurigste gevolgen zou na zich slepen.Philips had eenmaal zijn besluit genomen en legde het zonder weifelen ten uitvoer. Van eene bemiddeling wilde hij thans niets meer weten, dit toonde hij ook door zijne houding tegenover de Nederlandsche gezanten, den markgraaf van Bergen en den heer van Montigny: deze werden niet langer als gezanten, maar als gevangenen beschouwd. De markgraaf van Bergen, die ernstig ziek geworden was en die volgens de uitspraak der geneesheeren alleen herstellen kon, wanneer hij verlof ontving om naar zijn vaderland terug te keeren, verkreeg die vergunning niet. Hij stierf, wellicht—gelijk sommigen beweren—aan vergif, wellicht ook zijn natuurlijken dood. Zijn medegezant Montigny werd gevankelijk naar Segovia gevoerd.Terstond na Bergen’s dood zond Philips het bevel aan de landvoogdes, dat alle goederen van den gevangene in beslag genomen moesten worden.Bergen had bij zijn testament twee jeugdige bloedverwanten tot zijne erfgenamen benoemd; de koning beval, deze onder voorwendsel van ketterij in hechtenis te nemen.Alba was intusschen naar de Nederlanden op marsch gegaan. Met 8700 man voetvolk en 1200 ruiters, dus ongeveer 10.000 man, was hij den Mont-Cenis overgetrokken. De Zwitsers maakten zich over de Spaansche krijgsmacht ongerust; zij waren van plan, den hertog in een nauwen Alpenpas te overvallen, maar zij deden het niet. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, rukte Alba voorwaarts. Ook op zijn verderen marsch zou het weinig moeite gekost hebben, hem tot den terugtocht te dwingen, indien de Fransche Hugenooten hem den doorgang versperd hadden. Wanneer Egmond inderdaad hoogverraad had willen plegen, zou hij dit gemakkelijk hebben kunnen doen, maar Egmond dacht niet aan zoo iets, hij was des konings trouwste dienaar.Alba kon derhalve zonder oponthoud door Bourgondië en Lotharingen naar Luxemburg trekken. Het was in het midden van Augustus, toen hij te Thionville aankwam, waar hij door Barlaimont en Noircarmes verwelkomd werd. Onderweg had hij ook een brief van Margaretha ontvangen, waarin deze hare bezorgdheid uitsprak over den indruk, dien zijne verschijning aan het hoofd van een leger op de Nederlanders maken zou. Hare waarschuwing droeg echter niet de minste vrucht. Alba antwoordde daarop met verachtelijken toon: „Ik heb in der tijd volken van ijzer en staal bedwongen, zou ik bang zijn voor zulke botermenschen?”Inderdaad scheen daartoe ook niet de minste reden te bestaan, want de Nederlanders haastten zich, Alba door deputaties te doen begroeten en van hunne trouw te verzekeren. Zelfs Egmond achtte het niet beneden zich, den machtigen man het hof te maken; den 22enAugustus bracht hij uit Brussel met een aantal edelen Alba te Dendermonde een bezoek.De hertog was jegens Egmond reeds sinds lang vijandig gezind; hij kon dezen zijne overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen niet vergeven, maar gloeide van naijver op den krijgsroem van den jongeren veldheer. Bij die eerste samenkomst was hij dan ook zich zelven niet geheel meester. „Daar komt de voornaamste ketter,” zeide hij zoo luid, dat Egmond het hoorde, maar hij wischte den ongunstigen indruk dier harde woorden terstond door verdubbelde hoflijkheid weder uit. Ook te Leuven legde hij jegens den jongen graaf van Buren, Oranje’s zoon, eene groote mate van vriendelijkheid aan den dag. „Ik verlang niets vuriger dan den prins van Oranje te begroeten,” verzekerde hij.Door de hertogin werd Alba te Brussel zeer koel ontvangen, zij vergaf het hem niet, dat hij den roem kwam inoogsten, dien zij, naar hare meening, door de onderwerping van de Nederlanden verdiend had. Ook gevoelde zij zich in hare vorstelijke waardigheid als des konings zuster gekrenkt, dewijl een onderdaan eene volmacht had ontvangen, die hem naast, ja in zeker opzicht boven haar plaatste.Oogenschijnlijk was Alba niets dan opperbevelhebber van het leger, doch daar hij in die betrekking geheel onafhankelijk was, dewijl hij bovendien in last had, alle vergrijpen tegen de godsdienst en alle daden van hoogverraad te straffen, bleef der hertogin alleen het zoogenaamde burgerlijk bestuur, dat is een eerambt zonder invloed, over. Dit bleek dan ook duidelijk uit al de brieven, welke Philips II aan alle steden des lands uitvaardigde en waarin hij haar streng beval de bezettingen in te nemen, welke de hertog haar geven zou, en elk zijner bevelen op te volgen, totdat de koning in persoon in het land komen zou.Margaretha maakte geen geheim van haren wrevel, zij verklaarde openlijk, dat zij door de zending van Alba diep beleedigd was, en hierdoor wist zij inderdaad een gevoel van medelijden en genegenheid voor haar persoon bij het volk op te wekken, want elk Nederlander haatte den hertog van Alba, iedereen sidderde bij zijne komst.Het goedhartige volk treurde, toen het hoorde, dat Margaretha aan den koning geschreven en hem om haar ontslag verzocht had; het had alles vergeten wat het onder haar bloedig bewind had geleden, dewijl het onder de regeering van haren opvolger nog veel erger dingen vreesde.De instructies, die door Granvelle en Spinosa voor den hertog opgesteld en door Philips II goedgekeurd waren, hielden in, dat alle Nederlanders, die zich ooit tegen de inquisitie aangekant of eenige daad vanverzet tegen de regeering begaan hadden, ter dood veroordeeld moesten worden. In de eerste plaats moesten daartoe de hoofden der Nederlandsche volkspartij gevangen genomen en gestraft worden. Zoowel de prins van Oranje, de graven van Egmond, van Hoorne en van Hoogstraeten als al de onderteekenaars van het compromis moesten onschadelijk worden gemaakt, zonder acht te slaan op de vergiffenis, hun vroeger door de hertogin verleend.Oranje, Hoogstraeten en andere aanvoerders der geuzen bevonden zich buitenslands. Wellicht was het mogelijk, hen over te halen om terug te keeren; daarom betoonde de hertog zich in den eersten tijd uiterst vriendelijk jegens Egmond, die zich nog gemakkelijk in veiligheid had kunnen stellen, indien hij door Alba’s houding en door een genadigen brief, dien hij van Philips II ontving, niet in slaap gewiegd was.Egmond nam ijverig deel aan de schitterende feesten, waarmede de Spaansche officieren hunne aankomst te Brussel vierden. Hij werd de vertrouwde vriend van Ferdinand van Toledo, Alba’s natuurlijken zoon. De hertog zelf bewees hem de grootste onderscheiding; hij zond hem meer dan eens kleine vriendschappelijke geschenken, als Spaansche en Italiaansche vruchten, welke hij door regeeringskoeriers ontving.Egmond’s beminlijke omgang maakte op vele Spaansche generaals, die hem als zegevierend veldheer hoogachtten, een diepen indruk. Zij kenden het lot, dat hem wachtte, en zouden hem gaarne daarvoor bewaard hebben. Meermalen ontving hij geheimzinnige waarschuwingen en den raad om naar Duitschland te vluchten, nu het nog tijd was, maar hij gaf daaraan geen gehoor. Hij was zich immers bewust, dat Philips geen trouwer dienaar dan hem onder de Nederlandsche edelen bezat; hoe kon hij dan gelooven, dat eenig gevaar hem bedreigde?Ook de admiraal, graaf van Hoorne, werd op dezelfde wijze door Alba geblinddoekt en door allerlei vriendschapsbetuigingen overgehaald om zich van Weerdt, waar hij zich ophield, naar Brussel te begeven. Zelfs Hoogstraeten maakte zich op om het veilige Duitschland te verlaten, dewijl ook hij zich om den tuin leiden liet. Alleen Oranje doorzag den verraderlijken toeleg; hij wist, welk een lot hem in de Nederlanden wachtte en liet zich dus door Alba’s list niet tot terugkeer bewegen.De hertog, die van Philips II in last had, zoo snel en zoo krachtig mogelijk door te tasten, liet de hoop, dat hij den prins zou kunnen misleiden, varen en besloot den sinds lang voorbereiden slag tegen Egmond en Hoorne te slaan. In den nacht van den 8enSeptember verscheen in Egmond’s woning een Spanjaard, die hem dringend smeekte, ernstig aan zijne veiligheid te denken, dewijl elke minuut toevens hem noodlottig worden kon. De gravin van Egmond, die deze bijzonderheid later heeft medegedeeld, herkende den bezoeker niet terstond, maar zij meende dat het Juliaan Romero, de Spaansche generaal, geweest is. Egmond luisterde niet naar de waarschuwing, blindelings liep hij het verderf in de kaken.Den volgenden dag, den 9enSeptember 1567, gaf don Ferdinand van Toledo een schitterend gastmaal, waarop Egmond, Hoorne, Noircarmes en andere Nederlandsche edelen genoodigd waren. Terwijl de gasten aan tafel zaten, kwam er eene boodschap van den Hertog van Alba, die hen verzocht tot hem te komen, dewijl hij hen wenschte te raadplegen over het bouwen van eene citadel te Antwerpen. Egmond zat naast Ferdinand van Toledo. Deze fluisterde hem in ’t oor: „Heer graaf, ga zoo spoedigmogelijk weg, neem het vlugste paard uit uwen stal en vlucht zonder een oogenblik te verliezen!”Verward en gejaagd stond Egmond van de tafel op, thans geloofde hij zelf, dat hem eenig gevaar dreigde, dewijl de zoon en vertrouweling des hertogs hem waarschuwde. Hij begaf zich naar de aangrenzende zaal, werwaarts Noircarmes en eenige andere edelen hem volgden. Egmond deelde hun mede wat hij gehoord had en dat hij van plan was terstond te vluchten.„Graaf, wees niet zoo lichtzinnig;” antwoordde hem Noircarmes, „hoe kunt gij zóó blindelings geloof slaan aan hetgeen uw vriend u gezegd heeft? Wanneer gij eensklaps vlucht, zullen de hertog van Alba en alle Spanjaarden gelooven, dat gij schuldig zijt. Juist uwe vrees zou beschouwd worden als eene bekentenis dat gij u aan hoogverraad schuldig acht.”Egmond liet zich overreden; hij geloofde Noircarmes en in plaats van te vluchten, begaf hij zich naar de tafel terug.Na afloop van het gastmaal vergezelden Hoorne en andere edellieden hem naar het paleis van Alba, die hem met de grootste voorkomendheid ontving. Men beraadslaagde over de plannen voor den bouw van de citadel van Antwerpen; gedurende die beraadslagingen verwijderde Alba zich onder voorwendsel, dat hij zich licht ongesteld gevoelde.De edelen bleven bijeen tot des avonds 7 uur. Toen zij vertrokken, trad de kapitein der hertogelijke garde, don Sancho d’ Avila, op Egmond toe en verzocht hem nog eenige oogenblikken te blijven, dewijl hij hem eene belangrijke mededeeling te doen had. Zoodra zij alleen waren, eischte hij den graaf zijn degen af.Stom van verbazing en schrik staarde Egmond den Spanjaard aan, doch deze verklaarde op stelligen toon, dat hij volgens het uitdrukkelijk bevel des hertogs handelde. Op een door hem gegeven teeken gingen de deuren van het aangrenzend vertrek open en daar aanschouwde Egmond eene compagnie Spaansche musketiers en hellebardiers. Hij begreep, dat alle tegenstand nutteloos zou zijn, en gaf den Spanjaard zijn degen over met de fiere verklaring, dat hij gemeend had dien degen, waarmede hij den koning zoo menigen dienst bewezen had, tot een beter doel te zullen gebruiken.Egmond werd naar een in de bovenste verdieping van het paleis gelegen vertrek gevoerd, waar men voor hem in aller ijl eene voorloopige gevangenis in gereedheid had gebracht: hier bleef hij eenigen tijd onder gestrenge bewaking.Tegelijk met Egmond was ook graaf Hoorne, toen hij na afloop der beraadslagingen het binnenplein van het paleis overging, gevangen genomen; ook hem wees men eene gevangenis in Alba’s paleis aan.Den 21enSeptember werden beiden onder sterk geleide naar het slot te Gent overgebracht.Op den zelfden dag met Egmond en Hoorne werden op Alba’s bevel ook nog eenige andere aanzienlijke mannen in hechtenis genomen, onder hen bevond zich Antonië van Stralen, burgemeester van Antwerpen, die op uitnoodiging der hertogin naar Brussel gekomen was, verder Johan van Casembroot, heer van Bakkerzeel, de vertrouwde geheimschrijver van Egmond, en Alonzo de Laloo de geheimschrijver van Hoorne.Alba zelf had al de bijzonderheden dier inhechtenisneming geregeld.Onmiddellijk na de gevangenneming van Egmond en Hoorne, begaf de secretaris Albornoz zich naar de woningen der gevangenen, om daar alle papieren in beslag te nemen. Nog in dien zelfden nacht schreef de hertog een brief van gelukwensching aan Philips II, hij verontschuldigde zich daarin, dewijl hij met die belangrijke zaak zoo lang getalmd had, maar verzekerde, dat dit noodig was geweest om met éénen slag al die machtige mannen te grijpen en hierin was men nu voorspoedig geslaagd.Het bericht van de inhechtenisneming der beide graven, die bij het volk als de trouwste dienaars van Philips, als de aanzienlijkste edelen in de Nederlandsche gewesten bekend stonden, bracht eene algemeene verslagenheid te weeg. Men wist, dat Egmond een trouw katholiek was, dat hij in de moeilijkste omstandigheden der hertogin van Parma ter zijde had gestaan: wanneer hij niet veilig was voor Alba’s vervolgingen, wie kon dan nog op zijne vrijheid rekenen?De hertogin Margaretha was diep verontwaardigd over Alba’s stap, wel sprak ze geen woord ten gunste van Egmond en Hoorne, wel gevoelde zij voor hen geen medelijden, maar zij was diep beleedigd, dat zulke invloedrijke mannen in hechtenis konden genomen worden zonder hare uitdrukkelijke machtiging. Zij beklaagde zich bij allen, die haar omringden, ja bij allen, die het hooren wilden, over het gedrag des hertogs en over zijne onrechtvaardigheid en eigendunkelijkheid. Ten gevolge van deze klachten beschouwden de Nederlanders haar als Alba’s vijandin, en dit was genoeg om haar hunne genegenheid te verzekeren.De graaf van Hoogstraeten, die in het vertrouwen op de vriendschappelijke behandeling, welke Egmond van Alba’s zijde ten deel gevallen was, besloten had naar de Nederlanden terug te keeren, was reeds op weg naar Brussel, toen hij door een gelukkig toeval zijne hand bezeerde. Hij moest eenigen tijd te Keulen blijven en hier ontving hij het bericht van de gevangenneming zijner beide vrienden. Natuurlijk zette hij zijne reis niet voort, maar trok hij zich naar eene veilige plaats terug. Ook de jeugdige graaf van Mansfeld, die wel in den laatsten tijd der hertogin zeer trouw ter zijde had gestaan, maar toch vroeger een invloedrijk lid van den Geuzenbond geweest was, haastte zich de Nederlanden te verlaten, om zich in Duitschland in veiligheid te stellen.Nadat Egmond en Hoorne gevangen waren genomen, bestond er voor Alba geene enkele reden meer om de uitvoering van zijne wraakoefening te verschuiven. Zijn eerste werk hiertoe was het instellen van een nieuw collegie, waaraan hij den naam „raad van beroerten” gaf, doch dat het volk den bloedraad noemde.De bloedraad nam de plaats in van alle vroegere raadscollegiën. Geene rechtbank, zonder uitzondering, mocht langer uitspraak doen over eene zaak, die met de laatste beroerten in betrekking stond. De staatsraad werd van nu af aan slechts zelden bijeengeroepen; zijne werkzaamheden werden insgelijks grootendeels aan den bloedraad opgedragen. De taak van het nieuwe collegie was, allen te straffen, die aan hoogverraad schuldig of zelfs daarvan verdacht waren. Als schuldig aan hoogverraad nu werd een ieder beschouwd, die ooit een verzoekschrift tegen de inquisitie of de plakaten had onderteekend; een ieder, die de ketters begunstigd of zich niet tegen hen verzet had;een ieder, die aan den beeldstorm deelgenomen of predikaties van ketters aangehoord had; een ieder, in één woord, die des konings rechten met woord of daad had aangerand. Voor hen allenbestond er slechts ééne straf: de dood en verbeurdverklaring van hunne goederen.De bloedraad bestond deels uit Spanjaarden, deels uit Nederlanders. Alba koos hen op raad van den geleerden Viglius, die zelf te slim en te laf was om daarin zitting te nemen, maar die met zijne kennis van menschen en zaken gaarne den hertog ten dienste stond.De ziel van den bloedraad was Juan de Vargas, een Spanjaard, die zich in zijn vaderland aan eene schandelijke misdaad had schuldig gemaakt, doch die om zijne inderdaad duivelsche wreedheid door Alba voor dat gewichtig ambt geschikt geoordeeld werd. Naast Vargas stond een Bourgondiër, Lodewijk del Rio; de overige leden waren grootendeels Nederlanders zonder wil of karakter; zij voegden zich steeds naar den wil der Spanjaarden, die elken beschuldigde ter dood veroordeelden. De Vlaming Jacob Hessels, die bij de beraadslagingen gewoonlijk insliep, antwoordde, wanneer men hem wakker maakte en naar zijn oordeel vroeg, onveranderlijk: „aan de galg, aan de galg!” zonder eens te weten, waarom het te doen was. Ook Noircarmes en Barlaimont, die het niet beneden zich achtten, in den bloedraad zitting te nemen, verlaagden zich tot blinde werktuigen van des konings wraak.De bloedraad hield zijne eerste zitting den 20enSeptember 1567 in Alba’s woning en van nu af was hij met een rusteloozen ijver werkzaam. Hij ging daarbij zeer eenvoudig en snel te werk. Benden spionnen trokken het land door, om allen op te sporen, die bij de laatste onlusten betrokken waren geweest of ook om andere redenen aan hoogverraad schuldig schenen, bij voorkeur de rijken, wier vermogen verbeurd kon worden verklaard. Zoodra er eene aanklacht inkwam, onverschillig of zij een enkelen persoon, dan wel honderd tegelijk betrof,vonnistede bloedraad, zonder zelfs den beschuldigde te hooren of hem een verdediger toe te staan. Zijn vonnis veroordeelde bijna altijd ter dood, en werd binnen 24 uur voltrokken.Na de instelling van den bloedraad verbreidde zich een naamlooze schrik door al de Nederlanden; wie het met den vloek geslagen land nog ontvluchten kon, vlood met achterlating van have en goed, ten einde althans het leven te redden. Alle vreemde kooplieden verlieten het land, handel en nijverheid kwijnden.Een Nederlandsch geschiedschrijver geeft ons van den treurigen toestand van zijn vroeger zoo bloeiend vaderland in die dagen de volgende levendige schets:„Dat een volk, zoo bloeiend in kunsten en welvaart, een adel zoo trotsch op zijn wapenschild, gemeenten zoo moedig op hare vrijheid, dien onlangs de pracht eens kardinaals van Granvelle wee in het oog deed, zich nu door de snoodsten en eerloosten der aarde den buik laten intrappen!.... Want wien in alle gewesten, waggelde het hoofd op den hals niet, daar men zulk een voet van rechters en rechtsvorderingen volgde, daar zaken van ’t uiterste gewicht, zonder op plaats of hoven, waaronder ze gevallen waren, te letten, zonder uitvlucht van beroep tot hooger vierschaar of nader overzicht, bij twee of drie ellendigen, die allen naar den mond van een Vargas zagen, besloten werden? ’t Ging dan aan elken kant op een vangen en spannen van allerlei stand, allerlei sekten, allerlei ouderdom. De galgen hingen gerist, de raden, de staken, de boomen aan de wegen stonden beladen met lijken, geworgd, onthalst, gebrand: zoodat de menschen nu in de lucht, tot ademschepping geschapen, als in een gemeen graf en woning der overledenenverkeerden. Elke dag had zijne deerlijkheid in het bassen der bloedklok, dat met den dood van namaag den eenen, van zwager of vriend den ander in het hart klonk; aan het bannen, aan ’t verbeurd verklaren der goederen was geen einde. Tilbaar, ontilbaar, ’t werd al aangeslagen en (ongeacht het aantal der schuldeischers) bekommerd gehouden, tot onberekenbare schade van rijken, van armen, van kloosters, gasthuizen, weduwen en wezen, die na loopende jaren lang van hun recht en renten door booze uitvluchten verstoken bleven.”1Dewijl