[Inhoud]Zesde Vertelling.De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti2, met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier[545]moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt[546]hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,Lang kan men daar niet van verhalen .…met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder[547]mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich[548]zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.[Inhoud]Zevende Vertelling.Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van[549]Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt[550]op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,Spreek hem van de pijnen die ik draag:En zeg hem, dat ik sterven zal,Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.Amor, ik smeek u met gevouwen handen,Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,Zoo zoet verliefd is mijn harte:En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,Die ik verduur in verlangen naar hemIn vrees en in schaamte.Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,Zoodat ik geen enkele maalHem mijn hartewensch kon openbaren,Die mij zoo in spanning houdt.Het is wreed zoo te sterven.Misschien dat het hem zou behagen,Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoelEn als gij mij den moed hadt gegevenOm mij het hem te doen weten.Daar dit, Amor, u niet behaagde,Mij die beslistheid te geven,Dat mijn Heer mijn hart kent,Hetzij door een boodschap of door een teeken,Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,Den dag, toen ik hem zag met schild en lansMet andere ridders in strijd,Toen ik hem bleef aanschouwen.Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te[551]luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost,[552]ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen[553]en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.[Inhoud]Achtste Vertelling.Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u[554]de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig[555]de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en[556]geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste,[557]zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede[558]oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen,[559]voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en[560]zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijnstudies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is[561]vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne,[562]wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreigingeruit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen[563]’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich[564]komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar[565]meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.
[Inhoud]Zesde Vertelling.De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti2, met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier[545]moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt[546]hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,Lang kan men daar niet van verhalen .…met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder[547]mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich[548]zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.[Inhoud]Zevende Vertelling.Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van[549]Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt[550]op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,Spreek hem van de pijnen die ik draag:En zeg hem, dat ik sterven zal,Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.Amor, ik smeek u met gevouwen handen,Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,Zoo zoet verliefd is mijn harte:En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,Die ik verduur in verlangen naar hemIn vrees en in schaamte.Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,Zoodat ik geen enkele maalHem mijn hartewensch kon openbaren,Die mij zoo in spanning houdt.Het is wreed zoo te sterven.Misschien dat het hem zou behagen,Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoelEn als gij mij den moed hadt gegevenOm mij het hem te doen weten.Daar dit, Amor, u niet behaagde,Mij die beslistheid te geven,Dat mijn Heer mijn hart kent,Hetzij door een boodschap of door een teeken,Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,Den dag, toen ik hem zag met schild en lansMet andere ridders in strijd,Toen ik hem bleef aanschouwen.Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te[551]luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost,[552]ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen[553]en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.[Inhoud]Achtste Vertelling.Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u[554]de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig[555]de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en[556]geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste,[557]zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede[558]oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen,[559]voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en[560]zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijnstudies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is[561]vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne,[562]wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreigingeruit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen[563]’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich[564]komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar[565]meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.
[Inhoud]Zesde Vertelling.De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti2, met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier[545]moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt[546]hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,Lang kan men daar niet van verhalen .…met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder[547]mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich[548]zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.[Inhoud]Zevende Vertelling.Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van[549]Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt[550]op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,Spreek hem van de pijnen die ik draag:En zeg hem, dat ik sterven zal,Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.Amor, ik smeek u met gevouwen handen,Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,Zoo zoet verliefd is mijn harte:En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,Die ik verduur in verlangen naar hemIn vrees en in schaamte.Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,Zoodat ik geen enkele maalHem mijn hartewensch kon openbaren,Die mij zoo in spanning houdt.Het is wreed zoo te sterven.Misschien dat het hem zou behagen,Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoelEn als gij mij den moed hadt gegevenOm mij het hem te doen weten.Daar dit, Amor, u niet behaagde,Mij die beslistheid te geven,Dat mijn Heer mijn hart kent,Hetzij door een boodschap of door een teeken,Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,Den dag, toen ik hem zag met schild en lansMet andere ridders in strijd,Toen ik hem bleef aanschouwen.Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te[551]luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost,[552]ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen[553]en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.[Inhoud]Achtste Vertelling.Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u[554]de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig[555]de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en[556]geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste,[557]zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede[558]oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen,[559]voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en[560]zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijnstudies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is[561]vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne,[562]wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreigingeruit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen[563]’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich[564]komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar[565]meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.
[Inhoud]Zesde Vertelling.De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti2, met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier[545]moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt[546]hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,Lang kan men daar niet van verhalen .…met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder[547]mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich[548]zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.
Zesde Vertelling.De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.
De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.
De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.
Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti2, met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier[545]moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt[546]hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,Lang kan men daar niet van verhalen .…met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder[547]mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich[548]zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.
Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:
Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti2, met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.
Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier[545]moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.
Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.
De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt[546]hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:
Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,Lang kan men daar niet van verhalen .…
Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,
Lang kan men daar niet van verhalen .…
met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder[547]mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.
Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.
Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich[548]zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.
Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.
