HOOFDSTUK IV.

HOOFDSTUK IV.De schipbreuk.In diezelfde nacht van 16 Februarie 1686 had IJsbrand Hogesaad de wacht op de Stavenisse. Eigenlik was ’t de wachtbeurt van de Kapitein, doch deze gevoelde zich niet wel en had Hogesaad gevraagd de eerste wacht te doen, om dan zelf de tweede te nemen. Het was 8 uur in de avond toen de Eerste stuurman op wacht ging; ’t was pikdonker en er woei bijna geen wind. De ene uitkijk was in de grote mast, en vooraan de boeg was er nog een en daar zat ook Abraham Hartog. Het was omtrent 10 uur en de Kapitein en z’n dochter waren reeds naar bed gegaan, toen opeens de uitkijk in de mast zo hard hij kon, schreeuwde dat hij land zag.Hogesaad riep hem toe, dat hij gek was, want dat ze wel honderd mijlen van ’t land af waren en dat wat de man zag niet anders kon zijn dan ’n mistbank.Voor ’n ogenblik dacht IJsbrand Hogesaad eraan om zelf in de mast te gaan kijken wat er van was, maar opeens werd hij als door de duivel bezeten en fluisterde deze hem in: wat, stoor je niet aan de zaak, als ’t schip strandt, rust er geen blaam op jou, maar wel op de Kapitein, die z’n wacht heeft verzuimd. Gebeurt er iets, dan verliest hij z’n post en dan ben jij niet alleen gewroken, maar heb kans om kapitein te worden.Aan die valse gedachte liet de Eerste stuurman de vrije teugel en hij bleef rustig op ’t kampanjedek staan.Zowat ’n kwartier later kwam weder uit de grote mast ’t geroep: “Land vlak bij ons!” en riep ook de man op de voorboeg ’t zelfde, terwijl Hogesaad zelf ’t witte van de branding reeds kon zien en het geluid er van horen.Voor hij echter ’n woord kon uiten, sprong Abraham Hartog naar de trap, die naar de slaapplek van de bemanning leidde en riep luidkeels: “alle handen op dek! ’t schip is in gevaar!”De bootsman hoorde ’t en in ’n ogenblik was debemanning op ’t dek, gereed om alle orders uit te voeren.Hogesaad scheen als door de bliksem getroffen en geen bevel kwam uit z’n mond, maar Abraham Hartog gaf dadelik order de beste twee ankers uit te werpen, ten einde ’t schip tot staan te brengen.De bemanning was juist hiermede bezig toen de Kapitein op ’t dek verscheen en ’t bevel overnam.Toen hij op de kampanje kwam was Hogesaad verdwenen, maar Abraham Hartog vertelde hem welke maatregelen genomen waren.Ook de andere offisieren verschenen op ’t dek, alsmede Katrijn.Men hield raad, maar kon voor ’t ogenblik geen betere maatregelen bedenken, dan die reeds genomen waren; de grote vraag was slechts of de kabels ’t schip zouden houden, want blijkbaar was dit in ’n sterke stroming.Een uur later brak de eerste kabel en slechts de stuurboordkabel hield het schip toen nog vast.Op die wijze bleef het vaartuig liggen tot omtrent 3 uur in de morgen, maar elk ogenblik verwachtte men dat de tweede kabel ook zou breken. Offisieren zowel als bemanning maakten zich gereed voor ’t ergste.Katrijn snelde naar haar kajuit, ontdeed zich vanhaar vrouwekleren en trok ’n mans pak aan, dat zij dikwels in stormweer had gebruikt.Zij was ’n uitmuntende zwemster, maar wist dat in ’t water vrouwekleren haar bewegingen zouden belemmeren.Zonder te weten waarom, stak ze in de rechterzak van haar baadje, ’n groot zakmes en in de linker ’n tweeloops pistool, dat aan de wand van haar kajuit hing, maar niet geladen was.Even voor drieën sprong de tweede kabel met ’n knal als van ’n kanonschot en bijna onmiddellik daarna stootte ’t schip op ’n rots en werd zo beschadigd, dat ’t zich dadelik met water begon te vullen.De bemanning sprong weldra over boord en ’n ieder trachtte door zwemmen ’t land te bereiken, want in de branding waren de boten nutteloos.Van de 71 personen op ’t schip slaagden 60 er in om op ’t droge te komen, terwijl 11 man verdronken.De Kapitein en z’n dochter waren de laatste twee die in zee sprongen. Gedurende enige tijd hadden ze een zware strijd te doorstaan met de branding, toen bereikten ze echter ’n platte rots, die slechts ’n paar voet onder water was en daarna zonder veel moeite ’t zanderige strand.De Kargadoor, de Dokter, en een der matrozenhadden zich vrij erg bezeerd aan de rotsen, en waren niet in staat zich te bewegen, de anderen waren voor ’t ogenblik wel uitgeput, maar herstelden zich spoedig.Toen de dag aanbrak, zag men dat ’t schip reddeloos verloren was. De masten waren overboord geslagen en aan de ene zijde was ’n groot gat, waaruit reeds ’n deel van de lading in zee spoelde.Gelukkig lagen de ra’s van de grote mast en de fokkemast met hun zeilen op ’t strand en ’t eerste werk was dan ook om daarmee zo goed mogelik een soort van tent op te slaan, als beschutting tegen zon en regen.Op de twee volgende dagen slaagde men er in om ’t kompas en enige andere instrumenten uit ’t wrak te redden, alsmede drie vaten varkensvlees, ’n kist met beschuit en wat kleren.Natuurlik zou die proviand slechts voor enige dagen voldoende zijn, doch men hoopte spoedig inboorlingen te zien en van hen vee te kunnen ruilen, terwijl ook kreeft en vis verkrijgbaar zouden zijn.

