Zevende Hoofdstuk.

Zevende Hoofdstuk.De Nederlanden. Alba’s tocht naar Friesland. Slag bij Jemmingen. Nederlaag en vlucht van Lodewijk van Nassau. Hachelijke toestand van Oranje. Zijne nieuwe krijgstoerustingen. Inval in Brabant. Alba’s plan. Alba’s overwinning ten gevolge van zijn dralen. Alba’s zelfverheffing. Zijn standbeeld. Huwelijk van Philips II. Montigny in den kerker vermoord. Alba’s nieuwe belastingen. Tegenstand der provinciën. De amnestie. Overstrooming. Verzet in den staatsraad tegen de nieuwe belastingen. Viglius en Barlaimont. Algemeen oproer.Alba had de sinds lang vastgestelde doodstraf van Egmond en Hoorne bespoedigd, omdat hij het niet raadzaam achtte, twee zulke belangrijke gevangenen levend achter te laten, terwijl hij zelf tegen Lodewijk van Nassau optrok. Hij zou ten minste 3000 man Spaansche troepen noodig gehad hebben om elke poging tot bevrijding van de gevangenen te verijdelen, en zulk een aantal troepen kon hij niet missen; daarom liet hij de hoofden vallen, eer hij zelf zich naar het oorlogstooneel in het Noorden begaf.Onverwijld verzamelde hij zooveel manschappen als hij bijeentrekken kon. Al zijne strijdkrachten vereenigde hij bij Groningen. In ’t geheel bedroegen deze ongeveer 15.000 man keurtroepen; buitendien had hij nog een aanzienlijk getal minder goed geoefende soldaten tot zijne beschikking.Lodewijk van Nassau was intusschen niet in staat geweest om van de overwinning bij Heiligerlee partij te trekken; daartoe ontbrak het hem in de eerste plaats aan geld. Te vergeefs poogde hij in de Nederlanden zelve door vrijwillige contributiën zich de noodige middelen tot het voortzetten van den oorlog te verschaffen en dreigde hij allen, die weigerden hem bij te staan, als vijanden des vaderlands te zullen behandelen. Wel zouden de boeren hem gaarne ondersteund hebben, maar zij durfden nietop de overwinning hopen en zij wisten maar al te goed, dat Alba zich bloedig op hen wreken zou, indien zij slechts een enkel teeken van verstandhouding met den graaf van Nassau gegeven hadden.Vol verontwaardiging vaardigde Lodewijk twee proclamaties uit, waarin hij dreigde de huizen in brand te zullen steken van allen, die hem de noodige contributie weigerden. De hertog van Alba vaardigde ook van zijn kant eene proclamatie uit, die aan de kerkdeuren en andere openbare plaatsen aangehecht werd, waarin hij aankondigde, dat ieder Nederlander, die het waagde, den rebellen geld te geven, later het dubbele van die som aan de Spanjaarden betalen en bovendien als schuldig aan hoogverraad gestraft worden zou.Zoo verkeerden de ongelukkige bewoners van die streek in den hachelijksten toestand. Gaarne zouden zij Lodewijk van Nassau gehoorzaamd hebben, doch Alba was in hunne oogen zoo vreeselijk, dat zij het niet durfden doen. De vrees voor zijne wraak was sterker dan die voor Lodewijk’s toorn, zij gaven dezen slechts zóóveel als zij even moesten en maakten het hem daardoor onmogelijk, zijne Duitsche huurtroepen te betalen.De toestand van den graaf werd dus uiterst hachelijk. Met zijne 10 tot 12.000 man—zoo hoog was na de versterkingen, die hij ontvangen had, het aantal zijner troepen—had hij wel den oorlog met eenig uitzicht op zegepraal kunnen voortzetten, indien zijne huurtroepen slechts hadden willen vechten. Maar deze weigerden dit en zelfs toen de geduchte hertog reeds met zijne Spaansche troepen tegenover hen stond, rebelleerden zij nog tegen hunnen veldheer. Zij wilden niet vechten, eer hun de achterstallige soldij uitbetaald was. Eerst toen Lodewijk hun voorhield, dat zij geene andere keus hadden dan òf te vechten òf zich weerloos te laten neerhouwen, daar zij van Alba geene genade hadden te wachten, besloten zij schoorvoetend te gehoorzamen.Bij Jemmingen kwam het den 21enJuli 1568 tot een beslissenden slag. Lodewijk had eene sterke, goed gekozene stelling ingenomen; hier zou hij zich zeker tegenover de slechts weinigsterkeremacht van Alba staande gehouden hebben, indien zijne soldaten iets hadden bezeten van den vurigen moed en de koene beradenheid, die hun aanvoerder bezielden. Doch dit was, helaas! niet het geval: reeds bij den eersten aanval der Spanjaarden wierpen vele lafaards de wapenen weg en vluchtten.Eene grenzenlooze verwarring ontstond in het geuzenleger; de vlucht werd weldra algemeen. Het was niet langer een slag, maar eene slachting, om het woord des dichters hier te bezigen.De Spanjaarden hieuwen de vluchtelingen bij geheele hoopen neder. Zij, die aan hun zwaard ontkwamen, wierpen zich in de Eems en verdronken. Hoe vreeslijk de slachting geweest is, blijkt uit de cijfers, die tot ons gekomen zijn, al zijn deze dan ook een weinig overdreven. Men zegt, dat op dien dag 7 Spanjaarden en 7000 rebellen gedood zijn.Nog twee dagen lang vermoordden Alba’s zegevierende krijgers alle Duitsche huurlingen, die zij in den omtrek uit hunne schuilhoeken te voorschijn haalden. Alle velden en weilanden waren met weggeworpen wapenen en met lijken bedekt.Graaf Lodewijk van Nassau zelf had slechts door eene overhaaste vlucht zijn leven kunnen redden. Ten einde den overwinnaars te ontkomen, had hij, toen hij zag dat alles verloren was, zijne kleederen weggeworpen en zich in de Eems gestort. Gelukkig bereikte hij al zwemmendeden tegenoverliggenden oever; hier vond hij eenige vluchtelingen, aan wier hoofd hij zich stelde en met wie het hem gelukte naar Duitschland terug te keeren.Het Spaansche leger vereenigde zich twee dagen later binnen Groningen; het trok van zijne overwinning partij, om eene vreeselijke wraak te oefenen op de ongelukkige bewoners des lands voor hunne twijfelachtige trouw. Alba liet het toe, dat zijne onmenschelijke soldaten daar huis hielden als in eens vijands land, dat zij burgers en boeren vermoordden, vrouwen en meisjes verkrachtten, dat zij alles roofden wat in hun bereik viel en de weerlooze dorpen in brand staken.Na de overwinning keerde Alba naar Brussel terug; hij luisterde haar op door de uitvoering van een aantal doodvonnissen. Schier allen, die nog in den kerker zuchtten, werden thans ter dood gebracht. Thans werden ook Burgemeester van Stralen, Bakkerzeel, Laloo en anderen aan den beul overgeleverd.De prins van Oranje verkeerde na de nederlaag zijns broeders in een waarlijk wanhopigen toestand. Een groot deel der door hem aangeworven troepen was verslagen en verstrooid, Alba zegepraalde, en de protestanten hadden alle hoop op een goeden uitslag opgegeven. Zelfs des prinsen vrienden, de Duitsche vorsten, geloofden thans niet langer, dat het hem mogelijk zou zijn, met goeden uitslag den zegevierenden hertog te bestrijden. Zij trokken hunne beloften van hulp in en vermaanden hem, elk plan op een inval in de Nederlanden op te geven en kalm den loop der gebeurtenissen af te wachten. Zoo spraken de ijverigste protestantsche vorsten, de keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen. De keizer zelf waarschuwde in ernstige bewoordingen tegen het aanwerven van troepen in het Duitsche rijk. „Wanneer Gij den rijksvrede verstoort en ons met onzen dierbaren broeder en neef Philips II in ongelegenheid brengt, dan is dit voor Uwe verantwoording,” zoo schreef hij aan den prins.In weerwil van deze raadgevingen en bedreigingen, stond toch Oranje’s besluit tot voortzetting van den strijd vast. Den keizer beantwoordde hij in een eerbiedigen brief, waarin hij zich op zijn vorstenrecht beriep en de ondragelijke dwingelandij schilderde, waaraan Alba zich tegenover de Nederlanders schuldig maakte. Tegelijk vaardigde hij eene oorlogsverklaring aan Alba en twee proclamaties uit, waarin hij het Nederlandsche volk verzekerde, dat hij de trouwste dienaar des konings was en niet tegen dezen, maar alleen tegen Alba de wapenen opvatte. „Juist omdat wij tot den loyaalsten dienst jegens den koning verplicht zijn”, zeide hij in die stukken, „en dewijl wij het diepste medelijden met zijne vasallen koesteren, is het ons onmogelijk, langer werkeloos zoovele daden van moord, diefstal en geweld aan te zien. De koning, daarvan zijn wij zeker, is slecht omtrent den toestand der Nederlanden onderricht. Wij vatten de wapenen op, om ons met de hulp van den God der barmhartigheid tegen de dwingelandij der Spanjaarden en de bloeddorstige plannen des vijands te verzetten. Wij roepen alle trouwe burgers der Nederlanden op, om ons ter hulp te snellen: mogen het ongeluk des lands, het gevaar eener eeuwige slavernij voor hen en hunne kinderen en de volkomen ondergang van de evangelische godsdienst hun ter harte gaan! Niet, wanneer zij zich slaafs aan den bloeddorst van den hertog van Alba onderwerpen, kunnen de provinciën hopen, hun ouden voorspoed en hunne oude rechten te herwinnen, maar alleen wanneer zij daarvoor dapper de wapenen opvatten.”Zoo sprak de prins tot de Nederlanders; hij riep hen op om de Spanjaarden voor altijd uit het land te helpen verdrijven en hem hiertoe de noodige geldmiddelen te verschaffen. De rijken moesten van hun overvloed, de armen van hunnen nooddruft tot bereiking van het algemeene doel bijdragen; hij bezwoer hen plechtig bij God, het vaderland en de wereld, te handelen, terwijl het nog tijd was.Een belangrijk gevolg had Oranje’s beroep op de vaderlandsliefde der Nederlanders niet; juist de rijksten bleven het meest achter. Eenige protestantsche predikers waagden hun leven, om in hunne arme gemeenten gelden voor den prins in te zamelen en ze hem over te brengen. De ballingen gaven ook zooveel als zij konden, doch de rijke kooplieden en de trotsche edellieden, die zich nog in de Nederlanden bevonden en tot dusver door Alba niet waren vervolgd, gevoelden geen lust om zich des hertogs wraak door het ondersteunen van den prins op den hals te halen.In weerwil van dit alles gelukte het aan Oranje’s rustelooze bemoeiingen, een leger van 30.000 man onder de wapenen te brengen. Daarmede opende hij in het laatst van September 1568 den veldtocht; hij rukte Brabant binnen en hier vond hij weldra den hertog van Alba tegenover zich, die met de grootste geestkracht alle Spaansche troepen bijeen getrokken had, om zijn gevaarlijksten vijand het verder doordringen in de Nederlanden te beletten.Hoe vast Alba’s besluit stond, om zijn vijand niet alleen te bevechten, maar te vernietigen, toonde hij vóór het begin der vijandelijkheden. De prins zond hem een heraut, om hem voor te stellen, de gevangenen van weerszijden niet te dooden, maar uit te wisselen. Nauwelijks was de heraut van het paard gestegen, om zijne boodschap over te brengen, of hij werd gegrepen en op staanden voet opgehangen. Dit was het eenige antwoord des hertogs op dien vredelievenden voorslag. Slechts terloops zeide hij, dat hij met muiters vóór den slag niet onderhandelde en hun na den slag geene genade verleende.Welk een stoute taal Alba ook voerde, toch had hij volstrekt geen lust om zich met Oranje in het open veld te meten; door een grooten slag kon hij alles verliezen en slechts weinig winnen, het gevaar was voor hem nu veel grooter dan bij den strijd tegen Lodewijk van Nassau. Toen was het tooneel van den oorlog eene verwijderde provincie geweest, thans lag het in het hart der Nederlanden; indien de prins hier eene overwinning behaalde, zou hij zich zonder moeite tot heer van het geheele land kunnen verheffen.Alba wist maar al te goed, hoe gehaat hij zelf en hoe geliefd de prins was; behaalde deze slechts ééne zegepraal, dan zou de geheele bevolking des lands zich rondom zijne vanen scharen. Begon eens de roep van onoverwinnelijkheid, waarin de hertog stond, te tanen, dan had hij alles te vreezen.Oranje had een leger van ongeveer 30.000 man onder de wapenen, Alba stond aan het hoofd van niet meer dan 20.000 man; wel waren zijne soldaten geoefende veteranen, op wie hij zich onder alle omstandigheden verlaten kon, terwijl Oranje’s leger grootendeels uit huurlingen bestond; wel mocht de hertog daarom, in weerwil van de mindere sterkte zijner legermacht, op eene zegepraal hopen, maar veel veiliger was het in zijn oog, door opzettelijk dralen de hulp in te roepen van een bondgenoot, die hem ten slotte de overwinning verzekeren moest.Reeds was het jaargetijde ver gevorderd; de winter, en met hem gebrek aan levensmiddelen voor het huurleger, was in aantocht. Oranje had—hiervan was de hertog onderricht—geen geld om zijne Duitsche troepen gedurende een langen tijd te bezoldigen; werd het hem onmogelijk gemaakt zich geld te verschaffen, dan zou een opstand der huurtroepen hiervan het onvermijdelijk gevolg zijn. Op deze berekening bouwde Alba zijn plan om zich nooit tot een beslissenden slag te laten verlokken en alleen den prins het verder doordringen in het land te beletten. Met eene bewonderenswaardige krijgskunst volvoerde hij zijn plan.De geheele veldtocht duurde niet veel langer dan eene maand; 29maal veranderde de prins van stelling, om den hertog tot een slag te noodzaken, maar altijd vruchteloos; waarheen hij zich ook wendde, altijd zag hij de Spanjaarden als zijn schaduw achter zich en toch kon hij hen maar niet tot een treffen dwingen.De uitkomst rechtvaardigde volkomen het beleid van den hertog. Het ontbrak den prins zoowel aan geld als aan levensmiddelen, want de inwoners des lands, voor Alba’s wraak beducht, weigerden die den muiters te verschaffen. Nergens vonden de 30.000 man des prinsen de noodige middelen om in hun onderhoud te voorzien en het kon niet missen, of de huurtroepen begonnen te morren; weldra brak er eene openbare muiterij in ’s prinsen kamp uit en slechts met moeite gelukte het dezen, een algemeenen opstand te onderdrukken.Niet gunstiger werd Oranje’s toestand, toen eene schaar Fransche Hugenooten onder bevel van den graaf van Genlis hem ter hulp kwam. Wel gelukte het hem, zich met dezen te vereenigen, maar hij moest dit voordeel met een zwaar verlies bekoopen. Bij een onverhoedschen aanval, door Alba op zijne achterhoede ondernomen, sneuvelde de graaf van Hoogstraeten, zijn trouwe vriend.Het meesterlijk door Alba uitgevoerde krijgsplan bracht den prins tot wanhoop; hij had gehoopt, dat het Nederlandsche volk hem met geestdrift als zijn bevrijder ontvangen zou, maar geene enkele stem verhief zich, om hem juichend te begroeten; overal vond hij de poorten gesloten, overal ontmoette hij afkeer en vrees.Wel wist hij, dat deze stemming terstond zou veranderen bij de eerste zegepraal, die hij bevocht, doch zelfs met inspanning van alle krachten kon hij den hertog niet tot een gevecht noodzaken.De muiterij in zijne legerplaats werd met elken dag gevaarlijker; spoedig moest hij begrijpen, dat het hem niet lang meer mogelijk zou zijn, zijne misnoegde soldaten in bedwang te houden.De graaf van Genlis en de overige Fransche officieren zagen insgelijks zeer goed de onmogelijkheid in om iets met goed gevolg uit te richten. Zij rieden den prins, met hen de Nederlanden te verlaten en den Franschen Hugenooten ter hulp te snellen. Doch de Duitsche huurtroepen wilden hiervan niets weten; zij verklaarden, dat zij aangeworven waren om tegen den hertog van Alba in de Nederlanden, niet om tegen koning Karel IX in Frankrijk te strijden. Oranje zag zich onder zulke omstandigheden genoodzaakt om zijn bevrijdingsplan op te geven en naar Duitschland terug te keeren.Den 17enNovember trok zijn leger de Nederlandsche grenzen weer over.Met zijne op groote schaal aangelegde onderneming had hij niets gewonnen;hij moest zijne troepen ontslaan, nadat hij zich diep in schulden gestoken had, en zonder dat het hem mogelijk was geweest, hun zelfs de achterstallige soldij te betalen. Dewijl hij voorshands de hoop moest opgeven om zijn zwaard aan de zaak der Nederlanders te kunnen wijden, sloot hij zich met zijne beide broeders, Lodewijk en Hendrik (een achttienjarig jongeling), bij het leger der protestanten in Frankrijk aan.De hertog van Alba keerde, nadat hij den prins van Oranje uit de Nederlanden verdreven had, in zegepraal naar Brussel terug. Hier dwong hij het volk om feest te vieren te zijner eere; de burgers der hoofdstad moesten bloemen op den weg strooien en lofzangen aanheffen, om den roem des overwinnaars te verheerlijken. Op het plein, dat de hoofden van Egmond en Hoorne had zien vallen, werd een prachtig steekspel gehouden.Paus Pius V zond den hertog een gewijden degen en hoed, om hem als verdediger van de Roomsche kerk te eeren. Doch Alba droeg in zijne ijdele zelfverheffing zorg, dat hem nog eene grootere eere wedervoer: hij liet door Jacob Jongeling, een bekwaam kunstenaar, een reusachtig metalen standbeeld gieten, waartoe hij het bij Jemmingen veroverde geschut bezigde. Het standbeeld stelde den hertog voor, gelijk hij met den voet eene tweehoofdige, vierarmige gestalte vertreedt; zij droeg het pralend opschrift: „Voor Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, stadhouder der Nederlanden onder Philips II, den verdelger van het oproer, den tuchtiger der muiterij, den hersteller der godsdienst, den trouwsten dienaar zijns konings is dit gedenkteeken opgericht.”Over de beteekenis van de tweehoofdige gedaante liepen de gevoelens der Nederlanders uiteen. Eenigen beweerden, dat Egmond en Hoorne, anderen, dat Willem en Lodewijk van Nassau, weder anderen dat adel en volk daardoor afgebeeld werden.Het standbeeld werd in de door Alba gebouwde citadel van Antwerpen opgericht.Niet alleen de Nederlanders gevoelden zich door Alba’s ijdele zelfverheffing gekrenkt, ook koning Philips II was het onaangenaam, dat zijn dienaar op deze wijze zichzelven verheerlijkte; zijn vorstentrots was beleedigd en des hertogs vijanden te Madrid droegen wel zorg, dit den koning altijd weer te herinneren, wanneer hij op het punt stond, om den wil van Alba’s goede diensten die daad van hoogmoed voorbij te zien.Ook de klachten, door keizer Maximiliaan over Alba’s wreed bewind in de Nederlanden ingebracht, oefenden wel eenigen invloed op den koning uit. Al weigerde Philips beslist, de kettersche muiters zachter te behandelen, toch begon hij bij zijn achterdochtig karakter te vermoeden, dat Alba wel wat eigendunkelijk en trotsch in de Nederlanden te werk ging; zijne genegenheid voor den hertog verkoelde, zonder dat hij daarom jegens de Nederlanders zachter en vriendelijker gestemd werd.Met keizer Maximiliaan trad Philips II kort daarop in eene nauwe verbintenis: hij huwde diens dochter Anna. Toen de vorstin op hare reis naar Spanje door de Nederlanden trok, betoonde zij zich uiterst genadig jegens de gravin van Hoorne, de moeder van den onthoofden graaf! Zij beloofde haar, zorg te zullen dragen, dat althans haar tweede zoon, de baron van Montigny, die nog in Spanje gevangen zat, niet het lot zijns broeders zou deelen; doch zij was niet in staat om deze belofte te houden,want Philips II liet Montigny in den kerker ombrengen1. De nauwe verbintenis van Philips II met den keizer had voor de Nederlanders dit treurig gevolg, dat Maximiliaan in zijn ijver als voorspraak voor de onderdrukten zeer verslapte en dat ook de protestantsche vorsten van Duitschland veel minder dan vroeger geneigd waren om hunne ongelukkige geloofsgenooten krachtig te ondersteunen.Intusschen ging de hertog van Alba voort, de Nederlanders op zijne geliefkoosde wijze te regeeren. De eene terechtstelling volgde op de andere, de goederen der vermoorden kwamen aan de kroon.Doch hoe ijverig de bloedraad Alba op zijne wenken ook diende, toch gelukte het hem niet, door die verbeurdverklaringen zulke aanzienlijke sommen te verkrijgen als de hertog eischte. Deze zon derhalve op middelen om den provinciën de gewenschte sommen af te persen. Hij besloot, nieuwe belastingen in te voeren, hoewel dit besluit in onverzoenlijken strijd was met de oude privilegiën der Nederlanders, welke Philips II bij zijne troonsbestijging zonder eenig voorbehoud bezworen had. Die privilegiën toch bepaalden duidelijk en nadrukkelijk, dat de vorst of zijn stadhouder, wanneer hij geld wilde hebben, in persoon voor de staten der provinciën verschijnen en voor hen zijne „bede” uitspreken moest. Den Staten kwam dan het recht toe om het verzoek te weigeren of in te willigen: zoo had men ten allen tijde gedaan.Slechts zelden hadden de vorsten zich behoeven te beklagen, dat hun van de zijde der Staten de gelden, welke zij noodig hadden, geweigerd waren. Toch wilde Alba dien weg volstrekt niet inslaan. Hij achtte het eenen vorst onwaardig, zich met eene bede tot zijne onderdanen te wenden. Welk recht bezaten de Nederlanders, die allen door de heilige inquisitie des doods schuldig waren verklaard, om zelfstandig te beslissen of zij de door den vorst geëischte gelden betalen wilden of niet? Zulk een recht was in des hertogs oog eene ondragelijke aanmatiging; hij besloot het te verkrachten en op eigen gezag, zonder zelfs de toestemming van Philips II af te wachten, drie nieuwe belastingen in te voeren.Hij deed dit den 20enMaart 1569 in eene vergadering, welke hij te Brussel uit de verschillende provinciën bijeengeroepen had.De drie nieuwe belastingen van Alba waren: 1eeene belasting van 1% op alle roerende en onroerende goederen, voor ééns te betalen; 2eeene belasting van 5% van alle onroerende en 3eeene van 10% op alle roerende goederen, die telkens bij den verkoop dier goederen opgebracht moesten worden: eene belasting, die voor altijd den Nederlanders opgelegd werd. De beide laatste belastingen werden de 20een de 10epenning genoemd.De indruk, welke des hertogs eigendunkelijke handelwijze op de bevolking der Nederlanden maakte, is onmogelijk te beschrijven. Aan zijne maatregelen van geweld had men zich tot dusver lijdzaam onderworpen. Hoe