Achtste Vertelling.

[Inhoud]Achtste Vertelling.Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio12tot man te nemen.Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro13, een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden,[336]dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi14genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede[337]waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal[338]ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover[339]de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen.15Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet[340]alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.[Inhoud]Negende Vertelling.Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten[341]en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot[342]hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij[343]hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot[344]wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.[345][Inhoud]Tiende Vertelling.Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om[346]haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen.[347]Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod16vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan.Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na[348]eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben,[349]als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam[350]ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij:Wie is daar?en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem:Wat doet gij?waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden[351]dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijkvan hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen.Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame[352]gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig:Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng.Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen:Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa;ofOnder den olijfboom en het groene grasof zoudt gij willen, dat ik zing:Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen:Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld?De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen:Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October.De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij:O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prikofZeg, zachtjes aan, mijn man, of wel:Ik zal een haan koopen van honderd lire.De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:Amor, het levendige lichtDat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,Ontstak mij voor Uw vlam het hart,Terwijl gij mij doorboorde,En hoe groot uw macht is,Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaardEn het mij verbeeldend,Voelde ik al mijn deugden van mij gaanEn legde die aan haar voeten,Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.[353]Zoo werd ik een der Uwen.Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ikGenade van Uw macht.Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,Die zij mij in het hart heeft gebracht,Noch mijn geheele trouw,Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,Dat ik geen vrede zou hebbenNoch buiten haar willen zou.Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,Dat gij haar die toont en haar doet gevoelenEen weinig van Uw vuurTot mijn heil, want gij ziet, dat ikVan liefde verteer en door mijn martelingLangzaam sterfEn dan, als het tijd zal zijn,Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.[354]

[Inhoud]Achtste Vertelling.Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio12tot man te nemen.Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro13, een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden,[336]dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi14genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede[337]waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal[338]ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover[339]de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen.15Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet[340]alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.[Inhoud]Negende Vertelling.Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten[341]en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot[342]hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij[343]hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot[344]wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.[345][Inhoud]Tiende Vertelling.Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om[346]haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen.[347]Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod16vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan.Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na[348]eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben,[349]als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam[350]ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij:Wie is daar?en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem:Wat doet gij?waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden[351]dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijkvan hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen.Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame[352]gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig:Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng.Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen:Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa;ofOnder den olijfboom en het groene grasof zoudt gij willen, dat ik zing:Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen:Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld?De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen:Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October.De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij:O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prikofZeg, zachtjes aan, mijn man, of wel:Ik zal een haan koopen van honderd lire.De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:Amor, het levendige lichtDat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,Ontstak mij voor Uw vlam het hart,Terwijl gij mij doorboorde,En hoe groot uw macht is,Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaardEn het mij verbeeldend,Voelde ik al mijn deugden van mij gaanEn legde die aan haar voeten,Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.[353]Zoo werd ik een der Uwen.Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ikGenade van Uw macht.Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,Die zij mij in het hart heeft gebracht,Noch mijn geheele trouw,Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,Dat ik geen vrede zou hebbenNoch buiten haar willen zou.Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,Dat gij haar die toont en haar doet gevoelenEen weinig van Uw vuurTot mijn heil, want gij ziet, dat ikVan liefde verteer en door mijn martelingLangzaam sterfEn dan, als het tijd zal zijn,Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.[354]