HOOFDSTUK IV.De schipbreuk.In diezelfde nacht van 16 Februarie 1686 had IJsbrand Hogesaad de wacht op de Stavenisse. Eigenlik was ’t de wachtbeurt van de Kapitein, doch deze gevoelde zich niet wel en had Hogesaad gevraagd de eerste wacht te doen, om dan zelf de tweede te nemen. Het was 8 uur in de avond toen de Eerste stuurman op wacht ging; ’t was pikdonker en er woei bijna geen wind. De ene uitkijk was in de grote mast, en vooraan de boeg was er nog een en daar zat ook Abraham Hartog. Het was omtrent 10 uur en de Kapitein en z’n dochter waren reeds naar bed gegaan, toen opeens de uitkijk in de mast zo hard hij kon, schreeuwde dat hij land zag.Hogesaad riep hem toe, dat hij gek was, want dat ze wel honderd mijlen van ’t land af waren en dat wat de man zag niet anders kon zijn dan ’n mistbank.Voor ’n ogenblik dacht IJsbrand Hogesaad eraan om zelf in de mast te gaan kijken wat er van was, maar opeens werd hij als door de duivel bezeten en fluisterde deze hem in: wat, stoor je niet aan de zaak, als ’t schip strandt, rust er geen blaam op jou, maar wel op de Kapitein, die z’n wacht heeft verzuimd. Gebeurt er iets, dan verliest hij z’n post en dan ben jij niet alleen gewroken, maar heb kans om kapitein te worden.Aan die valse gedachte liet de Eerste stuurman de vrije teugel en hij bleef rustig op ’t kampanjedek staan.Zowat ’n kwartier later kwam weder uit de grote mast ’t geroep: “Land vlak bij ons!” en riep ook de man op de voorboeg ’t zelfde, terwijl Hogesaad zelf ’t witte van de branding reeds kon zien en het geluid er van horen.Voor hij echter ’n woord kon uiten, sprong Abraham Hartog naar de trap, die naar de slaapplek van de bemanning leidde en riep luidkeels: “alle handen op dek! ’t schip is in gevaar!”De bootsman hoorde ’t en in ’n ogenblik was debemanning op ’t dek, gereed om alle orders uit te voeren.Hogesaad scheen als door de bliksem getroffen en geen bevel kwam uit z’n mond, maar Abraham Hartog gaf dadelik order de beste twee ankers uit te werpen, ten einde ’t schip tot staan te brengen.De bemanning was juist hiermede bezig toen de Kapitein op ’t dek verscheen en ’t bevel overnam.Toen hij op de kampanje kwam was Hogesaad verdwenen, maar Abraham Hartog vertelde hem welke maatregelen genomen waren.Ook de andere offisieren verschenen op ’t dek, alsmede Katrijn.Men hield raad, maar kon voor ’t ogenblik geen betere maatregelen bedenken, dan die reeds genomen waren; de grote vraag was slechts of de kabels ’t schip zouden houden, want blijkbaar was dit in ’n sterke stroming.Een uur later brak de eerste kabel en slechts de stuurboordkabel hield het schip toen nog vast.Op die wijze bleef het vaartuig liggen tot omtrent 3 uur in de morgen, maar elk ogenblik verwachtte men dat de tweede kabel ook zou breken. Offisieren zowel als bemanning maakten zich gereed voor ’t ergste.Katrijn snelde naar haar kajuit, ontdeed zich vanhaar vrouwekleren en trok ’n mans pak aan, dat zij dikwels in stormweer had gebruikt.Zij was ’n uitmuntende zwemster, maar wist dat in ’t water vrouwekleren haar bewegingen zouden belemmeren.Zonder te weten waarom, stak ze in de rechterzak van haar baadje, ’n groot zakmes en in de linker ’n tweeloops pistool, dat aan de wand van haar kajuit hing, maar niet geladen was.Even voor drieën sprong de tweede kabel met ’n knal als van ’n kanonschot en bijna onmiddellik daarna stootte ’t schip op ’n rots en werd zo beschadigd, dat ’t zich dadelik met water begon te vullen.De bemanning sprong weldra over boord en ’n ieder trachtte door zwemmen ’t land te bereiken, want in de branding waren de boten nutteloos.Van de 71 personen op ’t schip slaagden 60 er in om op ’t droge te komen, terwijl 11 man verdronken.De Kapitein en z’n dochter waren de laatste twee die in zee sprongen. Gedurende enige tijd hadden ze een zware strijd te doorstaan met de branding, toen bereikten ze echter ’n platte rots, die slechts ’n paar voet onder water was en daarna zonder veel moeite ’t zanderige strand.De Kargadoor, de Dokter, en een der matrozenhadden zich vrij erg bezeerd aan de rotsen, en waren niet in staat zich te bewegen, de anderen waren voor ’t ogenblik wel uitgeput, maar herstelden zich spoedig.Toen de dag aanbrak, zag men dat ’t schip reddeloos verloren was. De masten waren overboord geslagen en aan de ene zijde was ’n groot gat, waaruit reeds ’n deel van de lading in zee spoelde.Gelukkig lagen de ra’s van de grote mast en de fokkemast met hun zeilen op ’t strand en ’t eerste werk was dan ook om daarmee zo goed mogelik een soort van tent op te slaan, als beschutting tegen zon en regen.Op de twee volgende dagen slaagde men er in om ’t kompas en enige andere instrumenten uit ’t wrak te redden, alsmede drie vaten varkensvlees, ’n kist met beschuit en wat kleren.Natuurlik zou die proviand slechts voor enige dagen voldoende zijn, doch men hoopte spoedig inboorlingen te zien en van hen vee te kunnen ruilen, terwijl ook kreeft en vis verkrijgbaar zouden zijn.

