HOOFDSTUK III.

HOOFDSTUK III.De reis van de Stavenisse.De Stavenisse bewees spoedig, dat de jonge Hartog de waarheid had gesproken, toen hij zei dat ’t schip ’n goede zeiler was.Licht geladen als ’t was, kliefde ’t schip de wateren met buitengewone snelheid, en daar de gunstige wind enige dagen aanhield, was men spoedig de Straat van Sunda door, en in de open Indiese Oceaan.Alles ging zo goed, dat de Kapitein tot de gevolgtrekking kwam, dat de aanvankelik door hem gevoelde vrees, ongegrond was geweest en hij ’n aangename reis zou hebben.MacIntosh, de Schot, was heel wat ontdooid en scheen op goede voet te geraken met Katrijn,schoon hij nog enigszins stug was tegenover haar vader.De bootsman glimlachte van plezier als hij Katrijn naar ’t voordek zag komen, om met hem en de bemanning ’n praatje te maken.Hogesaad alleen bleek onhandelbaar, en alle pogingen van Katrijn om hem aan ’t praten te krijgen en wat vroliker te stemmen, schenen vruchteloos te zijn.Ja, somtijds was hij zelfs tamelik onbeschoft tegen haar, doch ze vond het geraden hiervan geen notitie te nemen en er zelfs geen klachten bij haar vader over te maken.Met de Kapitein zelf onderhield de Eerste stuurman zich ook weinig.Als hij iets tegen deze zei, was het slechts om hem te bestrijden omtrent de een of andere voorgestelde maatregel.Tegenover het scheepsvolk sloeg hij ’n hoge toon aan, vloekte tegen hen voor ’t minste vergrijp en maakte ’n vrij gebruik van ’t eindje touw om hen lichaamstraf toe te dienen; om die redenen was hij wel gevreesd door de bemanning, maar tevens gehaat.De enige man, die ’t waagde om de Eerste stuurman ’t hoofd te bieden, was de opperbootsman, die met de grootste koelbloedigheid z’n vloeken enschelden aanhoorde, nooit ’n woord terug zei, doch als hij er genoeg van had, met ’n minachtend schouderophalen, de offisier de rug toedraaide.Eens had Hogesaad in z’n woede ’n bevel gegeven omtrent ’t rangschikken van de zeilen; ’t was echter onuitvoerbaar, waarop Tuijl in luid gelach uitbarstte en zich naar ’t voordek begaf, waar hij overluid tot ’t scheepsvolk zei: “Hier, maats, de Eerste stuurman heeft ons een raadsel opgegeven; ik kan ’t niet oplossen; probeer jullie het maar!”Hogesaad had reeds z’n fout ingezien, doch hij beefde van woede, toen hij hoorde, dat de bootsman de gek met hem scheerde bij de bemanning; hij wilde zich juist naar ’t voordek begeven met ’n stuk dik touw, toen hij bijna de Kapitein tegen ’t lijf liep, die op dat ogenblik de kompanjietrap opkwam.De Kapitein, die zag dat zijn Eerste stuurman zeer opgewonden was, vroeg: “wat is er aan de hand, Hogesaad?”“De bootsman heeft me beledigd,” riep Hogesaad verbolgen uit, “en ik ga hem eens flink op z’n tabernakel geven.”“Ik zou je niet raden dat te doen, stuurman,” zei de Kapitein bedaard; “de bootsman is geen gewone matroos, maar de eerste onderoffisier op ’t voordek, en de scheepsartikelen van de Kompanjie bepalendat alle twisten tussen de offisieren of onderoffisieren beslist zullen worden door de bevelhebber van ’t schip, en in ernstige gevallen door de Scheepsraad. Wil je je bij mij beklagen, dan zal ik zien of de zaak door mij persoonlik beslist kan worden, dan wel of ’t nodig is, om de Scheepsraad bij elkaar te roepen.”Hogesaad begreep dat ’t niet ging om de kwestie op gerechtelike wijze te doen beslissen, en terwijl hij ’t stuk touw op ’t dek wierp, antwoordde hij, dat de zaak de moeite niet waard was.Katrijn sprak, toen zij eens met de bootsman alleen was, met hem over ’t gedrag en karakter van de Eerste stuurman, waarop zij ten antwoord kreeg, dat deze geheel veranderd was, sedert Kapitein Gerritsen het schip had verlaten, want met hem had Hogesaad goed klaar kunnen komen; z’n behandeling van ’t scheepsvolk was in die tijd ook heel wat zachter dan tans. “Ik kan niet anders dan tot de gevolgtrekking komen, Juffer,” zei de bootsman, “dat meneer Hogesaad ’n teleurgesteld man is, die geloofde dat hij Kapitein van ’t schip zou worden. Hij voelt zich nu beledigd en uw vader moet daarvan de gevolgen ondervinden. Ik ben bang dat hij op de een of andere goede dag uw vader ’n lelike streek zal trachten te spelen; maar gelukkig staat hij alleen, en wij zullen wel ’n oogje op hem houden en toeziendat hij geen malligheden begint. Het scheepsvolk heeft al de buik vol van hem, en er zijn zelfs sommigen die menen, dat ’t raadzaam zou zijn, dat de Eerste stuurman op ’n donkere nacht over boord viel, het zij per ongeluk of anderszins.”