talrijk het aantal doodvonnissen ook was geweest, toch waren daardoor slechts enkelen getroffen, maar de nieuwe belastingen drukten op allen zonder onderscheid, op de goede Katholieken zoowel als op de ketters, opde trouwe aanhangers des konings zoowel als op zijne tegenstanders. Zelfs zulke Nederlanders, die den hertog met onwankelbare trouw gediend hadden, waren verontwaardigd over dezen willekeurigen maatregel. De grijze Viglius smeekte den hertog met ernstige, dringende woorden, dat hij zulk een plan, hetwelk toch niet uitgevoerd kon worden, zou laten varen. Maar Alba bleef, gelijk altoos, onverzettelijk. Hij kon werkelijk niet begrijpen waarom zulk eene belasting niet geheven zou kunnen worden; eene dergelijke toch werd in Spanje door het geheele volk betaald en niet anders geschiedde het in zijn eigen hertogdom Alba, dat hem op die wijze jaarlijks 50.000 dukaten opbracht. Zijn gebrek aan kennis van het volksleven maakte hem blind voor het onderscheid tusschen eene groote handeldrijvende natie en de inwoners van een klein, afgelegen hertogdom zonder handel of nijverheid. Hij begreep niet, dat door eene dergelijke belasting de handel der Nederlanders geheel vernietigd zou worden.Indien het tiende deel van de waarde eener koopwaar bij elken verkoop betaald moest worden, dan lag het voor de hand, dat wellicht reeds in weinige weken door herhaalde omzetting hare geheele waarde in den vorm van belasting betaald zou moeten worden. Zulk eene belasting kon een handeldrijvend volk niet betalen, zonder geheel te gronde te worden gericht. Dit zeide men dan ook onverholen in de talrijke petities, die van alle kanten bij de regeering werden ingediend.De staten der verschillende provinciën protesteerden; ten einde den hertog niet al te zeer te verbitteren, willigden zij in, één percent van aller vermogen in eens te betalen, maar zij namen geen genoegen met den 20enen 10enpenning.Alba liet zich door dit protest niet van zijn stuk brengen; hij besloot zijn wil door te drijven, tegen den raad zijner trouwste aanhangers in; en zoo gevreesd had hij zich gemaakt, dat het hem gelukte de staten der provinciën allengs tot toegevendheid te bewegen. De eene provincie na de andere gaf gedwongen hare toestemming; doch alle knoopten daaraan de voorwaarde vast, dat de belasting dan alleen geheven mocht worden, wanneer geene enkele provincie hare goedkeuring daaraan onthield. Alleen de stad en de provincie Utrecht volhardden in haren tegenstand; tot straf hiervoor werden zij aan hoogverraad schuldig verklaard en van al hare rechten en vrijheden beroofd.In het midden van het jaar 1569 kon Alba reeds aan Philips schrijven, dat thans eindelijk alle provinciën het hoofd in den schoot gelegd hadden: hij wenschte den koning geluk met de drie en een half millioen gulden, welke deze voortaan jaarlijks, nadat alle onkosten der regeering betaald waren, uit de Nederlanden trekken zou. Doch hij had te vroeg victorie gekraaid! Al de staten trokken weldra hunne afgedwongene toestemming weder in, dewijl, zoolang de provincie Utrecht niet vrijwillig de belasting goedkeurde, ook de andere daartoe niet gedwongen konden worden. Zij weigerden de heffing van den 20enen 10enpenning op hun grondgebied.Alba had dringend geld noodig. Om het te verkrijgen, gaf hij voor het oogenblik toe. Hij sloot met de staten eene overeenkomst, volgens welke de provinciën jaarlijks drie en een half millioen gulden zouden betalen tot Augustus 1571; eerst daarna zou de heffing van den 20enen 10enpenning volgen.Door dit verdrag werden de gemoederen weder een weinig bedaard.De hertog zelf had er thans belang bij, de Nederlanders een weinigmet zijne regeering te verzoenen; hij vernam uit Madrid, dat zijne vijanden ijverig tegen hem in de weer waren, dat zij elke klacht, die tegen hem bij den koning ingebracht werd, krachtig ondersteunden. Ja men fluisterde aan het Spaansche hof reeds, dat Philips van plan was den hertog uit de Nederlanden terug te roepen.Alba begreep dus, dat hij wat zachter dan vroeger regeeren moest, en toen Viglius hem voorstelde, eene algemeene amnestie af te kondigen, verklaarde hij zich daartoe bereid, mits de grootste staatmisdadigers en ketters daarvan uitgesloten bleven.Viglius ontwierp een aantal plannen, die den koning toegezonden werden; deze liet het aan den hertog over, het meest geschikte uit te kiezen.Den 14enJuli 1570 werd te Antwerpen de lang verbeide Amnestie plechtig afgekondigd. Het volk had op dit „generaal pardon,” zooals het genoemd werd, groote verwachtingen gebouwd, doch het werd op de pijnlijkste wijze teleurgesteld, want in de oorkonde der amnestie werden zoovele uitzonderingen gemaakt, dat de uitzondering tot regel verheven werd en dat de bloedraad, evenals te voren, de macht bleef bezitten om elken Nederlander ter dood te brengen. Uitgesloten van de weldaad der amnestie waren alle kettersche predikers, allen, die dezen ooit bescherming hadden verleend, alle beelden- en kerkstormers, alle bekende ketters, alle onderteekenaars van het compromis, allen, die kettersche leerstellingen verbreid of hare verbreiding begunstigd hadden. Hun, die aan zulke misdaden schuldig stonden, werd het wel vergund, zich binnen zes maanden aan te melden, met de belofte van een zacht vonnis, doch het volk beschouwde die belofte slechts als een bedriegelijk lokaas, opdat een groot aantal schuldigen zich aanmelden en ter dood gebracht worden zou. Het generaal pardon verhoogde slechts de ontevredenheid van het ongelukkige volk, dat zich op nieuw met eene zoete hoop gevleid had en op nieuw teleurgesteld werd.Bijna was het, alsof de Nederlanders in die dagen den lijdensbeker tot den bodem moesten ledigen, alsof de natuur zelve met Alba in bondgenootschap trad, om den ondergang des lands te voltooien.Eene vreeselijke overstrooming richtte in het jaar 1570 aan alle Nederlandsche kusten onnoemlijke schade aan; men zegt, dat alleen in Friesland 20.000 menschen in de golven zijn omgekomen. De woeste baren droegen de schepen diep het land in, waar men ze, nadat het water gevallen was, op velden en weiden zag liggen. Geheele steden en dorpen werden verwoest, vele akkers verzandden, onnoemlijke schatten gingen verloren.De nood was grenzenloos; men had geene schuiten genoeg om de menschen te redden, die op kerktorens, daken en hooge boomen gevlucht waren. Velen, die den dood in de golven ontsnapt waren, kwamen op hunne schuilplaats van honger en koude om.In dien tijd van hooggeklommen ellende maakte een Spaansch stadhouder, Robles de Billy, zich zeer verdienstelijk jegens de aan zijne zorg toevertrouwde gewesten door zijne onvermoeide werkzaamheid.In persoon voer hij van dorp tot dorp, om menschenlevens te redden, hij gebruikte de Spaansche troepen, om hem bij deze menschlievende pogingen bij te staan. Nadat de vloed geweken was, droeg hij zorg, dat in de geheele provincie Groningen sterke dijken gelegd werden; toen de adel weigerde tot dit werk bij te dragen, en zich op zijne privilegiën beriep, antwoordde hij met bitteren, maar welverdienden spot, dat de edelen hunne privilegiën en adelbrieven dan maar in de gaten der vernielde dijken moesten leggen, omde zee terug te houden. Robles, die vroeger om zijne gestrengheid bij de Friezen zeer gehaat was, verwierf zich door deze zijne werkzaamheid hunne liefde in zulk eene mate, dat zij voor hem een standbeeld oprichtten.Was het geschil tusschen den hertog en de staten over den 20enen 10enpenning door de tusschen hen geslotene overeenkomst eenigen tijd verdaagd, in het begin van het jaar 1571 kwam het op nieuw aan de orde, dewijl de hertog het noodig oordeelde, eenige voorbereidende maatregelen voor de heffing van die belastingen te nemen.Op nieuw openbaarde zich in den staatsraad een krachtig verzet tegen Alba’s plannen; het stond te wachten, dat zij in den boezem van die vergadering andermaal verworpen zouden worden. Viglius, de oude raadsheer, was zoo lang des hertogs gehoorzame dienaar geweest als hij dezen alvermogend waande; doch thans had hij bepaalde berichten uit Spanje ontvangen, volgens welke Alba sterk in des konings gunst gedaald was, ja Philips II niet bijzonder veel belang stelde in de heffing van die belastingen. Onder deze omstandigheden meende Viglius zonder gevaar de rol van gehoorzaam dienaar met die van kampioen voor de rechten des volks te kunnen verwisselen; hij liet zich zóó krachtig in afkeurenden zin over de nieuwe belastingen uit, dat de woedende hertog hem met eene strenge straf bedreigde. Doch Viglius liet zich geen vrees aanjagen; daartoe gevoelde hij zich veel te sterk ten gevolge van de gunst, waarin hij zelf bij den koning stond. Ook bij de overige raadsleden vond hij steun: zelfs Barlaimont koos zijne zijde.In weerwil van dezen tegenstand bleef Alba in zijn plan volharden. Den laatsten Juli vaardigde hij een edict uit, waarin de heffing van den 20enen 10enpenning voor het vervolg verordend werd. Het gevolg hiervan was een algemeen oproer in het geheele land. De staten van elke provincie, de raadsleden van elke stad sloegen de handen ineen en dienden gezamenlijk protesten tegen het edict in. Het volk poogde daarbij zich zelf te redden. Alle bedrijven stonden eensklaps stil, alle kooplieden sloten hunne winkels; zij wilden liever niets verkoopen dan de belasting betalen.De Spaansche spionnen, die in last hadden, overal rond te sluipen, om te hooren wat het volk zeide en dit den hertog over te brengen, wisten nauwelijks meer, wien zij moesten aanklagen, want er was geen Nederlander, die zich niet in zeer oneerbiedige bewoordingen over de dwingelandij van den landvoogd uitgelaten had. De vrees voor verlies van alle bezittingen was sterker dan de angst, dien Alba tot dusver ingeboezemd had.Wanneer de hertog vroeger op straat verscheen, boog alles voor hem, nu groette men hem niet eens; tot dusver had eene zwijgende, lijdzame volksmassa elk zijner bevelen opgevolgd, doch thans openbaarde zich van week tot week, van maand tot maand een krachtiger tegenstand.Zelfs in de hoofdstad Brussel kwam het volk openlijk tegen hem in verzet; de brouwers weigerden te brouwen, de biertappers bier te leveren, de bakkers te bakken, de slachters te slachten; de handwerkslieden sloten hunne werkplaatsen, in de straten slenterden de arbeiders werkeloos rond, zelfs de soldaten, die niet langer, gelijk vroeger, brood, vleesch of bier konden koopen, waren woedend over de belastingen.Brussel vertoonde het beeld eener door de pest geteisterde stad; men ontmoette in de straten niets dan diep bezorgde aangezichten; alle openbaar leven was uitgestorven.Alba was buiten zich zelven van woede, wijl het volk het waagde,hem in zijn aangezicht te wederstaan, door verdubbelde gestrengheid wilde hij het tot onderwerping brengen. Hij liet den beul roepen en gaf hem bevel, den volgenden dag achttien der grootste kooplieden, die hunne winkels gesloten hadden, aan de deuren hunner huizen op te hangen. Met het aanbreken van den dag moest het bevel uitgevoerd zijn, opdat de bevolking bij haar ontwaken door den aanblik dier lijken verschrikt en door de vrees tot gehoorzaamheid gedwongen zou worden.Met ongeduld verbeidde de hertog het aanbreken van den dag, toen hij eensklaps een bericht ontving, dat hem noopte om het bloedbevel in te trekken. De stad Brielle was door de aanhangers van Willem van Oranje, de Watergeuzen, ingenomen.1Dit feit is eerst in den laatsten lijd aan het licht gebracht. Met zooveel overleg had Philips zijne tijdgenooten weten te misleiden, dat zij schier allen overtuigd waren, dat Montigny in de gevangenis een natuurlijken dood gestorven was.Achtste Hoofdstuk.Oranje in Duitschland. De Watergeuzen. Hunne strooptochten. De dappere ossenkoopman. Onderhandeling van Oranje met Frankrijk. Lumey, graaf van der Marck. De Watergeuzen uit Engeland verdreven. Verovering van den Briel. Bossu’s nederlaag voor den Briel. Bloedbad te Rotterdam. Volksopstand in Holland voor Oranje. Wreedheden. Verbond van Lodewijk van Nassau met de Hugenooten. Bergen overrompeld. Opstand in de Nederlanden. Vergadering van de Staten-generaal te Dordrecht. Hunne besluiten. De oorlog in Henegouwen. Nederlaag der Hugenooten onder Genlis. Oranje’s ongelukkige veldtocht. Capitulatie van Bergen. Noircarmes te Bergen.Willem van Oranje had het in Frankrijk niet lang kunnen uithouden, maar was naar Duitschland teruggekeerd. Hoewel hij na het mislukken zijner onderneming van alle middelen ontbloot, ja zoozeer met schulden beladen was, dat hij door zijne schuldeischers menigmaal in de engte gedreven werd, gaf hij toch de hoop niet op. Hij was overtuigd, dat Alba’s heerschappij eindelijk de Nederlanders tot wanhoop brengen zou, dat het slechts eene kwestie van tijd was, wanneer een algemeene opstand zou uitbreken, waarvan hij besloten had partij te trekken. Voortdurend stond hij in geheime verstandhouding met invloedrijke aanhangers, die hij in grooten getale onder de Nederlanders telde, van hen ontving hij juiste berichten omtrent de in het land heerschende stemming. Deze berichten luidden in de jaren 1569 en 1570 vrij treurig; zij spraken van de ontmoediging des volks, van de onmogelijkheid om het tot krachtig handelen te bewegen, van de onoverwinlijke vrees, welke Alba’s schrikbewind inboezemde, doch ook van de algemeene verbittering, welke des hertogs nieuwe belastingen veroorzaakt hadden.Aan een gewapenden inval in de Nederlanden kon Oranje in dientijd reeds volgens deze berichten niet denken, zelfs al was hij daartoe in staat geweest. Dit was echter niet het geval, hij bezat noch het geld, noch het crediet, die noodig waren om troepen aan te werven.In dezen treurigen toestand had hij de toevlucht genomen tot een wanhopig middel, om den hertog van Alba afbreuk te doen en tegelijk zijne krijgskas te vullen. In zijne waardigheid als souverein vorst had hij gebruik gemaakt van zijn recht om kaperbrieven uit te geven.Vele Nederlandsche vluchtelingen, edelen zoowel als burgers, grepen vol blijdschap deze gelegenheid aan om den strijd tegen de gehate Spanjaarden, dien zij te land hadden moeten opgeven, ter zee voort te zetten. Zij rustten kleine en groote schepen uit, die, met des prinsen kaperbrieven voorzien, de zee onveilig maakten en zelfs landingen aan de Nederlandsche zeekusten ondernamen.De Watergeuzen—zoo noemden zich de zeeschuimers—waren dappere, wanhopige mannen, die niets te verliezen, maar veel te winnen hadden. Bezield door een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaarden, traden zij weldra als hunne grimmige vijanden op. Wanneer zij een Spaansch schip namen, maakten zij zich jegens de bemanning aan de afschuwelijkste wreedheden schuldig. Ook bevonden zich onder de Watergeuzen eenige honderden zeeroovers, die zich om de natie, waartoe een schip behoorde, niet bekommerden, en nog minder er aan dachten, een deel van hun buit af te staan, gelijk zij bij het ontvangen van de kaperbrieven den prins beloofd hadden.Zoo talrijk en zoo algemeen waren de klachten, welke tegen de Watergeuzen bij den prins werden ingebracht, dat deze zich genoopt zag om den heer van Dolhain, die de betrekking van admiraal bekleedde, af te zetten en aan diens opvolger Guislain de Fiennes, heer van Lumbres, bepaalde bevelen te geven.De hertog van Alba en zijne aanhangers werden daarin als de eenige wettige vijanden der geuzen aangeduid; elke aanval op een schip van het Duitsche rijk, Zweden, Denemarken, Engeland of van andere staten, vooral van die, welke jegens het protestantisme gunstig gestemd waren, werd op strenge straf verboden. De strengste tucht moest op de vloot gehandhaafd worden en het krijgsrecht, dat door alle naties heilig geacht werd, moest ook door de Watergeuzen worden geëerbiedigd. Ieder scheepskapitein was verplicht om aan boord van zijn vaartuig een prediker te hebben en godsdienstoefening te houden. Alleen Nederlanders mochten tot het scheepsbevel worden toegelaten. De gezamenlijke buit moest naar vaste regelen onder de bemanning verdeeld worden, een deel van den buit behoorde afgeleverd te worden aan de krijgskas, welke de prins tot het aanwerven van een nieuw leger wilde vormen.Des prinsen bevelen misten hunne uitwerking niet; de Watergeuzen ontvingen eene betere organisatie. Zij leverden voortaan een deel van den buit aan den prins af, hoewel dit zeker niet altijd met groote nauwgezetheid geschiedde. Nog altijd gedroegen vele geuzen zich geheel als zeeroovers, maar hoe dit zij, zeker is het, dat zij zich bij den hertog van Alba dagelijks meer geducht maakten.In Engeland vonden de Watergeuzen meestal eene goede ontvangst, dewijl koningin Elisabeth juist toen hevig op Alba vertoornd was. Zij wist toch, dat deze, op last van Philips II, al de oproeren en samenzweringen ten gunste van de gevangene koningin van Schotland, Maria Stuart,heimelijk ondersteunde. Elisabeth achtte zich dus ook niet verplicht om de Watergeuzen te weren.De ontevredenheid der Nederlanders over de nieuwe belastingen, die zich steeds luider lucht gaf, bezielde Oranje met nieuwen moed. Onvermoeid was hij werkzaam om nieuwe bondgenooten aan te werven, zijne zendelingen verschenen aan alle protestantsche hoven, om hulp te vragen. Doch bijna overal werden zij afgewezen. Ook eenige koene ondernemingen van Oranje’s aanhangers, ten einde in de Nederlanden eene versterkte plaats te bemachtigen, waaruit de opstand zich dan verder zou kunnen verbreiden, mislukten alle.De meest beroemde van deze ondernemingen is die van Herman de Ruyter op het slot Loevestein in Holland.Dit tusschen Maas en Waal gelegen slot was een punt van een groot strategisch gewicht, dewijl het de beide steden Woudrichem en Gorinchem beheerschte. Op zekeren avond, tegen het einde van de maand December 1570, verschenen vier bedelmonniken voor de poort van het slot en vroegen nachtverblijf; zij werden voor den kommandant gebracht. Deze bemerkte tot zijn ongeluk spoedig, wie zijne gasten waren. Eén der gewaande monniken, Herman de Ruijter, een ossenkooper uit ’s Hertogenbosch en een vurig aanhanger van den prins, trok onder zijne pij een pistool te voorschijn en schoot den slotvoogd neer. Partij trekkend van den panischen schrik, door deze daad veroorzaakt, maakten de Ruijter en zijne gezellen zich nu van de dienaren en van het kleine garnizoen meester. Zij openden de poorten voor eene bende van ongeveer 30 man, die zich op het slot nestelden en het in staat van verdediging brachten.De geuzen hadden er op gerekend, dat zij binnen korten tijd door een grooter aantal hunner makkers ondersteund zouden worden; doch door eene overstrooming werden hunne vrienden verhinderd, ter rechter tijd Loevestein te bereiken. Met 30 man kon de Ruijter het slot niet verdedigen tegen de overmacht der Spanjaarden, die terstond waren opgedaagd, om de belangrijke plaats te heroveren. Dit wisten de geuzen zeer goed, maar toch verdedigden zij zich met eene schitterende dapperheid, totdat schier de laatste man gedood was. De Ruijter behoorde onder de gesneuvelden1.Na zoovele mislukte pogingen scheen eindelijk het geluk den prins van Oranje weder toe te lachen. De admiraal Coligny, de ijverige Hugenoot, verkreeg aan het hof van den Franschen koning, Karel IX, zulk een grooten invloed, dat hij hoopte, zijn vorst tot den oorlog tegen Spanje en tot eene krachtige ondersteuning van de Nederlanders te zullen bewegen. Lodewijk van Nassau onderhandelde met den admiraal en met den koning en schreef zijnen broeder zulke bemoedigende brieven, dat deze er thans weer ernstig aan denken kon, een nieuwen oorlog tegen Alba te ondernemen, toen een onverwachte slag hem trof, waarvan hij weinig vermoedde, dat die op zijn geluk zou uitloopen.De Watergeuzen stonden thans onder bevel van den admiraal Willem Lumey, graaf van der Marck, een bloedverwant van Egmond. Lumey, een woest en bloeddorstig man, had gezworen dat hij niet zou rusten,eer hij den dood van zijn vriend Egmond gewroken had. Hij was de ijverigste aanvoerder der Watergeuzen, doch tegelijk degeen, die de grootste wreedheden liet plegen. Indien hij een Spanjaard of een katholiek priester in handen kreeg, liet hij hem zonder genade ophangen.Lumey had in Maart 1572 de kleine vloot der Watergeuzen aan de Engelsche kust in veiligheid gebracht, maar hij zou hier niet lang toeven. De vele wreedheden, op Lumey’s bevel begaan, boezemden ook den Engelschen zulk een afkeer in, dat Elisabeth, die sinds kort weer op een beteren voet met Philips II stond, niet weigeren kon, aan Alba’s dringende vertoogen het oor te leenen. In de laatste dagen van Maart beval zij, dat Lumey en al zijne aanhangers terstond Engeland verlaten moesten. Zij verbood haren onderdanen, de Watergeuzen van eenige levensmiddelen, hoe ook genaamd, te voorzien.Dewijl de admiraal vreezen moest, door Engelsche schepen aangevallen te zullen worden, tegen welke hij niet bestand zou zijn geweest, was hij wel genoodzaakt om de Engelsche kust te verlaten. Zijn toestand was uiterst hachelijk, dewijl hij geene levensmiddelen aan boord had; niets bleef hem dus over dan naar Holland te zeilen, ten einde hier de eene of andere stad te overvallen en zich zoo levensmiddelen voor zijne halfverhongerde lieden te verschaffen.Zijn eerste plan was, bij Texel de Zuiderzee binnen te zeilen en eene der steden van het Noorder-Kwartier, Enkhuizen of Hoorn, te bemachtigen. Doch tegenwind dreef de geuzenvloot naar de Maas, aan wier mond het sterke stadje Brielle ligt. Toevalliger wijze was de stad schier geheel van bezetting ontbloot, dewijl Alba de Spaansche