[Inhoud]Achtste Vertelling.Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio12tot man te nemen.Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro13, een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden,[336]dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi14genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede[337]waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal[338]ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover[339]de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen.15Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet[340]alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.[Inhoud]Negende Vertelling.Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten[341]en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot[342]hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij[343]hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot[344]wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.[345][Inhoud]Tiende Vertelling.Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om[346]haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen.[347]Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod16vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan.Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na[348]eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben,[349]als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam[350]ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij:Wie is daar?en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem:Wat doet gij?waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden[351]dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijkvan hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen.Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame[352]gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig:Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng.Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen:Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa;ofOnder den olijfboom en het groene grasof zoudt gij willen, dat ik zing:Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen:Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld?De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen:Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October.De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij:O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prikofZeg, zachtjes aan, mijn man, of wel:Ik zal een haan koopen van honderd lire.De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:Amor, het levendige lichtDat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,Ontstak mij voor Uw vlam het hart,Terwijl gij mij doorboorde,En hoe groot uw macht is,Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaardEn het mij verbeeldend,Voelde ik al mijn deugden van mij gaanEn legde die aan haar voeten,Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.[353]Zoo werd ik een der Uwen.Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ikGenade van Uw macht.Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,Die zij mij in het hart heeft gebracht,Noch mijn geheele trouw,Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,Dat ik geen vrede zou hebbenNoch buiten haar willen zou.Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,Dat gij haar die toont en haar doet gevoelenEen weinig van Uw vuurTot mijn heil, want gij ziet, dat ikVan liefde verteer en door mijn martelingLangzaam sterfEn dan, als het tijd zal zijn,Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.[354]

[Inhoud]Achtste Vertelling.Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio12tot man te nemen.Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro13, een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden,[336]dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi14genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede[337]waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal[338]ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover[339]de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen.15Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet[340]alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.

Achtste Vertelling.Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio12tot man te nemen.

Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio12tot man te nemen.

Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio12tot man te nemen.

Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro13, een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden,[336]dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi14genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede[337]waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal[338]ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover[339]de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen.15Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet[340]alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.

Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.

Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro13, een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden,[336]dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.

Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi14genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede[337]waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.

Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal[338]ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.

Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.

Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover[339]de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen.15Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet[340]alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.

[Inhoud]Negende Vertelling.Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten[341]en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot[342]hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij[343]hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot[344]wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.[345]

Negende Vertelling.Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.

Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.

Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.

Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten[341]en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot[342]hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij[343]hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot[344]wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.[345]

Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.

Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten[341]en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.

Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot[342]hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.

De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.

Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij[343]hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.

Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot[344]wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.

De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.[345]

[Inhoud]Tiende Vertelling.Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om[346]haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen.[347]Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod16vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan.Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na[348]eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben,[349]als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam[350]ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij:Wie is daar?en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem:Wat doet gij?waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden[351]dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijkvan hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen.Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame[352]gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig:Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng.Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen:Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa;ofOnder den olijfboom en het groene grasof zoudt gij willen, dat ik zing:Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen:Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld?De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen:Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October.De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij:O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prikofZeg, zachtjes aan, mijn man, of wel:Ik zal een haan koopen van honderd lire.De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:Amor, het levendige lichtDat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,Ontstak mij voor Uw vlam het hart,Terwijl gij mij doorboorde,En hoe groot uw macht is,Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaardEn het mij verbeeldend,Voelde ik al mijn deugden van mij gaanEn legde die aan haar voeten,Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.[353]Zoo werd ik een der Uwen.Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ikGenade van Uw macht.Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,Die zij mij in het hart heeft gebracht,Noch mijn geheele trouw,Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,Dat ik geen vrede zou hebbenNoch buiten haar willen zou.Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,Dat gij haar die toont en haar doet gevoelenEen weinig van Uw vuurTot mijn heil, want gij ziet, dat ikVan liefde verteer en door mijn martelingLangzaam sterfEn dan, als het tijd zal zijn,Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.[354]

Tiende Vertelling.Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.

Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.

Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.

