[Inhoud]Vierde Vertelling.Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9dit doet, maakt don Felice met diensvrouwvan de gelegenheid gebruik.Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen[178]had en vooral het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de flagellanten11behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij[179]kon om broeder Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de[180]armen kunt uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk geluimd was[181]en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de monnik haar barmhartig voorzag.[182][Inhoud]Vijfde Vertelling.Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens zijn woorden.12Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, terwijl ik den vastgestelden regel nakom.Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij[183]zich roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed[184]en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat[185]ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, gelijk wij verlangen.Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu behoort toch[186]het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.[187][Inhoud]Zesde Vertelling.Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: Gaarne, Madonna, en begon:Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo Minutolo heette.13Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand[188]werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door[189]anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven[190]wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen,[191]stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.[192]Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u.[193]Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.[194][Inhoud]Zevende Vertelling.Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei14heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en[195]kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht werd, keerde hij vol verschillende[196]gedachten naar de herberg terug en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis daarin hoorde afdalen15en daarna zag hij door de spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers zijn van het onrecht en van den duivel.16Daarna keerde hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei[197]weenend: Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter leed zult vervallen.Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd?[198]Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden[199]doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar:Doe, wat wij zeggen en niet wat wij doenen meenen, dat dit een waardige verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te verkwisten,[200]kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere heilige woord van het Evangelium:Christus begon te doen, daarna te spreken?Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs gesteld? Werd[201]hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb,[202]hoop ik, dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied[203]voor Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders herbergiers enhunknecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten[204]zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden[205]was, ging deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij gesproken op den[206]dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de donna[207]zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.
[Inhoud]Vierde Vertelling.Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9dit doet, maakt don Felice met diensvrouwvan de gelegenheid gebruik.Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen[178]had en vooral het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de flagellanten11behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij[179]kon om broeder Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de[180]armen kunt uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk geluimd was[181]en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de monnik haar barmhartig voorzag.[182][Inhoud]Vijfde Vertelling.Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens zijn woorden.12Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, terwijl ik den vastgestelden regel nakom.Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij[183]zich roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed[184]en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat[185]ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, gelijk wij verlangen.Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu behoort toch[186]het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.[187][Inhoud]Zesde Vertelling.Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: Gaarne, Madonna, en begon:Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo Minutolo heette.13Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand[188]werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door[189]anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven[190]wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen,[191]stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.[192]Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u.[193]Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.[194][Inhoud]Zevende Vertelling.Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei14heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en[195]kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht werd, keerde hij vol verschillende[196]gedachten naar de herberg terug en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis daarin hoorde afdalen15en daarna zag hij door de spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers zijn van het onrecht en van den duivel.16Daarna keerde hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei[197]weenend: Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter leed zult vervallen.Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd?[198]Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden[199]doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar:Doe, wat wij zeggen en niet wat wij doenen meenen, dat dit een waardige verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te verkwisten,[200]kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere heilige woord van het Evangelium:Christus begon te doen, daarna te spreken?Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs gesteld? Werd[201]hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb,[202]hoop ik, dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied[203]voor Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders herbergiers enhunknecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten[204]zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden[205]was, ging deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij gesproken op den[206]dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de donna[207]zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.
[Inhoud]Vierde Vertelling.Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9dit doet, maakt don Felice met diensvrouwvan de gelegenheid gebruik.Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen[178]had en vooral het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de flagellanten11behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij[179]kon om broeder Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de[180]armen kunt uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk geluimd was[181]en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de monnik haar barmhartig voorzag.[182][Inhoud]Vijfde Vertelling.Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens zijn woorden.12Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, terwijl ik den vastgestelden regel nakom.Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij[183]zich roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed[184]en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat[185]ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, gelijk wij verlangen.Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu behoort toch[186]het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.[187][Inhoud]Zesde Vertelling.Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: Gaarne, Madonna, en begon:Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo Minutolo heette.13Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand[188]werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door[189]anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven[190]wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen,[191]stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.[192]Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u.[193]Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.[194][Inhoud]Zevende Vertelling.Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei14heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en[195]kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht werd, keerde hij vol verschillende[196]gedachten naar de herberg terug en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis daarin hoorde afdalen15en daarna zag hij door de spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers zijn van het onrecht en van den duivel.16Daarna keerde hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei[197]weenend: Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter leed zult vervallen.Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd?[198]Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden[199]doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar:Doe, wat wij zeggen en niet wat wij doenen meenen, dat dit een waardige verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te verkwisten,[200]kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere heilige woord van het Evangelium:Christus begon te doen, daarna te spreken?Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs gesteld? Werd[201]hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb,[202]hoop ik, dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied[203]voor Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders herbergiers enhunknecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten[204]zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden[205]was, ging deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij gesproken op den[206]dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de donna[207]zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.
[Inhoud]Vierde Vertelling.Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9dit doet, maakt don Felice met diensvrouwvan de gelegenheid gebruik.Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen[178]had en vooral het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de flagellanten11behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij[179]kon om broeder Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de[180]armen kunt uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk geluimd was[181]en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de monnik haar barmhartig voorzag.[182]
Vierde Vertelling.Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9dit doet, maakt don Felice met diensvrouwvan de gelegenheid gebruik.
Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9dit doet, maakt don Felice met diensvrouwvan de gelegenheid gebruik.
Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9dit doet, maakt don Felice met diensvrouwvan de gelegenheid gebruik.
Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen[178]had en vooral het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de flagellanten11behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij[179]kon om broeder Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de[180]armen kunt uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk geluimd was[181]en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de monnik haar barmhartig voorzag.[182]
Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen[178]had en vooral het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.
Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en trompette, daar hij tot de flagellanten11behoorde. De ega, die vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.
Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij[179]kon om broeder Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de[180]armen kunt uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.
Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk geluimd was[181]en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.
Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.
Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de monnik haar barmhartig voorzag.[182]
[Inhoud]Vijfde Vertelling.Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens zijn woorden.12Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, terwijl ik den vastgestelden regel nakom.Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij[183]zich roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed[184]en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat[185]ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, gelijk wij verlangen.Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu behoort toch[186]het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.[187]
Vijfde Vertelling.Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens zijn woorden.12
Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens zijn woorden.12
Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles geschiedt volgens zijn woorden.12
Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, terwijl ik den vastgestelden regel nakom.Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij[183]zich roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed[184]en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat[185]ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, gelijk wij verlangen.Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu behoort toch[186]het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.[187]
Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:
Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, terwijl ik den vastgestelden regel nakom.
Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.
Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij[183]zich roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:
Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed[184]en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.
De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:
Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat[185]ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, gelijk wij verlangen.
Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.
De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu behoort toch[186]het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.[187]
[Inhoud]Zesde Vertelling.Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: Gaarne, Madonna, en begon:Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo Minutolo heette.13Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand[188]werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door[189]anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven[190]wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen,[191]stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.[192]Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u.[193]Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.[194]
Zesde Vertelling.Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.
Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.
Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.
Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: Gaarne, Madonna, en begon:Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo Minutolo heette.13Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand[188]werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door[189]anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven[190]wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen,[191]stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.[192]Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u.[193]Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.[194]
Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: Gaarne, Madonna, en begon:
Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.
In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, die Ricciardo Minutolo heette.13Deze, hoewel hij tot vrouw een zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.
Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand[188]werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door[189]anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven[190]wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.
Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.
De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen,[191]stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.
Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.[192]
Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.
Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u.[193]Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.
Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.[194]
[Inhoud]Zevende Vertelling.Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei14heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en[195]kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht werd, keerde hij vol verschillende[196]gedachten naar de herberg terug en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis daarin hoorde afdalen15en daarna zag hij door de spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers zijn van het onrecht en van den duivel.16Daarna keerde hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei[197]weenend: Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter leed zult vervallen.Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd?[198]Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden[199]doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar:Doe, wat wij zeggen en niet wat wij doenen meenen, dat dit een waardige verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te verkwisten,[200]kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere heilige woord van het Evangelium:Christus begon te doen, daarna te spreken?Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs gesteld? Werd[201]hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb,[202]hoop ik, dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied[203]voor Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders herbergiers enhunknecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten[204]zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden[205]was, ging deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij gesproken op den[206]dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de donna[207]zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.
Zevende Vertelling.Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.
Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.
Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.
Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei14heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en[195]kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht werd, keerde hij vol verschillende[196]gedachten naar de herberg terug en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis daarin hoorde afdalen15en daarna zag hij door de spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers zijn van het onrecht en van den duivel.16Daarna keerde hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei[197]weenend: Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter leed zult vervallen.Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd?[198]Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden[199]doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar:Doe, wat wij zeggen en niet wat wij doenen meenen, dat dit een waardige verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te verkwisten,[200]kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere heilige woord van het Evangelium:Christus begon te doen, daarna te spreken?Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs gesteld? Werd[201]hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb,[202]hoop ik, dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied[203]voor Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders herbergiers enhunknecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten[204]zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden[205]was, ging deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij gesproken op den[206]dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de donna[207]zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.
Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.
Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei14heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in ’t geheel niet meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen maar hem in ’t geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, die alles wist en[195]kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.
Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.
Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht werd, keerde hij vol verschillende[196]gedachten naar de herberg terug en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak van het huis daarin hoorde afdalen15en daarna zag hij door de spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.
Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de helpers zijn van het onrecht en van den duivel.16Daarna keerde hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, wat hij te doen had. Toen hij ’s ochtends opstond, liet hij zijn knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei[197]weenend: Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter leed zult vervallen.
Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd?[198]Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.
Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden[199]doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.
Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar:Doe, wat wij zeggen en niet wat wij doenen meenen, dat dit een waardige verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan hen uw geld te verkwisten,[200]kan de broeder in de orde niet meer luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet dit andere heilige woord van het Evangelium:Christus begon te doen, daarna te spreken?Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs gesteld? Werd[201]hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.
Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb,[202]hoop ik, dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.
Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden met U had. Daarom, indien gij uit eerbied[203]voor Hem mij een kleine gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.
Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders herbergiers enhunknecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, lieten[204]zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.
De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en hun vrouwen, de vier broeders en hun donna’s zou ontvangen en voegde er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat den pelgrim behaagde, tevreden[205]was, ging deze dadelijk naar de vier broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen met hun donna’s tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo ook de donna’s, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere donna’s? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij gesproken op den[206]dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.
Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn liefde en zonder dat de donna[207]zich weer vertoornde, ging hij stil te werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van de onze.