“Nee,” zei Katrijn, “dat moeten jullie niet doen, maar ik zou daarom wensen, dat Hogesaad zich wat aangenamer gedroeg.”Behalve de reeds hierboven genoemde offisieren waren er nog twee mannen aan boord, die de rang van offisier hadden, namelik de Boekhouder of Kargadoor, en de Barbier of Chirurgijn.De Boekhouder was ’n man van over de 50 jaar, heel stil en eenvoudig van aard, die dageliks bezig was met de scheepspapieren en z’n vrije tijd doorbracht met ’t lezen van boeken, waarvan hij een kist vol in z’n kajuit had.De Barbier, die eigenlik slechts de rang van onderbarbier had, was ’n jonge man van 24 jaar, vrolik van aard en ’n echte spotvogel, die niemand spaarde met z’n kwinkslagen, en ’n biezondere slag had om spotversjes te dichten. Zijn spottende aanmerkingen waren hoofdzakelik tegen de Eerste en de Tweede stuurman gericht, die zich niet weinig woedend daarover maakten, doch natuurlik de dichter niet ’t stilzwegen konden opleggen.Toen men omtrent 10 mijl ten zuiden van ’t eiland Ceylon was, sloeg de wind om naar ’t Noorden en werd ’t weer stormachtig.Kapitein Knijf liet de zeilen reven, doch de wind nam zo in hevigheid toe, dat hij ten slotte verplicht was alle zeilen in te halen, met uitzondering van ’n stormzeil en ’n gaffel.Het schip steigerde en rolde op ’n ontzettende wijze en schoon ’t aan ’t roer gehoorzaamde, moest men twee stuurlui aan ’t stuurtoestel hebben.Op de tweede dag van de storm stond Katrijn als gewoonlik naast haar vader op ’t kampanjedek en bespraken ze samen de toestand van ’t weer en de kans van ’n verandering in de richting van de wind.Abraham Hartog was met ’n jonge matroos aan ’t roer.Plotseling sloeg ’n hevige golf tegen ’t schip aan en draaide ’t roer met zulk ’n geweld om, dat de twee mannen niet in staat waren het stuurrad in bedwang te houden; het slingerde hen zo hevig weg, dat ’t aan hun handen ontglipte. Katrijn zag dit en nog voor haar vader het bemerkte, vloog ze naar het rad, greep het met forse hand beet en bracht met een snelle beweging ’t schip voor de wind.Hartog was weer opgesprongen en hij en de Kapiteinsnelden toe om ’t dappere meisje te helpen, dat met al haar krachten nauweliks bij machte was om ’t stuurrad te bedwingen.Zodra de twee mannen het in handen hadden, liep Katrijn op de jonge matroos toe, die bewusteloos op ’t dek lag en uit ’n gat in z’n hoofd bloedde; ’t meisje trachtte ’t bloed met haar zakdoek te stillen.Intussen hadden de bootsman en enige matrozen ’t ongeval bemerkt en zij snelden te hulp om de nog bewusteloze jonge man van ’t dek op te tillen en hem ter behandeling naar de barbier te brengen.Dit voorval maakte, toen ’t op ’t voordek bekend werd, ’n verbazende indruk en Katrijn steeg er nog hoger door in de achting van de bemanning.De derde dag hield de storm op en gedurende twee weken was ’t weer fraai en de wind rustig. Daarna echter werd de hemel bedekt met wolken en schoon de wind bleef waaien, zag men drie weken lang noch zon noch sterren.De Kapitein kon dus geen waarnemingen doen om de richting en plaats te bepalen en slechts bij benadering kon hij vaststellen dat hij omtrent 200 mijlen van de Zuid Afrikaanse kust moest verwijderd wezen. Na afloop van de drie weken ging de wind liggen, doch de hemel bleef bewolkt en het schip maakte slechts weinig vordering.Kapitein Knijf, voelde zich volstrekt niet op z’n gemak en hij sprak er over met z’n dochter.“Het is een lelike toestand,” zo begon hij, op zekere avond in Februarie 1686, “waarin wij verkeren. Er lopen hier in de Oceaan zeer veranderlike stromingen, die daarbij zo sterk zijn dat ze ’t schip mijlen uit z’n koers kunnen werpen en de Oostkust van Madagascar, zowel als de kust van Zuid-Afrika is rotsachtig en zeer gevaarlik. Ik heb dan ook aan Hogesaad bevolen om dag en nacht ’n uitkijk op de grote mast te zetten en ook nog een op de voorboeg. Het zal me echter niets verwonderen als, met m’n gewone ongeluk, dit schip ergens op de kust wordt geworpen, en dat zou voor goed ’n einde aan mijn loopbaan maken.”Katrijn glimlachte en zeide: “Vader, u moet niet alles zo donker inzien. Denk wat moeder altijd gezegd heeft: Vertrouw op God en alles zal recht komen.”

