HOOFDSTUK II.

HOOFDSTUK II.Kapitein Knijf krijgt een nieuw schip.Op 3 Oktober 1685 trad Kapitein Knijf, vroeg in de morgen, in ’t kantoor van de Sekretaris van Indië, te Batavia, en vroeg aan ’n jong ambtenaar of hij de Sekretaris kon spreken, daar deze hem ontboden had.Knijf werd dadelik tot de Sekretaris toegelaten, die hem ontving met de woorden: “Goede morgen, Kapitein Knijf, we hebben eindelik ’n schip voor je gevonden. Kapitein Gerritsen van de Stavenisse is overgeplaatst op ’n schip dat naar China en Japan zeilt, en nu hebben we een nieuwe kapitein voor de Stavenisse nodig. Het is ’n derde klas schip, meet omtrent 600 ton en heeft ’n bemanning van ongeveer80 koppen. Het ligt op de ree van Batavia en je kunt ’t gaan bezien en ’t bevel er over krijgen, als ’t je bevalt, maar je moet je wat haasten, want we zijn verlangend ’t schip zodra mogelik naar ’t vaderland terug te zenden en willen dadelik ’n aanvang maken met ’t inschepen van de lading. Indien je ons aanbod aanneemt, zullen we je ’t zelfde traktement betalen, dat je genoot als schipper van de Waterslang, ofschoon de Stavenisse ’n kleiner schip is.”De Kapitein bedankte de Sekretaris en zei dat hij nog die middag ’t schip zou gaan bezichtigen. Hij liet zich daartoe dan ook om 2 uur naar ’t schip roeien, dat op bijna 2 mijl afstand van ’t land lag.De Eerste stuurman, IJsbrand Hogesaad, ontving hem aan boord, maar deze ontvangst was niet erg hartelik, want Hogesaad had verwacht zelf ’t bevel over ’t schip te krijgen en was dus niet weinig verstoord, toen hij hoorde, dat men ’n nieuwe kapitein zou aanstellen.De Tweede stuurman bleek ook ’n onaangenaam mens te wezen, maar de Derde stuurman, ’n nog jonge man met de naam van Abraham Hartog, scheen ’n geschikte kerel en aan deze werd ’t overgelaten om schipper Knijf op ’t schip rond te leiden.De Stavenisse was niet meer dan 10 jaar oud ennog in goede toestand. Masten, zeilen en touwwerk, alles zag er nog goed uit. ’t Schip scheen hecht gebouwd en de scherpe ogen van Willem Knijf konden slechts één fout ontdekken, namelik dat de achtersteven wat te hoog gebouwd was. Doch Hartog deelde aan de schipper mede, dat ’t ’n uitmuntende zeiler was, die zijn roer goed gehoorzaamde.Was ’t schip dus wel naar de zin van de nieuwe kapitein, veel minder beviel hem de bemanning. Deze bestond uit lieden van allerlei naties: Hollanders, Duitsers, Noren, en ook waren er drie Engelsen onder. Het waren ruwe gezellen en de gezichten van sommigen stonden Knijf volstrekt niet aan.Toen hij hierover een opmerking tot Hartog maakte, antwoordde deze, dat de bemanning werkelik ’n lastig klompje was, schoon de vorige kapitein ze door grote gestrengheid in toom had gehouden; de Eerste bootsman, Willem Tuijl, was echter gelukkig een flukse kerel, voor wie de bemanning ontzag had, en die zij zonder de minste tegenwerping gehoorzaamden, “en,” voegde de jonge stuurman er bij, “als ’t u gelukt om Tuijl op uw hand te krijgen, dan zult u geen moeite met de mannen hebben.”Voor ’n ogenblik dacht Knijf er aan om Hartog te ondervragen omtrent ’t karakter van de Eerstestuurman, doch hij liet dit na, omdat hij ’t verkeerd achtte bij ’n mindere offisier inlichtingen in te winnen omtrent diens meerdere.De volgende morgen ging Knijf weer naar ’t kantoor van de Sekretaris en gaf deze te kennen, dat hij ’t bevel over de Stavenisse zou aannemen, dat men kon beginnen met ’t laden van ’t schip, en dat hij, als kapitein, persoonlik daarbij zou wezen, daar hij ’t liever niet aan zijn mindere offisieren toevertrouwde.Ook deelde hij mede, dat hij wel wat bezwaar had tegen de bemanning, doch zijn best zou doen om met hen klaar te komen.Het was toen Zaterdag, en Maandag, aldus beloofde de Sekretaris, zou men trachten, te beginnen met laden.Op de Zondag had de Kapitein een lang onderhoud met zijn dochter. Hij vertelde haar alles wat hij van Hartog gehoord had, en gaf ronduit zijn vrees te kennen, dat hij met Hogesaad en ’n gedeelte van de bemanning niet overweg zou kunnen.Katrijn lachte. Zij kende haar vader en wist dat deze niet graag al te streng tegen z’n mannen optrad, maar vrede en rust boven alles verkoos, want Kapitein Knijf had de slechte gewoonte om zich alle onaangenaamheden te veel aan te trekken.“Kijk, vader,” sprak ’t meisje, “naar u zegt, heeft Hartog u de raad gegeven om de Eerste bootsman op uw hand te krijgen. Laat dit nu maar aan mij over; ik kan met zulke oude zeebonken goed terecht en ik zal die oude baas wel zo paaien, dat hij geheel en al naar mijn pijpen danst. Ik denk dat u meer moeite zult hebben met de Eerste stuurman dan met iemand anders, en dat hij ’n man is die u in ’t oog zult moeten houden. Ik zal morgen eens voor de grap met u medegaan en poolshoogte nemen, zodat ik kan weten hoe ik mij op de reizen te gedragen zal hebben. Wat is de naam van de Tweede Stuurman?”“Die ben ik vergeten,” antwoordde de Kapitein, “hij is ’n Schot met rode haren en een nors, bars gezicht. O ja, MacIntosh is z’n naam. Ik houd niet van de Engelsen en Schotten. Ze hebben gewoonlik te veel noten op hun zangen en menen alles beter te weten dan ’n ander. Ik begrijp niet waarom de Kompanjie altijd zulke schorriemorrie in dienst neemt.”