Zesde Vertelling.

[Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna[405]Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en[406]zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.[407][Inhoud]Zevende Vertelling.Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi2van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan[408]krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden,regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.De misleide echtgenoot.De misleide echtgenoot.7eDag—7eVertelling.Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit:door de genegenheid, die gij voor mij gevoeltdoor haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat[409]zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij[410]was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.[411][Inhoud]Achtste Vertelling.Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens[412]zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele[413]gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep:Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?[414]Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met[415]de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.[416][Inhoud]Negende Vertelling.Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit[417]als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij?[418]Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus[419]op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus[420]zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep[421]hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben[422]verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.

[Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna[405]Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en[406]zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.[407][Inhoud]Zevende Vertelling.Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi2van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan[408]krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden,regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.De misleide echtgenoot.De misleide echtgenoot.7eDag—7eVertelling.Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit:door de genegenheid, die gij voor mij gevoeltdoor haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat[409]zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij[410]was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.[411][Inhoud]Achtste Vertelling.Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens[412]zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele[413]gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep:Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?[414]Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met[415]de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.[416][Inhoud]Negende Vertelling.Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit[417]als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij?[418]Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus[419]op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus[420]zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep[421]hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben[422]verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.

[Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna[405]Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en[406]zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.[407][Inhoud]Zevende Vertelling.Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi2van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan[408]krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden,regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.De misleide echtgenoot.De misleide echtgenoot.7eDag—7eVertelling.Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit:door de genegenheid, die gij voor mij gevoeltdoor haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat[409]zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij[410]was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.[411][Inhoud]Achtste Vertelling.Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens[412]zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele[413]gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep:Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?[414]Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met[415]de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.[416][Inhoud]Negende Vertelling.Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit[417]als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij?[418]Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus[419]op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus[420]zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep[421]hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben[422]verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.

[Inhoud]Zesde Vertelling.Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna[405]Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en[406]zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.[407]

Zesde Vertelling.Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.

Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.

Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.

De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna[405]Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en[406]zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.[407]

De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.

In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna[405]Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.

De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.

Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en[406]zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.[407]

[Inhoud]Zevende Vertelling.Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi2van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan[408]krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden,regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.De misleide echtgenoot.De misleide echtgenoot.7eDag—7eVertelling.Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit:door de genegenheid, die gij voor mij gevoeltdoor haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat[409]zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij[410]was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.[411]

Zevende Vertelling.Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.

Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.

Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.

De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi2van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan[408]krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden,regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.De misleide echtgenoot.De misleide echtgenoot.7eDag—7eVertelling.Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit:door de genegenheid, die gij voor mij gevoeltdoor haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat[409]zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij[410]was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.[411]

De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.

In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi2van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan[408]krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden,regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.

De misleide echtgenoot.De misleide echtgenoot.7eDag—7eVertelling.

De misleide echtgenoot.

7eDag—7eVertelling.

Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit:door de genegenheid, die gij voor mij gevoeltdoor haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!

De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat[409]zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij[410]was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.

Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.[411]

[Inhoud]Achtste Vertelling.Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens[412]zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele[413]gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep:Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?[414]Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met[415]de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.[416]

Achtste Vertelling.Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.

Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.

Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.

Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens[412]zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele[413]gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep:Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?[414]Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met[415]de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.[416]

Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.

In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens[412]zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.

Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele[413]gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep:Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.

Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?[414]

Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met[415]de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.

Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.[416]

[Inhoud]Negende Vertelling.Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit[417]als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij?[418]Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus[419]op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus[420]zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep[421]hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben[422]verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.

Negende Vertelling.Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.

Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.

Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.

De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit[417]als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij?[418]Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus[419]op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus[420]zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep[421]hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben[422]verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.

De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.

In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit[417]als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.

De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij?[418]Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.

Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus[419]op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.

Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.

De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus[420]zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.

De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep[421]hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben[422]verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.

Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.


Back to IndexNext