HOOFDSTUK I.

HOOFDSTUK I.Waarin wij met Vader en Dochter bekend raken.Er zijn mensen in de wereld, die zich tot de ongelukkigen van de Aarde rekenen, en die zelfs als het hen goed gaat, steeds blijven mopperen en klagen en niets anders kunnen doen dan alles van de donkerste zijde te beschouwen.Zulk een man was schipper Willem Knijf. Het is waar dat hij veel te doorstaan had gehad, maar niet minder waar, dat meer dan eens zijn leven op wonderbaarlike wijze gered werd. Evenwel scheen het eerste steeds in z’n geheugen te blijven en vergat hij ’t laatste te gemakkelik.Willem Knijf was een Zeeuw van geboorte enzover hij wist, waren zijn voorouders steeds zeelieden of dochters van zeelieden geweest.Eén Willem Knijf was ’n Watergeus geweest en had als bootsmansmaat op ’t admiraalschip van Willem van der Marck op 1 April 1572 deelgenomen aan de verovering van den Briel; later, in 1588, had hij als eerste stuurman van Van Heemskerk ’t zijne bijgedragen tot ’t vernielen van de Spaanse Onoverwinlike vloot.Een ander, Jan Knijf, was tweede stuurman op ’t schip van Piet Hein, toen deze de Zilvervloot veroverde.De grootvader van onze Willem Knijf had toen hij reeds ’n oud man was, als kapitein van ’n schip, de oude Tromp geholpen om de Noordzee van de Engelsen schoon te vegen. Doch de vader van Willem Knijf hield niet van oorlogen, maar had zich op de walvisvangst begeven, en was verscheidene jaren kapitein van een walvisvaarder geweest; Willem’s moeder was de dochter van ’n stuurman, in de dienst van de West Indiese Kompanjie.Onze Knijf die geboren was in ’t jaar 1630, had reeds op twaalfjarige leeftijd ’n tocht met zijn vader naar ’t Noorden meegemaakt.Op die tocht drong de stoutmoedige kapitein door tot ver in ’t Noorden langs de Westkust van Groenland,voor die tijd ’n zeer gevaarlike onderneming. Zijn moed werd echter beloond, want toen hij eindelik de steven zuidwaarts wendde, was ’t ruim van zijn schip geheel met traan gevuld en stonden zelfs vaten daarmee, vastgesjord op ’t bovendek.Maar langs de kust van Labrador stootte het schip op ’n ijsberg en werd zodanig beschadigd dat het de kapitein slechts met grote moeite gelukte om ’t vaartuig op ’t vlakke strand te zetten. De gehele bemanning werd gered en ook de kleine Willem.Daar het weer mooi bleef, was men in de gelegenheid om alle proviand, de zeilen en masten aan land te krijgen, en tevens een groot deel van de traan. Maar daar ’t reeds laat in ’t najaar was en de strenge koude zich geweldig deed gevoelen, bleef er niets anders voor de bemanning over dan op de woeste kust te overwinteren.Een plan door een van de stuurlieden geopperd, om te trachten over land de Hollandse volkplanting Nieuw Amsterdam (tans New York) te bereiken, werd door de kapitein als te gevaarlik, van de hand gewezen.Van de zeilen en masten maakte men twee tenten en daarin bracht men zo goed mogelik de winter door.Twee kachels waren uit ’t schip gered en er wasgenoeg drijfhout aan ’t strand te vinden, dat als brandstof dienst kon doen.Lampen, gevuld met walvisolie verschaften licht in de nacht en ook op de niet minder donkere winterdagen.Maar beschutting, brandstof en licht zijn niet voldoende om de mens in ’t leven te houden, daartoe is voedsel ook hoogst nodig. Er was genoeg proviand op ’t schip geweest om de bemanning te voeden, totdat men de kust van Nederland weer bereikt had, maar niet voor de zeven maanden lange wintertijd van Labrador.Schoon de kapitein de rantsoenen zoveel mogelik verminderde, zou waarschijnlik de hongerdood het lot van allen zijn geweest, ware ’t niet, dat men er in geslaagd was om ’n aantal ijsberen te schieten en tevens veel wilde ganzen en andere zeevogels.Gebrek aan groenten deed echter de gevreesde scheurbuik uitbreken onder de bemanning en voor ’t einde van de winter stierven vijf