“Dat weet je wel, Vader,” zei Katrijn. “Het is doodeenvoudig, omdat de Kompanjie dat slag van mensen tegen minder loon kan krijgen, dan Nederlandse zeelui, en bovendien komen er in ons vaderland zoveel vreemdelingen, dat men daar maar blij is, als die iets te doen kunnen krijgen.”De volgende morgen liet de Kapitein zich met z’n dochter overroeien naar het schip en hij stelde haar voor aan de verschillende offisieren.Toen hij echter aan hen vertelde, dat zijn dochter hem op de reis zou vergezellen, bromde de Schotse stuurman in ’t Engels iets in z’n baard. Kapitein Knijf verstond hem niet want hij kende geen Engels, maar Katrijn, die op een van de vorige reizen wat van die taal geleerd had van ’n jonge Engelsman, die verliefd op haar was geworden, verstond goed wat MacIntosh zei.Het was, dat hij haatte om een vrouwspersoon op ’t schip te hebben, omdat zij zich bemoeide met alles wat haar niet aanging.Tot zijn niet geringe verwondering zei Katrijn lachend en in ’t Engels: “Meneer MacIntosh, je hoeft niet bang te wezen, dat ik me met jou zal bemoeien, want mooi ben je niet, en ’n aangenaam humeur schijn je ook niet te hebben,” ’n aanmerking waarover de Schot zelf moest lachen.Een geheel andere indruk maakte de jonge Hartog op ’t meisje. Ze zag spoedig dat hij ’n flinke kerel was, die z’n zaken kende en zelf hard werkte, terwijl hij blijkbaar meer populair bij de bemanning was dan de twee andere stuurlui.IJsbrand Hogesaad sprak niet veel. Men kon aanhem zien dat hij een wrok in z’n hart had, en dat hij dus een gevaarlik man kon worden. Katrijn trachtte verscheidene malen ’n gesprek met hem aan te knopen, maar daar ze geen andere antwoorden kreeg dan ja en nee, moest ze spoedig de poging opgeven.Het bevrachten ging zeer langzaam. De lading bestond voornamelik uit specerijen, tee en andere landbouwprodukten en scheen uit alle hoeken bijeen te zijn gehaald, en daar de balen en kisten van allerlei grootte waren, was ’t lastig om ze op behoorlike manier in ’t ruim te pakken. De schipper was daarom blij dat hij zelf er bij tegenwoordig was, want hij wist bij ondervinding hoe gevaarlik ’t was als de lading van ’n schip kon verschuiven.Hij zorgde dus door middel van zware balken en andere maatregelen, dat er geen gevaar voor zo iets bestond, een en ander tot grote ergernis van de Eerste Stuurman, die klaagde dat de kapitein te veel onnodige bohaai maakte en dat al die omslag niet nodig was.MacIntosh bemoeide zich weinig met ’t laden, daar Knijf hem opgedragen had om al de zeilen en ’t touwwerk goed na te zien en waar ’t nodig was, die geheel en al te vernieuwen. Dit was reeds op zichzelf ’n reden dat de opperbootsman achtingvoor de nieuwe kapitein begon te krijgen, want er was niets, dat Willem Tuijl meer genoegen deed dan te zien, dat al z’n takelwerk eerste klas in orde was.Reeds op de tweede dag begon Katrijn ’n gesprek met de bootsman, vertelde hem heel wat omtrent haar eigen reizen en liet daarbij de oude zeebonk ook de gelegenheid om zijn ervaringen te verhalen, iets wat hij ongehinderd kon doen, omdat hij bezig was aan ’t verstellen van ’n groot zeil, welk werk niet te veel van zijn aandacht vereiste. Daarop begon ’t meisje te spreken over schepen en tuigen, over weer en wind, over het sturen van ’n schip en dergelijke zaken meer, en toonde zulk ’n kennis van ’t zeewezen, dat de oude man er verbaasd over stond en hij niet kon nalaten om te zeggen, dat zij op haar jonge jaren bijna evenveel wist als hij nu.“Kan je zeemansknopen maken, Juffer?” vroeg hij ten laatste, juist op ’n ogenblik dat er ’n gedeelte van de bemanning in hun nabijheid stond. “Neem de proef maar eens met me,” zei ’t meisje lachend, terwijl zij twee stukjes touw in haar hand nam.De bootsman noemde ’n zekere soort van zeemansknoop, die ’t meisje daarop in ’n oogwenk op zeer handige manier maakte en vervolgens aan de oude ter beoordeling gaf.De ene soort van knoop na de andere werd aan de dochter van de Kapitein opgegeven, maar zij raakte geen ogenblik de kluts kwijt en slaagde er steeds in, ze goed te maken, wat iedere keer door de bemanning met handgeklap toegejuicht werd.Dit alles maakte ’n niet geringe indruk op ’t scheepsvolk, en reeds vóór ’t vertrek van de Stavenisse had ’t meisje niet alleen de oude bootsman op haar hand, maar ook de genegenheid gewonnen van alle manschappen, door wie ze niet anders genoemd werd als “de juffer”.Eerst tegen ’t einde van Oktober had de Stavenisse z’n lading ingenomen, die echter niet biezonder zwaar was, en gedurende de volgende dagen kwam de proviand aan boord, waarbij de Kapitein voornamelik zorg droeg, dat alleen goede eetwaren werden meegenomen en ook zijn eigen tafel goed voorzien was; want al was de Kompanjie niet zo heel presies op de behandeling van de manschappen, zo was hij toch meer vrijgevig tegenover de offisieren.Op de laatste dag vóór het vertrek kwamen de grote vaten met drinkwater aan boord en op 4 November werden de zeilen van de Stavenisse gehesen en zette hij, door ’n flinke Oostenbriesgedreven, koers naar de Straat van Sunda.

