HOOFDSTUK V.

HOOFDSTUK V.Een beraadslaging en de gevolgen daarvan.De schipbreuk had ’n geweldige invloed op Kapitein Knijf, die door ’t ongeluk geheel was terneder geslagen. Hij sprak bijna geen woord, maar zat tegen ’n rots aan ’t strand geleund, bij zichzelf te klagen en te mompelen, en had blijkbaar alle geestkracht verloren.Het nam Katrijn heel wat tijd en moeite om haar arme vader wat op te beuren; maar de Kapitein antwoordde, dat alles nu verloren was, dat hij nooit meer ’n schip zou krijgen en dat hij en z’n dochter nu van honger zouden omkomen. “De toekomst is donker, erg donker mijn kind,” zo besloot hij met ’n diepe zucht.“Vader, ’t is nu niet de tijd om over de toekomst te denken, maar we moeten ons tot ’t heden bepalen en zien wat ’t beste is voor ons om te doen, en ik moet zeggen dat u ondankbaar is jegens de Hemel. Het is wel waar, dat ’t vergaan van de Stavenisse ’n grote slag voor ons allen is, maar we behoren dankbaar te zijn, dat ons leven tot dusver gespaard werd. U geeft ’n slecht voorbeeld aan ’t scheepsvolk, dat ook alle moed zal verliezen, als ze hun Kapitein in zo’n toestand zien.”Ook de jonge Hartog sprak tot de Kapitein en spoorde hem aan, allen bij elkander te roepen, ten einde te bespreken wat men zou doen. “Maar voor wij daarmede beginnen, moeten wij trachten uit te vinden, waar wij zijn,” zei hij. “De lucht is nu helder en we hebben de instrumenten om de lengte- en breedtegraad te vinden.”De Kapitein luisterde naar de raad van de Derde stuurman, en spoedig waren hij, Hogesaad en ook Hartog bezig met ’t doen van waarnemingen, waaruit bleek dat ze op de kust van Zuid-Afrika waren gestrand, op omtrent 70 mijl ten zuiden van ’t tegenwoordige Durban.De Kapitein maakte dit bekend aan de bemanning en riep allen bijeen.Weldra was men ’t er algemeen over eens, datmen dadelik moest beginnen de reis over land naar de Kaap te ondernemen.Hoe ver dat was, wist eigenlik niemand en zeker was er niet een die op dat ogenblik ’t minste denkbeeld had, dat ze zowat duizend mijl van de Kaap af waren, en nog minder een die begrip had van de moeilikheden aan zo’n reis verbonden.De hoofdzaak was, volgens de meesten, dat men dadelik zou aanvangen, want hoe langer men bleef hoe groter de kans voor hongersnood werd.Men maakte zich dus dadelik voor de reis gereed. De drie mannen die zich bij de landing hadden bezeerd, waren niet in staat om te lopen, en er zat dus niets anders op, dan dezen in de tent achter te laten met wat voedsel.Diezelfde morgen nog gingen de andere 57 op weg en namen zoveel proviand met zich mee als ze konden dragen.Men nam z’n weg langs ’t strand, dat echter spoedig rotsachtig werd en daardoor zeer vermoeiend.Twee dagen lang hield men vol, maar op de morgen van de derde dag, bevonden de Kapitein en z’n dochter, de drie stuurlui, de zeilmaker, de bootsman en vier matrozen, dat ze niet in staat waren om verder te gaan; zij besloten derhalve terug te keren naar de plaats waar ’t schip gestrandwas. De overige 46 man vervolgden hun reis westwaarts.Er was echter bij de tent geen proviand genoeg voor 14 personen en men moest daarom dadelik beginnen, met aan ’t strand schelpdieren te zoeken.Met veel moeite vond men voldoende oesters en mosselen voor ’n dag of twee, maar gelukkig spoelden er de dag daarna enige vaten en kisten met voedsel aan land, zodat men nu voor de eerste maand geen vrees voor hongersnood behoefde te koesteren.Bij laag water zou men, zoals later bleek, ’t wrak wel kunnen bereiken, al was ’t dan ook met moeite, en de bootsman en vier matrozen, deden ook werkelik ’n poging daartoe en slaagden er in om