hunner, terwijl het dubbele van dat getal ziek lag.Gelukkig kwam in Mei van ’t volgende jaar ’n Deense walvisvanger langs de kust van Labrador, op de terugreis naar Copenhagen en slaagde men er in, signalen met deze te wisselen en ’n overeenkomst te treffen, waarbij de Deense kapitein aannam omtegen afstand van de overgebleven vaten traan, de bemanning van ’t Hollandse schip mee te nemen naar Denemarken. Van daar viel ’t de bemanning gemakkelik Holland te bereiken.Op zijn twaalfde jaar had dus Willem Knijf reeds enige gevaren van de zee ondervonden. Doch hij was hierdoor niet afgeschrikt en maakte nog verscheidene reizen met zijn vader mede.Toen Willem 18 jaar was, stierf zijn moeder en kort daarop besloot de jonge Knijf op eigen wieken te drijven, nam dienst bij ’n rederij, die z’n schepen naar de Levant of Middellandse Zee zond, en klom daarbij op tot Eerste Stuurman.Op 25jarige leeftijd huwde hij met een dochter van ’n kapitein in dienst van de West Indiese Kompanjie; door de invloed van zijn schoonvader kreeg hij ’t bevel over een der kleinere schepen van die Kompanjie en bleef bijna 10 jaar in zijn dienst.Intussen was zijn huwelik gezegend met de geboorte van ’n dochter, die Catharina werd genoemd, doch gewoonlik als Katrijn bekend was.Kapitein Knijf had eenmaal ’t ongeluk dat hij door nalatigheid van een van de stuurlui, schipbreuk leed op een van de Bahama eilanden. De Direkteuren van de Kompanjie gaven hem echter de schuld daarvan en ontsloegen hem uit hun dienst.Een jaar lang was hij zonder betrekking, maar toen gelukte ’t hem met veel moeite om als Eerste Stuurman te worden aangesteld bij de Oost Indiese Kompanjie en in 1680 het bevel te krijgen over het schip de “Waterslang”.Vijf jaren lang deed hij met dit schip verscheidene reizen naar Indië, maar op de laatste reis bleek bij de aankomst te Batavia, dat het schip reeds zo oud en verrot was, dat zowel kapitein als bemanning weigerde er op te blijven.Na veel gesukkel stemden de autoriteiten in Batavia er in toe om de Waterslang degelik te doen onderzoeken, met ’t gevolg dat ’t schip afgekeurd en later afgebroken werd. Aan de Kapitein werd beloofd dat hij zodra mogelik ’n ander schip zou krijgen en intussen werd hij op wachtgeld gesteld.Op deze laatste reis had Knijf, zoals toen de gewoonte onder de schippers was, zijn vrouw en dochter meegenomen, maar drie maanden na zijn aankomst in Batavia werd zijn vrouw door de koorts aangetast en stierf na ’n ziekbed van enige weken.Katrijn Knijf was toen reeds ’n volwassen meisje van omtrent 23 jaar, en schoon ’t haar niet aan vrijers had ontbroken, was zij nog ongehuwd; als haar vader meermalen bij haar aandrong om zich ’n levensgezel uit te kiezen was haar lachend antwoord,dat de zee haar man was en zij geen andere echtgenoot verkoos.Het meisje was inderdaad een echte Geuzedochter.Haar lengte was bijna 6 voet en daarbij was zij fors gebouwd en bezat ’n onvrouwelike spierkracht. Van jongs af had zij met haar moeder de reizen van haar vader meegemaakt, en was steeds de lieveling van offisieren en manschappen geweest, en op die wijze raakte ze spoedig met ’t zeewezen bekend, wist niet alleen de namen van alle zeilen en touwen, maar kon ook ’t stuurrad hanteren en zelfs “de zon schieten”.Ongelukkiger wijze nam zij ook veel van de ruwe taal der matrozen over en deinsde zelfs niet er voor terug om nu en dan ’n vloek over haar lippen te doen komen. Vrees kende ze niet, en ’t was niets ongewoons om in ’n hevige storm haar aan de zijde van haar vader op ’t kampanje-dek te zien staan, gehuld in ’n Zuidwester en ’n oliejas.Willem Knijf deed zijnerzijds niets om dit leven van zijn dochter te belemmeren; integendeel was hij trots op z’n stuurmeisje, zoals hij haar noemde, en zei dat ze meer van ’t zeeleven afwist dan menige gecertificeerde stuurman.