troepen, die er gewoonlijk lagen, naar Utrecht gezonden had.Den 1enApril kwamen de geuzen voor den Briel aan: wel hadden de burgers alleen de stad kunnen verdedigen, want zij had sterke wallen en het aantal der geuzen was niet groot—hoogstens 300 man—, doch het ontbrak der burgerij daartoe niet slechts aan moed, maar ook aan lust.De rijkste inwoners vluchtten met have en goed, de overigen durfden geen tegenstand bieden en zoo gelukte het een handvol koene mannen, zich zonder moeite van de versterkte stad meester te maken. Lumey proklameerde daar terstond den prins van Oranje als wettigen stadhouder van koning Philips II. Den inwoners verzekerde hij, dat hij niet gekomen was om hen uit te plunderen, maar om hen van den gehaten 10enen 20enpenning te bevrijden. Zijne manschappen gedroegen zich ook jegens alle protestanten zeer welwillend; daarentegen bezoedelden zij hun wapenfeit door het plunderen van de katholieke kerken, het vernielen van beelden en altaren, het rooven van de kerksieradiën en bovenal door het vermoorden van 13 monniken en katholieke priesters, die in hunne handen waren gevallen.Het bericht van de inneming van den Briel door de Watergeuzen verbreidde zich met groote snelheid. Alba ontving het, gelijk we reeds zagen, toen hij op het punt stond, eenige Brusselsche kooplieden te laten ophangen. Nu liet hij dit plan varen, dewijl hij meende terstond krachtige maatregelen te moeten nemen. Voorloopig wilde hij de bevolking der hoofdstad niet meer verbitteren dan buitendien reeds het geval was, te meer daar het bleek, dat ook te Brussel een groot deel der burgerij op de hand der geuzen was.Op den eersten AprilVerloor Alba zijn Bril,namelijk om den 10enpenning te zoeken, zóó zongen de straatjongens, den hertog beschimpende. Alba gaf aan den Graaf van Bossu, dien hij tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd had, terstond bevel om den Briel te hernemen. In aller ijl werden 10 compagniën uit Utrecht ontboden: met deze rukte Bossu tegen den Briel op.De kleine schaar der Watergeuzen zou tegen den aanval der Spanjaarden niet bestand zijn geweest, indien het niet eenen moedigen aanhanger van den prins, den scheepstimmerman Rochus Meeuwiszoon, gelukt was, de Nieuwlandsche sluis open te hakken en daardoor aan het zeewater den toegang tot het land te verschaffen. Reeds maakten de Spanjaarden zich tot een aanval op de stad gereed, toen zij eensklaps het water zagen wassen; dit schouwspel, gepaard aan den aanblik der vlammen, die van hunne gedeeltelijk door de Watergeuzen in brand gestokene schepen opstegen, sloeg hen als met een panischen schrik. Hals over kop keerden zij terug, een groot aantal der hunnen, die deels door het staal, deels in de golven omgekomen waren, achterlatende.Nadat de aanval gelukkig afgeslagen was, verzamelde de graaf van der Marck de intusschen in grooten getale teruggekeerde inwoners der stad, wien hij den eed van trouw aan den prins van Oranje, als stadhouder van Zijne Majesteit Philips II, afnam.Zoo was de stad Brielle de eerste in de Nederlanden, welke de vaan van Willem van Oranje, de later zoo beroemde en geliefde prinsenvlag, openlijk opstak; hier werd de hoeksteen voor het gebouw der Nederlandsche vrijheid gelegd. De verdienste van deze daad komt voornamelijk toe aan een edelman, Willem van Blois, heer van Treslong. Lumey had de stad, nadat hij zijne schepen van levensmiddelen voorzien en met den behaalden buit gevuld had, weer willen verlaten, maar Treslong zette het door, dat men haar verdedigen zou, totdat men bevelen van den prins hieromtrent ontvangen had.De graaf van Bossu rukte, nadat hij voor den Briel afgeslagen was, naar Rotterdam op. Hij moest zich vóór alles van deze stad verzekeren, want hij vreesde, dat de welgelukte aanslag der Watergeuzen op den Briel de overige Hollandsche steden van den koning zou doen afvallen. Hij vond de poorten van Rotterdam gesloten, de overheid weigerde eene bezetting in te nemen; eerst toen Bossu verzekerde, dat daarvan geen sprake zou zijn, dat het hem slechts om vrijen doortocht voor zijne troepen te doen was, gaf het stedelijk bestuur toe.De poorten werden geopend, doch nauwelijks was dit geschied, of de Spaansche soldaten stormden op alle burgers los, die zij ontmoetten. In weinige oogenblikken waren 40 mannen en vrouwen vermoord. Rotterdam werd behandeld als eene veroverde stad.Het bericht van deze verraderlijke slachting bracht in de Hollandsche steden eene onuitsprekelijke verbittering te weeg. Vele belangrijke steden, aangemoedigd door het voorbeeld van Brielle, verklaarden zich thans voor den prins van Oranje. Het eerst deed dit de stad Vlissingen, op het eiland Walcheren. Deze verjoeg de kleine Spaansche bezetting en toen spoedig daarop een sterk legercorps voor hare poorten verscheen, hield zij deze gesloten.De Vlissingsche burgerij wist zeer goed, dat zij slechts te kiezen had tusschen de zegepraal en eene uitplundering en slachting zonder wederga. Zij zond daarom terstond boden naar den Briel tot den graaf van derMarck met het verzoek om versterking. Dit geschiedde; in den Briel hadden reeds zoovele aanhangers van den Prins van Oranje zich vereenigd, dat de graaf 200 man naar Vlissingen zenden kon.De inwoners van Vlissingen namen voor den moord, door Bossu te Rotterdam gepleegd, eene schandelijke wraak. De beroemde ingenieur Pacheco, die zonder te vermoeden wat er in de stad was voorgevallen, zich op Alba’s bevel derwaarts begeven had, om de citadel, die in aanbouw was, te voltooien, werd zonder vorm van proces opgehangen. Bij afwezigheid van den beul werd dit vonnis voltrokken door een ter dood veroordeeld misdadiger, die hiertoe alleen te bewegen was door de belofte van lijfsbehoud en op voorwaarde, dat hij een ieder mocht dooden, die hem ooit deze daad verwijten zou. Eenige Spaansche officieren ondergingen hetzelfde lot.Op zulk eene wreede wijze vingen de burgers den oorlog aan, en met dezelfde wreedheid werd hij voortgezet, toen thans geheel Holland eensklaps voor Oranje in opstand kwam. De Spanjaarden en alle aanhangers van Alba werden als wilde dieren beschouwd, die men zonder genade moest uitroeien. Op de onverdraagzame katholieke priesters werd eene afschuwelijke menschenjacht geopend. Hoe ernstig wij zulke daden van wraakzucht en bloeddorst ook afkeuren, toch kunnen wij niet ontkennen, dat zij zich dit lot door hunne wreedheid op den hals hadden gehaald; de protestanten betaalden hun thans het vroeger doorgestane leed met woeker terug. Enkhuizen koos de zijde van den prins, hierop volgden de overige Noord-Hollandsche steden, daarna ook Oudewater, Gouda, Leiden, Dordrecht, Gorinchem en Haarlem. Overal werden de geestelijken gevangen genomen en onder de gruwelijkste mishandelingen ter dood gebracht. Schier door het geheele land werden allerlei wreedheden bedreven, doch ook enkele gevallen kwamen voor, waarin de menschelijkheid de zegepraal behaalde op de partijzucht. Zoo vluchtte te Gouda de burgemeester, een ijverig aanhanger van Alba, in het huis eener weduwe, wier man op zijn bevel ter dood gebracht was. Op zijne angstige vraag, of de schuilplaats, waarin zij hem verbergen wou, wel veilig was, antwoordde de weduwe: „Zeker, zij was menigmaal het toevluchtsoord van mijn man bij uwe vervolgingen.” En werkelijk werd des schouten schuilplaats niet ontdekt: de weduwe van zijn slachtoffer verried hem niet.In alle steden, die op het voorbeeld van den Briel van Alba afvielen, werden de oude besturen afgezet en terstond vervangen door nieuwe, die den koning van Spanje en zijn stadhouder, den prins van Oranje, trouw zwoeren, en bovendien onder eede beloven moesten, dat zij den hertog van Alba den 20enen 10enpenning weigeren en zich uit alle macht tegen de inquisitie verzetten zouden.Het was een hoogst merkwaardig verschijnsel, dat het Nederlandsche volk in dien tijd nog geene andere vrijheid eischte dan die, waarop het volgens zijne oude wetten aanspraak had, dat het niets anders vroeg dan de vervulling van datgeen, wat Philips II bij zijne huldiging onder eede had beloofd. Het wilde den koning niet van den troon stooten, maar verlangde vrijheid van geweten en eerbiediging de oude privilegiën des lands.Terwijl dit alles gebeurde, bevond de prins van Oranje zich in Duitschland. Hij was bezig met het aanwerven van troepen en met het verzamelen van gelden. Ook op het bericht van de inneming van den Briel kon hij nog niet naar Nederland snellen, gelijk hij wel gaarne zou hebben gedaan,maar hij zond derwaarts zijne bevelen, die door het volk bereidwillig werden opgevolgd.Zijn broeder Lodewijk van Nassau bevond zich in die dagen in Frankrijk, hij onderhandelde met de Hugenooten en met koning Karel IX. Van dezen ontving hij de bepaalde belofte van hulp en met Karel’s geheime toestemming sloot de graaf van Genlis zich met een aantal Hugenooten bij hem aan, zoodat hij weldra aan het hoofd van een legertje stond.Zijne eerste daad was de overrompeling van de belangrijke stad Bergen in Henegouwen, uit welke hij Brussel bedreigen kon. Met een handvol volks gelukte het hem, de stad in te nemen; hij werd kort daarop door eenige duizenden Fransche partijgangers ondersteund, zoodat hij zich in die stad kon nestelen.De inneming van Bergen was voor alle vijanden van Alba het teeken tot den opstand. In de meest verschillende deelen van Nederland braken oproeren uit, toen de hertog, ten einde Bergen te heroveren, troepen samentrok en daardoor andere streken van krijgsvolk ontblooten moest.In Gelderland greep graaf Herman van den Berg, de zwager van den prins, naar de wapenen; het graafschap Zutfen, de Veluwe, een deel van Overijssel en de stad Amersfoort kwamen in opstand en ook in Friesland schudde de adel het Spaansche juk af.Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde, dat het tot dusver zoo gedweeë volk van alle zijden tegen zijne dwingelandij opgestaan was; hij zwoer het bloedige wraak, doch voorshands legde hij eene kalme matiging aan den dag.In aller ijl trok hij zooveel troepen bijeen als mogelijk was en zond die onder zijn zoon Frederik naar Bergen. Deze stad wilde hij, tot beveiliging van de hoofdstad Brussel, in de eerste plaats weer onder zijne macht brengen.Hierop vaardigde hij den 24enJuni een bevel uit aan de Staten van Holland om den 15enJuli te ’s Gravenhage bijeen te komen. In deze oproepingsoorkonde verklaarde hij zich bereid om de nieuwe belastingen af te schaffen, wanneer de Staten-Generaal beloofden jaarlijks eene som van drie en een half millioen gulden op te zullen brengen.Nog vóór korten tijd zou zulk een voorstel door de Hollanders met blijdschap begroet zijn, doch thans kwam het te laat. In plaats van te ’s Gravenhage, kwamen de Staten van Holland den 15enJuli te Dordrecht bijeen, niet om Alba te gehoorzamen, maar om zich voor den prins van Oranje te verklaren.Het was de eerste bijeenkomst van de vertegenwoordigers der Nederlandsche republiek. Deze verklaarden, dat zij trouwe onderdanen der kroon waren, maar spraken tevens met nadruk hun voornemen uit om geen ander stadhouderschap dan dat van den prins van Oranje te erkennen.De prins had intusschen in Duitschland een nieuw leger verzameld. Tengevolge van zijne onvermoeide krachtsinspanning en met behulp van de gelden, hem door de Watergeuzen toegezonden, was het hem gelukt, 15.000 man voetvolk en 2000 ruiters bijeen te brengen.Buitendien hadden nog 3000 Nederlanders zich om zijne vaan geschaard.Hoewel nu de prins zulk eene krijgsmacht bijeen gebracht had, ontbrak hem toch nog altijd het geld om haar te bezoldigen en de Duitsche huurbenden weigerden, een stap te doen, indien hun niet minstens 3 of 4 maanden soldij gewaarborgd werd. Oranje wendde zich daarom met dringendebeden tot de staten van Holland; hij bezwoer hen bij hunne eer en bij het welzijn des vaderlands, de gevraagde geldelijke offers voor hen, hunne vrouwen en kinderen te brengen.Oranje’s brieven, die in de provincie verspreid werden, maakten een diepen indruk. Toen de gedeputeerden van den adel en van 10 steden, den 15enJuli te Dordrecht bijeen kwamen, waren zij reeds geneigd om den wensch des prinsen te vervullen, doch toen nu Aldegonde in hun midden verscheen, toen hij de vertegenwoordigers des volks in eene welsprekende redevoering begroette en henaanspoordeom eindelijk krachtig voor de bevrijding des lands van Alba’s dwingelandij in de bres te springen, werden allen met de vurigste geestdrift bezield. De Staten stonden oogenblikkelijk eene som van 175.000 gulden voor Oranje’s leger toe en beloofden voor de eerstvolgende maanden nog aanzienlijker sommen. Doch nog gewichtiger was een ander besluit, door hen genomen. Zij verklaarden eenstemmig, dat zij den prins van Oranje als des konings wettigen stadhouder in Holland, Zeeland, Friesland en in de provincie Utrecht beschouwden, en dat zij al hun invloed zouden aanwenden, opdat hij ook door de overige Nederlandsche gewesten als hun protector bij afwezigheid des konings zou worden erkend. Voorts bepaalden zij, dat voortaan de protestantsche eeredienst even goed als de katholieke met volkomen vrijheid in het land uitgeoefend zou worden. Tot bescherming van beide partijen werden de noodige bepalingen vastgesteld.Deze besluiten legden den eersten grondslag voor het gebouw van den later zoo bloeienden staat der Vereenigde Nederlanden. Aan Willem van Oranje werd daarbij eene dictatoriale macht opgedragen. Hoewel hij daarmede alleen als stadhouder des Spaanschen konings bekleed was, zou zijn gezag toch aan geene enkele beperking, hoe ook genaamd, onderworpen zijn geweest, indien hij zelf dit niet gewild had.Oranje verklaarde namelijk, dat hij niets doen, niets bevelen zou zonder toestemming der Staten, en dat hij hun het recht opdroeg om alle belastinggaarders te benoemen. Hij beval allen officieren te zweren, dat zij hem als stadhouder en den Staten van Holland gehoorzamen zouden, ten einde het land van de tyrannie van Alba en de Spanjaarden te verlossen, doch dat zij tevens den Spaanschen koning als graaf van Holland getrouw zouden zijn.Terwijl dit alles voorviel, werd de oorlog in Henegouwen intusschen reeds met groote hevigheid gevoerd. Lodewijk van Nassau had den graaf van Genlis naar Frankrijk teruggezonden, om de hem door koning Karel IX beloofde versterkingen te halen. In Genlis’ afwezigheid was Alba’s zoon, don Frederik, voor Bergen verschenen en had hij op krachtige wijze een begin gemaakt met het beleg. Dagelijks vielen er scherpe gevechten voor, waarin Lodewijk van Nassau eene groote dapperheid aan den dag legde. Met zijne geringe strijdkrachten was hij echter niet in staat om den vijand terug te werpen.De graaf van Genlis had intusschen in aller ijl een uit Fransche Hugenooten samengesteld leger bijeengebracht, dat door sommigen (doch deze opgave is stellig overdreven) op 10.000 man geschat wordt, en rukte hiermede naar Henegouwen op. Onderweg ontmoette hem een bode van Lodewijk, die hem dringend verzocht, niet overijld te handelen, maar te wachten totdat Willem van Oranje, die reeds aan het hoofd van een talrijk leger stond, zich met hem vereenigde. Doch zulk een maatregel van wijze voorzichtigheidwas niet naar den zin van den graaf van Genlis, die zich den roem, dat hij alleen den vijand tot het opbreken van het beleg van Bergen genoodzaakt had, niet wilde laten ontglippen. Hij rukte met spoed voorwaarts; in het midden van Juli kwam hij in de nabijheid van Bergen aan, hier werd hij den 19endier maand door de Spanjaarden onder Noircarmes met eene groote overmacht aangevallen en geheel verslagen; hij geraakte met vele Fransche officieren in Spaansche gevangenschap, zijn gansche leger werd verstrooid, slechts aan een deel der vluchtelingen gelukte het, Bergen te bereiken, en zich onder de bevelen van Lodewijk van Nassau te stellen.Had Genlis slechts een weinig geduld geoefend, dan zou de uitkomst van dien strijd geheel anders zijn geweest. Inderdaad was de prins van Oranje reeds met een leger van 14.000 man voetvolk, 7000 ruiters en 3000 Nederlandsche vrijwilligers den Rijn overgetrokken, doch hij kon slechts langzaam voortrukken.Den 23enJuli veroverde hij Roermond, nadat hij die stad hevig beschoten had. Tot zijne diepe smart gedroegen zijne soldaten zich na de inneming niet minder barbaarsch dan de Spanjaarden. Zij roofden en plunderden, zij hingen de katholieke priesters en monniken op. Wel vaardigde de prins eene proklamatie uit, waarin hij een ieder, die het waagde nog verder zulke daden te bedrijven, met den dood bedreigde, en aan katholieken en protestanten gelijke verdraagzaamheid toezegde, maar zijne bevelen werden slecht nagekomen; hij was geen meester over zijne troepen en durfde hen niet al te streng behandelen, uit vrees voor een algemeenen opstand in hunne gelederen. Ja, hij bezat niet eens de macht om hen, gelijk hij gewenscht had, tot een snel en krachtig voortrukken in de Nederlanden te bewegen, ten einde Bergen te ontzetten. Eene maand moest hij in Roermond blijven liggen en de Duitsche huurbenden trokken niet eerder voorwaarts, dan toen hun door de Staten van Holland de betaling van hunne soldij gewaarborgd was.Wel openden ook nu nog bij zijn tocht door Brabant de meeste steden, onder anderen ook Mechelen, voor hem hare poorten, doch zij deden dit half onwillig, en de hoofdstad Brussel weigerde onbewimpeld, zijne zaak te omhelzen. Nog altijd zou echter, in weerwil van dit alles, de overwinning aan de zijde des prinsen zijn geweest, indien koning Karel IX van Frankrijk zijne bij de geheime onderhandelingen gegevene belofte van hulp gestand gedaan had; doch dit was niet het geval.Juist in die dagen ontving de prins de vreeselijke tijding van de Parijsche bloedbruiloft en van den moord op Coligny en de Hugenooten gepleegd.De Fransche gezant verklaarde zich thans openlijk tegen Willem van Oranje; op last zijns konings ging hij zelfs zoo ver, dat hij van Alba het ter dood brengen van de bij Bergen gevangen genomene Fransche officieren eischte, hoewel deze toch de geheime bevelen van Karel IX hadden opgevolgd, toen zij de wapenen voor de Nederlanders opvatten.Willem van Oranje begreep zeer goed, dat hij in die omstandigheden alle hoop op de overwinning moest opgeven; alleen om zijn broeder te hulp te komen, trachtte hij Bergen te ontzetten, maar dit gelukte hem niet.De Spaansche belegeringstroepen, waarbij Alba zelf zich bevond, hadden zich zóó sterk verschanst, dat het onmogelijk was hen aan te vallen, en tot een slag in het open veld liet de voorzichtige en slimme hertog zich niet verleiden. Oranje kon zelfs geene versterkingen in de belegerde vestingbrengen; hij was veroordeeld tot eene werkeloosheid, waarover zijne op buit beluste huurlingen luide morden.Eindelijk bleef hem niets over dan terug te trekken en hij mocht zich nog gelukkig achten, dat hij niet in de handen der Spanjaarden viel. Bij een nachtelijken overval was Juliaan Romero reeds tot des prinsen legertent doorgedrongen; indien Oranje niet door het luid geblaf van een hondje, dat onder zijn bed sliep, gewekt was, zou hij in zijn slaap gevangengenomen zijn. Nog in den uitersten oogenblik gelukte het hem, een gezadeld paard te bereiken, hij slingerde zich er op en ontvluchtte. Zijne dienaars en twee zijner geheimschrijvers werden gedood.Oranje moest wel naar Peronne terugtrekken en zijnen broeder door vertrouwde boden mededeelen, dat hij niets voor hem doen kon. Vervolgens trok hij naar den Rijn en nadat hij zijne altijd nog muitende troepen afgedankt had, begaf hij zich bijna alleen naar Holland.Lodewijk van Nassau, die, hoewel hij door de koorts was aangetast, toch de verdediging van Bergen met de grootste dapperheid bestuurd had, zag thans in, dat alle verdere tegenstand vruchteloos zou zijn. Den 20enSeptember sloot hij met Alba eene capitulatie, die gunstiger voorwaarden, bevatte dan hij had durven hopen.Er lag den hertog zooveel aan gelegen, de belangrijke vesting spoedig weer in zijn bezit te krijgen, dat hij eene bij hem anders zeer ongewone zachtmoedigheid aan den dag legde: hij verleende der bezetting en allen burgers, die aan de verdediging hadden deelgenomen, vrijen aftocht en hij hield—merkwaardig verschijnsel!—althans tegenover Lodewijk van Nassau zijn woord. Hij liet dezen met de bezetting vrij en veilig aftrekken en behandelde ook de burgerij van Bergen zeer genadig. Doch wat hij verzuimd had, haalde Noircarmes, die na des hertogs vertrek met het opperbevel binnen Bergen bekleed werd, met woeker weder in. Hij stelde oogenblikkelijk een bloedraad in, welke tegen alle burgers, die op de eene of andere wijze Lodewijk van Nassau ondersteund hadden, naar het voorbeeld van het beruchte Brusselsche gerechtshof woedde. Gedurende de eerstvolgende maanden werd dagelijks een tal van doodvonnissen uitgevoerd en toen de bloedrechters zelven, verschrikt over den omvang van hun onmenschelijk werk, Noircarmes smeekten om toch eindelijk genade in plaats van recht te oefenen, wees hij hen op strengen toon af en gebood hij hun, onafgebroken met hunne aanklachten en vonnissen voort te gaan. Sidderend gehoorzaamden de rechters, die door Noircarmes uit de burgerij van Bergen zelve gekozen waren. In hunne slaafsche onderwerping lieten zij hunne vrienden en bloedverwanten ter dood brengen.1Het verhaal, dat de Ruijter het slot of althans een gedeelte er van in de lucht heeft laten springen, toen hij de verdediging opgeven moest, rust, volgens het jongste onderzoek, door Dr. Acquoy te Zalt-Bommel daaromtrent ingesteld, niet op geschiedkundige gronden.