de goederen der veroordeelden in des konings schatkist vloeiden, was dit eene nieuwe reden om de doodvonnissen niet te verminderen en, evenals men in de dagen van het schrikbewind geld sloeg op het omwentelingsplein te Parijs, zoo deed men het thans op de gerichtsplaats te Brussel. De geheele waarde der op die wijze in beslag genomen goederen wordt op twintig millioen fransche daalders geschat, eene voor dien tijd ongehoorde som, die zoowel getuigt van den rijkdom der Nederlanders als van de onbeschaamde verdrukking, welke zij van de zijde hunner dwingelanden ondergingen. Ook de billijkste, heiligste schulden werden van het vermogen niet afgetrokken, waardoor niet alleen een aantal schuldeischers, maar ook vele openbare stichtingen tot armoede vervielen. De heer van Bakkerzeel (Casembroot) werd op de pijnbank gelegd, opdat hij de schatten van zijnen heer aan het licht zou brengen en, naar het schijnt volgens zijne aanwijzing, werden elf kisten en eenige koffers met zilveren voorwerpen te Gent opgegraven. In dezelfde stad werden den 16enJanuari 1567 zeven en veertig burgers tegen den 4en, denzelfden dag acht en veertig anderen tegen den 6enen den 17ennog acht en veertig anderen tegen den 17denFebruari ingedaagd. Het waren volledige proscriptielijsten, die aan het raadhuis aangehecht werden. Elk, wiens naam daarop voorkwam, kon zijn leven alleen redden door de vlucht.Margaretha van Parma, die toch waarlijk niet weekhartig was—dit had zij bij het vervolgen van de ketters voldingend bewezen,—huiverde terug voor de wijze, waarop de bloedraad te werk ging. Zijne vonnissen toch troffen evenzeer goede Katholieken als Calvinisten en Lutheranen; geene diensten, vroeger den koning bewezen, konden iemand van de doodstraf redden, vooral wanneer de rijkdom eens beschuldigden zijnen dood wenschelijk maakte.De aanklacht van dezen of genen veilen spion en het vonnis van Alba’s blinde werktuigen waren voldoende om de aanzienlijkste en rechtschapenste mannen van het leven te berooven. Margaretha kon zulke gruwelen niet langer aanzien; reeds lang had zij Philips II om haar ontslag verzocht en zij was zeer verheugd, toen zij dit in December 1567 eindelijk ontving. Nog éénen brief schreef zij aan den koning, waarin zij hem smeekte zachtmoedig en barmhartig te zijn; toen verliet zij de Nederlanden in denzelfden tijd, waarin Alba ijverig bezig was een nieuwen dwinger tegen de Nederlandsche vrijheid, de beroemde citadel van Antwerpen, te stichten en te bevestigen2.Het Nederlandsche volk hield Margaretha in dankbaar aandenken, hetwelk zij niet aan hare verdiensten, maar aan ’s volks haat tegen Alba, die haar had verdrongen, te danken had.1Hooft, Nederl. Historiën.2Onder de leiding van Paciotto en Serbelloni werkten 2000 man daaraan dag en nacht en voltooiden in den loop van enkele maanden het reusachtige werk.Zesde Hoofdstuk.De Nederlanden. De bloedraad daagt Oranje in. Zijn antwoord. Alle Nederlanders door de inquisitie ter dood veroordeeld. De Boschgeuzen. Oranje’s krijgstoerustingen. Voordeelen, door Lodewijk van Nassau in het Noorden behaald. De slag bij Heiligerlee. Alba’a wraak. Egmond en Hoorne ter dood gebracht.In het begin van het jaar 1568 werden de uit het land gevluchte geuzen, de prins van Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, de graaf van Hoogstraeten, de graaf van Kuilenburg, Brederode en anderen, in naam van den hertog van Alba ingedaagd, om voor den bloedraad te verschijnen. In geval zij weigerden aan die oproeping gehoor te geven, werden zij met eeuwige verbanning en met verbeurdverklaring van hunne goederen bedreigd. Natuurlijk verscheen geen dier heeren, zij wisten dat gehoorzaamheid aan het opontbod voor hen allen, zonder uitzondering, hetzelfde zou zijn als de dood.De aanklacht, welke de bloedraad tegen den prins van Oranje uitsprak, hield in, dat deze het plan gekoesterd had om zich tot heer der Nederlanden te verheffen, en dat hij, tot bereiking van dat doel, Zijner Majesteits onderdanen tot verzet tegen de plakaten had aangespoord, onder voorwendsel, dat de Spaansche inquisitie in het land ingevoerd zou worden; dat hij Brederode en de overige verbondene edelen tot opstand had aangespoord en dat hij, eindelijk, naar Antwerpen gezonden, om daar den opstand te onderdrukken, de ketters aangemoedigd en den hervormden vrijheid van godsdienst verleend had.In antwoord op deze beschuldiging ontzegde de prins den bloedraad in korte, minachtende bewoordingen elk recht om over hem de vierschaar te spannen; hij verklaarde, dat hij als ridder van het Gulden Vlies en als vorst van het Duitsche rijk noch van den hertog van Alba, noch van eene dergelijke rechtbank bevelen te ontvangen had; dat hij bereid was om zijne onschuld te bewijzen, hetzij als Vliesridder voor eene rechtbank, uit leden dier orde samengesteld, hetzij als Duitsch vorst voor den keizer, de keurvorsten en de andere Duitsche vorsten.Uit dit antwoord blijkt, dat Oranje toen nog altijd schroomde, zich openlijk tegen Philips II te verzetten. Alleen de wederrechtelijke macht van Alba en den bloedraad wees hij af; daarentegen was hij bereid om zich tegen eene wettige aanklacht voor een aan zijnen rang passend gerechtshof te verdedigen. Weldra zou hij door nieuwe maatregelen van geweld, tegen hem genomen, tot openlijk verzet tegen den koning gedwongen worden.Zijne goederen in de Nederlanden werden verbeurd verklaard en de maat van onrechtvaardigheid en willekeur ten zijnen aanzien vol gemeten, naardien Alba zich van zijn oudsten zoon, den jeugdigen graaf van Buren, die te Leuven studeerde, meester maakte en hem naar Spanje zond.Alle overwegingen, welke Oranje tot dusver weerhouden hadden in het openbaar met kracht van wapenen tegen Alba en Philips II op te treden, traden nu op den achtergrond. Het was voor hem nu alleen de vraag, of het mogelijk zou zijn, de Spaansche troepen te overwinnen. Het antwoord daarop hing uitsluitend af van de gezindheid der Nederlanders om ten gunste van Oranje tegen Alba in opstand te komen. Dit was niet onwaarschijnlijk, want de onderdrukking van het rampzalige volk was zoo groot, dat ook het geduld der zachtmoedigsten wel uitgeput moest worden.Onvermoeid had de bloedraad zijn vreeselijk werk voortgezet en al zijne vonnissen waren op Alba’s bevel zonder genade voltrokken. Toen de magistraat van Antwerpen een gezantschap tot den hertog zond, ten einde hem voor eenige der aanzienlijkste burgers hunner stad, die door den bloedraad veroordeeld waren, om genade te smeeken, antwoordde hij den afgevaardigden op gestrengen toon: „Ik ben verbaasd dat gij het waagt, om genade te smeeken voor verraders en ketters, neemt u zelven maar in acht! Ik heb besloten, wanneer het noodig is, al de inwoners der stad te laten ophangen, als voorbeeld voor het overige land. Zijne Majesteit koning Philips II wil liever het geheele land in eene woestenij herscheppen, dan dulden, dat daarin ook slechts één ketter in het leven blijft!”Inderdaad, men scheen wel te moeten gelooven, dat Philips van plan was, de Nederlanden te ontvolken en tot eene woestenij te maken. Of wat anders was de strekking van een op zijn bevel opgemaakt en door hem goedgekeurd besluit der Spaansche inquisitie? In weerwil der bittere klachten over den bloedraad, die uit de Nederlanden bij hem ingebracht werden, en die zelfs den paus bewogen hadden om den koning tot matiging aan te sporen, was Philips niet tot eenigen stap tegen dit gerechtshof over te halen. Hij legde de geheele zaak aan de rechtbank der inquisitie voor en deze verklaarde, dat alle Nederlanders, met uitzondering van eenige weinige, met name genoemde mannen, ketters of begunstigers van ketters en alzoo aan hoogverraad schuldig waren, daar zij òf aan den beeldstorm deelgenomen òf dien niet verhinderd hadden.Philips bekrachtigde deze vreeselijke uitspraak; hij verklaarde daarmede, dat alle Nederlanders ter dood veroordeeld waren en dat zij, die niet omgebracht werden, zich slechts als begenadigden moesten beschouwen. De Nederlandsche geschiedschrijver Hooft vraagt terecht, of wel ooit, zelfs door de wreedste dwingelanden, zulk een vonnis geveld is.Natuurlijk kon het des konings bedoeling niet zijn, alle inwoners der Nederlanden ter dood te laten brengen; doch het volk wist dat allen evenzeer veroordeeld waren en dat de hertog van Alba en de bloedraad de macht hadden om die uitspraak der inquisitie elk oogenblik naar goeddunken op een ieder toe te passen. Een ieder, tot welken stand hij ook mocht behooren, kon voor den bloedraad gebracht en veroordeeld worden, zonder eenig misdrijf te hebben begaan.Inderdaad toonde de bloedraad, dat hij volkomen bereid was om zijn last te volvoeren. Geen dag verliep er, waarop het schavot geene nieuwe slachtoffers ontving, en deze behoorden zoowel tot den hoogsten als totden laagsten stand der maatschappij. Reeds het bezit van rijkdom was op zich zelf eene onvergeeflijke misdaad; doch ook de armoede beveiligde niet tegen de galg; zoowel de hongerige werkman, als de welvarende burger werd aan den beul overgeleverd.Een nieuwe maatregel van den bloedraad verhoogde nog de schrik voor deze rechtbank. Het was meermalen gebeurd, dat ter dood veroordeelden op den weg naar het schavot aanspraken gehouden hadden tot de menigte, die hen vergezelde. Om dit in het vervolg voor te komen, werd om de tong der veroordeelden een ijzeren ring gelegd, vervolgens raakte men de punt der tong met een gloeiend ijzer aan, de zwelling belette het afvallen van den ring en maakte het den veroordeelden onmogelijk, zelfs een enkel woord te spreken.Onbegrijpelijk schijnt het, dat een volk, hetwelk nog vóór korten tijd zooveel geestkracht aan den dag had gelegd, die ontzettende onderdrukking geduldig kon verdragen, dat het niet overal in opstand kwam, om de betrekkelijk geringe krijgsmacht van Alba te verdrijven. Slechts enkelen waagden het, zich tegen het Spaansch geweld te verzetten en deze behoorden volstrekt niet tot de beste standen des volks; gedeeltelijk waren het voortvluchtige misdadigers, roovers, die hun schandelijk handwerk onder de leus van vaderlandsliefde dreven, ten einde bij de plattelandsbevolking bescherming te vinden voor de vervolging der rechtbanken, gedeeltelijk ook tot wanhoop gebrachte protestanten, die niet buiten ’s lands hadden kunnen vluchten en derhalve, om zich aan de klauwen van den bloedraad te onttrekken, naar de wapens grepen en een avontuurlijk leven leidden.Talrijke benden, die zich zelven Wilde Geuzen of Boschgeuzen noemden, namen de onderscheidingsteekenen der omwenteling aan en begingen onder haren dekmantel afschuwelijke misdaden. Roovend en blakerend trokken zij het land door. Hun doel was, al de geleden ellende op de katholieken te wreken. Zij deden dit op eene wijze, welke hen in het oog van alle rechtschapen protestanten verachtelijk maken moest.Een groot aantal kloosters werd geplunderd en verbrand, vele priesters werden verminkt of ten minste mishandeld. Het was eene schandelijke liefhebberij der Boschgeuzen, den katholieken priesters, die in hunne handen vielen, neus en ooren af te snijden en deze aan de manen en den staart hunner paarden te hangen.Alba vaardigde tegen de Boschgeuzen een donderend edict uit, hij gaf aan een ieder verlof om hen, waar hij hen ook aantrof, zonder vorm van proces te dooden; hen, die de misdadigers in bescherming namen, bedreigde hij met de strengste straffen; doch hiermede bereikte hij zijn doel niet, eerst toen hij de gewapende macht tegen hen liet oprukken, gelukte het hem, de roovers voor eenigen tijd te onderdrukken.De opstand der Boschgeuzen was alleen in zoo ver van eenig belang, dat hij den prins van Oranje versterkte in de meening, dat thans voor hem de oogenblik om te handelen gekomen was, dewijl hij op ondersteuning der Nederlanders kon rekenen. Hij wendde zich tot de protestantsche vorsten van Duitschland, voornamelijk tot den landgraaf van Hessen en den keurvorst van Saksen, ten einde zich van hunne hulp te verzekeren. Hij knoopte zoowel in Engeland als in Frankrijk betrekkingen aan; de Hugenooten in laatstgenoemd land leenden aan zijne voorstellen gewillig het oor, daar zij hem als hun natuurlijken vriend en bondgenootbeschouwden. Vele uit de Nederlanden gevluchte edellieden voegden zich bij hem, om onder hem tegen Alba en voor hun vaderland te strijden. Reeds had hij eene kleine legerafdeeling onder zijne bevelen; het bevel daarover droeg hij op aan zijn broeder Lodewijk van Nassau, dien hij den 6enApril 1568 te Dillenburg bepaaldelijk machtigde om verder troepen aan te werven en daarmede den hertog van Alba te bevechten.Niet tegen den persoon van Philips, niet tegen diens rechten op het bewind over de Nederlanden, maar alleen tegen de Spaansche troepen van Alba gordde hij de wapenen aan. Nog altijd bleef hij vasthouden aan zijne verzekering, dat hij des konings trouwe dienaar was en juist om diens erflanden ongeschonden te bewaren, aan de heerschappij der Spanjaarden een eind maken en de door den koning zelven bezworen privilegiën tegen Alba in bescherming nemen moest.Om een leger aan te werven en een gewapenden inval in de provinciën te doen, had Oranje in de eerste plaats geld noodig en dit bezat hij niet, daar hij uit zijne verbeurd verklaarde bezittingen in de Nederlanden geene inkomsten meer kon trekken. Ook de ondersteuning, hem door de voortvluchtige edelen verleend, was niet voldoende. Ten einde zich geld te verschaffen, moest de prins al zijne kleinoodiën, zelfs het kostbare huisraad zijner kasteelen, zijne paarden en andere voorwerpen van waarde verkoopen, en hij deed dit zonder aarzelen.Volgens het door hem beraamde plan zou de inval indeprovinciën op drie verschillende plaatsen geschieden, twee kleine legerafdeelingen zouden in de zuidelijke Nederlanden vallen, terwijl Lodewijk van Nassau in de noordelijke de vaan van den opstand opsteken zou. Het plan werd volvoerd, maar niet met gelukkigen uitslag.De invallen in het Zuiden werden door de Spanjaarden afgeslagen, alleen Lodewijk van Nassau behaalde in het Noorden aanvankelijk eenig voordeel. Met ongeveer 7000 man viel hij in het voorjaar van 1568 in Groningerland, en het gelukte hem den 23enMei een Spaansch legerkorps onder aanvoering van den hertog van Aremberg bij het klooster Heiligerlee te verslaan en uit elkander te drijven. Aremberg zelf sneuvelde, maar ook Lodewijk van Nassau had een zwaar verlies te betreuren: zijn jongsten broeder, graaf Adolf van Nassau, een veelbelovend jongeling, telde men insgelijks onder de dooden.De overwinning bij Heiligerlee beteekende op zich zelve weinig, dewijl Lodewijk van Nassau daarvan geene partij trekken kon; hij had geen geschut voor de belegering der steden, die de steunpunten van zijne macht moesten uitmaken, wanneer hij op duurzame voordeelen wilde rekenen. Bovendien was hij te zwak om aan eene grootere Spaansche macht in het open veld het hoofd te bieden en daarom moest hij elk oogenblik vreezen, dat zijne slecht betaalde Duitsche huurtroepen hem de gehoorzaamheid zouden opzeggen.Veel belangrijker was de zedelijke invloed der zegepraal. Tot heden hadden de Nederlanders de Spaansche keurtroepen als onoverwinlijk beschouwd; thans was het gebleken, dat zelfs een zwak leger, gelijk dat van Lodewijk, Alba’s in den oorlog vergrijsde krijgers kon overwinnen; hun moed herleefde, de overwinning bij Heiligerlee bereidde den lateren algemeenen opstand voor. Voorshands echter waren hare gevolgen noodlottig.Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde dat Lodewijk van Nassau eenig voordeel had behaald. Hij besloot, zelf tegen denaanvoerder der opstandelingen op te trekken, doch eer hij dit deed, toonde hij den Brusselaars, hoe geducht zijne wraak jegens alle opstandelingen was.Den 28enMei 1568 vaardigde hij een edict uit, waarbij Oranje, Lodewijk van Nassau, Hoogstraeten en vele andere edelen voor altijd uit het land verbannen werden; ingeval zij terugkeerden, zouden zij zonder omwegen ter dood worden gebracht. Al hunne goederen werden verbeurd verklaard, het paleis van Kuilenburg, waar de vergadering der geuzen gehouden was, werd geheel omvergehaald; op zijne puinhoopen werd een gedenkteeken opgericht.Den eersten Juni werden 18 mannen van naam te Brussel ter dood gebracht; men stelde hunne hoofden op palen ten toon; den 2enJuni volgden vier anderen hen in den dood.Den 3enkwamen in de hoofdstad twee compagniën voetvolk en twee escadrons ruiterij aan; zij begeleidden de graven van Egmond en Hoorne, die in een wagen van Gent waren overgebracht, om te Brussel te recht te staan.Tegen beiden was na hunne gevangenneming een proces aangevangen, dat wel eene bittere bespotting van alle rechtsvormen heeten mocht. De aangeklaagden werden beschuldigd, dat zij met den prins van Oranje een complot hadden gesmeed, om den koning uit de Nederlanden te verdrijven en de provinciën onder elkaar te verdeelen; dat zij het verbond der edelen ondersteund, de ketters begunstigd en buitendien allerlei misdaden van hoogverraad gepleegd hadden.Egmond en Hoorne hadden geëischt, als ridders van het Gulden Vlies, overeenkomstig de statuten dier orde, gericht te worden; de keizer zelf was voor hen bij Philips in de bres gesprongen, vele andere vorsten hadden dit voorbeeld gevolgd, doch de koning gedroeg zich naar den raad van Vargas, die hoonend uitriep: „Wat gaan uwe privilegiën ons aan?” Een rechtsgeleerd advies, door den geleerden Viglius opgesteld, trachtte deze zijne handelwijze te wettigen.Viglius had namelijk gepoogd te bewijzen, dat de bescherming, welke de statuten van het Gulden Vlies den ridders dier orde verleende, zich niet uitstrekte tot zulke misdaden als waarvan Egmond en Hoorne beschuldigd werden. Op grond hiervan was den bloedraad de taak opgedragen om een vonnis te vellen en hij had, getrouw aan zijn karakter, dien last vervuld. Egmond en Hoorne werden ter dood veroordeeld, zonder dat het hun vergund was een verdediger te kiezen. De getuigen, op wie zij zich beriepen, ten einde hunne onschuld te bewijzen, werden niet gehoord; de geheele behandeling der zaak geschiedde in het diepste geheim. Dewijl Philips en Alba de veroordeeling geboden hadden, werd zij door den slaafschen bloedraad natuurlijk uitgesproken.De voltrekking van het vonnis, een tijd lang vertraagd door een verzoek om genade, door de beide graven tot Philips gericht, werd bespoedigd door de overwinning van Lodewijk van Nassau bij Heiligerlee. Den 4enJuni 1568 verklaarde Alba plechtig voor God en de menschen, dat hij het doodvonnis tegen de beide hooggeplaatste landverraders moest voltrekken. Het document droeg de onderteekening van Philips II; Alba had daarvoor een der vele in blanco door den koning onderteekende stukken gebruikt, waarvan hij door dezen voorzien was.In den namiddag van den 4enJuni ontbood Alba den bisschop vanYperenbij zich en gaf hem in last, terstond Egmond in de gevangenis tebezoeken, hem mee te deelen dat zijn lot beslist was en hem ter dood te bereiden.Vol schrik viel de prelaat den hertog te voet, hij smeekte hem om genade voor den ongelukkige, of, wanneer hij zelf die genade niet verleenen mocht, om schorsing van het vonnis. Doch al zijn smeeken was vruchteloos; Alba antwoordde hem op gestrengen toon: „Gij zijt niet geroepen om mij raad te geven, maar