Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:[296][Inhoud]Eerste Vertelling.Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug.1Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.Cimon.Cimon.5eDag—1eVertelling.Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden[297]geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór[298]dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht[299]de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat[300]mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland[301]Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag,[302]dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij[303]kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat[304]elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.[Inhoud]Tweede Vertelling.Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,[305]gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend[306]op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa.2Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn3sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden[307]met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt,[308]kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen.4De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en[309]omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.[310][Inhoud]Derde Vertelling.Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart5er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit[311]Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna6, waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen:Dood aan hen, dood aan hen!Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en[312]links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij[313]willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu[314]het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te[315]voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.
Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:[296][Inhoud]Eerste Vertelling.Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug.1Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.Cimon.Cimon.5eDag—1eVertelling.Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden[297]geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór[298]dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht[299]de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat[300]mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland[301]Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag,[302]dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij[303]kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat[304]elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.[Inhoud]Tweede Vertelling.Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,[305]gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend[306]op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa.2Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn3sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden[307]met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt,[308]kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen.4De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en[309]omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.[310][Inhoud]Derde Vertelling.Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart5er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit[311]Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna6, waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen:Dood aan hen, dood aan hen!Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en[312]links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij[313]willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu[314]het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te[315]voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.
Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:[296][Inhoud]Eerste Vertelling.Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug.1Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.Cimon.Cimon.5eDag—1eVertelling.Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden[297]geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór[298]dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht[299]de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat[300]mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland[301]Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag,[302]dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij[303]kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat[304]elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.[Inhoud]Tweede Vertelling.Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,[305]gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend[306]op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa.2Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn3sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden[307]met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt,[308]kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen.4De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en[309]omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.[310][Inhoud]Derde Vertelling.Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart5er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit[311]Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna6, waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen:Dood aan hen, dood aan hen!Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en[312]links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij[313]willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu[314]het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te[315]voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.
Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:[296]
[Inhoud]Eerste Vertelling.Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug.1Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.Cimon.Cimon.5eDag—1eVertelling.Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden[297]geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór[298]dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht[299]de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat[300]mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland[301]Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag,[302]dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij[303]kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat[304]elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.
Eerste Vertelling.Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug.1
Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug.1
Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug.1
Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.Cimon.Cimon.5eDag—1eVertelling.Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden[297]geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór[298]dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht[299]de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat[300]mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland[301]Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag,[302]dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij[303]kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat[304]elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.
Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.
Cimon.Cimon.5eDag—1eVertelling.
Cimon.
5eDag—1eVertelling.
Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden[297]geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.
Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór[298]dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.
Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht[299]de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.
Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.
Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat[300]mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.
Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland[301]Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.
Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.
Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag,[302]dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:
Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij[303]kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.
Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.
Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat[304]elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.
[Inhoud]Tweede Vertelling.Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,[305]gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend[306]op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa.2Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn3sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden[307]met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt,[308]kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen.4De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en[309]omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.[310]
Tweede Vertelling.Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.
Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.
Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.
Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,[305]gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend[306]op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa.2Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn3sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden[307]met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt,[308]kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen.4De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en[309]omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.[310]
Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,[305]gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.
Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend[306]op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa.2
Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn3sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.
Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden[307]met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.
De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.
Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt,[308]kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen.4
De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.
Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.
Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en[309]omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.
De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.[310]
[Inhoud]Derde Vertelling.Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart5er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit[311]Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna6, waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen:Dood aan hen, dood aan hen!Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en[312]links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij[313]willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu[314]het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te[315]voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.
Derde Vertelling.Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.
Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.
Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.
Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart5er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit[311]Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna6, waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen:Dood aan hen, dood aan hen!Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en[312]links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij[313]willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu[314]het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te[315]voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.
Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.
Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart5er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit[311]Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna6, waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen:Dood aan hen, dood aan hen!Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.
Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en[312]links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.
Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.
Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij[313]willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.
Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.
De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu[314]het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.
Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te[315]voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.