na heel wat gesukkel, ’n kleine hoeveelheid proviand aan land te brengen.Ook spoelde ’n beschadigde boot van ’t schip aan, en de Kapitein besloot dadelik om de boot te doen herstellen en daarmee ’n reis naar Kaapstad te ondernemen.Bomen van allerlei soort en grootte waren er op korte afstand van ’t strand te vinden. Men had enige bijlen en messen en ook wat ruw timmermansgereedschap, en moedig toog men aan ’t werk.Slechts zeer langzaam vorderde men, want er moesten verscheidene planken van de boot uitgezaagden door nieuwe vervangen worden, en daar men geen spijkers had, was men genoodzaakt de nieuwe planken door middel van pennen van hard hout te bevestigen.Maar dit scheen zo weinig betrouwbaar, dat de bootsman en de vier matrozen met heel wat levensgevaar ’n tweede tocht naar het wrak ondernamen, waarvan zij terugkwamen met ’n hoeveelheid bouten en spijkers, die ze uit de romp van ’t wrak hadden gehaald.Katrijn was de ziel en ’t leven van het gezelschap. Haar voornaamste werk was natuurlik om voor de kost te zorgen, maar niet zelden nam zij ook bijl en hamer ter hand en hielp de anderen met hun werk.Bootsman Willem Tuijl toonde nu wat er in hem zat, en daar hij zeer vernuftig was, kwam hij de grootste moeilikheden te boven.Hij slaagde er zelfs in om van ’n paar spijkers vishoeken te maken, waarmee men inderdaad ’n aantal tamelik grote vissen ving, die ’n welkome versnapering waren, al moest men ze zonder zout eten.Niet minder handig toonde zich Abraham Hartog, en ook de oude MacIntosh deed onder de invloed van Katrijn alles in z’n vermogen om met ’t werkbehulpzaam te zijn. Slechts de Eerste stuurman bleef nors en mokkend, zonder zich veel met de anderen te bemoeien of hen te helpen, en dit gaf dikwels aanleiding tot hevige twisten tussen hem en de bootsman.Na 14 dagen hard werken was de boot gereed en zeevaardig. Hij werd te water gelaten en gevuld met zoveel proviand als men machtig kon worden.De drie zieken gaven heel wat moeite. MacIntosh had voorgesteld hen achter te laten; Hogesaad verenigde zich met dat voorstel en zelfs de Kapitein was daartoe geneigd, doch Katrijn, Hartog en de bootsman verzetten zich ten sterkste tegen deze onmenselike daad, en daar de anderen hen steunden, werd ten slotte overeengekomen hen mee te nemen.Toen allen zich ingescheept hadden, was de boot vrij zwaar geladen, en Willem Tuijl die het roer vatte, zag met een bezwaard hart naar de vrij sterke branding die tegen de rotsen en ’t strand sloeg. Het zeil werd gehesen en de boot verliet de kust, doch de bootsman had zich niet vergist. Toen ’t zwakke vaartuig in de ziedende branding kwam, bleek ’t onhandelbaar en schoon Tuijl alle pogingen van de stuurmanskunst in ’t werk stelde, werd de boot door ’n zware golf getroffen en kantelde om.Met grote moeite bereikte men de kust, waarbij Hartog, de bootsman en de vier matrozen niet alleenzichzelf moesten redden, maar ook behulpzaam zijn met ’t aan land brengen van de drie ongelukkige zieken, die buiten staat waren zich zelf te helpen.Het grootste verlies echter was dat van de ingescheepte proviand, want nu dreigde er werkelik hongersnood.Wel gelukte ’t de bootsman om nog twee vishoeken te maken, maar ’t scheen of de vissen de lust om te bijten hadden verloren en in drie dagen ving men slechts twee vissen.Hartog, de zeilmaker en drie matrozen ondernamen opnieuw ’n tocht naar ’t wrak, maar zij bevonden dat de gehele lading reeds zo goed als weggespoeld was en men kwam met bijna lege handen terug.Slechts enige bouten en wat spijkers en losse ijzeren staven werden buitgemaakt.De toekomst zag er nu waarlik duister uit.

