Besluit van den Schrijver.

[Inhoud]Besluit van den Schrijver.Zeer edele donna’s, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke Genade—verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door mijn verdiensten—geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond te hebben bij het begin van den Vierden Dag.Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan de donna’s dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar laten wij voorop stellen, dat het zoo is—ik wil dit niet met u bespreken, want gij zoudt mij verslaan—dan zeg ik om te verklaren, waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen:gatenpen,stamperenvijzel,saucijsenmetworsten al zulke dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig verwijt en[587]terecht—daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem bevalt—Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden.Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo1en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de schoonheden des hemels.Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die maken zelf soms genoeg van die histories![588]Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig te besteden zich inspannen dan aan u, donna’s, die zooveel tijd overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in de studie scherpten.Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te veel om[589]lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in ’t geheel niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel hecht,—dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan—toch onlangs een mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke donna’s, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen.Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, bijgenaamd Prins Galeotto.[590]1Twee beruchte drinkebroers.↑

[Inhoud]Besluit van den Schrijver.Zeer edele donna’s, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke Genade—verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door mijn verdiensten—geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond te hebben bij het begin van den Vierden Dag.Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan de donna’s dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar laten wij voorop stellen, dat het zoo is—ik wil dit niet met u bespreken, want gij zoudt mij verslaan—dan zeg ik om te verklaren, waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen:gatenpen,stamperenvijzel,saucijsenmetworsten al zulke dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig verwijt en[587]terecht—daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem bevalt—Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden.Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo1en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de schoonheden des hemels.Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die maken zelf soms genoeg van die histories![588]Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig te besteden zich inspannen dan aan u, donna’s, die zooveel tijd overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in de studie scherpten.Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te veel om[589]lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in ’t geheel niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel hecht,—dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan—toch onlangs een mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke donna’s, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen.Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, bijgenaamd Prins Galeotto.[590]1Twee beruchte drinkebroers.↑

Besluit van den Schrijver.

Zeer edele donna’s, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke Genade—verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door mijn verdiensten—geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond te hebben bij het begin van den Vierden Dag.Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan de donna’s dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar laten wij voorop stellen, dat het zoo is—ik wil dit niet met u bespreken, want gij zoudt mij verslaan—dan zeg ik om te verklaren, waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen:gatenpen,stamperenvijzel,saucijsenmetworsten al zulke dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig verwijt en[587]terecht—daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem bevalt—Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden.Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo1en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de schoonheden des hemels.Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die maken zelf soms genoeg van die histories![588]Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig te besteden zich inspannen dan aan u, donna’s, die zooveel tijd overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in de studie scherpten.Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te veel om[589]lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in ’t geheel niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel hecht,—dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan—toch onlangs een mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke donna’s, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen.Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, bijgenaamd Prins Galeotto.[590]

Zeer edele donna’s, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke Genade—verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door mijn verdiensten—geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond te hebben bij het begin van den Vierden Dag.

Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan de donna’s dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar laten wij voorop stellen, dat het zoo is—ik wil dit niet met u bespreken, want gij zoudt mij verslaan—dan zeg ik om te verklaren, waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen:gatenpen,stamperenvijzel,saucijsenmetworsten al zulke dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig verwijt en[587]terecht—daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem bevalt—Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden.

Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo1en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de schoonheden des hemels.

Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die maken zelf soms genoeg van die histories![588]

Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig te besteden zich inspannen dan aan u, donna’s, die zooveel tijd overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in de studie scherpten.

Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te veel om[589]lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in ’t geheel niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel hecht,—dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan—toch onlangs een mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke donna’s, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen.

Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, bijgenaamd Prins Galeotto.[590]

1Twee beruchte drinkebroers.↑

1Twee beruchte drinkebroers.↑

1Twee beruchte drinkebroers.↑

1Twee beruchte drinkebroers.↑


Back to IndexNext