om den veroordeelde als biechtvader bij te staan.” Met dit bescheid werd de bisschop weggezonden. Hij begaf zich naar de gevangenis, om zich van zijne treurige taak te kwijten.Nauwelijks had hij den hertog verlaten, of de gravin van Egmond werd bij dezen aangemeld; zij was bij geruchte onderricht van het lot, dat haren echtgenoot wachtte, ijlde terstond naar Alba, wierp zich aan zijne voeten en smeekte om genade. Met ijskoude kalmte hoorde de hertog de smeekingen der rampzalige vrouw aan; hij troostte haar met de belofte, dat haar gade den volgenden dag vrij zou zijn. Met die afgrijselijke, dubbelzinnige scherts ontsloeg hij de gravin, in wier hart hij de zoetste, helaas! al te bedriegelijke hoop gewekt had. Later zou hij tot zijne rechtvaardiging hebben aangevoerd, dat, naar zijne meening, de dood alleen de ware vrijheid schonk.Egmond lag reeds in een vasten slaap gedompeld, toen de bisschop van Yperen zijne gevangenis binnentrad. Hij werd gewekt. Aan de houding van den prelaat bemerkte hij terstond, dat deze hem eene noodlottige tijding kwam brengen. Zonder te verbleeken las hij het document, dat zijn doodvonnis bevatte. Hij was, zoo wordt ons meegedeeld, meer verrast dan verschrikt, daar hij het nooit mogelijk had geacht, dat zijn proces zulk een einde zou nemen. Nog eens vraagde hij den bisschop, of dan alle hoop op genade vervlogen was, of althans de uitvoering van het vonnis niet verschoven kon worden. Doch toen hij ten antwoord ontving, dat er geen hoop meer voor hem bestond kreeg hij oogenblikkelijk zijne kalmte terug.Hij bracht den nacht in het gezelschap van den geestelijke door en ontving uit diens handen het avondmaal. Tot zijn laatsten ademtocht betoonde hij zich een oprecht katholiek, gelijk hij steeds geweest was. Tegen den morgen schreef hij den volgenden brief aan den koning:„Sire! Heden avond heb ik het vonnis vernomen, dat het Uwe Majesteit behaagd heeft over mij uit te spreken. Alhoewel ik nooit iets in de gedachten genomen, noch, zoover mij bewust is, iets gedaan heb wat tot nadeel van Uwer Majesteits persoon of dienst of tot verkorting van onze ware, oude katholieke godsdienst strekken kon, wil ik evenwel geduldig dragen wat het den goeden God behaagd heeft mij te laten toekomen. Indien ik onder deze beroerten in de Nederlanden iets gedaan of toegelaten heb, dat hiermede niet overeen scheen te komen, dan is het geschied met de waarachtige goede bedoeling om God en Uwe Majesteit te dienen en door den nood der tijden. Daarom bid ik Uwe Majesteit, mij te vergeven en medelijden te hebben met mijne arme vrouw en kinderen en bedienden, uit aanmerking mijner voormalige diensten. In welke hoop ik mij thans aan Gods Genade aanbeveel.Uit Brussel,Ter dood bereid, 5 Juni 1568.Uwer Majesteits ootmoedige en getrouwe onderdaan en dienaarLamoraal d’ Egmond.”Ook de graaf van Hoorne had de tijding, dat het doodvonnis uitgevoerd zou worden, met kalme standvastigheid ontvangen, maar hij schreef niet zulk een ootmoedigen brief aan den koning als zijn vriend.Den 5enJuni, met het aanbreken van den dag, werden 3000 Spaansche soldaten op de groote markt te Brussel en rondom het in het midden van het plein opgerichte schavot in slagorde geschaard. Op hetzelfde plein, waar Egmond de gelukkige overwinnaar in zoo menig tournooi was geweest, zou hij heden sterven!Omstreeks 11 uur haalde eene Spaansche compagnie, door Juliaan Romero aangevoerd, Egmond uit de gevangenis. Men wilde hem de handen binden, maar hij uitte denwensch, dat die vernedering hem bespaard zou worden, sloeg zijn tabbaard open en toonde dat hij, ten einde den beul een deel van diens werk te besparen, zelf de kraag van zijn wambuis afgesneden had. Romero willigde zijn verzoek in.Door den bisschop van Yperen vergezeld, begaf Egmond zich met vasten tred naar het schavot. Onderweg las hij een psalm. Toen hij het schavot beklommen had, liep hij het eenige malen op en neder. Hij sprak zijn leedwezen uit, dat hij niet met een degen in de hand voor zijn vaderland en zijn koning sterven mocht.Nog eens kwam de hoop op begenadiging in den uitersten oogenblik bij hem op. Hij wendde zich tot Romero met de vraag, of het vonnis onherroepelijk was. Toen de generaal als eenig antwoord treurig de schouders ophaalde, klemde Egmond niet in wanhoop, maar in toorn de tanden op elkaar. Doch oogenblikkelijk keerde zijne bedaardheid terug, hij wierp zelf zijn bovenkleed af en terwijl hij met eene krachtige stem riep: „God in Uwe handen beveel ik mijnen geest!” boog hij het hoofd op het blok. Met één slag scheidde de beul het hoofd van den romp. Geen enkele kreet ontsnapte aan den mond der dicht rondom het schavot opeengepakte menigte, alle toeschouwers waren in het diepst hunner ziel geroerd, uit menig oog vloeiden tranen, zelfs de Spaansche soldaten weenden om den man, dien zij als den held van St. Quentin en Grevelingen hoogschatten.De Fransche gezant, die het schouwspel bijwoonde, zeide tot zijn buurman, dat hij hier het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had.De hertog van Alba, die uit een venster getuige van de strafoefening was, kon—naar men verhaalt—zijne tranen niet bedwingen!Men wierp een zwart laken over het lijk en voerde hierop ook den graaf van Hoorne door de menigte heen; kalm groette hij alle bekenden, die hij onderweg ontmoette. Even moedig als Egmond ging hij den dood te gemoet, met hetzelfde woord op de lippen als zijn vriend ontving hij den doodelijken slag.Egmond en Hoorne worden door de Nederlanders nog heden ten dage als martelaars voor de vrijheid vereerd, doch ten onrechte. Wel waren beiden de slachtoffers der afgrijselijke, met alle recht en wet spottende staatkunde van een ondankbaar en gewetenloos dwingeland, maar martelaars der vrijheid waren zij niet. Niets was dwazer dan de lage wraakzucht, waaraan Philips II twee mannen opofferde, wier gansche verleden bewees, dat ze zijne trouwe aanhangers waren. Voor de vrijheid des volks hadden zij nooit eenig gevoel gehad, beiden waren heftige tegenstanders der hervorming.Egmond had zich zelfs als een verbitterd en wreed vervolger van de beeldstormers doen kennen. Hij zou dat,—zijn laatste meer dan deemoedige brief aan den koning bewijst het—indien hij langer geleefd had, ook gebleven zijn. Ja men mag vrijelijk beweren, dat hij zijne talenten als veldheer tot onderdrukking van den opstand der Nederlanders zou hebben aangewend, indien Philips hem, in plaats van hem te dooden, het bevel over eene Spaansche bende opgedragen had. Eerst zijn dood heeft hem en zijnen vriend tot vrijheidshelden gemaakt. Uit hun bloed, waarin de menschen, die het schavot omringden, niet langer door vrees voor de Spanjaarden teruggehouden, hunne zakdoeken doopten, is de vrijheid der Nederlanden ontsproten, niet ten gevolge van Egmond’s werkzaamheid, maar tengevolge van zijn ongeluk en van de schreeuwende onrechtvaardigheid, willekeur en wreedheid van een koning, wiens bloeddorstige tyrannie door dezen moord voor het oog des volks voor altijd ontsluierd werd.
Vijfde Hoofdstuk.De Nederlanden. Philips’ plannen met de Nederlanden. De staatsraad. Benoeming van Alba. Alba’s verleden. Zijn karakter. Uitrusting van het leger. Vergeefsche pogingen van Margaretha om Alba’s zending te verhinderen. De Nederlandsche gezanten in Spanje gevangen genomen. Bergen’s dood. Alba’s tocht naar de Nederlanden. Zijne ontvangst. Oneenigheid tusschen Alba en de hertogin Margaretha. Alba’s instructie. Zijne zachtmoedigheid. Zelfbedrog van Egmond. Vruchtelooze waarschuwingen. Egmond en Hoorne gevangen genomen. Algemeene verslagenheid in de Nederlanden. De bloedraad; zijne bevoegdheid; zijne leden. Vargas. Werkzaamheid van den bloedraad. Algemeene schrik. Margaretha verlaat de Nederlanden.Philips II was geen vriend van snelle handelingen; bedaard en langzaam, maar onwrikbaar ging hij steeds op zijn doel af. Hij had besloten, de beeldstormers en alle Nederlanders, die het gewaagd hadden zich tegen zijn gezag te verzetten, ten strengste te straffen, maar hij haastte zich daarmede niet. Hij ging voort genadige brieven aan de hoofdleiders der Nederlandsche beweging, aan Oranje en zijne vrienden, te schrijven en te beloven, dat hij in persoon naar de Nederlanden komen zou, om den vrede te herstellen. Intusschen bereidde hij in stilte alles tot zijne wraakoefening voor.In April van het jaar 1567 werd in een grooten staatsraad, die alleen door Spanjaarden werd bijgewoond, over de maatregelen beraadslaagd, welke men tegen de opstandelingen moest nemen. Kort te voren was een bericht van hertogin Margaretha gekomen, hetwelk inhield, dat het land tot rust gebracht, de ketterij onderdrukt was en de vroegere plakaten omtrent de godsdienst weder in volle kracht ten uitvoer gelegd werden; dat de koning, wanneer hij thans in de Nederlanden verscheen, ook zonder eenige krijgsmacht, alleen door zijne tegenwoordigheid lichtelijk den vrede geheel herstellen en de pest der ontevredenheid verdrijven kon; dat een Spaansch leger slechts schrik inboezemen en de reeds zoo verderfelijke landverhuizing nog aanwakkeren zou. De landvoogdes smeekte Philips meer als vader dan als vorst des volks te komen, dan zou het gemakkelijker vallen alles te regelen en de beste verstandhouding tusschen de vroeger oproerige gewesten en den koning te herstellen.Met den welgemeenden raad, welken Margaretha in dezen brief uitsprak, betuigde ook Ruy Gomes, de prins van Eboli, zijne instemming. Hij was over het algemeen vredelievend gestemd, doch in dit geval trachtte hij nog des te meer den vrede te bevorderen, dewijl zijn tegenstander,de hertog van Alba, reeds door Philips uitverkoren was om in de Nederlanden de rust te herstellen: den hertog van Alba gunde de prins van Eboli de eer en het voordeel niet, die uit zulk eene opdracht zouden voortvloeien. Hij wees op het gevaar en de kosten, aan eene dergelijke onderneming verbonden, en hij vond steun bij Antonio Perez en bij des konings biechtvader.Alba daarentegendrongop eene onverwijlde onderwerping van de Nederlanders door kracht van wapenen aan. Reeds te lang hadden de rebellen den koning getart, ja door de hun betoonde toegevendheid waren zij slechts te overmoediger geworden. Al was de opstand voor dezen oogenblik ingesluimerd, spoedig zou hij met verdubbelde kracht beginnen, indien hij ongestraft bleef. De kardinaal Spinosa schaarde zich aan zijne zijde en beiden overtuigden Philips II, dat Alba’s gevoelen het juiste was; hij bleef bij zijn reeds vroeger opgevat besluit om Alba met een leger naar de Nederlanden te zenden. Intusschen voegde hij er bij, dat ook hij zich over Savoie, Bourgondië en Lotharingen derwaarts wilde begeven; het leger, dat hij onder Alba zond, moest hem slechts vooruitgaan; hij zou spoedig volgen.Hoewel Philips vast besloten had, nooit zijn woord te houden en rustig in Spanje te blijven, wist hij toch met zijne gewone list alle vorsten van Europa en ook de Nederlanders zelven te doen gelooven, dat hij werkelijk van plan was, Spanje te verlaten. Hij gaf bevel om terstond de beste troepen des rijks, de vier legioenen van Napels, Sicilië, Sardinië en Lombardije, samen te trekken: ongeveer 10.000 man, allen uitgelezen veteranen, tot wier opperbevelhebber de hertog van Alba benoemd werd.Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, was op dat tijdstip 60 jaar oud. Hij was de meest beroemde veldheer van Spanje, geen ander kon op zoovele schitterende wapenfeiten wijzen als hij, hij had zijn roem op krijgskundig gebied niet alleen aan zijne stoutmoedigheid, maar evenzeer aan zijne voorzichtigheid en standvastigheid te danken. Reeds van zijne vroegste kindsheid af was hij soldaat, zijn geheele leven was te midden van het gewoel des oorlogs vervlogen.Keizer Karel V had hooge achting voor Alba gekoesterd en hem meermalen de belangrijkste bevelhebbersposten toevertrouwd. In den Smalkaldischen krijg was hij opperbevelhebber geweest; zijn meest beroemd wapenfeit was de slag bij Mühlberg.Had Alba zich als veldheer een welverdienden roem verworven, als staatsman beteekende hij weinig of niets, dewijl hij zijn geheele leven onder de wapenen had doorgebracht.Geen Spanjaard was beter berekend om de bloedige wraak uit te oefenen, welke Philips op de Nederlanders wilde nemen, dan Alba, die de ketters haatte met een doodelijken haat. De koning kende hem als een man zonder hart, die brandde van begeerte om de rijke, kettersche Nederlanders te tuchtigen en dien geen opwelling van medelijden zou verhinderen, zich met al zijne krachten aan het hem opgedragen ambt van wreker toe te wijden.De hoogmoedige, hebzuchtige, bloeddorstige, maar krachtig doortastende hertog was juist een man, zooals Philips tot volvoering van zijne plannen noodig had. Het leger, dat hij zou aanvoeren, bestond uit de voortreflijkste troepen, die Spanje in het veld kon brengen; het stondonder het bevel van de uitstekendste generaals, zooals Juliaan Romero, Alfonso d’Alloa, don Ferdinand van Toledo, grootvizier der orde van Calatrava, Alba’s onechte zoon, Gabriël Serbelloni, den bevelhebber der artillerie en Frans Paciotto, den beroemden ingenieur.Niets werd gespaard aan de uitrusting van dit leger; daarbij bevond zich zelfs—en dit is veel beteekenend voor de krijgers, die volgens Philips’ bewering als kampioenen voor het ware geloof in de Nederlanden verschijnen zouden—eene schaar van 2000 liederlijke vrouwspersonen, die volkomen regelmatig gedisciplineerd en geëxerceerd, ja geheel aan militaire regeling onderworpen werden.Brantôme zegt, dat zij schoon en dapper waren als princessen, zoowel die, welke te paard zaten, als die, welke te voet moesten marcheeren.Den 10enMei 1567 scheepte de hertog van Alba zich te Carthagena in, om van Genua uit den marsch naar de Nederlanden te beginnen.Margaretha van Parma ontving nauwelijks bericht van de zending des hertogs, of zij schreef terstond aan Philips, om hem nog eens dringend te smeeken, den Nederlanders den inval van een Spaansch leger te besparen, zij beklaagde zich bovendien, wijl een ander gezonden werd om de vrucht van hare bemoeiingen te oogsten. Door hare krachtsinspanning, verklaarde zij, waren de Nederlanders tot rust gebracht, wanneer Alba thans kwam, zou hij weer omverwerpen wat zij met zooveel zorg en moeite opgebouwd had. Reeds de naam van Alba was in de Nederlanden zoo gehaat, dat de geheele Spaansche natie daaronder leed. Zij hield den koning voor, dat Alba’s zending niets dan de treurigste gevolgen zou na zich slepen.Philips had eenmaal zijn besluit genomen en legde het zonder weifelen ten uitvoer. Van eene bemiddeling wilde hij thans niets meer weten, dit toonde hij ook door zijne houding tegenover de Nederlandsche gezanten, den markgraaf van Bergen en den heer van Montigny: deze werden niet langer als gezanten, maar als gevangenen beschouwd. De markgraaf van Bergen, die ernstig ziek geworden was en die volgens de uitspraak der geneesheeren alleen herstellen kon, wanneer hij verlof ontving om naar zijn vaderland terug te keeren, verkreeg die vergunning niet. Hij stierf, wellicht—gelijk sommigen beweren—aan vergif, wellicht ook zijn natuurlijken dood. Zijn medegezant Montigny werd gevankelijk naar Segovia gevoerd.Terstond na Bergen’s dood zond Philips het bevel aan de landvoogdes, dat alle goederen van den gevangene in beslag genomen moesten worden.Bergen had bij zijn testament twee jeugdige bloedverwanten tot zijne erfgenamen benoemd; de koning beval, deze onder voorwendsel van ketterij in hechtenis te nemen.Alba was intusschen naar de Nederlanden op marsch gegaan. Met 8700 man voetvolk en 1200 ruiters, dus ongeveer 10.000 man, was hij den Mont-Cenis overgetrokken. De Zwitsers maakten zich over de Spaansche krijgsmacht ongerust; zij waren van plan, den hertog in een nauwen Alpenpas te overvallen, maar zij deden het niet. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, rukte Alba voorwaarts. Ook op zijn verderen marsch zou het weinig moeite gekost hebben, hem tot den terugtocht te dwingen, indien de Fransche Hugenooten hem den doorgang versperd hadden. Wanneer Egmond inderdaad hoogverraad had willen plegen, zou hij dit gemakkelijk hebben kunnen doen, maar Egmond dacht niet aan zoo iets, hij was des konings trouwste dienaar.Alba kon derhalve zonder oponthoud door Bourgondië en Lotharingen naar Luxemburg trekken. Het was in het midden van Augustus, toen hij te Thionville aankwam, waar hij door Barlaimont en Noircarmes verwelkomd werd. Onderweg had hij ook een brief van Margaretha ontvangen, waarin deze hare bezorgdheid uitsprak over den indruk, dien zijne verschijning aan het hoofd van een leger op de Nederlanders maken zou. Hare waarschuwing droeg echter niet de minste vrucht. Alba antwoordde daarop met verachtelijken toon: „Ik heb in der tijd volken van ijzer en staal bedwongen, zou ik bang zijn voor zulke botermenschen?”Inderdaad scheen daartoe ook niet de minste reden te bestaan, want de Nederlanders haastten zich, Alba door deputaties te doen begroeten en van hunne trouw te verzekeren. Zelfs Egmond achtte het niet beneden zich, den machtigen man het hof te maken; den 22enAugustus bracht hij uit Brussel met een aantal edelen Alba te Dendermonde een bezoek.De hertog was jegens Egmond reeds sinds lang vijandig gezind; hij kon dezen zijne overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen niet vergeven, maar gloeide van naijver op den krijgsroem van den jongeren veldheer. Bij die eerste samenkomst was hij dan ook zich zelven niet geheel meester. „Daar komt de voornaamste ketter,” zeide hij zoo luid, dat Egmond het hoorde, maar hij wischte den ongunstigen indruk dier harde woorden terstond door verdubbelde hoflijkheid weder uit. Ook te Leuven legde hij jegens den jongen graaf van Buren, Oranje’s zoon, eene groote mate van vriendelijkheid aan den dag. „Ik verlang niets vuriger dan den prins van Oranje te begroeten,” verzekerde hij.Door de hertogin werd Alba te Brussel zeer koel ontvangen, zij vergaf het hem niet, dat hij den roem kwam inoogsten, dien zij, naar hare meening, door de onderwerping van de Nederlanden verdiend had. Ook gevoelde zij zich in hare vorstelijke waardigheid als des konings zuster gekrenkt, dewijl een onderdaan eene volmacht had ontvangen, die hem naast, ja in zeker opzicht boven haar plaatste.Oogenschijnlijk was Alba niets dan opperbevelhebber van het leger, doch daar hij in die betrekking geheel onafhankelijk was, dewijl hij bovendien in last had, alle vergrijpen tegen de godsdienst en alle daden van hoogverraad te straffen, bleef der hertogin alleen het zoogenaamde burgerlijk bestuur, dat is een eerambt zonder invloed, over. Dit bleek dan ook duidelijk uit al de brieven, welke Philips II aan alle steden des lands uitvaardigde en waarin hij haar streng beval de bezettingen in te nemen, welke de hertog haar geven zou, en elk zijner bevelen op te volgen, totdat de koning in persoon in het land komen zou.Margaretha maakte geen geheim van haren wrevel, zij verklaarde openlijk, dat zij door de zending van Alba diep beleedigd was, en hierdoor wist zij inderdaad een gevoel van medelijden en genegenheid voor haar persoon bij het volk op te wekken, want elk Nederlander haatte den hertog van Alba, iedereen sidderde bij zijne komst.Het goedhartige volk treurde, toen het hoorde, dat Margaretha