HOOFDSTUK III.De reis van de Stavenisse.De Stavenisse bewees spoedig, dat de jonge Hartog de waarheid had gesproken, toen hij zei dat ’t schip ’n goede zeiler was.Licht geladen als ’t was, kliefde ’t schip de wateren met buitengewone snelheid, en daar de gunstige wind enige dagen aanhield, was men spoedig de Straat van Sunda door, en in de open Indiese Oceaan.Alles ging zo goed, dat de Kapitein tot de gevolgtrekking kwam, dat de aanvankelik door hem gevoelde vrees, ongegrond was geweest en hij ’n aangename reis zou hebben.MacIntosh, de Schot, was heel wat ontdooid en scheen op goede voet te geraken met Katrijn,schoon hij nog enigszins stug was tegenover haar vader.De bootsman glimlachte van plezier als hij Katrijn naar ’t voordek zag komen, om met hem en de bemanning ’n praatje te maken.Hogesaad alleen bleek onhandelbaar, en alle pogingen van Katrijn om hem aan ’t praten te krijgen en wat vroliker te stemmen, schenen vruchteloos te zijn.Ja, somtijds was hij zelfs tamelik onbeschoft tegen haar, doch ze vond het geraden hiervan geen notitie te nemen en er zelfs geen klachten bij haar vader over te maken.Met de Kapitein zelf onderhield de Eerste stuurman zich ook weinig.Als hij iets tegen deze zei, was het slechts om hem te bestrijden omtrent de een of andere voorgestelde maatregel.Tegenover het scheepsvolk sloeg hij ’n hoge toon aan, vloekte tegen hen voor ’t minste vergrijp en maakte ’n vrij gebruik van ’t eindje touw om hen lichaamstraf toe te dienen; om die redenen was hij wel gevreesd door de bemanning, maar tevens gehaat.De enige man, die ’t waagde om de Eerste stuurman ’t hoofd te bieden, was de opperbootsman, die met de grootste koelbloedigheid z’n vloeken enschelden aanhoorde, nooit ’n woord terug zei, doch als hij er genoeg van had, met ’n minachtend schouderophalen, de offisier de rug toedraaide.Eens had Hogesaad in z’n woede ’n bevel gegeven omtrent ’t rangschikken van de zeilen; ’t was echter onuitvoerbaar, waarop Tuijl in luid gelach uitbarstte en zich naar ’t voordek begaf, waar hij overluid tot ’t scheepsvolk zei: “Hier, maats, de Eerste stuurman heeft ons een raadsel opgegeven; ik kan ’t niet oplossen; probeer jullie het maar!”Hogesaad had reeds z’n fout ingezien, doch hij beefde van woede, toen hij hoorde, dat de bootsman de gek met hem scheerde bij de bemanning; hij wilde zich juist naar ’t voordek begeven met ’n stuk dik touw, toen hij bijna de Kapitein tegen ’t lijf liep, die op dat ogenblik de kompanjietrap opkwam.De Kapitein, die zag dat zijn Eerste stuurman zeer opgewonden was, vroeg: “wat is er aan de hand, Hogesaad?”“De bootsman heeft me beledigd,” riep Hogesaad verbolgen uit, “en ik ga hem eens flink op z’n tabernakel geven.”“Ik zou je niet raden dat te doen, stuurman,” zei de Kapitein bedaard; “de bootsman is geen gewone matroos, maar de eerste onderoffisier op ’t voordek, en de scheepsartikelen van de Kompanjie bepalendat alle twisten tussen de offisieren of onderoffisieren beslist zullen worden door de bevelhebber van ’t schip, en in ernstige gevallen door de Scheepsraad. Wil je je bij mij beklagen, dan zal ik zien of de zaak door mij persoonlik beslist kan worden, dan wel of ’t nodig is, om de Scheepsraad bij elkaar te roepen.”Hogesaad begreep dat ’t niet ging om de kwestie op gerechtelike wijze te doen beslissen, en terwijl hij ’t stuk touw op ’t dek wierp, antwoordde hij, dat de zaak de moeite niet waard was.Katrijn sprak, toen zij eens met de bootsman alleen was, met hem over ’t gedrag en karakter van de Eerste stuurman, waarop zij ten antwoord kreeg, dat deze geheel veranderd was, sedert Kapitein Gerritsen het schip had verlaten, want met hem had Hogesaad goed klaar kunnen komen; z’n behandeling van ’t scheepsvolk was in die tijd ook heel wat zachter dan tans. “Ik kan niet anders dan tot de gevolgtrekking komen, Juffer,” zei de bootsman, “dat meneer Hogesaad ’n teleurgesteld man is, die geloofde dat hij Kapitein van ’t schip zou worden. Hij voelt zich nu beledigd en uw vader moet daarvan de gevolgen ondervinden. Ik ben bang dat hij op de een of andere goede dag uw vader ’n lelike streek zal trachten te spelen; maar gelukkig staat hij alleen, en wij zullen wel ’n oogje op hem houden en toeziendat hij geen malligheden begint. Het scheepsvolk heeft al de buik vol van hem, en er zijn zelfs sommigen die menen, dat ’t raadzaam zou zijn, dat de Eerste stuurman op ’n donkere nacht over boord viel, het zij per ongeluk of anderszins.”