Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er aan de ooren getuigenis van, toen de donna’s en de drie jongelieden tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken:[Inhoud]Eerste Vertelling.Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit.1Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die[66]zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder,[67]die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen[68]middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij[69]lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.[Inhoud]Tweede Vertelling.Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis.2Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets anders dan nut stichten,[70]als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij hen, die het paternoster van San Giuliano3niet vele malen hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want[71]indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo4en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker[72]voet hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot[73]het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat[74]het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.[75][Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen.5De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een6achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar kunnen veranderd worden. Wanneer[76]men het te goeder trouw in alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich[77]vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aanAlexanderzou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der[78]rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe[79]zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde[80]hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met[81]meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en[82]volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.[Inhoud]Vierde Vertelling.Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello7genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar[83]alles te verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee,[84]het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en terwijl hij haast een spons[85]was geworden, en de zijden van de kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien hij uit barmhartigheid ontvangen[86]werd, daar zij al zijn ongelukken al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.
Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er aan de ooren getuigenis van, toen de donna’s en de drie jongelieden tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken:[Inhoud]Eerste Vertelling.Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit.1Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die[66]zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder,[67]die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen[68]middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij[69]lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.[Inhoud]Tweede Vertelling.Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis.2Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets anders dan nut stichten,[70]als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij hen, die het paternoster van San Giuliano3niet vele malen hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want[71]indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo4en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker[72]voet hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot[73]het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat[74]het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.[75][Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen.5De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een6achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar kunnen veranderd worden. Wanneer[76]men het te goeder trouw in alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich[77]vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aanAlexanderzou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der[78]rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe[79]zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde[80]hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met[81]meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en[82]volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.[Inhoud]Vierde Vertelling.Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello7genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar[83]alles te verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee,[84]het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en terwijl hij haast een spons[85]was geworden, en de zijden van de kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien hij uit barmhartigheid ontvangen[86]werd, daar zij al zijn ongelukken al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.
Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er aan de ooren getuigenis van, toen de donna’s en de drie jongelieden tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken:[Inhoud]Eerste Vertelling.Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit.1Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die[66]zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder,[67]die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen[68]middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij[69]lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.[Inhoud]Tweede Vertelling.Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis.2Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets anders dan nut stichten,[70]als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij hen, die het paternoster van San Giuliano3niet vele malen hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want[71]indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo4en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker[72]voet hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot[73]het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat[74]het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.[75][Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen.5De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een6achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar kunnen veranderd worden. Wanneer[76]men het te goeder trouw in alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich[77]vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aanAlexanderzou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der[78]rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe[79]zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde[80]hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met[81]meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en[82]volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.[Inhoud]Vierde Vertelling.Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello7genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar[83]alles te verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee,[84]het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en terwijl hij haast een spons[85]was geworden, en de zijden van de kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien hij uit barmhartigheid ontvangen[86]werd, daar zij al zijn ongelukken al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.
Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er aan de ooren getuigenis van, toen de donna’s en de drie jongelieden tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken:
[Inhoud]Eerste Vertelling.Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit.1Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die[66]zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder,[67]die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen[68]middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij[69]lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.
Eerste Vertelling.Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit.1
Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit.1
Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit.1
Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die[66]zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder,[67]die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen[68]middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij[69]lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.
Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die[66]zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.
Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder,[67]die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.
Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.
Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen[68]middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.
Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij[69]lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.
Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.
[Inhoud]Tweede Vertelling.Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis.2Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets anders dan nut stichten,[70]als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij hen, die het paternoster van San Giuliano3niet vele malen hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want[71]indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo4en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker[72]voet hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot[73]het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat[74]het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.[75]
Tweede Vertelling.Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis.2
Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis.2
Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis.2
Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets anders dan nut stichten,[70]als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij hen, die het paternoster van San Giuliano3niet vele malen hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want[71]indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo4en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker[72]voet hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot[73]het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat[74]het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.[75]
Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets anders dan nut stichten,[70]als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij hen, die het paternoster van San Giuliano3niet vele malen hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.
Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?
Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.
Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want[71]indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.
En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.
De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo4en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker[72]voet hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.
Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.
Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot[73]het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.
Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat[74]het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.
Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.[75]
[Inhoud]Derde Vertelling.Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen.5De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een6achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar kunnen veranderd worden. Wanneer[76]men het te goeder trouw in alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich[77]vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aanAlexanderzou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der[78]rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe[79]zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde[80]hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met[81]meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en[82]volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.
Derde Vertelling.Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen.5
Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen.5
Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen.5
De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een6achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar kunnen veranderd worden. Wanneer[76]men het te goeder trouw in alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich[77]vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aanAlexanderzou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der[78]rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe[79]zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde[80]hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met[81]meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en[82]volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.
De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:
Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een6achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar kunnen veranderd worden. Wanneer[76]men het te goeder trouw in alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.
Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.
Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich[77]vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aanAlexanderzou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.
Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der[78]rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.
Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.
Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe[79]zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde[80]hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:
Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met[81]meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.
Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.
Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.
De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en[82]volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.
[Inhoud]Vierde Vertelling.Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello7genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar[83]alles te verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee,[84]het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en terwijl hij haast een spons[85]was geworden, en de zijden van de kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien hij uit barmhartigheid ontvangen[86]werd, daar zij al zijn ongelukken al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.
Vierde Vertelling.Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.
Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.
Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.
Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello7genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar[83]alles te verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee,[84]het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en terwijl hij haast een spons[85]was geworden, en de zijden van de kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien hij uit barmhartigheid ontvangen[86]werd, daar zij al zijn ongelukken al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.
Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.
Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello7genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar[83]alles te verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.
Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee,[84]het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.
Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en terwijl hij haast een spons[85]was geworden, en de zijden van de kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.
Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien hij uit barmhartigheid ontvangen[86]werd, daar zij al zijn ongelukken al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.