HOOFDSTUK II.Kapitein Knijf krijgt een nieuw schip.Op 3 Oktober 1685 trad Kapitein Knijf, vroeg in de morgen, in ’t kantoor van de Sekretaris van Indië, te Batavia, en vroeg aan ’n jong ambtenaar of hij de Sekretaris kon spreken, daar deze hem ontboden had.Knijf werd dadelik tot de Sekretaris toegelaten, die hem ontving met de woorden: “Goede morgen, Kapitein Knijf, we hebben eindelik ’n schip voor je gevonden. Kapitein Gerritsen van de Stavenisse is overgeplaatst op ’n schip dat naar China en Japan zeilt, en nu hebben we een nieuwe kapitein voor de Stavenisse nodig. Het is ’n derde klas schip, meet omtrent 600 ton en heeft ’n bemanning van ongeveer80 koppen. Het ligt op de ree van Batavia en je kunt ’t gaan bezien en ’t bevel er over krijgen, als ’t je bevalt, maar je moet je wat haasten, want we zijn verlangend ’t schip zodra mogelik naar ’t vaderland terug te zenden en willen dadelik ’n aanvang maken met ’t inschepen van de lading. Indien je ons aanbod aanneemt, zullen we je ’t zelfde traktement betalen, dat je genoot als schipper van de Waterslang, ofschoon de Stavenisse ’n kleiner schip is.”De Kapitein bedankte de Sekretaris en zei dat hij nog die middag ’t schip zou gaan bezichtigen. Hij liet zich daartoe dan ook om 2 uur naar ’t schip roeien, dat op bijna 2 mijl afstand van ’t land lag.De Eerste stuurman, IJsbrand Hogesaad, ontving hem aan boord, maar deze ontvangst was niet erg hartelik, want Hogesaad had verwacht zelf ’t bevel over ’t schip te krijgen en was dus niet weinig verstoord, toen hij hoorde, dat men ’n nieuwe kapitein zou aanstellen.De Tweede stuurman bleek ook ’n onaangenaam mens te wezen, maar de Derde stuurman, ’n nog jonge man met de naam van Abraham Hartog, scheen ’n geschikte kerel en aan deze werd ’t overgelaten om schipper Knijf op ’t schip rond te leiden.De Stavenisse was niet meer dan 10 jaar oud ennog in goede toestand. Masten, zeilen en touwwerk, alles zag er nog goed uit. ’t Schip scheen hecht gebouwd en de scherpe ogen van Willem Knijf konden slechts één fout ontdekken, namelik dat de achtersteven wat te hoog gebouwd was. Doch Hartog deelde aan de schipper mede, dat ’t ’n uitmuntende zeiler was, die zijn roer goed gehoorzaamde.Was ’t schip dus wel naar de zin van de nieuwe kapitein, veel minder beviel hem de bemanning. Deze bestond uit lieden van allerlei naties: Hollanders, Duitsers, Noren, en ook waren er drie Engelsen onder. Het waren ruwe gezellen en de gezichten van sommigen stonden Knijf volstrekt niet aan.Toen hij hierover een opmerking tot Hartog maakte, antwoordde deze, dat de bemanning werkelik ’n lastig klompje was, schoon de vorige kapitein ze door grote gestrengheid in toom had gehouden; de Eerste bootsman, Willem Tuijl, was echter gelukkig een flukse kerel, voor wie de bemanning ontzag had, en die zij zonder de minste tegenwerping gehoorzaamden, “en,” voegde de jonge stuurman er bij, “als ’t u gelukt om Tuijl op uw hand te krijgen, dan zult u geen moeite met de mannen hebben.”Voor ’n ogenblik dacht Knijf er aan om Hartog te ondervragen omtrent ’t karakter van de Eerstestuurman, doch hij liet dit na, omdat hij ’t verkeerd achtte bij ’n mindere offisier inlichtingen in te winnen omtrent diens meerdere.De volgende morgen ging Knijf weer naar ’t kantoor van de Sekretaris en gaf deze te kennen, dat hij ’t bevel over de Stavenisse zou aannemen, dat men kon beginnen met ’t laden van ’t schip, en dat hij, als kapitein, persoonlik daarbij zou wezen, daar hij ’t liever niet aan zijn mindere offisieren toevertrouwde.Ook deelde hij mede, dat hij wel wat bezwaar had tegen de bemanning, doch zijn best zou doen om met hen klaar te komen.Het was toen Zaterdag, en Maandag, aldus beloofde de Sekretaris, zou men trachten, te beginnen met laden.Op de Zondag had de Kapitein een lang onderhoud met zijn dochter. Hij vertelde haar alles wat hij van Hartog gehoord had, en gaf ronduit zijn vrees te kennen, dat hij met Hogesaad en ’n gedeelte van de bemanning niet overweg zou kunnen.Katrijn lachte. Zij kende haar vader en wist dat deze niet graag al te streng tegen z’n mannen optrad, maar vrede en rust boven alles verkoos, want Kapitein Knijf had de slechte gewoonte om zich alle onaangenaamheden te veel aan te trekken.“Kijk, vader,” sprak ’t meisje, “naar u zegt, heeft Hartog u de raad gegeven om de Eerste bootsman op uw hand te krijgen. Laat dit nu maar aan mij over; ik kan met zulke oude zeebonken goed terecht en ik zal die oude baas wel zo paaien, dat hij geheel en al naar mijn pijpen danst. Ik denk dat u meer moeite zult hebben met de Eerste stuurman dan met iemand anders, en dat hij ’n man is die u in ’t oog zult moeten houden. Ik zal morgen eens voor de grap met u medegaan en poolshoogte nemen, zodat ik kan weten hoe ik mij op de reizen te gedragen zal hebben. Wat is de naam van de Tweede Stuurman?”“Die ben ik vergeten,” antwoordde de Kapitein, “hij is ’n Schot met rode haren en een nors, bars gezicht. O ja, MacIntosh is z’n naam. Ik houd niet van de Engelsen en Schotten. Ze hebben gewoonlik te veel noten op hun zangen en menen alles beter te weten dan ’n ander. Ik begrijp niet waarom de Kompanjie altijd zulke schorriemorrie in dienst neemt.”