“Nee,” zei Katrijn, “dat moeten jullie niet doen, maar ik zou daarom wensen, dat Hogesaad zich wat aangenamer gedroeg.”Behalve de reeds hierboven genoemde offisieren waren er nog twee mannen aan boord, die de rang van offisier hadden, namelik de Boekhouder of Kargadoor, en de Barbier of Chirurgijn.De Boekhouder was ’n man van over de 50 jaar, heel stil en eenvoudig van aard, die dageliks bezig was met de scheepspapieren en z’n vrije tijd doorbracht met ’t lezen van boeken, waarvan hij een kist vol in z’n kajuit had.De Barbier, die eigenlik slechts de rang van onderbarbier had, was ’n jonge man van 24 jaar, vrolik van aard en ’n echte spotvogel, die niemand spaarde met z’n kwinkslagen, en ’n biezondere slag had om spotversjes te dichten. Zijn spottende aanmerkingen waren hoofdzakelik tegen de Eerste en de Tweede stuurman gericht, die zich niet weinig woedend daarover maakten, doch natuurlik de dichter niet ’t stilzwegen konden opleggen.Toen men omtrent 10 mijl ten zuiden van ’t eiland Ceylon was, sloeg de wind om naar ’t Noorden en werd ’t weer stormachtig.Kapitein Knijf liet de zeilen reven, doch de wind nam zo in hevigheid toe, dat hij ten slotte verplicht was alle zeilen in te halen, met uitzondering van ’n stormzeil en ’n gaffel.Het schip steigerde en rolde op ’n ontzettende wijze en schoon ’t aan ’t roer gehoorzaamde, moest men twee stuurlui aan ’t stuurtoestel hebben.Op de tweede dag van de storm stond Katrijn als gewoonlik naast haar vader op ’t kampanjedek en bespraken ze samen de toestand van ’t weer en de kans van ’n verandering in de richting van de wind.Abraham Hartog was met ’n jonge matroos aan ’t roer.Plotseling sloeg ’n hevige golf tegen ’t schip aan en draaide ’t roer met zulk ’n geweld om, dat de twee mannen niet in staat waren het stuurrad in bedwang te houden; het slingerde hen zo hevig weg, dat ’t aan hun handen ontglipte. Katrijn zag dit en nog voor haar vader het bemerkte, vloog ze naar het rad, greep het met forse hand beet en bracht met een snelle beweging ’t schip voor de wind.Hartog was weer opgesprongen en hij en de Kapiteinsnelden toe om ’t dappere meisje te helpen, dat met al haar krachten nauweliks bij machte was om ’t stuurrad te bedwingen.Zodra de twee mannen het in handen hadden, liep Katrijn op de jonge matroos toe, die bewusteloos op ’t dek lag en uit ’n gat in z’n hoofd bloedde; ’t meisje trachtte ’t bloed met haar zakdoek te stillen.Intussen hadden de bootsman en enige matrozen ’t ongeval bemerkt en zij snelden te hulp om de nog bewusteloze jonge man van ’t dek op te tillen en hem ter behandeling naar de barbier te brengen.Dit voorval maakte, toen ’t op ’t voordek bekend werd, ’n verbazende indruk en Katrijn steeg er nog hoger door in de achting van de bemanning.De derde dag hield de storm op en gedurende twee weken was ’t weer fraai en de wind rustig. Daarna echter werd de hemel bedekt met wolken en schoon de wind bleef waaien, zag men drie weken lang noch zon noch sterren.De Kapitein kon dus geen waarnemingen doen om de richting en plaats te bepalen en slechts bij benadering kon hij vaststellen dat hij omtrent 200 mijlen van de Zuid Afrikaanse kust moest verwijderd wezen. Na afloop van de drie weken ging de wind liggen, doch de hemel bleef bewolkt en het schip maakte slechts weinig vordering.Kapitein Knijf, voelde zich volstrekt niet op z’n gemak en hij sprak er over met z’n dochter.“Het is een lelike toestand,” zo begon hij, op zekere avond in Februarie 1686, “waarin wij verkeren. Er lopen hier in de Oceaan zeer veranderlike stromingen, die daarbij zo sterk zijn dat ze ’t schip mijlen uit z’n koers kunnen werpen en de Oostkust van Madagascar, zowel als de kust van Zuid-Afrika is rotsachtig en zeer gevaarlik. Ik heb dan ook aan Hogesaad bevolen om dag en nacht ’n uitkijk op de grote mast te zetten en ook nog een op de voorboeg. Het zal me echter niets verwonderen als, met m’n gewone ongeluk, dit schip ergens op de kust wordt geworpen, en dat zou voor goed ’n einde aan mijn loopbaan maken.”Katrijn glimlachte en zeide: “Vader, u moet niet alles zo donker inzien. Denk wat moeder altijd gezegd heeft: Vertrouw op God en alles zal recht komen.”