Zevende Hoofdstuk.De Nederlanden. Alba’s tocht naar Friesland. Slag bij Jemmingen. Nederlaag en vlucht van Lodewijk van Nassau. Hachelijke toestand van Oranje. Zijne nieuwe krijgstoerustingen. Inval in Brabant. Alba’s plan. Alba’s overwinning ten gevolge van zijn dralen. Alba’s zelfverheffing. Zijn standbeeld. Huwelijk van Philips II. Montigny in den kerker vermoord. Alba’s nieuwe belastingen. Tegenstand der provinciën. De amnestie. Overstrooming. Verzet in den staatsraad tegen de nieuwe belastingen. Viglius en Barlaimont. Algemeen oproer.Alba had de sinds lang vastgestelde doodstraf van Egmond en Hoorne bespoedigd, omdat hij het niet raadzaam achtte, twee zulke belangrijke gevangenen levend achter te laten, terwijl hij zelf tegen Lodewijk van Nassau optrok. Hij zou ten minste 3000 man Spaansche troepen noodig gehad hebben om elke poging tot bevrijding van de gevangenen te verijdelen, en zulk een aantal troepen kon hij niet missen; daarom liet hij de hoofden vallen, eer hij zelf zich naar het oorlogstooneel in het Noorden begaf.Onverwijld verzamelde hij zooveel manschappen als hij bijeentrekken kon. Al zijne strijdkrachten vereenigde hij bij Groningen. In ’t geheel bedroegen deze ongeveer 15.000 man keurtroepen; buitendien had hij nog een aanzienlijk getal minder goed geoefende soldaten tot zijne beschikking.Lodewijk van Nassau was intusschen niet in staat geweest om van de overwinning bij Heiligerlee partij te trekken; daartoe ontbrak het hem in de eerste plaats aan geld. Te vergeefs poogde hij in de Nederlanden zelve door vrijwillige contributiën zich de noodige middelen tot het voortzetten van den oorlog te verschaffen en dreigde hij allen, die weigerden hem bij te staan, als vijanden des vaderlands te zullen behandelen. Wel zouden de boeren hem gaarne ondersteund hebben, maar zij durfden nietop de overwinning hopen en zij wisten maar al te goed, dat Alba zich bloedig op hen wreken zou, indien zij slechts een enkel teeken van verstandhouding met den graaf van Nassau gegeven hadden.Vol verontwaardiging vaardigde Lodewijk twee proclamaties uit, waarin hij dreigde de huizen in brand te zullen steken van allen, die hem de noodige contributie weigerden. De hertog van Alba vaardigde ook van zijn kant eene proclamatie uit, die aan de kerkdeuren en andere openbare plaatsen aangehecht werd, waarin hij aankondigde, dat ieder Nederlander, die het waagde, den rebellen geld te geven, later het dubbele van die som aan de Spanjaarden betalen en bovendien als schuldig aan hoogverraad gestraft worden zou.Zoo verkeerden de ongelukkige bewoners van die streek in den hachelijksten toestand. Gaarne zouden zij Lodewijk van Nassau gehoorzaamd hebben, doch Alba was in hunne oogen zoo vreeselijk, dat zij het niet durfden doen. De vrees voor zijne wraak was sterker dan die voor Lodewijk’s toorn, zij gaven dezen slechts zóóveel als zij even moesten en maakten het hem daardoor onmogelijk, zijne Duitsche huurtroepen te betalen.De toestand van den graaf werd dus uiterst hachelijk. Met zijne 10 tot 12.000 man—zoo hoog was na de versterkingen, die hij ontvangen had, het aantal zijner troepen—had hij wel den oorlog met eenig uitzicht op zegepraal kunnen voortzetten, indien zijne huurtroepen slechts hadden willen vechten. Maar deze weigerden dit en zelfs toen de geduchte hertog reeds met zijne Spaansche troepen tegenover hen stond, rebelleerden zij nog tegen hunnen veldheer. Zij wilden niet vechten, eer hun de achterstallige soldij uitbetaald was. Eerst toen Lodewijk hun voorhield, dat zij geene andere keus hadden dan òf te vechten òf zich weerloos te laten neerhouwen, daar zij van Alba geene genade hadden te wachten, besloten zij schoorvoetend te gehoorzamen.Bij Jemmingen kwam het den 21enJuli 1568 tot een beslissenden slag. Lodewijk had eene sterke, goed gekozene stelling ingenomen; hier zou hij zich zeker tegenover de slechts weinigsterkeremacht van Alba staande gehouden hebben, indien zijne soldaten iets hadden bezeten van den vurigen moed en de koene beradenheid, die hun aanvoerder bezielden. Doch dit was, helaas! niet het geval: reeds bij den eersten aanval der Spanjaarden wierpen vele lafaards de wapenen weg en vluchtten.Eene grenzenlooze verwarring ontstond in het geuzenleger; de vlucht werd weldra algemeen. Het was niet langer een slag, maar eene slachting, om het woord des dichters hier te bezigen.De Spanjaarden hieuwen de vluchtelingen bij geheele hoopen neder. Zij, die aan hun zwaard ontkwamen, wierpen zich in de Eems en verdronken. Hoe vreeslijk de slachting geweest is, blijkt uit de cijfers, die tot ons gekomen zijn, al zijn deze dan ook een weinig overdreven. Men zegt, dat op dien dag 7 Spanjaarden en 7000 rebellen gedood zijn.Nog twee dagen lang vermoordden Alba’s zegevierende krijgers alle Duitsche huurlingen, die zij in den omtrek uit hunne schuilhoeken te voorschijn haalden. Alle velden en weilanden waren met weggeworpen wapenen en met lijken bedekt.Graaf Lodewijk van Nassau zelf had slechts door eene overhaaste vlucht zijn leven kunnen redden. Ten einde den overwinnaars te ontkomen, had hij, toen hij zag dat alles verloren was, zijne kleederen weggeworpen en zich in de Eems gestort. Gelukkig bereikte hij al zwemmendeden tegenoverliggenden oever; hier vond hij eenige vluchtelingen, aan wier hoofd hij zich stelde en met wie het hem gelukte naar Duitschland terug te keeren.Het Spaansche leger vereenigde zich twee dagen later binnen Groningen; het trok van zijne overwinning partij, om eene vreeselijke wraak te oefenen op de ongelukkige bewoners des lands voor hunne twijfelachtige trouw. Alba liet het toe, dat zijne onmenschelijke soldaten daar huis hielden als in eens vijands land, dat zij burgers en boeren vermoordden, vrouwen en meisjes verkrachtten, dat zij alles roofden wat in hun bereik viel en de weerlooze dorpen in brand staken.Na de overwinning keerde Alba naar Brussel terug; hij luisterde haar op door de uitvoering van een aantal doodvonnissen. Schier allen, die nog in den kerker zuchtten, werden thans ter dood gebracht. Thans werden ook Burgemeester van Stralen, Bakkerzeel, Laloo en anderen aan den beul overgeleverd.De prins van Oranje verkeerde na de nederlaag zijns broeders in een waarlijk wanhopigen toestand. Een groot deel der door hem aangeworven troepen was verslagen en verstrooid, Alba zegepraalde, en de protestanten hadden alle hoop op een goeden uitslag opgegeven. Zelfs des prinsen vrienden, de Duitsche vorsten, geloofden thans niet langer, dat het hem mogelijk zou zijn, met goeden uitslag den zegevierenden hertog te bestrijden. Zij trokken hunne beloften van hulp in en vermaanden hem, elk plan op een inval in de Nederlanden op te geven en kalm den loop der gebeurtenissen af te wachten. Zoo spraken de ijverigste protestantsche vorsten, de keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen. De keizer zelf waarschuwde in ernstige bewoordingen tegen het aanwerven van troepen in het Duitsche rijk. „Wanneer Gij den rijksvrede verstoort en ons met onzen dierbaren broeder en neef Philips II in ongelegenheid brengt, dan is dit voor Uwe verantwoording,” zoo schreef hij aan den prins.In weerwil van deze raadgevingen en bedreigingen, stond toch Oranje’s besluit tot voortzetting van den strijd vast. Den keizer beantwoordde hij in een eerbiedigen brief, waarin hij zich op zijn vorstenrecht beriep en de ondragelijke dwingelandij schilderde, waaraan Alba zich tegenover de Nederlanders schuldig maakte. Tegelijk vaardigde hij eene oorlogsverklaring aan Alba en twee proclamaties uit, waarin hij het Nederlandsche volk verzekerde, dat hij de trouwste dienaar des konings was en niet tegen dezen, maar alleen tegen Alba de wapenen opvatte. „Juist omdat wij tot den loyaalsten dienst jegens den koning verplicht zijn”, zeide hij in die stukken, „en dewijl wij het diepste medelijden met zijne vasallen koesteren, is het ons onmogelijk, langer werkeloos zoovele daden van moord, diefstal en geweld aan te zien. De koning, daarvan zijn wij zeker, is slecht omtrent den toestand der Nederlanden onderricht. Wij vatten de wapenen op, om ons met de hulp van den God der barmhartigheid tegen de dwingelandij der Spanjaarden en de bloeddorstige plannen des vijands te verzetten. Wij roepen alle trouwe burgers der Nederlanden op, om ons ter hulp te snellen: mogen het ongeluk des lands, het gevaar eener eeuwige slavernij voor hen en hunne kinderen en de volkomen ondergang van de evangelische godsdienst hun ter harte gaan! Niet, wanneer zij zich slaafs aan den bloeddorst van den hertog van Alba onderwerpen, kunnen de provinciën hopen, hun ouden voorspoed en hunne oude rechten te herwinnen, maar alleen wanneer zij daarvoor dapper de wapenen opvatten.”Zoo sprak de prins tot de Nederlanders; hij riep hen op om de Spanjaarden voor altijd uit het land te helpen verdrijven en hem hiertoe de noodige geldmiddelen te verschaffen. De rijken moesten van hun overvloed, de armen van hunnen nooddruft tot bereiking van het algemeene doel bijdragen; hij bezwoer hen plechtig bij God, het vaderland en de wereld, te handelen, terwijl het nog tijd was.Een belangrijk gevolg had Oranje’s beroep op de vaderlandsliefde der Nederlanders niet; juist de rijksten bleven het meest achter. Eenige protestantsche predikers waagden hun leven, om in hunne arme gemeenten gelden voor den prins in te zamelen en ze hem over te brengen. De ballingen gaven ook zooveel als zij konden, doch de rijke kooplieden en de trotsche edellieden, die zich nog in de Nederlanden bevonden en tot dusver door Alba niet waren vervolgd, gevoelden geen lust om zich des hertogs wraak door het ondersteunen van den prins op den hals te halen.In weerwil van dit alles gelukte het aan Oranje’s rustelooze bemoeiingen, een leger van 30.000 man onder de wapenen te brengen. Daarmede opende hij in het laatst van September 1568 den veldtocht; hij rukte Brabant binnen en hier vond hij weldra den hertog van Alba tegenover zich, die met de grootste geestkracht alle Spaansche troepen bijeen getrokken had, om zijn gevaarlijksten vijand het verder doordringen in de Nederlanden te beletten.Hoe vast Alba’s besluit stond, om zijn vijand niet alleen te bevechten, maar te vernietigen, toonde hij vóór het begin der vijandelijkheden. De prins zond hem een heraut, om hem voor te stellen, de gevangenen van weerszijden niet te dooden, maar uit te wisselen. Nauwelijks was de heraut van het paard gestegen, om zijne boodschap over te brengen, of hij werd gegrepen en op staanden voet opgehangen. Dit was het eenige antwoord des hertogs op dien vredelievenden voorslag. Slechts terloops zeide hij, dat hij met muiters vóór den slag niet onderhandelde en hun na den slag geene genade verleende.Welk een stoute taal Alba ook voerde, toch had hij volstrekt geen lust om zich met Oranje in het open veld te meten; door een grooten slag kon hij alles verliezen en slechts weinig winnen, het gevaar was voor hem nu veel grooter dan bij den strijd tegen Lodewijk van Nassau. Toen was het tooneel van den oorlog eene verwijderde provincie geweest, thans lag het in het hart der Nederlanden; indien de prins hier eene overwinning behaalde, zou hij zich zonder moeite tot heer van het geheele land kunnen verheffen.Alba wist maar al te goed, hoe gehaat hij zelf en hoe geliefd de prins was; behaalde deze slechts ééne zegepraal, dan zou de geheele bevolking des lands zich rondom zijne vanen scharen. Begon eens de roep van onoverwinnelijkheid, waarin de hertog stond, te tanen, dan had hij alles te vreezen.Oranje had een leger van ongeveer 30.000 man onder de wapenen, Alba stond aan het hoofd van niet meer dan 20.000 man; wel waren zijne soldaten geoefende veteranen, op wie hij zich onder alle omstandigheden verlaten kon, terwijl Oranje’s leger grootendeels uit huurlingen bestond; wel mocht de hertog daarom, in weerwil van de mindere sterkte zijner legermacht, op eene zegepraal hopen, maar veel veiliger was het in zijn oog, door opzettelijk dralen de hulp in te roepen van een bondgenoot, die hem ten slotte de overwinning verzekeren moest.Reeds was het jaargetijde ver gevorderd; de winter, en met hem gebrek aan levensmiddelen voor het huurleger, was in aantocht. Oranje had—hiervan was de hertog onderricht—geen geld om zijne Duitsche troepen gedurende een langen tijd te bezoldigen; werd het hem onmogelijk gemaakt zich geld te verschaffen, dan zou een opstand der huurtroepen hiervan het onvermijdelijk gevolg zijn. Op deze berekening bouwde Alba zijn plan om zich nooit tot een beslissenden slag te laten verlokken en alleen den prins het verder doordringen in het land te beletten. Met eene bewonderenswaardige krijgskunst volvoerde hij zijn plan.De geheele veldtocht duurde niet veel langer dan eene maand; 29maal veranderde de prins van stelling, om den hertog tot een slag te noodzaken, maar altijd vruchteloos; waarheen hij zich ook wendde, altijd zag hij de Spanjaarden als zijn schaduw achter zich en toch kon hij hen maar niet tot een treffen dwingen.De uitkomst rechtvaardigde volkomen het beleid van den hertog. Het ontbrak den prins zoowel aan geld als aan levensmiddelen, want de inwoners des lands, voor Alba’s wraak beducht, weigerden die den muiters te verschaffen. Nergens vonden de 30.000 man des prinsen de noodige middelen om in hun onderhoud te voorzien en het kon niet missen, of de huurtroepen begonnen te morren; weldra brak er eene openbare muiterij in ’s prinsen kamp uit en slechts met moeite gelukte het dezen, een algemeenen opstand te onderdrukken.Niet gunstiger werd Oranje’s toestand, toen eene schaar Fransche Hugenooten onder bevel van den graaf van Genlis hem ter hulp kwam. Wel gelukte het hem, zich met dezen te vereenigen, maar hij moest dit voordeel met een zwaar verlies bekoopen. Bij een onverhoedschen aanval, door Alba op zijne achterhoede ondernomen, sneuvelde de graaf van Hoogstraeten, zijn trouwe vriend.Het meesterlijk door Alba uitgevoerde krijgsplan bracht den prins tot wanhoop; hij had gehoopt, dat het Nederlandsche volk hem met geestdrift als zijn bevrijder ontvangen zou, maar geene enkele stem verhief zich, om hem juichend te begroeten; overal vond hij de poorten gesloten, overal ontmoette hij afkeer en vrees.Wel wist hij, dat deze stemming terstond zou veranderen bij de eerste zegepraal, die hij bevocht, doch zelfs met inspanning van alle krachten kon hij den hertog niet tot een gevecht noodzaken.De muiterij in zijne legerplaats werd met elken dag gevaarlijker; spoedig moest hij begrijpen, dat het hem niet lang meer mogelijk zou zijn, zijne misnoegde soldaten in bedwang te houden.De graaf van Genlis en de overige Fransche officieren zagen insgelijks zeer goed de onmogelijkheid in om iets met goed gevolg uit te richten. Zij rieden den prins, met hen de Nederlanden te verlaten en den Franschen Hugenooten ter hulp te snellen. Doch de Duitsche huurtroepen wilden hiervan niets weten; zij verklaarden, dat zij aangeworven waren om tegen den hertog van Alba in de Nederlanden, niet om tegen koning Karel IX in Frankrijk te strijden. Oranje zag zich onder zulke omstandigheden genoodzaakt om zijn bevrijdingsplan op te geven en naar Duitschland terug te keeren.Den 17enNovember trok zijn leger de Nederlandsche grenzen weer over.Met zijne op groote schaal aangelegde onderneming had hij niets gewonnen;hij moest zijne troepen ontslaan, nadat hij zich diep in schulden gestoken had, en zonder dat het hem mogelijk was geweest, hun zelfs de achterstallige soldij te betalen. Dewijl hij voorshands de hoop moest opgeven om zijn zwaard aan de zaak der Nederlanders te kunnen wijden, sloot hij zich met zijne beide broeders, Lodewijk en Hendrik (een achttienjarig jongeling), bij het leger der protestanten in Frankrijk aan.De hertog van Alba keerde, nadat hij den prins van Oranje uit de Nederlanden verdreven had, in zegepraal naar Brussel terug. Hier dwong hij het volk om feest te vieren te zijner eere; de burgers der hoofdstad moesten bloemen op den weg strooien en lofzangen aanheffen, om den roem des overwinnaars te verheerlijken. Op het plein, dat de hoofden van Egmond en Hoorne had zien vallen, werd een prachtig steekspel gehouden.Paus Pius V zond den hertog een gewijden degen en hoed, om hem als verdediger van de Roomsche kerk te eeren. Doch Alba droeg in zijne ijdele zelfverheffing zorg, dat hem nog eene grootere eere wedervoer: hij liet door Jacob Jongeling, een bekwaam kunstenaar, een reusachtig metalen standbeeld gieten, waartoe hij het bij Jemmingen veroverde geschut bezigde. Het standbeeld stelde den hertog voor, gelijk hij met den voet eene tweehoofdige, vierarmige gestalte vertreedt; zij droeg het pralend opschrift: „Voor Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, stadhouder der Nederlanden onder Philips II, den verdelger van het oproer, den tuchtiger der muiterij, den hersteller der godsdienst, den trouwsten dienaar zijns konings is dit gedenkteeken opgericht.”Over de beteekenis van de tweehoofdige gedaante liepen de gevoelens der Nederlanders uiteen. Eenigen beweerden, dat Egmond en Hoorne, anderen, dat Willem en Lodewijk van Nassau, weder anderen dat adel en volk daardoor afgebeeld werden.Het standbeeld werd in de door Alba gebouwde citadel van Antwerpen opgericht.Niet alleen de Nederlanders gevoelden zich door Alba’s ijdele zelfverheffing gekrenkt, ook koning Philips II was het onaangenaam, dat zijn dienaar op deze wijze zichzelven verheerlijkte; zijn vorstentrots was beleedigd en des hertogs vijanden te Madrid droegen wel zorg, dit den koning altijd weer te herinneren, wanneer hij op het punt stond, om den wil van Alba’s goede diensten die daad van hoogmoed voorbij te zien.Ook de klachten, door keizer Maximiliaan over Alba’s wreed bewind in de Nederlanden ingebracht, oefenden wel eenigen invloed op den koning uit. Al weigerde Philips beslist, de kettersche muiters zachter te behandelen, toch begon hij bij zijn achterdochtig karakter te vermoeden, dat Alba wel wat eigendunkelijk en trotsch in de Nederlanden te werk ging; zijne genegenheid voor den hertog verkoelde, zonder dat hij daarom jegens de Nederlanders zachter en vriendelijker gestemd werd.Met keizer Maximiliaan trad Philips II kort daarop in eene nauwe verbintenis: hij huwde diens dochter Anna. Toen de vorstin op hare reis naar Spanje door de Nederlanden trok, betoonde zij zich uiterst genadig jegens de gravin van Hoorne, de moeder van den onthoofden graaf! Zij beloofde haar, zorg te zullen dragen, dat althans haar tweede zoon, de baron van Montigny, die nog in Spanje gevangen zat, niet het lot zijns broeders zou deelen; doch zij was niet in staat om deze belofte te houden,want Philips II liet Montigny in den kerker ombrengen1. De nauwe verbintenis van Philips II met den keizer had voor de Nederlanders dit treurig gevolg, dat Maximiliaan in zijn ijver als voorspraak voor de onderdrukten zeer verslapte en dat ook de protestantsche vorsten van Duitschland veel minder dan vroeger geneigd waren om hunne ongelukkige geloofsgenooten krachtig te ondersteunen.Intusschen ging de hertog van Alba voort, de Nederlanders op zijne geliefkoosde wijze te regeeren. De eene terechtstelling volgde op de andere, de goederen der vermoorden kwamen aan de kroon.Doch hoe ijverig de bloedraad Alba op zijne wenken ook diende, toch gelukte het hem niet, door die verbeurdverklaringen zulke aanzienlijke sommen te verkrijgen als de hertog eischte. Deze zon derhalve op middelen om den provinciën de gewenschte sommen af te persen. Hij besloot, nieuwe belastingen in te voeren, hoewel dit besluit in onverzoenlijken strijd was met de oude privilegiën der Nederlanders, welke Philips II bij zijne troonsbestijging zonder eenig voorbehoud bezworen had. Die privilegiën toch bepaalden duidelijk en nadrukkelijk, dat de vorst of zijn stadhouder, wanneer hij geld wilde hebben, in persoon voor de staten der provinciën verschijnen en voor hen zijne „bede” uitspreken moest. Den Staten kwam dan het recht toe om het verzoek te weigeren of in te willigen: zoo had men ten allen tijde gedaan.Slechts zelden hadden de vorsten zich behoeven te beklagen, dat hun van de zijde der Staten de gelden, welke zij noodig hadden, geweigerd waren. Toch wilde Alba dien weg volstrekt niet inslaan. Hij achtte het eenen vorst onwaardig, zich met eene bede tot zijne onderdanen te wenden. Welk recht bezaten de Nederlanders, die allen door de heilige inquisitie des doods schuldig waren verklaard, om zelfstandig te beslissen of zij de door den vorst geëischte gelden betalen wilden of niet? Zulk een recht was in des hertogs oog eene ondragelijke aanmatiging; hij besloot het te verkrachten en op eigen gezag, zonder zelfs de toestemming van Philips II af te wachten, drie nieuwe belastingen in te voeren.Hij deed dit den 20enMaart 1569 in eene vergadering, welke hij te Brussel uit de verschillende provinciën bijeengeroepen had.De drie nieuwe belastingen van Alba waren: 1eeene belasting van 1% op alle roerende en onroerende goederen, voor ééns te betalen; 2eeene belasting van 5% van alle onroerende en 3eeene van 10% op alle roerende goederen, die telkens bij den verkoop dier goederen opgebracht moesten worden: eene belasting, die voor altijd den Nederlanders opgelegd werd. De beide laatste belastingen werden de 20een de 10epenning genoemd.De indruk, welke des hertogs eigendunkelijke handelwijze op de bevolking der Nederlanden maakte, is onmogelijk te beschrijven. Aan zijne maatregelen van geweld had men zich tot dusver lijdzaam onderworpen. Hoe talrijk het aantal doodvonnissen ook was geweest, toch waren daardoor slechts enkelen getroffen, maar de nieuwe belastingen drukten op allen zonder onderscheid, op de goede Katholieken zoowel als op de ketters, opde trouwe aanhangers des konings zoowel als op zijne tegenstanders. Zelfs zulke Nederlanders, die den hertog met onwankelbare trouw gediend hadden, waren verontwaardigd over dezen willekeurigen maatregel. De grijze Viglius smeekte den hertog met ernstige, dringende woorden, dat hij zulk een plan, hetwelk toch niet uitgevoerd kon worden, zou laten varen. Maar Alba bleef, gelijk altoos, onverzettelijk. Hij kon werkelijk niet begrijpen waarom zulk eene belasting niet geheven zou kunnen worden; eene dergelijke toch werd in Spanje door het geheele volk betaald en niet anders geschiedde het in zijn eigen hertogdom Alba, dat hem op die wijze jaarlijks 50.000 dukaten opbracht. Zijn gebrek aan kennis van het volksleven maakte hem blind voor het onderscheid tusschen eene groote handeldrijvende natie en de inwoners van een klein, afgelegen hertogdom zonder handel of nijverheid. Hij begreep niet, dat door eene dergelijke belasting de handel der Nederlanders geheel vernietigd zou worden.Indien het tiende deel van de waarde eener koopwaar bij elken verkoop betaald moest worden, dan lag het voor de hand, dat wellicht reeds in weinige weken door herhaalde omzetting hare geheele waarde in den vorm van belasting betaald zou moeten worden. Zulk eene belasting kon een handeldrijvend volk niet betalen, zonder geheel te gronde te worden gericht. Dit zeide men dan ook onverholen in de talrijke petities, die van alle kanten bij de regeering werden ingediend.De staten der verschillende provinciën protesteerden; ten einde den hertog niet al te zeer te verbitteren, willigden zij in, één percent van aller vermogen in eens te betalen, maar zij namen geen genoegen met den 20enen 10enpenning.Alba liet zich door dit protest niet van zijn stuk brengen; hij besloot zijn wil door te drijven, tegen den raad zijner trouwste aanhangers in; en zoo gevreesd had hij zich gemaakt, dat het hem gelukte de staten der provinciën allengs tot toegevendheid te bewegen. De eene provincie na de andere gaf gedwongen hare toestemming; doch alle knoopten daaraan de voorwaarde vast, dat de belasting dan alleen geheven mocht worden, wanneer geene enkele provincie hare goedkeuring daaraan onthield. Alleen de stad en de provincie Utrecht volhardden in haren tegenstand; tot straf hiervoor werden zij aan hoogverraad schuldig verklaard en van al hare rechten en vrijheden beroofd.In het midden van het jaar 1569 kon Alba reeds aan Philips schrijven, dat thans eindelijk alle provinciën het hoofd in den schoot gelegd hadden: hij wenschte den koning geluk met de drie en een half millioen gulden, welke deze voortaan jaarlijks, nadat alle onkosten der regeering betaald waren, uit de Nederlanden trekken zou. Doch hij had te vroeg victorie gekraaid! Al de staten trokken weldra hunne afgedwongene toestemming weder in, dewijl, zoolang de provincie Utrecht niet vrijwillig de belasting goedkeurde, ook de andere daartoe niet gedwongen konden worden. Zij weigerden de heffing van den 20enen 10enpenning op hun grondgebied.Alba had dringend geld noodig. Om het te verkrijgen, gaf hij voor het oogenblik toe. Hij sloot met de staten eene overeenkomst, volgens welke de provinciën jaarlijks drie en een half millioen gulden zouden betalen tot Augustus 1571; eerst daarna zou de heffing van den 20enen 10enpenning volgen.Door dit verdrag werden de gemoederen weder een weinig bedaard.De hertog zelf had er thans belang bij, de Nederlanders een weinigmet zijne regeering te verzoenen; hij vernam uit Madrid, dat zijne vijanden ijverig tegen hem in de weer waren, dat zij elke klacht, die tegen hem bij den koning ingebracht werd, krachtig ondersteunden. Ja men fluisterde aan het Spaansche hof reeds, dat Philips van plan was den hertog uit de Nederlanden terug te roepen.Alba begreep dus, dat hij wat zachter dan vroeger regeeren moest, en toen Viglius hem voorstelde, eene algemeene amnestie af te kondigen, verklaarde hij zich daartoe bereid, mits de grootste staatmisdadigers en ketters daarvan uitgesloten bleven.Viglius ontwierp een aantal plannen, die den koning toegezonden werden; deze liet het aan den hertog over, het meest geschikte uit te kiezen.Den 14enJuli 1570 werd te Antwerpen de lang verbeide Amnestie plechtig afgekondigd. Het volk had op dit „generaal pardon,” zooals het genoemd werd, groote verwachtingen gebouwd, doch het werd op de pijnlijkste wijze teleurgesteld, want in de oorkonde der amnestie werden zoovele uitzonderingen gemaakt, dat de uitzondering tot regel verheven werd en dat de bloedraad, evenals te voren, de macht bleef bezitten om elken Nederlander ter dood te brengen. Uitgesloten van de weldaad der amnestie waren alle kettersche predikers, allen, die dezen ooit bescherming hadden verleend, alle beelden- en kerkstormers, alle bekende ketters, alle onderteekenaars van het compromis, allen, die kettersche leerstellingen verbreid of hare verbreiding begunstigd hadden. Hun, die aan zulke misdaden schuldig stonden, werd het wel vergund, zich binnen zes maanden aan te melden, met de belofte van een zacht vonnis, doch het volk beschouwde die belofte slechts als een bedriegelijk lokaas, opdat een groot aantal schuldigen zich aanmelden en ter dood gebracht worden zou. Het generaal pardon verhoogde slechts de ontevredenheid van het ongelukkige volk, dat zich op nieuw met eene zoete hoop gevleid had en op nieuw teleurgesteld werd.Bijna was het, alsof de Nederlanders in die dagen den lijdensbeker tot den bodem moesten ledigen, alsof de natuur zelve met Alba in bondgenootschap trad, om den ondergang des lands te voltooien.Eene vreeselijke overstrooming richtte in het jaar 1570 aan alle Nederlandsche kusten onnoemlijke schade aan; men zegt, dat alleen in Friesland 20.000 menschen in de golven zijn omgekomen. De woeste baren droegen de schepen diep het land in, waar men ze, nadat het water gevallen was, op velden en weiden zag liggen. Geheele steden en dorpen werden verwoest, vele akkers verzandden, onnoemlijke schatten gingen verloren.De nood was grenzenloos; men had geene schuiten genoeg om de menschen te redden, die op kerktorens, daken en hooge boomen gevlucht waren. Velen, die den dood in de golven ontsnapt waren, kwamen op hunne schuilplaats van honger en koude om.In dien tijd van hooggeklommen ellende maakte een Spaansch stadhouder, Robles de Billy, zich zeer verdienstelijk jegens de aan zijne zorg toevertrouwde gewesten door zijne onvermoeide werkzaamheid.In persoon voer hij van dorp tot dorp, om menschenlevens te redden, hij gebruikte de Spaansche troepen, om hem bij deze menschlievende pogingen bij te staan. Nadat de vloed geweken was, droeg hij zorg, dat in de geheele provincie Groningen sterke dijken gelegd werden; toen de adel weigerde tot dit werk bij te dragen, en zich op zijne privilegiën beriep, antwoordde hij met bitteren, maar welverdienden spot, dat de edelen hunne privilegiën en adelbrieven dan maar in de gaten der vernielde dijken moesten leggen, omde zee terug te houden. Robles, die vroeger om zijne gestrengheid bij de Friezen zeer gehaat was, verwierf zich door deze zijne werkzaamheid hunne liefde in zulk eene mate, dat zij voor hem een standbeeld oprichtten.Was het geschil tusschen den hertog en de staten over den 20enen 10enpenning door de tusschen hen geslotene overeenkomst eenigen tijd verdaagd, in het begin van het jaar 1571 kwam het op nieuw aan de orde, dewijl de hertog het noodig oordeelde, eenige voorbereidende maatregelen voor de heffing van die belastingen te nemen.Op nieuw openbaarde zich in den staatsraad een krachtig verzet tegen Alba’s plannen; het stond te wachten, dat zij in den boezem van die vergadering andermaal verworpen zouden worden. Viglius, de oude raadsheer, was zoo lang des hertogs gehoorzame dienaar geweest als hij dezen alvermogend waande; doch thans had hij bepaalde berichten uit Spanje ontvangen, volgens welke Alba sterk in des konings gunst gedaald was, ja Philips II niet bijzonder veel belang stelde in de heffing van die belastingen. Onder deze omstandigheden meende Viglius zonder gevaar de rol van gehoorzaam dienaar met die van kampioen voor de rechten des volks te kunnen verwisselen; hij liet zich zóó krachtig in afkeurenden zin over de nieuwe belastingen uit, dat de woedende hertog hem met eene strenge straf bedreigde. Doch Viglius liet zich geen vrees aanjagen; daartoe gevoelde hij zich veel te sterk ten gevolge van de gunst, waarin hij zelf bij den koning stond. Ook bij de overige raadsleden vond hij steun: zelfs Barlaimont koos zijne zijde.In weerwil van dezen tegenstand bleef Alba in zijn plan volharden. Den laatsten Juli vaardigde hij een edict uit, waarin de heffing van den 20enen 10enpenning voor het vervolg verordend werd. Het gevolg hiervan was een algemeen oproer in het geheele land. De staten van elke provincie, de raadsleden van elke stad sloegen de handen ineen en dienden gezamenlijk protesten tegen het edict in. Het volk poogde daarbij zich zelf te redden. Alle bedrijven stonden eensklaps stil, alle kooplieden sloten hunne winkels; zij wilden liever niets verkoopen dan de belasting betalen.De Spaansche spionnen, die in last hadden, overal rond te sluipen, om te hooren wat het volk zeide en dit den hertog over te brengen, wisten nauwelijks meer, wien zij moesten aanklagen, want er was geen Nederlander, die zich niet in zeer oneerbiedige bewoordingen over de dwingelandij van den landvoogd uitgelaten had. De vrees voor verlies van alle bezittingen was sterker dan de angst, dien Alba tot dusver ingeboezemd had.Wanneer de hertog vroeger op straat verscheen, boog alles voor hem, nu groette men hem niet eens; tot dusver had eene zwijgende, lijdzame volksmassa elk zijner bevelen opgevolgd, doch thans openbaarde zich van week tot week, van maand tot maand een krachtiger tegenstand.Zelfs in de hoofdstad Brussel kwam het volk openlijk tegen hem in verzet; de brouwers weigerden te brouwen, de biertappers bier te leveren, de bakkers te bakken, de slachters te slachten; de handwerkslieden sloten hunne werkplaatsen, in de straten slenterden de arbeiders werkeloos rond, zelfs de soldaten, die niet langer, gelijk vroeger, brood, vleesch of bier konden koopen, waren woedend over de belastingen.Brussel vertoonde het beeld eener door de pest geteisterde stad; men ontmoette in de straten niets dan diep bezorgde aangezichten; alle openbaar leven was uitgestorven.Alba was buiten zich zelven van woede, wijl het volk het waagde,hem in zijn aangezicht te wederstaan, door verdubbelde gestrengheid wilde hij het tot onderwerping brengen. Hij liet den beul roepen en gaf hem bevel, den volgenden dag achttien der grootste kooplieden, die hunne winkels gesloten hadden, aan de deuren hunner huizen op te hangen. Met het aanbreken van den dag moest het bevel uitgevoerd zijn, opdat de bevolking bij haar ontwaken door den aanblik dier lijken verschrikt en door de vrees tot gehoorzaamheid gedwongen zou worden.Met ongeduld verbeidde de hertog het aanbreken van den dag, toen hij eensklaps een bericht ontving, dat hem noopte om het bloedbevel in te trekken. De stad Brielle was door de aanhangers van Willem van Oranje, de Watergeuzen, ingenomen.1Dit feit is eerst in den laatsten lijd aan het licht gebracht. Met zooveel overleg had Philips zijne tijdgenooten weten te misleiden, dat zij schier allen overtuigd waren, dat Montigny in de gevangenis een natuurlijken dood gestorven was.