De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om[346]haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen.[347]Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod16vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan.Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na[348]eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben,[349]als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam[350]ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij:Wie is daar?en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem:Wat doet gij?waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden[351]dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijkvan hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen.Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame[352]gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig:Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng.Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen:Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa;ofOnder den olijfboom en het groene grasof zoudt gij willen, dat ik zing:Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen:Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld?De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen:Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October.De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij:O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prikofZeg, zachtjes aan, mijn man, of wel:Ik zal een haan koopen van honderd lire.De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:Amor, het levendige lichtDat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,Ontstak mij voor Uw vlam het hart,Terwijl gij mij doorboorde,En hoe groot uw macht is,Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaardEn het mij verbeeldend,Voelde ik al mijn deugden van mij gaanEn legde die aan haar voeten,Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.[353]Zoo werd ik een der Uwen.Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ikGenade van Uw macht.Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,Die zij mij in het hart heeft gebracht,Noch mijn geheele trouw,Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,Dat ik geen vrede zou hebbenNoch buiten haar willen zou.Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,Dat gij haar die toont en haar doet gevoelenEen weinig van Uw vuurTot mijn heil, want gij ziet, dat ikVan liefde verteer en door mijn martelingLangzaam sterfEn dan, als het tijd zal zijn,Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.[354]

De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.

Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om[346]haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen.[347]Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod16vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan.Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.

Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na[348]eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.

Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben,[349]als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.

Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!

Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam[350]ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij:Wie is daar?en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem:Wat doet gij?waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden[351]dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.

Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.

Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijkvan hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen.Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame[352]gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig:Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng.Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen:Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa;ofOnder den olijfboom en het groene grasof zoudt gij willen, dat ik zing:Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen:Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld?De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen:Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October.De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij:O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prikofZeg, zachtjes aan, mijn man, of wel:Ik zal een haan koopen van honderd lire.De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:

Amor, het levendige lichtDat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,Ontstak mij voor Uw vlam het hart,Terwijl gij mij doorboorde,En hoe groot uw macht is,Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaardEn het mij verbeeldend,Voelde ik al mijn deugden van mij gaanEn legde die aan haar voeten,Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.[353]Zoo werd ik een der Uwen.Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ikGenade van Uw macht.Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,Die zij mij in het hart heeft gebracht,Noch mijn geheele trouw,Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,Dat ik geen vrede zou hebbenNoch buiten haar willen zou.Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,Dat gij haar die toont en haar doet gevoelenEen weinig van Uw vuurTot mijn heil, want gij ziet, dat ikVan liefde verteer en door mijn martelingLangzaam sterfEn dan, als het tijd zal zijn,Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.

Amor, het levendige lichtDat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.

Amor, het levendige licht

Dat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,

Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.

De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,Ontstak mij voor Uw vlam het hart,Terwijl gij mij doorboorde,En hoe groot uw macht is,Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaardEn het mij verbeeldend,Voelde ik al mijn deugden van mij gaanEn legde die aan haar voeten,Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.

De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,

Ontstak mij voor Uw vlam het hart,

Terwijl gij mij doorboorde,

En hoe groot uw macht is,

Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaard

En het mij verbeeldend,

Voelde ik al mijn deugden van mij gaan

En legde die aan haar voeten,

Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.

[353]

Zoo werd ik een der Uwen.Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ikGenade van Uw macht.Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,Die zij mij in het hart heeft gebracht,Noch mijn geheele trouw,Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,Dat ik geen vrede zou hebbenNoch buiten haar willen zou.

Zoo werd ik een der Uwen.

Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ik

Genade van Uw macht.

Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,

Die zij mij in het hart heeft gebracht,

Noch mijn geheele trouw,

Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,

Dat ik geen vrede zou hebben

Noch buiten haar willen zou.

Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,Dat gij haar die toont en haar doet gevoelenEen weinig van Uw vuurTot mijn heil, want gij ziet, dat ikVan liefde verteer en door mijn martelingLangzaam sterfEn dan, als het tijd zal zijn,Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.

Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,

Dat gij haar die toont en haar doet gevoelen

Een weinig van Uw vuur

Tot mijn heil, want gij ziet, dat ik

Van liefde verteer en door mijn marteling

Langzaam sterf

En dan, als het tijd zal zijn,

Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,

Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.

Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.[354]


Back to IndexNext