HOOFDSTUK I.Waarin wij met Vader en Dochter bekend raken.Er zijn mensen in de wereld, die zich tot de ongelukkigen van de Aarde rekenen, en die zelfs als het hen goed gaat, steeds blijven mopperen en klagen en niets anders kunnen doen dan alles van de donkerste zijde te beschouwen.Zulk een man was schipper Willem Knijf. Het is waar dat hij veel te doorstaan had gehad, maar niet minder waar, dat meer dan eens zijn leven op wonderbaarlike wijze gered werd. Evenwel scheen het eerste steeds in z’n geheugen te blijven en vergat hij ’t laatste te gemakkelik.Willem Knijf was een Zeeuw van geboorte enzover hij wist, waren zijn voorouders steeds zeelieden of dochters van zeelieden geweest.Eén Willem Knijf was ’n Watergeus geweest en had als bootsmansmaat op ’t admiraalschip van Willem van der Marck op 1 April 1572 deelgenomen aan de verovering van den Briel; later, in 1588, had hij als eerste stuurman van Van Heemskerk ’t zijne bijgedragen tot ’t vernielen van de Spaanse Onoverwinlike vloot.Een ander, Jan Knijf, was tweede stuurman op ’t schip van Piet Hein, toen deze de Zilvervloot veroverde.De grootvader van onze Willem Knijf had toen hij reeds ’n oud man was, als kapitein van ’n schip, de oude Tromp geholpen om de Noordzee van de Engelsen schoon te vegen. Doch de vader van Willem Knijf hield niet van oorlogen, maar had zich op de walvisvangst begeven, en was verscheidene jaren kapitein van een walvisvaarder geweest; Willem’s moeder was de dochter van ’n stuurman, in de dienst van de West Indiese Kompanjie.Onze Knijf die geboren was in ’t jaar 1630, had reeds op twaalfjarige leeftijd ’n tocht met zijn vader naar ’t Noorden meegemaakt.Op die tocht drong de stoutmoedige kapitein door tot ver in ’t Noorden langs de Westkust van Groenland,voor die tijd ’n zeer gevaarlike onderneming. Zijn moed werd echter beloond, want toen hij eindelik de steven zuidwaarts wendde, was ’t ruim van zijn schip geheel met traan gevuld en stonden zelfs vaten daarmee, vastgesjord op ’t bovendek.Maar langs de kust van Labrador stootte het schip op ’n ijsberg en werd zodanig beschadigd dat het de kapitein slechts met grote moeite gelukte om ’t vaartuig op ’t vlakke strand te zetten. De gehele bemanning werd gered en ook de kleine Willem.Daar het weer mooi bleef, was men in de gelegenheid om alle proviand, de zeilen en masten aan land te krijgen, en tevens een groot deel van de traan. Maar daar ’t reeds laat in ’t najaar was en de strenge koude zich geweldig deed gevoelen, bleef er niets anders voor de bemanning over dan op de woeste kust te overwinteren.Een plan door een van de stuurlieden geopperd, om te trachten over land de Hollandse volkplanting Nieuw Amsterdam (tans New York) te bereiken, werd door de kapitein als te gevaarlik, van de hand gewezen.Van de zeilen en masten maakte men twee tenten en daarin bracht men zo goed mogelik de winter door.Twee kachels waren uit ’t schip gered en er wasgenoeg drijfhout aan ’t strand te vinden, dat als brandstof dienst kon doen.Lampen, gevuld met walvisolie verschaften licht in de nacht en ook op de niet minder donkere winterdagen.Maar beschutting, brandstof en licht zijn niet voldoende om de mens in ’t leven te houden, daartoe is voedsel ook hoogst nodig. Er was genoeg proviand op ’t schip geweest om de bemanning te voeden, totdat men de kust van Nederland weer bereikt had, maar niet voor de zeven maanden lange wintertijd van Labrador.Schoon de kapitein de rantsoenen zoveel mogelik verminderde, zou waarschijnlik de hongerdood het lot van allen zijn geweest, ware ’t niet, dat men er in geslaagd was om ’n aantal ijsberen te schieten en tevens veel wilde ganzen en andere zeevogels.Gebrek aan groenten deed echter de gevreesde scheurbuik uitbreken onder de bemanning en voor ’t einde van de winter stierven vijf hunner, terwijl