HOOFDSTUK IX.

HOOFDSTUK IX.Vier maanden een lekker lui leven.Toen de schipbreukelingen de volgende morgen na ’n geruste slaap opstonden, was de zon reeds ’n half uur op, en vertoonde zich aan hen een schoon toneel.De kraal van de Engelsen was gebouwd op de helling van ’n heuvel, die men tans de Berea noemt.Vóór hen strekte zich de Baai van Natal uit, met z’n blauwe wateren, die zachtjes tegen ’t zonnige strand bruisten.Rechts van de Baai verhief zich de steile Kaap, die gewoonlik bekend is als “de Bluff” en waar tegenwoordig de vuurtoren staat.Tussen de kraal en de zee was de grond bedektmet weelderig gras en lage bloeiende struiken, terwijl links en rechts ’t geboomte geleidelik hoger werd en eindelik in ’n dicht bos overging.Al was men reeds in de tweede wintermaand, toch was de zon nog warm en de lucht zoel.Ging men de heuvelrand over, dan zag men aan de voet ervan de talrijke hutten van de Abambo-kraal, links waarvan op ’n uitgestrekte gras vlakte duizenden koeien en ossen rustig weidden, want de Abambo’s waren een rijk en welvarend volk.Met groot welgevallen zagen de schipbreukelingen dan ook dit prachtige land aan, en MacIntosh zei, dat hij hier wel z’n hele leven zou willen blijven.Inderdaad volgde er ’n zeer aangename tijd voor de schipbreukelingen van de Stavenisse.In de eerste dagen was men de Engelsen behulpzaam met ’t oprichten van vier grote ronde hutten, die elk als slaapplek voor drie man konden gebruikt worden, zodat er nu ruimte genoeg voor allen was.William Christian bracht de Kapitein en z’n dochter naar ’n grote hut, die niet ver van de wal achter de verblijfplaats van de Engelsen stond.Deze hut was ’n soort van pakhuis, waarin verscheidene kisten en balen stonden, waarvan sommige reeds geopend waren.De inhoud van de geopende kisten bestond uitkralen van allerlei kleuren, koperen ringen, stukken ruw linnen, enz., en uit snuisterijen, alles afkomstig van de Good Hope, en geschikt voor ruiling met de inboorlingen, want de Good Hope had handel gedreven op de Oostkust van Afrika en zelfs op Madagascar, niet alleen in produkten, maar ook in slaven.Het merkwaardigste in de hut was ’n grote hoop olifantstanden, waarvan er sommige zeker 80 pond wogen; in ’n hoek stonden zowat ’n twintigtal geweren van ’n beter maaksel dan dat waaraan de schipbreukelingen gewoon waren.Vier of vijf van die geweren waren prachtig versierd en ingelegd met ivoor en zilver, en toen de Kapitein aan Christian vroeg, hoe hij aan die mooie wapenen kwam, antwoordde deze, dat zij ze gevonden hadden op ’n Arabiese Dhow, die zij ten noorden van Mozambique hadden veroverd.Katrijn beschouwde al deze merkwaardigheden met aandacht en zei toen tot William Christian: “Ik zie, meneer Christian, dat ge niet te veel gezegd hebt, toen u ons vertelde, dat u bij de Baai genoeg goed had om voedsel voor 50 jaar te kopen.”“Ja,” zei Christian, “er is genoeg goed en men kan er heel wat voor kopen, maar ’t ongeluk is dat ’t volk hier te slim begint te worden en steeds meerbegint te vragen voor z’n produkten. Vroeger kreeg ik voor ’n koperen armband ’n dozijn hoenders, nu kan ik er slechts vier krijgen, en als ik mijn waren tegen ’n hoge prijs van de hand wil zetten, moet ik nu al ver ’t binnenland in, soms bij volken die nog nooit ’n witte man hebben gezien. Die tochten zijn gevaarlik, want men weet nooit hoe ’n vreemd volk je ontvangen en behandelen zal, en vooral de stammen die in aanraking geweest zijn met de Arabieren zijn dikwels zeer gevaarlik.”Drie van de Engelsen leefden met kaffervrouwen uit de stam van de Abambo’s, maar deden nog niet aan veelwijverij, zodat er slechts drie vrouwen in de kraal waren, die ieder ’n zuigeling in de arm hadden.Katrijn had eerst ’n afkeer van die wezens, doch langzamerhand raakte zij met hen bekend, en vond zij ze beter dan ze gedacht had. Ze hielden hun hutten ordelik en zindelik en waren bezig van de morgen tot de avond, hetzij met ’t koken van kost, of ’t werken in de kleine tuinen, diebuiten de kraal op de helling van de heuvel aangelegd waren en waarin kafferkoren, zoet riet, pompoenen en boontjes weelderig groeiden.Er was zelfs een stuk grond met maïs of mielies bezaaid, ’n plant toen nog niet algemeen bekend inZuid-Afrika, maar in die streken door de Portugezen ingevoerd; deze mieliepitten had de bemanning van de Good Hope in Sofala gekregen.Toen Katrijn deze plant, die ze dikwels in Indië gezien had, opmerkte, vroeg ze aan Christian of men ze hier at. De Engelsman antwoordde, dat men ze zeer goed kon eten, maar de opbrengst van ’t kleine lapje dat hij had, wilde hij gebruiken om ze te verkopen of te verruilen. Hij had ’t vorige jaar ’n handjevol pitten ten geschenke gegeven aan de Koning van de Abambo’s en deze had heel wat koppen daarvan gewonnen, en nu wilde het volk van de Abambo’s ook van ’t nieuwe voedsel hebben; hij hoopte zodoende heel wat voordeel uit dat stukje grond te maken. Was dit ’t geval dan zou hij ’t volgende jaar ’n groter stuk land er mee