“Dat weet je wel, Vader,” zei Katrijn. “Het is doodeenvoudig, omdat de Kompanjie dat slag van mensen tegen minder loon kan krijgen, dan Nederlandse zeelui, en bovendien komen er in ons vaderland zoveel vreemdelingen, dat men daar maar blij is, als die iets te doen kunnen krijgen.”De volgende morgen liet de Kapitein zich met z’n dochter overroeien naar het schip en hij stelde haar voor aan de verschillende offisieren.Toen hij echter aan hen vertelde, dat zijn dochter hem op de reis zou vergezellen, bromde de Schotse stuurman in ’t Engels iets in z’n baard. Kapitein Knijf verstond hem niet want hij kende geen Engels, maar Katrijn, die op een van de vorige reizen wat van die taal geleerd had van ’n jonge Engelsman, die verliefd op haar was geworden, verstond goed wat MacIntosh zei.Het was, dat hij haatte om een vrouwspersoon op ’t schip te hebben, omdat zij zich bemoeide met alles wat haar niet aanging.Tot zijn niet geringe verwondering zei Katrijn lachend en in ’t Engels: “Meneer MacIntosh, je hoeft niet bang te wezen, dat ik me met jou zal bemoeien, want mooi ben je niet, en ’n aangenaam humeur schijn je ook niet te hebben,” ’n aanmerking waarover de Schot zelf moest lachen.Een geheel andere indruk maakte de jonge Hartog op ’t meisje. Ze zag spoedig dat hij ’n flinke kerel was, die z’n zaken kende en zelf hard werkte, terwijl hij blijkbaar meer populair bij de bemanning was dan de twee andere stuurlui.IJsbrand Hogesaad sprak niet veel. Men kon aanhem zien dat hij een wrok in z’n hart had, en dat hij dus een gevaarlik man kon worden. Katrijn trachtte verscheidene malen ’n gesprek met hem aan te knopen, maar daar ze geen andere antwoorden kreeg dan ja en nee, moest ze spoedig de poging opgeven.Het bevrachten ging zeer langzaam. De lading bestond voornamelik uit specerijen, tee en andere landbouwprodukten en scheen uit alle hoeken bijeen te zijn gehaald, en daar de balen en kisten van allerlei grootte waren, was ’t lastig om ze op behoorlike manier in ’t ruim te pakken. De schipper was daarom blij dat hij zelf er bij tegenwoordig was, want hij wist bij ondervinding hoe gevaarlik ’t was als de lading van ’n schip kon verschuiven.Hij zorgde dus door middel van zware balken en andere maatregelen, dat er geen gevaar voor zo iets bestond, een en ander tot grote ergernis van de Eerste Stuurman, die klaagde dat de kapitein te veel onnodige bohaai maakte en dat al die omslag niet nodig was.MacIntosh bemoeide zich weinig met ’t laden, daar Knijf hem opgedragen had om al de zeilen en ’t touwwerk goed na te zien en waar ’t nodig was, die geheel en al te vernieuwen. Dit was reeds op zichzelf ’n reden dat de opperbootsman achtingvoor de nieuwe kapitein begon te krijgen, want er was niets, dat Willem Tuijl meer genoegen deed dan te zien, dat al z’n takelwerk eerste klas in orde was.Reeds op de tweede dag begon Katrijn ’n gesprek met de bootsman, vertelde hem heel wat omtrent haar eigen reizen en liet daarbij de oude zeebonk ook de gelegenheid om zijn ervaringen te verhalen, iets wat hij ongehinderd kon doen, omdat hij bezig was aan ’t verstellen van ’n groot zeil, welk werk niet te veel van zijn aandacht vereiste. Daarop begon ’t meisje te spreken over schepen en tuigen, over weer en wind, over het sturen van ’n schip en dergelijke zaken meer, en toonde zulk ’n kennis van ’t zeewezen, dat de oude man er verbaasd over stond en hij niet kon nalaten om te zeggen, dat zij op haar jonge jaren bijna evenveel wist als hij nu.“Kan je zeemansknopen maken, Juffer?” vroeg hij ten laatste, juist op ’n ogenblik dat er ’n gedeelte van de bemanning in hun nabijheid stond. “Neem de proef maar eens met me,” zei ’t meisje lachend, terwijl zij twee stukjes touw in haar hand nam.De bootsman noemde ’n zekere soort van zeemansknoop, die ’t meisje daarop in ’n oogwenk op zeer handige manier maakte en vervolgens aan de oude ter beoordeling gaf.De ene soort van knoop na de andere werd aan de dochter van de Kapitein opgegeven, maar zij raakte geen ogenblik de kluts kwijt en slaagde er steeds in, ze goed te maken, wat iedere keer door de bemanning met handgeklap toegejuicht werd.Dit alles maakte ’n niet geringe indruk op ’t scheepsvolk, en reeds vóór ’t vertrek van de Stavenisse had ’t meisje niet alleen de oude bootsman op haar hand, maar ook de genegenheid gewonnen van alle manschappen, door wie ze niet anders genoemd werd als “de juffer”.Eerst tegen ’t einde van Oktober had de Stavenisse z’n lading ingenomen, die echter niet biezonder zwaar was, en gedurende de volgende dagen kwam de proviand aan boord, waarbij de Kapitein voornamelik zorg droeg, dat alleen goede eetwaren werden meegenomen en ook zijn eigen tafel goed voorzien was; want al was de Kompanjie niet zo heel presies op de behandeling van de manschappen, zo was hij toch meer vrijgevig tegenover de offisieren.Op de laatste dag vóór het vertrek kwamen de grote vaten met drinkwater aan boord en op 4 November werden de zeilen van de Stavenisse gehesen en zette hij, door ’n flinke Oostenbriesgedreven, koers naar de Straat van Sunda.

