Eerste Vertelling.

Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt en hij liet al de donna’s en de jongelieden volgen. Ternauwernood schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid gingen zij tot aan de Vallei der Donna’s, waar, omdat zij door nog meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen[386]was, dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:[Inhoud]Eerste Vertelling.Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdathijals welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni[387]in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde[388]trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk hetTe Lucisen deIntemerataen andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed[389]aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.[Inhoud]Tweede Vertelling.Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen[390]wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.De ton.De ton.7eDag—2eVertelling.Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd[391]en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello,[392]die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.[Inhoud]Derde Vertelling.Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg.[393]Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die[394]hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas1dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien.Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder[395]van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.[396][Inhoud]Vierde Vertelling.Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep.Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den[397]nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw vanGod vergeve het mijer in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen,ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je[398]bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.[399][Inhoud]Vijfde Vertelling.Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook,[400]dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden,[401]die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn.Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam[402]niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op[403]en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij[404]honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt en hij liet al de donna’s en de jongelieden volgen. Ternauwernood schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid gingen zij tot aan de Vallei der Donna’s, waar, omdat zij door nog meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen[386]was, dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:[Inhoud]Eerste Vertelling.Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdathijals welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni[387]in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde[388]trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk hetTe Lucisen deIntemerataen andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed[389]aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.[Inhoud]Tweede Vertelling.Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen[390]wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.De ton.De ton.7eDag—2eVertelling.Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd[391]en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello,[392]die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.[Inhoud]Derde Vertelling.Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg.[393]Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die[394]hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas1dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien.Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder[395]van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.[396][Inhoud]Vierde Vertelling.Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep.Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den[397]nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw vanGod vergeve het mijer in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen,ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je[398]bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.[399][Inhoud]Vijfde Vertelling.Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook,[400]dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden,[401]die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn.Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam[402]niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op[403]en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij[404]honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt en hij liet al de donna’s en de jongelieden volgen. Ternauwernood schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid gingen zij tot aan de Vallei der Donna’s, waar, omdat zij door nog meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen[386]was, dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:[Inhoud]Eerste Vertelling.Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdathijals welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni[387]in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde[388]trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk hetTe Lucisen deIntemerataen andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed[389]aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.[Inhoud]Tweede Vertelling.Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen[390]wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.De ton.De ton.7eDag—2eVertelling.Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd[391]en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello,[392]die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.[Inhoud]Derde Vertelling.Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg.[393]Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die[394]hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas1dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien.Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder[395]van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.[396][Inhoud]Vierde Vertelling.Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep.Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den[397]nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw vanGod vergeve het mijer in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen,ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je[398]bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.[399][Inhoud]Vijfde Vertelling.Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook,[400]dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden,[401]die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn.Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam[402]niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op[403]en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij[404]honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt en hij liet al de donna’s en de jongelieden volgen. Ternauwernood schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid gingen zij tot aan de Vallei der Donna’s, waar, omdat zij door nog meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen[386]was, dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:

[Inhoud]Eerste Vertelling.Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdathijals welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni[387]in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde[388]trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk hetTe Lucisen deIntemerataen andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed[389]aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.

Eerste Vertelling.Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.

Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.

Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.

Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdathijals welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni[387]in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde[388]trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk hetTe Lucisen deIntemerataen andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed[389]aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.

Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.

Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdathijals welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.

Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni[387]in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde[388]trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk hetTe Lucisen deIntemerataen andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.

De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.

Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed[389]aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.

[Inhoud]Tweede Vertelling.Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen[390]wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.De ton.De ton.7eDag—2eVertelling.Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd[391]en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello,[392]die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.

Tweede Vertelling.Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.

Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.

Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.

De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen[390]wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.De ton.De ton.7eDag—2eVertelling.Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd[391]en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello,[392]die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.

De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen[390]wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.

De ton.De ton.7eDag—2eVertelling.

De ton.

7eDag—2eVertelling.

Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd[391]en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.

Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello,[392]die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.

[Inhoud]Derde Vertelling.Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg.[393]Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die[394]hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas1dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien.Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder[395]van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.[396]

Derde Vertelling.Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.

Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.

Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.

Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg.[393]Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die[394]hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas1dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien.Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder[395]van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.[396]

Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.

Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.

Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg.[393]Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die[394]hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.

Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas1dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?

O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien.Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder[395]van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.[396]

[Inhoud]Vierde Vertelling.Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep.Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den[397]nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw vanGod vergeve het mijer in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen,ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je[398]bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.[399]

Vierde Vertelling.Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.

Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.

Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.

Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep.Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den[397]nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw vanGod vergeve het mijer in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen,ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je[398]bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.[399]

Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.

In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep.Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.

De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den[397]nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw vanGod vergeve het mijer in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen,ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.

Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je[398]bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.

De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.[399]

[Inhoud]Vijfde Vertelling.Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook,[400]dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden,[401]die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn.Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam[402]niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op[403]en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij[404]honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

Vijfde Vertelling.Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.

Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.

Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.

Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook,[400]dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden,[401]die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn.Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam[402]niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op[403]en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij[404]honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.

Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook,[400]dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.

Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden,[401]die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn.Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam[402]niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.

De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op[403]en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.

De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij[404]honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.

De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.


Back to IndexNext