beplanten.Nadat ’t meisje haar eerste afkeer van de kleurlingvrouwen overwonnen had, bracht zij ze meermalen ’n bezoek en schoon ze hun taal niet kon praten, wist men door gebaren elkander op ’n manier te begrijpen.Langzamerhand leerde Katrijn echter heel wat uitdrukkingen in de taal van de Abambo’s, die niet veel verschilde van de tegenwoordige taal der Zulu’s.Overigens leidde Katrijn ook geen ledig leven.Zij moest voor de kost zorgen en voor de gemakken van haar vader.Nog altijd was de Kapitein in droevige gedachten verzonken en gewoonlik zat hij stil en eenzaam in de schaduw van ’n boom of bosje naar de zee te turen, terwijl hij onophoudelik rookte. Dit roken was voor hem, zowel als voor de andere zeelieden ’n waar genot, want al hadden sommigen nog wel ’n pijp gehad, sinds de schipbreuk waren ze zonder tabak geweest.De Abambo’s echter kenden ’t gebruik van tabak en verbouwden ’n soort van die plant, welke in sommige delen van Zuid-Afrika in ’t wild groeit. Ze droogden de blaren en maakten er kleine rollen van, evenals de Pondo’s dit tans nog doen. Die tabak had geen slechte smaak, maar was verbazend sterk, doch de zeelieden waren aan sterke tabak gewoon. Zij die geen pijpen hadden, kregen die òf van de kaffers, òf maakten ze zelf uit ’t hout van ’n zekere boom, dat daartoe zeer geschikt was.Nadat de hutten gereed waren, hadden de mannen weinig of niets te doen. Soms gingen ze ’s morgens naar ’t strand, waar ze zich eerst baadden, en zich dan vermaakten met ’t vangen van vis en niet zelden ’n rijke buit meebrachten.Nu en dan vergezelden ze Christian of een derandere Engelsen naar de hoofdkraal van de Abambo’s; bij andere gelegenheden gingen ze met de nieuwe vrienden op de jacht.Over ’t algemeen leidden ze ’n aangenaam en zorgeloos leven. Wild, vis, kafferkoren en ander voedsel was er volop, en ze hadden zich over niets te bekommeren.Om echter een van de kaffermeiden tot vrouw te nemen, zoals de drie Engelsen hadden gedaan, dat stuitte zelfs de anders niet kieskeurige Hollandse zeelui tegen de borst.Nadat ze omtrent drie weken nabij de Baai van Natal waren geweest, kwam Kingston aanzetten met twee van de drie achtergebleven zieken, die tans hersteld waren. De derde was intussen overleden. Nu was het oude gezelschap weer zo goed als voltallig.Kort na hun aankomst zeiden Christian en Kingston, dat ze van plan waren ’n eind ver ’t binnenland in te gaan, ten einde olifanten te jagen en handel te drijven met de inboorlingen, en ze stelden aan de Hollanders voor met hen samen te gaan, ’t geen dan ook aangenomen werd.Slechts Hartog en de oude Kapitein en diens dochter bleven thuis, met de andere drie Engelsen.De twee herstelde zieken wilde Christian eerstniet meenemen, want hij vreesde, dat ze nog niet sterk genoeg zouden zijn om de ongemakken van de reis te verdragen, doch ze drongen zo bij hem aan, dat hij ten slotte er in toestemde.Al de blanken werden met geweren en de nodige ammunitie gewapend. Men had geen andere vracht te dragen, dan z’n eigen kombaars en genoeg proviand voor ’n dag.Veertig dragers, ieder met twee assegaaien gewapend, werden met de handelswaren en genoeg kafferkoren voor de reis beladen; vlees kon men langs de weg krijgen in de vorm van wild.Evenals op de reis van ’t wrak liep men langs ’n voetpad, de een achter de ander, doch na verloop van drie dagen eindigde het voetpad bij ’n zekere kraal en moest men met behulp van ’n kompas, dat Christian bij zich had,de weg zoeken door de bossen en over de grasvlakten.We zullen de tocht niet beschrijven, maar slechts melden dat deze uitmuntend afliep.De twee Engelsen, die natuurlik het leeuwe-aandeel in de jacht hadden, schoten over de twintig olifanten, waarvan sommige heel wat ivoor opleverden.De handel slaagde eveneens uitstekend en de dragers hadden werk om de zware pakken naar debaai terug te brengen. Ook bracht men ’n achttal beesten en 25 geiten met zich mede.Driemaal werden in vier maanden tijd zulke reizen gemaakt, alle met even groot sukses. Slechts op de laatste reis, waarop men in aanraking kwam met ’n vreemde stam, die zich niet al te vriendschappelik betoonde, liep men groot gevaar om vermoord te worden en ’t was slechts aan de takt van de twee Engelsen te danken, dat men heelhuids uit die streek terugkwam.Omstreeks ’t einde van 1686, kwamen plotseling acht mannen en een jongen uit ’t Noorden bij de Baai van Natal aan, en verhaalden dat zij de bemanning waren van ’n klein Engels schip, deBona Ventura, dat bij de St. Lucia Baai vergaan was, en dat zij nu op weg waren naar de Kaap de Goede Hoop.Zij waren allen Engelsen, en toen zij nu in de Baai waren aangekomen, maakten de andere daar reeds wonende Engelsen het hun duidelik, dat het dwaasheid was om te trachten de Kaap de Goede Hoop te voet te bereiken. Ze moesten liever in Natal blijven en men was geheel bereid om alles met hen te delen, mits zij hun aandeel namen in ’t werk dat men te doen had.Wat dat werk was, zullen we in ’n later hoofdstuk verhalen.