HOOFDSTUK II.Kapitein Knijf krijgt een nieuw schip.

Op 3 Oktober 1685 trad Kapitein Knijf, vroeg in de morgen, in ’t kantoor van de Sekretaris van Indië, te Batavia, en vroeg aan ’n jong ambtenaar of hij de Sekretaris kon spreken, daar deze hem ontboden had.Knijf werd dadelik tot de Sekretaris toegelaten, die hem ontving met de woorden: “Goede morgen, Kapitein Knijf, we hebben eindelik ’n schip voor je gevonden. Kapitein Gerritsen van de Stavenisse is overgeplaatst op ’n schip dat naar China en Japan zeilt, en nu hebben we een nieuwe kapitein voor de Stavenisse nodig. Het is ’n derde klas schip, meet omtrent 600 ton en heeft ’n bemanning van ongeveer80 koppen. Het ligt op de ree van Batavia en je kunt ’t gaan bezien en ’t bevel er over krijgen, als ’t je bevalt, maar je moet je wat haasten, want we zijn verlangend ’t schip zodra mogelik naar ’t vaderland terug te zenden en willen dadelik ’n aanvang maken met ’t inschepen van de lading. Indien je ons aanbod aanneemt, zullen we je ’t zelfde traktement betalen, dat je genoot als schipper van de Waterslang, ofschoon de Stavenisse ’n kleiner schip is.”De Kapitein bedankte de Sekretaris en zei dat hij nog die middag ’t schip zou gaan bezichtigen. Hij liet zich daartoe dan ook om 2 uur naar ’t schip roeien, dat op bijna 2 mijl afstand van ’t land lag.De Eerste stuurman, IJsbrand Hogesaad, ontving hem aan boord, maar deze ontvangst was niet erg hartelik, want Hogesaad had verwacht zelf ’t bevel over ’t schip te krijgen en was dus niet weinig verstoord, toen hij hoorde, dat men ’n nieuwe kapitein zou aanstellen.De Tweede stuurman bleek ook ’n onaangenaam mens te wezen, maar de Derde stuurman, ’n nog jonge man met de naam van Abraham Hartog, scheen ’n geschikte kerel en aan deze werd ’t overgelaten om schipper Knijf op ’t schip rond te leiden.De Stavenisse was niet meer dan 10 jaar oud ennog in goede toestand. Masten, zeilen en touwwerk, alles zag er nog goed uit. ’t Schip scheen hecht gebouwd en de scherpe ogen van Willem Knijf konden slechts één fout ontdekken, namelik dat de achtersteven wat te hoog gebouwd was. Doch Hartog deelde aan de schipper mede, dat ’t ’n uitmuntende zeiler was, die zijn roer goed gehoorzaamde.Was ’t schip dus wel naar de zin van de nieuwe kapitein, veel minder beviel hem de bemanning. Deze bestond uit lieden van allerlei naties: Hollanders, Duitsers, Noren, en ook waren er drie Engelsen onder. Het waren ruwe gezellen en de gezichten van sommigen stonden Knijf volstrekt niet aan.Toen hij hierover een opmerking tot Hartog maakte, antwoordde deze, dat de bemanning werkelik ’n lastig klompje was, schoon de vorige kapitein ze door grote gestrengheid in toom had gehouden; de Eerste bootsman, Willem Tuijl, was echter gelukkig een flukse kerel, voor wie de bemanning ontzag had, en die zij zonder de minste tegenwerping gehoorzaamden, “en,” voegde de jonge stuurman er bij, “als ’t u gelukt om Tuijl op uw hand te krijgen, dan zult u geen moeite met de mannen hebben.”Voor ’n ogenblik dacht Knijf er aan om Hartog te ondervragen omtrent ’t karakter van de Eerstestuurman, doch hij liet dit na, omdat hij ’t verkeerd achtte bij ’n mindere offisier inlichtingen in te winnen omtrent diens meerdere.De volgende morgen ging Knijf weer naar ’t kantoor van de Sekretaris en gaf deze te kennen, dat hij ’t bevel over de Stavenisse zou aannemen, dat men kon beginnen met ’t laden van ’t schip, en dat hij, als kapitein, persoonlik daarbij zou wezen, daar hij ’t liever niet aan zijn mindere offisieren toevertrouwde.Ook deelde hij mede, dat hij wel wat bezwaar had tegen de bemanning, doch zijn best zou doen om met hen klaar te komen.Het was toen Zaterdag, en Maandag, aldus beloofde de Sekretaris, zou men trachten, te beginnen met laden.Op de Zondag had de Kapitein een lang onderhoud met zijn dochter. Hij vertelde haar alles wat hij van Hartog gehoord had, en gaf ronduit zijn vrees te kennen, dat hij met Hogesaad en ’n gedeelte van de bemanning niet overweg zou kunnen.Katrijn lachte. Zij kende haar vader en wist dat deze niet graag al te streng tegen z’n mannen optrad, maar vrede en rust boven alles verkoos, want Kapitein Knijf had de slechte gewoonte om zich alle onaangenaamheden te veel aan te trekken.“Kijk, vader,” sprak ’t meisje, “naar u zegt, heeft Hartog u de raad gegeven om de Eerste bootsman op uw hand te krijgen. Laat dit nu maar aan mij over; ik kan met zulke oude zeebonken goed terecht en ik zal die oude baas wel zo paaien, dat hij geheel en al naar mijn pijpen danst. Ik denk dat u meer moeite zult hebben met de Eerste stuurman dan met iemand anders, en dat hij ’n man is die u in ’t oog zult moeten houden. Ik zal morgen eens voor de grap met u medegaan en poolshoogte nemen, zodat ik kan weten hoe ik mij op de reizen te gedragen zal hebben. Wat is de naam van de Tweede Stuurman?”“Die ben ik vergeten,” antwoordde de Kapitein, “hij is ’n Schot met rode haren en een nors, bars gezicht. O ja, MacIntosh is z’n naam. Ik houd niet van de Engelsen en Schotten. Ze hebben gewoonlik te veel noten op hun zangen en menen alles beter te weten dan ’n ander. Ik begrijp niet waarom de Kompanjie altijd zulke schorriemorrie in dienst neemt.”