HOOFDSTUK V.Een beraadslaging en de gevolgen daarvan.De schipbreuk had ’n geweldige invloed op Kapitein Knijf, die door ’t ongeluk geheel was terneder geslagen. Hij sprak bijna geen woord, maar zat tegen ’n rots aan ’t strand geleund, bij zichzelf te klagen en te mompelen, en had blijkbaar alle geestkracht verloren.Het nam Katrijn heel wat tijd en moeite om haar arme vader wat op te beuren; maar de Kapitein antwoordde, dat alles nu verloren was, dat hij nooit meer ’n schip zou krijgen en dat hij en z’n dochter nu van honger zouden omkomen. “De toekomst is donker, erg donker mijn kind,” zo besloot hij met ’n diepe zucht.“Vader, ’t is nu niet de tijd om over de toekomst te denken, maar we moeten ons tot ’t heden bepalen en zien wat ’t beste is voor ons om te doen, en ik moet zeggen dat u ondankbaar is jegens de Hemel. Het is wel waar, dat ’t vergaan van de Stavenisse ’n grote slag voor ons allen is, maar we behoren dankbaar te zijn, dat ons leven tot dusver gespaard werd. U geeft ’n slecht voorbeeld aan ’t scheepsvolk, dat ook alle moed zal verliezen, als ze hun Kapitein in zo’n toestand zien.”Ook de jonge Hartog sprak tot de Kapitein en spoorde hem aan, allen bij elkander te roepen, ten einde te bespreken wat men zou doen. “Maar voor wij daarmede beginnen, moeten wij trachten uit te vinden, waar wij zijn,” zei hij. “De lucht is nu helder en we hebben de instrumenten om de lengte- en breedtegraad te vinden.”De Kapitein luisterde naar de raad van de Derde stuurman, en spoedig waren hij, Hogesaad en ook Hartog bezig met ’t doen van waarnemingen, waaruit bleek dat ze op de kust van Zuid-Afrika waren gestrand, op omtrent 70 mijl ten zuiden van ’t tegenwoordige Durban.De Kapitein maakte dit bekend aan de bemanning en riep allen bijeen.Weldra was men ’t er algemeen over eens, datmen dadelik moest beginnen de reis over land naar de Kaap te ondernemen.Hoe ver dat was, wist eigenlik niemand en zeker was er niet een die op dat ogenblik ’t minste denkbeeld had, dat ze zowat duizend mijl van de Kaap af waren, en nog minder een die begrip had van de moeilikheden aan zo’n reis verbonden.De hoofdzaak was, volgens de meesten, dat men dadelik zou aanvangen, want hoe langer men bleef hoe groter de kans voor hongersnood werd.Men maakte zich dus dadelik voor de reis gereed. De drie mannen die zich bij de landing hadden bezeerd, waren niet in staat om te lopen, en er zat dus niets anders op, dan dezen in de tent achter te laten met wat voedsel.Diezelfde morgen nog gingen de andere 57 op weg en namen zoveel proviand met zich mee als ze konden dragen.Men nam z’n weg langs ’t strand, dat echter spoedig rotsachtig werd en daardoor zeer vermoeiend.Twee dagen lang hield men vol, maar op de morgen van de derde dag, bevonden de Kapitein en z’n dochter, de drie stuurlui, de zeilmaker, de bootsman en vier matrozen, dat ze niet in staat waren om verder te gaan; zij besloten derhalve terug te keren naar de plaats waar ’t schip gestrandwas. De overige 46 man vervolgden hun reis westwaarts.Er was echter bij de tent geen proviand genoeg voor 14 personen en men moest daarom dadelik beginnen, met aan ’t strand schelpdieren te zoeken.Met veel moeite vond men voldoende oesters en mosselen voor ’n dag of twee, maar gelukkig spoelden er de dag daarna enige vaten en kisten met voedsel aan land, zodat men nu voor de eerste maand geen vrees voor hongersnood behoefde te koesteren.Bij laag water zou men, zoals later bleek, ’t wrak wel kunnen bereiken, al was ’t dan ook met moeite, en de bootsman en vier matrozen, deden ook werkelik ’n poging daartoe en slaagden er in om na heel