aan den koning geschreven en hem om haar ontslag verzocht had; het had alles vergeten wat het onder haar bloedig bewind had geleden, dewijl het onder de regeering van haren opvolger nog veel erger dingen vreesde.De instructies, die door Granvelle en Spinosa voor den hertog opgesteld en door Philips II goedgekeurd waren, hielden in, dat alle Nederlanders, die zich ooit tegen de inquisitie aangekant of eenige daad vanverzet tegen de regeering begaan hadden, ter dood veroordeeld moesten worden. In de eerste plaats moesten daartoe de hoofden der Nederlandsche volkspartij gevangen genomen en gestraft worden. Zoowel de prins van Oranje, de graven van Egmond, van Hoorne en van Hoogstraeten als al de onderteekenaars van het compromis moesten onschadelijk worden gemaakt, zonder acht te slaan op de vergiffenis, hun vroeger door de hertogin verleend.Oranje, Hoogstraeten en andere aanvoerders der geuzen bevonden zich buitenslands. Wellicht was het mogelijk, hen over te halen om terug te keeren; daarom betoonde de hertog zich in den eersten tijd uiterst vriendelijk jegens Egmond, die zich nog gemakkelijk in veiligheid had kunnen stellen, indien hij door Alba’s houding en door een genadigen brief, dien hij van Philips II ontving, niet in slaap gewiegd was.Egmond nam ijverig deel aan de schitterende feesten, waarmede de Spaansche officieren hunne aankomst te Brussel vierden. Hij werd de vertrouwde vriend van Ferdinand van Toledo, Alba’s natuurlijken zoon. De hertog zelf bewees hem de grootste onderscheiding; hij zond hem meer dan eens kleine vriendschappelijke geschenken, als Spaansche en Italiaansche vruchten, welke hij door regeeringskoeriers ontving.Egmond’s beminlijke omgang maakte op vele Spaansche generaals, die hem als zegevierend veldheer hoogachtten, een diepen indruk. Zij kenden het lot, dat hem wachtte, en zouden hem gaarne daarvoor bewaard hebben. Meermalen ontving hij geheimzinnige waarschuwingen en den raad om naar Duitschland te vluchten, nu het nog tijd was, maar hij gaf daaraan geen gehoor. Hij was zich immers bewust, dat Philips geen trouwer dienaar dan hem onder de Nederlandsche edelen bezat; hoe kon hij dan gelooven, dat eenig gevaar hem bedreigde?Ook de admiraal, graaf van Hoorne, werd op dezelfde wijze door Alba geblinddoekt en door allerlei vriendschapsbetuigingen overgehaald om zich van Weerdt, waar hij zich ophield, naar Brussel te begeven. Zelfs Hoogstraeten maakte zich op om het veilige Duitschland te verlaten, dewijl ook hij zich om den tuin leiden liet. Alleen Oranje doorzag den verraderlijken toeleg; hij wist, welk een lot hem in de Nederlanden wachtte en liet zich dus door Alba’s list niet tot terugkeer bewegen.De hertog, die van Philips II in last had, zoo snel en zoo krachtig mogelijk door te tasten, liet de hoop, dat hij den prins zou kunnen misleiden, varen en besloot den sinds lang voorbereiden slag tegen Egmond en Hoorne te slaan. In den nacht van den 8enSeptember verscheen in Egmond’s woning een Spanjaard, die hem dringend smeekte, ernstig aan zijne veiligheid te denken, dewijl elke minuut toevens hem noodlottig worden kon. De gravin van Egmond, die deze bijzonderheid later heeft medegedeeld, herkende den bezoeker niet terstond, maar zij meende dat het Juliaan Romero, de Spaansche generaal, geweest is. Egmond luisterde niet naar de waarschuwing, blindelings liep hij het verderf in de kaken.Den volgenden dag, den 9enSeptember 1567, gaf don Ferdinand van Toledo een schitterend gastmaal, waarop Egmond, Hoorne, Noircarmes en andere Nederlandsche edelen genoodigd waren. Terwijl de gasten aan tafel zaten, kwam er eene boodschap van den Hertog van Alba, die hen verzocht tot hem te komen, dewijl hij hen wenschte te raadplegen over het bouwen van eene citadel te Antwerpen. Egmond zat naast Ferdinand van Toledo. Deze fluisterde hem in ’t oor: „Heer graaf, ga zoo spoedigmogelijk weg, neem het vlugste paard uit uwen stal en vlucht zonder een oogenblik te verliezen!”Verward en gejaagd stond Egmond van de tafel op, thans geloofde hij zelf, dat hem eenig gevaar dreigde, dewijl de zoon en vertrouweling des hertogs hem waarschuwde. Hij begaf zich naar de aangrenzende zaal, werwaarts Noircarmes en eenige andere edelen hem volgden. Egmond deelde hun mede wat hij gehoord had en dat hij van plan was terstond te vluchten.„Graaf, wees niet zoo lichtzinnig;” antwoordde hem Noircarmes, „hoe kunt gij zóó blindelings geloof slaan aan hetgeen uw vriend u gezegd heeft? Wanneer gij eensklaps vlucht, zullen de hertog van Alba en alle Spanjaarden gelooven, dat gij schuldig zijt. Juist uwe vrees zou beschouwd worden als eene bekentenis dat gij u aan hoogverraad schuldig acht.”Egmond liet zich overreden; hij geloofde Noircarmes en in plaats van te vluchten, begaf hij zich naar de tafel terug.Na afloop van het gastmaal vergezelden Hoorne en andere edellieden hem naar het paleis van Alba, die hem met de grootste voorkomendheid ontving. Men beraadslaagde over de plannen voor den bouw van de citadel van Antwerpen; gedurende die beraadslagingen verwijderde Alba zich onder voorwendsel, dat hij zich licht ongesteld gevoelde.De edelen bleven bijeen tot des avonds 7 uur. Toen zij vertrokken, trad de kapitein der hertogelijke garde, don Sancho d’ Avila, op Egmond toe en verzocht hem nog eenige oogenblikken te blijven, dewijl hij hem eene belangrijke mededeeling te doen had. Zoodra zij alleen waren, eischte hij den graaf zijn degen af.Stom van verbazing en schrik staarde Egmond den Spanjaard aan, doch deze verklaarde op stelligen toon, dat hij volgens het uitdrukkelijk bevel des hertogs handelde. Op een door hem gegeven teeken gingen de deuren van het aangrenzend vertrek open en daar aanschouwde Egmond eene compagnie Spaansche musketiers en hellebardiers. Hij begreep, dat alle tegenstand nutteloos zou zijn, en gaf den Spanjaard zijn degen over met de fiere verklaring, dat hij gemeend had dien degen, waarmede hij den koning zoo menigen dienst bewezen had, tot een beter doel te zullen gebruiken.Egmond werd naar een in de bovenste verdieping van het paleis gelegen vertrek gevoerd, waar men voor hem in aller ijl eene voorloopige gevangenis in gereedheid had gebracht: hier bleef hij eenigen tijd onder gestrenge bewaking.Tegelijk met Egmond was ook graaf Hoorne, toen hij na afloop der beraadslagingen het binnenplein van het paleis overging, gevangen genomen; ook hem wees men eene gevangenis in Alba’s paleis aan.Den 21enSeptember werden beiden onder sterk geleide naar het slot te Gent overgebracht.Op den zelfden dag met Egmond en Hoorne werden op Alba’s bevel ook nog eenige andere aanzienlijke mannen in hechtenis genomen, onder hen bevond zich Antonië van Stralen, burgemeester van Antwerpen, die op uitnoodiging der hertogin naar Brussel gekomen was, verder Johan van Casembroot, heer van Bakkerzeel, de vertrouwde geheimschrijver van Egmond, en Alonzo de Laloo de geheimschrijver van Hoorne.Alba zelf had al de bijzonderheden dier inhechtenisneming geregeld.Onmiddellijk na de gevangenneming van Egmond en Hoorne, begaf de secretaris Albornoz zich naar de woningen der gevangenen, om daar alle papieren in beslag te nemen. Nog in dien zelfden nacht schreef de hertog een brief van gelukwensching aan Philips II, hij verontschuldigde zich daarin, dewijl hij met die belangrijke zaak zoo lang getalmd had, maar verzekerde, dat dit noodig was geweest om met éénen slag al die machtige mannen te grijpen en hierin was men nu voorspoedig geslaagd.Het bericht van de inhechtenisneming der beide graven, die bij het volk als de trouwste dienaars van Philips, als de aanzienlijkste edelen in de Nederlandsche gewesten bekend stonden, bracht eene algemeene verslagenheid te weeg. Men wist, dat Egmond een trouw katholiek was, dat hij in de moeilijkste omstandigheden der hertogin van Parma ter zijde had gestaan: wanneer hij niet veilig was voor Alba’s vervolgingen, wie kon dan nog op zijne vrijheid rekenen?De hertogin Margaretha was diep verontwaardigd over Alba’s stap, wel sprak ze geen woord ten gunste van Egmond en Hoorne, wel gevoelde zij voor hen geen medelijden, maar zij was diep beleedigd, dat zulke invloedrijke mannen in hechtenis konden genomen worden zonder hare uitdrukkelijke machtiging. Zij beklaagde zich bij allen, die haar omringden, ja bij allen, die het hooren wilden, over het gedrag des hertogs en over zijne onrechtvaardigheid en eigendunkelijkheid. Ten gevolge van deze klachten beschouwden de Nederlanders haar als Alba’s vijandin, en dit was genoeg om haar hunne genegenheid te verzekeren.De graaf van Hoogstraeten, die in het vertrouwen op de vriendschappelijke behandeling, welke Egmond van Alba’s zijde ten deel gevallen was, besloten had naar de Nederlanden terug te keeren, was reeds op weg naar Brussel, toen hij door een gelukkig toeval zijne hand bezeerde. Hij moest eenigen tijd te Keulen blijven en hier ontving hij het bericht van de gevangenneming zijner beide vrienden. Natuurlijk zette hij zijne reis niet voort, maar trok hij zich naar eene veilige plaats terug. Ook de jeugdige graaf van Mansfeld, die wel in den laatsten tijd der hertogin zeer trouw ter zijde had gestaan, maar toch vroeger een invloedrijk lid van den Geuzenbond geweest was, haastte zich de Nederlanden te verlaten, om zich in Duitschland in veiligheid te stellen.Nadat Egmond en Hoorne gevangen waren genomen, bestond er voor Alba geene enkele reden meer om de uitvoering van zijne wraakoefening te verschuiven. Zijn eerste werk hiertoe was het instellen van een nieuw collegie, waaraan hij den naam „raad van beroerten” gaf, doch dat het volk den bloedraad noemde.De bloedraad nam de plaats in van alle vroegere raadscollegiën. Geene rechtbank, zonder uitzondering, mocht langer uitspraak doen over eene zaak, die met de laatste beroerten in betrekking stond. De staatsraad werd van nu af aan slechts zelden bijeengeroepen; zijne werkzaamheden werden insgelijks grootendeels aan den bloedraad opgedragen. De taak van het nieuwe collegie was, allen te straffen, die aan hoogverraad schuldig of zelfs daarvan verdacht waren. Als schuldig aan hoogverraad nu werd een ieder beschouwd, die ooit een verzoekschrift tegen de inquisitie of de plakaten had onderteekend; een ieder, die de ketters begunstigd of zich niet tegen hen verzet had;een ieder, die aan den beeldstorm deelgenomen of predikaties van ketters aangehoord had; een ieder, in één woord, die des konings rechten met woord of daad had aangerand. Voor hen allenbestond er slechts ééne straf: de dood en verbeurdverklaring van hunne goederen.De bloedraad bestond deels uit Spanjaarden, deels uit Nederlanders. Alba koos hen op raad van den geleerden Viglius, die zelf te slim en te laf was om daarin zitting te nemen, maar die met zijne kennis van menschen en zaken gaarne den hertog ten dienste stond.De ziel van den bloedraad was Juan de Vargas, een Spanjaard, die zich in zijn vaderland aan eene schandelijke misdaad had schuldig gemaakt, doch die om zijne inderdaad duivelsche wreedheid door Alba voor dat gewichtig ambt geschikt geoordeeld werd. Naast Vargas stond een Bourgondiër, Lodewijk del Rio; de overige leden waren grootendeels Nederlanders zonder wil of karakter; zij voegden zich steeds naar den wil der Spanjaarden, die elken beschuldigde ter dood veroordeelden. De Vlaming Jacob Hessels, die bij de beraadslagingen gewoonlijk insliep, antwoordde, wanneer men hem wakker maakte en naar zijn oordeel vroeg, onveranderlijk: „aan de galg, aan de galg!” zonder eens te weten, waarom het te doen was. Ook Noircarmes en Barlaimont, die het niet beneden zich achtten, in den bloedraad zitting te nemen, verlaagden zich tot blinde werktuigen van des konings wraak.De bloedraad hield zijne eerste zitting den 20enSeptember 1567 in Alba’s woning en van nu af was hij met een rusteloozen ijver werkzaam. Hij ging daarbij zeer eenvoudig en snel te werk. Benden spionnen trokken het land door, om allen op te sporen, die bij de laatste onlusten betrokken waren geweest of ook om andere redenen aan hoogverraad schuldig schenen, bij voorkeur de rijken, wier vermogen verbeurd kon worden verklaard. Zoodra er eene aanklacht inkwam, onverschillig of zij een enkelen persoon, dan wel honderd tegelijk betrof,vonnistede bloedraad, zonder zelfs den beschuldigde te hooren of hem een verdediger toe te staan. Zijn vonnis veroordeelde bijna altijd ter dood, en werd binnen 24 uur voltrokken.Na de instelling van den bloedraad verbreidde zich een naamlooze schrik door al de Nederlanden; wie het met den vloek geslagen land nog ontvluchten kon, vlood met achterlating van have en goed, ten einde althans het leven te redden. Alle vreemde kooplieden verlieten het land, handel en nijverheid kwijnden.Een Nederlandsch geschiedschrijver geeft ons van den treurigen toestand van zijn vroeger zoo bloeiend vaderland in die dagen de volgende levendige schets:„Dat een volk, zoo bloeiend in kunsten en welvaart, een adel zoo trotsch op zijn wapenschild, gemeenten zoo moedig op hare vrijheid, dien onlangs de pracht eens kardinaals van Granvelle wee in het oog deed, zich nu door de snoodsten en eerloosten der aarde den buik laten intrappen!.... Want wien in alle gewesten, waggelde het hoofd op den hals niet, daar men zulk een voet van rechters en rechtsvorderingen volgde, daar zaken van ’t uiterste gewicht, zonder op plaats of hoven, waaronder ze gevallen waren, te letten, zonder uitvlucht van beroep tot hooger vierschaar of nader overzicht, bij twee of drie ellendigen, die allen naar den mond van een Vargas zagen, besloten werden? ’t Ging dan aan elken kant op een vangen en spannen van allerlei stand, allerlei sekten, allerlei ouderdom. De galgen hingen gerist, de raden, de staken, de boomen aan de wegen stonden beladen met lijken, geworgd, onthalst, gebrand: zoodat de menschen nu in de lucht, tot ademschepping geschapen, als in een gemeen graf en woning der overledenenverkeerden. Elke dag had zijne deerlijkheid in het bassen der bloedklok, dat met den dood van namaag den eenen, van zwager of vriend den ander in het hart klonk; aan het bannen, aan ’t verbeurd verklaren der goederen was geen einde. Tilbaar, ontilbaar, ’t werd al aangeslagen en (ongeacht het aantal der schuldeischers) bekommerd gehouden, tot onberekenbare schade van rijken, van armen, van kloosters, gasthuizen, weduwen en wezen, die na loopende jaren lang van hun recht en renten door booze uitvluchten verstoken bleven.”1Dewijl de goederen der veroordeelden in des konings schatkist vloeiden, was dit eene nieuwe reden om de doodvonnissen niet te verminderen en, evenals men in de dagen van het schrikbewind geld sloeg op het omwentelingsplein te Parijs, zoo deed men het thans op de gerichtsplaats te Brussel. De geheele waarde der op die wijze in beslag genomen goederen wordt op twintig millioen fransche daalders geschat, eene voor dien tijd ongehoorde som, die zoowel getuigt van den rijkdom der Nederlanders als van de onbeschaamde verdrukking, welke zij van de zijde hunner dwingelanden ondergingen. Ook de billijkste, heiligste schulden werden van het vermogen niet afgetrokken, waardoor niet alleen een aantal schuldeischers, maar ook vele openbare stichtingen tot armoede vervielen. De heer van Bakkerzeel (Casembroot) werd op de pijnbank gelegd, opdat hij de schatten van zijnen heer aan het licht zou brengen en, naar het schijnt volgens zijne aanwijzing, werden elf kisten en eenige koffers met zilveren voorwerpen te Gent opgegraven. In dezelfde stad werden den 16enJanuari 1567 zeven en veertig burgers tegen den 4en, denzelfden dag acht en veertig anderen tegen den 6enen den 17ennog acht en veertig anderen tegen den 17denFebruari ingedaagd. Het waren volledige proscriptielijsten, die aan het raadhuis aangehecht werden. Elk, wiens naam daarop voorkwam, kon zijn leven alleen redden door de vlucht.Margaretha van Parma, die toch waarlijk niet weekhartig was—dit had zij bij het vervolgen van de ketters voldingend bewezen,—huiverde terug voor de wijze, waarop de bloedraad te werk ging. Zijne vonnissen toch troffen evenzeer goede Katholieken als Calvinisten en Lutheranen; geene diensten, vroeger den koning bewezen, konden iemand van de doodstraf redden, vooral wanneer de rijkdom eens beschuldigden zijnen dood wenschelijk maakte.De aanklacht van dezen of genen veilen spion en het vonnis van Alba’s blinde werktuigen waren voldoende om de aanzienlijkste en rechtschapenste mannen van het leven te berooven. Margaretha kon zulke gruwelen niet langer aanzien; reeds lang had zij Philips II om haar ontslag verzocht en zij was zeer verheugd, toen zij dit in December 1567 eindelijk ontving. Nog éénen brief schreef zij aan den koning, waarin zij hem smeekte zachtmoedig en barmhartig te zijn; toen verliet zij de Nederlanden in denzelfden tijd, waarin Alba ijverig bezig was een nieuwen dwinger tegen de Nederlandsche vrijheid, de beroemde citadel van Antwerpen, te stichten en te bevestigen2.Het Nederlandsche volk hield Margaretha in dankbaar aandenken, hetwelk zij niet aan hare verdiensten, maar aan ’s volks haat tegen Alba, die haar had verdrongen, te danken had.1Hooft, Nederl. Historiën.2Onder de leiding van Paciotto en Serbelloni werkten 2000 man daaraan dag en nacht en voltooiden in den loop van enkele maanden het reusachtige werk.
De Nederlanden. Philips’ plannen met de Nederlanden. De staatsraad. Benoeming van Alba. Alba’s verleden. Zijn karakter. Uitrusting van het leger. Vergeefsche pogingen van Margaretha om Alba’s zending te verhinderen. De Nederlandsche gezanten in Spanje gevangen genomen. Bergen’s dood. Alba’s tocht naar de Nederlanden. Zijne ontvangst. Oneenigheid tusschen Alba en de hertogin Margaretha. Alba’s instructie. Zijne zachtmoedigheid. Zelfbedrog van Egmond. Vruchtelooze waarschuwingen. Egmond en Hoorne gevangen genomen. Algemeene verslagenheid in de Nederlanden. De bloedraad; zijne bevoegdheid; zijne leden. Vargas. Werkzaamheid van den bloedraad. Algemeene schrik. Margaretha verlaat de Nederlanden.
De Nederlanden. Philips’ plannen met de Nederlanden. De staatsraad. Benoeming van Alba. Alba’s verleden. Zijn karakter. Uitrusting van het leger. Vergeefsche pogingen van Margaretha om Alba’s zending te verhinderen. De Nederlandsche gezanten in Spanje gevangen genomen. Bergen’s dood. Alba’s tocht naar de Nederlanden. Zijne ontvangst. Oneenigheid tusschen Alba en de hertogin Margaretha. Alba’s instructie. Zijne zachtmoedigheid. Zelfbedrog van Egmond. Vruchtelooze waarschuwingen. Egmond en Hoorne gevangen genomen. Algemeene verslagenheid in de Nederlanden. De bloedraad; zijne bevoegdheid; zijne leden. Vargas. Werkzaamheid van den bloedraad. Algemeene schrik. Margaretha verlaat de Nederlanden.
Philips II was geen vriend van snelle handelingen; bedaard en langzaam, maar onwrikbaar ging hij steeds op zijn doel af. Hij had besloten, de beeldstormers en alle Nederlanders, die het gewaagd hadden zich tegen zijn gezag te verzetten, ten strengste te straffen, maar hij haastte zich daarmede niet. Hij ging voort genadige brieven aan de hoofdleiders der Nederlandsche beweging, aan Oranje en zijne vrienden, te schrijven en te beloven, dat hij in persoon naar de Nederlanden komen zou, om den vrede te herstellen. Intusschen bereidde hij in stilte alles tot zijne wraakoefening voor.