het dubbele van dat getal ziek lag.Gelukkig kwam in Mei van ’t volgende jaar ’n Deense walvisvanger langs de kust van Labrador, op de terugreis naar Copenhagen en slaagde men er in, signalen met deze te wisselen en ’n overeenkomst te treffen, waarbij de Deense kapitein aannam omtegen afstand van de overgebleven vaten traan, de bemanning van ’t Hollandse schip mee te nemen naar Denemarken. Van daar viel ’t de bemanning gemakkelik Holland te bereiken.Op zijn twaalfde jaar had dus Willem Knijf reeds enige gevaren van de zee ondervonden. Doch hij was hierdoor niet afgeschrikt en maakte nog verscheidene reizen met zijn vader mede.Toen Willem 18 jaar was, stierf zijn moeder en kort daarop besloot de jonge Knijf op eigen wieken te drijven, nam dienst bij ’n rederij, die z’n schepen naar de Levant of Middellandse Zee zond, en klom daarbij op tot Eerste Stuurman.Op 25jarige leeftijd huwde hij met een dochter van ’n kapitein in dienst van de West Indiese Kompanjie; door de invloed van zijn schoonvader kreeg hij ’t bevel over een der kleinere schepen van die Kompanjie en bleef bijna 10 jaar in zijn dienst.Intussen was zijn huwelik gezegend met de geboorte van ’n dochter, die Catharina werd genoemd, doch gewoonlik als Katrijn bekend was.Kapitein Knijf had eenmaal ’t ongeluk dat hij door nalatigheid van een van de stuurlui, schipbreuk leed op een van de Bahama eilanden. De Direkteuren van de Kompanjie gaven hem echter de schuld daarvan en ontsloegen hem uit hun dienst.Een jaar lang was hij zonder betrekking, maar toen gelukte ’t hem met veel moeite om als Eerste Stuurman te worden aangesteld bij de Oost Indiese Kompanjie en in 1680 het bevel te krijgen over het schip de “Waterslang”.Vijf jaren lang deed hij met dit schip verscheidene reizen naar Indië, maar op de laatste reis bleek bij de aankomst te Batavia, dat het schip reeds zo oud en verrot was, dat zowel kapitein als bemanning weigerde er op te blijven.Na veel gesukkel stemden de autoriteiten in Batavia er in toe om de Waterslang degelik te doen onderzoeken, met ’t gevolg dat ’t schip afgekeurd en later afgebroken werd. Aan de Kapitein werd beloofd dat hij zodra mogelik ’n ander schip zou krijgen en intussen werd hij op wachtgeld gesteld.Op deze laatste reis had Knijf, zoals toen de gewoonte onder de schippers was, zijn vrouw en dochter meegenomen, maar drie maanden na zijn aankomst in Batavia werd zijn vrouw door de koorts aangetast en stierf na ’n ziekbed van enige weken.Katrijn Knijf was toen reeds ’n volwassen meisje van omtrent 23 jaar, en schoon ’t haar niet aan vrijers had ontbroken, was zij nog ongehuwd; als haar vader meermalen bij haar aandrong om zich ’n levensgezel uit te kiezen was haar lachend antwoord,dat de zee haar man was en zij geen andere echtgenoot verkoos.Het meisje was inderdaad een echte Geuzedochter.Haar lengte was bijna 6 voet en daarbij was zij fors gebouwd en bezat ’n onvrouwelike spierkracht. Van jongs af had zij met haar moeder de reizen van haar vader meegemaakt, en was steeds de lieveling van offisieren en manschappen geweest, en op die wijze raakte ze spoedig met ’t zeewezen bekend, wist niet alleen de namen van alle zeilen en touwen, maar kon ook ’t stuurrad hanteren en zelfs “de zon schieten”.Ongelukkiger wijze nam zij ook veel van de ruwe taal der matrozen over en deinsde zelfs niet er voor terug om nu en dan ’n vloek over haar lippen te doen komen. Vrees kende ze niet, en ’t was niets ongewoons om in ’n hevige storm haar aan de zijde van haar vader op ’t kampanje-dek te zien staan, gehuld in ’n Zuidwester en ’n oliejas.Willem Knijf deed zijnerzijds niets om dit leven van zijn dochter te belemmeren; integendeel was hij trots op z’n stuurmeisje, zoals hij haar noemde, en zei dat ze meer van ’t zeeleven afwist dan menige gecertificeerde stuurman.