wat gesukkel, ’n kleine hoeveelheid proviand aan land te brengen.Ook spoelde ’n beschadigde boot van ’t schip aan, en de Kapitein besloot dadelik om de boot te doen herstellen en daarmee ’n reis naar Kaapstad te ondernemen.Bomen van allerlei soort en grootte waren er op korte afstand van ’t strand te vinden. Men had enige bijlen en messen en ook wat ruw timmermansgereedschap, en moedig toog men aan ’t werk.Slechts zeer langzaam vorderde men, want er moesten verscheidene planken van de boot uitgezaagden door nieuwe vervangen worden, en daar men geen spijkers had, was men genoodzaakt de nieuwe planken door middel van pennen van hard hout te bevestigen.Maar dit scheen zo weinig betrouwbaar, dat de bootsman en de vier matrozen met heel wat levensgevaar ’n tweede tocht naar het wrak ondernamen, waarvan zij terugkwamen met ’n hoeveelheid bouten en spijkers, die ze uit de romp van ’t wrak hadden gehaald.Katrijn was de ziel en ’t leven van het gezelschap. Haar voornaamste werk was natuurlik om voor de kost te zorgen, maar niet zelden nam zij ook bijl en hamer ter hand en hielp de anderen met hun werk.Bootsman Willem Tuijl toonde nu wat er in hem zat, en daar hij zeer vernuftig was, kwam hij de grootste moeilikheden te boven.Hij slaagde er zelfs in om van ’n paar spijkers vishoeken te maken, waarmee men inderdaad ’n aantal tamelik grote vissen ving, die ’n welkome versnapering waren, al moest men ze zonder zout eten.Niet minder handig toonde zich Abraham Hartog, en ook de oude MacIntosh deed onder de invloed van Katrijn alles in z’n vermogen om met ’t werkbehulpzaam te zijn. Slechts de Eerste stuurman bleef nors en mokkend, zonder zich veel met de anderen te bemoeien of hen te helpen, en dit gaf dikwels aanleiding tot hevige twisten tussen hem en de bootsman.Na 14 dagen hard werken was de boot gereed en zeevaardig. Hij werd te water gelaten en gevuld met zoveel proviand als men machtig kon worden.De drie zieken gaven heel wat moeite. MacIntosh had voorgesteld hen achter te laten; Hogesaad verenigde zich met dat voorstel en zelfs de Kapitein was daartoe geneigd, doch Katrijn, Hartog en de bootsman verzetten zich ten sterkste tegen deze onmenselike daad, en daar de anderen hen steunden, werd ten slotte overeengekomen hen mee te nemen.Toen allen zich ingescheept hadden, was de boot vrij zwaar geladen, en Willem Tuijl die het roer vatte, zag met een bezwaard hart naar de vrij sterke branding die tegen de rotsen en ’t strand sloeg. Het zeil werd gehesen en de boot verliet de kust, doch de bootsman had zich niet vergist. Toen ’t zwakke vaartuig in de ziedende branding kwam, bleek ’t onhandelbaar en schoon Tuijl alle pogingen van de stuurmanskunst in ’t werk stelde, werd de boot door ’n zware golf getroffen en kantelde om.Met grote moeite bereikte men de kust, waarbij Hartog, de bootsman en de vier matrozen niet alleenzichzelf moesten redden, maar ook behulpzaam zijn met ’t aan land brengen van de drie ongelukkige zieken, die buiten staat waren zich zelf te helpen.Het grootste verlies echter was dat van de ingescheepte proviand, want nu dreigde er werkelik hongersnood.Wel gelukte ’t de bootsman om nog twee vishoeken te maken, maar ’t scheen of de vissen de lust om te bijten hadden verloren en in drie dagen ving men slechts twee vissen.Hartog, de zeilmaker en drie matrozen ondernamen opnieuw ’n tocht naar ’t wrak, maar zij bevonden dat de gehele lading reeds zo goed als weggespoeld was en men kwam met bijna lege handen terug.Slechts enige bouten en wat spijkers en losse ijzeren staven werden buitgemaakt.De toekomst zag er nu waarlik duister uit.