De Nederlanden. Alba’s tocht naar Friesland. Slag bij Jemmingen. Nederlaag en vlucht van Lodewijk van Nassau. Hachelijke toestand van Oranje. Zijne nieuwe krijgstoerustingen. Inval in Brabant. Alba’s plan. Alba’s overwinning ten gevolge van zijn dralen. Alba’s zelfverheffing. Zijn standbeeld. Huwelijk van Philips II. Montigny in den kerker vermoord. Alba’s nieuwe belastingen. Tegenstand der provinciën. De amnestie. Overstrooming. Verzet in den staatsraad tegen de nieuwe belastingen. Viglius en Barlaimont. Algemeen oproer.

De Nederlanden. Alba’s tocht naar Friesland. Slag bij Jemmingen. Nederlaag en vlucht van Lodewijk van Nassau. Hachelijke toestand van Oranje. Zijne nieuwe krijgstoerustingen. Inval in Brabant. Alba’s plan. Alba’s overwinning ten gevolge van zijn dralen. Alba’s zelfverheffing. Zijn standbeeld. Huwelijk van Philips II. Montigny in den kerker vermoord. Alba’s nieuwe belastingen. Tegenstand der provinciën. De amnestie. Overstrooming. Verzet in den staatsraad tegen de nieuwe belastingen. Viglius en Barlaimont. Algemeen oproer.

Alba had de sinds lang vastgestelde doodstraf van Egmond en Hoorne bespoedigd, omdat hij het niet raadzaam achtte, twee zulke belangrijke gevangenen levend achter te laten, terwijl hij zelf tegen Lodewijk van Nassau optrok. Hij zou ten minste 3000 man Spaansche troepen noodig gehad hebben om elke poging tot bevrijding van de gevangenen te verijdelen, en zulk een aantal troepen kon hij niet missen; daarom liet hij de hoofden vallen, eer hij zelf zich naar het oorlogstooneel in het Noorden begaf.

Onverwijld verzamelde hij zooveel manschappen als hij bijeentrekken kon. Al zijne strijdkrachten vereenigde hij bij Groningen. In ’t geheel bedroegen deze ongeveer 15.000 man keurtroepen; buitendien had hij nog een aanzienlijk getal minder goed geoefende soldaten tot zijne beschikking.

Lodewijk van Nassau was intusschen niet in staat geweest om van de overwinning bij Heiligerlee partij te trekken; daartoe ontbrak het hem in de eerste plaats aan geld. Te vergeefs poogde hij in de Nederlanden zelve door vrijwillige contributiën zich de noodige middelen tot het voortzetten van den oorlog te verschaffen en dreigde hij allen, die weigerden hem bij te staan, als vijanden des vaderlands te zullen behandelen. Wel zouden de boeren hem gaarne ondersteund hebben, maar zij durfden nietop de overwinning hopen en zij wisten maar al te goed, dat Alba zich bloedig op hen wreken zou, indien zij slechts een enkel teeken van verstandhouding met den graaf van Nassau gegeven hadden.

Vol verontwaardiging vaardigde Lodewijk twee proclamaties uit, waarin hij dreigde de huizen in brand te zullen steken van allen, die hem de noodige contributie weigerden. De hertog van Alba vaardigde ook van zijn kant eene proclamatie uit, die aan de kerkdeuren en andere openbare plaatsen aangehecht werd, waarin hij aankondigde, dat ieder Nederlander, die het waagde, den rebellen geld te geven, later het dubbele van die som aan de Spanjaarden betalen en bovendien als schuldig aan hoogverraad gestraft worden zou.

Zoo verkeerden de ongelukkige bewoners van die streek in den hachelijksten toestand. Gaarne zouden zij Lodewijk van Nassau gehoorzaamd hebben, doch Alba was in hunne oogen zoo vreeselijk, dat zij het niet durfden doen. De vrees voor zijne wraak was sterker dan die voor Lodewijk’s toorn, zij gaven dezen slechts zóóveel als zij even moesten en maakten het hem daardoor onmogelijk, zijne Duitsche huurtroepen te betalen.

De toestand van den graaf werd dus uiterst hachelijk. Met zijne 10 tot 12.000 man—zoo hoog was na de versterkingen, die hij ontvangen had, het aantal zijner troepen—had hij wel den oorlog met eenig uitzicht op zegepraal kunnen voortzetten, indien zijne huurtroepen slechts hadden willen vechten. Maar deze weigerden dit en zelfs toen de geduchte hertog reeds met zijne Spaansche troepen tegenover hen stond, rebelleerden zij nog tegen hunnen veldheer. Zij wilden niet vechten, eer hun de achterstallige soldij uitbetaald was. Eerst toen Lodewijk hun voorhield, dat zij geene andere keus hadden dan òf te vechten òf zich weerloos te laten neerhouwen, daar zij van Alba geene genade hadden te wachten, besloten zij schoorvoetend te gehoorzamen.

Bij Jemmingen kwam het den 21enJuli 1568 tot een beslissenden slag. Lodewijk had eene sterke, goed gekozene stelling ingenomen; hier zou hij zich zeker tegenover de slechts weinigsterkeremacht van Alba staande gehouden hebben, indien zijne soldaten iets hadden bezeten van den vurigen moed en de koene beradenheid, die hun aanvoerder bezielden. Doch dit was, helaas! niet het geval: reeds bij den eersten aanval der Spanjaarden wierpen vele lafaards de wapenen weg en vluchtten.

Eene grenzenlooze verwarring ontstond in het geuzenleger; de vlucht werd weldra algemeen. Het was niet langer een slag, maar eene slachting, om het woord des dichters hier te bezigen.

De Spanjaarden hieuwen de vluchtelingen bij geheele hoopen neder. Zij, die aan hun zwaard ontkwamen, wierpen zich in de Eems en verdronken. Hoe vreeslijk de slachting geweest is, blijkt uit de cijfers, die tot ons gekomen zijn, al zijn deze dan ook een weinig overdreven. Men zegt, dat op dien dag 7 Spanjaarden en 7000 rebellen gedood zijn.

Nog twee dagen lang vermoordden Alba’s zegevierende krijgers alle Duitsche huurlingen, die zij in den omtrek uit hunne schuilhoeken te voorschijn haalden. Alle velden en weilanden waren met weggeworpen wapenen en met lijken bedekt.

Graaf Lodewijk van Nassau zelf had slechts door eene overhaaste vlucht zijn leven kunnen redden. Ten einde den overwinnaars te ontkomen, had hij, toen hij zag dat alles verloren was, zijne kleederen weggeworpen en zich in de Eems gestort. Gelukkig bereikte hij al zwemmendeden tegenoverliggenden oever; hier vond hij eenige vluchtelingen, aan wier hoofd hij zich stelde en met wie het hem gelukte naar Duitschland terug te keeren.

Het Spaansche leger vereenigde zich twee dagen later binnen Groningen; het trok van zijne overwinning partij, om eene vreeselijke wraak te oefenen op de ongelukkige bewoners des lands voor hunne twijfelachtige trouw. Alba liet het toe, dat zijne onmenschelijke soldaten daar huis hielden als in eens vijands land, dat zij burgers en boeren vermoordden, vrouwen en meisjes verkrachtten, dat zij alles roofden wat in hun bereik viel en de weerlooze dorpen in brand staken.

Na de overwinning keerde Alba naar Brussel terug; hij luisterde haar op door de uitvoering van een aantal doodvonnissen. Schier allen, die nog in den kerker zuchtten, werden thans ter dood gebracht. Thans werden ook Burgemeester van Stralen, Bakkerzeel, Laloo en anderen aan den beul overgeleverd.

De prins van Oranje verkeerde na de nederlaag zijns broeders in een waarlijk wanhopigen toestand. Een groot deel der door hem aangeworven troepen was verslagen en verstrooid, Alba zegepraalde, en de protestanten hadden alle hoop op een goeden uitslag opgegeven. Zelfs des prinsen vrienden, de Duitsche vorsten, geloofden thans niet langer, dat het hem mogelijk zou zijn, met goeden uitslag den zegevierenden hertog te bestrijden. Zij trokken hunne beloften van hulp in en vermaanden hem, elk plan op een inval in de Nederlanden op te geven en kalm den loop der gebeurtenissen af te wachten. Zoo spraken de ijverigste protestantsche vorsten, de keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen. De keizer zelf waarschuwde in ernstige bewoordingen tegen het aanwerven van troepen in het Duitsche rijk. „Wanneer Gij den rijksvrede verstoort en ons met onzen dierbaren broeder en neef Philips II in ongelegenheid brengt, dan is dit voor Uwe verantwoording,” zoo schreef hij aan den prins.

In weerwil van deze raadgevingen en bedreigingen, stond toch Oranje’s besluit tot voortzetting van den strijd vast. Den keizer beantwoordde hij in een eerbiedigen brief, waarin hij zich op zijn vorstenrecht beriep en de ondragelijke dwingelandij schilderde, waaraan Alba zich tegenover de Nederlanders schuldig maakte. Tegelijk vaardigde hij eene oorlogsverklaring aan Alba en twee proclamaties uit, waarin hij het Nederlandsche volk verzekerde, dat hij de trouwste dienaar des konings was en niet tegen dezen, maar alleen tegen Alba de wapenen opvatte. „Juist omdat wij tot den loyaalsten dienst jegens den koning verplicht zijn”, zeide hij in die stukken, „en dewijl wij het diepste medelijden met zijne vasallen koesteren, is het ons onmogelijk, langer werkeloos zoovele daden van moord, diefstal en geweld aan te zien. De koning, daarvan zijn wij zeker, is slecht omtrent den toestand der Nederlanden onderricht. Wij vatten de wapenen op, om ons met de hulp van den God der barmhartigheid tegen de dwingelandij der Spanjaarden en de bloeddorstige plannen des vijands te verzetten. Wij roepen alle trouwe burgers der Nederlanden op, om ons ter hulp te snellen: mogen het ongeluk des lands, het gevaar eener eeuwige slavernij voor hen en hunne kinderen en de volkomen ondergang van de evangelische godsdienst hun ter harte gaan! Niet, wanneer zij zich slaafs aan den bloeddorst van den hertog van Alba onderwerpen, kunnen de provinciën hopen, hun ouden voorspoed en hunne oude rechten te herwinnen, maar alleen wanneer zij daarvoor dapper de wapenen opvatten.”

Zoo sprak de prins tot de Nederlanders; hij riep hen op om de Spanjaarden voor altijd uit het land te helpen verdrijven en hem hiertoe de noodige geldmiddelen te verschaffen. De rijken moesten van hun overvloed, de armen van hunnen nooddruft tot bereiking van het algemeene doel bijdragen; hij bezwoer hen plechtig bij God, het vaderland en de wereld, te handelen, terwijl het nog tijd was.

Een belangrijk gevolg had Oranje’s beroep op de vaderlandsliefde der Nederlanders niet; juist de rijksten bleven het meest achter. Eenige protestantsche predikers waagden hun leven, om in hunne arme gemeenten gelden voor den prins in te zamelen en ze hem over te brengen. De ballingen gaven ook zooveel als zij konden, doch de rijke kooplieden en de trotsche edellieden, die zich nog in de Nederlanden bevonden en tot dusver door Alba niet waren vervolgd, gevoelden geen lust om zich des hertogs wraak door het ondersteunen van den prins op den hals te halen.

In weerwil van dit alles gelukte het aan Oranje’s rustelooze bemoeiingen, een leger van 30.000 man onder de wapenen te brengen. Daarmede opende hij in het laatst van September 1568 den veldtocht; hij rukte Brabant binnen en hier vond hij weldra den hertog van Alba tegenover zich, die met de grootste geestkracht alle Spaansche troepen bijeen getrokken had, om zijn gevaarlijksten vijand het verder doordringen in de Nederlanden te beletten.

Hoe vast Alba’s besluit stond, om zijn vijand niet alleen te bevechten, maar te vernietigen, toonde hij vóór het begin der vijandelijkheden. De prins zond hem een heraut, om hem voor te stellen, de gevangenen van weerszijden niet te dooden, maar uit te wisselen. Nauwelijks was de heraut van het paard gestegen, om zijne boodschap over te brengen, of hij werd gegrepen en op staanden voet opgehangen. Dit was het eenige antwoord des hertogs op dien vredelievenden voorslag. Slechts terloops zeide hij, dat hij met muiters vóór den slag niet onderhandelde en hun na den slag geene genade verleende.

Welk een stoute taal Alba ook voerde, toch had hij volstrekt geen lust om zich met Oranje in het open veld te meten; door een grooten slag kon hij alles verliezen en slechts weinig winnen, het gevaar was voor hem nu veel grooter dan bij den strijd tegen Lodewijk van Nassau. Toen was het tooneel van den oorlog eene verwijderde provincie geweest, thans lag het in het hart der Nederlanden; indien de prins hier eene overwinning behaalde, zou hij zich zonder moeite tot heer van het geheele land kunnen verheffen.

Alba wist maar al te goed, hoe gehaat hij zelf en hoe geliefd de prins was; behaalde deze slechts ééne zegepraal, dan zou de geheele bevolking des lands zich rondom zijne vanen scharen. Begon eens de roep van onoverwinnelijkheid, waarin de hertog stond, te tanen, dan had hij alles te vreezen.

Oranje had een leger van ongeveer 30.000 man onder de wapenen, Alba stond aan het hoofd van niet meer dan 20.000 man; wel waren zijne soldaten geoefende veteranen, op wie hij zich onder alle omstandigheden verlaten kon, terwijl Oranje’s leger grootendeels uit huurlingen bestond; wel mocht de hertog daarom, in weerwil van de mindere sterkte zijner legermacht, op eene zegepraal hopen, maar veel veiliger was het in zijn oog, door opzettelijk dralen de hulp in te roepen van een bondgenoot, die hem ten slotte de overwinning verzekeren moest.

Reeds was het jaargetijde ver gevorderd; de winter, en met hem gebrek aan levensmiddelen voor het huurleger, was in aantocht. Oranje had—hiervan was de hertog onderricht—geen geld om zijne Duitsche troepen gedurende een langen tijd te bezoldigen; werd het hem onmogelijk gemaakt zich geld te verschaffen, dan zou een opstand der huurtroepen hiervan het onvermijdelijk gevolg zijn. Op deze berekening bouwde Alba zijn plan om zich nooit tot een beslissenden slag te laten verlokken en alleen den prins het verder doordringen in het land te beletten. Met eene bewonderenswaardige krijgskunst volvoerde hij zijn plan.

De geheele veldtocht duurde niet veel langer dan eene maand; 29maal veranderde de prins van stelling, om den hertog tot een slag te noodzaken, maar altijd vruchteloos; waarheen hij zich ook wendde, altijd zag hij de Spanjaarden als zijn schaduw achter zich en toch kon hij hen maar niet tot een treffen dwingen.

De uitkomst rechtvaardigde volkomen het beleid van den hertog. Het ontbrak den prins zoowel aan geld als aan levensmiddelen, want de inwoners des lands, voor Alba’s wraak beducht, weigerden die den muiters te verschaffen. Nergens vonden de 30.000 man des prinsen de noodige middelen om in hun onderhoud te voorzien en het kon niet missen, of de huurtroepen begonnen te morren; weldra brak er eene openbare muiterij in ’s prinsen kamp uit en slechts met moeite gelukte het dezen, een algemeenen opstand te onderdrukken.

Niet gunstiger werd Oranje’s toestand, toen eene schaar Fransche Hugenooten onder bevel van den graaf van Genlis hem ter hulp kwam. Wel gelukte het hem, zich met dezen te vereenigen, maar hij moest dit voordeel met een zwaar verlies bekoopen. Bij een onverhoedschen aanval, door Alba op zijne achterhoede ondernomen, sneuvelde de graaf van Hoogstraeten, zijn trouwe vriend.

Het meesterlijk door Alba uitgevoerde krijgsplan bracht den prins tot wanhoop; hij had gehoopt, dat het Nederlandsche volk hem met geestdrift als zijn bevrijder ontvangen zou, maar geene enkele stem verhief zich, om hem juichend te begroeten; overal vond hij de poorten gesloten, overal ontmoette hij afkeer en vrees.

Wel wist hij, dat deze stemming terstond zou veranderen bij de eerste zegepraal, die hij bevocht, doch zelfs met inspanning van alle krachten kon hij den hertog niet tot een gevecht noodzaken.

De muiterij in zijne legerplaats werd met elken dag gevaarlijker; spoedig moest hij begrijpen, dat het hem niet lang meer mogelijk zou zijn, zijne misnoegde soldaten in bedwang te houden.

De graaf van Genlis en de overige Fransche officieren zagen insgelijks zeer goed de onmogelijkheid in om iets met goed gevolg uit te richten. Zij rieden den prins, met hen de Nederlanden te verlaten en den Franschen Hugenooten ter hulp te snellen. Doch de Duitsche huurtroepen wilden hiervan niets weten; zij verklaarden, dat zij aangeworven waren om tegen den hertog van Alba in de Nederlanden, niet om tegen koning Karel IX in Frankrijk te strijden. Oranje zag zich onder zulke omstandigheden genoodzaakt om zijn bevrijdingsplan op te geven en naar Duitschland terug te keeren.

Den 17enNovember trok zijn leger de Nederlandsche grenzen weer over.

Met zijne op groote schaal aangelegde onderneming had hij niets gewonnen;hij moest zijne troepen ontslaan, nadat hij zich diep in schulden gestoken had, en zonder dat het hem mogelijk was geweest, hun zelfs de achterstallige soldij te betalen. Dewijl hij voorshands de hoop moest opgeven om zijn zwaard aan de zaak der Nederlanders te kunnen wijden, sloot hij zich met zijne beide broeders, Lodewijk en Hendrik (een achttienjarig jongeling), bij het leger der protestanten in Frankrijk aan.

De hertog van Alba keerde, nadat hij den prins van Oranje uit de Nederlanden verdreven had, in zegepraal naar Brussel terug. Hier dwong hij het volk om feest te vieren te zijner eere; de burgers der hoofdstad moesten bloemen op den weg strooien en lofzangen aanheffen, om den roem des overwinnaars te verheerlijken. Op het plein, dat de hoofden van Egmond en Hoorne had zien vallen, werd een prachtig steekspel gehouden.

Paus Pius V zond den hertog een gewijden degen en hoed, om hem als verdediger van de Roomsche kerk te eeren. Doch Alba droeg in zijne ijdele zelfverheffing zorg, dat hem nog eene grootere eere wedervoer: hij liet door Jacob Jongeling, een bekwaam kunstenaar, een reusachtig metalen standbeeld gieten, waartoe hij het bij Jemmingen veroverde geschut bezigde. Het standbeeld stelde den hertog voor, gelijk hij met den voet eene tweehoofdige, vierarmige gestalte vertreedt; zij droeg het pralend opschrift: „Voor Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, stadhouder der Nederlanden onder Philips II, den verdelger van het oproer, den tuchtiger der muiterij, den hersteller der godsdienst, den trouwsten dienaar zijns konings is dit gedenkteeken opgericht.”

Over de beteekenis van de tweehoofdige gedaante liepen de gevoelens der Nederlanders uiteen. Eenigen beweerden, dat Egmond en Hoorne, anderen, dat Willem en Lodewijk van Nassau, weder anderen dat adel en volk daardoor afgebeeld werden.

Het standbeeld werd in de door Alba gebouwde citadel van Antwerpen opgericht.

Niet alleen de Nederlanders gevoelden zich door Alba’s ijdele zelfverheffing gekrenkt, ook koning Philips II was het onaangenaam, dat zijn dienaar op deze wijze zichzelven verheerlijkte; zijn vorstentrots was beleedigd en des hertogs vijanden te Madrid droegen wel zorg, dit den koning altijd weer te herinneren, wanneer hij op het punt stond, om den wil van Alba’s goede diensten die daad van hoogmoed voorbij te zien.

Ook de klachten, door keizer Maximiliaan over Alba’s wreed bewind in de Nederlanden ingebracht, oefenden wel eenigen invloed op den koning uit. Al weigerde Philips beslist, de kettersche muiters zachter te behandelen, toch begon hij bij zijn achterdochtig karakter te vermoeden, dat Alba wel wat eigendunkelijk en trotsch in de Nederlanden te werk ging; zijne genegenheid voor den hertog verkoelde, zonder dat hij daarom jegens de Nederlanders zachter en vriendelijker gestemd werd.

Met keizer Maximiliaan trad Philips II kort daarop in eene nauwe verbintenis: hij huwde diens dochter Anna. Toen de vorstin op hare reis naar Spanje door de Nederlanden trok, betoonde zij zich uiterst genadig jegens de gravin van Hoorne, de moeder van den onthoofden graaf! Zij beloofde haar, zorg te zullen dragen, dat althans haar tweede zoon, de baron van Montigny, die nog in Spanje gevangen zat, niet het lot zijns broeders zou deelen; doch zij was niet in staat om deze belofte te houden,want Philips II liet Montigny in den kerker ombrengen1. De nauwe verbintenis van Philips II met den keizer had voor de Nederlanders dit treurig gevolg, dat Maximiliaan in zijn ijver als voorspraak voor de onderdrukten zeer verslapte en dat ook de protestantsche vorsten van Duitschland veel minder dan vroeger geneigd waren om hunne ongelukkige geloofsgenooten krachtig te ondersteunen.

Intusschen ging de hertog van Alba voort, de Nederlanders op zijne geliefkoosde wijze te regeeren. De eene terechtstelling volgde op de andere, de goederen der vermoorden kwamen aan de kroon.

Doch hoe ijverig de bloedraad Alba op zijne wenken ook diende, toch gelukte het hem niet, door die verbeurdverklaringen zulke aanzienlijke sommen te verkrijgen als de hertog eischte. Deze zon derhalve op middelen om den provinciën de gewenschte sommen af te persen. Hij besloot, nieuwe belastingen in te voeren, hoewel dit besluit in onverzoenlijken strijd was met de oude privilegiën der Nederlanders, welke Philips II bij zijne troonsbestijging zonder eenig voorbehoud bezworen had. Die privilegiën toch bepaalden duidelijk en nadrukkelijk, dat de vorst of zijn stadhouder, wanneer hij geld wilde hebben, in persoon voor de staten der provinciën verschijnen en voor hen zijne „bede” uitspreken moest. Den Staten kwam dan het recht toe om het verzoek te weigeren of in te willigen: zoo had men ten allen tijde gedaan.

Slechts zelden hadden de vorsten zich behoeven te beklagen, dat hun van de zijde der Staten de gelden, welke zij noodig hadden, geweigerd waren. Toch wilde Alba dien weg volstrekt niet inslaan. Hij achtte het eenen vorst onwaardig, zich met eene bede tot zijne onderdanen te wenden. Welk recht bezaten de Nederlanders, die allen door de heilige inquisitie des doods schuldig waren verklaard, om zelfstandig te beslissen of zij de door den vorst geëischte gelden betalen wilden of niet? Zulk een recht was in des hertogs oog eene ondragelijke aanmatiging; hij besloot het te verkrachten en op eigen gezag, zonder zelfs de toestemming van Philips II af te wachten, drie nieuwe belastingen in te voeren.

Hij deed dit den 20enMaart 1569 in eene vergadering, welke hij te Brussel uit de verschillende provinciën bijeengeroepen had.

De drie nieuwe belastingen van Alba waren: 1eeene belasting van 1% op alle roerende en onroerende goederen, voor ééns te betalen; 2eeene belasting van 5% van alle onroerende en 3eeene van 10% op alle roerende goederen, die telkens bij den verkoop dier goederen opgebracht moesten worden: eene belasting, die voor altijd den Nederlanders opgelegd werd. De beide laatste belastingen werden de 20een de 10epenning genoemd.

De indruk, welke des hertogs eigendunkelijke handelwijze op de bevolking der Nederlanden maakte, is onmogelijk te beschrijven. Aan zijne maatregelen van geweld had men zich tot dusver lijdzaam onderworpen. Hoe talrijk het aantal doodvonnissen ook was geweest, toch waren daardoor slechts enkelen getroffen, maar de nieuwe belastingen drukten op allen zonder onderscheid, op de goede Katholieken zoowel als op de ketters, opde trouwe aanhangers des konings zoowel als op zijne tegenstanders. Zelfs zulke Nederlanders, die den hertog met onwankelbare trouw gediend hadden, waren verontwaardigd over dezen willekeurigen maatregel. De grijze Viglius smeekte den hertog met ernstige, dringende woorden, dat hij zulk een plan, hetwelk toch niet uitgevoerd kon worden, zou laten varen. Maar Alba bleef, gelijk altoos, onverzettelijk. Hij kon werkelijk niet begrijpen waarom zulk eene belasting niet geheven zou kunnen worden; eene dergelijke toch werd in Spanje door het geheele volk betaald en niet anders geschiedde het in zijn eigen hertogdom Alba, dat hem op die wijze jaarlijks 50.000 dukaten opbracht. Zijn gebrek aan kennis van het volksleven maakte hem blind voor het onderscheid tusschen eene groote handeldrijvende natie en de inwoners van een klein, afgelegen hertogdom zonder handel of nijverheid. Hij begreep niet, dat door eene dergelijke belasting de handel der Nederlanders geheel vernietigd zou worden.

Indien het tiende deel van de waarde eener koopwaar bij elken verkoop betaald moest worden, dan lag het voor de hand, dat wellicht reeds in weinige weken door herhaalde omzetting hare geheele waarde in den vorm van belasting betaald zou moeten worden. Zulk eene belasting kon een handeldrijvend volk niet betalen, zonder geheel te gronde te worden gericht. Dit zeide men dan ook onverholen in de talrijke petities, die van alle kanten bij de regeering werden ingediend.

De staten der verschillende provinciën protesteerden; ten einde den hertog niet al te zeer te verbitteren, willigden zij in, één percent van aller vermogen in eens te betalen, maar zij namen geen genoegen met den 20enen 10enpenning.

Alba liet zich door dit protest niet van zijn stuk brengen; hij besloot zijn wil door te drijven, tegen den raad zijner trouwste aanhangers in; en zoo gevreesd had hij zich gemaakt, dat het hem gelukte de staten der provinciën allengs tot toegevendheid te bewegen. De eene provincie na de andere gaf gedwongen hare toestemming; doch alle knoopten daaraan de voorwaarde vast, dat de belasting dan alleen geheven mocht worden, wanneer geene enkele provincie hare goedkeuring daaraan onthield. Alleen de stad en de provincie Utrecht volhardden in haren tegenstand; tot straf hiervoor werden zij aan hoogverraad schuldig verklaard en van al hare rechten en vrijheden beroofd.