HOOFDSTUK III.De reis van de Stavenisse.

De Stavenisse bewees spoedig, dat de jonge Hartog de waarheid had gesproken, toen hij zei dat ’t schip ’n goede zeiler was.Licht geladen als ’t was, kliefde ’t schip de wateren met buitengewone snelheid, en daar de gunstige wind enige dagen aanhield, was men spoedig de Straat van Sunda door, en in de open Indiese Oceaan.Alles ging zo goed, dat de Kapitein tot de gevolgtrekking kwam, dat de aanvankelik door hem gevoelde vrees, ongegrond was geweest en hij ’n aangename reis zou hebben.MacIntosh, de Schot, was heel wat ontdooid en scheen op goede voet te geraken met Katrijn,schoon hij nog enigszins stug was tegenover haar vader.De bootsman glimlachte van plezier als hij Katrijn naar ’t voordek zag komen, om met hem en de bemanning ’n praatje te maken.Hogesaad alleen bleek onhandelbaar, en alle pogingen van Katrijn om hem aan ’t praten te krijgen en wat vroliker te stemmen, schenen vruchteloos te zijn.Ja, somtijds was hij zelfs tamelik onbeschoft tegen haar, doch ze vond het geraden hiervan geen notitie te nemen en er zelfs geen klachten bij haar vader over te maken.Met de Kapitein zelf onderhield de Eerste stuurman zich ook weinig.Als hij iets tegen deze zei, was het slechts om hem te bestrijden omtrent de een of andere voorgestelde maatregel.Tegenover het scheepsvolk sloeg hij ’n hoge toon aan, vloekte tegen hen voor ’t minste vergrijp en maakte ’n vrij gebruik van ’t eindje touw om hen lichaamstraf toe te dienen; om die redenen was hij wel gevreesd door de bemanning, maar tevens gehaat.De enige man, die ’t waagde om de Eerste stuurman ’t hoofd te bieden, was de opperbootsman, die met de grootste koelbloedigheid z’n vloeken enschelden aanhoorde, nooit ’n woord terug zei, doch als hij er genoeg van had, met ’n minachtend schouderophalen, de offisier de rug toedraaide.Eens had Hogesaad in z’n woede ’n bevel gegeven omtrent ’t rangschikken van de zeilen; ’t was echter onuitvoerbaar, waarop Tuijl in luid gelach uitbarstte en zich naar ’t voordek begaf, waar hij overluid tot ’t scheepsvolk zei: “Hier, maats, de Eerste stuurman heeft ons een raadsel opgegeven; ik kan ’t niet oplossen; probeer jullie het maar!”Hogesaad had reeds z’n fout ingezien, doch hij beefde van woede, toen hij hoorde, dat de bootsman de gek met hem scheerde bij de bemanning; hij wilde zich juist naar ’t voordek begeven met ’n stuk dik touw, toen hij bijna de Kapitein tegen ’t lijf liep, die op dat ogenblik de kompanjietrap opkwam.De Kapitein, die zag dat zijn Eerste stuurman zeer opgewonden was, vroeg: “wat is er aan de hand, Hogesaad?”“De bootsman heeft me beledigd,” riep Hogesaad verbolgen uit, “en ik ga hem eens flink op z’n tabernakel geven.”“Ik zou je niet raden dat te doen, stuurman,” zei de Kapitein bedaard; “de bootsman is geen gewone matroos, maar de eerste onderoffisier op ’t voordek, en de scheepsartikelen van de Kompanjie bepalendat alle twisten tussen de offisieren of onderoffisieren beslist zullen worden door de bevelhebber van ’t schip, en in ernstige gevallen door de Scheepsraad. Wil je je bij mij beklagen, dan zal ik zien of de zaak door mij persoonlik beslist kan worden, dan wel of ’t nodig is, om de Scheepsraad bij elkaar te roepen.”Hogesaad begreep dat ’t niet ging om de kwestie op gerechtelike wijze te doen beslissen, en terwijl hij ’t stuk touw op ’t dek wierp, antwoordde hij, dat de zaak de moeite niet waard was.Katrijn sprak, toen zij eens met de bootsman alleen was, met hem over ’t gedrag en karakter van de Eerste stuurman, waarop zij ten antwoord kreeg, dat deze geheel veranderd was, sedert Kapitein Gerritsen het schip had verlaten, want met hem had Hogesaad goed klaar kunnen komen; z’n behandeling van ’t scheepsvolk was in die tijd ook heel wat zachter dan tans. “Ik kan niet anders dan tot de gevolgtrekking komen, Juffer,” zei de bootsman, “dat meneer Hogesaad ’n teleurgesteld man is, die geloofde dat hij Kapitein van ’t schip zou worden. Hij voelt zich nu beledigd en uw vader moet daarvan de gevolgen ondervinden. Ik ben bang dat hij op de een of andere goede dag uw vader ’n lelike streek zal trachten te spelen; maar gelukkig staat hij alleen, en wij zullen wel ’n oogje op hem houden en toeziendat hij geen malligheden begint. Het scheepsvolk heeft al de buik vol van hem, en er zijn zelfs sommigen die menen, dat ’t raadzaam zou zijn, dat de Eerste stuurman op ’n donkere nacht over boord viel, het zij per ongeluk of anderszins.”