HOOFDSTUK IV.De schipbreuk.

In diezelfde nacht van 16 Februarie 1686 had IJsbrand Hogesaad de wacht op de Stavenisse. Eigenlik was ’t de wachtbeurt van de Kapitein, doch deze gevoelde zich niet wel en had Hogesaad gevraagd de eerste wacht te doen, om dan zelf de tweede te nemen. Het was 8 uur in de avond toen de Eerste stuurman op wacht ging; ’t was pikdonker en er woei bijna geen wind. De ene uitkijk was in de grote mast, en vooraan de boeg was er nog een en daar zat ook Abraham Hartog. Het was omtrent 10 uur en de Kapitein en z’n dochter waren reeds naar bed gegaan, toen opeens de uitkijk in de mast zo hard hij kon, schreeuwde dat hij land zag.Hogesaad riep hem toe, dat hij gek was, want dat ze wel honderd mijlen van ’t land af waren en dat wat de man zag niet anders kon zijn dan ’n mistbank.Voor ’n ogenblik dacht IJsbrand Hogesaad eraan om zelf in de mast te gaan kijken wat er van was, maar opeens werd hij als door de duivel bezeten en fluisterde deze hem in: wat, stoor je niet aan de zaak, als ’t schip strandt, rust er geen blaam op jou, maar wel op de Kapitein, die z’n wacht heeft verzuimd. Gebeurt er iets, dan verliest hij z’n post en dan ben jij niet alleen gewroken, maar heb kans om kapitein te worden.Aan die valse gedachte liet de Eerste stuurman de vrije teugel en hij bleef rustig op ’t kampanjedek staan.Zowat ’n kwartier later kwam weder uit de grote mast ’t geroep: “Land vlak bij ons!” en riep ook de man op de voorboeg ’t zelfde, terwijl Hogesaad zelf ’t witte van de branding reeds kon zien en het geluid er van horen.Voor hij echter ’n woord kon uiten, sprong Abraham Hartog naar de trap, die naar de slaapplek van de bemanning leidde en riep luidkeels: “alle handen op dek! ’t schip is in gevaar!”De bootsman hoorde ’t en in ’n ogenblik was debemanning op ’t dek, gereed om alle orders uit te voeren.Hogesaad scheen als door de bliksem getroffen en geen bevel kwam uit z’n mond, maar Abraham Hartog gaf dadelik order de beste twee ankers uit te werpen, ten einde ’t schip tot staan te brengen.De bemanning was juist hiermede bezig toen de Kapitein op ’t dek verscheen en ’t bevel overnam.Toen hij op de kampanje kwam was Hogesaad verdwenen, maar Abraham Hartog vertelde hem welke maatregelen genomen waren.Ook de andere offisieren verschenen op ’t dek, alsmede Katrijn.Men hield raad, maar kon voor ’t ogenblik geen betere maatregelen bedenken, dan die reeds genomen waren; de grote vraag was slechts of de kabels ’t schip zouden houden, want blijkbaar was dit in ’n sterke stroming.Een uur later brak de eerste kabel en slechts de stuurboordkabel hield het schip toen nog vast.Op die wijze bleef het vaartuig liggen tot omtrent 3 uur in de morgen, maar elk ogenblik verwachtte men dat de tweede kabel ook zou breken. Offisieren zowel als bemanning maakten zich gereed voor ’t ergste.Katrijn snelde naar haar kajuit, ontdeed