In het midden van het jaar 1569 kon Alba reeds aan Philips schrijven, dat thans eindelijk alle provinciën het hoofd in den schoot gelegd hadden: hij wenschte den koning geluk met de drie en een half millioen gulden, welke deze voortaan jaarlijks, nadat alle onkosten der regeering betaald waren, uit de Nederlanden trekken zou. Doch hij had te vroeg victorie gekraaid! Al de staten trokken weldra hunne afgedwongene toestemming weder in, dewijl, zoolang de provincie Utrecht niet vrijwillig de belasting goedkeurde, ook de andere daartoe niet gedwongen konden worden. Zij weigerden de heffing van den 20enen 10enpenning op hun grondgebied.

Alba had dringend geld noodig. Om het te verkrijgen, gaf hij voor het oogenblik toe. Hij sloot met de staten eene overeenkomst, volgens welke de provinciën jaarlijks drie en een half millioen gulden zouden betalen tot Augustus 1571; eerst daarna zou de heffing van den 20enen 10enpenning volgen.

Door dit verdrag werden de gemoederen weder een weinig bedaard.

De hertog zelf had er thans belang bij, de Nederlanders een weinigmet zijne regeering te verzoenen; hij vernam uit Madrid, dat zijne vijanden ijverig tegen hem in de weer waren, dat zij elke klacht, die tegen hem bij den koning ingebracht werd, krachtig ondersteunden. Ja men fluisterde aan het Spaansche hof reeds, dat Philips van plan was den hertog uit de Nederlanden terug te roepen.

Alba begreep dus, dat hij wat zachter dan vroeger regeeren moest, en toen Viglius hem voorstelde, eene algemeene amnestie af te kondigen, verklaarde hij zich daartoe bereid, mits de grootste staatmisdadigers en ketters daarvan uitgesloten bleven.

Viglius ontwierp een aantal plannen, die den koning toegezonden werden; deze liet het aan den hertog over, het meest geschikte uit te kiezen.

Den 14enJuli 1570 werd te Antwerpen de lang verbeide Amnestie plechtig afgekondigd. Het volk had op dit „generaal pardon,” zooals het genoemd werd, groote verwachtingen gebouwd, doch het werd op de pijnlijkste wijze teleurgesteld, want in de oorkonde der amnestie werden zoovele uitzonderingen gemaakt, dat de uitzondering tot regel verheven werd en dat de bloedraad, evenals te voren, de macht bleef bezitten om elken Nederlander ter dood te brengen. Uitgesloten van de weldaad der amnestie waren alle kettersche predikers, allen, die dezen ooit bescherming hadden verleend, alle beelden- en kerkstormers, alle bekende ketters, alle onderteekenaars van het compromis, allen, die kettersche leerstellingen verbreid of hare verbreiding begunstigd hadden. Hun, die aan zulke misdaden schuldig stonden, werd het wel vergund, zich binnen zes maanden aan te melden, met de belofte van een zacht vonnis, doch het volk beschouwde die belofte slechts als een bedriegelijk lokaas, opdat een groot aantal schuldigen zich aanmelden en ter dood gebracht worden zou. Het generaal pardon verhoogde slechts de ontevredenheid van het ongelukkige volk, dat zich op nieuw met eene zoete hoop gevleid had en op nieuw teleurgesteld werd.

Bijna was het, alsof de Nederlanders in die dagen den lijdensbeker tot den bodem moesten ledigen, alsof de natuur zelve met Alba in bondgenootschap trad, om den ondergang des lands te voltooien.

Eene vreeselijke overstrooming richtte in het jaar 1570 aan alle Nederlandsche kusten onnoemlijke schade aan; men zegt, dat alleen in Friesland 20.000 menschen in de golven zijn omgekomen. De woeste baren droegen de schepen diep het land in, waar men ze, nadat het water gevallen was, op velden en weiden zag liggen. Geheele steden en dorpen werden verwoest, vele akkers verzandden, onnoemlijke schatten gingen verloren.

De nood was grenzenloos; men had geene schuiten genoeg om de menschen te redden, die op kerktorens, daken en hooge boomen gevlucht waren. Velen, die den dood in de golven ontsnapt waren, kwamen op hunne schuilplaats van honger en koude om.

In dien tijd van hooggeklommen ellende maakte een Spaansch stadhouder, Robles de Billy, zich zeer verdienstelijk jegens de aan zijne zorg toevertrouwde gewesten door zijne onvermoeide werkzaamheid.

In persoon voer hij van dorp tot dorp, om menschenlevens te redden, hij gebruikte de Spaansche troepen, om hem bij deze menschlievende pogingen bij te staan. Nadat de vloed geweken was, droeg hij zorg, dat in de geheele provincie Groningen sterke dijken gelegd werden; toen de adel weigerde tot dit werk bij te dragen, en zich op zijne privilegiën beriep, antwoordde hij met bitteren, maar welverdienden spot, dat de edelen hunne privilegiën en adelbrieven dan maar in de gaten der vernielde dijken moesten leggen, omde zee terug te houden. Robles, die vroeger om zijne gestrengheid bij de Friezen zeer gehaat was, verwierf zich door deze zijne werkzaamheid hunne liefde in zulk eene mate, dat zij voor hem een standbeeld oprichtten.

Was het geschil tusschen den hertog en de staten over den 20enen 10enpenning door de tusschen hen geslotene overeenkomst eenigen tijd verdaagd, in het begin van het jaar 1571 kwam het op nieuw aan de orde, dewijl de hertog het noodig oordeelde, eenige voorbereidende maatregelen voor de heffing van die belastingen te nemen.

Op nieuw openbaarde zich in den staatsraad een krachtig verzet tegen Alba’s plannen; het stond te wachten, dat zij in den boezem van die vergadering andermaal verworpen zouden worden. Viglius, de oude raadsheer, was zoo lang des hertogs gehoorzame dienaar geweest als hij dezen alvermogend waande; doch thans had hij bepaalde berichten uit Spanje ontvangen, volgens welke Alba sterk in des konings gunst gedaald was, ja Philips II niet bijzonder veel belang stelde in de heffing van die belastingen. Onder deze omstandigheden meende Viglius zonder gevaar de rol van gehoorzaam dienaar met die van kampioen voor de rechten des volks te kunnen verwisselen; hij liet zich zóó krachtig in afkeurenden zin over de nieuwe belastingen uit, dat de woedende hertog hem met eene strenge straf bedreigde. Doch Viglius liet zich geen vrees aanjagen; daartoe gevoelde hij zich veel te sterk ten gevolge van de gunst, waarin hij zelf bij den koning stond. Ook bij de overige raadsleden vond hij steun: zelfs Barlaimont koos zijne zijde.

In weerwil van dezen tegenstand bleef Alba in zijn plan volharden. Den laatsten Juli vaardigde hij een edict uit, waarin de heffing van den 20enen 10enpenning voor het vervolg verordend werd. Het gevolg hiervan was een algemeen oproer in het geheele land. De staten van elke provincie, de raadsleden van elke stad sloegen de handen ineen en dienden gezamenlijk protesten tegen het edict in. Het volk poogde daarbij zich zelf te redden. Alle bedrijven stonden eensklaps stil, alle kooplieden sloten hunne winkels; zij wilden liever niets verkoopen dan de belasting betalen.

De Spaansche spionnen, die in last hadden, overal rond te sluipen, om te hooren wat het volk zeide en dit den hertog over te brengen, wisten nauwelijks meer, wien zij moesten aanklagen, want er was geen Nederlander, die zich niet in zeer oneerbiedige bewoordingen over de dwingelandij van den landvoogd uitgelaten had. De vrees voor verlies van alle bezittingen was sterker dan de angst, dien Alba tot dusver ingeboezemd had.

Wanneer de hertog vroeger op straat verscheen, boog alles voor hem, nu groette men hem niet eens; tot dusver had eene zwijgende, lijdzame volksmassa elk zijner bevelen opgevolgd, doch thans openbaarde zich van week tot week, van maand tot maand een krachtiger tegenstand.

Zelfs in de hoofdstad Brussel kwam het volk openlijk tegen hem in verzet; de brouwers weigerden te brouwen, de biertappers bier te leveren, de bakkers te bakken, de slachters te slachten; de handwerkslieden sloten hunne werkplaatsen, in de straten slenterden de arbeiders werkeloos rond, zelfs de soldaten, die niet langer, gelijk vroeger, brood, vleesch of bier konden koopen, waren woedend over de belastingen.

Brussel vertoonde het beeld eener door de pest geteisterde stad; men ontmoette in de straten niets dan diep bezorgde aangezichten; alle openbaar leven was uitgestorven.

Alba was buiten zich zelven van woede, wijl het volk het waagde,hem in zijn aangezicht te wederstaan, door verdubbelde gestrengheid wilde hij het tot onderwerping brengen. Hij liet den beul roepen en gaf hem bevel, den volgenden dag achttien der grootste kooplieden, die hunne winkels gesloten hadden, aan de deuren hunner huizen op te hangen. Met het aanbreken van den dag moest het bevel uitgevoerd zijn, opdat de bevolking bij haar ontwaken door den aanblik dier lijken verschrikt en door de vrees tot gehoorzaamheid gedwongen zou worden.

Met ongeduld verbeidde de hertog het aanbreken van den dag, toen hij eensklaps een bericht ontving, dat hem noopte om het bloedbevel in te trekken. De stad Brielle was door de aanhangers van Willem van Oranje, de Watergeuzen, ingenomen.

1Dit feit is eerst in den laatsten lijd aan het licht gebracht. Met zooveel overleg had Philips zijne tijdgenooten weten te misleiden, dat zij schier allen overtuigd waren, dat Montigny in de gevangenis een natuurlijken dood gestorven was.

1Dit feit is eerst in den laatsten lijd aan het licht gebracht. Met zooveel overleg had Philips zijne tijdgenooten weten te misleiden, dat zij schier allen overtuigd waren, dat Montigny in de gevangenis een natuurlijken dood gestorven was.

