Eerste Vertelling.

Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna’s en de heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd door haar donna’s en de drie jongelingen en begeleid door den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, voor de zon anderhalf uur op was,1naar een zeer schoon en rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens verlangend een[158]weinig te rusten, gingen zij op een galerij zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen wierp die—ik weet niet of het door een kunstmatige of een natuurlijke ader was—door een beeld heen, dat op een zuil in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou zijn om een molen mee te bewegen. Dit water—dat de fontein deed overstroomen, als die vol was—verdween langs geheimen weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig nut voor den heer twee[159]molens deed draaien. Het gezicht van dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien last opdroeg was Filostrato, die aldus begon:[160][Inhoud]Eerste Vertelling.Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen.2Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto[161]vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen,[162]nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat[163]ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden[164]deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden[165]zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.[Inhoud]Tweede Vertelling.Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot.3Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.Agilulf, koning der Longobarden4gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn[166]regeering na Teudelinga5tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan de koningin te doen bemerken.Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij[167]zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van[168]gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.[169]Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.[170][Inhoud]Derde Vertelling.Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar begeerte geheel te bevredigen.6Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling voorkomt, daar ik weet, dat er nog[171]menschen leven, die zich daarover zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke vrouwen. Ik heb[172]mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich[173]te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er[174]in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den heiligen Gregorius7leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw[175]scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens;[176]ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters[177]klimt? Er is niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.

Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna’s en de heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd door haar donna’s en de drie jongelingen en begeleid door den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, voor de zon anderhalf uur op was,1naar een zeer schoon en rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens verlangend een[158]weinig te rusten, gingen zij op een galerij zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen wierp die—ik weet niet of het door een kunstmatige of een natuurlijke ader was—door een beeld heen, dat op een zuil in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou zijn om een molen mee te bewegen. Dit water—dat de fontein deed overstroomen, als die vol was—verdween langs geheimen weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig nut voor den heer twee[159]molens deed draaien. Het gezicht van dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien last opdroeg was Filostrato, die aldus begon:[160][Inhoud]Eerste Vertelling.Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen.2Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto[161]vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen,[162]nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat[163]ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden[164]deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden[165]zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.[Inhoud]Tweede Vertelling.Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot.3Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.Agilulf, koning der Longobarden4gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn[166]regeering na Teudelinga5tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan de koningin te doen bemerken.Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij[167]zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van[168]gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.[169]Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.[170][Inhoud]Derde Vertelling.Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar begeerte geheel te bevredigen.6Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling voorkomt, daar ik weet, dat er nog[171]menschen leven, die zich daarover zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke vrouwen. Ik heb[172]mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich[173]te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er[174]in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den heiligen Gregorius7leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw[175]scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens;[176]ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters[177]klimt? Er is niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.

Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna’s en de heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd door haar donna’s en de drie jongelingen en begeleid door den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, voor de zon anderhalf uur op was,1naar een zeer schoon en rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens verlangend een[158]weinig te rusten, gingen zij op een galerij zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen wierp die—ik weet niet of het door een kunstmatige of een natuurlijke ader was—door een beeld heen, dat op een zuil in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou zijn om een molen mee te bewegen. Dit water—dat de fontein deed overstroomen, als die vol was—verdween langs geheimen weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig nut voor den heer twee[159]molens deed draaien. Het gezicht van dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien last opdroeg was Filostrato, die aldus begon:[160][Inhoud]Eerste Vertelling.Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen.2Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto[161]vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen,[162]nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat[163]ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden[164]deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden[165]zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.[Inhoud]Tweede Vertelling.Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot.3Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.Agilulf, koning der Longobarden4gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn[166]regeering na Teudelinga5tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan de koningin te doen bemerken.Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij[167]zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van[168]gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.[169]Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.[170][Inhoud]Derde Vertelling.Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar begeerte geheel te bevredigen.6Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling voorkomt, daar ik weet, dat er nog[171]menschen leven, die zich daarover zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke vrouwen. Ik heb[172]mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich[173]te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er[174]in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den heiligen Gregorius7leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw[175]scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens;[176]ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters[177]klimt? Er is niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.

Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna’s en de heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd door haar donna’s en de drie jongelingen en begeleid door den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, voor de zon anderhalf uur op was,1naar een zeer schoon en rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens verlangend een[158]weinig te rusten, gingen zij op een galerij zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen wierp die—ik weet niet of het door een kunstmatige of een natuurlijke ader was—door een beeld heen, dat op een zuil in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou zijn om een molen mee te bewegen. Dit water—dat de fontein deed overstroomen, als die vol was—verdween langs geheimen weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig nut voor den heer twee[159]molens deed draaien. Het gezicht van dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien last opdroeg was Filostrato, die aldus begon:[160]

[Inhoud]Eerste Vertelling.Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen.2Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto[161]vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen,[162]nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat[163]ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden[164]deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden[165]zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.

Eerste Vertelling.Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen.2

Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen.2

Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapen.2

Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto[161]vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen,[162]nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat[163]ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden[164]deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden[165]zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.

Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto[161]vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.

En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen,[162]nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat[163]ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.

Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.

Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden[164]deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden[165]zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.

[Inhoud]Tweede Vertelling.Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot.3Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.Agilulf, koning der Longobarden4gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn[166]regeering na Teudelinga5tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan de koningin te doen bemerken.Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij[167]zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van[168]gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.[169]Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.[170]

Tweede Vertelling.Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot.3

Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot.3

Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en ontkomt daardoor aan een boos lot.3

Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.Agilulf, koning der Longobarden4gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn[166]regeering na Teudelinga5tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan de koningin te doen bemerken.Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij[167]zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van[168]gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.[169]Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.[170]

Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.

Agilulf, koning der Longobarden4gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn[166]regeering na Teudelinga5tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn blikken aan de koningin te doen bemerken.

Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij[167]zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van[168]gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.[169]

Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.[170]

[Inhoud]Derde Vertelling.Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar begeerte geheel te bevredigen.6Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling voorkomt, daar ik weet, dat er nog[171]menschen leven, die zich daarover zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke vrouwen. Ik heb[172]mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich[173]te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er[174]in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den heiligen Gregorius7leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw[175]scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens;[176]ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters[177]klimt? Er is niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.

Derde Vertelling.Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar begeerte geheel te bevredigen.6

Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar begeerte geheel te bevredigen.6

Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid te geven haar begeerte geheel te bevredigen.6

Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling voorkomt, daar ik weet, dat er nog[171]menschen leven, die zich daarover zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke vrouwen. Ik heb[172]mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich[173]te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er[174]in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den heiligen Gregorius7leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw[175]scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens;[176]ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters[177]klimt? Er is niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.

Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.

In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling voorkomt, daar ik weet, dat er nog[171]menschen leven, die zich daarover zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.

Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke vrouwen. Ik heb[172]mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.

De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich[173]te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er[174]in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.

De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den heiligen Gregorius7leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak hem opnieuw[175]scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, liet hij hem gaan.

De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens;[176]ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.

De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters[177]klimt? Er is niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?

De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.


Back to IndexNext