[Inhoud]Vierde Vertelling.Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij[316]kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.De nachtegaal.De nachtegaal.5eDag—4eVertelling.Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen:Naar het mij scheenen dan zult gij misschien de[317]waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag[318]al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen,[319]dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.[320][Inhoud]Vijfde Vertelling.Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven.7De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad[321]woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald?[322]En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!”Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog nietgeëindigdof de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen[323]de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand[324]de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.[Inhoud]Zesde Vertelling.Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te[325]maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni8genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië,9te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en[326]wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk[327]met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria10ter ooren kwam, een man van[328]onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.Violante.Violante.5eDag—7eVertelling.Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg:Welke?Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van MarinBólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf[329]zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.[Inhoud]Zevende Vertelling.Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo11Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan[330]door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En[331]het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat[332]het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken.[333]Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hijwerkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds[334]uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.[335]
[Inhoud]Vierde Vertelling.Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij[316]kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.De nachtegaal.De nachtegaal.5eDag—4eVertelling.Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen:Naar het mij scheenen dan zult gij misschien de[317]waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag[318]al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen,[319]dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.[320][Inhoud]Vijfde Vertelling.Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven.7De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad[321]woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald?[322]En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!”Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog nietgeëindigdof de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen[323]de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand[324]de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.[Inhoud]Zesde Vertelling.Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te[325]maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni8genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië,9te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en[326]wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk[327]met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria10ter ooren kwam, een man van[328]onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.Violante.Violante.5eDag—7eVertelling.Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg:Welke?Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van MarinBólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf[329]zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.[Inhoud]Zevende Vertelling.Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo11Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan[330]door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En[331]het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat[332]het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken.[333]Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hijwerkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds[334]uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.[335]
[Inhoud]Vierde Vertelling.Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij[316]kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.De nachtegaal.De nachtegaal.5eDag—4eVertelling.Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen:Naar het mij scheenen dan zult gij misschien de[317]waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag[318]al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen,[319]dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.[320][Inhoud]Vijfde Vertelling.Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven.7De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad[321]woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald?[322]En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!”Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog nietgeëindigdof de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen[323]de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand[324]de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.[Inhoud]Zesde Vertelling.Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te[325]maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni8genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië,9te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en[326]wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk[327]met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria10ter ooren kwam, een man van[328]onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.Violante.Violante.5eDag—7eVertelling.Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg:Welke?Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van MarinBólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf[329]zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.[Inhoud]Zevende Vertelling.Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo11Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan[330]door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En[331]het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat[332]het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken.[333]Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hijwerkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds[334]uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.[335]
[Inhoud]Vierde Vertelling.Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij[316]kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.De nachtegaal.De nachtegaal.5eDag—4eVertelling.Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen:Naar het mij scheenen dan zult gij misschien de[317]waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag[318]al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen,[319]dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.[320]
Vierde Vertelling.Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.
Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.
Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.
Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij[316]kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.De nachtegaal.De nachtegaal.5eDag—4eVertelling.Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen:Naar het mij scheenen dan zult gij misschien de[317]waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag[318]al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen,[319]dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.[320]
Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij[316]kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.
De nachtegaal.De nachtegaal.5eDag—4eVertelling.
De nachtegaal.
5eDag—4eVertelling.
Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen:Naar het mij scheenen dan zult gij misschien de[317]waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.
Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.
De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag[318]al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.
Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen,[319]dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.
Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.
Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.[320]
[Inhoud]Vijfde Vertelling.Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven.7De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad[321]woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald?[322]En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!”Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog nietgeëindigdof de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen[323]de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand[324]de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.
Vijfde Vertelling.Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven.7
Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven.7
Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven.7
De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad[321]woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald?[322]En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!”Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog nietgeëindigdof de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen[323]de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand[324]de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.
De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.
Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad[321]woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.
Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald?[322]En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!”Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog nietgeëindigdof de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.
Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen[323]de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.
Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.
Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand[324]de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.
[Inhoud]Zesde Vertelling.Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te[325]maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni8genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië,9te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en[326]wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk[327]met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria10ter ooren kwam, een man van[328]onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.Violante.Violante.5eDag—7eVertelling.Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg:Welke?Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van MarinBólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf[329]zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.
Zesde Vertelling.Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.
Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.
Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.
Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te[325]maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni8genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië,9te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en[326]wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk[327]met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria10ter ooren kwam, een man van[328]onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.Violante.Violante.5eDag—7eVertelling.Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg:Welke?Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van MarinBólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf[329]zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.
Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te[325]maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.
Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni8genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië,9te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.
Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en[326]wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.
Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk[327]met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.
Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.
Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria10ter ooren kwam, een man van[328]onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.
Violante.Violante.5eDag—7eVertelling.
Violante.
5eDag—7eVertelling.
Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg:Welke?Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.
Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van MarinBólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf[329]zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.
[Inhoud]Zevende Vertelling.Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo11Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan[330]door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En[331]het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat[332]het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken.[333]Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hijwerkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds[334]uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.[335]
Zevende Vertelling.Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.
Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.
Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.
De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo11Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan[330]door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En[331]het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat[332]het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken.[333]Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hijwerkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds[334]uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.[335]
De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo11Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan[330]door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.
Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En[331]het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.
Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.
Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat[332]het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.
De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.
Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken.[333]Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hijwerkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.
Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds[334]uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.
Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.[335]