Achtste Hoofdstuk.Oranje in Duitschland. De Watergeuzen. Hunne strooptochten. De dappere ossenkoopman. Onderhandeling van Oranje met Frankrijk. Lumey, graaf van der Marck. De Watergeuzen uit Engeland verdreven. Verovering van den Briel. Bossu’s nederlaag voor den Briel. Bloedbad te Rotterdam. Volksopstand in Holland voor Oranje. Wreedheden. Verbond van Lodewijk van Nassau met de Hugenooten. Bergen overrompeld. Opstand in de Nederlanden. Vergadering van de Staten-generaal te Dordrecht. Hunne besluiten. De oorlog in Henegouwen. Nederlaag der Hugenooten onder Genlis. Oranje’s ongelukkige veldtocht. Capitulatie van Bergen. Noircarmes te Bergen.Willem van Oranje had het in Frankrijk niet lang kunnen uithouden, maar was naar Duitschland teruggekeerd. Hoewel hij na het mislukken zijner onderneming van alle middelen ontbloot, ja zoozeer met schulden beladen was, dat hij door zijne schuldeischers menigmaal in de engte gedreven werd, gaf hij toch de hoop niet op. Hij was overtuigd, dat Alba’s heerschappij eindelijk de Nederlanders tot wanhoop brengen zou, dat het slechts eene kwestie van tijd was, wanneer een algemeene opstand zou uitbreken, waarvan hij besloten had partij te trekken. Voortdurend stond hij in geheime verstandhouding met invloedrijke aanhangers, die hij in grooten getale onder de Nederlanders telde, van hen ontving hij juiste berichten omtrent de in het land heerschende stemming. Deze berichten luidden in de jaren 1569 en 1570 vrij treurig; zij spraken van de ontmoediging des volks, van de onmogelijkheid om het tot krachtig handelen te bewegen, van de onoverwinlijke vrees, welke Alba’s schrikbewind inboezemde, doch ook van de algemeene verbittering, welke des hertogs nieuwe belastingen veroorzaakt hadden.Aan een gewapenden inval in de Nederlanden kon Oranje in dientijd reeds volgens deze berichten niet denken, zelfs al was hij daartoe in staat geweest. Dit was echter niet het geval, hij bezat noch het geld, noch het crediet, die noodig waren om troepen aan te werven.In dezen treurigen toestand had hij de toevlucht genomen tot een wanhopig middel, om den hertog van Alba afbreuk te doen en tegelijk zijne krijgskas te vullen. In zijne waardigheid als souverein vorst had hij gebruik gemaakt van zijn recht om kaperbrieven uit te geven.Vele Nederlandsche vluchtelingen, edelen zoowel als burgers, grepen vol blijdschap deze gelegenheid aan om den strijd tegen de gehate Spanjaarden, dien zij te land hadden moeten opgeven, ter zee voort te zetten. Zij rustten kleine en groote schepen uit, die, met des prinsen kaperbrieven voorzien, de zee onveilig maakten en zelfs landingen aan de Nederlandsche zeekusten ondernamen.De Watergeuzen—zoo noemden zich de zeeschuimers—waren dappere, wanhopige mannen, die niets te verliezen, maar veel te winnen hadden. Bezield door een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaarden, traden zij weldra als hunne grimmige vijanden op. Wanneer zij een Spaansch schip namen, maakten zij zich jegens de bemanning aan de afschuwelijkste wreedheden schuldig. Ook bevonden zich onder de Watergeuzen eenige honderden zeeroovers, die zich om de natie, waartoe een schip behoorde, niet bekommerden, en nog minder er aan dachten, een deel van hun buit af te staan, gelijk zij bij het ontvangen van de kaperbrieven den prins beloofd hadden.Zoo talrijk en zoo algemeen waren de klachten, welke tegen de Watergeuzen bij den prins werden ingebracht, dat deze zich genoopt zag om den heer van Dolhain, die de betrekking van admiraal bekleedde, af te zetten en aan diens opvolger Guislain de Fiennes, heer van Lumbres, bepaalde bevelen te geven.De hertog van Alba en zijne aanhangers werden daarin als de eenige wettige vijanden der geuzen aangeduid; elke aanval op een schip van het Duitsche rijk, Zweden, Denemarken, Engeland of van andere staten, vooral van die, welke jegens het protestantisme gunstig gestemd waren, werd op strenge straf verboden. De strengste tucht moest op de vloot gehandhaafd worden en het krijgsrecht, dat door alle naties heilig geacht werd, moest ook door de Watergeuzen worden geëerbiedigd. Ieder scheepskapitein was verplicht om aan boord van zijn vaartuig een prediker te hebben en godsdienstoefening te houden. Alleen Nederlanders mochten tot het scheepsbevel worden toegelaten. De gezamenlijke buit moest naar vaste regelen onder de bemanning verdeeld worden, een deel van den buit behoorde afgeleverd te worden aan de krijgskas, welke de prins tot het aanwerven van een nieuw leger wilde vormen.Des prinsen bevelen misten hunne uitwerking niet; de Watergeuzen ontvingen eene betere organisatie. Zij leverden voortaan een deel van den buit aan den prins af, hoewel dit zeker niet altijd met groote nauwgezetheid geschiedde. Nog altijd gedroegen vele geuzen zich geheel als zeeroovers, maar hoe dit zij, zeker is het, dat zij zich bij den hertog van Alba dagelijks meer geducht maakten.In Engeland vonden de Watergeuzen meestal eene goede ontvangst, dewijl koningin Elisabeth juist toen hevig op Alba vertoornd was. Zij wist toch, dat deze, op last van Philips II, al de oproeren en samenzweringen ten gunste van de gevangene koningin van Schotland, Maria Stuart,heimelijk ondersteunde. Elisabeth achtte zich dus ook niet verplicht om de Watergeuzen te weren.De ontevredenheid der Nederlanders over de nieuwe belastingen, die zich steeds luider lucht gaf, bezielde Oranje met nieuwen moed. Onvermoeid was hij werkzaam om nieuwe bondgenooten aan te werven, zijne zendelingen verschenen aan alle protestantsche hoven, om hulp te vragen. Doch bijna overal werden zij afgewezen. Ook eenige koene ondernemingen van Oranje’s aanhangers, ten einde in de Nederlanden eene versterkte plaats te bemachtigen, waaruit de opstand zich dan verder zou kunnen verbreiden, mislukten alle.De meest beroemde van deze ondernemingen is die van Herman de Ruyter op het slot Loevestein in Holland.Dit tusschen Maas en Waal gelegen slot was een punt van een groot strategisch gewicht, dewijl het de beide steden Woudrichem en Gorinchem beheerschte. Op zekeren avond, tegen het einde van de maand December 1570, verschenen vier bedelmonniken voor de poort van het slot en vroegen nachtverblijf; zij werden voor den kommandant gebracht. Deze bemerkte tot zijn ongeluk spoedig, wie zijne gasten waren. Eén der gewaande monniken, Herman de Ruijter, een ossenkooper uit ’s Hertogenbosch en een vurig aanhanger van den prins, trok onder zijne pij een pistool te voorschijn en schoot den slotvoogd neer. Partij trekkend van den panischen schrik, door deze daad veroorzaakt, maakten de Ruijter en zijne gezellen zich nu van de dienaren en van het kleine garnizoen meester. Zij openden de poorten voor eene bende van ongeveer 30 man, die zich op het slot nestelden en het in staat van verdediging brachten.De geuzen hadden er op gerekend, dat zij binnen korten tijd door een grooter aantal hunner makkers ondersteund zouden worden; doch door eene overstrooming werden hunne vrienden verhinderd, ter rechter tijd Loevestein te bereiken. Met 30 man kon de Ruijter het slot niet verdedigen tegen de overmacht der Spanjaarden, die terstond waren opgedaagd, om de belangrijke plaats te heroveren. Dit wisten de geuzen zeer goed, maar toch verdedigden zij zich met eene schitterende dapperheid, totdat schier de laatste man gedood was. De Ruijter behoorde onder de gesneuvelden1.Na zoovele mislukte pogingen scheen eindelijk het geluk den prins van Oranje weder toe te lachen. De admiraal Coligny, de ijverige Hugenoot, verkreeg aan het hof van den Franschen koning, Karel IX, zulk een grooten invloed, dat hij hoopte, zijn vorst tot den oorlog tegen Spanje en tot eene krachtige ondersteuning van de Nederlanders te zullen bewegen. Lodewijk van Nassau onderhandelde met den admiraal en met den koning en schreef zijnen broeder zulke bemoedigende brieven, dat deze er thans weer ernstig aan denken kon, een nieuwen oorlog tegen Alba te ondernemen, toen een onverwachte slag hem trof, waarvan hij weinig vermoedde, dat die op zijn geluk zou uitloopen.De Watergeuzen stonden thans onder bevel van den admiraal Willem Lumey, graaf van der Marck, een bloedverwant van Egmond. Lumey, een woest en bloeddorstig man, had gezworen dat hij niet zou rusten,eer hij den dood van zijn vriend Egmond gewroken had. Hij was de ijverigste aanvoerder der Watergeuzen, doch tegelijk degeen, die de grootste wreedheden liet plegen. Indien hij een Spanjaard of een katholiek priester in handen kreeg, liet hij hem zonder genade ophangen.Lumey had in Maart 1572 de kleine vloot der Watergeuzen aan de Engelsche kust in veiligheid gebracht, maar hij zou hier niet lang toeven. De vele wreedheden, op Lumey’s bevel begaan, boezemden ook den Engelschen zulk een afkeer in, dat Elisabeth, die sinds kort weer op een beteren voet met Philips II stond, niet weigeren kon, aan Alba’s dringende vertoogen het oor te leenen. In de laatste dagen van Maart beval zij, dat Lumey en al zijne aanhangers terstond Engeland verlaten moesten. Zij verbood haren onderdanen, de Watergeuzen van eenige levensmiddelen, hoe ook genaamd, te voorzien.Dewijl de admiraal vreezen moest, door Engelsche schepen aangevallen te zullen worden, tegen welke hij niet bestand zou zijn geweest, was hij wel genoodzaakt om de Engelsche kust te verlaten. Zijn toestand was uiterst hachelijk, dewijl hij geene levensmiddelen aan boord had; niets bleef hem dus over dan naar Holland te zeilen, ten einde hier de eene of andere stad te overvallen en zich zoo levensmiddelen voor zijne halfverhongerde lieden te verschaffen.Zijn eerste plan was, bij Texel de Zuiderzee binnen te zeilen en eene der steden van het Noorder-Kwartier, Enkhuizen of Hoorn, te bemachtigen. Doch tegenwind dreef de geuzenvloot naar de Maas, aan wier mond het sterke stadje Brielle ligt. Toevalliger wijze was de stad schier geheel van bezetting ontbloot, dewijl Alba de Spaansche troepen, die er gewoonlijk lagen, naar Utrecht gezonden had.Den 1enApril kwamen de geuzen voor den Briel aan: wel hadden de burgers alleen de stad kunnen verdedigen, want zij had sterke wallen en het aantal der geuzen was niet groot—hoogstens 300 man—, doch het ontbrak der burgerij daartoe niet slechts aan moed, maar ook aan lust.De rijkste inwoners vluchtten met have en goed, de overigen durfden geen tegenstand bieden en zoo gelukte het een handvol koene mannen, zich zonder moeite van de versterkte stad meester te maken. Lumey proklameerde daar terstond den prins van Oranje als wettigen stadhouder van koning Philips II. Den inwoners verzekerde hij, dat hij niet gekomen was om hen uit te plunderen, maar om hen van den gehaten 10enen 20enpenning te bevrijden. Zijne manschappen gedroegen zich ook jegens alle protestanten zeer welwillend; daarentegen bezoedelden zij hun wapenfeit door het plunderen van de katholieke kerken, het vernielen van beelden en altaren, het rooven van de kerksieradiën en bovenal door het vermoorden van 13 monniken en katholieke priesters, die in hunne handen waren gevallen.Het bericht van de inneming van den Briel door de Watergeuzen verbreidde zich met groote snelheid. Alba ontving het, gelijk we reeds zagen, toen hij op het punt stond, eenige Brusselsche kooplieden te laten ophangen. Nu liet hij dit plan varen, dewijl hij meende terstond krachtige maatregelen te moeten nemen. Voorloopig wilde hij de bevolking der hoofdstad niet meer verbitteren dan buitendien reeds het geval was, te meer daar het bleek, dat ook te Brussel een groot deel der burgerij op de hand der geuzen was.Op den eersten AprilVerloor Alba zijn Bril,namelijk om den 10enpenning te zoeken, zóó zongen de straatjongens, den hertog beschimpende. Alba gaf aan den Graaf van Bossu, dien hij tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd had, terstond bevel om den Briel te hernemen. In aller ijl werden 10 compagniën uit Utrecht ontboden: met deze rukte Bossu tegen den Briel op.De kleine schaar der Watergeuzen zou tegen den aanval der Spanjaarden niet bestand zijn geweest, indien het niet eenen moedigen aanhanger van den prins, den scheepstimmerman Rochus Meeuwiszoon, gelukt was, de Nieuwlandsche sluis open te hakken en daardoor aan het zeewater den toegang tot het land te verschaffen. Reeds maakten de Spanjaarden zich tot een aanval op de stad gereed, toen zij eensklaps het water zagen wassen; dit schouwspel, gepaard aan den aanblik der vlammen, die van hunne gedeeltelijk door de Watergeuzen in brand gestokene schepen opstegen, sloeg hen als met een panischen schrik. Hals over kop keerden zij terug, een groot aantal der hunnen, die deels door het staal, deels in de golven omgekomen waren, achterlatende.Nadat de aanval gelukkig afgeslagen was, verzamelde de graaf van der Marck de intusschen in grooten getale teruggekeerde inwoners der stad, wien hij den eed van trouw aan den prins van Oranje, als stadhouder van Zijne Majesteit Philips II, afnam.Zoo was de stad Brielle de eerste in de Nederlanden, welke de vaan van Willem van Oranje, de later zoo beroemde en geliefde prinsenvlag, openlijk opstak; hier werd de hoeksteen voor het gebouw der Nederlandsche vrijheid gelegd. De verdienste van deze daad komt voornamelijk toe aan een edelman, Willem van Blois, heer van Treslong. Lumey had de stad, nadat hij zijne schepen van levensmiddelen voorzien en met den behaalden buit gevuld had, weer willen verlaten, maar Treslong zette het door, dat men haar verdedigen zou, totdat men bevelen van den prins hieromtrent ontvangen had.De graaf van Bossu rukte, nadat hij voor den Briel afgeslagen was, naar Rotterdam op. Hij moest zich vóór alles van deze stad verzekeren, want hij vreesde, dat de welgelukte aanslag der Watergeuzen op den Briel de overige Hollandsche steden van den koning zou doen afvallen. Hij vond de poorten van Rotterdam gesloten, de overheid weigerde eene bezetting in te nemen; eerst toen Bossu verzekerde, dat daarvan geen sprake zou zijn, dat het hem slechts om vrijen doortocht voor zijne troepen te doen was, gaf het stedelijk bestuur toe.De poorten werden geopend, doch nauwelijks was dit geschied, of de Spaansche soldaten stormden op alle burgers los, die zij ontmoetten. In weinige oogenblikken waren 40 mannen en vrouwen vermoord. Rotterdam werd behandeld als eene veroverde stad.Het bericht van deze verraderlijke slachting bracht in de Hollandsche steden eene onuitsprekelijke verbittering te weeg. Vele belangrijke steden, aangemoedigd door het voorbeeld van Brielle, verklaarden zich thans voor den prins van Oranje. Het eerst deed dit de stad Vlissingen, op het eiland Walcheren. Deze verjoeg de kleine Spaansche bezetting en toen spoedig daarop een sterk legercorps voor hare poorten verscheen, hield zij deze gesloten.De Vlissingsche burgerij wist zeer goed, dat zij slechts te kiezen had tusschen de zegepraal en eene uitplundering en slachting zonder wederga. Zij zond daarom terstond boden naar den Briel tot den graaf van derMarck met het verzoek om versterking. Dit geschiedde; in den Briel hadden reeds zoovele aanhangers van den Prins van Oranje zich vereenigd, dat de graaf 200 man naar Vlissingen zenden kon.De inwoners van Vlissingen namen voor den moord, door Bossu te Rotterdam gepleegd, eene schandelijke wraak. De beroemde ingenieur Pacheco, die zonder te vermoeden wat er in de stad was voorgevallen, zich op Alba’s bevel derwaarts begeven had, om de citadel, die in aanbouw was, te voltooien, werd zonder vorm van proces opgehangen. Bij afwezigheid van den beul werd dit vonnis voltrokken door een ter dood veroordeeld misdadiger, die hiertoe alleen te bewegen was door de belofte van lijfsbehoud en op voorwaarde, dat hij een ieder mocht dooden, die hem ooit deze daad verwijten zou. Eenige Spaansche officieren ondergingen hetzelfde lot.Op zulk eene wreede wijze vingen de burgers den oorlog aan, en met dezelfde wreedheid werd hij voortgezet, toen thans geheel Holland eensklaps voor Oranje in opstand kwam. De Spanjaarden en alle aanhangers van Alba werden als wilde dieren beschouwd, die men zonder genade moest uitroeien. Op de onverdraagzame katholieke priesters werd eene afschuwelijke menschenjacht geopend. Hoe ernstig wij zulke daden van wraakzucht en bloeddorst ook afkeuren, toch kunnen wij niet ontkennen, dat zij zich dit lot door hunne wreedheid op den hals hadden gehaald; de protestanten betaalden hun thans het vroeger doorgestane leed met woeker terug. Enkhuizen koos de zijde van den prins, hierop volgden de overige Noord-Hollandsche steden, daarna ook Oudewater, Gouda, Leiden, Dordrecht, Gorinchem en Haarlem. Overal werden de geestelijken gevangen genomen en onder de gruwelijkste mishandelingen ter dood gebracht. Schier door het geheele land werden allerlei wreedheden bedreven, doch ook enkele gevallen kwamen voor, waarin de menschelijkheid de zegepraal behaalde op de partijzucht. Zoo vluchtte te Gouda de burgemeester, een ijverig aanhanger van Alba, in het huis eener weduwe, wier man op zijn bevel ter dood gebracht was. Op zijne angstige vraag, of de schuilplaats, waarin zij hem verbergen wou, wel veilig was, antwoordde de weduwe: „Zeker, zij was menigmaal het toevluchtsoord van mijn man bij uwe vervolgingen.” En werkelijk werd des schouten schuilplaats niet ontdekt: de weduwe van zijn slachtoffer verried hem niet.In alle steden, die op het voorbeeld van den Briel van Alba afvielen, werden de oude besturen afgezet en terstond vervangen door nieuwe, die den koning van Spanje en zijn stadhouder, den prins van Oranje, trouw zwoeren, en bovendien onder eede beloven moesten, dat zij den hertog van Alba den 20enen 10enpenning weigeren en zich uit alle macht tegen de inquisitie verzetten zouden.Het was een hoogst merkwaardig verschijnsel, dat het Nederlandsche volk in dien tijd nog geene andere vrijheid eischte dan die, waarop het volgens zijne oude wetten aanspraak had, dat het niets anders vroeg dan de vervulling van datgeen, wat Philips II bij zijne huldiging onder eede had beloofd. Het wilde den koning niet van den troon stooten, maar verlangde vrijheid van geweten en eerbiediging de oude privilegiën des lands.Terwijl dit alles gebeurde, bevond de prins van Oranje zich in Duitschland. Hij was bezig met het aanwerven van troepen en met het verzamelen van gelden. Ook op het bericht van de inneming van den Briel kon hij nog niet naar Nederland snellen, gelijk hij wel gaarne zou hebben gedaan,maar hij zond derwaarts zijne bevelen, die door het volk bereidwillig werden opgevolgd.Zijn broeder Lodewijk van Nassau bevond zich in die dagen in Frankrijk, hij onderhandelde met de Hugenooten en met koning Karel IX. Van dezen ontving hij de bepaalde belofte van hulp en met Karel’s geheime toestemming sloot de graaf van Genlis zich met een aantal Hugenooten bij hem aan, zoodat hij weldra aan het hoofd van een legertje stond.Zijne eerste daad was de overrompeling van de belangrijke stad Bergen in Henegouwen, uit welke hij Brussel bedreigen kon. Met een handvol volks gelukte het hem, de stad in te nemen; hij werd kort daarop door eenige duizenden Fransche partijgangers ondersteund, zoodat hij zich in die stad kon nestelen.De inneming van Bergen was voor alle vijanden van Alba het teeken tot den opstand. In de meest verschillende deelen van Nederland braken oproeren uit, toen de hertog, ten einde Bergen te heroveren, troepen samentrok en daardoor andere streken van krijgsvolk ontblooten moest.In Gelderland greep graaf Herman van den Berg, de zwager van den prins, naar de wapenen; het graafschap Zutfen, de Veluwe, een deel van Overijssel en de stad Amersfoort kwamen in opstand en ook in Friesland schudde de adel het Spaansche juk af.Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde, dat het tot dusver zoo gedweeë volk van alle zijden tegen zijne dwingelandij opgestaan was; hij zwoer het bloedige wraak, doch voorshands legde hij eene kalme matiging aan den dag.In aller ijl trok hij zooveel troepen bijeen als mogelijk was en zond die onder zijn zoon Frederik naar Bergen. Deze stad wilde hij, tot beveiliging van de hoofdstad Brussel, in de eerste plaats weer onder zijne macht brengen.Hierop vaardigde hij den 24enJuni een bevel uit aan de Staten van Holland om den 15enJuli te ’s Gravenhage bijeen te komen. In deze oproepingsoorkonde verklaarde hij zich bereid om de nieuwe belastingen af te schaffen, wanneer de Staten-Generaal beloofden jaarlijks eene som van drie en een half millioen gulden op te zullen brengen.Nog vóór korten tijd zou zulk een voorstel door de Hollanders met blijdschap begroet zijn, doch thans kwam het te laat. In plaats van te ’s Gravenhage, kwamen de Staten van Holland den 15enJuli te Dordrecht bijeen, niet om Alba te gehoorzamen, maar om zich voor den prins van Oranje te verklaren.Het was de eerste bijeenkomst van de vertegenwoordigers der Nederlandsche republiek. Deze verklaarden, dat zij trouwe onderdanen der kroon waren, maar spraken tevens met nadruk hun voornemen uit om geen ander stadhouderschap dan dat van den prins van Oranje te erkennen.De prins had intusschen in Duitschland een nieuw leger verzameld. Tengevolge van zijne onvermoeide krachtsinspanning en met behulp van de gelden, hem door de Watergeuzen toegezonden, was het hem gelukt, 15.000 man voetvolk en 2000 ruiters bijeen te brengen.Buitendien hadden nog 3000 Nederlanders zich om zijne vaan geschaard.Hoewel nu de prins zulk eene krijgsmacht bijeen gebracht had, ontbrak hem toch nog altijd het geld om haar te bezoldigen en de Duitsche huurbenden weigerden, een stap te doen, indien hun niet minstens 3 of 4 maanden soldij gewaarborgd werd. Oranje wendde zich daarom met dringendebeden tot de staten van Holland; hij bezwoer hen bij hunne eer en bij het welzijn des vaderlands, de gevraagde geldelijke offers voor hen, hunne vrouwen en kinderen te brengen.Oranje’s brieven, die in de provincie verspreid werden, maakten een diepen indruk. Toen de gedeputeerden van den adel en van 10 steden, den 15enJuli te Dordrecht bijeen kwamen, waren zij reeds geneigd om den wensch des prinsen te vervullen, doch toen nu Aldegonde in hun midden verscheen, toen hij de vertegenwoordigers des volks in eene welsprekende redevoering begroette en henaanspoordeom eindelijk krachtig voor de bevrijding des lands van Alba’s dwingelandij in de bres te springen, werden allen met de vurigste geestdrift bezield. De Staten stonden oogenblikkelijk eene som van 175.000 gulden voor Oranje’s leger toe en beloofden voor de eerstvolgende maanden nog aanzienlijker sommen. Doch nog gewichtiger was een ander besluit, door hen genomen. Zij verklaarden eenstemmig, dat zij den prins van Oranje als des konings wettigen stadhouder in Holland, Zeeland, Friesland en in de provincie Utrecht beschouwden, en dat zij al hun invloed zouden aanwenden, opdat hij ook door de overige Nederlandsche gewesten als hun protector bij afwezigheid des konings zou worden erkend. Voorts bepaalden zij, dat voortaan de protestantsche eeredienst even goed als de katholieke met volkomen vrijheid in het land uitgeoefend zou worden. Tot bescherming van beide partijen werden de noodige bepalingen vastgesteld.Deze besluiten legden den eersten grondslag voor het gebouw van den later zoo bloeienden staat der Vereenigde Nederlanden. Aan Willem van Oranje werd daarbij eene dictatoriale macht opgedragen. Hoewel hij daarmede alleen als stadhouder des Spaanschen konings bekleed was, zou zijn gezag toch aan geene enkele beperking, hoe ook genaamd, onderworpen zijn geweest, indien hij zelf dit niet gewild had.Oranje verklaarde namelijk, dat hij niets doen, niets bevelen zou zonder toestemming der Staten, en dat hij hun het recht opdroeg om alle belastinggaarders te benoemen. Hij beval allen officieren te zweren, dat zij hem als stadhouder en den Staten van Holland gehoorzamen zouden, ten einde het land van de tyrannie van Alba en de Spanjaarden te verlossen, doch dat zij tevens den Spaanschen koning als graaf van Holland getrouw zouden zijn.Terwijl dit alles voorviel, werd de oorlog in Henegouwen intusschen reeds met groote hevigheid gevoerd. Lodewijk van Nassau had den graaf van Genlis naar Frankrijk teruggezonden, om de hem door koning Karel IX beloofde versterkingen te halen. In Genlis’ afwezigheid was Alba’s zoon, don Frederik, voor Bergen verschenen en had hij op krachtige wijze een begin gemaakt met het beleg. Dagelijks vielen er scherpe gevechten voor, waarin Lodewijk van Nassau eene groote dapperheid aan den dag legde. Met zijne geringe strijdkrachten was hij echter niet in staat om den vijand terug te werpen.De graaf van Genlis had intusschen in aller ijl een uit Fransche Hugenooten samengesteld leger bijeengebracht, dat door sommigen (doch deze opgave is stellig overdreven) op 10.000 man geschat wordt, en rukte hiermede naar Henegouwen op. Onderweg ontmoette hem een bode van Lodewijk, die hem dringend verzocht, niet overijld te handelen, maar te wachten totdat Willem van Oranje, die reeds aan het hoofd van een talrijk leger stond, zich met hem vereenigde. Doch zulk een maatregel van wijze voorzichtigheidwas niet naar den zin van den graaf van Genlis, die zich den roem, dat hij alleen den vijand tot het opbreken van het beleg van Bergen genoodzaakt had, niet wilde laten ontglippen. Hij rukte met spoed voorwaarts; in het midden van Juli kwam hij in de nabijheid van Bergen aan, hier werd hij den 19endier maand door de Spanjaarden onder Noircarmes met eene groote overmacht aangevallen en geheel verslagen; hij geraakte met vele Fransche officieren in Spaansche gevangenschap, zijn gansche leger werd verstrooid, slechts aan een deel der vluchtelingen gelukte het, Bergen te bereiken, en zich onder de bevelen van Lodewijk van Nassau te stellen.Had Genlis slechts een weinig geduld geoefend, dan zou de uitkomst van dien strijd geheel anders zijn geweest. Inderdaad was de prins van Oranje reeds met een leger van 14.000 man voetvolk, 7000 ruiters en 3000 Nederlandsche vrijwilligers den Rijn overgetrokken, doch hij kon slechts langzaam voortrukken.Den 23enJuli veroverde hij Roermond, nadat hij die stad hevig beschoten had. Tot zijne diepe smart gedroegen zijne soldaten zich na de inneming niet minder barbaarsch dan de Spanjaarden. Zij roofden en plunderden, zij hingen de katholieke priesters en monniken op. Wel vaardigde de prins eene proklamatie uit, waarin hij een ieder, die het waagde nog verder zulke daden te bedrijven, met den dood bedreigde, en aan katholieken en protestanten gelijke verdraagzaamheid toezegde, maar zijne bevelen werden slecht nagekomen; hij was geen meester over zijne troepen en durfde hen niet al te streng behandelen, uit vrees voor een algemeenen opstand in hunne gelederen. Ja, hij bezat niet eens de macht om hen, gelijk hij gewenscht had, tot een snel en krachtig voortrukken in de Nederlanden te bewegen, ten einde Bergen te ontzetten. Eene maand moest hij in Roermond blijven liggen en de Duitsche huurbenden trokken niet eerder voorwaarts, dan toen hun door de Staten van Holland de betaling van hunne soldij gewaarborgd was.Wel openden ook nu nog bij zijn tocht door Brabant de meeste steden, onder anderen ook Mechelen, voor hem hare poorten, doch zij deden dit half onwillig, en de hoofdstad Brussel weigerde onbewimpeld, zijne zaak te omhelzen. Nog altijd zou echter, in weerwil van dit alles, de overwinning aan de zijde des prinsen zijn geweest, indien koning Karel IX van Frankrijk zijne bij de geheime onderhandelingen gegevene belofte van hulp gestand gedaan had; doch dit was niet het geval.Juist in die dagen ontving de prins de vreeselijke tijding van de Parijsche bloedbruiloft en van den moord op Coligny en de Hugenooten gepleegd.De Fransche gezant verklaarde zich thans openlijk tegen Willem van Oranje; op last zijns konings ging hij zelfs zoo ver, dat hij van Alba het ter dood brengen van de bij Bergen gevangen genomene Fransche officieren eischte, hoewel deze toch de geheime bevelen van Karel IX hadden opgevolgd, toen zij de wapenen voor de Nederlanders opvatten.Willem van Oranje begreep zeer goed, dat hij in die omstandigheden alle hoop op de overwinning moest opgeven; alleen om zijn broeder te hulp te komen, trachtte hij Bergen te ontzetten, maar dit gelukte hem niet.De Spaansche belegeringstroepen, waarbij Alba zelf zich bevond, hadden zich zóó sterk verschanst, dat het onmogelijk was hen aan te vallen, en tot een slag in het open veld liet de voorzichtige en slimme hertog zich niet verleiden. Oranje kon zelfs geene versterkingen in de belegerde vestingbrengen; hij was veroordeeld tot eene werkeloosheid, waarover zijne op buit beluste huurlingen luide morden.Eindelijk bleef hem niets over dan terug te trekken en hij mocht zich nog gelukkig achten, dat hij niet in de handen der Spanjaarden viel. Bij een nachtelijken overval was Juliaan Romero reeds tot des prinsen legertent doorgedrongen; indien Oranje niet door het luid geblaf van een hondje, dat onder zijn bed sliep, gewekt was, zou hij in zijn slaap gevangengenomen zijn. Nog in den uitersten oogenblik gelukte het hem, een gezadeld paard te bereiken, hij slingerde zich er op en ontvluchtte. Zijne dienaars en twee zijner geheimschrijvers werden gedood.Oranje moest wel naar Peronne terugtrekken en zijnen broeder door vertrouwde boden mededeelen, dat hij niets voor hem doen kon. Vervolgens trok hij naar den Rijn en nadat hij zijne altijd nog muitende troepen afgedankt had, begaf hij zich bijna alleen naar Holland.Lodewijk van Nassau, die, hoewel hij door de koorts was aangetast, toch de verdediging van Bergen met de grootste dapperheid bestuurd had, zag thans in, dat alle verdere tegenstand vruchteloos zou zijn. Den 20enSeptember sloot hij met Alba eene capitulatie, die gunstiger voorwaarden, bevatte dan hij had durven hopen.Er lag den hertog zooveel aan gelegen, de belangrijke vesting spoedig weer in zijn bezit te krijgen, dat hij eene bij hem anders zeer ongewone zachtmoedigheid aan den dag legde: hij verleende der bezetting en allen burgers, die aan de verdediging hadden deelgenomen, vrijen aftocht en hij hield—merkwaardig verschijnsel!—althans tegenover Lodewijk van Nassau zijn woord. Hij liet dezen met de bezetting vrij en veilig aftrekken en behandelde ook de burgerij van Bergen zeer genadig. Doch wat hij verzuimd had, haalde Noircarmes, die na des hertogs vertrek met het opperbevel binnen Bergen bekleed werd, met woeker weder in. Hij stelde oogenblikkelijk een bloedraad in, welke tegen alle burgers, die op de eene of andere wijze Lodewijk van Nassau ondersteund hadden, naar het voorbeeld van het beruchte Brusselsche gerechtshof woedde. Gedurende de eerstvolgende maanden werd dagelijks een tal van doodvonnissen uitgevoerd en toen de bloedrechters zelven, verschrikt over den omvang van hun onmenschelijk werk, Noircarmes smeekten om toch eindelijk genade in plaats van recht te oefenen, wees hij hen op strengen toon af en gebood hij hun, onafgebroken met hunne aanklachten en vonnissen voort te gaan. Sidderend gehoorzaamden de rechters, die door Noircarmes uit de burgerij van Bergen zelve gekozen waren. In hunne slaafsche onderwerping lieten zij hunne vrienden en bloedverwanten ter dood brengen.1Het verhaal, dat de Ruijter het slot of althans een gedeelte er van in de lucht heeft laten springen, toen hij de verdediging opgeven moest, rust, volgens het jongste onderzoek, door Dr. Acquoy te Zalt-Bommel daaromtrent ingesteld, niet op geschiedkundige gronden.

Oranje in Duitschland. De Watergeuzen. Hunne strooptochten. De dappere ossenkoopman. Onderhandeling van Oranje met Frankrijk. Lumey, graaf van der Marck. De Watergeuzen uit Engeland verdreven. Verovering van den Briel. Bossu’s nederlaag voor den Briel. Bloedbad te Rotterdam. Volksopstand in Holland voor Oranje. Wreedheden. Verbond van Lodewijk van Nassau met de Hugenooten. Bergen overrompeld. Opstand in de Nederlanden. Vergadering van de Staten-generaal te Dordrecht. Hunne besluiten. De oorlog in Henegouwen. Nederlaag der Hugenooten onder Genlis. Oranje’s ongelukkige veldtocht. Capitulatie van Bergen. Noircarmes te Bergen.

Oranje in Duitschland. De Watergeuzen. Hunne strooptochten. De dappere ossenkoopman. Onderhandeling van Oranje met Frankrijk. Lumey, graaf van der Marck. De Watergeuzen uit Engeland verdreven. Verovering van den Briel. Bossu’s nederlaag voor den Briel. Bloedbad te Rotterdam. Volksopstand in Holland voor Oranje. Wreedheden. Verbond van Lodewijk van Nassau met de Hugenooten. Bergen overrompeld. Opstand in de Nederlanden. Vergadering van de Staten-generaal te Dordrecht. Hunne besluiten. De oorlog in Henegouwen. Nederlaag der Hugenooten onder Genlis. Oranje’s ongelukkige veldtocht. Capitulatie van Bergen. Noircarmes te Bergen.

Willem van Oranje had het in Frankrijk niet lang kunnen uithouden, maar was naar Duitschland teruggekeerd. Hoewel hij na het mislukken zijner onderneming van alle middelen ontbloot, ja zoozeer met schulden beladen was, dat hij door zijne schuldeischers menigmaal in de engte gedreven werd, gaf hij toch de hoop niet op. Hij was overtuigd, dat Alba’s heerschappij eindelijk de Nederlanders tot wanhoop brengen zou, dat het slechts eene kwestie van tijd was, wanneer een algemeene opstand zou uitbreken, waarvan hij besloten had partij te trekken. Voortdurend stond hij in geheime verstandhouding met invloedrijke aanhangers, die hij in grooten getale onder de Nederlanders telde, van hen ontving hij juiste berichten omtrent de in het land heerschende stemming. Deze berichten luidden in de jaren 1569 en 1570 vrij treurig; zij spraken van de ontmoediging des volks, van de onmogelijkheid om het tot krachtig handelen te bewegen, van de onoverwinlijke vrees, welke Alba’s schrikbewind inboezemde, doch ook van de algemeene verbittering, welke des hertogs nieuwe belastingen veroorzaakt hadden.

Aan een gewapenden inval in de Nederlanden kon Oranje in dientijd reeds volgens deze berichten niet denken, zelfs al was hij daartoe in staat geweest. Dit was echter niet het geval, hij bezat noch het geld, noch het crediet, die noodig waren om troepen aan te werven.

In dezen treurigen toestand had hij de toevlucht genomen tot een wanhopig middel, om den hertog van Alba afbreuk te doen en tegelijk zijne krijgskas te vullen. In zijne waardigheid als souverein vorst had hij gebruik gemaakt van zijn recht om kaperbrieven uit te geven.

Vele Nederlandsche vluchtelingen, edelen zoowel als burgers, grepen vol blijdschap deze gelegenheid aan om den strijd tegen de gehate Spanjaarden, dien zij te land hadden moeten opgeven, ter zee voort te zetten. Zij rustten kleine en groote schepen uit, die, met des prinsen kaperbrieven voorzien, de zee onveilig maakten en zelfs landingen aan de Nederlandsche zeekusten ondernamen.

De Watergeuzen—zoo noemden zich de zeeschuimers—waren dappere, wanhopige mannen, die niets te verliezen, maar veel te winnen hadden. Bezield door een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaarden, traden zij weldra als hunne grimmige vijanden op. Wanneer zij een Spaansch schip namen, maakten zij zich jegens de bemanning aan de afschuwelijkste wreedheden schuldig. Ook bevonden zich onder de Watergeuzen eenige honderden zeeroovers, die zich om de natie, waartoe een schip behoorde, niet bekommerden, en nog minder er aan dachten, een deel van hun buit af te staan, gelijk zij bij het ontvangen van de kaperbrieven den prins beloofd hadden.

Zoo talrijk en zoo algemeen waren de klachten, welke tegen de Watergeuzen bij den prins werden ingebracht, dat deze zich genoopt zag om den heer van Dolhain, die de betrekking van admiraal bekleedde, af te zetten en aan diens opvolger Guislain de Fiennes, heer van Lumbres, bepaalde bevelen te geven.

De hertog van Alba en zijne aanhangers werden daarin als de eenige wettige vijanden der geuzen aangeduid; elke aanval op een schip van het Duitsche rijk, Zweden, Denemarken, Engeland of van andere staten, vooral van die, welke jegens het protestantisme gunstig gestemd waren, werd op strenge straf verboden. De strengste tucht moest op de vloot gehandhaafd worden en het krijgsrecht, dat door alle naties heilig geacht werd, moest ook door de Watergeuzen worden geëerbiedigd. Ieder scheepskapitein was verplicht om aan boord van zijn vaartuig een prediker te hebben en godsdienstoefening te houden. Alleen Nederlanders mochten tot het scheepsbevel worden toegelaten. De gezamenlijke buit moest naar vaste regelen onder de bemanning verdeeld worden, een deel van den buit behoorde afgeleverd te worden aan de krijgskas, welke de prins tot het aanwerven van een nieuw leger wilde vormen.

Des prinsen bevelen misten hunne uitwerking niet; de Watergeuzen ontvingen eene betere organisatie. Zij leverden voortaan een deel van den buit aan den prins af, hoewel dit zeker niet altijd met groote nauwgezetheid geschiedde. Nog altijd gedroegen vele geuzen zich geheel als zeeroovers, maar hoe dit zij, zeker is het, dat zij zich bij den hertog van Alba dagelijks meer geducht maakten.

In Engeland vonden de Watergeuzen meestal eene goede ontvangst, dewijl koningin Elisabeth juist toen hevig op Alba vertoornd was. Zij wist toch, dat deze, op last van Philips II, al de oproeren en samenzweringen ten gunste van de gevangene koningin van Schotland, Maria Stuart,heimelijk ondersteunde. Elisabeth achtte zich dus ook niet verplicht om de Watergeuzen te weren.

De ontevredenheid der Nederlanders over de nieuwe belastingen, die zich steeds luider lucht gaf, bezielde Oranje met nieuwen moed. Onvermoeid was hij werkzaam om nieuwe bondgenooten aan te werven, zijne zendelingen verschenen aan alle protestantsche hoven, om hulp te vragen. Doch bijna overal werden zij afgewezen. Ook eenige koene ondernemingen van Oranje’s aanhangers, ten einde in de Nederlanden eene versterkte plaats te bemachtigen, waaruit de opstand zich dan verder zou kunnen verbreiden, mislukten alle.

De meest beroemde van deze ondernemingen is die van Herman de Ruyter op het slot Loevestein in Holland.

Dit tusschen Maas en Waal gelegen slot was een punt van een groot strategisch gewicht, dewijl het de beide steden Woudrichem en Gorinchem beheerschte. Op zekeren avond, tegen het einde van de maand December 1570, verschenen vier bedelmonniken voor de poort van het slot en vroegen nachtverblijf; zij werden voor den kommandant gebracht. Deze bemerkte tot zijn ongeluk spoedig, wie zijne gasten waren. Eén der gewaande monniken, Herman de Ruijter, een ossenkooper uit ’s Hertogenbosch en een vurig aanhanger van den prins, trok onder zijne pij een pistool te voorschijn en schoot den slotvoogd neer. Partij trekkend van den panischen schrik, door deze daad veroorzaakt, maakten de Ruijter en zijne gezellen zich nu van de dienaren en van het kleine garnizoen meester. Zij openden de poorten voor eene bende van ongeveer 30 man, die zich op het slot nestelden en het in staat van verdediging brachten.

De geuzen hadden er op gerekend, dat zij binnen korten tijd door een grooter aantal hunner makkers ondersteund zouden worden; doch door eene overstrooming werden hunne vrienden verhinderd, ter rechter tijd Loevestein te bereiken. Met 30 man kon de Ruijter het slot niet verdedigen tegen de overmacht der Spanjaarden, die terstond waren opgedaagd, om de belangrijke plaats te heroveren. Dit wisten de geuzen zeer goed, maar toch verdedigden zij zich met eene schitterende dapperheid, totdat schier de laatste man gedood was. De Ruijter behoorde onder de gesneuvelden1.

