[Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven.9Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de[253]gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend[254]was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak,[255]waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia10zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben konen zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgenen bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en[256]Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang[257]verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.De minnenijd.De minnenijd.4eDag—3eVertelling.Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.[258][Inhoud]Vierde Vertelling.Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië11, gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri12stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den[259]koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada.13Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had[260]en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en[261]met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was14en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een[262]degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.[Inhoud]Vijfde Vertelling.De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek.15Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal[263]niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van SanGimignano16was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.[264]Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld[265]in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:Wie was de slechte Christen,Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,Waarin mijn basiliek was van Salerno!Hij was met kracht gegroeid.Ik plantte hem met eigen handDen dag zelf van mijn geboorte,Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheidEn de zonde is zeer groot.O ongelukkige, die mij[266]Een pot met bloemen had gezaaid.Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,Benijd door de menschen.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Ik was daarover zeer bedroefd.Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,Ik, die er zoozeer aan was gehecht!Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakteVoor den heer, die ik zoo beminde.Ik had hem gansch omringd van majoleine.Ik had hem gansch omringd van majoleineGedurende de schoone maand van Mei;Ik besproeide hem elke week drie malen;Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Ik kan hem niet meer verbergen,Maar als ik van te voren had geweten,Dat dit mij zou gebeuren,Zou ik voor de deur hebben geslapenOm mijn bloempot te bewaren:De groote God moge mij helpen.De groote God moge mij helpen,Indien het Hem behaagtTegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,Die mijn basiliek heeft gestolen,Welke vol was van zooveel geur,Zijn balsem streelde mij zoo zeer.Zijn balsem streelde mij zoo zeer,Zoo frisch geurde hijEn ’s ochtends, als ik hem besproeideBij het rijzen van de zon,Was iedereen verwonderd:Waar komt zooveel geur vandaan?En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.[267]En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.uit liefde voor mijn pot met bloemen.Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,Zou ik die graag terugkoopen;Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goudDie ik hem gaarne zal geven,En een kus, als hij het zou verlangen.[Inhoud]Zesde Vertelling.Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non.17Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen[268]in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet[269]kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het[270]gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is,dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur[271]van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven.[272]De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijkefamilieledenvan het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.[273]
[Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven.9Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de[253]gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend[254]was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak,[255]waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia10zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben konen zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgenen bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en[256]Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang[257]verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.De minnenijd.De minnenijd.4eDag—3eVertelling.Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.[258][Inhoud]Vierde Vertelling.Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië11, gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri12stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den[259]koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada.13Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had[260]en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en[261]met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was14en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een[262]degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.[Inhoud]Vijfde Vertelling.De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek.15Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal[263]niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van SanGimignano16was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.[264]Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld[265]in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:Wie was de slechte Christen,Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,Waarin mijn basiliek was van Salerno!Hij was met kracht gegroeid.Ik plantte hem met eigen handDen dag zelf van mijn geboorte,Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheidEn de zonde is zeer groot.O ongelukkige, die mij[266]Een pot met bloemen had gezaaid.Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,Benijd door de menschen.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Ik was daarover zeer bedroefd.Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,Ik, die er zoozeer aan was gehecht!Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakteVoor den heer, die ik zoo beminde.Ik had hem gansch omringd van majoleine.Ik had hem gansch omringd van majoleineGedurende de schoone maand van Mei;Ik besproeide hem elke week drie malen;Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Ik kan hem niet meer verbergen,Maar als ik van te voren had geweten,Dat dit mij zou gebeuren,Zou ik voor de deur hebben geslapenOm mijn bloempot te bewaren:De groote God moge mij helpen.De groote God moge mij helpen,Indien het Hem behaagtTegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,Die mijn basiliek heeft gestolen,Welke vol was van zooveel geur,Zijn balsem streelde mij zoo zeer.Zijn balsem streelde mij zoo zeer,Zoo frisch geurde hijEn ’s ochtends, als ik hem besproeideBij het rijzen van de zon,Was iedereen verwonderd:Waar komt zooveel geur vandaan?En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.[267]En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.uit liefde voor mijn pot met bloemen.Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,Zou ik die graag terugkoopen;Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goudDie ik hem gaarne zal geven,En een kus, als hij het zou verlangen.[Inhoud]Zesde Vertelling.Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non.17Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen[268]in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet[269]kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het[270]gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is,dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur[271]van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven.[272]De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijkefamilieledenvan het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.[273]
[Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven.9Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de[253]gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend[254]was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak,[255]waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia10zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben konen zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgenen bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en[256]Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang[257]verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.De minnenijd.De minnenijd.4eDag—3eVertelling.Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.[258][Inhoud]Vierde Vertelling.Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië11, gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri12stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den[259]koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada.13Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had[260]en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en[261]met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was14en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een[262]degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.[Inhoud]Vijfde Vertelling.De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek.15Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal[263]niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van SanGimignano16was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.[264]Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld[265]in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:Wie was de slechte Christen,Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,Waarin mijn basiliek was van Salerno!Hij was met kracht gegroeid.Ik plantte hem met eigen handDen dag zelf van mijn geboorte,Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheidEn de zonde is zeer groot.O ongelukkige, die mij[266]Een pot met bloemen had gezaaid.Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,Benijd door de menschen.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Ik was daarover zeer bedroefd.Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,Ik, die er zoozeer aan was gehecht!Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakteVoor den heer, die ik zoo beminde.Ik had hem gansch omringd van majoleine.Ik had hem gansch omringd van majoleineGedurende de schoone maand van Mei;Ik besproeide hem elke week drie malen;Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Ik kan hem niet meer verbergen,Maar als ik van te voren had geweten,Dat dit mij zou gebeuren,Zou ik voor de deur hebben geslapenOm mijn bloempot te bewaren:De groote God moge mij helpen.De groote God moge mij helpen,Indien het Hem behaagtTegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,Die mijn basiliek heeft gestolen,Welke vol was van zooveel geur,Zijn balsem streelde mij zoo zeer.Zijn balsem streelde mij zoo zeer,Zoo frisch geurde hijEn ’s ochtends, als ik hem besproeideBij het rijzen van de zon,Was iedereen verwonderd:Waar komt zooveel geur vandaan?En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.[267]En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.uit liefde voor mijn pot met bloemen.Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,Zou ik die graag terugkoopen;Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goudDie ik hem gaarne zal geven,En een kus, als hij het zou verlangen.[Inhoud]Zesde Vertelling.Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non.17Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen[268]in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet[269]kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het[270]gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is,dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur[271]van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven.[272]De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijkefamilieledenvan het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.[273]
[Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven.9Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de[253]gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend[254]was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak,[255]waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia10zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben konen zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgenen bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en[256]Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang[257]verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.De minnenijd.De minnenijd.4eDag—3eVertelling.Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.[258]
Derde Vertelling.Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven.9
Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven.9
Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven.9
Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de[253]gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend[254]was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak,[255]waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia10zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben konen zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgenen bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en[256]Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang[257]verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.De minnenijd.De minnenijd.4eDag—3eVertelling.Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.[258]
Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:
Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de[253]gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.
Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend[254]was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak,[255]waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia10zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben konen zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgenen bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.
Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en[256]Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang[257]verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.
De minnenijd.De minnenijd.4eDag—3eVertelling.
De minnenijd.
4eDag—3eVertelling.
Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.[258]
[Inhoud]Vierde Vertelling.Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië11, gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri12stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den[259]koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada.13Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had[260]en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en[261]met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was14en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een[262]degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.
Vierde Vertelling.Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.
Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.
Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.
Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië11, gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri12stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den[259]koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada.13Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had[260]en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en[261]met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was14en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een[262]degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.
Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.
Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië11, gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri12stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den[259]koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.
Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada.13Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had[260]en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.
Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en[261]met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was14en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een[262]degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.
Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.