HOOFDSTUK V.Een beraadslaging en de gevolgen daarvan.

De schipbreuk had ’n geweldige invloed op Kapitein Knijf, die door ’t ongeluk geheel was terneder geslagen. Hij sprak bijna geen woord, maar zat tegen ’n rots aan ’t strand geleund, bij zichzelf te klagen en te mompelen, en had blijkbaar alle geestkracht verloren.Het nam Katrijn heel wat tijd en moeite om haar arme vader wat op te beuren; maar de Kapitein antwoordde, dat alles nu verloren was, dat hij nooit meer ’n schip zou krijgen en dat hij en z’n dochter nu van honger zouden omkomen. “De toekomst is donker, erg donker mijn kind,” zo besloot hij met ’n diepe zucht.“Vader, ’t is nu niet de tijd om over de toekomst te denken, maar we moeten ons tot ’t heden bepalen en zien wat ’t beste is voor ons om te doen, en ik moet zeggen dat u ondankbaar is jegens de Hemel. Het is wel waar, dat ’t vergaan van de Stavenisse ’n grote slag voor ons allen is, maar we behoren dankbaar te zijn, dat ons leven tot dusver gespaard werd. U geeft ’n slecht voorbeeld aan ’t scheepsvolk, dat ook alle moed zal verliezen, als ze hun Kapitein in zo’n toestand zien.”Ook de jonge Hartog sprak tot de Kapitein en spoorde hem aan, allen bij elkander te roepen, ten einde te bespreken wat men zou doen. “Maar voor wij daarmede beginnen, moeten wij trachten uit te vinden, waar wij zijn,” zei hij. “De lucht is nu helder en we hebben de instrumenten om de lengte- en breedtegraad te vinden.”De Kapitein luisterde naar de raad van de Derde stuurman, en spoedig waren hij, Hogesaad en ook Hartog bezig met ’t doen van waarnemingen, waaruit bleek dat ze op de kust van Zuid-Afrika waren gestrand, op omtrent 70 mijl ten zuiden van ’t tegenwoordige Durban.De Kapitein maakte dit bekend aan de bemanning en riep allen bijeen.Weldra was men ’t er algemeen over eens, datmen dadelik moest beginnen de reis over land naar de Kaap te ondernemen.Hoe ver dat was, wist eigenlik niemand en zeker was er niet een die op dat ogenblik ’t minste denkbeeld had, dat ze zowat duizend mijl van de Kaap af waren, en nog minder een die begrip had van de moeilikheden aan zo’n reis verbonden.De hoofdzaak was, volgens de meesten, dat men dadelik zou aanvangen, want hoe langer men bleef hoe groter de kans voor hongersnood werd.Men maakte zich dus dadelik voor de reis gereed. De drie mannen die zich bij de landing hadden bezeerd, waren niet in staat om te lopen, en er zat dus niets anders op, dan dezen in de tent achter te laten met wat voedsel.Diezelfde morgen nog gingen de andere 57 op weg en namen zoveel proviand met zich mee als ze konden dragen.Men nam z’n weg langs ’t strand, dat echter spoedig rotsachtig werd en daardoor zeer vermoeiend.Twee dagen lang hield men vol, maar op de morgen van de derde dag, bevonden de Kapitein en z’n dochter, de drie stuurlui, de zeilmaker, de bootsman en vier matrozen, dat ze niet in staat waren om verder te gaan; zij besloten derhalve terug te keren naar de plaats waar ’t schip gestrandwas. De overige 46 man vervolgden hun reis westwaarts.Er was echter bij de tent geen proviand genoeg voor 14 personen en men moest daarom dadelik beginnen, met aan ’t strand schelpdieren te zoeken.Met veel moeite vond men voldoende oesters en mosselen voor ’n dag of twee, maar gelukkig spoelden er de dag daarna enige vaten en kisten met voedsel aan land, zodat men nu voor de eerste maand geen vrees voor hongersnood behoefde te koesteren.Bij laag water zou men, zoals later bleek, ’t wrak wel kunnen bereiken, al was ’t dan ook met moeite, en de bootsman en vier matrozen, deden ook werkelik ’n poging daartoe en slaagden er in om na heel