In April van het jaar 1567 werd in een grooten staatsraad, die alleen door Spanjaarden werd bijgewoond, over de maatregelen beraadslaagd, welke men tegen de opstandelingen moest nemen. Kort te voren was een bericht van hertogin Margaretha gekomen, hetwelk inhield, dat het land tot rust gebracht, de ketterij onderdrukt was en de vroegere plakaten omtrent de godsdienst weder in volle kracht ten uitvoer gelegd werden; dat de koning, wanneer hij thans in de Nederlanden verscheen, ook zonder eenige krijgsmacht, alleen door zijne tegenwoordigheid lichtelijk den vrede geheel herstellen en de pest der ontevredenheid verdrijven kon; dat een Spaansch leger slechts schrik inboezemen en de reeds zoo verderfelijke landverhuizing nog aanwakkeren zou. De landvoogdes smeekte Philips meer als vader dan als vorst des volks te komen, dan zou het gemakkelijker vallen alles te regelen en de beste verstandhouding tusschen de vroeger oproerige gewesten en den koning te herstellen.
Met den welgemeenden raad, welken Margaretha in dezen brief uitsprak, betuigde ook Ruy Gomes, de prins van Eboli, zijne instemming. Hij was over het algemeen vredelievend gestemd, doch in dit geval trachtte hij nog des te meer den vrede te bevorderen, dewijl zijn tegenstander,de hertog van Alba, reeds door Philips uitverkoren was om in de Nederlanden de rust te herstellen: den hertog van Alba gunde de prins van Eboli de eer en het voordeel niet, die uit zulk eene opdracht zouden voortvloeien. Hij wees op het gevaar en de kosten, aan eene dergelijke onderneming verbonden, en hij vond steun bij Antonio Perez en bij des konings biechtvader.
Alba daarentegendrongop eene onverwijlde onderwerping van de Nederlanders door kracht van wapenen aan. Reeds te lang hadden de rebellen den koning getart, ja door de hun betoonde toegevendheid waren zij slechts te overmoediger geworden. Al was de opstand voor dezen oogenblik ingesluimerd, spoedig zou hij met verdubbelde kracht beginnen, indien hij ongestraft bleef. De kardinaal Spinosa schaarde zich aan zijne zijde en beiden overtuigden Philips II, dat Alba’s gevoelen het juiste was; hij bleef bij zijn reeds vroeger opgevat besluit om Alba met een leger naar de Nederlanden te zenden. Intusschen voegde hij er bij, dat ook hij zich over Savoie, Bourgondië en Lotharingen derwaarts wilde begeven; het leger, dat hij onder Alba zond, moest hem slechts vooruitgaan; hij zou spoedig volgen.
Hoewel Philips vast besloten had, nooit zijn woord te houden en rustig in Spanje te blijven, wist hij toch met zijne gewone list alle vorsten van Europa en ook de Nederlanders zelven te doen gelooven, dat hij werkelijk van plan was, Spanje te verlaten. Hij gaf bevel om terstond de beste troepen des rijks, de vier legioenen van Napels, Sicilië, Sardinië en Lombardije, samen te trekken: ongeveer 10.000 man, allen uitgelezen veteranen, tot wier opperbevelhebber de hertog van Alba benoemd werd.
Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, was op dat tijdstip 60 jaar oud. Hij was de meest beroemde veldheer van Spanje, geen ander kon op zoovele schitterende wapenfeiten wijzen als hij, hij had zijn roem op krijgskundig gebied niet alleen aan zijne stoutmoedigheid, maar evenzeer aan zijne voorzichtigheid en standvastigheid te danken. Reeds van zijne vroegste kindsheid af was hij soldaat, zijn geheele leven was te midden van het gewoel des oorlogs vervlogen.
Keizer Karel V had hooge achting voor Alba gekoesterd en hem meermalen de belangrijkste bevelhebbersposten toevertrouwd. In den Smalkaldischen krijg was hij opperbevelhebber geweest; zijn meest beroemd wapenfeit was de slag bij Mühlberg.
Had Alba zich als veldheer een welverdienden roem verworven, als staatsman beteekende hij weinig of niets, dewijl hij zijn geheele leven onder de wapenen had doorgebracht.
Geen Spanjaard was beter berekend om de bloedige wraak uit te oefenen, welke Philips op de Nederlanders wilde nemen, dan Alba, die de ketters haatte met een doodelijken haat. De koning kende hem als een man zonder hart, die brandde van begeerte om de rijke, kettersche Nederlanders te tuchtigen en dien geen opwelling van medelijden zou verhinderen, zich met al zijne krachten aan het hem opgedragen ambt van wreker toe te wijden.
De hoogmoedige, hebzuchtige, bloeddorstige, maar krachtig doortastende hertog was juist een man, zooals Philips tot volvoering van zijne plannen noodig had. Het leger, dat hij zou aanvoeren, bestond uit de voortreflijkste troepen, die Spanje in het veld kon brengen; het stondonder het bevel van de uitstekendste generaals, zooals Juliaan Romero, Alfonso d’Alloa, don Ferdinand van Toledo, grootvizier der orde van Calatrava, Alba’s onechte zoon, Gabriël Serbelloni, den bevelhebber der artillerie en Frans Paciotto, den beroemden ingenieur.
Niets werd gespaard aan de uitrusting van dit leger; daarbij bevond zich zelfs—en dit is veel beteekenend voor de krijgers, die volgens Philips’ bewering als kampioenen voor het ware geloof in de Nederlanden verschijnen zouden—eene schaar van 2000 liederlijke vrouwspersonen, die volkomen regelmatig gedisciplineerd en geëxerceerd, ja geheel aan militaire regeling onderworpen werden.
Brantôme zegt, dat zij schoon en dapper waren als princessen, zoowel die, welke te paard zaten, als die, welke te voet moesten marcheeren.
Den 10enMei 1567 scheepte de hertog van Alba zich te Carthagena in, om van Genua uit den marsch naar de Nederlanden te beginnen.
Margaretha van Parma ontving nauwelijks bericht van de zending des hertogs, of zij schreef terstond aan Philips, om hem nog eens dringend te smeeken, den Nederlanders den inval van een Spaansch leger te besparen, zij beklaagde zich bovendien, wijl een ander gezonden werd om de vrucht van hare bemoeiingen te oogsten. Door hare krachtsinspanning, verklaarde zij, waren de Nederlanders tot rust gebracht, wanneer Alba thans kwam, zou hij weer omverwerpen wat zij met zooveel zorg en moeite opgebouwd had. Reeds de naam van Alba was in de Nederlanden zoo gehaat, dat de geheele Spaansche natie daaronder leed. Zij hield den koning voor, dat Alba’s zending niets dan de treurigste gevolgen zou na zich slepen.
Philips had eenmaal zijn besluit genomen en legde het zonder weifelen ten uitvoer. Van eene bemiddeling wilde hij thans niets meer weten, dit toonde hij ook door zijne houding tegenover de Nederlandsche gezanten, den markgraaf van Bergen en den heer van Montigny: deze werden niet langer als gezanten, maar als gevangenen beschouwd. De markgraaf van Bergen, die ernstig ziek geworden was en die volgens de uitspraak der geneesheeren alleen herstellen kon, wanneer hij verlof ontving om naar zijn vaderland terug te keeren, verkreeg die vergunning niet. Hij stierf, wellicht—gelijk sommigen beweren—aan vergif, wellicht ook zijn natuurlijken dood. Zijn medegezant Montigny werd gevankelijk naar Segovia gevoerd.
Terstond na Bergen’s dood zond Philips het bevel aan de landvoogdes, dat alle goederen van den gevangene in beslag genomen moesten worden.
Bergen had bij zijn testament twee jeugdige bloedverwanten tot zijne erfgenamen benoemd; de koning beval, deze onder voorwendsel van ketterij in hechtenis te nemen.
Alba was intusschen naar de Nederlanden op marsch gegaan. Met 8700 man voetvolk en 1200 ruiters, dus ongeveer 10.000 man, was hij den Mont-Cenis overgetrokken. De Zwitsers maakten zich over de Spaansche krijgsmacht ongerust; zij waren van plan, den hertog in een nauwen Alpenpas te overvallen, maar zij deden het niet. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, rukte Alba voorwaarts. Ook op zijn verderen marsch zou het weinig moeite gekost hebben, hem tot den terugtocht te dwingen, indien de Fransche Hugenooten hem den doorgang versperd hadden. Wanneer Egmond inderdaad hoogverraad had willen plegen, zou hij dit gemakkelijk hebben kunnen doen, maar Egmond dacht niet aan zoo iets, hij was des konings trouwste dienaar.
Alba kon derhalve zonder oponthoud door Bourgondië en Lotharingen naar Luxemburg trekken. Het was in het midden van Augustus, toen hij te Thionville aankwam, waar hij door Barlaimont en Noircarmes verwelkomd werd. Onderweg had hij ook een brief van Margaretha ontvangen, waarin deze hare bezorgdheid uitsprak over den indruk, dien zijne verschijning aan het hoofd van een leger op de Nederlanders maken zou. Hare waarschuwing droeg echter niet de minste vrucht. Alba antwoordde daarop met verachtelijken toon: „Ik heb in der tijd volken van ijzer en staal bedwongen, zou ik bang zijn voor zulke botermenschen?”
Inderdaad scheen daartoe ook niet de minste reden te bestaan, want de Nederlanders haastten zich, Alba door deputaties te doen begroeten en van hunne trouw te verzekeren. Zelfs Egmond achtte het niet beneden zich, den machtigen man het hof te maken; den 22enAugustus bracht hij uit Brussel met een aantal edelen Alba te Dendermonde een bezoek.
De hertog was jegens Egmond reeds sinds lang vijandig gezind; hij kon dezen zijne overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen niet vergeven, maar gloeide van naijver op den krijgsroem van den jongeren veldheer. Bij die eerste samenkomst was hij dan ook zich zelven niet geheel meester. „Daar komt de voornaamste ketter,” zeide hij zoo luid, dat Egmond het hoorde, maar hij wischte den ongunstigen indruk dier harde woorden terstond door verdubbelde hoflijkheid weder uit. Ook te Leuven legde hij jegens den jongen graaf van Buren, Oranje’s zoon, eene groote mate van vriendelijkheid aan den dag. „Ik verlang niets vuriger dan den prins van Oranje te begroeten,” verzekerde hij.
Door de hertogin werd Alba te Brussel zeer koel ontvangen, zij vergaf het hem niet, dat hij den roem kwam inoogsten, dien zij, naar hare meening, door de onderwerping van de Nederlanden verdiend had. Ook gevoelde zij zich in hare vorstelijke waardigheid als des konings zuster gekrenkt, dewijl een onderdaan eene volmacht had ontvangen, die hem naast, ja in zeker opzicht boven haar plaatste.
Oogenschijnlijk was Alba niets dan opperbevelhebber van het leger, doch daar hij in die betrekking geheel onafhankelijk was, dewijl hij bovendien in last had, alle vergrijpen tegen de godsdienst en alle daden van hoogverraad te straffen, bleef der hertogin alleen het zoogenaamde burgerlijk bestuur, dat is een eerambt zonder invloed, over. Dit bleek dan ook duidelijk uit al de brieven, welke Philips II aan alle steden des lands uitvaardigde en waarin hij haar streng beval de bezettingen in te nemen, welke de hertog haar geven zou, en elk zijner bevelen op te volgen, totdat de koning in persoon in het land komen zou.
Margaretha maakte geen geheim van haren wrevel, zij verklaarde openlijk, dat zij door de zending van Alba diep beleedigd was, en hierdoor wist zij inderdaad een gevoel van medelijden en genegenheid voor haar persoon bij het volk op te wekken, want elk Nederlander haatte den hertog van Alba, iedereen sidderde bij zijne komst.
Het goedhartige volk treurde, toen het hoorde, dat Margaretha aan den koning geschreven en hem om haar ontslag verzocht had; het had alles vergeten wat het onder haar bloedig bewind had geleden, dewijl het onder de regeering van haren opvolger nog veel erger dingen vreesde.
De instructies, die door Granvelle en Spinosa voor den hertog opgesteld en door Philips II goedgekeurd waren, hielden in, dat alle Nederlanders, die zich ooit tegen de inquisitie aangekant of eenige daad vanverzet tegen de regeering begaan hadden, ter dood veroordeeld moesten worden. In de eerste plaats moesten daartoe de hoofden der Nederlandsche volkspartij gevangen genomen en gestraft worden. Zoowel de prins van Oranje, de graven van Egmond, van Hoorne en van Hoogstraeten als al de onderteekenaars van het compromis moesten onschadelijk worden gemaakt, zonder acht te slaan op de vergiffenis, hun vroeger door de hertogin verleend.
Oranje, Hoogstraeten en andere aanvoerders der geuzen bevonden zich buitenslands. Wellicht was het mogelijk, hen over te halen om terug te keeren; daarom betoonde de hertog zich in den eersten tijd uiterst vriendelijk jegens Egmond, die zich nog gemakkelijk in veiligheid had kunnen stellen, indien hij door Alba’s houding en door een genadigen brief, dien hij van Philips II ontving, niet in slaap gewiegd was.
Egmond nam ijverig deel aan de schitterende feesten, waarmede de Spaansche officieren hunne aankomst te Brussel vierden. Hij werd de vertrouwde vriend van Ferdinand van Toledo, Alba’s natuurlijken zoon. De hertog zelf bewees hem de grootste onderscheiding; hij zond hem meer dan eens kleine vriendschappelijke geschenken, als Spaansche en Italiaansche vruchten, welke hij door regeeringskoeriers ontving.
Egmond’s beminlijke omgang maakte op vele Spaansche generaals, die hem als zegevierend veldheer hoogachtten, een diepen indruk. Zij kenden het lot, dat hem wachtte, en zouden hem gaarne daarvoor bewaard hebben. Meermalen ontving hij geheimzinnige waarschuwingen en den raad om naar Duitschland te vluchten, nu het nog tijd was, maar hij gaf daaraan geen gehoor. Hij was zich immers bewust, dat Philips geen trouwer dienaar dan hem onder de Nederlandsche edelen bezat; hoe kon hij dan gelooven, dat eenig gevaar hem bedreigde?
Ook de admiraal, graaf van Hoorne, werd op dezelfde wijze door Alba geblinddoekt en door allerlei vriendschapsbetuigingen overgehaald om zich van Weerdt, waar hij zich ophield, naar Brussel te begeven. Zelfs Hoogstraeten maakte zich op om het veilige Duitschland te verlaten, dewijl ook hij zich om den tuin leiden liet. Alleen Oranje doorzag den verraderlijken toeleg; hij wist, welk een lot hem in de Nederlanden wachtte en liet zich dus door Alba’s list niet tot terugkeer bewegen.
De hertog, die van Philips II in last had, zoo snel en zoo krachtig mogelijk door te tasten, liet de hoop, dat hij den prins zou kunnen misleiden, varen en besloot den sinds lang voorbereiden slag tegen Egmond en Hoorne te slaan. In den nacht van den 8enSeptember verscheen in Egmond’s woning een Spanjaard, die hem dringend smeekte, ernstig aan zijne veiligheid te denken, dewijl elke minuut toevens hem noodlottig worden kon. De gravin van Egmond, die deze bijzonderheid later heeft medegedeeld, herkende den bezoeker niet terstond, maar zij meende dat het Juliaan Romero, de Spaansche generaal, geweest is. Egmond luisterde niet naar de waarschuwing, blindelings liep hij het verderf in de kaken.
Den volgenden dag, den 9enSeptember 1567, gaf don Ferdinand van Toledo een schitterend gastmaal, waarop Egmond, Hoorne, Noircarmes en andere Nederlandsche edelen genoodigd waren. Terwijl de gasten aan tafel zaten, kwam er eene boodschap van den Hertog van Alba, die hen verzocht tot hem te komen, dewijl hij hen wenschte te raadplegen over het bouwen van eene citadel te Antwerpen. Egmond zat naast Ferdinand van Toledo. Deze fluisterde hem in ’t oor: „Heer graaf, ga zoo spoedigmogelijk weg, neem het vlugste paard uit uwen stal en vlucht zonder een oogenblik te verliezen!”
Verward en gejaagd stond Egmond van de tafel op, thans geloofde hij zelf, dat hem eenig gevaar dreigde, dewijl de zoon en vertrouweling des hertogs hem waarschuwde. Hij begaf zich naar de aangrenzende zaal, werwaarts Noircarmes en eenige andere edelen hem volgden. Egmond deelde hun mede wat hij gehoord had en dat hij van plan was terstond te vluchten.
„Graaf, wees niet zoo lichtzinnig;” antwoordde hem Noircarmes, „hoe kunt gij zóó blindelings geloof slaan aan hetgeen uw vriend u gezegd heeft? Wanneer gij eensklaps vlucht, zullen de hertog van Alba en alle Spanjaarden gelooven, dat gij schuldig zijt. Juist uwe vrees zou beschouwd worden als eene bekentenis dat gij u aan hoogverraad schuldig acht.”
Egmond liet zich overreden; hij geloofde Noircarmes en in plaats van te vluchten, begaf hij zich naar de tafel terug.
Na afloop van het gastmaal vergezelden Hoorne en andere edellieden hem naar het paleis van Alba, die hem met de grootste voorkomendheid ontving. Men beraadslaagde over de plannen voor den bouw van de citadel van Antwerpen; gedurende die beraadslagingen verwijderde Alba zich onder voorwendsel, dat hij zich licht ongesteld gevoelde.
De edelen bleven bijeen tot des avonds 7 uur. Toen zij vertrokken, trad de kapitein der hertogelijke garde, don Sancho d’ Avila, op Egmond toe en verzocht hem nog eenige oogenblikken te blijven, dewijl hij hem eene belangrijke mededeeling te doen had. Zoodra zij alleen waren, eischte hij den graaf zijn degen af.
Stom van verbazing en schrik staarde Egmond den Spanjaard aan, doch deze verklaarde op stelligen toon, dat hij volgens het uitdrukkelijk bevel des hertogs handelde. Op een door hem gegeven teeken gingen de deuren van het aangrenzend vertrek open en daar aanschouwde Egmond eene compagnie Spaansche musketiers en hellebardiers. Hij begreep, dat alle tegenstand nutteloos zou zijn, en gaf den Spanjaard zijn degen over met de fiere verklaring, dat hij gemeend had dien degen, waarmede hij den koning zoo menigen dienst bewezen had, tot een beter doel te zullen gebruiken.
Egmond werd naar een in de bovenste verdieping van het paleis gelegen vertrek gevoerd, waar men voor hem in aller ijl eene voorloopige gevangenis in gereedheid had gebracht: hier bleef hij eenigen tijd onder gestrenge bewaking.
Tegelijk met Egmond was ook graaf Hoorne, toen hij na afloop der beraadslagingen het binnenplein van het paleis overging, gevangen genomen; ook hem wees men eene gevangenis in Alba’s paleis aan.
Den 21enSeptember werden beiden onder sterk geleide naar het slot te Gent overgebracht.
Op den zelfden dag met Egmond en Hoorne werden op Alba’s bevel ook nog eenige andere aanzienlijke mannen in hechtenis genomen, onder hen bevond zich Antonië van Stralen, burgemeester van Antwerpen, die op uitnoodiging der hertogin naar Brussel gekomen was, verder Johan van Casembroot, heer van Bakkerzeel, de vertrouwde geheimschrijver van Egmond, en Alonzo de Laloo de geheimschrijver van Hoorne.
Alba zelf had al de bijzonderheden dier inhechtenisneming geregeld.
Onmiddellijk na de gevangenneming van Egmond en Hoorne, begaf de secretaris Albornoz zich naar de woningen der gevangenen, om daar alle papieren in beslag te nemen. Nog in dien zelfden nacht schreef de hertog een brief van gelukwensching aan Philips II, hij verontschuldigde zich daarin, dewijl hij met die belangrijke zaak zoo lang getalmd had, maar verzekerde, dat dit noodig was geweest om met éénen slag al die machtige mannen te grijpen en hierin was men nu voorspoedig geslaagd.
Het bericht van de inhechtenisneming der beide graven, die bij het volk als de trouwste dienaars van Philips, als de aanzienlijkste edelen in de Nederlandsche gewesten bekend stonden, bracht eene algemeene verslagenheid te weeg. Men wist, dat Egmond een trouw katholiek was, dat hij in de moeilijkste omstandigheden der hertogin van Parma ter zijde had gestaan: wanneer hij niet veilig was voor Alba’s vervolgingen, wie kon dan nog op zijne vrijheid rekenen?