HOOFDSTUK I.Waarin wij met Vader en Dochter bekend raken.

Er zijn mensen in de wereld, die zich tot de ongelukkigen van de Aarde rekenen, en die zelfs als het hen goed gaat, steeds blijven mopperen en klagen en niets anders kunnen doen dan alles van de donkerste zijde te beschouwen.Zulk een man was schipper Willem Knijf. Het is waar dat hij veel te doorstaan had gehad, maar niet minder waar, dat meer dan eens zijn leven op wonderbaarlike wijze gered werd. Evenwel scheen het eerste steeds in z’n geheugen te blijven en vergat hij ’t laatste te gemakkelik.Willem Knijf was een Zeeuw van geboorte enzover hij wist, waren zijn voorouders steeds zeelieden of dochters van zeelieden geweest.Eén Willem Knijf was ’n Watergeus geweest en had als bootsmansmaat op ’t admiraalschip van Willem van der Marck op 1 April 1572 deelgenomen aan de verovering van den Briel; later, in 1588, had hij als eerste stuurman van Van Heemskerk ’t zijne bijgedragen tot ’t vernielen van de Spaanse Onoverwinlike vloot.Een ander, Jan Knijf, was tweede stuurman op ’t schip van Piet Hein, toen deze de Zilvervloot veroverde.De grootvader van onze Willem Knijf had toen hij reeds ’n oud man was, als kapitein van ’n schip, de oude Tromp geholpen om de Noordzee van de Engelsen schoon te vegen. Doch de vader van Willem Knijf hield niet van oorlogen, maar had zich op de walvisvangst begeven, en was verscheidene jaren kapitein van een walvisvaarder geweest; Willem’s moeder was de dochter van ’n stuurman, in de dienst van de West Indiese Kompanjie.Onze Knijf die geboren was in ’t jaar 1630, had reeds op twaalfjarige leeftijd ’n tocht met zijn vader naar ’t Noorden meegemaakt.Op die tocht drong de stoutmoedige kapitein door tot ver in ’t Noorden langs de Westkust van Groenland,voor die tijd ’n zeer gevaarlike onderneming. Zijn moed werd echter beloond, want toen hij eindelik de steven zuidwaarts wendde, was ’t ruim van zijn schip geheel met traan gevuld en stonden zelfs vaten daarmee, vastgesjord op ’t bovendek.Maar langs de kust van Labrador stootte het schip op ’n ijsberg en werd zodanig beschadigd dat het de kapitein slechts met grote moeite gelukte om ’t vaartuig op ’t vlakke strand te zetten. De gehele bemanning werd gered en ook de kleine Willem.Daar het weer mooi bleef, was men in de gelegenheid om alle proviand, de zeilen en masten aan land te krijgen, en tevens een groot deel van de traan. Maar daar ’t reeds laat in ’t najaar was en de strenge koude zich geweldig deed gevoelen, bleef er niets anders voor de bemanning over dan op de woeste kust te overwinteren.Een plan door een van de stuurlieden geopperd, om te trachten over land de Hollandse volkplanting Nieuw Amsterdam (tans New York) te bereiken, werd door de kapitein als te gevaarlik, van de hand gewezen.Van de zeilen en masten maakte men twee tenten en daarin bracht men zo goed mogelik de winter door.Twee kachels waren uit ’t schip gered en er wasgenoeg drijfhout aan ’t strand te vinden, dat als brandstof dienst kon doen.Lampen, gevuld met walvisolie verschaften licht in de nacht en ook op de niet minder donkere winterdagen.Maar beschutting, brandstof en licht zijn niet voldoende om de mens in ’t leven te houden, daartoe is voedsel ook hoogst nodig. Er was genoeg proviand op ’t schip geweest om de bemanning te voeden, totdat men de kust van Nederland weer bereikt had, maar niet voor de zeven maanden lange wintertijd van Labrador.Schoon de kapitein de rantsoenen zoveel mogelik verminderde, zou waarschijnlik de hongerdood het lot van allen zijn geweest, ware ’t niet, dat men er in geslaagd was om ’n aantal ijsberen te schieten en tevens veel wilde ganzen en andere zeevogels.Gebrek aan groenten deed echter de gevreesde scheurbuik uitbreken onder de bemanning en voor ’t einde van de winter stierven vijf hunner, terwijl