“Dat weet je wel, Vader,” zei Katrijn. “Het is doodeenvoudig, omdat de Kompanjie dat slag van mensen tegen minder loon kan krijgen, dan Nederlandse zeelui, en bovendien komen er in ons vaderland zoveel vreemdelingen, dat men daar maar blij is, als die iets te doen kunnen krijgen.”De volgende morgen liet de Kapitein zich met z’n dochter overroeien naar het schip en hij stelde haar voor aan de verschillende offisieren.Toen hij echter aan hen vertelde, dat zijn dochter hem op de reis zou vergezellen, bromde de Schotse stuurman in ’t Engels iets in z’n baard. Kapitein Knijf verstond hem niet want hij kende geen Engels, maar Katrijn, die op een van de vorige reizen wat van die taal geleerd had van ’n jonge Engelsman, die verliefd op haar was geworden, verstond goed wat MacIntosh zei.Het was, dat hij haatte om een vrouwspersoon op ’t schip te hebben, omdat zij zich bemoeide met alles wat haar niet aanging.Tot zijn niet geringe verwondering zei Katrijn lachend en in ’t Engels: “Meneer MacIntosh, je hoeft niet bang te wezen, dat ik me met jou zal bemoeien, want mooi ben je niet, en ’n aangenaam humeur schijn je ook niet te hebben,” ’n aanmerking waarover de Schot zelf moest lachen.Een geheel andere indruk maakte de jonge Hartog op ’t meisje. Ze zag spoedig dat hij ’n flinke kerel was, die z’n zaken kende en zelf hard werkte, terwijl hij blijkbaar meer populair bij de bemanning was dan de twee andere stuurlui.IJsbrand Hogesaad sprak niet veel. Men kon aanhem zien dat hij een wrok in z’n hart had, en dat hij dus een gevaarlik man kon worden. Katrijn trachtte verscheidene malen ’n gesprek met hem aan te knopen, maar daar ze geen andere antwoorden kreeg dan ja en nee, moest ze spoedig de poging opgeven.Het bevrachten ging zeer langzaam. De lading bestond voornamelik uit specerijen, tee en andere landbouwprodukten en scheen uit alle hoeken bijeen te zijn gehaald, en daar de balen en kisten van allerlei grootte waren, was ’t lastig om ze op behoorlike manier in ’t ruim te pakken. De schipper was daarom blij dat hij zelf er bij tegenwoordig was, want hij wist bij ondervinding hoe gevaarlik ’t was als de lading van ’n schip kon verschuiven.Hij zorgde dus door middel van zware balken en andere maatregelen, dat er geen gevaar voor zo iets bestond, een en ander tot grote ergernis van de Eerste Stuurman, die klaagde dat de kapitein te veel onnodige bohaai maakte en dat al die omslag niet nodig was.MacIntosh bemoeide zich weinig met ’t laden, daar Knijf hem opgedragen had om al de zeilen en ’t touwwerk goed na te zien en waar ’t nodig was, die geheel en al te vernieuwen. Dit was reeds op zichzelf ’n reden dat de opperbootsman achtingvoor de nieuwe kapitein begon te krijgen, want er was niets, dat Willem Tuijl meer genoegen deed dan te zien, dat al z’n takelwerk eerste klas in orde was.Reeds op de tweede dag begon Katrijn ’n gesprek met de bootsman, vertelde hem heel wat omtrent haar eigen reizen en liet daarbij de oude zeebonk ook de gelegenheid om zijn ervaringen te verhalen, iets wat hij ongehinderd kon doen, omdat hij bezig was aan ’t verstellen van ’n groot zeil, welk werk niet te veel van zijn aandacht vereiste. Daarop begon ’t meisje te spreken over schepen en tuigen, over weer en wind, over het sturen van ’n schip en dergelijke zaken meer, en toonde zulk ’n kennis van ’t zeewezen, dat de oude man er verbaasd over stond en hij niet kon nalaten om te zeggen, dat zij op haar jonge jaren bijna evenveel wist als hij nu.“Kan je zeemansknopen maken, Juffer?” vroeg hij ten laatste, juist op ’n ogenblik dat er ’n gedeelte van de bemanning in hun nabijheid stond. “Neem de proef maar eens met me,” zei ’t meisje lachend, terwijl zij twee stukjes touw in haar hand nam.De bootsman noemde ’n zekere soort van zeemansknoop, die ’t meisje daarop in ’n oogwenk op zeer handige manier maakte en vervolgens aan de oude ter beoordeling gaf.De ene soort van knoop na de andere werd aan de dochter van de Kapitein opgegeven, maar zij raakte geen ogenblik de kluts kwijt en slaagde er steeds in, ze goed te maken, wat iedere keer door de bemanning met handgeklap toegejuicht werd.Dit alles maakte ’n niet geringe indruk op ’t scheepsvolk, en reeds vóór ’t vertrek van de Stavenisse had ’t meisje niet alleen de oude bootsman op haar hand, maar ook de genegenheid gewonnen van alle manschappen, door wie ze niet anders genoemd werd als “de juffer”.Eerst tegen ’t einde van Oktober had de Stavenisse z’n lading ingenomen, die echter niet biezonder zwaar was, en gedurende de volgende dagen kwam de proviand aan boord, waarbij de Kapitein voornamelik zorg droeg, dat alleen goede eetwaren werden meegenomen en ook zijn eigen tafel goed voorzien was; want al was de Kompanjie niet zo heel presies op de behandeling van de manschappen, zo was hij toch meer vrijgevig tegenover de offisieren.Op de laatste dag vóór het vertrek kwamen de grote vaten met drinkwater aan boord en op 4 November werden de zeilen van de Stavenisse gehesen en zette hij, door ’n flinke Oostenbriesgedreven, koers naar de Straat van Sunda.