[Inhoud]Vijfde Vertelling.De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek.15Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal[263]niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van SanGimignano16was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.[264]Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld[265]in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:Wie was de slechte Christen,Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,Waarin mijn basiliek was van Salerno!Hij was met kracht gegroeid.Ik plantte hem met eigen handDen dag zelf van mijn geboorte,Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheidEn de zonde is zeer groot.O ongelukkige, die mij[266]Een pot met bloemen had gezaaid.Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,Benijd door de menschen.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Ik was daarover zeer bedroefd.Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,Ik, die er zoozeer aan was gehecht!Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakteVoor den heer, die ik zoo beminde.Ik had hem gansch omringd van majoleine.Ik had hem gansch omringd van majoleineGedurende de schoone maand van Mei;Ik besproeide hem elke week drie malen;Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Ik kan hem niet meer verbergen,Maar als ik van te voren had geweten,Dat dit mij zou gebeuren,Zou ik voor de deur hebben geslapenOm mijn bloempot te bewaren:De groote God moge mij helpen.De groote God moge mij helpen,Indien het Hem behaagtTegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,Die mijn basiliek heeft gestolen,Welke vol was van zooveel geur,Zijn balsem streelde mij zoo zeer.Zijn balsem streelde mij zoo zeer,Zoo frisch geurde hijEn ’s ochtends, als ik hem besproeideBij het rijzen van de zon,Was iedereen verwonderd:Waar komt zooveel geur vandaan?En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.[267]En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.uit liefde voor mijn pot met bloemen.Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,Zou ik die graag terugkoopen;Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goudDie ik hem gaarne zal geven,En een kus, als hij het zou verlangen.
Vijfde Vertelling.De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek.15Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.
De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek.15Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.
De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek.15Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.
Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal[263]niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van SanGimignano16was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.[264]Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld[265]in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:Wie was de slechte Christen,Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,Waarin mijn basiliek was van Salerno!Hij was met kracht gegroeid.Ik plantte hem met eigen handDen dag zelf van mijn geboorte,Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheidEn de zonde is zeer groot.O ongelukkige, die mij[266]Een pot met bloemen had gezaaid.Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,Benijd door de menschen.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Ik was daarover zeer bedroefd.Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,Ik, die er zoozeer aan was gehecht!Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakteVoor den heer, die ik zoo beminde.Ik had hem gansch omringd van majoleine.Ik had hem gansch omringd van majoleineGedurende de schoone maand van Mei;Ik besproeide hem elke week drie malen;Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Ik kan hem niet meer verbergen,Maar als ik van te voren had geweten,Dat dit mij zou gebeuren,Zou ik voor de deur hebben geslapenOm mijn bloempot te bewaren:De groote God moge mij helpen.De groote God moge mij helpen,Indien het Hem behaagtTegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,Die mijn basiliek heeft gestolen,Welke vol was van zooveel geur,Zijn balsem streelde mij zoo zeer.Zijn balsem streelde mij zoo zeer,Zoo frisch geurde hijEn ’s ochtends, als ik hem besproeideBij het rijzen van de zon,Was iedereen verwonderd:Waar komt zooveel geur vandaan?En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.[267]En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.uit liefde voor mijn pot met bloemen.Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,Zou ik die graag terugkoopen;Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goudDie ik hem gaarne zal geven,En een kus, als hij het zou verlangen.
Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal[263]niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.
Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van SanGimignano16was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.
De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden.[264]Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.
Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld[265]in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.
De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:
Wie was de slechte Christen,Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,Waarin mijn basiliek was van Salerno!Hij was met kracht gegroeid.Ik plantte hem met eigen handDen dag zelf van mijn geboorte,Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheidEn de zonde is zeer groot.O ongelukkige, die mij[266]Een pot met bloemen had gezaaid.Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,Benijd door de menschen.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Ik was daarover zeer bedroefd.Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,Ik, die er zoozeer aan was gehecht!Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakteVoor den heer, die ik zoo beminde.Ik had hem gansch omringd van majoleine.Ik had hem gansch omringd van majoleineGedurende de schoone maand van Mei;Ik besproeide hem elke week drie malen;Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Ik kan hem niet meer verbergen,Maar als ik van te voren had geweten,Dat dit mij zou gebeuren,Zou ik voor de deur hebben geslapenOm mijn bloempot te bewaren:De groote God moge mij helpen.De groote God moge mij helpen,Indien het Hem behaagtTegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,Die mijn basiliek heeft gestolen,Welke vol was van zooveel geur,Zijn balsem streelde mij zoo zeer.Zijn balsem streelde mij zoo zeer,Zoo frisch geurde hijEn ’s ochtends, als ik hem besproeideBij het rijzen van de zon,Was iedereen verwonderd:Waar komt zooveel geur vandaan?En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.[267]En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.uit liefde voor mijn pot met bloemen.Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,Zou ik die graag terugkoopen;Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goudDie ik hem gaarne zal geven,En een kus, als hij het zou verlangen.