“Nee,” zei Katrijn, “dat moeten jullie niet doen, maar ik zou daarom wensen, dat Hogesaad zich wat aangenamer gedroeg.”Behalve de reeds hierboven genoemde offisieren waren er nog twee mannen aan boord, die de rang van offisier hadden, namelik de Boekhouder of Kargadoor, en de Barbier of Chirurgijn.De Boekhouder was ’n man van over de 50 jaar, heel stil en eenvoudig van aard, die dageliks bezig was met de scheepspapieren en z’n vrije tijd doorbracht met ’t lezen van boeken, waarvan hij een kist vol in z’n kajuit had.De Barbier, die eigenlik slechts de rang van onderbarbier had, was ’n jonge man van 24 jaar, vrolik van aard en ’n echte spotvogel, die niemand spaarde met z’n kwinkslagen, en ’n biezondere slag had om spotversjes te dichten. Zijn spottende aanmerkingen waren hoofdzakelik tegen de Eerste en de Tweede stuurman gericht, die zich niet weinig woedend daarover maakten, doch natuurlik de dichter niet ’t stilzwegen konden opleggen.Toen men omtrent 10 mijl ten zuiden van ’t eiland Ceylon was, sloeg de wind om naar ’t Noorden en werd ’t weer stormachtig.Kapitein Knijf liet de zeilen reven, doch de wind nam zo in hevigheid toe, dat hij ten slotte verplicht was alle zeilen in te halen, met uitzondering van ’n stormzeil en ’n gaffel.Het schip steigerde en rolde op ’n ontzettende wijze en schoon ’t aan ’t roer gehoorzaamde, moest men twee stuurlui aan ’t stuurtoestel hebben.Op de tweede dag van de storm stond Katrijn als gewoonlik naast haar vader op ’t kampanjedek en bespraken ze samen de toestand van ’t weer en de kans van ’n verandering in de richting van de wind.Abraham Hartog was met ’n jonge matroos aan ’t roer.Plotseling sloeg ’n hevige golf tegen ’t schip aan en draaide ’t roer met zulk ’n geweld om, dat de twee mannen niet in staat waren het stuurrad in bedwang te houden; het slingerde hen zo hevig weg, dat ’t aan hun handen ontglipte. Katrijn zag dit en nog voor haar vader het bemerkte, vloog ze naar het rad, greep het met forse hand beet en bracht met een snelle beweging ’t schip voor de wind.Hartog was weer opgesprongen en hij en de Kapiteinsnelden toe om ’t dappere meisje te helpen, dat met al haar krachten nauweliks bij machte was om ’t stuurrad te bedwingen.Zodra de twee mannen het in handen hadden, liep Katrijn op de jonge matroos toe, die bewusteloos op ’t dek lag en uit ’n gat in z’n hoofd bloedde; ’t meisje trachtte ’t bloed met haar zakdoek te stillen.Intussen hadden de bootsman en enige matrozen ’t ongeval bemerkt en zij snelden te hulp om de nog bewusteloze jonge man van ’t dek op te tillen en hem ter behandeling naar de barbier te brengen.Dit voorval maakte, toen ’t op ’t voordek bekend werd, ’n verbazende indruk en Katrijn steeg er nog hoger door in de achting van de bemanning.De derde dag hield de storm op en gedurende twee weken was ’t weer fraai en de wind rustig. Daarna echter werd de hemel bedekt met wolken en schoon de wind bleef waaien, zag men drie weken lang noch zon noch sterren.De Kapitein kon dus geen waarnemingen doen om de richting en plaats te bepalen en slechts bij benadering kon hij vaststellen dat hij omtrent 200 mijlen van de Zuid Afrikaanse kust moest verwijderd wezen. Na afloop van de drie weken ging de wind liggen, doch de hemel bleef bewolkt en het schip maakte slechts weinig vordering.Kapitein Knijf, voelde zich volstrekt niet op z’n gemak en hij sprak er over met z’n dochter.“Het is een lelike toestand,” zo begon hij, op zekere avond in Februarie 1686, “waarin wij verkeren. Er lopen hier in de Oceaan zeer veranderlike stromingen, die daarbij zo sterk zijn dat ze ’t schip mijlen uit z’n koers kunnen werpen en de Oostkust van Madagascar, zowel als de kust van Zuid-Afrika is rotsachtig en zeer gevaarlik. Ik heb dan ook aan Hogesaad bevolen om dag en nacht ’n uitkijk op de grote mast te zetten en ook nog een op de voorboeg. Het zal me echter niets verwonderen als, met m’n gewone ongeluk, dit schip ergens op de kust wordt geworpen, en dat zou voor goed ’n einde aan mijn loopbaan maken.”Katrijn glimlachte en zeide: “Vader, u moet niet alles zo donker inzien. Denk wat moeder altijd gezegd heeft: Vertrouw op God en alles zal recht komen.”