De hertogin Margaretha was diep verontwaardigd over Alba’s stap, wel sprak ze geen woord ten gunste van Egmond en Hoorne, wel gevoelde zij voor hen geen medelijden, maar zij was diep beleedigd, dat zulke invloedrijke mannen in hechtenis konden genomen worden zonder hare uitdrukkelijke machtiging. Zij beklaagde zich bij allen, die haar omringden, ja bij allen, die het hooren wilden, over het gedrag des hertogs en over zijne onrechtvaardigheid en eigendunkelijkheid. Ten gevolge van deze klachten beschouwden de Nederlanders haar als Alba’s vijandin, en dit was genoeg om haar hunne genegenheid te verzekeren.
De graaf van Hoogstraeten, die in het vertrouwen op de vriendschappelijke behandeling, welke Egmond van Alba’s zijde ten deel gevallen was, besloten had naar de Nederlanden terug te keeren, was reeds op weg naar Brussel, toen hij door een gelukkig toeval zijne hand bezeerde. Hij moest eenigen tijd te Keulen blijven en hier ontving hij het bericht van de gevangenneming zijner beide vrienden. Natuurlijk zette hij zijne reis niet voort, maar trok hij zich naar eene veilige plaats terug. Ook de jeugdige graaf van Mansfeld, die wel in den laatsten tijd der hertogin zeer trouw ter zijde had gestaan, maar toch vroeger een invloedrijk lid van den Geuzenbond geweest was, haastte zich de Nederlanden te verlaten, om zich in Duitschland in veiligheid te stellen.
Nadat Egmond en Hoorne gevangen waren genomen, bestond er voor Alba geene enkele reden meer om de uitvoering van zijne wraakoefening te verschuiven. Zijn eerste werk hiertoe was het instellen van een nieuw collegie, waaraan hij den naam „raad van beroerten” gaf, doch dat het volk den bloedraad noemde.
De bloedraad nam de plaats in van alle vroegere raadscollegiën. Geene rechtbank, zonder uitzondering, mocht langer uitspraak doen over eene zaak, die met de laatste beroerten in betrekking stond. De staatsraad werd van nu af aan slechts zelden bijeengeroepen; zijne werkzaamheden werden insgelijks grootendeels aan den bloedraad opgedragen. De taak van het nieuwe collegie was, allen te straffen, die aan hoogverraad schuldig of zelfs daarvan verdacht waren. Als schuldig aan hoogverraad nu werd een ieder beschouwd, die ooit een verzoekschrift tegen de inquisitie of de plakaten had onderteekend; een ieder, die de ketters begunstigd of zich niet tegen hen verzet had;een ieder, die aan den beeldstorm deelgenomen of predikaties van ketters aangehoord had; een ieder, in één woord, die des konings rechten met woord of daad had aangerand. Voor hen allenbestond er slechts ééne straf: de dood en verbeurdverklaring van hunne goederen.
De bloedraad bestond deels uit Spanjaarden, deels uit Nederlanders. Alba koos hen op raad van den geleerden Viglius, die zelf te slim en te laf was om daarin zitting te nemen, maar die met zijne kennis van menschen en zaken gaarne den hertog ten dienste stond.
De ziel van den bloedraad was Juan de Vargas, een Spanjaard, die zich in zijn vaderland aan eene schandelijke misdaad had schuldig gemaakt, doch die om zijne inderdaad duivelsche wreedheid door Alba voor dat gewichtig ambt geschikt geoordeeld werd. Naast Vargas stond een Bourgondiër, Lodewijk del Rio; de overige leden waren grootendeels Nederlanders zonder wil of karakter; zij voegden zich steeds naar den wil der Spanjaarden, die elken beschuldigde ter dood veroordeelden. De Vlaming Jacob Hessels, die bij de beraadslagingen gewoonlijk insliep, antwoordde, wanneer men hem wakker maakte en naar zijn oordeel vroeg, onveranderlijk: „aan de galg, aan de galg!” zonder eens te weten, waarom het te doen was. Ook Noircarmes en Barlaimont, die het niet beneden zich achtten, in den bloedraad zitting te nemen, verlaagden zich tot blinde werktuigen van des konings wraak.
De bloedraad hield zijne eerste zitting den 20enSeptember 1567 in Alba’s woning en van nu af was hij met een rusteloozen ijver werkzaam. Hij ging daarbij zeer eenvoudig en snel te werk. Benden spionnen trokken het land door, om allen op te sporen, die bij de laatste onlusten betrokken waren geweest of ook om andere redenen aan hoogverraad schuldig schenen, bij voorkeur de rijken, wier vermogen verbeurd kon worden verklaard. Zoodra er eene aanklacht inkwam, onverschillig of zij een enkelen persoon, dan wel honderd tegelijk betrof,vonnistede bloedraad, zonder zelfs den beschuldigde te hooren of hem een verdediger toe te staan. Zijn vonnis veroordeelde bijna altijd ter dood, en werd binnen 24 uur voltrokken.
Na de instelling van den bloedraad verbreidde zich een naamlooze schrik door al de Nederlanden; wie het met den vloek geslagen land nog ontvluchten kon, vlood met achterlating van have en goed, ten einde althans het leven te redden. Alle vreemde kooplieden verlieten het land, handel en nijverheid kwijnden.
Een Nederlandsch geschiedschrijver geeft ons van den treurigen toestand van zijn vroeger zoo bloeiend vaderland in die dagen de volgende levendige schets:
„Dat een volk, zoo bloeiend in kunsten en welvaart, een adel zoo trotsch op zijn wapenschild, gemeenten zoo moedig op hare vrijheid, dien onlangs de pracht eens kardinaals van Granvelle wee in het oog deed, zich nu door de snoodsten en eerloosten der aarde den buik laten intrappen!.... Want wien in alle gewesten, waggelde het hoofd op den hals niet, daar men zulk een voet van rechters en rechtsvorderingen volgde, daar zaken van ’t uiterste gewicht, zonder op plaats of hoven, waaronder ze gevallen waren, te letten, zonder uitvlucht van beroep tot hooger vierschaar of nader overzicht, bij twee of drie ellendigen, die allen naar den mond van een Vargas zagen, besloten werden? ’t Ging dan aan elken kant op een vangen en spannen van allerlei stand, allerlei sekten, allerlei ouderdom. De galgen hingen gerist, de raden, de staken, de boomen aan de wegen stonden beladen met lijken, geworgd, onthalst, gebrand: zoodat de menschen nu in de lucht, tot ademschepping geschapen, als in een gemeen graf en woning der overledenenverkeerden. Elke dag had zijne deerlijkheid in het bassen der bloedklok, dat met den dood van namaag den eenen, van zwager of vriend den ander in het hart klonk; aan het bannen, aan ’t verbeurd verklaren der goederen was geen einde. Tilbaar, ontilbaar, ’t werd al aangeslagen en (ongeacht het aantal der schuldeischers) bekommerd gehouden, tot onberekenbare schade van rijken, van armen, van kloosters, gasthuizen, weduwen en wezen, die na loopende jaren lang van hun recht en renten door booze uitvluchten verstoken bleven.”1
Dewijl de goederen der veroordeelden in des konings schatkist vloeiden, was dit eene nieuwe reden om de doodvonnissen niet te verminderen en, evenals men in de dagen van het schrikbewind geld sloeg op het omwentelingsplein te Parijs, zoo deed men het thans op de gerichtsplaats te Brussel. De geheele waarde der op die wijze in beslag genomen goederen wordt op twintig millioen fransche daalders geschat, eene voor dien tijd ongehoorde som, die zoowel getuigt van den rijkdom der Nederlanders als van de onbeschaamde verdrukking, welke zij van de zijde hunner dwingelanden ondergingen. Ook de billijkste, heiligste schulden werden van het vermogen niet afgetrokken, waardoor niet alleen een aantal schuldeischers, maar ook vele openbare stichtingen tot armoede vervielen. De heer van Bakkerzeel (Casembroot) werd op de pijnbank gelegd, opdat hij de schatten van zijnen heer aan het licht zou brengen en, naar het schijnt volgens zijne aanwijzing, werden elf kisten en eenige koffers met zilveren voorwerpen te Gent opgegraven. In dezelfde stad werden den 16enJanuari 1567 zeven en veertig burgers tegen den 4en, denzelfden dag acht en veertig anderen tegen den 6enen den 17ennog acht en veertig anderen tegen den 17denFebruari ingedaagd. Het waren volledige proscriptielijsten, die aan het raadhuis aangehecht werden. Elk, wiens naam daarop voorkwam, kon zijn leven alleen redden door de vlucht.
Margaretha van Parma, die toch waarlijk niet weekhartig was—dit had zij bij het vervolgen van de ketters voldingend bewezen,—huiverde terug voor de wijze, waarop de bloedraad te werk ging. Zijne vonnissen toch troffen evenzeer goede Katholieken als Calvinisten en Lutheranen; geene diensten, vroeger den koning bewezen, konden iemand van de doodstraf redden, vooral wanneer de rijkdom eens beschuldigden zijnen dood wenschelijk maakte.
De aanklacht van dezen of genen veilen spion en het vonnis van Alba’s blinde werktuigen waren voldoende om de aanzienlijkste en rechtschapenste mannen van het leven te berooven. Margaretha kon zulke gruwelen niet langer aanzien; reeds lang had zij Philips II om haar ontslag verzocht en zij was zeer verheugd, toen zij dit in December 1567 eindelijk ontving. Nog éénen brief schreef zij aan den koning, waarin zij hem smeekte zachtmoedig en barmhartig te zijn; toen verliet zij de Nederlanden in denzelfden tijd, waarin Alba ijverig bezig was een nieuwen dwinger tegen de Nederlandsche vrijheid, de beroemde citadel van Antwerpen, te stichten en te bevestigen2.
Het Nederlandsche volk hield Margaretha in dankbaar aandenken, hetwelk zij niet aan hare verdiensten, maar aan ’s volks haat tegen Alba, die haar had verdrongen, te danken had.
1Hooft, Nederl. Historiën.2Onder de leiding van Paciotto en Serbelloni werkten 2000 man daaraan dag en nacht en voltooiden in den loop van enkele maanden het reusachtige werk.
1Hooft, Nederl. Historiën.
2Onder de leiding van Paciotto en Serbelloni werkten 2000 man daaraan dag en nacht en voltooiden in den loop van enkele maanden het reusachtige werk.
Zesde Hoofdstuk.De Nederlanden. De bloedraad daagt Oranje in. Zijn antwoord. Alle Nederlanders door de inquisitie ter dood veroordeeld. De Boschgeuzen. Oranje’s krijgstoerustingen. Voordeelen, door Lodewijk van Nassau in het Noorden behaald. De slag bij Heiligerlee. Alba’a wraak. Egmond en Hoorne ter dood gebracht.In het begin van het jaar 1568 werden de uit het land gevluchte geuzen, de prins van Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, de graaf van Hoogstraeten, de graaf van Kuilenburg, Brederode en anderen, in naam van den hertog van Alba ingedaagd, om voor den bloedraad te verschijnen. In geval zij weigerden aan die oproeping gehoor te geven, werden zij met eeuwige verbanning en met verbeurdverklaring van hunne goederen bedreigd. Natuurlijk verscheen geen dier heeren, zij wisten dat gehoorzaamheid aan het opontbod voor hen allen, zonder uitzondering, hetzelfde zou zijn als de dood.De aanklacht, welke de bloedraad tegen den prins van Oranje uitsprak, hield in, dat deze het plan gekoesterd had om zich tot heer der Nederlanden te verheffen, en dat hij, tot bereiking van dat doel, Zijner Majesteits onderdanen tot verzet tegen de plakaten had aangespoord, onder voorwendsel, dat de Spaansche inquisitie in het land ingevoerd zou worden; dat hij Brederode en de overige verbondene edelen tot opstand had aangespoord en dat hij, eindelijk, naar Antwerpen gezonden, om daar den opstand te onderdrukken, de ketters aangemoedigd en den hervormden vrijheid van godsdienst verleend had.In antwoord op deze beschuldiging ontzegde de prins den bloedraad in korte, minachtende bewoordingen elk recht om over hem de vierschaar te spannen; hij verklaarde, dat hij als ridder van het Gulden Vlies en als vorst van het Duitsche rijk noch van den hertog van Alba, noch van eene dergelijke rechtbank bevelen te ontvangen had; dat hij bereid was om zijne onschuld te bewijzen, hetzij als Vliesridder voor eene rechtbank, uit leden dier orde samengesteld, hetzij als Duitsch vorst voor den keizer, de keurvorsten en de andere Duitsche vorsten.Uit dit antwoord blijkt, dat Oranje toen nog altijd schroomde, zich openlijk tegen Philips II te verzetten. Alleen de wederrechtelijke macht van Alba en den bloedraad wees hij af; daarentegen was hij bereid om zich tegen eene wettige aanklacht voor een aan zijnen rang passend gerechtshof te verdedigen. Weldra zou hij door nieuwe maatregelen van geweld, tegen hem genomen, tot openlijk verzet tegen den koning gedwongen worden.Zijne goederen in de Nederlanden werden verbeurd verklaard en de maat van onrechtvaardigheid en willekeur ten zijnen aanzien vol gemeten, naardien Alba zich van zijn oudsten zoon, den jeugdigen graaf van Buren, die te Leuven studeerde, meester maakte en hem naar Spanje zond.Alle overwegingen, welke Oranje tot dusver weerhouden hadden in het openbaar met kracht van wapenen tegen Alba en Philips II op te treden, traden nu op den achtergrond. Het was voor hem nu alleen de vraag, of het mogelijk zou zijn, de Spaansche troepen te overwinnen. Het antwoord daarop hing uitsluitend af van de gezindheid der Nederlanders om ten gunste van Oranje tegen Alba in opstand te komen. Dit was niet onwaarschijnlijk, want de onderdrukking van het rampzalige volk was zoo groot, dat ook het geduld der zachtmoedigsten wel uitgeput moest worden.Onvermoeid had de bloedraad zijn vreeselijk werk voortgezet en al zijne vonnissen waren op Alba’s bevel zonder genade voltrokken. Toen de magistraat van Antwerpen een gezantschap tot den hertog zond, ten einde hem voor eenige der aanzienlijkste burgers hunner stad, die door den bloedraad veroordeeld waren, om genade te smeeken, antwoordde hij den afgevaardigden op gestrengen toon: „Ik ben verbaasd dat gij het waagt, om genade te smeeken voor verraders en ketters, neemt u zelven maar in acht! Ik heb besloten, wanneer het noodig is, al de inwoners der stad te laten ophangen, als voorbeeld voor het overige land. Zijne Majesteit koning Philips II wil liever het geheele land in eene woestenij herscheppen, dan dulden, dat daarin ook slechts één ketter in het leven blijft!”Inderdaad, men scheen wel te moeten gelooven, dat Philips van plan was, de Nederlanden te ontvolken en tot eene woestenij te maken. Of wat anders was de strekking van een op zijn bevel opgemaakt en door hem goedgekeurd besluit der Spaansche inquisitie? In weerwil der bittere klachten over den bloedraad, die uit de Nederlanden bij hem ingebracht werden, en die zelfs den paus bewogen hadden om den koning tot matiging aan te sporen, was Philips niet tot eenigen stap tegen dit gerechtshof over te halen. Hij legde de geheele zaak aan de rechtbank der inquisitie voor en deze verklaarde, dat alle Nederlanders, met uitzondering van eenige weinige, met name genoemde mannen, ketters of begunstigers van ketters en alzoo aan hoogverraad schuldig waren, daar zij òf aan den beeldstorm deelgenomen òf dien niet verhinderd hadden.Philips bekrachtigde deze vreeselijke uitspraak; hij verklaarde daarmede, dat alle Nederlanders ter dood veroordeeld waren en dat zij, die niet omgebracht werden, zich slechts als begenadigden moesten beschouwen. De Nederlandsche geschiedschrijver Hooft vraagt terecht, of wel ooit, zelfs door de wreedste dwingelanden, zulk een vonnis geveld is.Natuurlijk kon het des konings bedoeling niet zijn, alle inwoners der Nederlanden ter dood te laten brengen; doch het volk wist dat allen evenzeer veroordeeld waren en dat de hertog van Alba en de bloedraad de macht hadden om die uitspraak der inquisitie elk oogenblik naar goeddunken op een ieder toe te passen. Een ieder, tot welken stand hij ook mocht behooren, kon voor den bloedraad gebracht en veroordeeld worden, zonder eenig misdrijf te hebben begaan.Inderdaad toonde de bloedraad, dat hij volkomen bereid was om zijn last te volvoeren. Geen dag verliep er, waarop het schavot geene nieuwe slachtoffers ontving, en deze behoorden zoowel tot den hoogsten als totden laagsten stand der maatschappij. Reeds het bezit van rijkdom was op zich zelf eene onvergeeflijke misdaad; doch ook de armoede beveiligde niet tegen de galg; zoowel de hongerige werkman, als de welvarende burger werd aan den beul overgeleverd.Een nieuwe maatregel van den bloedraad verhoogde nog de schrik voor deze rechtbank. Het was meermalen gebeurd, dat ter dood veroordeelden op den weg naar het schavot aanspraken gehouden hadden tot de menigte, die hen vergezelde. Om dit in het vervolg voor te komen, werd om de tong der veroordeelden een ijzeren ring gelegd, vervolgens raakte men de punt der tong met een gloeiend ijzer aan, de zwelling belette het afvallen van den ring en maakte het den veroordeelden onmogelijk, zelfs een enkel woord te spreken.Onbegrijpelijk schijnt het, dat een volk, hetwelk nog vóór korten tijd zooveel geestkracht aan den dag had gelegd, die ontzettende onderdrukking geduldig kon verdragen, dat het niet overal in opstand kwam, om de betrekkelijk geringe krijgsmacht van Alba te verdrijven. Slechts enkelen waagden het, zich tegen het Spaansch geweld te verzetten en deze behoorden volstrekt niet tot de beste standen des volks; gedeeltelijk waren het voortvluchtige misdadigers, roovers, die hun schandelijk handwerk onder de leus van vaderlandsliefde dreven, ten einde bij de plattelandsbevolking bescherming te vinden voor de vervolging der rechtbanken, gedeeltelijk ook tot wanhoop gebrachte protestanten, die niet buiten ’s lands hadden kunnen vluchten en derhalve, om zich aan de klauwen van den bloedraad te onttrekken, naar de wapens grepen en een avontuurlijk leven leidden.Talrijke benden, die zich zelven Wilde Geuzen of Boschgeuzen noemden, namen de onderscheidingsteekenen der omwenteling aan en begingen onder haren dekmantel afschuwelijke misdaden. Roovend en blakerend trokken zij het land door. Hun doel was, al de geleden ellende op de katholieken te wreken. Zij deden dit op eene wijze, welke hen in het oog van alle rechtschapen protestanten verachtelijk maken moest.Een groot aantal kloosters werd geplunderd en verbrand, vele priesters werden verminkt of ten minste mishandeld. Het was eene schandelijke liefhebberij der Boschgeuzen, den katholieken priesters, die in hunne handen vielen, neus en ooren af te snijden en deze aan de manen en den staart hunner paarden te hangen.Alba vaardigde tegen de Boschgeuzen een donderend edict uit, hij gaf aan een ieder verlof om hen, waar hij hen ook aantrof, zonder vorm van proces te dooden; hen, die de misdadigers in bescherming namen, bedreigde hij met de strengste straffen; doch hiermede bereikte hij zijn doel niet, eerst toen hij de gewapende macht tegen hen liet oprukken, gelukte het hem, de roovers voor eenigen tijd te onderdrukken.De opstand der Boschgeuzen was alleen in zoo ver van eenig belang, dat hij den prins van Oranje versterkte in de meening, dat thans voor hem de oogenblik om te handelen gekomen was, dewijl hij op ondersteuning der Nederlanders kon rekenen. Hij wendde zich tot de protestantsche vorsten van Duitschland, voornamelijk tot den landgraaf van Hessen en den keurvorst van Saksen, ten einde zich van hunne hulp te verzekeren. Hij knoopte zoowel in Engeland als in Frankrijk betrekkingen aan; de Hugenooten in laatstgenoemd land leenden aan zijne voorstellen gewillig het oor, daar zij hem als hun natuurlijken vriend en bondgenootbeschouwden. Vele uit de Nederlanden gevluchte edellieden voegden zich bij hem, om onder hem tegen Alba en voor hun vaderland te strijden. Reeds had hij eene kleine legerafdeeling onder zijne bevelen; het bevel daarover droeg hij op aan zijn broeder Lodewijk van Nassau, dien hij den 6enApril 1568 te Dillenburg bepaaldelijk machtigde om verder troepen aan te werven en daarmede den hertog van Alba te bevechten.Niet tegen den persoon van Philips, niet tegen diens rechten op het bewind over de Nederlanden, maar alleen tegen de Spaansche troepen van Alba gordde hij de wapenen aan. Nog altijd bleef hij vasthouden aan zijne verzekering, dat hij des konings trouwe dienaar was en juist om diens erflanden ongeschonden te bewaren, aan de heerschappij der Spanjaarden een eind maken en de door den koning zelven bezworen privilegiën tegen Alba in bescherming nemen moest.Om een leger aan te werven en een gewapenden inval in de provinciën te doen, had Oranje in de eerste plaats geld noodig en dit bezat hij niet, daar hij uit zijne verbeurd verklaarde bezittingen in de Nederlanden geene inkomsten meer kon trekken. Ook de ondersteuning, hem door de voortvluchtige edelen verleend, was niet voldoende. Ten einde zich geld te verschaffen, moest de prins al zijne kleinoodiën, zelfs het kostbare huisraad zijner kasteelen, zijne paarden en andere voorwerpen van waarde verkoopen, en hij deed dit zonder aarzelen.Volgens het door hem beraamde plan zou de inval indeprovinciën op drie verschillende plaatsen geschieden, twee kleine legerafdeelingen zouden in de zuidelijke Nederlanden vallen, terwijl Lodewijk van Nassau in de noordelijke de vaan van den opstand opsteken zou. Het plan werd volvoerd, maar niet met gelukkigen uitslag.De invallen in het Zuiden werden door de Spanjaarden afgeslagen, alleen Lodewijk van Nassau behaalde in het Noorden aanvankelijk eenig voordeel. Met ongeveer 7000 man viel hij in het voorjaar van 1568 in Groningerland, en het gelukte hem den 23enMei een Spaansch legerkorps onder aanvoering van den hertog van Aremberg bij het klooster Heiligerlee te verslaan en uit elkander te drijven. Aremberg zelf sneuvelde, maar ook Lodewijk van Nassau had een zwaar verlies te betreuren: zijn jongsten broeder, graaf Adolf van Nassau, een veelbelovend jongeling, telde men insgelijks onder de dooden.De overwinning bij Heiligerlee beteekende op zich zelve weinig, dewijl Lodewijk van Nassau daarvan geene partij trekken kon; hij had geen geschut voor de belegering der steden, die de steunpunten van zijne macht moesten uitmaken, wanneer hij op duurzame voordeelen wilde rekenen. Bovendien was hij te zwak om aan eene grootere Spaansche macht in het open veld het hoofd te bieden en daarom moest hij elk oogenblik vreezen, dat zijne slecht betaalde Duitsche huurtroepen hem de gehoorzaamheid zouden opzeggen.Veel belangrijker was de zedelijke invloed der zegepraal. Tot heden hadden de Nederlanders de Spaansche keurtroepen als onoverwinlijk beschouwd; thans was het gebleken, dat zelfs een zwak leger, gelijk dat van Lodewijk, Alba’s in den oorlog vergrijsde krijgers kon overwinnen; hun moed herleefde, de overwinning bij Heiligerlee bereidde den lateren algemeenen opstand voor. Voorshands echter waren hare gevolgen noodlottig.Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde dat Lodewijk van Nassau eenig voordeel had behaald. Hij besloot, zelf tegen denaanvoerder der opstandelingen op te trekken, doch eer hij dit deed, toonde hij den Brusselaars, hoe geducht zijne wraak jegens alle opstandelingen was.Den 28enMei 1568 vaardigde hij een edict uit, waarbij Oranje, Lodewijk van Nassau, Hoogstraeten en vele andere edelen voor altijd uit het land verbannen werden; ingeval zij terugkeerden, zouden zij zonder omwegen ter dood worden gebracht. Al hunne goederen werden verbeurd verklaard, het paleis van Kuilenburg, waar de vergadering der geuzen gehouden was, werd geheel omvergehaald; op zijne puinhoopen werd een gedenkteeken opgericht.Den eersten Juni werden 18 mannen van naam te Brussel ter dood gebracht; men stelde hunne hoofden op palen ten toon; den 2enJuni volgden vier anderen hen in den dood.Den 3enkwamen in de hoofdstad twee compagniën voetvolk en twee escadrons ruiterij aan; zij begeleidden de graven van Egmond en Hoorne, die in een wagen van Gent waren overgebracht, om te Brussel te recht te staan.Tegen beiden was na hunne gevangenneming een proces aangevangen, dat wel eene bittere bespotting van alle rechtsvormen heeten mocht. De aangeklaagden werden beschuldigd, dat zij met den prins van Oranje een complot hadden gesmeed, om den koning uit de Nederlanden te verdrijven en de provinciën onder elkaar te verdeelen; dat zij het verbond der edelen ondersteund, de ketters begunstigd en buitendien allerlei misdaden van hoogverraad gepleegd hadden.Egmond en Hoorne hadden geëischt, als ridders van het Gulden Vlies, overeenkomstig de statuten dier orde, gericht te worden; de keizer zelf was voor hen bij Philips in de bres gesprongen, vele andere vorsten hadden dit voorbeeld gevolgd, doch de koning gedroeg zich naar den raad van Vargas, die hoonend uitriep: „Wat gaan uwe privilegiën ons aan?” Een rechtsgeleerd advies, door den geleerden Viglius opgesteld, trachtte deze zijne handelwijze te wettigen.Viglius had namelijk gepoogd te bewijzen, dat de bescherming, welke de statuten van het Gulden Vlies den ridders dier orde verleende, zich niet uitstrekte tot zulke misdaden als waarvan Egmond en Hoorne beschuldigd werden. Op grond hiervan was den bloedraad de taak opgedragen om een vonnis te vellen en hij had, getrouw aan zijn karakter, dien last vervuld. Egmond en Hoorne werden ter dood veroordeeld, zonder dat het hun vergund was een verdediger te kiezen. De getuigen, op wie zij zich beriepen, ten einde hunne onschuld te bewijzen, werden niet gehoord; de geheele behandeling der zaak geschiedde in het diepste geheim. Dewijl Philips en Alba de veroordeeling geboden hadden, werd zij door den slaafschen bloedraad natuurlijk uitgesproken.De voltrekking van het vonnis, een tijd lang vertraagd door een verzoek om genade, door de beide graven tot Philips gericht, werd bespoedigd door de overwinning van Lodewijk van Nassau bij Heiligerlee. Den 4enJuni 1568 verklaarde Alba plechtig voor God en de menschen, dat hij het doodvonnis tegen de beide hooggeplaatste landverraders moest voltrekken. Het document droeg de onderteekening van Philips II; Alba had daarvoor een der vele in blanco door den koning onderteekende stukken gebruikt, waarvan hij door dezen voorzien was.In den namiddag van den 4enJuni ontbood Alba den bisschop vanYperenbij zich en gaf hem in last, terstond Egmond in de gevangenis tebezoeken, hem mee te deelen dat zijn lot beslist was en hem ter dood te bereiden.Vol schrik viel de prelaat den hertog te voet, hij smeekte hem om genade voor den ongelukkige, of, wanneer hij zelf die genade niet verleenen mocht, om schorsing van het vonnis. Doch al zijn smeeken was vruchteloos; Alba antwoordde hem op gestrengen toon: „Gij zijt niet geroepen om mij raad te geven, maar om den veroordeelde als biechtvader bij te staan.” Met dit bescheid werd de bisschop weggezonden. Hij begaf zich naar de gevangenis, om zich van zijne treurige taak te kwijten.Nauwelijks had hij den hertog verlaten, of de gravin van Egmond werd bij dezen aangemeld; zij was bij geruchte onderricht van het lot, dat haren echtgenoot wachtte, ijlde terstond naar Alba, wierp zich aan zijne voeten en smeekte om genade. Met ijskoude kalmte hoorde de hertog de smeekingen der rampzalige vrouw aan; hij troostte haar met de belofte, dat haar gade den volgenden dag vrij zou zijn. Met die afgrijselijke, dubbelzinnige scherts ontsloeg hij de gravin, in wier hart hij de zoetste, helaas! al te bedriegelijke hoop gewekt had. Later zou hij tot zijne rechtvaardiging hebben aangevoerd, dat, naar zijne meening, de dood alleen de ware vrijheid schonk.Egmond lag reeds in een vasten slaap gedompeld, toen de bisschop van Yperen zijne gevangenis binnentrad. Hij werd gewekt. Aan de houding van den prelaat bemerkte hij terstond, dat deze hem eene noodlottige tijding kwam brengen. Zonder te verbleeken las hij het document, dat zijn doodvonnis bevatte. Hij was, zoo wordt ons meegedeeld, meer verrast dan verschrikt, daar hij het nooit mogelijk had geacht, dat zijn proces zulk een einde zou nemen. Nog eens vraagde hij den bisschop, of dan alle hoop op genade vervlogen was, of althans de uitvoering van het vonnis niet verschoven kon worden. Doch toen hij ten antwoord ontving, dat er geen hoop meer voor hem bestond kreeg hij oogenblikkelijk zijne kalmte terug.Hij bracht den nacht in het gezelschap van den geestelijke door en ontving uit diens handen het avondmaal. Tot zijn laatsten ademtocht betoonde hij zich een oprecht katholiek, gelijk hij steeds geweest was. Tegen den morgen schreef hij den volgenden brief aan den koning:„Sire! Heden avond heb ik het vonnis vernomen, dat het Uwe Majesteit behaagd heeft over mij uit te spreken. Alhoewel ik nooit iets in de gedachten genomen, noch, zoover mij bewust is, iets gedaan heb wat tot nadeel van Uwer Majesteits persoon of dienst of tot verkorting van onze ware, oude katholieke godsdienst strekken kon, wil ik evenwel geduldig dragen wat het den goeden God behaagd heeft mij te laten toekomen. Indien ik onder deze beroerten in de Nederlanden iets gedaan of toegelaten heb, dat hiermede niet overeen scheen te komen, dan is het geschied met de waarachtige goede bedoeling om God en Uwe Majesteit te dienen en door den nood der tijden. Daarom bid ik Uwe Majesteit, mij te vergeven en medelijden te hebben met mijne arme vrouw en kinderen en bedienden, uit aanmerking mijner voormalige diensten. In welke hoop ik mij thans aan Gods Genade aanbeveel.Uit Brussel,Ter dood bereid, 5 Juni 1568.Uwer Majesteits ootmoedige en getrouwe onderdaan en dienaarLamoraal d’ Egmond.”Ook de graaf van Hoorne had de tijding, dat het doodvonnis uitgevoerd zou worden, met kalme standvastigheid ontvangen, maar hij schreef niet zulk een ootmoedigen brief aan den koning als zijn vriend.Den 5enJuni, met het aanbreken van den dag, werden 3000 Spaansche soldaten op de groote markt te Brussel en rondom het in het midden van het plein opgerichte schavot in slagorde geschaard. Op hetzelfde plein, waar Egmond de gelukkige overwinnaar in zoo menig tournooi was geweest, zou hij heden sterven!Omstreeks 11 uur haalde eene Spaansche compagnie, door Juliaan Romero aangevoerd, Egmond uit de gevangenis. Men wilde hem de handen binden, maar hij uitte denwensch, dat die vernedering hem bespaard zou worden, sloeg zijn tabbaard open en toonde dat hij, ten einde den beul een deel van diens werk te besparen, zelf de kraag van zijn wambuis afgesneden had. Romero willigde zijn verzoek in.Door den bisschop van Yperen vergezeld, begaf Egmond zich met vasten tred naar het schavot. Onderweg las hij een psalm. Toen hij het schavot beklommen had, liep hij het eenige malen op en neder. Hij sprak zijn leedwezen uit, dat hij niet met een degen in de hand voor zijn vaderland en zijn koning sterven mocht.Nog eens kwam de hoop op begenadiging in den uitersten oogenblik bij hem op. Hij wendde zich tot Romero met de vraag, of het vonnis onherroepelijk was. Toen de generaal als eenig antwoord treurig de schouders ophaalde, klemde Egmond niet in wanhoop, maar in toorn de tanden op elkaar. Doch oogenblikkelijk keerde zijne bedaardheid terug, hij wierp zelf zijn bovenkleed af en terwijl hij met eene krachtige stem riep: „God in Uwe handen beveel ik mijnen geest!” boog hij het hoofd op het blok. Met één slag scheidde de beul het hoofd van den romp. Geen enkele kreet ontsnapte aan den mond der dicht rondom het schavot opeengepakte menigte, alle toeschouwers waren in het diepst hunner ziel geroerd, uit menig oog vloeiden tranen, zelfs de Spaansche soldaten weenden om den man, dien zij als den held van St. Quentin en Grevelingen hoogschatten.De Fransche gezant, die het schouwspel bijwoonde, zeide tot zijn buurman, dat hij hier het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had.De hertog van Alba, die uit een venster getuige van de strafoefening was, kon—naar men verhaalt—zijne tranen niet bedwingen!Men wierp een zwart laken over het lijk en voerde hierop ook den graaf van Hoorne door de menigte heen; kalm groette hij alle bekenden, die hij onderweg ontmoette. Even moedig als Egmond ging hij den dood te gemoet, met hetzelfde woord op de lippen als zijn vriend ontving hij den doodelijken slag.Egmond en Hoorne worden door de Nederlanders nog heden ten dage als martelaars voor de vrijheid vereerd, doch ten onrechte. Wel waren beiden de slachtoffers der afgrijselijke, met alle recht en wet spottende staatkunde van een ondankbaar en gewetenloos dwingeland, maar martelaars der vrijheid waren zij niet. Niets was dwazer dan de lage wraakzucht, waaraan Philips II twee mannen opofferde, wier gansche verleden bewees, dat ze zijne trouwe aanhangers waren. Voor de vrijheid des volks hadden zij nooit eenig gevoel gehad, beiden waren heftige tegenstanders der hervorming.Egmond had zich zelfs als een verbitterd en wreed vervolger van de beeldstormers doen kennen. Hij zou dat,—zijn laatste meer dan deemoedige brief aan den koning bewijst het—indien hij langer geleefd had, ook gebleven zijn. Ja men mag vrijelijk beweren, dat hij zijne talenten als veldheer tot onderdrukking van den opstand der Nederlanders zou hebben aangewend, indien Philips hem, in plaats van hem te dooden, het bevel over eene Spaansche bende opgedragen had. Eerst zijn dood heeft hem en zijnen vriend tot vrijheidshelden gemaakt. Uit hun bloed, waarin de menschen, die het schavot omringden, niet langer door vrees voor de Spanjaarden teruggehouden, hunne zakdoeken doopten, is de vrijheid der Nederlanden ontsproten, niet ten gevolge van Egmond’s werkzaamheid, maar tengevolge van zijn ongeluk en van de schreeuwende onrechtvaardigheid, willekeur en wreedheid van een koning, wiens bloeddorstige tyrannie door dezen moord voor het oog des volks voor altijd ontsluierd werd.
De Nederlanden. De bloedraad daagt Oranje in. Zijn antwoord. Alle Nederlanders door de inquisitie ter dood veroordeeld. De Boschgeuzen. Oranje’s krijgstoerustingen. Voordeelen, door Lodewijk van Nassau in het Noorden behaald. De slag bij Heiligerlee. Alba’a wraak. Egmond en Hoorne ter dood gebracht.
De Nederlanden. De bloedraad daagt Oranje in. Zijn antwoord. Alle Nederlanders door de inquisitie ter dood veroordeeld. De Boschgeuzen. Oranje’s krijgstoerustingen. Voordeelen, door Lodewijk van Nassau in het Noorden behaald. De slag bij Heiligerlee. Alba’a wraak. Egmond en Hoorne ter dood gebracht.
In het begin van het jaar 1568 werden de uit het land gevluchte geuzen, de prins van Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, de graaf van Hoogstraeten, de graaf van Kuilenburg, Brederode en anderen, in naam van den hertog van Alba ingedaagd, om voor den bloedraad te verschijnen. In geval zij weigerden aan die oproeping gehoor te geven, werden zij met eeuwige verbanning en met verbeurdverklaring van hunne goederen bedreigd. Natuurlijk verscheen geen dier heeren, zij wisten dat gehoorzaamheid aan het opontbod voor hen allen, zonder uitzondering, hetzelfde zou zijn als de dood.
De aanklacht, welke de bloedraad tegen den prins van Oranje uitsprak, hield in, dat deze het plan gekoesterd had om zich tot heer der Nederlanden te verheffen, en dat hij, tot bereiking van dat doel, Zijner Majesteits onderdanen tot verzet tegen de plakaten had aangespoord, onder voorwendsel, dat de Spaansche inquisitie in het land ingevoerd zou worden; dat hij Brederode en de overige verbondene edelen tot opstand had aangespoord en dat hij, eindelijk, naar Antwerpen gezonden, om daar den opstand te onderdrukken, de ketters aangemoedigd en den hervormden vrijheid van godsdienst verleend had.
In antwoord op deze beschuldiging ontzegde de prins den bloedraad in korte, minachtende bewoordingen elk recht om over hem de vierschaar te spannen; hij verklaarde, dat hij als ridder van het Gulden Vlies en als vorst van het Duitsche rijk noch van den hertog van Alba, noch van eene dergelijke rechtbank bevelen te ontvangen had; dat hij bereid was om zijne onschuld te bewijzen, hetzij als Vliesridder voor eene rechtbank, uit leden dier orde samengesteld, hetzij als Duitsch vorst voor den keizer, de keurvorsten en de andere Duitsche vorsten.
Uit dit antwoord blijkt, dat Oranje toen nog altijd schroomde, zich openlijk tegen Philips II te verzetten. Alleen de wederrechtelijke macht van Alba en den bloedraad wees hij af; daarentegen was hij bereid om zich tegen eene wettige aanklacht voor een aan zijnen rang passend gerechtshof te verdedigen. Weldra zou hij door nieuwe maatregelen van geweld, tegen hem genomen, tot openlijk verzet tegen den koning gedwongen worden.
Zijne goederen in de Nederlanden werden verbeurd verklaard en de maat van onrechtvaardigheid en willekeur ten zijnen aanzien vol gemeten, naardien Alba zich van zijn oudsten zoon, den jeugdigen graaf van Buren, die te Leuven studeerde, meester maakte en hem naar Spanje zond.
Alle overwegingen, welke Oranje tot dusver weerhouden hadden in het openbaar met kracht van wapenen tegen Alba en Philips II op te treden, traden nu op den achtergrond. Het was voor hem nu alleen de vraag, of het mogelijk zou zijn, de Spaansche troepen te overwinnen. Het antwoord daarop hing uitsluitend af van de gezindheid der Nederlanders om ten gunste van Oranje tegen Alba in opstand te komen. Dit was niet onwaarschijnlijk, want de onderdrukking van het rampzalige volk was zoo groot, dat ook het geduld der zachtmoedigsten wel uitgeput moest worden.
Onvermoeid had de bloedraad zijn vreeselijk werk voortgezet en al zijne vonnissen waren op Alba’s bevel zonder genade voltrokken. Toen de magistraat van Antwerpen een gezantschap tot den hertog zond, ten einde hem voor eenige der aanzienlijkste burgers hunner stad, die door den bloedraad veroordeeld waren, om genade te smeeken, antwoordde hij den afgevaardigden op gestrengen toon: „Ik ben verbaasd dat gij het waagt, om genade te smeeken voor verraders en ketters, neemt u zelven maar in acht! Ik heb besloten, wanneer het noodig is, al de inwoners der stad te laten ophangen, als voorbeeld voor het overige land. Zijne Majesteit koning Philips II wil liever het geheele land in eene woestenij herscheppen, dan dulden, dat daarin ook slechts één ketter in het leven blijft!”
Inderdaad, men scheen wel te moeten gelooven, dat Philips van plan was, de Nederlanden te ontvolken en tot eene woestenij te maken. Of wat anders was de strekking van een op zijn bevel opgemaakt en door hem goedgekeurd besluit der Spaansche inquisitie? In weerwil der bittere klachten over den bloedraad, die uit de Nederlanden bij hem ingebracht werden, en die zelfs den paus bewogen hadden om den koning tot matiging aan te sporen, was Philips niet tot eenigen stap tegen dit gerechtshof over te halen. Hij legde de geheele zaak aan de rechtbank der inquisitie voor en deze verklaarde, dat alle Nederlanders, met uitzondering van eenige weinige, met name genoemde mannen, ketters of begunstigers van ketters en alzoo aan hoogverraad schuldig waren, daar zij òf aan den beeldstorm deelgenomen òf dien niet verhinderd hadden.
Philips bekrachtigde deze vreeselijke uitspraak; hij verklaarde daarmede, dat alle Nederlanders ter dood veroordeeld waren en dat zij, die niet omgebracht werden, zich slechts als begenadigden moesten beschouwen. De Nederlandsche geschiedschrijver Hooft vraagt terecht, of wel ooit, zelfs door de wreedste dwingelanden, zulk een vonnis geveld is.