Wie was de slechte Christen,Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,Waarin mijn basiliek was van Salerno!Hij was met kracht gegroeid.Ik plantte hem met eigen handDen dag zelf van mijn geboorte,Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.
Wie was de slechte Christen,
Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,
Waarin mijn basiliek was van Salerno!
Hij was met kracht gegroeid.
Ik plantte hem met eigen hand
Den dag zelf van mijn geboorte,
Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.
Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheidEn de zonde is zeer groot.O ongelukkige, die mij[266]Een pot met bloemen had gezaaid.Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,Benijd door de menschen.Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid
En de zonde is zeer groot.
O ongelukkige, die mij[266]
Een pot met bloemen had gezaaid.
Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,
Benijd door de menschen.
Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.Ik was daarover zeer bedroefd.Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,Ik, die er zoozeer aan was gehecht!Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakteVoor den heer, die ik zoo beminde.Ik had hem gansch omringd van majoleine.
Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
Ik was daarover zeer bedroefd.
Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,
Ik, die er zoozeer aan was gehecht!
Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte
Voor den heer, die ik zoo beminde.
Ik had hem gansch omringd van majoleine.
Ik had hem gansch omringd van majoleineGedurende de schoone maand van Mei;Ik besproeide hem elke week drie malen;Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
Ik had hem gansch omringd van majoleine
Gedurende de schoone maand van Mei;
Ik besproeide hem elke week drie malen;
Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.
Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.Ik kan hem niet meer verbergen,Maar als ik van te voren had geweten,Dat dit mij zou gebeuren,Zou ik voor de deur hebben geslapenOm mijn bloempot te bewaren:De groote God moge mij helpen.
Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
Ik kan hem niet meer verbergen,
Maar als ik van te voren had geweten,
Dat dit mij zou gebeuren,
Zou ik voor de deur hebben geslapen
Om mijn bloempot te bewaren:
De groote God moge mij helpen.
De groote God moge mij helpen,Indien het Hem behaagtTegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,Die mijn basiliek heeft gestolen,Welke vol was van zooveel geur,Zijn balsem streelde mij zoo zeer.
De groote God moge mij helpen,
Indien het Hem behaagt
Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,
Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,
Die mijn basiliek heeft gestolen,
Welke vol was van zooveel geur,
Zijn balsem streelde mij zoo zeer.
Zijn balsem streelde mij zoo zeer,Zoo frisch geurde hijEn ’s ochtends, als ik hem besproeideBij het rijzen van de zon,Was iedereen verwonderd:Waar komt zooveel geur vandaan?En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
Zijn balsem streelde mij zoo zeer,
Zoo frisch geurde hij
En ’s ochtends, als ik hem besproeide
Bij het rijzen van de zon,
Was iedereen verwonderd:
Waar komt zooveel geur vandaan?
En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
[267]
En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.uit liefde voor mijn pot met bloemen.Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,Zou ik die graag terugkoopen;Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goudDie ik hem gaarne zal geven,En een kus, als hij het zou verlangen.
En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
uit liefde voor mijn pot met bloemen.
Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,
Zou ik die graag terugkoopen;
Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud
Die ik hem gaarne zal geven,
En een kus, als hij het zou verlangen.
[Inhoud]Zesde Vertelling.Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non.17Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen[268]in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet[269]kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het[270]gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is,dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur[271]van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven.[272]De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijkefamilieledenvan het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.[273]
Zesde Vertelling.Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non.17
Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non.17
Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non.17
Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen[268]in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet[269]kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het[270]gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is,dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur[271]van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven.[272]De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijkefamilieledenvan het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.[273]
Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen[268]in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.
In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet[269]kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het[270]gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.
Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is,dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.
Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur[271]van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.
Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.
Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven.[272]De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.
Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijkefamilieledenvan het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.[273]