wat gesukkel, ’n kleine hoeveelheid proviand aan land te brengen.Ook spoelde ’n beschadigde boot van ’t schip aan, en de Kapitein besloot dadelik om de boot te doen herstellen en daarmee ’n reis naar Kaapstad te ondernemen.Bomen van allerlei soort en grootte waren er op korte afstand van ’t strand te vinden. Men had enige bijlen en messen en ook wat ruw timmermansgereedschap, en moedig toog men aan ’t werk.Slechts zeer langzaam vorderde men, want er moesten verscheidene planken van de boot uitgezaagden door nieuwe vervangen worden, en daar men geen spijkers had, was men genoodzaakt de nieuwe planken door middel van pennen van hard hout te bevestigen.Maar dit scheen zo weinig betrouwbaar, dat de bootsman en de vier matrozen met heel wat levensgevaar ’n tweede tocht naar het wrak ondernamen, waarvan zij terugkwamen met ’n hoeveelheid bouten en spijkers, die ze uit de romp van ’t wrak hadden gehaald.Katrijn was de ziel en ’t leven van het gezelschap. Haar voornaamste werk was natuurlik om voor de kost te zorgen, maar niet zelden nam zij ook bijl en hamer ter hand en hielp de anderen met hun werk.Bootsman Willem Tuijl toonde nu wat er in hem zat, en daar hij zeer vernuftig was, kwam hij de grootste moeilikheden te boven.Hij slaagde er zelfs in om van ’n paar spijkers vishoeken te maken, waarmee men inderdaad ’n aantal tamelik grote vissen ving, die ’n welkome versnapering waren, al moest men ze zonder zout eten.Niet minder handig toonde zich Abraham Hartog, en ook de oude MacIntosh deed onder de invloed van Katrijn alles in z’n vermogen om met ’t werkbehulpzaam te zijn. Slechts de Eerste stuurman bleef nors en mokkend, zonder zich veel met de anderen te bemoeien of hen te helpen, en dit gaf dikwels aanleiding tot hevige twisten tussen hem en de bootsman.Na 14 dagen hard werken was de boot gereed en zeevaardig. Hij werd te water gelaten en gevuld met zoveel proviand als men machtig kon worden.De drie zieken gaven heel wat moeite. MacIntosh had voorgesteld hen achter te laten; Hogesaad verenigde zich met dat voorstel en zelfs de Kapitein was daartoe geneigd, doch Katrijn, Hartog en de bootsman verzetten zich ten sterkste tegen deze onmenselike daad, en daar de anderen hen steunden, werd ten slotte overeengekomen hen mee te nemen.Toen allen zich ingescheept hadden, was de boot vrij zwaar geladen, en Willem Tuijl die het roer vatte, zag met een bezwaard hart naar de vrij sterke branding die tegen de rotsen en ’t strand sloeg. Het zeil werd gehesen en de boot verliet de kust, doch de bootsman had zich niet vergist. Toen ’t zwakke vaartuig in de ziedende branding kwam, bleek ’t onhandelbaar en schoon Tuijl alle pogingen van de stuurmanskunst in ’t werk stelde, werd de boot door ’n zware golf getroffen en kantelde om.Met grote moeite bereikte men de kust, waarbij Hartog, de bootsman en de vier matrozen niet alleenzichzelf moesten redden, maar ook behulpzaam zijn met ’t aan land brengen van de drie ongelukkige zieken, die buiten staat waren zich zelf te helpen.Het grootste verlies echter was dat van de ingescheepte proviand, want nu dreigde er werkelik hongersnood.Wel gelukte ’t de bootsman om nog twee vishoeken te maken, maar ’t scheen of de vissen de lust om te bijten hadden verloren en in drie dagen ving men slechts twee vissen.Hartog, de zeilmaker en drie matrozen ondernamen opnieuw ’n tocht naar ’t wrak, maar zij bevonden dat de gehele lading reeds zo goed als weggespoeld was en men kwam met bijna lege handen terug.Slechts enige bouten en wat spijkers en losse ijzeren staven werden buitgemaakt.De toekomst zag er nu waarlik duister uit.