het dubbele van dat getal ziek lag.Gelukkig kwam in Mei van ’t volgende jaar ’n Deense walvisvanger langs de kust van Labrador, op de terugreis naar Copenhagen en slaagde men er in, signalen met deze te wisselen en ’n overeenkomst te treffen, waarbij de Deense kapitein aannam omtegen afstand van de overgebleven vaten traan, de bemanning van ’t Hollandse schip mee te nemen naar Denemarken. Van daar viel ’t de bemanning gemakkelik Holland te bereiken.Op zijn twaalfde jaar had dus Willem Knijf reeds enige gevaren van de zee ondervonden. Doch hij was hierdoor niet afgeschrikt en maakte nog verscheidene reizen met zijn vader mede.Toen Willem 18 jaar was, stierf zijn moeder en kort daarop besloot de jonge Knijf op eigen wieken te drijven, nam dienst bij ’n rederij, die z’n schepen naar de Levant of Middellandse Zee zond, en klom daarbij op tot Eerste Stuurman.Op 25jarige leeftijd huwde hij met een dochter van ’n kapitein in dienst van de West Indiese Kompanjie; door de invloed van zijn schoonvader kreeg hij ’t bevel over een der kleinere schepen van die Kompanjie en bleef bijna 10 jaar in zijn dienst.Intussen was zijn huwelik gezegend met de geboorte van ’n dochter, die Catharina werd genoemd, doch gewoonlik als Katrijn bekend was.Kapitein Knijf had eenmaal ’t ongeluk dat hij door nalatigheid van een van de stuurlui, schipbreuk leed op een van de Bahama eilanden. De Direkteuren van de Kompanjie gaven hem echter de schuld daarvan en ontsloegen hem uit hun dienst.Een jaar lang was hij zonder betrekking, maar toen gelukte ’t hem met veel moeite om als Eerste Stuurman te worden aangesteld bij de Oost Indiese Kompanjie en in 1680 het bevel te krijgen over het schip de “Waterslang”.Vijf jaren lang deed hij met dit schip verscheidene reizen naar Indië, maar op de laatste reis bleek bij de aankomst te Batavia, dat het schip reeds zo oud en verrot was, dat zowel kapitein als bemanning weigerde er op te blijven.Na veel gesukkel stemden de autoriteiten in Batavia er in toe om de Waterslang degelik te doen onderzoeken, met ’t gevolg dat ’t schip afgekeurd en later afgebroken werd. Aan de Kapitein werd beloofd dat hij zodra mogelik ’n ander schip zou krijgen en intussen werd hij op wachtgeld gesteld.Op deze laatste reis had Knijf, zoals toen de gewoonte onder de schippers was, zijn vrouw en dochter meegenomen, maar drie maanden na zijn aankomst in Batavia werd zijn vrouw door de koorts aangetast en stierf na ’n ziekbed van enige weken.Katrijn Knijf was toen reeds ’n volwassen meisje van omtrent 23 jaar, en schoon ’t haar niet aan vrijers had ontbroken, was zij nog ongehuwd; als haar vader meermalen bij haar aandrong om zich ’n levensgezel uit te kiezen was haar lachend antwoord,dat de zee haar man was en zij geen andere echtgenoot verkoos.Het meisje was inderdaad een echte Geuzedochter.Haar lengte was bijna 6 voet en daarbij was zij fors gebouwd en bezat ’n onvrouwelike spierkracht. Van jongs af had zij met haar moeder de reizen van haar vader meegemaakt, en was steeds de lieveling van offisieren en manschappen geweest, en op die wijze raakte ze spoedig met ’t zeewezen bekend, wist niet alleen de namen van alle zeilen en touwen, maar kon ook ’t stuurrad hanteren en zelfs “de zon schieten”.Ongelukkiger wijze nam zij ook veel van de ruwe taal der matrozen over en deinsde zelfs niet er voor terug om nu en dan ’n vloek over haar lippen te doen komen. Vrees kende ze niet, en ’t was niets ongewoons om in ’n hevige storm haar aan de zijde van haar vader op ’t kampanje-dek te zien staan, gehuld in ’n Zuidwester en ’n oliejas.Willem Knijf deed zijnerzijds niets om dit leven van zijn dochter te belemmeren; integendeel was hij trots op z’n stuurmeisje, zoals hij haar noemde, en zei dat ze meer van ’t zeeleven afwist dan menige gecertificeerde stuurman.