HOOFDSTUK IX.Vier maanden een lekker lui leven.Toen de schipbreukelingen de volgende morgen na ’n geruste slaap opstonden, was de zon reeds ’n half uur op, en vertoonde zich aan hen een schoon toneel.De kraal van de Engelsen was gebouwd op de helling van ’n heuvel, die men tans de Berea noemt.Vóór hen strekte zich de Baai van Natal uit, met z’n blauwe wateren, die zachtjes tegen ’t zonnige strand bruisten.Rechts van de Baai verhief zich de steile Kaap, die gewoonlik bekend is als “de Bluff” en waar tegenwoordig de vuurtoren staat.Tussen de kraal en de zee was de grond bedektmet weelderig gras en lage bloeiende struiken, terwijl links en rechts ’t geboomte geleidelik hoger werd en eindelik in ’n dicht bos overging.Al was men reeds in de tweede wintermaand, toch was de zon nog warm en de lucht zoel.Ging men de heuvelrand over, dan zag men aan de voet ervan de talrijke hutten van de Abambo-kraal, links waarvan op ’n uitgestrekte gras vlakte duizenden koeien en ossen rustig weidden, want de Abambo’s waren een rijk en welvarend volk.Met groot welgevallen zagen de schipbreukelingen dan ook dit prachtige land aan, en MacIntosh zei, dat hij hier wel z’n hele leven zou willen blijven.Inderdaad volgde er ’n zeer aangename tijd voor de schipbreukelingen van de Stavenisse.In de eerste dagen was men de Engelsen behulpzaam met ’t oprichten van vier grote ronde hutten, die elk als slaapplek voor drie man konden gebruikt worden, zodat er nu ruimte genoeg voor allen was.William Christian bracht de Kapitein en z’n dochter naar ’n grote hut, die niet ver van de wal achter de verblijfplaats van de Engelsen stond.Deze hut was ’n soort van pakhuis, waarin verscheidene kisten en balen stonden, waarvan sommige reeds geopend waren.De inhoud van de geopende kisten bestond uitkralen van allerlei kleuren, koperen ringen, stukken ruw linnen, enz., en uit snuisterijen, alles afkomstig van de Good Hope, en geschikt voor ruiling met de inboorlingen, want de Good Hope had handel gedreven op de Oostkust van Afrika en zelfs op Madagascar, niet alleen in produkten, maar ook in slaven.Het merkwaardigste in de hut was ’n grote hoop olifantstanden, waarvan er sommige zeker 80 pond wogen; in ’n hoek stonden zowat ’n twintigtal geweren van ’n beter maaksel dan dat waaraan de schipbreukelingen gewoon waren.Vier of vijf van die geweren waren prachtig versierd en ingelegd met ivoor en zilver, en toen de Kapitein aan Christian vroeg, hoe hij aan die mooie wapenen kwam, antwoordde deze, dat zij ze gevonden hadden op ’n Arabiese Dhow, die zij ten noorden van Mozambique hadden veroverd.Katrijn beschouwde al deze merkwaardigheden met aandacht en zei toen tot William Christian: “Ik zie, meneer Christian, dat ge niet te veel gezegd hebt, toen u ons vertelde, dat u bij de Baai genoeg goed had om voedsel voor 50 jaar te kopen.”“Ja,” zei Christian, “er is genoeg goed en men kan er heel wat voor kopen, maar ’t ongeluk is dat ’t volk hier te slim begint te worden en steeds meerbegint te vragen voor z’n produkten. Vroeger kreeg ik voor ’n koperen armband ’n dozijn hoenders, nu kan ik er slechts vier krijgen, en als ik mijn waren tegen ’n hoge prijs van de hand wil zetten, moet ik nu al ver ’t binnenland in, soms bij volken die nog nooit ’n witte man hebben gezien. Die tochten zijn gevaarlik, want men weet nooit hoe ’n vreemd volk je ontvangen en behandelen zal, en vooral de stammen die in aanraking geweest zijn met de Arabieren zijn dikwels zeer gevaarlik.”Drie van de Engelsen leefden met kaffervrouwen uit de stam van de Abambo’s, maar deden nog niet aan veelwijverij, zodat er slechts drie vrouwen in de kraal waren, die ieder ’n zuigeling in de arm hadden.Katrijn had eerst ’n afkeer van die wezens, doch langzamerhand raakte zij met hen bekend, en vond zij ze beter dan ze gedacht had. Ze hielden hun hutten ordelik en zindelik en waren bezig van de morgen tot de avond, hetzij met ’t koken van kost, of ’t werken in de kleine tuinen, diebuiten de kraal op de helling van de heuvel aangelegd waren en waarin kafferkoren, zoet riet, pompoenen en boontjes weelderig groeiden.Er was zelfs een stuk grond met maïs of mielies bezaaid, ’n plant toen nog niet algemeen bekend inZuid-Afrika, maar in die streken door de Portugezen ingevoerd; deze mieliepitten had de bemanning van de Good Hope in Sofala gekregen.Toen Katrijn deze plant, die ze dikwels in Indië gezien had, opmerkte, vroeg ze aan Christian of men ze hier at. De Engelsman antwoordde, dat men ze zeer goed kon eten, maar de opbrengst van ’t kleine lapje dat hij had, wilde hij gebruiken om ze te verkopen of te verruilen. Hij had ’t vorige jaar ’n handjevol pitten ten geschenke gegeven aan de Koning van de Abambo’s en deze had heel wat koppen daarvan gewonnen, en nu wilde het volk van de Abambo’s ook van ’t nieuwe voedsel hebben; hij hoopte zodoende heel wat voordeel uit dat stukje grond te maken. Was dit ’t geval dan zou hij ’t volgende jaar ’n groter stuk land er mee beplanten.Nadat ’t meisje haar eerste afkeer van de kleurlingvrouwen overwonnen had, bracht zij ze meermalen ’n bezoek en schoon ze hun taal niet kon praten, wist men door gebaren elkander op ’n manier te begrijpen.Langzamerhand leerde Katrijn echter heel wat uitdrukkingen in de taal van de Abambo’s, die niet veel verschilde van de tegenwoordige taal der Zulu’s.Overigens leidde Katrijn ook geen ledig leven.Zij moest voor de kost zorgen en voor de gemakken van haar vader.Nog altijd was de Kapitein in droevige gedachten verzonken en gewoonlik zat hij stil en eenzaam in de schaduw van ’n boom of bosje naar de zee te turen, terwijl hij onophoudelik rookte. Dit roken was voor hem, zowel als voor de andere zeelieden ’n waar genot, want al hadden sommigen nog wel ’n pijp gehad, sinds de schipbreuk waren ze zonder tabak geweest.De Abambo’s echter kenden ’t gebruik van tabak en verbouwden ’n soort van die plant, welke in sommige delen van Zuid-Afrika in ’t wild groeit. Ze droogden de blaren en maakten er kleine rollen van, evenals de Pondo’s dit tans nog doen. Die tabak had geen slechte smaak, maar was verbazend sterk, doch de zeelieden waren aan sterke tabak gewoon. Zij die geen pijpen hadden, kregen die òf van de kaffers, òf maakten ze zelf uit ’t hout van ’n zekere boom, dat daartoe zeer geschikt was.Nadat de hutten gereed waren, hadden de mannen weinig of niets te doen. Soms gingen ze ’s morgens naar ’t strand, waar ze zich eerst baadden, en zich dan vermaakten met ’t vangen van vis en niet zelden ’n rijke buit meebrachten.Nu en dan vergezelden ze Christian of een derandere Engelsen naar de hoofdkraal van de Abambo’s; bij andere gelegenheden gingen ze met de nieuwe vrienden op de jacht.Over ’t algemeen leidden ze ’n aangenaam en zorgeloos leven. Wild, vis, kafferkoren en ander voedsel was er volop, en ze hadden zich over niets te bekommeren.Om echter een van de kaffermeiden tot vrouw te nemen, zoals de drie Engelsen hadden gedaan, dat stuitte zelfs de anders niet kieskeurige Hollandse zeelui tegen de borst.Nadat ze omtrent drie weken nabij de Baai van Natal waren geweest, kwam Kingston aanzetten met twee van de drie achtergebleven zieken, die tans hersteld waren. De derde was intussen overleden. Nu was het oude gezelschap weer zo goed als voltallig.Kort na hun aankomst zeiden Christian en Kingston, dat ze van plan waren ’n eind ver ’t binnenland in te gaan, ten einde olifanten te jagen en handel te drijven met de inboorlingen, en ze stelden aan de Hollanders voor met hen samen te gaan, ’t geen dan ook aangenomen werd.Slechts Hartog en de oude Kapitein en diens dochter bleven thuis, met de andere drie Engelsen.De twee herstelde zieken wilde Christian eerstniet meenemen, want hij vreesde, dat ze nog niet sterk genoeg zouden zijn om de ongemakken van de reis te verdragen, doch ze drongen zo bij hem aan, dat hij ten slotte er in toestemde.Al de blanken werden met geweren en de nodige ammunitie gewapend. Men had geen andere vracht te dragen, dan z’n eigen kombaars en genoeg proviand voor ’n dag.Veertig dragers, ieder met twee assegaaien gewapend, werden met de handelswaren en genoeg kafferkoren voor de reis beladen; vlees kon men langs de weg krijgen in de vorm van wild.Evenals op de reis van ’t wrak liep men langs ’n voetpad, de een achter de ander, doch na verloop van drie dagen eindigde het voetpad bij ’n zekere kraal en moest men met behulp van ’n kompas, dat Christian bij zich had,de weg zoeken door de bossen en over de grasvlakten.We zullen de tocht niet beschrijven, maar slechts melden dat deze uitmuntend afliep.De twee Engelsen, die natuurlik het leeuwe-aandeel in de jacht hadden, schoten over de twintig olifanten, waarvan sommige heel wat ivoor opleverden.De handel slaagde eveneens uitstekend en de dragers hadden werk om de zware pakken naar debaai terug te brengen. Ook bracht men ’n achttal beesten en 25 geiten met zich mede.Driemaal werden in vier maanden tijd zulke reizen gemaakt, alle met even groot sukses. Slechts op de laatste reis, waarop men in aanraking kwam met ’n vreemde stam, die zich niet al te vriendschappelik betoonde, liep men groot gevaar om vermoord te worden en ’t was slechts aan de takt van de twee Engelsen te danken, dat men heelhuids uit die streek terugkwam.Omstreeks ’t einde van 1686, kwamen plotseling acht mannen en een jongen uit ’t Noorden bij de Baai van Natal aan, en verhaalden dat zij de bemanning waren van ’n klein Engels schip, deBona Ventura, dat bij de St. Lucia Baai vergaan was, en dat zij nu op weg waren naar de Kaap de Goede Hoop.Zij waren allen Engelsen, en toen zij nu in de Baai waren aangekomen, maakten de andere daar reeds wonende Engelsen het hun duidelik, dat het dwaasheid was om te trachten de Kaap de Goede Hoop te voet te bereiken. Ze moesten liever in Natal blijven en men was geheel bereid om alles met hen te delen, mits zij hun aandeel namen in ’t werk dat men te doen had.Wat dat werk was, zullen we in ’n later hoofdstuk verhalen.