zich vanhaar vrouwekleren en trok ’n mans pak aan, dat zij dikwels in stormweer had gebruikt.Zij was ’n uitmuntende zwemster, maar wist dat in ’t water vrouwekleren haar bewegingen zouden belemmeren.Zonder te weten waarom, stak ze in de rechterzak van haar baadje, ’n groot zakmes en in de linker ’n tweeloops pistool, dat aan de wand van haar kajuit hing, maar niet geladen was.Even voor drieën sprong de tweede kabel met ’n knal als van ’n kanonschot en bijna onmiddellik daarna stootte ’t schip op ’n rots en werd zo beschadigd, dat ’t zich dadelik met water begon te vullen.De bemanning sprong weldra over boord en ’n ieder trachtte door zwemmen ’t land te bereiken, want in de branding waren de boten nutteloos.Van de 71 personen op ’t schip slaagden 60 er in om op ’t droge te komen, terwijl 11 man verdronken.De Kapitein en z’n dochter waren de laatste twee die in zee sprongen. Gedurende enige tijd hadden ze een zware strijd te doorstaan met de branding, toen bereikten ze echter ’n platte rots, die slechts ’n paar voet onder water was en daarna zonder veel moeite ’t zanderige strand.De Kargadoor, de Dokter, en een der matrozenhadden zich vrij erg bezeerd aan de rotsen, en waren niet in staat zich te bewegen, de anderen waren voor ’t ogenblik wel uitgeput, maar herstelden zich spoedig.Toen de dag aanbrak, zag men dat ’t schip reddeloos verloren was. De masten waren overboord geslagen en aan de ene zijde was ’n groot gat, waaruit reeds ’n deel van de lading in zee spoelde.Gelukkig lagen de ra’s van de grote mast en de fokkemast met hun zeilen op ’t strand en ’t eerste werk was dan ook om daarmee zo goed mogelik een soort van tent op te slaan, als beschutting tegen zon en regen.Op de twee volgende dagen slaagde men er in om ’t kompas en enige andere instrumenten uit ’t wrak te redden, alsmede drie vaten varkensvlees, ’n kist met beschuit en wat kleren.Natuurlik zou die proviand slechts voor enige dagen voldoende zijn, doch men hoopte spoedig inboorlingen te zien en van hen vee te kunnen ruilen, terwijl ook kreeft en vis verkrijgbaar zouden zijn.

In diezelfde nacht van 16 Februarie 1686 had IJsbrand Hogesaad de wacht op de Stavenisse. Eigenlik was ’t de wachtbeurt van de Kapitein, doch deze gevoelde zich niet wel en had Hogesaad gevraagd de eerste wacht te doen, om dan zelf de tweede te nemen. Het was 8 uur in de avond toen de Eerste stuurman op wacht ging; ’t was pikdonker en er woei bijna geen wind. De ene uitkijk was in de grote mast, en vooraan de boeg was er nog een en daar zat ook Abraham Hartog. Het was omtrent 10 uur en de Kapitein en z’n dochter waren reeds naar bed gegaan, toen opeens de uitkijk in de mast zo hard hij kon, schreeuwde dat hij land zag.

Hogesaad riep hem toe, dat hij gek was, want dat ze wel honderd mijlen van ’t land af waren en dat wat de man zag niet anders kon zijn dan ’n mistbank.