Op 3 Oktober 1685 trad Kapitein Knijf, vroeg in de morgen, in ’t kantoor van de Sekretaris van Indië, te Batavia, en vroeg aan ’n jong ambtenaar of hij de Sekretaris kon spreken, daar deze hem ontboden had.

Knijf werd dadelik tot de Sekretaris toegelaten, die hem ontving met de woorden: “Goede morgen, Kapitein Knijf, we hebben eindelik ’n schip voor je gevonden. Kapitein Gerritsen van de Stavenisse is overgeplaatst op ’n schip dat naar China en Japan zeilt, en nu hebben we een nieuwe kapitein voor de Stavenisse nodig. Het is ’n derde klas schip, meet omtrent 600 ton en heeft ’n bemanning van ongeveer80 koppen. Het ligt op de ree van Batavia en je kunt ’t gaan bezien en ’t bevel er over krijgen, als ’t je bevalt, maar je moet je wat haasten, want we zijn verlangend ’t schip zodra mogelik naar ’t vaderland terug te zenden en willen dadelik ’n aanvang maken met ’t inschepen van de lading. Indien je ons aanbod aanneemt, zullen we je ’t zelfde traktement betalen, dat je genoot als schipper van de Waterslang, ofschoon de Stavenisse ’n kleiner schip is.”

De Kapitein bedankte de Sekretaris en zei dat hij nog die middag ’t schip zou gaan bezichtigen. Hij liet zich daartoe dan ook om 2 uur naar ’t schip roeien, dat op bijna 2 mijl afstand van ’t land lag.

De Eerste stuurman, IJsbrand Hogesaad, ontving hem aan boord, maar deze ontvangst was niet erg hartelik, want Hogesaad had verwacht zelf ’t bevel over ’t schip te krijgen en was dus niet weinig verstoord, toen hij hoorde, dat men ’n nieuwe kapitein zou aanstellen.

De Tweede stuurman bleek ook ’n onaangenaam mens te wezen, maar de Derde stuurman, ’n nog jonge man met de naam van Abraham Hartog, scheen ’n geschikte kerel en aan deze werd ’t overgelaten om schipper Knijf op ’t schip rond te leiden.

De Stavenisse was niet meer dan 10 jaar oud ennog in goede toestand. Masten, zeilen en touwwerk, alles zag er nog goed uit. ’t Schip scheen hecht gebouwd en de scherpe ogen van Willem Knijf konden slechts één fout ontdekken, namelik dat de achtersteven wat te hoog gebouwd was. Doch Hartog deelde aan de schipper mede, dat ’t ’n uitmuntende zeiler was, die zijn roer goed gehoorzaamde.

Was ’t schip dus wel naar de zin van de nieuwe kapitein, veel minder beviel hem de bemanning. Deze bestond uit lieden van allerlei naties: Hollanders, Duitsers, Noren, en ook waren er drie Engelsen onder. Het waren ruwe gezellen en de gezichten van sommigen stonden Knijf volstrekt niet aan.

Toen hij hierover een opmerking tot Hartog maakte, antwoordde deze, dat de bemanning werkelik ’n lastig klompje was, schoon de vorige kapitein ze door grote gestrengheid in toom had gehouden; de Eerste bootsman, Willem Tuijl, was echter gelukkig een flukse kerel, voor wie de bemanning ontzag had, en die zij zonder de minste tegenwerping gehoorzaamden, “en,” voegde de jonge stuurman er bij, “als ’t u gelukt om Tuijl op uw hand te krijgen, dan zult u geen moeite met de mannen hebben.”

Voor ’n ogenblik dacht Knijf er aan om Hartog te ondervragen omtrent ’t karakter van de Eerstestuurman, doch hij liet dit na, omdat hij ’t verkeerd achtte bij ’n mindere offisier inlichtingen in te winnen omtrent diens meerdere.

De volgende morgen ging Knijf weer naar ’t kantoor van de Sekretaris en gaf deze te kennen, dat hij ’t bevel over de Stavenisse zou aannemen, dat men kon beginnen met ’t laden van ’t schip, en dat hij, als kapitein, persoonlik daarbij zou wezen, daar hij ’t liever niet aan zijn mindere offisieren toevertrouwde.

Ook deelde hij mede, dat hij wel wat bezwaar had tegen de bemanning, doch zijn best zou doen om met hen klaar te komen.

Het was toen Zaterdag, en Maandag, aldus beloofde de Sekretaris, zou men trachten, te beginnen met laden.

Op de Zondag had de Kapitein een lang onderhoud met zijn dochter. Hij vertelde haar alles wat hij van Hartog gehoord had, en gaf ronduit zijn vrees te kennen, dat hij met Hogesaad en ’n gedeelte van de bemanning niet overweg zou kunnen.

Katrijn lachte. Zij kende haar vader en wist dat deze niet graag al te streng tegen z’n mannen optrad, maar vrede en rust boven alles verkoos, want Kapitein Knijf had de slechte gewoonte om zich alle onaangenaamheden te veel aan te trekken.

“Kijk, vader,” sprak ’t meisje, “naar u zegt, heeft Hartog u de raad gegeven om de Eerste bootsman op uw hand te krijgen. Laat dit nu maar aan mij over; ik kan met zulke oude zeebonken goed terecht en ik zal die oude baas wel zo paaien, dat hij geheel en al naar mijn pijpen danst. Ik denk dat u meer moeite zult hebben met de Eerste stuurman dan met iemand anders, en dat hij ’n man is die u in ’t oog zult moeten houden. Ik zal morgen eens voor de grap met u medegaan en poolshoogte nemen, zodat ik kan weten hoe ik mij op de reizen te gedragen zal hebben. Wat is de naam van de Tweede Stuurman?”

“Die ben ik vergeten,” antwoordde de Kapitein, “hij is ’n Schot met rode haren en een nors, bars gezicht. O ja, MacIntosh is z’n naam. Ik houd niet van de Engelsen en Schotten. Ze hebben gewoonlik te veel noten op hun zangen en menen alles beter te weten dan ’n ander. Ik begrijp niet waarom de Kompanjie altijd zulke schorriemorrie in dienst neemt.”