HOOFDSTUK IX.Vier maanden een lekker lui leven.

Toen de schipbreukelingen de volgende morgen na ’n geruste slaap opstonden, was de zon reeds ’n half uur op, en vertoonde zich aan hen een schoon toneel.De kraal van de Engelsen was gebouwd op de helling van ’n heuvel, die men tans de Berea noemt.Vóór hen strekte zich de Baai van Natal uit, met z’n blauwe wateren, die zachtjes tegen ’t zonnige strand bruisten.Rechts van de Baai verhief zich de steile Kaap, die gewoonlik bekend is als “de Bluff” en waar tegenwoordig de vuurtoren staat.Tussen de kraal en de zee was de grond bedektmet weelderig gras en lage bloeiende struiken, terwijl links en rechts ’t geboomte geleidelik hoger werd en eindelik in ’n dicht bos overging.Al was men reeds in de tweede wintermaand, toch was de zon nog warm en de lucht zoel.Ging men de heuvelrand over, dan zag men aan de voet ervan de talrijke hutten van de Abambo-kraal, links waarvan op ’n uitgestrekte gras vlakte duizenden koeien en ossen rustig weidden, want de Abambo’s waren een rijk en welvarend volk.Met groot welgevallen zagen de schipbreukelingen dan ook dit prachtige land aan, en MacIntosh zei, dat hij hier wel z’n hele leven zou willen blijven.Inderdaad volgde er ’n zeer aangename tijd voor de schipbreukelingen van de Stavenisse.In de eerste dagen was men de Engelsen behulpzaam met ’t oprichten van vier grote ronde hutten, die elk als slaapplek voor drie man konden gebruikt worden, zodat er nu ruimte genoeg voor allen was.William Christian bracht de Kapitein en z’n dochter naar ’n grote hut, die niet ver van de wal achter de verblijfplaats van de Engelsen stond.Deze hut was ’n soort van pakhuis, waarin verscheidene kisten en balen stonden, waarvan sommige reeds geopend waren.De inhoud van de geopende kisten bestond uitkralen van allerlei kleuren, koperen ringen, stukken ruw linnen, enz., en uit snuisterijen, alles afkomstig van de Good Hope, en geschikt voor ruiling met de inboorlingen, want de Good Hope had handel gedreven op de Oostkust van Afrika en zelfs op Madagascar, niet alleen in produkten, maar ook in slaven.Het merkwaardigste in de hut was ’n grote hoop olifantstanden, waarvan er sommige zeker 80 pond wogen; in ’n hoek stonden zowat ’n twintigtal geweren van ’n beter maaksel dan dat waaraan de schipbreukelingen gewoon waren.Vier of vijf van die geweren waren prachtig versierd en ingelegd met ivoor en zilver, en toen de Kapitein aan Christian vroeg, hoe hij aan die mooie wapenen kwam, antwoordde deze, dat zij ze gevonden hadden op ’n Arabiese Dhow, die zij ten noorden van Mozambique hadden veroverd.Katrijn beschouwde al deze merkwaardigheden met aandacht en zei toen tot William Christian: “Ik zie, meneer Christian, dat ge niet te veel gezegd hebt, toen u ons vertelde, dat u bij de Baai genoeg goed had om voedsel voor 50 jaar te kopen.”“Ja,” zei Christian, “er is genoeg goed en men kan er heel wat voor kopen, maar ’t ongeluk is dat ’t volk hier te slim begint te worden en steeds meerbegint te vragen voor z’n produkten. Vroeger kreeg ik voor ’n koperen armband ’n dozijn hoenders, nu kan ik er slechts vier krijgen, en als ik mijn waren tegen ’n hoge prijs van de hand wil zetten, moet ik nu al ver ’t binnenland in, soms bij volken die nog nooit ’n witte man hebben gezien. Die tochten zijn gevaarlik, want men weet nooit hoe ’n vreemd volk je ontvangen en behandelen zal, en vooral de stammen die in aanraking geweest zijn met de Arabieren zijn dikwels zeer gevaarlik.”Drie van de Engelsen leefden met kaffervrouwen uit de stam van de Abambo’s, maar deden nog niet aan veelwijverij, zodat er slechts drie vrouwen in de kraal waren, die ieder ’n zuigeling in de arm hadden.Katrijn had eerst ’n afkeer van die wezens, doch langzamerhand raakte zij met hen bekend, en vond zij ze beter dan ze gedacht had. Ze hielden hun hutten ordelik en zindelik en waren bezig van de morgen tot de avond, hetzij met ’t koken van kost, of ’t werken in de kleine tuinen, diebuiten de kraal op de helling van de heuvel aangelegd waren en waarin kafferkoren, zoet riet, pompoenen en boontjes weelderig groeiden.Er was zelfs een stuk grond met maïs of mielies bezaaid, ’n plant toen nog niet algemeen bekend inZuid-Afrika, maar in die streken door de Portugezen ingevoerd; deze mieliepitten had de bemanning van de Good Hope in Sofala gekregen.Toen Katrijn deze plant, die ze dikwels in Indië gezien had, opmerkte, vroeg ze aan Christian of men ze hier at. De Engelsman antwoordde, dat men ze zeer goed kon eten, maar de opbrengst van ’t kleine lapje dat hij had, wilde hij gebruiken om ze te verkopen of te verruilen. Hij had ’t vorige jaar ’n handjevol pitten ten geschenke gegeven aan de Koning van de Abambo’s en deze had heel wat koppen daarvan gewonnen, en nu wilde het volk van de Abambo’s ook van ’t nieuwe voedsel hebben; hij hoopte zodoende heel wat voordeel uit dat stukje grond te maken. Was dit ’t geval dan zou hij ’t volgende jaar ’n groter stuk land er mee beplanten.Nadat ’t meisje haar eerste afkeer van de kleurlingvrouwen overwonnen had, bracht zij ze meermalen ’n bezoek en schoon ze hun taal niet kon praten, wist men door gebaren elkander op ’n manier te begrijpen.Langzamerhand leerde Katrijn echter heel wat uitdrukkingen in de taal van de Abambo’s, die niet veel verschilde van de tegenwoordige taal der Zulu’s.Overigens leidde Katrijn ook geen ledig leven.Zij moest voor de kost zorgen en voor de gemakken van haar vader.Nog altijd was de Kapitein in droevige gedachten verzonken en gewoonlik zat hij stil en eenzaam in de schaduw van ’n boom of bosje naar de zee te turen, terwijl hij onophoudelik rookte. Dit roken was voor hem, zowel als voor de andere zeelieden ’n waar genot, want al hadden sommigen nog wel ’n pijp gehad, sinds de schipbreuk waren ze zonder tabak geweest.De Abambo’s echter kenden ’t gebruik van tabak en verbouwden ’n soort van die plant, welke in sommige delen van Zuid-Afrika in ’t wild groeit. Ze droogden de blaren en maakten er kleine rollen van, evenals de Pondo’s dit tans nog doen. Die tabak had geen slechte smaak, maar was verbazend sterk, doch de zeelieden waren aan sterke tabak gewoon. Zij die geen pijpen hadden, kregen die òf van de kaffers, òf maakten ze zelf uit ’t hout van ’n zekere boom, dat daartoe zeer geschikt was.Nadat de hutten gereed waren, hadden de mannen weinig of niets te doen. Soms gingen ze ’s morgens naar ’t strand, waar ze zich eerst baadden, en zich dan vermaakten met ’t vangen van vis en niet zelden ’n rijke buit meebrachten.Nu en dan vergezelden ze Christian of een derandere Engelsen naar de hoofdkraal van de Abambo’s; bij andere gelegenheden gingen ze met de nieuwe vrienden op de jacht.Over ’t algemeen leidden ze ’n aangenaam en zorgeloos leven. Wild, vis, kafferkoren en ander voedsel was er volop, en ze hadden zich over niets te bekommeren.Om echter een van de kaffermeiden tot vrouw te nemen, zoals de drie Engelsen hadden gedaan, dat stuitte zelfs de anders niet kieskeurige Hollandse zeelui tegen de borst.Nadat ze omtrent drie weken nabij de Baai van Natal waren geweest, kwam Kingston aanzetten met twee van de drie achtergebleven zieken, die tans hersteld waren. De derde was intussen overleden. Nu was het oude gezelschap weer zo goed als voltallig.Kort na hun aankomst zeiden Christian en Kingston, dat ze van plan waren ’n eind ver ’t binnenland in te gaan, ten einde olifanten te jagen en handel te drijven met de inboorlingen, en ze stelden aan de Hollanders voor met hen samen te gaan, ’t geen dan ook aangenomen werd.Slechts Hartog en de oude Kapitein en diens dochter bleven thuis, met de andere drie Engelsen.De twee herstelde zieken wilde Christian eerstniet meenemen, want hij vreesde, dat ze nog niet sterk genoeg zouden zijn om de ongemakken van de reis te verdragen, doch ze drongen zo bij hem aan, dat hij ten slotte er in toestemde.Al de blanken werden met geweren en de nodige ammunitie gewapend. Men had geen andere vracht te dragen, dan z’n eigen kombaars en genoeg proviand voor ’n dag.Veertig dragers, ieder met twee assegaaien gewapend, werden met de handelswaren en genoeg kafferkoren voor de reis beladen; vlees kon men langs de weg krijgen in de vorm van wild.Evenals op de reis van ’t wrak liep men langs ’n voetpad, de een achter de ander, doch na verloop van drie dagen eindigde het voetpad bij ’n zekere kraal en moest men met behulp van ’n kompas, dat Christian bij zich had,de weg zoeken door de bossen en over de grasvlakten.We zullen de tocht niet beschrijven, maar slechts melden dat deze uitmuntend afliep.De twee Engelsen, die natuurlik het leeuwe-aandeel in de jacht hadden, schoten over de twintig olifanten, waarvan sommige heel wat ivoor opleverden.De handel slaagde eveneens uitstekend en de dragers hadden werk om de zware pakken naar debaai terug te brengen. Ook bracht men ’n achttal beesten en 25 geiten met zich mede.Driemaal werden in vier maanden tijd zulke reizen gemaakt, alle met even groot sukses. Slechts op de laatste reis, waarop men in aanraking kwam met ’n vreemde stam, die zich niet al te vriendschappelik betoonde, liep men groot gevaar om vermoord te worden en ’t was slechts aan de takt van de twee Engelsen te danken, dat men heelhuids uit die streek terugkwam.Omstreeks ’t einde van 1686, kwamen plotseling acht mannen en een jongen uit ’t Noorden bij de Baai van Natal aan, en verhaalden dat zij de bemanning waren van ’n klein Engels schip, deBona Ventura, dat bij de St. Lucia Baai vergaan was, en dat zij nu op weg waren naar de Kaap de Goede Hoop.Zij waren allen Engelsen, en toen zij nu in de Baai waren aangekomen, maakten de andere daar reeds wonende Engelsen het hun duidelik, dat het dwaasheid was om te trachten de Kaap de Goede Hoop te voet te bereiken. Ze moesten liever in Natal blijven en men was geheel bereid om alles met hen te delen, mits zij hun aandeel namen in ’t werk dat men te doen had.Wat dat werk was, zullen we in ’n later hoofdstuk verhalen.