Na zoovele mislukte pogingen scheen eindelijk het geluk den prins van Oranje weder toe te lachen. De admiraal Coligny, de ijverige Hugenoot, verkreeg aan het hof van den Franschen koning, Karel IX, zulk een grooten invloed, dat hij hoopte, zijn vorst tot den oorlog tegen Spanje en tot eene krachtige ondersteuning van de Nederlanders te zullen bewegen. Lodewijk van Nassau onderhandelde met den admiraal en met den koning en schreef zijnen broeder zulke bemoedigende brieven, dat deze er thans weer ernstig aan denken kon, een nieuwen oorlog tegen Alba te ondernemen, toen een onverwachte slag hem trof, waarvan hij weinig vermoedde, dat die op zijn geluk zou uitloopen.

De Watergeuzen stonden thans onder bevel van den admiraal Willem Lumey, graaf van der Marck, een bloedverwant van Egmond. Lumey, een woest en bloeddorstig man, had gezworen dat hij niet zou rusten,eer hij den dood van zijn vriend Egmond gewroken had. Hij was de ijverigste aanvoerder der Watergeuzen, doch tegelijk degeen, die de grootste wreedheden liet plegen. Indien hij een Spanjaard of een katholiek priester in handen kreeg, liet hij hem zonder genade ophangen.

Lumey had in Maart 1572 de kleine vloot der Watergeuzen aan de Engelsche kust in veiligheid gebracht, maar hij zou hier niet lang toeven. De vele wreedheden, op Lumey’s bevel begaan, boezemden ook den Engelschen zulk een afkeer in, dat Elisabeth, die sinds kort weer op een beteren voet met Philips II stond, niet weigeren kon, aan Alba’s dringende vertoogen het oor te leenen. In de laatste dagen van Maart beval zij, dat Lumey en al zijne aanhangers terstond Engeland verlaten moesten. Zij verbood haren onderdanen, de Watergeuzen van eenige levensmiddelen, hoe ook genaamd, te voorzien.

Dewijl de admiraal vreezen moest, door Engelsche schepen aangevallen te zullen worden, tegen welke hij niet bestand zou zijn geweest, was hij wel genoodzaakt om de Engelsche kust te verlaten. Zijn toestand was uiterst hachelijk, dewijl hij geene levensmiddelen aan boord had; niets bleef hem dus over dan naar Holland te zeilen, ten einde hier de eene of andere stad te overvallen en zich zoo levensmiddelen voor zijne halfverhongerde lieden te verschaffen.

Zijn eerste plan was, bij Texel de Zuiderzee binnen te zeilen en eene der steden van het Noorder-Kwartier, Enkhuizen of Hoorn, te bemachtigen. Doch tegenwind dreef de geuzenvloot naar de Maas, aan wier mond het sterke stadje Brielle ligt. Toevalliger wijze was de stad schier geheel van bezetting ontbloot, dewijl Alba de Spaansche troepen, die er gewoonlijk lagen, naar Utrecht gezonden had.

Den 1enApril kwamen de geuzen voor den Briel aan: wel hadden de burgers alleen de stad kunnen verdedigen, want zij had sterke wallen en het aantal der geuzen was niet groot—hoogstens 300 man—, doch het ontbrak der burgerij daartoe niet slechts aan moed, maar ook aan lust.

De rijkste inwoners vluchtten met have en goed, de overigen durfden geen tegenstand bieden en zoo gelukte het een handvol koene mannen, zich zonder moeite van de versterkte stad meester te maken. Lumey proklameerde daar terstond den prins van Oranje als wettigen stadhouder van koning Philips II. Den inwoners verzekerde hij, dat hij niet gekomen was om hen uit te plunderen, maar om hen van den gehaten 10enen 20enpenning te bevrijden. Zijne manschappen gedroegen zich ook jegens alle protestanten zeer welwillend; daarentegen bezoedelden zij hun wapenfeit door het plunderen van de katholieke kerken, het vernielen van beelden en altaren, het rooven van de kerksieradiën en bovenal door het vermoorden van 13 monniken en katholieke priesters, die in hunne handen waren gevallen.

Het bericht van de inneming van den Briel door de Watergeuzen verbreidde zich met groote snelheid. Alba ontving het, gelijk we reeds zagen, toen hij op het punt stond, eenige Brusselsche kooplieden te laten ophangen. Nu liet hij dit plan varen, dewijl hij meende terstond krachtige maatregelen te moeten nemen. Voorloopig wilde hij de bevolking der hoofdstad niet meer verbitteren dan buitendien reeds het geval was, te meer daar het bleek, dat ook te Brussel een groot deel der burgerij op de hand der geuzen was.

Op den eersten AprilVerloor Alba zijn Bril,

Op den eersten April

Verloor Alba zijn Bril,

namelijk om den 10enpenning te zoeken, zóó zongen de straatjongens, den hertog beschimpende. Alba gaf aan den Graaf van Bossu, dien hij tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd had, terstond bevel om den Briel te hernemen. In aller ijl werden 10 compagniën uit Utrecht ontboden: met deze rukte Bossu tegen den Briel op.

De kleine schaar der Watergeuzen zou tegen den aanval der Spanjaarden niet bestand zijn geweest, indien het niet eenen moedigen aanhanger van den prins, den scheepstimmerman Rochus Meeuwiszoon, gelukt was, de Nieuwlandsche sluis open te hakken en daardoor aan het zeewater den toegang tot het land te verschaffen. Reeds maakten de Spanjaarden zich tot een aanval op de stad gereed, toen zij eensklaps het water zagen wassen; dit schouwspel, gepaard aan den aanblik der vlammen, die van hunne gedeeltelijk door de Watergeuzen in brand gestokene schepen opstegen, sloeg hen als met een panischen schrik. Hals over kop keerden zij terug, een groot aantal der hunnen, die deels door het staal, deels in de golven omgekomen waren, achterlatende.

Nadat de aanval gelukkig afgeslagen was, verzamelde de graaf van der Marck de intusschen in grooten getale teruggekeerde inwoners der stad, wien hij den eed van trouw aan den prins van Oranje, als stadhouder van Zijne Majesteit Philips II, afnam.

Zoo was de stad Brielle de eerste in de Nederlanden, welke de vaan van Willem van Oranje, de later zoo beroemde en geliefde prinsenvlag, openlijk opstak; hier werd de hoeksteen voor het gebouw der Nederlandsche vrijheid gelegd. De verdienste van deze daad komt voornamelijk toe aan een edelman, Willem van Blois, heer van Treslong. Lumey had de stad, nadat hij zijne schepen van levensmiddelen voorzien en met den behaalden buit gevuld had, weer willen verlaten, maar Treslong zette het door, dat men haar verdedigen zou, totdat men bevelen van den prins hieromtrent ontvangen had.

De graaf van Bossu rukte, nadat hij voor den Briel afgeslagen was, naar Rotterdam op. Hij moest zich vóór alles van deze stad verzekeren, want hij vreesde, dat de welgelukte aanslag der Watergeuzen op den Briel de overige Hollandsche steden van den koning zou doen afvallen. Hij vond de poorten van Rotterdam gesloten, de overheid weigerde eene bezetting in te nemen; eerst toen Bossu verzekerde, dat daarvan geen sprake zou zijn, dat het hem slechts om vrijen doortocht voor zijne troepen te doen was, gaf het stedelijk bestuur toe.

De poorten werden geopend, doch nauwelijks was dit geschied, of de Spaansche soldaten stormden op alle burgers los, die zij ontmoetten. In weinige oogenblikken waren 40 mannen en vrouwen vermoord. Rotterdam werd behandeld als eene veroverde stad.

Het bericht van deze verraderlijke slachting bracht in de Hollandsche steden eene onuitsprekelijke verbittering te weeg. Vele belangrijke steden, aangemoedigd door het voorbeeld van Brielle, verklaarden zich thans voor den prins van Oranje. Het eerst deed dit de stad Vlissingen, op het eiland Walcheren. Deze verjoeg de kleine Spaansche bezetting en toen spoedig daarop een sterk legercorps voor hare poorten verscheen, hield zij deze gesloten.

De Vlissingsche burgerij wist zeer goed, dat zij slechts te kiezen had tusschen de zegepraal en eene uitplundering en slachting zonder wederga. Zij zond daarom terstond boden naar den Briel tot den graaf van derMarck met het verzoek om versterking. Dit geschiedde; in den Briel hadden reeds zoovele aanhangers van den Prins van Oranje zich vereenigd, dat de graaf 200 man naar Vlissingen zenden kon.

De inwoners van Vlissingen namen voor den moord, door Bossu te Rotterdam gepleegd, eene schandelijke wraak. De beroemde ingenieur Pacheco, die zonder te vermoeden wat er in de stad was voorgevallen, zich op Alba’s bevel derwaarts begeven had, om de citadel, die in aanbouw was, te voltooien, werd zonder vorm van proces opgehangen. Bij afwezigheid van den beul werd dit vonnis voltrokken door een ter dood veroordeeld misdadiger, die hiertoe alleen te bewegen was door de belofte van lijfsbehoud en op voorwaarde, dat hij een ieder mocht dooden, die hem ooit deze daad verwijten zou. Eenige Spaansche officieren ondergingen hetzelfde lot.

Op zulk eene wreede wijze vingen de burgers den oorlog aan, en met dezelfde wreedheid werd hij voortgezet, toen thans geheel Holland eensklaps voor Oranje in opstand kwam. De Spanjaarden en alle aanhangers van Alba werden als wilde dieren beschouwd, die men zonder genade moest uitroeien. Op de onverdraagzame katholieke priesters werd eene afschuwelijke menschenjacht geopend. Hoe ernstig wij zulke daden van wraakzucht en bloeddorst ook afkeuren, toch kunnen wij niet ontkennen, dat zij zich dit lot door hunne wreedheid op den hals hadden gehaald; de protestanten betaalden hun thans het vroeger doorgestane leed met woeker terug. Enkhuizen koos de zijde van den prins, hierop volgden de overige Noord-Hollandsche steden, daarna ook Oudewater, Gouda, Leiden, Dordrecht, Gorinchem en Haarlem. Overal werden de geestelijken gevangen genomen en onder de gruwelijkste mishandelingen ter dood gebracht. Schier door het geheele land werden allerlei wreedheden bedreven, doch ook enkele gevallen kwamen voor, waarin de menschelijkheid de zegepraal behaalde op de partijzucht. Zoo vluchtte te Gouda de burgemeester, een ijverig aanhanger van Alba, in het huis eener weduwe, wier man op zijn bevel ter dood gebracht was. Op zijne angstige vraag, of de schuilplaats, waarin zij hem verbergen wou, wel veilig was, antwoordde de weduwe: „Zeker, zij was menigmaal het toevluchtsoord van mijn man bij uwe vervolgingen.” En werkelijk werd des schouten schuilplaats niet ontdekt: de weduwe van zijn slachtoffer verried hem niet.

In alle steden, die op het voorbeeld van den Briel van Alba afvielen, werden de oude besturen afgezet en terstond vervangen door nieuwe, die den koning van Spanje en zijn stadhouder, den prins van Oranje, trouw zwoeren, en bovendien onder eede beloven moesten, dat zij den hertog van Alba den 20enen 10enpenning weigeren en zich uit alle macht tegen de inquisitie verzetten zouden.

Het was een hoogst merkwaardig verschijnsel, dat het Nederlandsche volk in dien tijd nog geene andere vrijheid eischte dan die, waarop het volgens zijne oude wetten aanspraak had, dat het niets anders vroeg dan de vervulling van datgeen, wat Philips II bij zijne huldiging onder eede had beloofd. Het wilde den koning niet van den troon stooten, maar verlangde vrijheid van geweten en eerbiediging de oude privilegiën des lands.

Terwijl dit alles gebeurde, bevond de prins van Oranje zich in Duitschland. Hij was bezig met het aanwerven van troepen en met het verzamelen van gelden. Ook op het bericht van de inneming van den Briel kon hij nog niet naar Nederland snellen, gelijk hij wel gaarne zou hebben gedaan,maar hij zond derwaarts zijne bevelen, die door het volk bereidwillig werden opgevolgd.

Zijn broeder Lodewijk van Nassau bevond zich in die dagen in Frankrijk, hij onderhandelde met de Hugenooten en met koning Karel IX. Van dezen ontving hij de bepaalde belofte van hulp en met Karel’s geheime toestemming sloot de graaf van Genlis zich met een aantal Hugenooten bij hem aan, zoodat hij weldra aan het hoofd van een legertje stond.

Zijne eerste daad was de overrompeling van de belangrijke stad Bergen in Henegouwen, uit welke hij Brussel bedreigen kon. Met een handvol volks gelukte het hem, de stad in te nemen; hij werd kort daarop door eenige duizenden Fransche partijgangers ondersteund, zoodat hij zich in die stad kon nestelen.

De inneming van Bergen was voor alle vijanden van Alba het teeken tot den opstand. In de meest verschillende deelen van Nederland braken oproeren uit, toen de hertog, ten einde Bergen te heroveren, troepen samentrok en daardoor andere streken van krijgsvolk ontblooten moest.

In Gelderland greep graaf Herman van den Berg, de zwager van den prins, naar de wapenen; het graafschap Zutfen, de Veluwe, een deel van Overijssel en de stad Amersfoort kwamen in opstand en ook in Friesland schudde de adel het Spaansche juk af.

Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde, dat het tot dusver zoo gedweeë volk van alle zijden tegen zijne dwingelandij opgestaan was; hij zwoer het bloedige wraak, doch voorshands legde hij eene kalme matiging aan den dag.

In aller ijl trok hij zooveel troepen bijeen als mogelijk was en zond die onder zijn zoon Frederik naar Bergen. Deze stad wilde hij, tot beveiliging van de hoofdstad Brussel, in de eerste plaats weer onder zijne macht brengen.

Hierop vaardigde hij den 24enJuni een bevel uit aan de Staten van Holland om den 15enJuli te ’s Gravenhage bijeen te komen. In deze oproepingsoorkonde verklaarde hij zich bereid om de nieuwe belastingen af te schaffen, wanneer de Staten-Generaal beloofden jaarlijks eene som van drie en een half millioen gulden op te zullen brengen.

Nog vóór korten tijd zou zulk een voorstel door de Hollanders met blijdschap begroet zijn, doch thans kwam het te laat. In plaats van te ’s Gravenhage, kwamen de Staten van Holland den 15enJuli te Dordrecht bijeen, niet om Alba te gehoorzamen, maar om zich voor den prins van Oranje te verklaren.

Het was de eerste bijeenkomst van de vertegenwoordigers der Nederlandsche republiek. Deze verklaarden, dat zij trouwe onderdanen der kroon waren, maar spraken tevens met nadruk hun voornemen uit om geen ander stadhouderschap dan dat van den prins van Oranje te erkennen.

De prins had intusschen in Duitschland een nieuw leger verzameld. Tengevolge van zijne onvermoeide krachtsinspanning en met behulp van de gelden, hem door de Watergeuzen toegezonden, was het hem gelukt, 15.000 man voetvolk en 2000 ruiters bijeen te brengen.

Buitendien hadden nog 3000 Nederlanders zich om zijne vaan geschaard.

Hoewel nu de prins zulk eene krijgsmacht bijeen gebracht had, ontbrak hem toch nog altijd het geld om haar te bezoldigen en de Duitsche huurbenden weigerden, een stap te doen, indien hun niet minstens 3 of 4 maanden soldij gewaarborgd werd. Oranje wendde zich daarom met dringendebeden tot de staten van Holland; hij bezwoer hen bij hunne eer en bij het welzijn des vaderlands, de gevraagde geldelijke offers voor hen, hunne vrouwen en kinderen te brengen.

Oranje’s brieven, die in de provincie verspreid werden, maakten een diepen indruk. Toen de gedeputeerden van den adel en van 10 steden, den 15enJuli te Dordrecht bijeen kwamen, waren zij reeds geneigd om den wensch des prinsen te vervullen, doch toen nu Aldegonde in hun midden verscheen, toen hij de vertegenwoordigers des volks in eene welsprekende redevoering begroette en henaanspoordeom eindelijk krachtig voor de bevrijding des lands van Alba’s dwingelandij in de bres te springen, werden allen met de vurigste geestdrift bezield. De Staten stonden oogenblikkelijk eene som van 175.000 gulden voor Oranje’s leger toe en beloofden voor de eerstvolgende maanden nog aanzienlijker sommen. Doch nog gewichtiger was een ander besluit, door hen genomen. Zij verklaarden eenstemmig, dat zij den prins van Oranje als des konings wettigen stadhouder in Holland, Zeeland, Friesland en in de provincie Utrecht beschouwden, en dat zij al hun invloed zouden aanwenden, opdat hij ook door de overige Nederlandsche gewesten als hun protector bij afwezigheid des konings zou worden erkend. Voorts bepaalden zij, dat voortaan de protestantsche eeredienst even goed als de katholieke met volkomen vrijheid in het land uitgeoefend zou worden. Tot bescherming van beide partijen werden de noodige bepalingen vastgesteld.

Deze besluiten legden den eersten grondslag voor het gebouw van den later zoo bloeienden staat der Vereenigde Nederlanden. Aan Willem van Oranje werd daarbij eene dictatoriale macht opgedragen. Hoewel hij daarmede alleen als stadhouder des Spaanschen konings bekleed was, zou zijn gezag toch aan geene enkele beperking, hoe ook genaamd, onderworpen zijn geweest, indien hij zelf dit niet gewild had.

Oranje verklaarde namelijk, dat hij niets doen, niets bevelen zou zonder toestemming der Staten, en dat hij hun het recht opdroeg om alle belastinggaarders te benoemen. Hij beval allen officieren te zweren, dat zij hem als stadhouder en den Staten van Holland gehoorzamen zouden, ten einde het land van de tyrannie van Alba en de Spanjaarden te verlossen, doch dat zij tevens den Spaanschen koning als graaf van Holland getrouw zouden zijn.

Terwijl dit alles voorviel, werd de oorlog in Henegouwen intusschen reeds met groote hevigheid gevoerd. Lodewijk van Nassau had den graaf van Genlis naar Frankrijk teruggezonden, om de hem door koning Karel IX beloofde versterkingen te halen. In Genlis’ afwezigheid was Alba’s zoon, don Frederik, voor Bergen verschenen en had hij op krachtige wijze een begin gemaakt met het beleg. Dagelijks vielen er scherpe gevechten voor, waarin Lodewijk van Nassau eene groote dapperheid aan den dag legde. Met zijne geringe strijdkrachten was hij echter niet in staat om den vijand terug te werpen.

De graaf van Genlis had intusschen in aller ijl een uit Fransche Hugenooten samengesteld leger bijeengebracht, dat door sommigen (doch deze opgave is stellig overdreven) op 10.000 man geschat wordt, en rukte hiermede naar Henegouwen op. Onderweg ontmoette hem een bode van Lodewijk, die hem dringend verzocht, niet overijld te handelen, maar te wachten totdat Willem van Oranje, die reeds aan het hoofd van een talrijk leger stond, zich met hem vereenigde. Doch zulk een maatregel van wijze voorzichtigheidwas niet naar den zin van den graaf van Genlis, die zich den roem, dat hij alleen den vijand tot het opbreken van het beleg van Bergen genoodzaakt had, niet wilde laten ontglippen. Hij rukte met spoed voorwaarts; in het midden van Juli kwam hij in de nabijheid van Bergen aan, hier werd hij den 19endier maand door de Spanjaarden onder Noircarmes met eene groote overmacht aangevallen en geheel verslagen; hij geraakte met vele Fransche officieren in Spaansche gevangenschap, zijn gansche leger werd verstrooid, slechts aan een deel der vluchtelingen gelukte het, Bergen te bereiken, en zich onder de bevelen van Lodewijk van Nassau te stellen.

Had Genlis slechts een weinig geduld geoefend, dan zou de uitkomst van dien strijd geheel anders zijn geweest. Inderdaad was de prins van Oranje reeds met een leger van 14.000 man voetvolk, 7000 ruiters en 3000 Nederlandsche vrijwilligers den Rijn overgetrokken, doch hij kon slechts langzaam voortrukken.

Den 23enJuli veroverde hij Roermond, nadat hij die stad hevig beschoten had. Tot zijne diepe smart gedroegen zijne soldaten zich na de inneming niet minder barbaarsch dan de Spanjaarden. Zij roofden en plunderden, zij hingen de katholieke priesters en monniken op. Wel vaardigde de prins eene proklamatie uit, waarin hij een ieder, die het waagde nog verder zulke daden te bedrijven, met den dood bedreigde, en aan katholieken en protestanten gelijke verdraagzaamheid toezegde, maar zijne bevelen werden slecht nagekomen; hij was geen meester over zijne troepen en durfde hen niet al te streng behandelen, uit vrees voor een algemeenen opstand in hunne gelederen. Ja, hij bezat niet eens de macht om hen, gelijk hij gewenscht had, tot een snel en krachtig voortrukken in de Nederlanden te bewegen, ten einde Bergen te ontzetten. Eene maand moest hij in Roermond blijven liggen en de Duitsche huurbenden trokken niet eerder voorwaarts, dan toen hun door de Staten van Holland de betaling van hunne soldij gewaarborgd was.

Wel openden ook nu nog bij zijn tocht door Brabant de meeste steden, onder anderen ook Mechelen, voor hem hare poorten, doch zij deden dit half onwillig, en de hoofdstad Brussel weigerde onbewimpeld, zijne zaak te omhelzen. Nog altijd zou echter, in weerwil van dit alles, de overwinning aan de zijde des prinsen zijn geweest, indien koning Karel IX van Frankrijk zijne bij de geheime onderhandelingen gegevene belofte van hulp gestand gedaan had; doch dit was niet het geval.

Juist in die dagen ontving de prins de vreeselijke tijding van de Parijsche bloedbruiloft en van den moord op Coligny en de Hugenooten gepleegd.

De Fransche gezant verklaarde zich thans openlijk tegen Willem van Oranje; op last zijns konings ging hij zelfs zoo ver, dat hij van Alba het ter dood brengen van de bij Bergen gevangen genomene Fransche officieren eischte, hoewel deze toch de geheime bevelen van Karel IX hadden opgevolgd, toen zij de wapenen voor de Nederlanders opvatten.

Willem van Oranje begreep zeer goed, dat hij in die omstandigheden alle hoop op de overwinning moest opgeven; alleen om zijn broeder te hulp te komen, trachtte hij Bergen te ontzetten, maar dit gelukte hem niet.

De Spaansche belegeringstroepen, waarbij Alba zelf zich bevond, hadden zich zóó sterk verschanst, dat het onmogelijk was hen aan te vallen, en tot een slag in het open veld liet de voorzichtige en slimme hertog zich niet verleiden. Oranje kon zelfs geene versterkingen in de belegerde vestingbrengen; hij was veroordeeld tot eene werkeloosheid, waarover zijne op buit beluste huurlingen luide morden.

Eindelijk bleef hem niets over dan terug te trekken en hij mocht zich nog gelukkig achten, dat hij niet in de handen der Spanjaarden viel. Bij een nachtelijken overval was Juliaan Romero reeds tot des prinsen legertent doorgedrongen; indien Oranje niet door het luid geblaf van een hondje, dat onder zijn bed sliep, gewekt was, zou hij in zijn slaap gevangengenomen zijn. Nog in den uitersten oogenblik gelukte het hem, een gezadeld paard te bereiken, hij slingerde zich er op en ontvluchtte. Zijne dienaars en twee zijner geheimschrijvers werden gedood.

Oranje moest wel naar Peronne terugtrekken en zijnen broeder door vertrouwde boden mededeelen, dat hij niets voor hem doen kon. Vervolgens trok hij naar den Rijn en nadat hij zijne altijd nog muitende troepen afgedankt had, begaf hij zich bijna alleen naar Holland.

Lodewijk van Nassau, die, hoewel hij door de koorts was aangetast, toch de verdediging van Bergen met de grootste dapperheid bestuurd had, zag thans in, dat alle verdere tegenstand vruchteloos zou zijn. Den 20enSeptember sloot hij met Alba eene capitulatie, die gunstiger voorwaarden, bevatte dan hij had durven hopen.

Er lag den hertog zooveel aan gelegen, de belangrijke vesting spoedig weer in zijn bezit te krijgen, dat hij eene bij hem anders zeer ongewone zachtmoedigheid aan den dag legde: hij verleende der bezetting en allen burgers, die aan de verdediging hadden deelgenomen, vrijen aftocht en hij hield—merkwaardig verschijnsel!—althans tegenover Lodewijk van Nassau zijn woord. Hij liet dezen met de bezetting vrij en veilig aftrekken en behandelde ook de burgerij van Bergen zeer genadig. Doch wat hij verzuimd had, haalde Noircarmes, die na des hertogs vertrek met het opperbevel binnen Bergen bekleed werd, met woeker weder in. Hij stelde oogenblikkelijk een bloedraad in, welke tegen alle burgers, die op de eene of andere wijze Lodewijk van Nassau ondersteund hadden, naar het voorbeeld van het beruchte Brusselsche gerechtshof woedde. Gedurende de eerstvolgende maanden werd dagelijks een tal van doodvonnissen uitgevoerd en toen de bloedrechters zelven, verschrikt over den omvang van hun onmenschelijk werk, Noircarmes smeekten om toch eindelijk genade in plaats van recht te oefenen, wees hij hen op strengen toon af en gebood hij hun, onafgebroken met hunne aanklachten en vonnissen voort te gaan. Sidderend gehoorzaamden de rechters, die door Noircarmes uit de burgerij van Bergen zelve gekozen waren. In hunne slaafsche onderwerping lieten zij hunne vrienden en bloedverwanten ter dood brengen.

1Het verhaal, dat de Ruijter het slot of althans een gedeelte er van in de lucht heeft laten springen, toen hij de verdediging opgeven moest, rust, volgens het jongste onderzoek, door Dr. Acquoy te Zalt-Bommel daaromtrent ingesteld, niet op geschiedkundige gronden.

1Het verhaal, dat de Ruijter het slot of althans een gedeelte er van in de lucht heeft laten springen, toen hij de verdediging opgeven moest, rust, volgens het jongste onderzoek, door Dr. Acquoy te Zalt-Bommel daaromtrent ingesteld, niet op geschiedkundige gronden.


Back to IndexNext