Er zijn mensen in de wereld, die zich tot de ongelukkigen van de Aarde rekenen, en die zelfs als het hen goed gaat, steeds blijven mopperen en klagen en niets anders kunnen doen dan alles van de donkerste zijde te beschouwen.

Zulk een man was schipper Willem Knijf. Het is waar dat hij veel te doorstaan had gehad, maar niet minder waar, dat meer dan eens zijn leven op wonderbaarlike wijze gered werd. Evenwel scheen het eerste steeds in z’n geheugen te blijven en vergat hij ’t laatste te gemakkelik.

Willem Knijf was een Zeeuw van geboorte enzover hij wist, waren zijn voorouders steeds zeelieden of dochters van zeelieden geweest.

Eén Willem Knijf was ’n Watergeus geweest en had als bootsmansmaat op ’t admiraalschip van Willem van der Marck op 1 April 1572 deelgenomen aan de verovering van den Briel; later, in 1588, had hij als eerste stuurman van Van Heemskerk ’t zijne bijgedragen tot ’t vernielen van de Spaanse Onoverwinlike vloot.

Een ander, Jan Knijf, was tweede stuurman op ’t schip van Piet Hein, toen deze de Zilvervloot veroverde.

De grootvader van onze Willem Knijf had toen hij reeds ’n oud man was, als kapitein van ’n schip, de oude Tromp geholpen om de Noordzee van de Engelsen schoon te vegen. Doch de vader van Willem Knijf hield niet van oorlogen, maar had zich op de walvisvangst begeven, en was verscheidene jaren kapitein van een walvisvaarder geweest; Willem’s moeder was de dochter van ’n stuurman, in de dienst van de West Indiese Kompanjie.

Onze Knijf die geboren was in ’t jaar 1630, had reeds op twaalfjarige leeftijd ’n tocht met zijn vader naar ’t Noorden meegemaakt.

Op die tocht drong de stoutmoedige kapitein door tot ver in ’t Noorden langs de Westkust van Groenland,voor die tijd ’n zeer gevaarlike onderneming. Zijn moed werd echter beloond, want toen hij eindelik de steven zuidwaarts wendde, was ’t ruim van zijn schip geheel met traan gevuld en stonden zelfs vaten daarmee, vastgesjord op ’t bovendek.

Maar langs de kust van Labrador stootte het schip op ’n ijsberg en werd zodanig beschadigd dat het de kapitein slechts met grote moeite gelukte om ’t vaartuig op ’t vlakke strand te zetten. De gehele bemanning werd gered en ook de kleine Willem.

Daar het weer mooi bleef, was men in de gelegenheid om alle proviand, de zeilen en masten aan land te krijgen, en tevens een groot deel van de traan. Maar daar ’t reeds laat in ’t najaar was en de strenge koude zich geweldig deed gevoelen, bleef er niets anders voor de bemanning over dan op de woeste kust te overwinteren.

Een plan door een van de stuurlieden geopperd, om te trachten over land de Hollandse volkplanting Nieuw Amsterdam (tans New York) te bereiken, werd door de kapitein als te gevaarlik, van de hand gewezen.

Van de zeilen en masten maakte men twee tenten en daarin bracht men zo goed mogelik de winter door.

Twee kachels waren uit ’t schip gered en er wasgenoeg drijfhout aan ’t strand te vinden, dat als brandstof dienst kon doen.

Lampen, gevuld met walvisolie verschaften licht in de nacht en ook op de niet minder donkere winterdagen.

Maar beschutting, brandstof en licht zijn niet voldoende om de mens in ’t leven te houden, daartoe is voedsel ook hoogst nodig. Er was genoeg proviand op ’t schip geweest om de bemanning te voeden, totdat men de kust van Nederland weer bereikt had, maar niet voor de zeven maanden lange wintertijd van Labrador.

Schoon de kapitein de rantsoenen zoveel mogelik verminderde, zou waarschijnlik de hongerdood het lot van allen zijn geweest, ware ’t niet, dat men er in geslaagd was om ’n aantal ijsberen te schieten en tevens veel wilde ganzen en andere zeevogels.

Gebrek aan groenten deed echter de gevreesde scheurbuik uitbreken onder de bemanning en voor ’t einde van de winter stierven vijf hunner, terwijl het dubbele van dat getal ziek lag.