Toen de schipbreukelingen de volgende morgen na ’n geruste slaap opstonden, was de zon reeds ’n half uur op, en vertoonde zich aan hen een schoon toneel.

De kraal van de Engelsen was gebouwd op de helling van ’n heuvel, die men tans de Berea noemt.

Vóór hen strekte zich de Baai van Natal uit, met z’n blauwe wateren, die zachtjes tegen ’t zonnige strand bruisten.

Rechts van de Baai verhief zich de steile Kaap, die gewoonlik bekend is als “de Bluff” en waar tegenwoordig de vuurtoren staat.

Tussen de kraal en de zee was de grond bedektmet weelderig gras en lage bloeiende struiken, terwijl links en rechts ’t geboomte geleidelik hoger werd en eindelik in ’n dicht bos overging.

Al was men reeds in de tweede wintermaand, toch was de zon nog warm en de lucht zoel.

Ging men de heuvelrand over, dan zag men aan de voet ervan de talrijke hutten van de Abambo-kraal, links waarvan op ’n uitgestrekte gras vlakte duizenden koeien en ossen rustig weidden, want de Abambo’s waren een rijk en welvarend volk.

Met groot welgevallen zagen de schipbreukelingen dan ook dit prachtige land aan, en MacIntosh zei, dat hij hier wel z’n hele leven zou willen blijven.

Inderdaad volgde er ’n zeer aangename tijd voor de schipbreukelingen van de Stavenisse.

In de eerste dagen was men de Engelsen behulpzaam met ’t oprichten van vier grote ronde hutten, die elk als slaapplek voor drie man konden gebruikt worden, zodat er nu ruimte genoeg voor allen was.

William Christian bracht de Kapitein en z’n dochter naar ’n grote hut, die niet ver van de wal achter de verblijfplaats van de Engelsen stond.

Deze hut was ’n soort van pakhuis, waarin verscheidene kisten en balen stonden, waarvan sommige reeds geopend waren.

De inhoud van de geopende kisten bestond uitkralen van allerlei kleuren, koperen ringen, stukken ruw linnen, enz., en uit snuisterijen, alles afkomstig van de Good Hope, en geschikt voor ruiling met de inboorlingen, want de Good Hope had handel gedreven op de Oostkust van Afrika en zelfs op Madagascar, niet alleen in produkten, maar ook in slaven.

Het merkwaardigste in de hut was ’n grote hoop olifantstanden, waarvan er sommige zeker 80 pond wogen; in ’n hoek stonden zowat ’n twintigtal geweren van ’n beter maaksel dan dat waaraan de schipbreukelingen gewoon waren.

Vier of vijf van die geweren waren prachtig versierd en ingelegd met ivoor en zilver, en toen de Kapitein aan Christian vroeg, hoe hij aan die mooie wapenen kwam, antwoordde deze, dat zij ze gevonden hadden op ’n Arabiese Dhow, die zij ten noorden van Mozambique hadden veroverd.

Katrijn beschouwde al deze merkwaardigheden met aandacht en zei toen tot William Christian: “Ik zie, meneer Christian, dat ge niet te veel gezegd hebt, toen u ons vertelde, dat u bij de Baai genoeg goed had om voedsel voor 50 jaar te kopen.”

“Ja,” zei Christian, “er is genoeg goed en men kan er heel wat voor kopen, maar ’t ongeluk is dat ’t volk hier te slim begint te worden en steeds meerbegint te vragen voor z’n produkten. Vroeger kreeg ik voor ’n koperen armband ’n dozijn hoenders, nu kan ik er slechts vier krijgen, en als ik mijn waren tegen ’n hoge prijs van de hand wil zetten, moet ik nu al ver ’t binnenland in, soms bij volken die nog nooit ’n witte man hebben gezien. Die tochten zijn gevaarlik, want men weet nooit hoe ’n vreemd volk je ontvangen en behandelen zal, en vooral de stammen die in aanraking geweest zijn met de Arabieren zijn dikwels zeer gevaarlik.”

Drie van de Engelsen leefden met kaffervrouwen uit de stam van de Abambo’s, maar deden nog niet aan veelwijverij, zodat er slechts drie vrouwen in de kraal waren, die ieder ’n zuigeling in de arm hadden.

Katrijn had eerst ’n afkeer van die wezens, doch langzamerhand raakte zij met hen bekend, en vond zij ze beter dan ze gedacht had. Ze hielden hun hutten ordelik en zindelik en waren bezig van de morgen tot de avond, hetzij met ’t koken van kost, of ’t werken in de kleine tuinen, diebuiten de kraal op de helling van de heuvel aangelegd waren en waarin kafferkoren, zoet riet, pompoenen en boontjes weelderig groeiden.

Er was zelfs een stuk grond met maïs of mielies bezaaid, ’n plant toen nog niet algemeen bekend inZuid-Afrika, maar in die streken door de Portugezen ingevoerd; deze mieliepitten had de bemanning van de Good Hope in Sofala gekregen.

Toen Katrijn deze plant, die ze dikwels in Indië gezien had, opmerkte, vroeg ze aan Christian of men ze hier at. De Engelsman antwoordde, dat men ze zeer goed kon eten, maar de opbrengst van ’t kleine lapje dat hij had, wilde hij gebruiken om ze te verkopen of te verruilen. Hij had ’t vorige jaar ’n handjevol pitten ten geschenke gegeven aan de Koning van de Abambo’s en deze had heel wat koppen daarvan gewonnen, en nu wilde het volk van de Abambo’s ook van ’t nieuwe voedsel hebben; hij hoopte zodoende heel wat voordeel uit dat stukje grond te maken. Was dit ’t geval dan zou hij ’t volgende jaar ’n groter stuk land er mee beplanten.