[Inhoud]Zevende Vertelling.Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van[549]Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt[550]op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,Spreek hem van de pijnen die ik draag:En zeg hem, dat ik sterven zal,Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.Amor, ik smeek u met gevouwen handen,Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,Zoo zoet verliefd is mijn harte:En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,Die ik verduur in verlangen naar hemIn vrees en in schaamte.Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,Zoodat ik geen enkele maalHem mijn hartewensch kon openbaren,Die mij zoo in spanning houdt.Het is wreed zoo te sterven.Misschien dat het hem zou behagen,Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoelEn als gij mij den moed hadt gegevenOm mij het hem te doen weten.Daar dit, Amor, u niet behaagde,Mij die beslistheid te geven,Dat mijn Heer mijn hart kent,Hetzij door een boodschap of door een teeken,Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,Den dag, toen ik hem zag met schild en lansMet andere ridders in strijd,Toen ik hem bleef aanschouwen.Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te[551]luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost,[552]ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen[553]en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.
Zevende Vertelling.Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.
Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.
Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.
Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van[549]Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt[550]op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,Spreek hem van de pijnen die ik draag:En zeg hem, dat ik sterven zal,Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.Amor, ik smeek u met gevouwen handen,Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,Zoo zoet verliefd is mijn harte:En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,Die ik verduur in verlangen naar hemIn vrees en in schaamte.Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,Zoodat ik geen enkele maalHem mijn hartewensch kon openbaren,Die mij zoo in spanning houdt.Het is wreed zoo te sterven.Misschien dat het hem zou behagen,Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoelEn als gij mij den moed hadt gegevenOm mij het hem te doen weten.Daar dit, Amor, u niet behaagde,Mij die beslistheid te geven,Dat mijn Heer mijn hart kent,Hetzij door een boodschap of door een teeken,Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,Den dag, toen ik hem zag met schild en lansMet andere ridders in strijd,Toen ik hem bleef aanschouwen.Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te[551]luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost,[552]ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen[553]en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.
Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.
Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van[549]Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.
Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt[550]op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:
Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,Spreek hem van de pijnen die ik draag:En zeg hem, dat ik sterven zal,Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.Amor, ik smeek u met gevouwen handen,Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,Zoo zoet verliefd is mijn harte:En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,Die ik verduur in verlangen naar hemIn vrees en in schaamte.Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,Zoodat ik geen enkele maalHem mijn hartewensch kon openbaren,Die mij zoo in spanning houdt.Het is wreed zoo te sterven.Misschien dat het hem zou behagen,Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoelEn als gij mij den moed hadt gegevenOm mij het hem te doen weten.Daar dit, Amor, u niet behaagde,Mij die beslistheid te geven,Dat mijn Heer mijn hart kent,Hetzij door een boodschap of door een teeken,Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,Den dag, toen ik hem zag met schild en lansMet andere ridders in strijd,Toen ik hem bleef aanschouwen.Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.
Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,Spreek hem van de pijnen die ik draag:En zeg hem, dat ik sterven zal,Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.
Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,
Spreek hem van de pijnen die ik draag:
En zeg hem, dat ik sterven zal,
Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.
Amor, ik smeek u met gevouwen handen,Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,Zoo zoet verliefd is mijn harte:En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,Die ik verduur in verlangen naar hemIn vrees en in schaamte.Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.
Amor, ik smeek u met gevouwen handen,
Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,
Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,
Zoo zoet verliefd is mijn harte:
En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,
Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,
Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,
Die ik verduur in verlangen naar hem
In vrees en in schaamte.
Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.
Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,Zoodat ik geen enkele maalHem mijn hartewensch kon openbaren,Die mij zoo in spanning houdt.Het is wreed zoo te sterven.Misschien dat het hem zou behagen,Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoelEn als gij mij den moed hadt gegevenOm mij het hem te doen weten.
Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,
Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,
Zoodat ik geen enkele maal
Hem mijn hartewensch kon openbaren,
Die mij zoo in spanning houdt.
Het is wreed zoo te sterven.
Misschien dat het hem zou behagen,
Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoel
En als gij mij den moed hadt gegeven
Om mij het hem te doen weten.
Daar dit, Amor, u niet behaagde,Mij die beslistheid te geven,Dat mijn Heer mijn hart kent,Hetzij door een boodschap of door een teeken,Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,Den dag, toen ik hem zag met schild en lansMet andere ridders in strijd,Toen ik hem bleef aanschouwen.Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.
Daar dit, Amor, u niet behaagde,
Mij die beslistheid te geven,
Dat mijn Heer mijn hart kent,
Hetzij door een boodschap of door een teeken,
Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,
Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,
Den dag, toen ik hem zag met schild en lans
Met andere ridders in strijd,
Toen ik hem bleef aanschouwen.
Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.
Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te[551]luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.
Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost,[552]ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.
Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen[553]en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.
Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.
[Inhoud]Achtste Vertelling.Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u[554]de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig[555]de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en[556]geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste,[557]zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede[558]oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen,[559]voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en[560]zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijnstudies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is[561]vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne,[562]wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreigingeruit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen[563]’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich[564]komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar[565]meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.
Achtste Vertelling.Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.
Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.
Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.
Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u[554]de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig[555]de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en[556]geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste,[557]zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede[558]oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen,[559]voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en[560]zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijnstudies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is[561]vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne,[562]wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreigingeruit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen[563]’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich[564]komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar[565]meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.
Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u[554]de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.
In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.
Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig[555]de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.
Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en[556]geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.
Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste,[557]zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.
Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.
Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.
Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.
Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede[558]oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.
De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:
Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen,[559]voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en[560]zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijnstudies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.
Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is[561]vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne,[562]wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.
De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreigingeruit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.
Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen[563]’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.
Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich[564]komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar[565]meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.