Zeer geliefde donna’s. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen, meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel,1maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is.Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd2niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden,[231]namelijk met de donna’s te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord, welke dingen ik met kalm gemoed—God weet het—hoor en verneem. En voor zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich kunnen vermenigvuldigen, dat—zij in het begin niet beantwoord—mij met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen.Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van, opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik:3In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en hetzelfde[232]te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo4en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen, voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u bevalt? En gij kunt dan hier blijven.De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard[233]noch ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd.Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, allerzoetste donna’s, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord ik, dat ik tot de uiterste grens van[234]mijn leven mij niet zal schamen daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste jaren hun best hebben gedaan aan de donna’s te behagen. En als die het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt dat niet te laken. De Muzen zijn donna’s en hoewel de donna’s niet verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en ter eere van de gelijkenis, die de donna’s met hen hebben. En daarom als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders[235]voor de oogen komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er gelast werd, vol gratie aldus begon:[236][Inhoud]Eerste Vertelling.Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donnageëischtwordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak[237]ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden.[238]Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag[239]dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware[240]redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont[241]daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo[242]doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat[243]dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.[244][Inhoud]Tweede Vertelling.Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren[245]zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten5werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar,een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat[246]er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt[247]de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan6waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde[248]brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen[249]hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust.7De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan[250]twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij[251]hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid!8Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden[252]en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.
Zeer geliefde donna’s. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen, meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel,1maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is.Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd2niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden,[231]namelijk met de donna’s te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord, welke dingen ik met kalm gemoed—God weet het—hoor en verneem. En voor zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich kunnen vermenigvuldigen, dat—zij in het begin niet beantwoord—mij met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen.Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van, opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik:3In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en hetzelfde[232]te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo4en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen, voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u bevalt? En gij kunt dan hier blijven.De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard[233]noch ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd.Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, allerzoetste donna’s, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord ik, dat ik tot de uiterste grens van[234]mijn leven mij niet zal schamen daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste jaren hun best hebben gedaan aan de donna’s te behagen. En als die het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt dat niet te laken. De Muzen zijn donna’s en hoewel de donna’s niet verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en ter eere van de gelijkenis, die de donna’s met hen hebben. En daarom als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders[235]voor de oogen komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er gelast werd, vol gratie aldus begon:[236][Inhoud]Eerste Vertelling.Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donnageëischtwordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak[237]ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden.[238]Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag[239]dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware[240]redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont[241]daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo[242]doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat[243]dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.[244][Inhoud]Tweede Vertelling.Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren[245]zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten5werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar,een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat[246]er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt[247]de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan6waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde[248]brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen[249]hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust.7De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan[250]twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij[251]hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid!8Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden[252]en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.
Zeer geliefde donna’s. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen, meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel,1maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is.Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd2niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden,[231]namelijk met de donna’s te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord, welke dingen ik met kalm gemoed—God weet het—hoor en verneem. En voor zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich kunnen vermenigvuldigen, dat—zij in het begin niet beantwoord—mij met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen.Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van, opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik:3In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en hetzelfde[232]te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo4en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen, voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u bevalt? En gij kunt dan hier blijven.De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard[233]noch ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd.Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, allerzoetste donna’s, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord ik, dat ik tot de uiterste grens van[234]mijn leven mij niet zal schamen daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste jaren hun best hebben gedaan aan de donna’s te behagen. En als die het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt dat niet te laken. De Muzen zijn donna’s en hoewel de donna’s niet verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en ter eere van de gelijkenis, die de donna’s met hen hebben. En daarom als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders[235]voor de oogen komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er gelast werd, vol gratie aldus begon:[236][Inhoud]Eerste Vertelling.Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donnageëischtwordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak[237]ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden.[238]Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag[239]dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware[240]redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont[241]daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo[242]doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat[243]dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.[244][Inhoud]Tweede Vertelling.Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren[245]zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten5werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar,een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat[246]er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt[247]de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan6waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde[248]brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen[249]hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust.7De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan[250]twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij[251]hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid!8Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden[252]en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.
Zeer geliefde donna’s. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen, meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel,1maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is.
Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd2niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden,[231]namelijk met de donna’s te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord, welke dingen ik met kalm gemoed—God weet het—hoor en verneem. En voor zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich kunnen vermenigvuldigen, dat—zij in het begin niet beantwoord—mij met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen.
Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van, opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik:3
In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en hetzelfde[232]te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo4en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen, voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u bevalt? En gij kunt dan hier blijven.
De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.
Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard[233]noch ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd.
Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, allerzoetste donna’s, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord ik, dat ik tot de uiterste grens van[234]mijn leven mij niet zal schamen daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste jaren hun best hebben gedaan aan de donna’s te behagen. En als die het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.
Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt dat niet te laken. De Muzen zijn donna’s en hoewel de donna’s niet verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en ter eere van de gelijkenis, die de donna’s met hen hebben. En daarom als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.
Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.
Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders[235]voor de oogen komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.
De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er gelast werd, vol gratie aldus begon:[236]
[Inhoud]Eerste Vertelling.Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donnageëischtwordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak[237]ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden.[238]Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag[239]dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware[240]redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont[241]daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo[242]doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat[243]dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.[244]
Eerste Vertelling.Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.
Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.
Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.
Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donnageëischtwordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak[237]ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden.[238]Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag[239]dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware[240]redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont[241]daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo[242]doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat[243]dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.[244]
Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.
Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donnageëischtwordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak[237]ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.
Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden.[238]Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.
Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag[239]dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.
Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware[240]redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont[241]daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.
De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo[242]doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.
Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.
Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.
Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat[243]dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.[244]
[Inhoud]Tweede Vertelling.Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren[245]zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten5werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar,een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat[246]er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt[247]de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan6waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde[248]brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen[249]hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust.7De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan[250]twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij[251]hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid!8Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden[252]en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.
Tweede Vertelling.Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.
Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.
Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.
De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren[245]zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten5werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar,een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat[246]er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt[247]de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan6waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde[248]brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen[249]hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust.7De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan[250]twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij[251]hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid!8Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden[252]en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.
De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:
De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren[245]zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten5werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.
Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar,een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat[246]er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.
Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt[247]de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan6waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde[248]brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen[249]hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.
Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust.7De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?
Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan[250]twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.
De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij[251]hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.
Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid!8Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden[252]en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.