De schipbreuk had ’n geweldige invloed op Kapitein Knijf, die door ’t ongeluk geheel was terneder geslagen. Hij sprak bijna geen woord, maar zat tegen ’n rots aan ’t strand geleund, bij zichzelf te klagen en te mompelen, en had blijkbaar alle geestkracht verloren.

Het nam Katrijn heel wat tijd en moeite om haar arme vader wat op te beuren; maar de Kapitein antwoordde, dat alles nu verloren was, dat hij nooit meer ’n schip zou krijgen en dat hij en z’n dochter nu van honger zouden omkomen. “De toekomst is donker, erg donker mijn kind,” zo besloot hij met ’n diepe zucht.

“Vader, ’t is nu niet de tijd om over de toekomst te denken, maar we moeten ons tot ’t heden bepalen en zien wat ’t beste is voor ons om te doen, en ik moet zeggen dat u ondankbaar is jegens de Hemel. Het is wel waar, dat ’t vergaan van de Stavenisse ’n grote slag voor ons allen is, maar we behoren dankbaar te zijn, dat ons leven tot dusver gespaard werd. U geeft ’n slecht voorbeeld aan ’t scheepsvolk, dat ook alle moed zal verliezen, als ze hun Kapitein in zo’n toestand zien.”

Ook de jonge Hartog sprak tot de Kapitein en spoorde hem aan, allen bij elkander te roepen, ten einde te bespreken wat men zou doen. “Maar voor wij daarmede beginnen, moeten wij trachten uit te vinden, waar wij zijn,” zei hij. “De lucht is nu helder en we hebben de instrumenten om de lengte- en breedtegraad te vinden.”

De Kapitein luisterde naar de raad van de Derde stuurman, en spoedig waren hij, Hogesaad en ook Hartog bezig met ’t doen van waarnemingen, waaruit bleek dat ze op de kust van Zuid-Afrika waren gestrand, op omtrent 70 mijl ten zuiden van ’t tegenwoordige Durban.

De Kapitein maakte dit bekend aan de bemanning en riep allen bijeen.

Weldra was men ’t er algemeen over eens, datmen dadelik moest beginnen de reis over land naar de Kaap te ondernemen.

Hoe ver dat was, wist eigenlik niemand en zeker was er niet een die op dat ogenblik ’t minste denkbeeld had, dat ze zowat duizend mijl van de Kaap af waren, en nog minder een die begrip had van de moeilikheden aan zo’n reis verbonden.

De hoofdzaak was, volgens de meesten, dat men dadelik zou aanvangen, want hoe langer men bleef hoe groter de kans voor hongersnood werd.

Men maakte zich dus dadelik voor de reis gereed. De drie mannen die zich bij de landing hadden bezeerd, waren niet in staat om te lopen, en er zat dus niets anders op, dan dezen in de tent achter te laten met wat voedsel.

Diezelfde morgen nog gingen de andere 57 op weg en namen zoveel proviand met zich mee als ze konden dragen.

Men nam z’n weg langs ’t strand, dat echter spoedig rotsachtig werd en daardoor zeer vermoeiend.

Twee dagen lang hield men vol, maar op de morgen van de derde dag, bevonden de Kapitein en z’n dochter, de drie stuurlui, de zeilmaker, de bootsman en vier matrozen, dat ze niet in staat waren om verder te gaan; zij besloten derhalve terug te keren naar de plaats waar ’t schip gestrandwas. De overige 46 man vervolgden hun reis westwaarts.

Er was echter bij de tent geen proviand genoeg voor 14 personen en men moest daarom dadelik beginnen, met aan ’t strand schelpdieren te zoeken.

Met veel moeite vond men voldoende oesters en mosselen voor ’n dag of twee, maar gelukkig spoelden er de dag daarna enige vaten en kisten met voedsel aan land, zodat men nu voor de eerste maand geen vrees voor hongersnood behoefde te koesteren.

Bij laag water zou men, zoals later bleek, ’t wrak wel kunnen bereiken, al was ’t dan ook met moeite, en de bootsman en vier matrozen, deden ook werkelik ’n poging daartoe en slaagden er in om na heel wat gesukkel, ’n kleine hoeveelheid proviand aan land te brengen.