Voor ’n ogenblik dacht IJsbrand Hogesaad eraan om zelf in de mast te gaan kijken wat er van was, maar opeens werd hij als door de duivel bezeten en fluisterde deze hem in: wat, stoor je niet aan de zaak, als ’t schip strandt, rust er geen blaam op jou, maar wel op de Kapitein, die z’n wacht heeft verzuimd. Gebeurt er iets, dan verliest hij z’n post en dan ben jij niet alleen gewroken, maar heb kans om kapitein te worden.

Aan die valse gedachte liet de Eerste stuurman de vrije teugel en hij bleef rustig op ’t kampanjedek staan.

Zowat ’n kwartier later kwam weder uit de grote mast ’t geroep: “Land vlak bij ons!” en riep ook de man op de voorboeg ’t zelfde, terwijl Hogesaad zelf ’t witte van de branding reeds kon zien en het geluid er van horen.

Voor hij echter ’n woord kon uiten, sprong Abraham Hartog naar de trap, die naar de slaapplek van de bemanning leidde en riep luidkeels: “alle handen op dek! ’t schip is in gevaar!”

De bootsman hoorde ’t en in ’n ogenblik was debemanning op ’t dek, gereed om alle orders uit te voeren.

Hogesaad scheen als door de bliksem getroffen en geen bevel kwam uit z’n mond, maar Abraham Hartog gaf dadelik order de beste twee ankers uit te werpen, ten einde ’t schip tot staan te brengen.

De bemanning was juist hiermede bezig toen de Kapitein op ’t dek verscheen en ’t bevel overnam.

Toen hij op de kampanje kwam was Hogesaad verdwenen, maar Abraham Hartog vertelde hem welke maatregelen genomen waren.

Ook de andere offisieren verschenen op ’t dek, alsmede Katrijn.

Men hield raad, maar kon voor ’t ogenblik geen betere maatregelen bedenken, dan die reeds genomen waren; de grote vraag was slechts of de kabels ’t schip zouden houden, want blijkbaar was dit in ’n sterke stroming.

Een uur later brak de eerste kabel en slechts de stuurboordkabel hield het schip toen nog vast.

Op die wijze bleef het vaartuig liggen tot omtrent 3 uur in de morgen, maar elk ogenblik verwachtte men dat de tweede kabel ook zou breken. Offisieren zowel als bemanning maakten zich gereed voor ’t ergste.

Katrijn snelde naar haar kajuit, ontdeed zich vanhaar vrouwekleren en trok ’n mans pak aan, dat zij dikwels in stormweer had gebruikt.

Zij was ’n uitmuntende zwemster, maar wist dat in ’t water vrouwekleren haar bewegingen zouden belemmeren.

Zonder te weten waarom, stak ze in de rechterzak van haar baadje, ’n groot zakmes en in de linker ’n tweeloops pistool, dat aan de wand van haar kajuit hing, maar niet geladen was.

Even voor drieën sprong de tweede kabel met ’n knal als van ’n kanonschot en bijna onmiddellik daarna stootte ’t schip op ’n rots en werd zo beschadigd, dat ’t zich dadelik met water begon te vullen.

De bemanning sprong weldra over boord en ’n ieder trachtte door zwemmen ’t land te bereiken, want in de branding waren de boten nutteloos.

Van de 71 personen op ’t schip slaagden 60 er in om op ’t droge te komen, terwijl 11 man verdronken.

De Kapitein en z’n dochter waren de laatste twee die in zee sprongen. Gedurende enige tijd hadden ze een zware strijd te doorstaan met de branding, toen bereikten ze echter ’n platte rots, die slechts ’n paar voet onder water was en daarna zonder veel moeite ’t zanderige strand.

De Kargadoor, de Dokter, en een der matrozenhadden zich vrij erg bezeerd aan de rotsen, en waren niet in staat zich te bewegen, de anderen waren voor ’t ogenblik wel uitgeput, maar herstelden zich spoedig.

Toen de dag aanbrak, zag men dat ’t schip reddeloos verloren was. De masten waren overboord geslagen en aan de ene zijde was ’n groot gat, waaruit reeds ’n deel van de lading in zee spoelde.

Gelukkig lagen de ra’s van de grote mast en de fokkemast met hun zeilen op ’t strand en ’t eerste werk was dan ook om daarmee zo goed mogelik een soort van tent op te slaan, als beschutting tegen zon en regen.

Op de twee volgende dagen slaagde men er in om ’t kompas en enige andere instrumenten uit ’t wrak te redden, alsmede drie vaten varkensvlees, ’n kist met beschuit en wat kleren.

Natuurlik zou die proviand slechts voor enige dagen voldoende zijn, doch men hoopte spoedig inboorlingen te zien en van hen vee te kunnen ruilen, terwijl ook kreeft en vis verkrijgbaar zouden zijn.


Back to IndexNext