De Stavenisse bewees spoedig, dat de jonge Hartog de waarheid had gesproken, toen hij zei dat ’t schip ’n goede zeiler was.

Licht geladen als ’t was, kliefde ’t schip de wateren met buitengewone snelheid, en daar de gunstige wind enige dagen aanhield, was men spoedig de Straat van Sunda door, en in de open Indiese Oceaan.

Alles ging zo goed, dat de Kapitein tot de gevolgtrekking kwam, dat de aanvankelik door hem gevoelde vrees, ongegrond was geweest en hij ’n aangename reis zou hebben.

MacIntosh, de Schot, was heel wat ontdooid en scheen op goede voet te geraken met Katrijn,schoon hij nog enigszins stug was tegenover haar vader.

De bootsman glimlachte van plezier als hij Katrijn naar ’t voordek zag komen, om met hem en de bemanning ’n praatje te maken.

Hogesaad alleen bleek onhandelbaar, en alle pogingen van Katrijn om hem aan ’t praten te krijgen en wat vroliker te stemmen, schenen vruchteloos te zijn.

Ja, somtijds was hij zelfs tamelik onbeschoft tegen haar, doch ze vond het geraden hiervan geen notitie te nemen en er zelfs geen klachten bij haar vader over te maken.

Met de Kapitein zelf onderhield de Eerste stuurman zich ook weinig.

Als hij iets tegen deze zei, was het slechts om hem te bestrijden omtrent de een of andere voorgestelde maatregel.

Tegenover het scheepsvolk sloeg hij ’n hoge toon aan, vloekte tegen hen voor ’t minste vergrijp en maakte ’n vrij gebruik van ’t eindje touw om hen lichaamstraf toe te dienen; om die redenen was hij wel gevreesd door de bemanning, maar tevens gehaat.

De enige man, die ’t waagde om de Eerste stuurman ’t hoofd te bieden, was de opperbootsman, die met de grootste koelbloedigheid z’n vloeken enschelden aanhoorde, nooit ’n woord terug zei, doch als hij er genoeg van had, met ’n minachtend schouderophalen, de offisier de rug toedraaide.

Eens had Hogesaad in z’n woede ’n bevel gegeven omtrent ’t rangschikken van de zeilen; ’t was echter onuitvoerbaar, waarop Tuijl in luid gelach uitbarstte en zich naar ’t voordek begaf, waar hij overluid tot ’t scheepsvolk zei: “Hier, maats, de Eerste stuurman heeft ons een raadsel opgegeven; ik kan ’t niet oplossen; probeer jullie het maar!”

Hogesaad had reeds z’n fout ingezien, doch hij beefde van woede, toen hij hoorde, dat de bootsman de gek met hem scheerde bij de bemanning; hij wilde zich juist naar ’t voordek begeven met ’n stuk dik touw, toen hij bijna de Kapitein tegen ’t lijf liep, die op dat ogenblik de kompanjietrap opkwam.

De Kapitein, die zag dat zijn Eerste stuurman zeer opgewonden was, vroeg: “wat is er aan de hand, Hogesaad?”

“De bootsman heeft me beledigd,” riep Hogesaad verbolgen uit, “en ik ga hem eens flink op z’n tabernakel geven.”

“Ik zou je niet raden dat te doen, stuurman,” zei de Kapitein bedaard; “de bootsman is geen gewone matroos, maar de eerste onderoffisier op ’t voordek, en de scheepsartikelen van de Kompanjie bepalendat alle twisten tussen de offisieren of onderoffisieren beslist zullen worden door de bevelhebber van ’t schip, en in ernstige gevallen door de Scheepsraad. Wil je je bij mij beklagen, dan zal ik zien of de zaak door mij persoonlik beslist kan worden, dan wel of ’t nodig is, om de Scheepsraad bij elkaar te roepen.”

Hogesaad begreep dat ’t niet ging om de kwestie op gerechtelike wijze te doen beslissen, en terwijl hij ’t stuk touw op ’t dek wierp, antwoordde hij, dat de zaak de moeite niet waard was.

Katrijn sprak, toen zij eens met de bootsman alleen was, met hem over ’t gedrag en karakter van de Eerste stuurman, waarop zij ten antwoord kreeg, dat deze geheel veranderd was, sedert Kapitein Gerritsen het schip had verlaten, want met hem had Hogesaad goed klaar kunnen komen; z’n behandeling van ’t scheepsvolk was in die tijd ook heel wat zachter dan tans. “Ik kan niet anders dan tot de gevolgtrekking komen, Juffer,” zei de bootsman, “dat meneer Hogesaad ’n teleurgesteld man is, die geloofde dat hij Kapitein van ’t schip zou worden. Hij voelt zich nu beledigd en uw vader moet daarvan de gevolgen ondervinden. Ik ben bang dat hij op de een of andere goede dag uw vader ’n lelike streek zal trachten te spelen; maar gelukkig staat hij alleen, en wij zullen wel ’n oogje op hem houden en toeziendat hij geen malligheden begint. Het scheepsvolk heeft al de buik vol van hem, en er zijn zelfs sommigen die menen, dat ’t raadzaam zou zijn, dat de Eerste stuurman op ’n donkere nacht over boord viel, het zij per ongeluk of anderszins.”