Ook spoelde ’n beschadigde boot van ’t schip aan, en de Kapitein besloot dadelik om de boot te doen herstellen en daarmee ’n reis naar Kaapstad te ondernemen.

Bomen van allerlei soort en grootte waren er op korte afstand van ’t strand te vinden. Men had enige bijlen en messen en ook wat ruw timmermansgereedschap, en moedig toog men aan ’t werk.

Slechts zeer langzaam vorderde men, want er moesten verscheidene planken van de boot uitgezaagden door nieuwe vervangen worden, en daar men geen spijkers had, was men genoodzaakt de nieuwe planken door middel van pennen van hard hout te bevestigen.

Maar dit scheen zo weinig betrouwbaar, dat de bootsman en de vier matrozen met heel wat levensgevaar ’n tweede tocht naar het wrak ondernamen, waarvan zij terugkwamen met ’n hoeveelheid bouten en spijkers, die ze uit de romp van ’t wrak hadden gehaald.

Katrijn was de ziel en ’t leven van het gezelschap. Haar voornaamste werk was natuurlik om voor de kost te zorgen, maar niet zelden nam zij ook bijl en hamer ter hand en hielp de anderen met hun werk.

Bootsman Willem Tuijl toonde nu wat er in hem zat, en daar hij zeer vernuftig was, kwam hij de grootste moeilikheden te boven.

Hij slaagde er zelfs in om van ’n paar spijkers vishoeken te maken, waarmee men inderdaad ’n aantal tamelik grote vissen ving, die ’n welkome versnapering waren, al moest men ze zonder zout eten.

Niet minder handig toonde zich Abraham Hartog, en ook de oude MacIntosh deed onder de invloed van Katrijn alles in z’n vermogen om met ’t werkbehulpzaam te zijn. Slechts de Eerste stuurman bleef nors en mokkend, zonder zich veel met de anderen te bemoeien of hen te helpen, en dit gaf dikwels aanleiding tot hevige twisten tussen hem en de bootsman.

Na 14 dagen hard werken was de boot gereed en zeevaardig. Hij werd te water gelaten en gevuld met zoveel proviand als men machtig kon worden.

De drie zieken gaven heel wat moeite. MacIntosh had voorgesteld hen achter te laten; Hogesaad verenigde zich met dat voorstel en zelfs de Kapitein was daartoe geneigd, doch Katrijn, Hartog en de bootsman verzetten zich ten sterkste tegen deze onmenselike daad, en daar de anderen hen steunden, werd ten slotte overeengekomen hen mee te nemen.

Toen allen zich ingescheept hadden, was de boot vrij zwaar geladen, en Willem Tuijl die het roer vatte, zag met een bezwaard hart naar de vrij sterke branding die tegen de rotsen en ’t strand sloeg. Het zeil werd gehesen en de boot verliet de kust, doch de bootsman had zich niet vergist. Toen ’t zwakke vaartuig in de ziedende branding kwam, bleek ’t onhandelbaar en schoon Tuijl alle pogingen van de stuurmanskunst in ’t werk stelde, werd de boot door ’n zware golf getroffen en kantelde om.

Met grote moeite bereikte men de kust, waarbij Hartog, de bootsman en de vier matrozen niet alleenzichzelf moesten redden, maar ook behulpzaam zijn met ’t aan land brengen van de drie ongelukkige zieken, die buiten staat waren zich zelf te helpen.

Het grootste verlies echter was dat van de ingescheepte proviand, want nu dreigde er werkelik hongersnood.

Wel gelukte ’t de bootsman om nog twee vishoeken te maken, maar ’t scheen of de vissen de lust om te bijten hadden verloren en in drie dagen ving men slechts twee vissen.

Hartog, de zeilmaker en drie matrozen ondernamen opnieuw ’n tocht naar ’t wrak, maar zij bevonden dat de gehele lading reeds zo goed als weggespoeld was en men kwam met bijna lege handen terug.

Slechts enige bouten en wat spijkers en losse ijzeren staven werden buitgemaakt.

De toekomst zag er nu waarlik duister uit.


Back to IndexNext