[Inhoud]Vijfde Vertelling.Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling, die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de markt, zag[87]er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde:[88]Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden kwam voor[89]Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch8gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te aangenamer hier[90]een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee[91]verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op de straat in de geul belette.Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend[92]zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen.De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet[93]tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra[94]die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren.[95]Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste[96]droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.[97][Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een napolitaansch edelman Arrighetto Capece;9deze had tot echtgenoote een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk Sicilië. Toen hij vernomen had, dat[98]Karel de Eerste den slag bij Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo,10waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden,[99]begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.[100]Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra11. Daar zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de[101]twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst vanMessireGuasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.[102]Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat[103]Currado aan hen dacht, zette koning Piero di Raona12door de medewerking van den heer Gian di Procida13der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te voorschijn te komen.”Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich[104]komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed envriendschappelijkbehandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt[105]mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het[106]gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien[107]Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer[108]had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, vrienden waren van Messire, den goeden God.[109]
[Inhoud]Vijfde Vertelling.Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling, die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de markt, zag[87]er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde:[88]Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden kwam voor[89]Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch8gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te aangenamer hier[90]een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee[91]verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op de straat in de geul belette.Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend[92]zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen.De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet[93]tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra[94]die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren.[95]Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste[96]droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.[97][Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een napolitaansch edelman Arrighetto Capece;9deze had tot echtgenoote een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk Sicilië. Toen hij vernomen had, dat[98]Karel de Eerste den slag bij Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo,10waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden,[99]begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.[100]Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra11. Daar zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de[101]twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst vanMessireGuasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.[102]Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat[103]Currado aan hen dacht, zette koning Piero di Raona12door de medewerking van den heer Gian di Procida13der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te voorschijn te komen.”Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich[104]komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed envriendschappelijkbehandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt[105]mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het[106]gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien[107]Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer[108]had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, vrienden waren van Messire, den goeden God.[109]
[Inhoud]Vijfde Vertelling.Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling, die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de markt, zag[87]er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde:[88]Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden kwam voor[89]Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch8gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te aangenamer hier[90]een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee[91]verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op de straat in de geul belette.Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend[92]zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen.De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet[93]tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra[94]die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren.[95]Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste[96]droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.[97][Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een napolitaansch edelman Arrighetto Capece;9deze had tot echtgenoote een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk Sicilië. Toen hij vernomen had, dat[98]Karel de Eerste den slag bij Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo,10waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden,[99]begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.[100]Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra11. Daar zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de[101]twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst vanMessireGuasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.[102]Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat[103]Currado aan hen dacht, zette koning Piero di Raona12door de medewerking van den heer Gian di Procida13der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te voorschijn te komen.”Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich[104]komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed envriendschappelijkbehandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt[105]mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het[106]gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien[107]Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer[108]had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, vrienden waren van Messire, den goeden God.[109]
[Inhoud]Vijfde Vertelling.Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling, die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de markt, zag[87]er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde:[88]Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden kwam voor[89]Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch8gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te aangenamer hier[90]een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee[91]verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op de straat in de geul belette.Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend[92]zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen.De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet[93]tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra[94]die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren.[95]Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste[96]droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.[97]
Vijfde Vertelling.Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.
Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.
Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.
De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling, die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de markt, zag[87]er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde:[88]Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden kwam voor[89]Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch8gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te aangenamer hier[90]een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee[91]verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op de straat in de geul belette.Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend[92]zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen.De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet[93]tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra[94]die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren.[95]Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste[96]droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.[97]
De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.
Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling, die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de markt, zag[87]er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.
Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde:[88]Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden kwam voor[89]Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch8gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.
Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te aangenamer hier[90]een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.
Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.
Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee[91]verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op de straat in de geul belette.
Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend[92]zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen.De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet[93]tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra[94]die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren.[95]Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste[96]droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.
Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.[97]
[Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een napolitaansch edelman Arrighetto Capece;9deze had tot echtgenoote een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk Sicilië. Toen hij vernomen had, dat[98]Karel de Eerste den slag bij Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo,10waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden,[99]begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.[100]Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra11. Daar zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de[101]twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst vanMessireGuasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.[102]Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat[103]Currado aan hen dacht, zette koning Piero di Raona12door de medewerking van den heer Gian di Procida13der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te voorschijn te komen.”Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich[104]komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed envriendschappelijkbehandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt[105]mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het[106]gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien[107]Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer[108]had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, vrienden waren van Messire, den goeden God.[109]
Zesde Vertelling.Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.
Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.
Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.
De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een napolitaansch edelman Arrighetto Capece;9deze had tot echtgenoote een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk Sicilië. Toen hij vernomen had, dat[98]Karel de Eerste den slag bij Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo,10waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden,[99]begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.[100]Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra11. Daar zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de[101]twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst vanMessireGuasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.[102]Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat[103]Currado aan hen dacht, zette koning Piero di Raona12door de medewerking van den heer Gian di Procida13der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te voorschijn te komen.”Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich[104]komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed envriendschappelijkbehandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt[105]mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het[106]gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien[107]Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer[108]had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, vrienden waren van Messire, den goeden God.[109]
De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.
Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een napolitaansch edelman Arrighetto Capece;9deze had tot echtgenoote een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk Sicilië. Toen hij vernomen had, dat[98]Karel de Eerste den slag bij Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo,10waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.
Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden,[99]begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.
Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.[100]
Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra11. Daar zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.
De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de[101]twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.
Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst vanMessireGuasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.[102]
Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.
Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.
Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat[103]Currado aan hen dacht, zette koning Piero di Raona12door de medewerking van den heer Gian di Procida13der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te voorschijn te komen.”
Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?
Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.
Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.
Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich[104]komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed envriendschappelijkbehandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.
Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.
De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt[105]mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.
Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het[106]gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.
Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien[107]Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.
Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.
Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer[108]had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.
En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, vrienden waren van Messire, den goeden God.[109]