Natuurlijk kon het des konings bedoeling niet zijn, alle inwoners der Nederlanden ter dood te laten brengen; doch het volk wist dat allen evenzeer veroordeeld waren en dat de hertog van Alba en de bloedraad de macht hadden om die uitspraak der inquisitie elk oogenblik naar goeddunken op een ieder toe te passen. Een ieder, tot welken stand hij ook mocht behooren, kon voor den bloedraad gebracht en veroordeeld worden, zonder eenig misdrijf te hebben begaan.
Inderdaad toonde de bloedraad, dat hij volkomen bereid was om zijn last te volvoeren. Geen dag verliep er, waarop het schavot geene nieuwe slachtoffers ontving, en deze behoorden zoowel tot den hoogsten als totden laagsten stand der maatschappij. Reeds het bezit van rijkdom was op zich zelf eene onvergeeflijke misdaad; doch ook de armoede beveiligde niet tegen de galg; zoowel de hongerige werkman, als de welvarende burger werd aan den beul overgeleverd.
Een nieuwe maatregel van den bloedraad verhoogde nog de schrik voor deze rechtbank. Het was meermalen gebeurd, dat ter dood veroordeelden op den weg naar het schavot aanspraken gehouden hadden tot de menigte, die hen vergezelde. Om dit in het vervolg voor te komen, werd om de tong der veroordeelden een ijzeren ring gelegd, vervolgens raakte men de punt der tong met een gloeiend ijzer aan, de zwelling belette het afvallen van den ring en maakte het den veroordeelden onmogelijk, zelfs een enkel woord te spreken.
Onbegrijpelijk schijnt het, dat een volk, hetwelk nog vóór korten tijd zooveel geestkracht aan den dag had gelegd, die ontzettende onderdrukking geduldig kon verdragen, dat het niet overal in opstand kwam, om de betrekkelijk geringe krijgsmacht van Alba te verdrijven. Slechts enkelen waagden het, zich tegen het Spaansch geweld te verzetten en deze behoorden volstrekt niet tot de beste standen des volks; gedeeltelijk waren het voortvluchtige misdadigers, roovers, die hun schandelijk handwerk onder de leus van vaderlandsliefde dreven, ten einde bij de plattelandsbevolking bescherming te vinden voor de vervolging der rechtbanken, gedeeltelijk ook tot wanhoop gebrachte protestanten, die niet buiten ’s lands hadden kunnen vluchten en derhalve, om zich aan de klauwen van den bloedraad te onttrekken, naar de wapens grepen en een avontuurlijk leven leidden.
Talrijke benden, die zich zelven Wilde Geuzen of Boschgeuzen noemden, namen de onderscheidingsteekenen der omwenteling aan en begingen onder haren dekmantel afschuwelijke misdaden. Roovend en blakerend trokken zij het land door. Hun doel was, al de geleden ellende op de katholieken te wreken. Zij deden dit op eene wijze, welke hen in het oog van alle rechtschapen protestanten verachtelijk maken moest.
Een groot aantal kloosters werd geplunderd en verbrand, vele priesters werden verminkt of ten minste mishandeld. Het was eene schandelijke liefhebberij der Boschgeuzen, den katholieken priesters, die in hunne handen vielen, neus en ooren af te snijden en deze aan de manen en den staart hunner paarden te hangen.
Alba vaardigde tegen de Boschgeuzen een donderend edict uit, hij gaf aan een ieder verlof om hen, waar hij hen ook aantrof, zonder vorm van proces te dooden; hen, die de misdadigers in bescherming namen, bedreigde hij met de strengste straffen; doch hiermede bereikte hij zijn doel niet, eerst toen hij de gewapende macht tegen hen liet oprukken, gelukte het hem, de roovers voor eenigen tijd te onderdrukken.
De opstand der Boschgeuzen was alleen in zoo ver van eenig belang, dat hij den prins van Oranje versterkte in de meening, dat thans voor hem de oogenblik om te handelen gekomen was, dewijl hij op ondersteuning der Nederlanders kon rekenen. Hij wendde zich tot de protestantsche vorsten van Duitschland, voornamelijk tot den landgraaf van Hessen en den keurvorst van Saksen, ten einde zich van hunne hulp te verzekeren. Hij knoopte zoowel in Engeland als in Frankrijk betrekkingen aan; de Hugenooten in laatstgenoemd land leenden aan zijne voorstellen gewillig het oor, daar zij hem als hun natuurlijken vriend en bondgenootbeschouwden. Vele uit de Nederlanden gevluchte edellieden voegden zich bij hem, om onder hem tegen Alba en voor hun vaderland te strijden. Reeds had hij eene kleine legerafdeeling onder zijne bevelen; het bevel daarover droeg hij op aan zijn broeder Lodewijk van Nassau, dien hij den 6enApril 1568 te Dillenburg bepaaldelijk machtigde om verder troepen aan te werven en daarmede den hertog van Alba te bevechten.
Niet tegen den persoon van Philips, niet tegen diens rechten op het bewind over de Nederlanden, maar alleen tegen de Spaansche troepen van Alba gordde hij de wapenen aan. Nog altijd bleef hij vasthouden aan zijne verzekering, dat hij des konings trouwe dienaar was en juist om diens erflanden ongeschonden te bewaren, aan de heerschappij der Spanjaarden een eind maken en de door den koning zelven bezworen privilegiën tegen Alba in bescherming nemen moest.
Om een leger aan te werven en een gewapenden inval in de provinciën te doen, had Oranje in de eerste plaats geld noodig en dit bezat hij niet, daar hij uit zijne verbeurd verklaarde bezittingen in de Nederlanden geene inkomsten meer kon trekken. Ook de ondersteuning, hem door de voortvluchtige edelen verleend, was niet voldoende. Ten einde zich geld te verschaffen, moest de prins al zijne kleinoodiën, zelfs het kostbare huisraad zijner kasteelen, zijne paarden en andere voorwerpen van waarde verkoopen, en hij deed dit zonder aarzelen.
Volgens het door hem beraamde plan zou de inval indeprovinciën op drie verschillende plaatsen geschieden, twee kleine legerafdeelingen zouden in de zuidelijke Nederlanden vallen, terwijl Lodewijk van Nassau in de noordelijke de vaan van den opstand opsteken zou. Het plan werd volvoerd, maar niet met gelukkigen uitslag.
De invallen in het Zuiden werden door de Spanjaarden afgeslagen, alleen Lodewijk van Nassau behaalde in het Noorden aanvankelijk eenig voordeel. Met ongeveer 7000 man viel hij in het voorjaar van 1568 in Groningerland, en het gelukte hem den 23enMei een Spaansch legerkorps onder aanvoering van den hertog van Aremberg bij het klooster Heiligerlee te verslaan en uit elkander te drijven. Aremberg zelf sneuvelde, maar ook Lodewijk van Nassau had een zwaar verlies te betreuren: zijn jongsten broeder, graaf Adolf van Nassau, een veelbelovend jongeling, telde men insgelijks onder de dooden.
De overwinning bij Heiligerlee beteekende op zich zelve weinig, dewijl Lodewijk van Nassau daarvan geene partij trekken kon; hij had geen geschut voor de belegering der steden, die de steunpunten van zijne macht moesten uitmaken, wanneer hij op duurzame voordeelen wilde rekenen. Bovendien was hij te zwak om aan eene grootere Spaansche macht in het open veld het hoofd te bieden en daarom moest hij elk oogenblik vreezen, dat zijne slecht betaalde Duitsche huurtroepen hem de gehoorzaamheid zouden opzeggen.
Veel belangrijker was de zedelijke invloed der zegepraal. Tot heden hadden de Nederlanders de Spaansche keurtroepen als onoverwinlijk beschouwd; thans was het gebleken, dat zelfs een zwak leger, gelijk dat van Lodewijk, Alba’s in den oorlog vergrijsde krijgers kon overwinnen; hun moed herleefde, de overwinning bij Heiligerlee bereidde den lateren algemeenen opstand voor. Voorshands echter waren hare gevolgen noodlottig.
Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde dat Lodewijk van Nassau eenig voordeel had behaald. Hij besloot, zelf tegen denaanvoerder der opstandelingen op te trekken, doch eer hij dit deed, toonde hij den Brusselaars, hoe geducht zijne wraak jegens alle opstandelingen was.
Den 28enMei 1568 vaardigde hij een edict uit, waarbij Oranje, Lodewijk van Nassau, Hoogstraeten en vele andere edelen voor altijd uit het land verbannen werden; ingeval zij terugkeerden, zouden zij zonder omwegen ter dood worden gebracht. Al hunne goederen werden verbeurd verklaard, het paleis van Kuilenburg, waar de vergadering der geuzen gehouden was, werd geheel omvergehaald; op zijne puinhoopen werd een gedenkteeken opgericht.
Den eersten Juni werden 18 mannen van naam te Brussel ter dood gebracht; men stelde hunne hoofden op palen ten toon; den 2enJuni volgden vier anderen hen in den dood.
Den 3enkwamen in de hoofdstad twee compagniën voetvolk en twee escadrons ruiterij aan; zij begeleidden de graven van Egmond en Hoorne, die in een wagen van Gent waren overgebracht, om te Brussel te recht te staan.
Tegen beiden was na hunne gevangenneming een proces aangevangen, dat wel eene bittere bespotting van alle rechtsvormen heeten mocht. De aangeklaagden werden beschuldigd, dat zij met den prins van Oranje een complot hadden gesmeed, om den koning uit de Nederlanden te verdrijven en de provinciën onder elkaar te verdeelen; dat zij het verbond der edelen ondersteund, de ketters begunstigd en buitendien allerlei misdaden van hoogverraad gepleegd hadden.
Egmond en Hoorne hadden geëischt, als ridders van het Gulden Vlies, overeenkomstig de statuten dier orde, gericht te worden; de keizer zelf was voor hen bij Philips in de bres gesprongen, vele andere vorsten hadden dit voorbeeld gevolgd, doch de koning gedroeg zich naar den raad van Vargas, die hoonend uitriep: „Wat gaan uwe privilegiën ons aan?” Een rechtsgeleerd advies, door den geleerden Viglius opgesteld, trachtte deze zijne handelwijze te wettigen.
Viglius had namelijk gepoogd te bewijzen, dat de bescherming, welke de statuten van het Gulden Vlies den ridders dier orde verleende, zich niet uitstrekte tot zulke misdaden als waarvan Egmond en Hoorne beschuldigd werden. Op grond hiervan was den bloedraad de taak opgedragen om een vonnis te vellen en hij had, getrouw aan zijn karakter, dien last vervuld. Egmond en Hoorne werden ter dood veroordeeld, zonder dat het hun vergund was een verdediger te kiezen. De getuigen, op wie zij zich beriepen, ten einde hunne onschuld te bewijzen, werden niet gehoord; de geheele behandeling der zaak geschiedde in het diepste geheim. Dewijl Philips en Alba de veroordeeling geboden hadden, werd zij door den slaafschen bloedraad natuurlijk uitgesproken.
De voltrekking van het vonnis, een tijd lang vertraagd door een verzoek om genade, door de beide graven tot Philips gericht, werd bespoedigd door de overwinning van Lodewijk van Nassau bij Heiligerlee. Den 4enJuni 1568 verklaarde Alba plechtig voor God en de menschen, dat hij het doodvonnis tegen de beide hooggeplaatste landverraders moest voltrekken. Het document droeg de onderteekening van Philips II; Alba had daarvoor een der vele in blanco door den koning onderteekende stukken gebruikt, waarvan hij door dezen voorzien was.
In den namiddag van den 4enJuni ontbood Alba den bisschop vanYperenbij zich en gaf hem in last, terstond Egmond in de gevangenis tebezoeken, hem mee te deelen dat zijn lot beslist was en hem ter dood te bereiden.
Vol schrik viel de prelaat den hertog te voet, hij smeekte hem om genade voor den ongelukkige, of, wanneer hij zelf die genade niet verleenen mocht, om schorsing van het vonnis. Doch al zijn smeeken was vruchteloos; Alba antwoordde hem op gestrengen toon: „Gij zijt niet geroepen om mij raad te geven, maar om den veroordeelde als biechtvader bij te staan.” Met dit bescheid werd de bisschop weggezonden. Hij begaf zich naar de gevangenis, om zich van zijne treurige taak te kwijten.
Nauwelijks had hij den hertog verlaten, of de gravin van Egmond werd bij dezen aangemeld; zij was bij geruchte onderricht van het lot, dat haren echtgenoot wachtte, ijlde terstond naar Alba, wierp zich aan zijne voeten en smeekte om genade. Met ijskoude kalmte hoorde de hertog de smeekingen der rampzalige vrouw aan; hij troostte haar met de belofte, dat haar gade den volgenden dag vrij zou zijn. Met die afgrijselijke, dubbelzinnige scherts ontsloeg hij de gravin, in wier hart hij de zoetste, helaas! al te bedriegelijke hoop gewekt had. Later zou hij tot zijne rechtvaardiging hebben aangevoerd, dat, naar zijne meening, de dood alleen de ware vrijheid schonk.
Egmond lag reeds in een vasten slaap gedompeld, toen de bisschop van Yperen zijne gevangenis binnentrad. Hij werd gewekt. Aan de houding van den prelaat bemerkte hij terstond, dat deze hem eene noodlottige tijding kwam brengen. Zonder te verbleeken las hij het document, dat zijn doodvonnis bevatte. Hij was, zoo wordt ons meegedeeld, meer verrast dan verschrikt, daar hij het nooit mogelijk had geacht, dat zijn proces zulk een einde zou nemen. Nog eens vraagde hij den bisschop, of dan alle hoop op genade vervlogen was, of althans de uitvoering van het vonnis niet verschoven kon worden. Doch toen hij ten antwoord ontving, dat er geen hoop meer voor hem bestond kreeg hij oogenblikkelijk zijne kalmte terug.
Hij bracht den nacht in het gezelschap van den geestelijke door en ontving uit diens handen het avondmaal. Tot zijn laatsten ademtocht betoonde hij zich een oprecht katholiek, gelijk hij steeds geweest was. Tegen den morgen schreef hij den volgenden brief aan den koning:
„Sire! Heden avond heb ik het vonnis vernomen, dat het Uwe Majesteit behaagd heeft over mij uit te spreken. Alhoewel ik nooit iets in de gedachten genomen, noch, zoover mij bewust is, iets gedaan heb wat tot nadeel van Uwer Majesteits persoon of dienst of tot verkorting van onze ware, oude katholieke godsdienst strekken kon, wil ik evenwel geduldig dragen wat het den goeden God behaagd heeft mij te laten toekomen. Indien ik onder deze beroerten in de Nederlanden iets gedaan of toegelaten heb, dat hiermede niet overeen scheen te komen, dan is het geschied met de waarachtige goede bedoeling om God en Uwe Majesteit te dienen en door den nood der tijden. Daarom bid ik Uwe Majesteit, mij te vergeven en medelijden te hebben met mijne arme vrouw en kinderen en bedienden, uit aanmerking mijner voormalige diensten. In welke hoop ik mij thans aan Gods Genade aanbeveel.Uit Brussel,Ter dood bereid, 5 Juni 1568.Uwer Majesteits ootmoedige en getrouwe onderdaan en dienaarLamoraal d’ Egmond.”
„Sire! Heden avond heb ik het vonnis vernomen, dat het Uwe Majesteit behaagd heeft over mij uit te spreken. Alhoewel ik nooit iets in de gedachten genomen, noch, zoover mij bewust is, iets gedaan heb wat tot nadeel van Uwer Majesteits persoon of dienst of tot verkorting van onze ware, oude katholieke godsdienst strekken kon, wil ik evenwel geduldig dragen wat het den goeden God behaagd heeft mij te laten toekomen. Indien ik onder deze beroerten in de Nederlanden iets gedaan of toegelaten heb, dat hiermede niet overeen scheen te komen, dan is het geschied met de waarachtige goede bedoeling om God en Uwe Majesteit te dienen en door den nood der tijden. Daarom bid ik Uwe Majesteit, mij te vergeven en medelijden te hebben met mijne arme vrouw en kinderen en bedienden, uit aanmerking mijner voormalige diensten. In welke hoop ik mij thans aan Gods Genade aanbeveel.
Uit Brussel,
Ter dood bereid, 5 Juni 1568.Uwer Majesteits ootmoedige en getrouwe onderdaan en dienaar
Lamoraal d’ Egmond.”
Ook de graaf van Hoorne had de tijding, dat het doodvonnis uitgevoerd zou worden, met kalme standvastigheid ontvangen, maar hij schreef niet zulk een ootmoedigen brief aan den koning als zijn vriend.
Den 5enJuni, met het aanbreken van den dag, werden 3000 Spaansche soldaten op de groote markt te Brussel en rondom het in het midden van het plein opgerichte schavot in slagorde geschaard. Op hetzelfde plein, waar Egmond de gelukkige overwinnaar in zoo menig tournooi was geweest, zou hij heden sterven!
Omstreeks 11 uur haalde eene Spaansche compagnie, door Juliaan Romero aangevoerd, Egmond uit de gevangenis. Men wilde hem de handen binden, maar hij uitte denwensch, dat die vernedering hem bespaard zou worden, sloeg zijn tabbaard open en toonde dat hij, ten einde den beul een deel van diens werk te besparen, zelf de kraag van zijn wambuis afgesneden had. Romero willigde zijn verzoek in.
Door den bisschop van Yperen vergezeld, begaf Egmond zich met vasten tred naar het schavot. Onderweg las hij een psalm. Toen hij het schavot beklommen had, liep hij het eenige malen op en neder. Hij sprak zijn leedwezen uit, dat hij niet met een degen in de hand voor zijn vaderland en zijn koning sterven mocht.
Nog eens kwam de hoop op begenadiging in den uitersten oogenblik bij hem op. Hij wendde zich tot Romero met de vraag, of het vonnis onherroepelijk was. Toen de generaal als eenig antwoord treurig de schouders ophaalde, klemde Egmond niet in wanhoop, maar in toorn de tanden op elkaar. Doch oogenblikkelijk keerde zijne bedaardheid terug, hij wierp zelf zijn bovenkleed af en terwijl hij met eene krachtige stem riep: „God in Uwe handen beveel ik mijnen geest!” boog hij het hoofd op het blok. Met één slag scheidde de beul het hoofd van den romp. Geen enkele kreet ontsnapte aan den mond der dicht rondom het schavot opeengepakte menigte, alle toeschouwers waren in het diepst hunner ziel geroerd, uit menig oog vloeiden tranen, zelfs de Spaansche soldaten weenden om den man, dien zij als den held van St. Quentin en Grevelingen hoogschatten.
De Fransche gezant, die het schouwspel bijwoonde, zeide tot zijn buurman, dat hij hier het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had.
De hertog van Alba, die uit een venster getuige van de strafoefening was, kon—naar men verhaalt—zijne tranen niet bedwingen!
Men wierp een zwart laken over het lijk en voerde hierop ook den graaf van Hoorne door de menigte heen; kalm groette hij alle bekenden, die hij onderweg ontmoette. Even moedig als Egmond ging hij den dood te gemoet, met hetzelfde woord op de lippen als zijn vriend ontving hij den doodelijken slag.
Egmond en Hoorne worden door de Nederlanders nog heden ten dage als martelaars voor de vrijheid vereerd, doch ten onrechte. Wel waren beiden de slachtoffers der afgrijselijke, met alle recht en wet spottende staatkunde van een ondankbaar en gewetenloos dwingeland, maar martelaars der vrijheid waren zij niet. Niets was dwazer dan de lage wraakzucht, waaraan Philips II twee mannen opofferde, wier gansche verleden bewees, dat ze zijne trouwe aanhangers waren. Voor de vrijheid des volks hadden zij nooit eenig gevoel gehad, beiden waren heftige tegenstanders der hervorming.
Egmond had zich zelfs als een verbitterd en wreed vervolger van de beeldstormers doen kennen. Hij zou dat,—zijn laatste meer dan deemoedige brief aan den koning bewijst het—indien hij langer geleefd had, ook gebleven zijn. Ja men mag vrijelijk beweren, dat hij zijne talenten als veldheer tot onderdrukking van den opstand der Nederlanders zou hebben aangewend, indien Philips hem, in plaats van hem te dooden, het bevel over eene Spaansche bende opgedragen had. Eerst zijn dood heeft hem en zijnen vriend tot vrijheidshelden gemaakt. Uit hun bloed, waarin de menschen, die het schavot omringden, niet langer door vrees voor de Spanjaarden teruggehouden, hunne zakdoeken doopten, is de vrijheid der Nederlanden ontsproten, niet ten gevolge van Egmond’s werkzaamheid, maar tengevolge van zijn ongeluk en van de schreeuwende onrechtvaardigheid, willekeur en wreedheid van een koning, wiens bloeddorstige tyrannie door dezen moord voor het oog des volks voor altijd ontsluierd werd.