“Dat weet je wel, Vader,” zei Katrijn. “Het is doodeenvoudig, omdat de Kompanjie dat slag van mensen tegen minder loon kan krijgen, dan Nederlandse zeelui, en bovendien komen er in ons vaderland zoveel vreemdelingen, dat men daar maar blij is, als die iets te doen kunnen krijgen.”

De volgende morgen liet de Kapitein zich met z’n dochter overroeien naar het schip en hij stelde haar voor aan de verschillende offisieren.

Toen hij echter aan hen vertelde, dat zijn dochter hem op de reis zou vergezellen, bromde de Schotse stuurman in ’t Engels iets in z’n baard. Kapitein Knijf verstond hem niet want hij kende geen Engels, maar Katrijn, die op een van de vorige reizen wat van die taal geleerd had van ’n jonge Engelsman, die verliefd op haar was geworden, verstond goed wat MacIntosh zei.

Het was, dat hij haatte om een vrouwspersoon op ’t schip te hebben, omdat zij zich bemoeide met alles wat haar niet aanging.

Tot zijn niet geringe verwondering zei Katrijn lachend en in ’t Engels: “Meneer MacIntosh, je hoeft niet bang te wezen, dat ik me met jou zal bemoeien, want mooi ben je niet, en ’n aangenaam humeur schijn je ook niet te hebben,” ’n aanmerking waarover de Schot zelf moest lachen.

Een geheel andere indruk maakte de jonge Hartog op ’t meisje. Ze zag spoedig dat hij ’n flinke kerel was, die z’n zaken kende en zelf hard werkte, terwijl hij blijkbaar meer populair bij de bemanning was dan de twee andere stuurlui.

IJsbrand Hogesaad sprak niet veel. Men kon aanhem zien dat hij een wrok in z’n hart had, en dat hij dus een gevaarlik man kon worden. Katrijn trachtte verscheidene malen ’n gesprek met hem aan te knopen, maar daar ze geen andere antwoorden kreeg dan ja en nee, moest ze spoedig de poging opgeven.

Het bevrachten ging zeer langzaam. De lading bestond voornamelik uit specerijen, tee en andere landbouwprodukten en scheen uit alle hoeken bijeen te zijn gehaald, en daar de balen en kisten van allerlei grootte waren, was ’t lastig om ze op behoorlike manier in ’t ruim te pakken. De schipper was daarom blij dat hij zelf er bij tegenwoordig was, want hij wist bij ondervinding hoe gevaarlik ’t was als de lading van ’n schip kon verschuiven.

Hij zorgde dus door middel van zware balken en andere maatregelen, dat er geen gevaar voor zo iets bestond, een en ander tot grote ergernis van de Eerste Stuurman, die klaagde dat de kapitein te veel onnodige bohaai maakte en dat al die omslag niet nodig was.

MacIntosh bemoeide zich weinig met ’t laden, daar Knijf hem opgedragen had om al de zeilen en ’t touwwerk goed na te zien en waar ’t nodig was, die geheel en al te vernieuwen. Dit was reeds op zichzelf ’n reden dat de opperbootsman achtingvoor de nieuwe kapitein begon te krijgen, want er was niets, dat Willem Tuijl meer genoegen deed dan te zien, dat al z’n takelwerk eerste klas in orde was.

Reeds op de tweede dag begon Katrijn ’n gesprek met de bootsman, vertelde hem heel wat omtrent haar eigen reizen en liet daarbij de oude zeebonk ook de gelegenheid om zijn ervaringen te verhalen, iets wat hij ongehinderd kon doen, omdat hij bezig was aan ’t verstellen van ’n groot zeil, welk werk niet te veel van zijn aandacht vereiste. Daarop begon ’t meisje te spreken over schepen en tuigen, over weer en wind, over het sturen van ’n schip en dergelijke zaken meer, en toonde zulk ’n kennis van ’t zeewezen, dat de oude man er verbaasd over stond en hij niet kon nalaten om te zeggen, dat zij op haar jonge jaren bijna evenveel wist als hij nu.

“Kan je zeemansknopen maken, Juffer?” vroeg hij ten laatste, juist op ’n ogenblik dat er ’n gedeelte van de bemanning in hun nabijheid stond. “Neem de proef maar eens met me,” zei ’t meisje lachend, terwijl zij twee stukjes touw in haar hand nam.

De bootsman noemde ’n zekere soort van zeemansknoop, die ’t meisje daarop in ’n oogwenk op zeer handige manier maakte en vervolgens aan de oude ter beoordeling gaf.

De ene soort van knoop na de andere werd aan de dochter van de Kapitein opgegeven, maar zij raakte geen ogenblik de kluts kwijt en slaagde er steeds in, ze goed te maken, wat iedere keer door de bemanning met handgeklap toegejuicht werd.

Dit alles maakte ’n niet geringe indruk op ’t scheepsvolk, en reeds vóór ’t vertrek van de Stavenisse had ’t meisje niet alleen de oude bootsman op haar hand, maar ook de genegenheid gewonnen van alle manschappen, door wie ze niet anders genoemd werd als “de juffer”.

Eerst tegen ’t einde van Oktober had de Stavenisse z’n lading ingenomen, die echter niet biezonder zwaar was, en gedurende de volgende dagen kwam de proviand aan boord, waarbij de Kapitein voornamelik zorg droeg, dat alleen goede eetwaren werden meegenomen en ook zijn eigen tafel goed voorzien was; want al was de Kompanjie niet zo heel presies op de behandeling van de manschappen, zo was hij toch meer vrijgevig tegenover de offisieren.

Op de laatste dag vóór het vertrek kwamen de grote vaten met drinkwater aan boord en op 4 November werden de zeilen van de Stavenisse gehesen en zette hij, door ’n flinke Oostenbriesgedreven, koers naar de Straat van Sunda.


Back to IndexNext