Nadat ’t meisje haar eerste afkeer van de kleurlingvrouwen overwonnen had, bracht zij ze meermalen ’n bezoek en schoon ze hun taal niet kon praten, wist men door gebaren elkander op ’n manier te begrijpen.

Langzamerhand leerde Katrijn echter heel wat uitdrukkingen in de taal van de Abambo’s, die niet veel verschilde van de tegenwoordige taal der Zulu’s.

Overigens leidde Katrijn ook geen ledig leven.Zij moest voor de kost zorgen en voor de gemakken van haar vader.

Nog altijd was de Kapitein in droevige gedachten verzonken en gewoonlik zat hij stil en eenzaam in de schaduw van ’n boom of bosje naar de zee te turen, terwijl hij onophoudelik rookte. Dit roken was voor hem, zowel als voor de andere zeelieden ’n waar genot, want al hadden sommigen nog wel ’n pijp gehad, sinds de schipbreuk waren ze zonder tabak geweest.

De Abambo’s echter kenden ’t gebruik van tabak en verbouwden ’n soort van die plant, welke in sommige delen van Zuid-Afrika in ’t wild groeit. Ze droogden de blaren en maakten er kleine rollen van, evenals de Pondo’s dit tans nog doen. Die tabak had geen slechte smaak, maar was verbazend sterk, doch de zeelieden waren aan sterke tabak gewoon. Zij die geen pijpen hadden, kregen die òf van de kaffers, òf maakten ze zelf uit ’t hout van ’n zekere boom, dat daartoe zeer geschikt was.

Nadat de hutten gereed waren, hadden de mannen weinig of niets te doen. Soms gingen ze ’s morgens naar ’t strand, waar ze zich eerst baadden, en zich dan vermaakten met ’t vangen van vis en niet zelden ’n rijke buit meebrachten.

Nu en dan vergezelden ze Christian of een derandere Engelsen naar de hoofdkraal van de Abambo’s; bij andere gelegenheden gingen ze met de nieuwe vrienden op de jacht.

Over ’t algemeen leidden ze ’n aangenaam en zorgeloos leven. Wild, vis, kafferkoren en ander voedsel was er volop, en ze hadden zich over niets te bekommeren.

Om echter een van de kaffermeiden tot vrouw te nemen, zoals de drie Engelsen hadden gedaan, dat stuitte zelfs de anders niet kieskeurige Hollandse zeelui tegen de borst.

Nadat ze omtrent drie weken nabij de Baai van Natal waren geweest, kwam Kingston aanzetten met twee van de drie achtergebleven zieken, die tans hersteld waren. De derde was intussen overleden. Nu was het oude gezelschap weer zo goed als voltallig.

Kort na hun aankomst zeiden Christian en Kingston, dat ze van plan waren ’n eind ver ’t binnenland in te gaan, ten einde olifanten te jagen en handel te drijven met de inboorlingen, en ze stelden aan de Hollanders voor met hen samen te gaan, ’t geen dan ook aangenomen werd.

Slechts Hartog en de oude Kapitein en diens dochter bleven thuis, met de andere drie Engelsen.

De twee herstelde zieken wilde Christian eerstniet meenemen, want hij vreesde, dat ze nog niet sterk genoeg zouden zijn om de ongemakken van de reis te verdragen, doch ze drongen zo bij hem aan, dat hij ten slotte er in toestemde.

Al de blanken werden met geweren en de nodige ammunitie gewapend. Men had geen andere vracht te dragen, dan z’n eigen kombaars en genoeg proviand voor ’n dag.

Veertig dragers, ieder met twee assegaaien gewapend, werden met de handelswaren en genoeg kafferkoren voor de reis beladen; vlees kon men langs de weg krijgen in de vorm van wild.

Evenals op de reis van ’t wrak liep men langs ’n voetpad, de een achter de ander, doch na verloop van drie dagen eindigde het voetpad bij ’n zekere kraal en moest men met behulp van ’n kompas, dat Christian bij zich had,de weg zoeken door de bossen en over de grasvlakten.

We zullen de tocht niet beschrijven, maar slechts melden dat deze uitmuntend afliep.

De twee Engelsen, die natuurlik het leeuwe-aandeel in de jacht hadden, schoten over de twintig olifanten, waarvan sommige heel wat ivoor opleverden.

De handel slaagde eveneens uitstekend en de dragers hadden werk om de zware pakken naar debaai terug te brengen. Ook bracht men ’n achttal beesten en 25 geiten met zich mede.

Driemaal werden in vier maanden tijd zulke reizen gemaakt, alle met even groot sukses. Slechts op de laatste reis, waarop men in aanraking kwam met ’n vreemde stam, die zich niet al te vriendschappelik betoonde, liep men groot gevaar om vermoord te worden en ’t was slechts aan de takt van de twee Engelsen te danken, dat men heelhuids uit die streek terugkwam.

Omstreeks ’t einde van 1686, kwamen plotseling acht mannen en een jongen uit ’t Noorden bij de Baai van Natal aan, en verhaalden dat zij de bemanning waren van ’n klein Engels schip, deBona Ventura, dat bij de St. Lucia Baai vergaan was, en dat zij nu op weg waren naar de Kaap de Goede Hoop.

Zij waren allen Engelsen, en toen zij nu in de Baai waren aangekomen, maakten de andere daar reeds wonende Engelsen het hun duidelik, dat het dwaasheid was om te trachten de Kaap de Goede Hoop te voet te bereiken. Ze moesten liever in Natal blijven en men was geheel bereid om alles met hen te delen, mits zij hun aandeel namen in ’t werk dat men te doen had.

Wat dat werk was, zullen we in ’n later hoofdstuk verhalen.


Back to IndexNext