“Nee,” zei Katrijn, “dat moeten jullie niet doen, maar ik zou daarom wensen, dat Hogesaad zich wat aangenamer gedroeg.”

Behalve de reeds hierboven genoemde offisieren waren er nog twee mannen aan boord, die de rang van offisier hadden, namelik de Boekhouder of Kargadoor, en de Barbier of Chirurgijn.

De Boekhouder was ’n man van over de 50 jaar, heel stil en eenvoudig van aard, die dageliks bezig was met de scheepspapieren en z’n vrije tijd doorbracht met ’t lezen van boeken, waarvan hij een kist vol in z’n kajuit had.

De Barbier, die eigenlik slechts de rang van onderbarbier had, was ’n jonge man van 24 jaar, vrolik van aard en ’n echte spotvogel, die niemand spaarde met z’n kwinkslagen, en ’n biezondere slag had om spotversjes te dichten. Zijn spottende aanmerkingen waren hoofdzakelik tegen de Eerste en de Tweede stuurman gericht, die zich niet weinig woedend daarover maakten, doch natuurlik de dichter niet ’t stilzwegen konden opleggen.

Toen men omtrent 10 mijl ten zuiden van ’t eiland Ceylon was, sloeg de wind om naar ’t Noorden en werd ’t weer stormachtig.

Kapitein Knijf liet de zeilen reven, doch de wind nam zo in hevigheid toe, dat hij ten slotte verplicht was alle zeilen in te halen, met uitzondering van ’n stormzeil en ’n gaffel.

Het schip steigerde en rolde op ’n ontzettende wijze en schoon ’t aan ’t roer gehoorzaamde, moest men twee stuurlui aan ’t stuurtoestel hebben.

Op de tweede dag van de storm stond Katrijn als gewoonlik naast haar vader op ’t kampanjedek en bespraken ze samen de toestand van ’t weer en de kans van ’n verandering in de richting van de wind.

Abraham Hartog was met ’n jonge matroos aan ’t roer.

Plotseling sloeg ’n hevige golf tegen ’t schip aan en draaide ’t roer met zulk ’n geweld om, dat de twee mannen niet in staat waren het stuurrad in bedwang te houden; het slingerde hen zo hevig weg, dat ’t aan hun handen ontglipte. Katrijn zag dit en nog voor haar vader het bemerkte, vloog ze naar het rad, greep het met forse hand beet en bracht met een snelle beweging ’t schip voor de wind.

Hartog was weer opgesprongen en hij en de Kapiteinsnelden toe om ’t dappere meisje te helpen, dat met al haar krachten nauweliks bij machte was om ’t stuurrad te bedwingen.

Zodra de twee mannen het in handen hadden, liep Katrijn op de jonge matroos toe, die bewusteloos op ’t dek lag en uit ’n gat in z’n hoofd bloedde; ’t meisje trachtte ’t bloed met haar zakdoek te stillen.

Intussen hadden de bootsman en enige matrozen ’t ongeval bemerkt en zij snelden te hulp om de nog bewusteloze jonge man van ’t dek op te tillen en hem ter behandeling naar de barbier te brengen.

Dit voorval maakte, toen ’t op ’t voordek bekend werd, ’n verbazende indruk en Katrijn steeg er nog hoger door in de achting van de bemanning.

De derde dag hield de storm op en gedurende twee weken was ’t weer fraai en de wind rustig. Daarna echter werd de hemel bedekt met wolken en schoon de wind bleef waaien, zag men drie weken lang noch zon noch sterren.

De Kapitein kon dus geen waarnemingen doen om de richting en plaats te bepalen en slechts bij benadering kon hij vaststellen dat hij omtrent 200 mijlen van de Zuid Afrikaanse kust moest verwijderd wezen. Na afloop van de drie weken ging de wind liggen, doch de hemel bleef bewolkt en het schip maakte slechts weinig vordering.

Kapitein Knijf, voelde zich volstrekt niet op z’n gemak en hij sprak er over met z’n dochter.

“Het is een lelike toestand,” zo begon hij, op zekere avond in Februarie 1686, “waarin wij verkeren. Er lopen hier in de Oceaan zeer veranderlike stromingen, die daarbij zo sterk zijn dat ze ’t schip mijlen uit z’n koers kunnen werpen en de Oostkust van Madagascar, zowel als de kust van Zuid-Afrika is rotsachtig en zeer gevaarlik. Ik heb dan ook aan Hogesaad bevolen om dag en nacht ’n uitkijk op de grote mast te zetten en ook nog een op de voorboeg. Het zal me echter niets verwonderen als, met m’n gewone ongeluk, dit schip ergens op de kust wordt geworpen, en dat zou voor goed ’n einde aan mijn loopbaan maken.”

Katrijn glimlachte en zeide: “Vader, u moet niet alles zo donker inzien. Denk wat moeder altijd gezegd heeft: Vertrouw op God en alles zal recht komen.”


Back to IndexNext