Gelukkig kwam in Mei van ’t volgende jaar ’n Deense walvisvanger langs de kust van Labrador, op de terugreis naar Copenhagen en slaagde men er in, signalen met deze te wisselen en ’n overeenkomst te treffen, waarbij de Deense kapitein aannam omtegen afstand van de overgebleven vaten traan, de bemanning van ’t Hollandse schip mee te nemen naar Denemarken. Van daar viel ’t de bemanning gemakkelik Holland te bereiken.

Op zijn twaalfde jaar had dus Willem Knijf reeds enige gevaren van de zee ondervonden. Doch hij was hierdoor niet afgeschrikt en maakte nog verscheidene reizen met zijn vader mede.

Toen Willem 18 jaar was, stierf zijn moeder en kort daarop besloot de jonge Knijf op eigen wieken te drijven, nam dienst bij ’n rederij, die z’n schepen naar de Levant of Middellandse Zee zond, en klom daarbij op tot Eerste Stuurman.

Op 25jarige leeftijd huwde hij met een dochter van ’n kapitein in dienst van de West Indiese Kompanjie; door de invloed van zijn schoonvader kreeg hij ’t bevel over een der kleinere schepen van die Kompanjie en bleef bijna 10 jaar in zijn dienst.

Intussen was zijn huwelik gezegend met de geboorte van ’n dochter, die Catharina werd genoemd, doch gewoonlik als Katrijn bekend was.

Kapitein Knijf had eenmaal ’t ongeluk dat hij door nalatigheid van een van de stuurlui, schipbreuk leed op een van de Bahama eilanden. De Direkteuren van de Kompanjie gaven hem echter de schuld daarvan en ontsloegen hem uit hun dienst.

Een jaar lang was hij zonder betrekking, maar toen gelukte ’t hem met veel moeite om als Eerste Stuurman te worden aangesteld bij de Oost Indiese Kompanjie en in 1680 het bevel te krijgen over het schip de “Waterslang”.

Vijf jaren lang deed hij met dit schip verscheidene reizen naar Indië, maar op de laatste reis bleek bij de aankomst te Batavia, dat het schip reeds zo oud en verrot was, dat zowel kapitein als bemanning weigerde er op te blijven.

Na veel gesukkel stemden de autoriteiten in Batavia er in toe om de Waterslang degelik te doen onderzoeken, met ’t gevolg dat ’t schip afgekeurd en later afgebroken werd. Aan de Kapitein werd beloofd dat hij zodra mogelik ’n ander schip zou krijgen en intussen werd hij op wachtgeld gesteld.

Op deze laatste reis had Knijf, zoals toen de gewoonte onder de schippers was, zijn vrouw en dochter meegenomen, maar drie maanden na zijn aankomst in Batavia werd zijn vrouw door de koorts aangetast en stierf na ’n ziekbed van enige weken.

Katrijn Knijf was toen reeds ’n volwassen meisje van omtrent 23 jaar, en schoon ’t haar niet aan vrijers had ontbroken, was zij nog ongehuwd; als haar vader meermalen bij haar aandrong om zich ’n levensgezel uit te kiezen was haar lachend antwoord,dat de zee haar man was en zij geen andere echtgenoot verkoos.

Het meisje was inderdaad een echte Geuzedochter.

Haar lengte was bijna 6 voet en daarbij was zij fors gebouwd en bezat ’n onvrouwelike spierkracht. Van jongs af had zij met haar moeder de reizen van haar vader meegemaakt, en was steeds de lieveling van offisieren en manschappen geweest, en op die wijze raakte ze spoedig met ’t zeewezen bekend, wist niet alleen de namen van alle zeilen en touwen, maar kon ook ’t stuurrad hanteren en zelfs “de zon schieten”.

Ongelukkiger wijze nam zij ook veel van de ruwe taal der matrozen over en deinsde zelfs niet er voor terug om nu en dan ’n vloek over haar lippen te doen komen. Vrees kende ze niet, en ’t was niets ongewoons om in ’n hevige storm haar aan de zijde van haar vader op ’t kampanje-dek te zien staan, gehuld in ’n Zuidwester en ’n oliejas.

Willem Knijf deed zijnerzijds niets om dit leven van zijn dochter te belemmeren; integendeel was hij trots op z’n stuurmeisje, zoals hij haar noemde, en zei dat ze meer van ’t zeeleven afwist dan menige gecertificeerde stuurman.


Back to IndexNext